Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid

door Dr. A. Kuyper


Tweede deel. Algemeen deel

Tweede, herziene druk

Kampen — J.H. Kok — 1909



Voorwoord voor den eersten druk

Het tweede deel dezer theologische Encyclopaedie behandelt, in Hoofdstuk II der tweede afdeeling, het Principium Theologiae uitvoeriger dan het gewone kader der Encyclopaedie gedoogt.

Alleen aan de bespreking van dit Principium Theologiae zijn de blz. 294-518 gewijd.

Dat hieruit zekere onevenredigheid geboren werd, mag niet verheeld.

Ware schrijver dezes dan ook zoo gelukkig geweest, reeds naar zijn „Dogmatiek” te kunnen verwijzen, zoo zou de behandeling van dit onderwerp merkelijk korter zijn uitgevallen, en veel als Lehnsatz uit die „Dogmatiek” zijn overgenomen, wat thans toelichting en nader betoog vereischte.

Nu echter zijn „Dogmatiek” wel in college-dictaten de pers verliet, maar nog niet op de markt is, schoot hem niet anders over, dan in zijn Encyclopaedie een gedeelte van het betoog te voeren, dat anders in den locus de S. Scriptura thuis hoort.

Het min juiste, dat hierdoor in de uitvoering ontstond, laat hij zich liever ten laste komen, dan dat het inzicht in zijn bedoeling bleef afgesneden.

Hoe hoog hij toch de frissche golving van het mystieke leven waardeert, die thans zelfs bij de verst afgewekene richting valt waar te nemen, toch kan uit de mystiek, zonder meer, nooit een Theologie worden opgebouwd.

De Theologie heeft nooit anders geleefd noch gebloeid dan op den wortel van haar eigen principium; en dit principium kan niet buiten de Heilige Schrift worden gezocht, of zijn karakter als principium voor het bewuste leven der Kerk gaat te loor. |vi|

Met nadruk moest daarom op de aloude leer van het Principium Theologiae worden teruggegaan. Niet om dit eenvoudig uit de oude Theologie over te nemen; maar om het door nadere ontwikkeling in te sluiten in de vormen van ons hedendaagsch bewustzijn.

In hoeverre deze Encyclopaedie hierin geslaagd is, sta aan anderer oordeel.

Ons zal het reeds stoffe tot dank zijn, indien deze uiteenzetting van het Principium Theologiae er iets toe mag bijdragen, om aan onze Gereformeerde theologen weer grond onder de voeten te geven.


Amsterdam, 1 Mei 1894.




Eerste afdeeling

Het organisme der wetenschap

1. Inleiding.

Het is de taak der theologische Encyclopaedie, een onderzoek in te stellen naar het wezen der Theologie, met het uitgesproken doel, haar te leeren verstaan, critiek op haar verloop uit te oefenen, en haar gezonde ontwikkeling te bevorderen. Ze kan niet volstaan, met antwoord te geven op de vraag: Wat de Theologie is; maar is ook geroepen, tot het vellen van een oordeel over de studie, die dusver aan de Theologie besteed werd, en heeft evenzeer het spoor te teekenen, waarlangs deze studie zich voortaan te bewegen heeft. Dit onderzoek zou geen wetenschappelijk karakter dragen, en alzoo niet encyclopaedisch zijn, indien de Theologie slechts een private liefhebberij ware van enkele individuen, maar bezit dit wel, nu de Theologie een belang vertegenwoordigt, dat den menschelijken geest als zoodanig bezig houdt. Nu toch staan we voor een verschijnsel, dat zich over eeuwen uitstrekt en tal van personen bezig hield, en alzoo niet de vrucht kan zijn van gril of inval, noch ook van afspraak en overeenkomst, maar |2| beheerscht wordt door een eigen motief, dat in al deze eeuwen op al deze personen werkte. Dit motief kan niet anders liggen dan in den menschelijken geest; en blijkt nu, dat zich in de theologische studiën, in hoe verschillende tijden en door hoe onderscheidene personen ook beoefend, toch zekere gelijkmatigheid, zekere orde en een waarneembare ontwikkeling vertoont, dan volgt hieruit, dat het motief, waardoor de menschelijke geest tot het theologisch onderzoek gedreven wordt, niet enkel formeel zulk onderzoek vordert, maar ook den inhoud en den richting dezer studiën beheerschen wil. Er behoort dus onderscheid te worden gemaakt tusschen den theologischen arbeid der enkele godgeleerden, en de drijfkracht der Theologie, waaraan zij bewust of onbewust, geheel of ten deele, gehoorzaamd hebben. Die theologische drijfkracht is het algemeen verschijnsel, dat in de afzonderlijke theologische studiën wel uitkomt, maar zich nooit uitput. Dit algemeene verschijnsel ligt achter en boven zijn tijdelijke en individueele openbaringen. Het is niet door een mensch uitgedacht, maar door menschen in den menschelijken geest gevonden; en gevonden niet als een indifferent iets, maar als bepaald in wezen en strekking; en kan en moet uit dien hoofde opgenomen in het geheel van het onderzoek der wetenschap. Juist dit onderscheid echter tusschen het algemeen theologisch motief en de uitwerking van dit motief op den enkelen theoloog, doet het gevaar en de waarschijnlijkheid ontstaan, dat de studie der Theologie ook invloeden kan ondergaan, die met dit motief in strijd zijn; een afwijking, die haar noodzakelijk doet verbasteren en het onderling verband dezer studiën schade doet lijden. Vandaar, dat de drang tot critiek met dit motief zelf gegeven is, en het wetenschappelijk onderzoek naar het wezen der Theologie der halver wege zou blijven steken, zoo het niet ook onderzocht, in hoeverre het motief der Theologie dusver in haar beoefening tot haar recht kwam, en op wat wijze ze haar taak heeft voort te zetten.

Technisch zou het encyclopaedisch onderzoek dus het zuiverst loopen, indien men eerst thetisch het wezen der Theologie kon bepalen; daarna critisch de empirische Theologie hieraan toetste; en eindelijk therapeutisch de middelen aanwees, om de ontwikkeling der |3| Theologie gezond te houden of te maken. Toch is het volgen van dit schema onraadzaam. Om drie redenen. Vooreerst toch is het thetisch resultaat niet te vinden, dan door met de empirie te rade te gaan en zoo de afwijkingen als de antithese voor de begripsbepaling te hulp te roepen. In de tweede plaats zou men aldus eerst bij de Theologie in het algemeen, en daarna bij elk van haar deelen, in gedurige herhaling van een veelszins gelijkluidende critiek moeten vervallen. En ten derde zou de thetische, critische en therapeutische of diaetetische behandeling van elk vak geheel uit het verband worden gerukt en op drie geheel onderscheiden plaatsen aan de orde komen. Dit noopt, de technische onberispelijkheid aan de eischen eener practische behandeling ten offer te brengen; en de indeeling van het onderzoek naar zakelijke orde te regelen. Vandaar, dat ook in deze Encyclopaedie het eigenlijk onderzoek in twee deelen uiteenvalt, waarvan het eerste loopt over de Theologie als zoodanig, en het tweede haar onderdeelen monstert. En zulks beide malen, om èn de Theologie als zoodanig, èn haar deelen organisch te leeren verstaan. De Encyclopaedie mag niet rusten, eer ze de Theologie als organisch deel van de algemeene wetenschap begrijpt, en evenzoo de vakken van uitlegkunde, kerkgeschiedenis enz. als organische deelen van de theologische wetenschap doorzien heeft.

Bestond er nu tusschen alle onderzoekers volkomen eenstemmigheid over het wezen en het begrip der wetenschap, zoo kon men aanstonds van dit vaststaande gegeven uitgaan, om in de sfeer dier wetenschap de plaats aan te wijzen, die door de Theologie moet worden ingenomen, en de eischen vast te stellen, waaraan ze heeft te beantwoorden. Doch dit is niet het geval. Niet alleen toch, dat het begrip wetenschap nog altijd zeer zwevend blijft; maar wat nog bedenkelijker is, juist de verhouding, waarin de onderscheidene denkers tegenover de Theologie en haar voorwerp staan, heeft op de begripsbepaling van de wetenschap niet zelden overwegenden invloed. Alle helderheid in de encyclopaedische uiteenzetting gaat dus te loor, zoo niet vooraf duidelijk blijkt, hoe eenig schrijver de wetenschap en hare beoefening in het algemeen verstaat. Hierin ligt de beweegreden, waarom ook het thans in te stellen onderzoek naar het wezen der |4| Theologie aanvangt met een summiere bespreking van de wetenschap en haar beoefening. Het organisme zelf der wetenschap moet helder voor ons staan, zal in dit organisme aan de Theologie haar plaats worden aangewezen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001