Hoofdstuk I.

Het begrip der wetenschap.

2. De etymologie en het spraakgebruik.

Het bestek eener theologische Encyclopaedie laat geen principieele uiteenzetting van de „leer der wetenschap” toe; en toch gaat het evenmin aan, het wezen van de Theologie als wetenschap te beschrijven, zoo niet vooraf het begrip van „wetenschap” vaststa. Bij de in het oog loopende spraakverwarring ten opzichte van dit begrip, is het derhalve eisch, dat de schrijver van eene theologische Encyclopaedie vooraf duidelijk doe uitkomen, hoe door hem dit begrip verstaan wordt.

Etymologisch staat het tamelijk wel vast, dat weten als intellectueel begrip ontleend is aan het zinlijk begrip van het zien, en wel bepaaldelijk aan het zien van iets, dat men zocht, in den zin van ons vinden. Iets, waar te sterker nadruk op mag gelegd, omdat niet alleen de Indo-germaansche, maar evenzoo de Semitische taalstam, op dezen oorsprong van het begrip weten heenduidt. Het Sanskriet heeft véd-a, ik weet, vind-áti, hij vindt; het Grieksch Fid in edon, ik zag, naast oda, ik weet; het Latijn vid-ere, zien, naast vis-ere, bezoeken; het Gothisch wait, voor ik weet, naast wit-an, waarnemen, op iets zien; en het oud-Slavisch vid-eti, zien naast ved-etiweten. (Zie Dr. Alois Walde, Lateinisches etymologisches Wörterbuch, Heidelberg, 1906, in voce video.) Een begripsontwikkeling, die bijna evenwijdig loopt met die van den Semitischen wortel vada’ (vdw), die, evenals in het oud-Grieksch vid naast id staat, den dubbelen vorm vertoont van vada’ en iada’ (vdy). Ook dit vada’ of iada’ nu is het gewone woord voor weten, maar met de grondbeteekenis van zien. In 1 Sam. X : 11, |5| Job XXVIII : 13 en Pred. III : 21 zetten de LXX, althans volgens de lezing van sommige handschriften, het dan ook door den over. Naast vmH als waarneming door het oor staat vdy als waarneming door het oog. lH h'r in Genesis XXXVII : 14 en lH vdy in Esth. II : 11 is voor den zin één. De schijnbaar geheel afwijkende beteekenis, die vdy in Ezech. XXXVIII : 14, e.a. heeft, waarin het denkbeeld van scheiden, splitsen, uiteenslaan, op den voorgrond treedt, kan daarom oorspronkelijk toch zeer wel met de beteekenis van zien zijn saamgevallen, evenals bij cernere in zijn samenhang met krnein. (Zie Dr. J. Fürst, Hebräisches und chaldäisches Handwörterbuch über das Alte Testament, 1876, in voce vdy). Kan op dien grond de samenhang tusschen de begrippen weten en zien kwalijk geloochend, toch is weten daarom niet met alle zien gelijk in oorsprong. Zien is een fijn geschakeerd begrip. hOrn, blpein, den, yesqai, qesqai, dedorknai, -spicere, skep- (in skptesqai), enz. drukken alle zekere waarneming door het oog uit, maar op onderscheidene wijze. Een voorwerp kan zich aan ons vertoonen, zoodat we het ontwaren en dus zien, maar zonder dat ons oog er naar zocht. Een ander maal kan ons oog uitzien, maar zonder een bepaald voorwerp te willen ontdekken. Terwijl er eindelijk een derde uitzien bestaat, waarbij we ons gezichtsvermogen aanwenden, om een bepaald voorwerp te zoeken en te onderzoeken, tot we het vinden en doorzien. Het begrip van het zien nu, dat in den stam van weten ligt, is bepaaldelijk dit laatste zien. Voorbedachtelijk naar iets uitzien, om het te vinden. Hierin ligt dan van zelf de overgang op de begrippen van onderzoeken en pogen te kennen, en als resultaat hiervan het zien of weten. De openbaring der H. Schrift licht dezen samenhang nader toe, door de gnsiv als een lageren vorm van het weten voor te stellen, en als een blpein, maar k mrouv, n angmati, als d sptrou; en hier tegenover de voltooide gnsiv te doen uitkomen als een zien vlak bij, in de volle realiteit, een blpein prswpon prv prswpon (1 Cor. XIII : 8-12).

Raadplegen we nu in de tweede plaats het spraakgebruik, dan liggen de begrippen van weten en kennen door een duidelijk |6| waarneembare grens van elkaar gescheiden. Weten heeft in het spraakgebruik èn een meer algemeene, èn een engere beteekenis. In de vraag: Weet ge, dat de mailboot schipbreuk leed?, is alleen bedoeld: Hebt ge het gehoord? Is dit feit reeds opgenomen in uw bewustzijn? Zeg ik daarentegen: Weet ge dat het zoo is?, dan is weten in stringenten zin genomen, en beduidt het ongeveer: Kunt ge er voor in staan? Beide malen echter ligt in dit weten minder de gedachte aan een ontleding van den inhoud van eenige zaak of eenig feit, als veelmeer de gedachte aan de existentie er van; de tegenstelling tusschen het zijn en het niet zijn. Kennen daarentegen doelt niet op het zijn of niet zijn, maar onderstelt het zijn, en ontleedt dit met het doel, om het in de wereld onzer begrippen over te leiden. Wetenschap omtrent iets bezitten is bijna gelijkluidend met zekerheid aangaande iets hebben, wat dan vanzelf insluit, zulk een voorstelling van de zaak of het feit verkregen te hebben, als noodig is, om het op te nemen in ons bewustzijn. Eerst dan echter is het een weten als ik niet slechts deze voorstelling in mijn bewustzijn heb, maar tevens het besef, dat deze voorstelling beantwoordt aan het werkelijk bestaande; geheel anders dan het kennen, waarmede ik in deze voorstelling indring, om ze in haar bestand en noodzakelijkheid te begrijpen.

Brengen we hiermee nu het gewone woord wetenschap in verband, dan stuiten we op de schijnbare tegenstrijdigheid, dat „de wetenschap”, gelijk men haar noemt, bijna uitsluitend op het gebied van het kennen schijnt te liggen, en, toegekomen aan de vraag, of aan de gewone voorstelling een daarmee overeenstemmende realiteit beantwoordt, telkens eindigt met een non liquet; zelfs met een principieel non liquet, zoodra de algemeene verhouding van de fainmena tot de nomena aan de orde komt. Meer dan schijn is dit echter niet. Lange eeuwen misten het begrip scientia en de hieraan beantwoordende vormen in andere talen elken sceptischen bijsmaak, en maakten geen anderen indruk dan van studiën, die in staat waren, omtrent allerlei dingen wezenlijke wetenschap mede te deelen, zoodat men door haar wist, wat men vroeger niet wist. De „taalmakende gemeente” hield |7| deswege hardnekkig aan de grondbeteekenis van zien en weten ook in het afgeleide begrip van „de wetenschap” vast, en stempelde dit nog duidelijker door de tegenstelling tusschen „wetenschap” en „geleerdheid”. Naar taalrecht wordt van de „wetenschap” gevergd, dat ze ons weten doe, wat er is, dat het er is, en hoe het er is. Dat nu de mannen der „wetenschap” zelven dezen naam aanvaard hebben, en er allerlei vroegere namen, vooral dien van philosophie, voor lieten glippen, bewijst, dat ook hen de zucht dreef, niet zoozeer om te onderzoeken, maar om zelven te weten en te maken, dat ook voor anderen wezenlijk weten mogelijk zou zijn; en dat wel een weten in zoo helderen, klaren zin, dat schutting en steiger, die bij den voorafgaanden arbeid onmisbaar waren, ten slotte geheel konden weggeruimd, het beeld kon worden onthuld, en alsnu kon worden gezien. En al beseft men nu uitnemend wel, dat dit resultaat onder de tegenwoordige gegevens in zijn hoogste beteekenis onbereikbaar is, daarom houdt men, al ware het slechts in zijn taalgebruik, toch altoos het ideaal vast. Er leeft in ons een dorst naar een wetenschap der dingen, die vrucht van onmiddellijk zien, zij het dan ook van een zien zonder somatisch oog, zij; en, waar nu de tegenwoordige werkelijkheid ons de voldoening van deze neiging ontzegt, opent Gods Woord ons een verschiet, waarin dit rechtstreeksch doorschouwen der dingen, dit zien van prswpon prv prswpon kenmerk eener andere realiteit zal zijn. Het taalgebruik, dat het begrip zien in weten vasthoudt, is alzoo in overeenstemming met de Openbaring, die ons naar een wetenschap, die in zien bestaan zal, henenwijst.

De bedenking, dat „wetenschap”, aldus in gebondenheid aan de etymologie en aan het gebruik van het woord opgevat, met „waarheid” eensluidend zou zijn, houdt geen steek. Vooreerst toch wijst de stam van dit woord, die ook in het Latijnsche ver-us, waar, voorkomt, niet op het geziene of gewetene, maar hangt hij volgens de jonge etymologische onderzoekingen waarschijnlijk saam met den Indogermaanschen stam ues-, zijn, en is uero-s saamgetrokken uit uesro-s; de oorspronkelijke beteekenis zou dan zijn: hetgeen wezenlijk is, het wezenlijk bestaande. (Zie Dr. Alois Walde, Lateinisches etymologisches Wörterbuch, in voce verus). |8| Ook het Hebreeuwsche woord tm', afkomstig van m', wijst op het vaste, duurzame, datgene, wat bestand in zich zelf heeft. Het Grieksche woord ljqv daarentegen heeft een andere beteekenis, daar het is afgeleid van den stam laq-, verborgen, bedekt zijn, met de a-privans, en zeggen wil: hetgeen zich niet verbergt, maar zich toont, zooals het is. Maar bovendien, de waarheid is altoos een antithetisch begrip, iets, wat wetenschap volstrekt niet is. De dorst naar wetenschap vindt haar oorsprong in onze zucht, om, wat bestaat, in ons bewustzijn af te spiegelen; de dorst naar waarheid daarentegen, om, wat het bestaande anders voorstelt, dan het is, uit ons bewustzijn te bannen. In praegnanten zin staat dus, gelijk we later breeder aantoonen, waarheid tegenover leugen. Doch ook waar waarheid gezocht wordt, om de onopzettelijke vergissing, een te goeder trouw opgekomen waan, of ook de onjuistheid, die gevolg is van ontoereikend onderzoek, te mijden of te bestrijden, blijft toch altoos een tegenstelling over, die alzoo tot het wezen van dit begrip behoort. Ware noch leugen, noch vergissing, noch waan, noch onjuistheid denkbaar, zoo zou de dorst naar waarheid niet kunnen opkomen. Dat de wetenschap waarheid zoekt, en waarheid bij haar boven alles gaat, drukt dus niet haar grondgedachte uit. Die is en blijft: te weten te komen, wat er is, dat het er is en hoe het er is; en dit streven neemt slechts in zooverre den vorm aan van „zoeken naar waarheid”, als het, om tot het bestaande door te dringen, allerlei valsche voorstellingen van het bestaande te verwijderen heeft. In een stand van zaken, gelijk de Openbaring ons dien in het rijk der heerlijkheid teekent, blijft de zucht werken, om te zien en te weten; dàn natuurlijk door onmiddellijke waarneming; maar de tegenstelling tusschen leugen, vergissing, waan en onjuistheid eenerzijds en waarheid anderzijds valt alsdan geheel weg.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001