Zesde lezing

Het Calvinisme en de Toekomst.

De taak, die ik op mij nam, spoedt ten einde. Ik ben aan mijn laatste lezing toe. In mijn eerste lezing hief ik het Calvinisme uit het splinterig gewirwar van confessioneele bekrompenheid op tot den hoogen rang van een principieel zelfstandig stelsel, waaraan we een geheel eigene, alomvattende wereld- en levensbeschouwing danken. Een levensbeschouwing die, in historische beteekenis, met het Paganisme, het Islamisme en het Romanisme op één lijn staande, in diepte van opvatting, in zuiverheid van lijnen en in trap van ontwikkeling die alle te boven gaat. Daarna legde ik u het beginsel van dit machtig stelsel bloot in zijn absoluut religieus-ethisch standpunt. En voorts trok ik uit dit vaste beginsel de drie lijnen, waarlangs het Calvinisme het leven der menschheid op het gebied van Staat, Wetenschap en Kunst geleid heeft. Natuurlijk ware daaraan nog velerlei toe te voegen geweest, zoo ik voor de overige terreinen des levens gelijke aanwijzing had willen geven; maar de beperktheid van tijd verbood dit. Reeds vergde ik meer van uw aandacht, dan waarop een vreemdeling aanspraak mag maken. Zonder verder verwijl kom ik daarom thans tot de slotvraag, waarop het laatste nummer van mijn program antwoord wil geven, tot de vraag namelijk: Welke is de beteekenis van het Calvinisme voor de toekomst?

Helder teekent zich de toekomst aan den gezichtseinder niet af; en al ga ik niet zoover van te zeggen dat we nu reeds aan een generaal bankroet toe zijn, toch zijn de teekenen onheilspellend. |169| Niet wat onze macht over de natuur en haar krachten betreft. Die macht boekt nog telken jare reusachtige overwinsten, en de stoutste verwachting gist ternauwernood waartoe deze macht, eer we een halve eeuw verder zijn, nog klimmen kan. In verband hiermeê neemt het comfort in het leven toe; steeds wijder vertakt en sneller ontsluit zich verkeer en gemeenschap. Ook Azië en Afrika, die dusversliepen, worden almeer in den breeden levenskring getrokken. De hygiëne wint, meê door sport, in kracht. Lichamelijk zijn wij sterker dan een vorig geslacht. We leven langer. En waar lichamelijk gebrek het leven bedreigt of benart, verbaast de chirurgie u door haar wonderen. Kortom, op de stoffelijke, tastbare zijde des levens valt schier enkel licht. En toch mort de ontevredenheid en klaagt de moedelooze denker, want hoe hoog we ook het stoffelijke waardschatten, we gaan er als menschen niet in op. Uit de hut van den daglooner kan met dankbren toon een psalm des lofs opstijgen, de millionair zich vervelen in zijn prachtpaleis en zinnen op zelfmoord. Niet in het comfort om ons heen, niet in het lichaam aan ons, maar in den geest, die ons innerlijk drijft, bestaan we als personen, als burgers, als menschen; en in dat innerlijk besef nu spreekt op steeds schriller toon de pijnlijke gewaarwording, dat de volbloedigheid van het uitwendige leven ons almeer op bedenkelijke bloedarmoê van den geest te staan komt. Niet dat er niet gedacht en gezonnen, niet gezongen en geschreven wordt. Veeleer schittert de empirische geleerdheid als nooit, wordt algemeene kennis in steeds wijder kring verspreid, en is de beschaving, denk slechts aan Japan, schier verlegen met haar veroveringen. Maar ook het intellect is de geest niet. Onze persoon ligt in ons wezen dieper, en het is in dit verborgene van ons wezen, waar het karakter zich boetseert, de geestdrift opvlamt, de zedelijke vastigheden geplaveid worden, de liefde haar bloemknop ontluiken doet, de toewijding en het heroïsme ontspringen, en in de richting naar den Oneindige zich de poorte uit het tijdelijke naar het eeuwige aanzijn ontsluit, dat onder alle natiën geklaagd wordt over verarming, inzinking en versteening. Een geest als Von Schopenhauer is uit die pijnlijke malaise geboren, en de bijval, dien zijn pessimisme vond, toont maar al te beschamend hoe ver en breed deze doodelijke |170| Sirocco de velden des levens reeds verzengd heeft. Het is zoo, in Tolstoy’s pogen spreekt karakterbezieling, maar ook zoo toch is mede zijn optreden één doorloopend protest tegen de geestelijke verbastering van ons geslacht. Von Nietzsche moge u ergeren door zijn spotten met den Christus en zijn minachting voor wie zwak is en lijdt, maar toch wat klinkt ook in zijn roepen om den »Uebermensch” u scheller tegen dan de klacht der wanhoop, door den mensch gelijk hij nu geestelijk verkwijnt, in verbeten bitterheid geslaakt? Ook de Sociaal-democratie, wat is zij anders dan één reusachtig protest tegen de bestaande orde van zaken? En wat spellen Anarchisme en Nihilisme u duidelijker dan dat duizenden bij duizenden liever alles stukslaan en vernielen zouden, dan zóó nog langer voort te tobben? De man die uit Berlijn over de Decadenz der Völker schreef, wat zag hij in zijn diorama anders naderen dan inzinking en ondergang? Sprak zelfs de bezadigde Lord Salibury niet onlangs nog van volken en staten, voor wier min eervolle begrafenis men aanstalten maakte? Ja hoe dikwijls is niet reeds de parallel tusschen onzen tijd en de gouden eeuw van het Romeinsche keizerrijk getrokken, toen ook de schittering van het uitwendig leven aller oog verblindde, en toch het »rot tot in het merg” niet te krasse uitspraak was van de sociale diagnose. En al is het, dat gij in uw jonger wereld, u nog frisscher gevoelt, dan wij in ons verouderend Europa, toch laten de doordenkende geesten ook onder u zich daardoor geen oogenblik misleiden. Ge kunt u niet hermetisch voor de oude wereld afsluiten. Gij zijt geen menschheid apart, maar een deel van het groote lichaam der één menschheid, en het gif eenmaal in het ééne deel des lichaams geslopen, plant zich vanzelf in heel het lichaam voort.

Zal zich nu, en ziehier de spil, waarom de zoo ernstige vraag, waarvoor we staan, zich beweegt, zal zich door natuurlijke evolutie uit deze geestelijke ingezonkenheid nog een nieuwe, hoogere levensphase ontwikkelen kunnen? En dan is het antwoord der historie verre van bemoedigend. In Indië, in Babylon, in Egypte, in Perzië, in China, en waar niet al, zijn evenzeer, na perioden van hoogen bloei, tijden van geestelijke inzinking ingetreden, en toch is in geen dier landen eene evolutie naar hooger op dit inzinking gevolgd, maar alle deze volkeren sliepen weg in hun |171| geestelijken doodslaap. Alleen in het Romeinsche keizerrijk, het is zoo, daagde straks na den donkeren nacht van een grenzenlooze zedenverbastering de morgenstond van een hooger leven. Alleen maar dát morgenrood kwam niet door evolutie op, maar bestraalde ons van Golgotha’s kruis. De Christus Gods was verschenen, en het was zijn Evangelie waardoor de toenmalige wereld van haar noodlottigen ondergang werd gered. En ook, toen in de laatste periode der Middeneeuwen nogmaals een maatschappelijk bankroet nabij scheen, is er, ja, ten tweeden male eene opstanding uit de graven en een ontluiking van frisscher levenskracht bij de volken der Reformatie gevolgd, maar ook toen niet door evolutie, maar andermaal door datzelfde Evangelie, waarnaar dorst in het hart leefde, en dat toen eerst, vrij als nooit te voren, uitging. Wat grond, wat recht biedt u de historie dan, om thans op een evolutie van het leven uit den dood te hopen, te meer waar de teekenen der ontbinding u reeds schrikken doen voor de reuke van het graf? Mahomed, ik stem het toe, wist in de zevende eeuw over heel de Levant roering in de doodsbeenderen te brengen, door zich als een tweeden Messias, nog boven den Christus uitgaande, op de volkeren te werpen. En zeker als er nogmaals een Christus komen kon, den Christus van Bethlehem nog in heerlijkheid overtreffende, zou het middel tot stuiting van het zedelijk bederf gegeven zijn; en metterdaad zag reeds meer dan één uit, of niet een heerlijke Centraalgeest komende was, die opnieuw de zielskracht van zijn hartebloed in het hart der volken druppelen kon. Doch wat zult gij bij zoo ijdelen droom u ophouden? Boven den Christus gaat niets uit, en al wat ons te wachten staat is niet dat er een tweede Messias, maar dat diezelfde Christus van Golgotha nogmaals kome, doch dan met de wanne in zijn hand; ten oordeel; niet om aan het verzondigd leven een nieuwe evolutie, maar om dat leven tot zijn eindpaal te brengen, en plechtiglijk de historie der wereld te besluiten. Van tweeën één dus, óf die parousie is werkelijk naderende, en dan is wat de menschheid thans doorworstelt haar doodstrijd, óf wel er komt nog weeropleving, doch dan moet het door datzelfde oude en toch eeuwig-jonge Evangelie zijn, dat èn voor nu achttien eeuwen èn in de zestiende eeuw, toen de crisis op het hoogst liep, het bedreigde leven van ons geslacht heeft gered. Een stelling, |172| wier zekerheid voor wie belijdt van zelf in zijn geloof vastligt, maar die ook tegenover wie den Christus verwerpt, vaststaat door het feit der historie, dat slechts tweemaal de proef is geleverd van een macht, die ons geslacht tot nieuw leven verwekte, en dat die vuurproef beide malen bestaan is door het Evangelie en het Evangelie alleen.

Edoch, en dat is het verontrustende bij den doodelijken kanker die ook thans ons geslacht weer heeft aangetast, voor het medicijn dat redden zal, moet ontvankelijkheid in den lijder worden gevonden, en die ontvankelijkheid voor het Evangelie bestond metterdaad in de Romeinsch-Grieksche wereld; de harten ontsloten zich. En sterker nog sprak die ontvankelijkheid in de eeuw der Reformatie; breede volksklassen riepen er om. Er was ook toen, beide malen, bloedarmoede en ten deele zelfs bloedvergiftiging, maar er was geen walging van het eenig proefhoudend tegengif. Wat daarentegen ónze »Decadenz” zoo gevaarlijk van die twee vroegere perioden van inzinking onderscheidt, is juist dat thans bij de massa die ontvankelijkheid voor het Evangelie steeds minder, die walging tegen het Evangelie steeds sterker wordt. Men haalt de schouders over u op als ge nog voor den Christus om aanbidding durft vragen. »Voor kinderen en oude vrouwen, maar voor ons mannen niet!” geeft men u sarcastisch ten antwoord, en in toenemende mate voelt de toongevende klasse zich in steeds breeder kring aan de Christelijke Religie ontwassen. Hoe nu zijn we in dit moeras gekomen? Een vraag daarom van gewicht, omdat juiste diagnose onmisbaar is voor doeltreffende medicatie. En dan is de oorzaak van het kwaad in niets anders aan te wijzen dan in de geestelijke verbastering aan het eind der vorige eeuw. Dat de kerken, ook die der Reformatie, hieraan schuld hadden, ontken ik niet. Vermoeid van de reformatorische worsteling, waren ze ingeslapen, hadden blad en bloesem aan haar takken laten verdorren, en te eenen male vergeten dat ze een roeping ook voor de menschheid, een roeping voor heel ons menschelijk leven hadden. Doch hierop ga ik niet dieper in, en constateer alleen dat op het laatst der vorige eeuw de algemeene stemming der geesten plat, gelijkvloersch, in haar hart onedel en gemeen was geworden. De met graagte verslonden litteratuur dier dagen is er het bewijs voor. |173| Bij reactie daartegen is toen van de deïstische en atheïstische wijsgeeren, eerst in Engeland, maar daarna vooral in Frankrijk bij monde der Encyclopaedisten, de voorslag uitgegaan, om heel ons leven op een andere basis te zetten, de bestaande orde van zaken onderstboven te keeren, en een nieuwe wereld in te richten op de onderstelling van den nog onbedorven natuurmensch. Die gedachte was heroïsch, ze vond weerklank, ze deed edele snaren in het hart trillen, en in de groote Revolutie van 1789 te Parijs begon ze zich te verwerkelijken. Nu moet ge in deze machtige Revolutie, in deze omwenteling niet enkel van de staatsrechtelijke toestanden, maar veel meer nog van de gezindheden, denkbeelden en levensusantiën, tweeërlei element scherp onderscheiden. Van den éénen kant toch bootste ze het Calvinisme na, maar van den anderen kant ging ze principieel tegen het Calvinisme in. Ze brak, vergeet dit niet, uit in een Roomsch land, dat eerst door den Bartholomeüsnacht en straks door de herroeping van het Edict van Nantes, het Calvinistisch element der Hugenoten had uitgemoord en uitgeworpen. Welnu, in Frankrijk en in de overige Roomsche landen was, na de gewelddadige onderdrukking der Protestanten, het aloude despotisme opnieuw tot macht gekomen, en al de vrucht der Reformatie ging voor deze volkeren teloor. Dit prikkelde en drong toen, om, bij wijze van Zerrbild van het Calvinisme, in deze Roomsche landen de vrijheid door uiterlijk geweld af te dwingen, en een valsch-democratischen staat van zaken te vestigen, die den terugkeer van het despotisme afsneed. Zoo streefde de Fransche Revolutie, maar nu door geweld tegenover geweld, en door gruwel tegenover gruwel te stellen, naar soortgelijke vrijheid als het Calvinisme, op grond van geestelijke actie, voor de volken had uitgeroepen; en in zooverre voltrok ze een oordeel Gods, waarvan we in meer dan één opzicht de uitkomst zegenen kunnen. De schim van De Coligny werd gewroken in de September-moorden van Mazas. Maar dit is slechts de ééne kant der medaille, en de keerzij vertoont u een gansch ander streven, dat lijnrecht tegen de vrijheidsgedachte van het Calvinisme inging. Had het Calvinisme door zijn diepen levensernst de sociaal-ethische banden van het maatschappelijk leven aangetrokken en geheiligd, de Fransche Revolutie ontknoopte die banden |174| en maakte ze los; los van de kerk niet alleen, maar ook los van Gods ordinantiën, los van God zelf. De mensch, en elk mensch, zou voortaan krachtens zijn eigen wil en zijn eigen goedvinden zijn eigen heer en meester zijn. De trein des levens zou ook nu voortsnellen, maar zonder langer aan de rails van de Goddelijke spoorlijn gebonden te zijn; en moest hij zich dan niet stuk rijden en inwerken in den grond? Of als ge dan nu aan het tegenwoordige Frankrijk vraagt, wat vrucht na een bange eeuw van vrijer ontwikkeling dat gronddenkbeeld der Fransche Revolutie voor de Fransche natie gedragen heeft, is er dan één volk, uit welks boezem luider dan uit datzelfde Frankrijk de bittere weeklacht opgaat over nationale inzinking en nationale demoraliseering? Verdeemoedigd door den vijand van over den Rijn, inwendig door partijwoede verscheurd, onteerd door het Panama-kabaal, geschandvlekt door haar pronographie, oeconomisch achteruitgaande, in zijn bevolking tot stilstand gekomen, ja dalend, is Frankrijk, gelijk Garnier, de medische specialist ten deze, het uitdrukt, door egoïsme tot ontadeling van het huwelijk, door wellust tot verwoesting van het gezinsleven verlokt, en vertoont thans in breede kringen het walgelijk schouwspel van mannen en van vrouwen, die in den valschen en onnatuurlijken prikkel van tegennatuurlijke geslachtszonde, Lesbos’ zonde niet het minst, bevrediging zoeken voor hun valsch geprikkelden hartstocht. o, Ik weet het, er zijn nog duizenden en duizenden familiën ook in Frankrijk, die eerbaar leven en zich doodergeren aan dit zedelijk verval van hun vaderland, maar dat zijn dan ook kringen, waarin men aan de blague der Fransche Revolutie weerstand bood, en omgekeerd zijn het juist die schier gebestialiseerde kringen, waarin het Voltairianisme met een veni, vidi, vici heeft getriomfeerd.

Uit Frankrijk is die geest van ontreddering, die hartstocht der wilde emancipatie, toen, vooral door schandelijk obscoene litteratuur onder de overige volkeren uitgegaan en stak ook hun leven aan. Maar ziende tot welken gruwel men in Frankrijk gekomen was, hebben edeler geesten toen, met name in Duitschland, de stoute poging gewaagd, om wel de verlokkelijke en verleidelijke gedachte dier „emancipatie van God en zijn ordinantiën” vast te houden, maar, kon het, ze te realiseeren in edeler zin. Philosofen van de |175| eerste orde hebben te dien einde in breeden heirstoet, elk voor zich, een kosmologie uitgedacht, en, zonder den band aan Christus en zijn Woord weer aan te binden, een eigen vastheid aan de sociale en ethische verhoudingen pogen te hergeven, hetzij door ze te baseeren op natuurnoodwendigheid, hetzij door ze vast te weven in het spinsel hunner eigene gedachten. Een waagstuk dat metterdaad een oogenblik daardoor gelukt scheen, dat ze in steê van atheïstisch God uit hun stelsel uit te bannen, heil in het Pantheïsme zochten, en zoo zich den weg ontsloten, om niet gelijk de Franschen in den natuurstaat, maar in het historisch proces, en niet in den atomistischen wil der enkelen, maar in den wil van het geheel, in de Gesamtwille die zich op een onbewust Endzweck richtte, den grondslag te vinden voor hun sociaal gebouw. En meer dan een halve eeuw lang gaf dit feitelijk vastheid aan het leven, niet omdat die vastheid in deze stelsels lag, maar omdat de traditioneele rechtsorde en een krachtig staatsbestuur, den standmuur van het gebouw, die anders terstond zou zijn ingevallen, traditioneel en zijdelings schraagde. Maar toch kon dit het feit niet wegnemen, dat ook in Duitschland de zedelijke vraagstukken almeer problematisch werden, de zedelijke vastigheden almeer gingen inbuigen, geen ander recht dan de geldende wet als recht werd geëerd, en dat, waarin de Duitsche ontwikkeling ook van de Fransche afweek, men beiderzijds even beslist stond in zijn afkeer en veroordeeling van het overgeleverde Christendom. Von Nietzsche liet nu reeds door wat hij hoonend over den Christus schrijven dorst, het Ecrasez l’infâme van Voltaire achter zich; en, vergeet het niet, Von Nietzsche is thans voor het jongere Duitschland de man, wiens werken men verslindt.

Aldus zijn we dan, in Europa voor het minst, gekomen tot wat men noemt het moderne leven, dat radicaal met het Europa der Christelijke traditie brak, en het scherpst zich teekent in het zoeken van ’s menschen oorsprong niet in het »geschapen zijn naar den beelde Gods”, maar in het geëvolveerd zijn uit den oerang-oetang of chimpanzee. Hierin toch schuilen de twee gronddenkbeelden, 1º. dat men zijn uitgangspunt niet in het ideëele en Goddelijke, maar in het stoffelijke en lage neemt; en 2º. dat men |176| de souvereiniteit Gods, die ons beheerschen zou, loochent, en zich laat afdrijven op den mystieken stroom van het eindeloos proces, een regressus in infinitum. En het is op den wortel van deze twee moedergedachten, dat nu tweeërlei leven bezig is zich te ontwikkelen: Eenerzijds een boeiend, rijk en hoog gespannen leven in den universitairen kring en onder enkele fijnere geesten; maar daarnaast, of liever ver daar beneden, een materialistisch, naar genot hunkerend volksleven, dat op zijn wijs een uitgangspunt in het stoffelijke zoekt, en op zijn cynische manier zich van alle vaste ordinantiën emancipeert. Het is vooral in onze steeds zich uitzettende groote steden, dat dit laatste streven zich ontwikkelt, en, het platteland overstemmend, den toon voor heel de publieke opinie aangeeft, in elk nieuw geslacht dat aanrijpt, te onverbloemder uitkomend voor zijn ongoddelijken aard. Op niets dan geld, op genot en op sociale macht is dit streven gericht, en op dat drieledig doel gaat het af, steeds minder kieskeurig in de middelen, die het aangrijpt. Zoo wordt de inspraak der consciëntie doffer, en matter de glans in datzelfde zielsoog, dat zich zelfs nog in 1789 zoo dwepend op het ideaal kon richten. De hoogere geestdrift, alleen nog aan de sintels van haar vroeger vuur herkenbaar, vlamt niet meer op. Is men het leven moede, wat zou beletten door zelfmoord er uit te gaan? De heilzame kracht der ruste dervend, overprikkelt en overspant men zich de hersenen, tot telkens meerdere gestichten zich voor onze krankzinnigen ontsluiten moeten. Of eigendom geen diefstal is, werd een steeds ernstiger ingedacht vraagstuk. Dat de liefde vrij en het huwelijk losser moet worden, houdt men almeer voor uitgemaakt, terwijl de strijd voor de monogamie overbodig werd, waar feitelijk polygamie en polyandrie in alle producten der realistische school wordt verheerlijkt. En zoo ook geen Religie meer, omdat ze somber maakt, maar kunst, veel kunst vooral, niet om het kunstideaal, maar omdat ze de zinnen streelt en bedwelmt. Zoo leeft men in den tijd en voor dit tijdelijke, en stopt de ooren toe als het klokgelui der eeuwigheid weerklinkt. Concreet, geconcentreerd, practisch, moet heel de levensopvatting zijn, en uit dit geheel gemoderniseerde burgerleven komt dan een sociaal en politiek leven op, waarin het parlementarisme is verzwakt, de roep naar een dictator steeds luider wordt vernomen, pauperisme |177| en kapitalisme als in twee slagorden tegenover elkander staan, en tot een prijs die de rijkste schatkist ruïneert, zich ter zee en te land van het hoofd tot de voeten wapenen, het ideaal van die machtige staten is geworden, wier honger naar machtsuitbreiding steeds sterker tot zelfs de existentie der zwakkere staten bedreigt. Gaandeweg wordt de tegenstelling tusschen de sterken en de zwakken dan ook de hoofdtegenstelling, die het leven beheerscht. Ze komt op uit het Darwinisme zelf, dat door zijn struggle for life juist in deze tegenstelling zijn principieel motief vindt. Von Nietzsche ging reeds zóó ver van over al het zwakke de fiolen zijner laatdunkendheid uit te gieten en alleen aan wie sterk is eere te geven. Het recht van den sterkste vond sinds Bismarcks optreden in de hooge politiek steeds gereeder ingang. De geleerden en virtuosen onzer dagen stellen steeds driester den eisch, dat de gemeene man voor hen bukken zal. En het eind is, dat opnieuw het gezonde democratische beginsel ter deure wordt uitgewezen, om straks plaats te maken, niet voor een nieuwe aristocratie van edeler herkomst of hooger bedoelen, maar voor de plompe, alles verbijsterende kratistocratie 1) van brutaliteit en geldmacht. Von Nietzsche is dan ook geen uitzondering, hij is veeleer de heraut der toekomst voor dit moderne leven, en waar de Christus juist over het zwakke zich in Goddelijk mededoogen ontfermde, neemt dit moderne leven ook hierin vlak tegenover den Christus positie. Het zwakke moet door het sterke verslonden worden. Zoo was het proces der selectie, waaruit we zelf zijn opgekomen, en zoo moet dat zelfde proces ook ónder ons en ná ons worden doorgezet.

*

Intusschen, gelijk ik van meet af opmerkte, er kabbelde door de velden van het moderne leven ook een zijstroom van edeler herinnering, en een breede reeks van hooggestemde geesten trad op, die, door zooveel zedelijke kilheid huiverend en door de brutaliteit van het egoïsme verschrikt, deels in het altruïsme, deels in |178| mystieke gevoelsdweperij, en ten deele zelfs in den Christennaam, weer koestering voor het leven zochten. Hoezeer ook in het breken met de Christelijke traditie, en in het erkennen van geen ander uitgangspunt dan Empirie en Rede met de School der Revolutie homogeen, poogden deze mannen toch evenals Kant, door het aanvaarden van een kras dualisme aan haar noodlottige consequentiën te ontkomen, en ontleenden juist aan dat dualisme het motief voor het vele heerlijke, dat ze in theoriën uitgesponnen, in zangen gezongen, in roerende novellen ons voor het oog getooverd, in ethische studiën ons op het hart gebonden, én, zij het allerminst vergeten, vaak in ernstige levensbesteding gerealiseerd hebben. Bij hen had de consciëntie, naast het intellect, zijn zeggenschap behouden, en die menschelijke consciëntie is nu eenmaal zoo rijk door God geïnstrumenteerd. Aan het krachtig initiatief dezer mannen danken we dan ook die vele sociologische studiën en maatregelen, die, o, zooveel lijden gestild en gelenigd, en in zoo veler hart de zelfzucht door een ideëel altruïsme beschaamd hebben. Persoonlijk meer mystiek aangelegd eischten anderen onder hen zelfs voor de verborgenheden van het gemoedsleven het recht op om zich den teugel der critiek van den hals te werpen. In het Oneindige zich te verliezen en in het diepst van het gemoed den stroom van het Oneindige te voelen ruischen, scheen hun begeerlijke vroomheid. Terwijl weer anderen, met name theologen, door herkomst, ambt en studie van het Christendom minder los, toen, én aan dat altruïsme én aan dat mysticisme zich aansluitend, zich de ernstige vraag hebben gesteld, of het niet doenlijk ware den Christus zóó te metamorphoseeren, dat hij ook nu nog het ideaal kon blijven van het gemoderniseerde menschelijk hart. Van Schleiermacher af tot Von Ritschl één zelfde, heiliglijk ingezet en den geest verkwikkend pogen. Op zulke mannen laag neer te zien, zou dan ook u zelven verlagen. Veeleer hebt ge hen te danken voor wat ze nog poogden te redden, en te danken niet minder die vele schrijfsters van hoog bedoelen, die met name door heur karakterromans, in gelijksoortig Christelijken geest, zooveel laags gestuit, zooveel edele kiemen besproeid hebben. Zelfs het Spiritisme, hoezeer ook afgedoold, bloeide niet zelden op onder de |179| verleidelijke verwachting, dat de band met het eeuwige, dien de critiek had losgerafeld, aldus visionair kon worden hersteld. Alleen maar, en dit bleef de schaduwzijde, hoe durvend dualistisch dit ethisch en hoe kras metamorphoseerend dit mystiek pogen ook werd doorgezet, er school aldoor achter de naturalistisch-rationalistisch gedachtenwereld die het intellect had uitgesponnen. Het Normalisme hunner kosmologie werd tegenover ons, Abnormalisten, hoog gehouden, en dies kon het niet anders of de Christelijke Religie, die nu eenmaal streng abnormalistisch in haar verschijning en grondgedachte is, moest er door worden teruggedrongen. Iets wat zoo waar is, dat velen niet enkel aan het Spiritisme, maar zelfs haan het Mahomedanisme, Von Schopenhauer op zijn beurt aan het Buddhisme, boven de Christelijke Religie voorkeur schonken. En wel is het waar, dat heel de phalanx die van Schleiermacher tot Pfleiderer in het gelid trad, hoogelijk den naam van Christus eeren bleef, maar even onmiskenbaar is het, dat, om dit mogelijk te maken, steeds stouter metamorphose op den Christus zelf en op de Christelijke belijdenis werd toegepast. Iets wat ge niet sterker gevoelt dan zoo ge wat thans in die kringen beleden wordt, legt naast de belijdenis onzer vaderen. Dan toch blijkt u hoe heel de inhoud van der vaderen gedachtenwereld thans ontkend en geloochend wordt. Ja zelfs als ge teruggaat op de Twaalf Geloofsartikelen, die sinds meer dan duizend jaren als aller Christenen gemeengoed golden, heeft thans afgedaan de belijdenis van God als „den Schepper van hemel en aarde,” want de schepping is door evolutie vervangen; heeft afgedaan de belijdenis van den Zoon, als geboren uit de maagd Maria na ontvangen te zijn uit den Heiligen Geest; heeft bij velen zelfs afgedaan zijne opstanding en hemelvaart, zijn zitten aan Gods rechterhand en zijn komen ten oordeel; afgedaan ten slotte zelfs de belijdenis der kerk van de opstanding uit de dooden en althans van de wederopstanding des vleesches. Het heet nog de Christelijke Religie, maar het is een religie van geheel andere soort geworden. En als men ons dan toe moê wordens toe verwijt, dat veeleer óns kerkelijk Christendom een metamorphose van den echten Jezus was, en dat zij juist den sluier van voor het ware Jezusbeeld hebben weggenomen, dan |180| blijft toch altoos het feit staan, dat niet hun Jezusbeeld, maar de kerkelijke belijdenis van den Christus de wereld veroverd heeft, en dat, eeuw in eeuw uit, de vroomsten en de besten van ons geslacht niet anders dan in dien Christus der traditie hebben gejubeld.

Ook al wensch ik dus voor niemand onder te doen in oprechte waardeering van het nobele in dit pogen, onwrikbaar vast staat mijn overtuiging, dat van die zijde geen redding daagt. Een theologie die feitelijk de Heilige Schrift als heilig Boek vernietigt, in de zonde niet dan onontwikkeldheid, in den Christus slechts een centraal religieus rijker begaafd geniet, in de verlossing niets dan een keer in onze voorstelling ziet, en voorts drijft op een mystiek, die dualistisch tegen de gedachtenwereld overstaat, is een dam die inbuigt zoodra de stroom komt aanzwellen; een theorie die geen vat op de groote menigte heeft noch kan hebben; en een quasi-Religie die zelfs ten eenenmale onmachtig is om aan ons her- en derwaarts geslingerd zedelijk leven ook maar tijdelijk zijn verloren vastheid te hergeven.

*

Is dan misschien van Romes onmiskenbare energie meerder heil te verwachten? Loop ook over die vraag niet te haastig henen. Al is het toch, dat de historie der Reformatie ons principieel tegen Rome als onze wederpartijderesse overstelt, en het »no popery«, of wilt ge het antipapisme, nog steeds luide naklinkt, toch zou het bekrompen en kortzichtig zijn, de wezenlijke kracht te miskennen, die ook nu nog in Romes verweer tegen het Atheïsme en Pantheïsme schittert. Alleen wie niet op de hoogte is van de doorwrochte principiëele studiën der Roomsche Philosophie, noch afweet van wat Rome op sociaal gebied tot stand bracht, kan in de fout van zoo oppervlakkig oordeel vervallen. Reeds Calvijn sprak het uit, dat tegenover den geest uit den afgrond de Roomsche geloovigen zijn bondgenooten waren, en wie zich de moeite gunt om met zijn eigen Belijdenis en Catechismus voor zich, aan te teekenen, welke religieuse en zedelijke stukken tusschen Rome en ons niet controvers zijn, maar beiderzijds beleden worden, kan de erkentenis niet ontgaan, dat hetgeen we met |181| Rome gemeen hebben, juist bestaat in die hoofdmomenten onzer Christelijke belijdenis, die thans door het Modernisme ’t heftigst bestreden worden. Ongetwijfeld, we staan even beslist als onze vaderen tegen Rome over op het stuk der kerkelijke hiërarchie, in zake de zonde, op het stuk van rechtvaardigmaking, van de Mis, van de heiligenaanbidding, van den beeldendienst, van het vagevuur en zooveel meer; maar raadpleeg onze huidige litteratuur en zeg ons zelf, loopt daarover thans de strijd der geesten? Of is het niet alzoo dat het staat: Theïsme tegenover Pantheïsme, zonde tegenover onvolkomenheid, de Christus God of enkel mensch, het kruis martelaarschap of offer der verzoening, de Schrift van God ingegeven of schier enkel menschelijk product, de Tien Geboden historisch document of van God ons verordend, Gods ordinantiën vaststaande of recht en zedelijkheid uitspinsel van ons eigen gemoed? En is het dan niet Rome, dat mét ons én God drieëenig, én den Christus als God, én het Kruis als reddende offerande, én de Schrift als Gods Woord, én de Tien Geboden als Goddelijke ordinantie voor het leven erkent en handhaaft? En als dan Roomsche godgeleerden voor die ook u heilige stukken uwer Belijdenis met goed geslepen wapenen den strijd opnemen tegen diezelfde richting, met wie gij den kamp op leven en dood hebt door te staan, zult ge die hulpe dan afwijzen? Calvijn althans heeft zich steeds ook op Thomas van Aquino beroepen. En voor wat mij zelf aangaat, schaam ik mij niet, dankbaar te erkennen, dat veel ook in de studiën van Roomsche theologen mijn inzicht verhelderd heeft.

Maar een geheel andere vraag is het, of daarom van Rome de redding der toekomst is te wachten, en, of wij alzoo, zelf stil zittende, op Romes zegepraal wachten kunnen. En dan behoeft ge slechts om u te zien, om u ziender oogen te overtuigen van het tegendeel. Om met Amerika te beginnen, laat Zuid-Amerika met Noord-Amerika ook maar een oogenblik vergelijking toe? Nu is in Zuid-Amerika, en ik voeg er Midden-Amerika bij, Romes kerk oppermachtig. Ze heerscht er. Ze is er alleen. Het Protestantisme bestaat er niet. Hier is alzoo een onmetelijk veld om de sociale en politieke kracht, die van Rome ter wederbaring van ons geslacht kan uitgaan, te beoordeelen. Rome is er niet |182| pas, maar sinds straks drie eeuwen. Rome heeft er de opkomende maatschappijen gevormd, en bleef er de leidsvrouw der geesten ook na de vrijmaking dezer staten van Spanje en Portugal. Ook stamt de bevolking dezer staten her uit Europeesche landen, waar Rome steeds den schepter zwaaide. De proef is alzoo volledig en zuiver mogelijk. En toch, waar is nu in deze Roomsche staten een leven dat u verheft, dat macht ontwikkelt, heiligenden invloed naar buiten van zich doet uitgaan? Financieel staan ze de een voor de ander na zwak, sociaal kunnen ze niet vooruit, politiek bieden ze het droeve schouwspel van eindeloozen burgertwist; en welk ideaal beeld ge u ook voor de wereld der toekomst vormen wildet, zeer stellig de belofte van als Zuid-Amerika te worden niet. En zegge nu Romes pleitbezorger niet, dat dit aan bijzondere omstandigheden ligt, want vooreerst stuit ge op deze politieke ellende niet enkel in Chili, maar evenzoo in Peru, niet alleen in Argentinië maar ook in Brazilië, kortom in alle deze staten; maar ook ten anderen, zoo ge uit de nieuwe naar de oude wereld oversteekt, komt ge, uws ondanks, tot gelijke slotsom. Het crediet der Protestantsche staten is ook in Europa onaangevochten, terwijl dat der Zuidelijke, die Roomsch zijn, verre onder pari staat. Maatschappelijke toestand en landsbestuur geven in Spanje en Portugal, en niet minder in Italië, tot steeds vernieuwde klacht aanleiding. De macht en invloed ook dezer staten daalt zichtbaar. En wat nog het pijnlijkst is, het ongeloof en de revolutionaire gemoedsstemming heeft in deze landen zoo verontrustende vordering gemaakt, dat de helft der bevolking, er nog ja in naam Roomsch is, maar innerlijk met alle Religie brak. Zie het in Frankrijk, dat ook nagenoeg geheel Roomsch heet, en waar toch de stembus keer op keer zich met verpletterende meerderheid tegen de pleitbezorgers der Religie verklaart. Zelfs mag gezegd, dat ge om de Roomschen van hun energieke, van hun nobele zijde te leeren kennen, ze nemen moet, niet zooals ze in Roomsche landen verkwijnen, maar zooals ze bloeien in het centrum van het Protestantsche Noord-Duitschland, in het Protestantsche Nederland, in het Protestantsche Engeland en in uw eigen Protestantsche Staten. Waar ze niet zelven de leiding hebben, maar zich schikken |183| willen in anderer huishouding, zich als oppositie in eigen tent concentreerend, daar boeien u de Mannings en Wisemans, de Von Kettelers en Windhorsten, door de bezieling van hun woord.

Maar ook afgezien van dit testimonium paupertatis, van Romes zijde zichzelve uitgereikt, waar het als meesteresse, zoo in Zuid-Europa als in Zuid-Amerika heerscht, is ook proportioneel haar macht en invloed in de worsteling der machten steeds zinkende. De leiding is voor Europa al meer bij Rusland, Duitschland en Engeland gekomen, alle niet-Roomsche staten, en in uw eigen werelddeel geeft het Protestantsche Noorden beslist den toon aan. Oostenrijk is na 1866 relatief steeds achteruit gegaan en wordt bij den dood van dezen keizer bedreigd met oplossing en breuke. Italië heeft beproefd boven zijn kracht te leven, het zou een groote, het zou een koloniale, het zou een zeemogendheid zijn, en nu reeds staat het sociaal aan het begin van zijn ondergang. De slag bij Addua sloeg meer ter neder dan zijn koloniale hope. Spanje en Portugal oefenen gansch geen invloed meer uit op het Europeesche statenleven. En Frankrijk, voor het dreigen van welks sabel nog voor vijftig jaar heel Europa trilde, slaat thans zelf niet zonder beven de Sibellijnsche orakelen van zijn toekomst op. Zelfs in het bevolkingscijfer is de macht van Rome proportioneel steeds achteruitgaande. Sociologische kwijning heeft in meer dan één Roomsch land bedacht doen zijn op mindering der geboorten, en onderwijl in Rusland, Duitschland, Engeland en uw Vereenigde Staten de bevolking sterk aanwies, stond die aanwas in veel Roomsche landen óf stil óf ging veel langzamer. Reeds nu wordt statistisch slechts de kleinere helft der Christenheid als Roomsch aangegeven, en eer we een halve eeuw verder zijn is dit cijfer stellig ver onder de 40 pCt. gedaald. Hoe hoog ik dan ook de wezenlijke kracht waardeer, die in de Roomsche eenheid en in de Roomsche studie schuilt, ter bevestiging van veel dat ook ons heilig is en niet dan met de grootste inspanning, zoo hunnerzijds als van onze zijde, tegen het Modernisme kan worden gehandhaafd, er is van verre geen uitzicht op, dat de Roomsche staten weer de leiding in handen krijgen. Meer nog, ook als ze die in handen kregen, zou een algemeen maken van toestanden |184| als thans in Zuid-Amerika en Zuid-Europa door een ieder betreurd worden, het tegendeel zijn van ons ideaal.

Ja, sterker nog dient gesproken: het zou een schrede rugwaarts zijn op het pad der historie. Romes wereldbeschouwing vertegenwoordigt een oudere, en daarom lagere ontwikkelingsphase in de geschiedenis der menschheid. Het Protestantisme is daarna gekomen en neemt dus geestelijk hooger standpunt in. Wie niet achterwaarts wil, maar naar hooger grijpt, moet dus òf zijn stand nemen in de wereldbeschouwing die het Protestantisme ontsloot, òf wel, want ook dit ware denkbaar, een nóg hooger standpunt weten aan te geven. Dat laatste waant de moderne wereldbeschouwing dan ook metterdaad te kunnen doen. Luther groot van zijn tijd, maar Kant en Darwin de apostelen van veel rijker evangelie. Maar ons houdt dit niet op. Immers, onze eeuw, hoe groot ook in vinding, in betoon van denk- en veerkracht, bracht ons geen schrede vooruit in de fundeering der beginselen, ze bracht ons in niets een hoogere levensbeschouwing, en schonk ons noch meerdere vastheid, noch gaver welstand voor ons religieus en ethisch, d.i. voor ons menschelijk, bestaan. Het geloof van den Hervormingstijd ruilde ze uit voor glibberige hypothesen; en voor zooverre ze een stelsel, een systeem, een vast ineengezette wereldbeschouwing aandorst, greep ze niet vooruit, maar achter het Christendom, terug naar die Heidensche wijsheid, waarvan Paulus getuigde, dat God ze door de dwaasheid van het Kruis heeft beschaamd. Men zegge dus niet: Gij, die omdat de historie niet terugtreedt op haar schreden, terugkeer naar Rome afwijst, mist dan ook zelf het recht om bij het Protestantisme stand te houden, want na het Protestantisme is het Modernisme gekomen. Immers het recht tot zulk een tegenwerping moet betwist blijven, zoolang mijn tegenspraak niet gelogenstraft is, dat de materiëele vooruitgang dezer eeuw niets met vooruitgang op het stuk van beginselen uitstaande heeft, en dat wat het Modernisme aan de markt brengt, niet modern, maar zeer antiek, en niet boven het Protestantisme uitgaande is, maar achter het Christendom, tot in de Heidensche oudheid, teruggaat.

*

|185| Alzoo kan alleen op de lijn van het Protestantisme positie worden genomen, maar hoe? En dan zijn er twee zijwegen, waarlangs men thans heil zoekt, maar die beide op bittere teleurstelling moeten uitloopen, practisch de eene van aard, mystiek de andere. Geen kans ziende zich tegen de Schriftcritiek, en nog minder tegen de critiek op het dogma te verweren, acht de eerste, de practische richting, dat de Christenen niet veiliger kunnen doen, dan zich terug te trekken op allerlei „Christelijke werkzaamheden”. Met de Schrift weet men zelf geen raad, aan het dogma is men vervreemd, maar niets belet zich zelf en zijn geld te geven aan philanthropie, evangelisatie en missie. Iets wat het driedubbele voordeel oplevert, dat het de Christenen van allerlei gading vereenigt, velerlei ellende lenigt, en ook de niet-Christelijke wereld met ons verzoent. En ongetwijfeld is deze »propaganda door de daad« met dank en instemming te begroeten en na te volgen. In de eeuw, die achter ons ligt was die Christelijke actie metterdaad veel te armelijk; en een Christendom dat niet óók practisch optreedt, verloopt in scholastieke dorheid en in ijdel geklap. Alleen maar ge vergist u, zoo ge waant, dat hierin het Christendom kan opgaan; want zeker uw Heiland genas óók de kranken en spijzigde ook de hongerigen, maar hoofdzaak bij Jezus was toch, dat hij, onder strenge gebondenheid aan de Schriftuur des Ouden Verbonds, onverbloemd zijn eigen Godheid en zijn Middelaarschap, de verzoening door zijn bloed en zijn komen ten gerichte, verkondigde. Feitelijk is er geen dogma ooit door Christus’ kerk beleden, of het is door Jezus geproclameerd. Hij genas het kranke lichaam, maar veel meer nog verbond hij onze geestelijke wonden. Hij trok ons uit het Heidendom en Jodendom, en plaatste ons over in een heel andere wereld van overtuigingen, waarvan hij zich zelf ten middelpunt stelde. Bovendien, wat onzen strijd met Rome aangaat, zoo vergeet niet, dat in Christelijke werkzaamheid en toewijding Rome u nog altoos de loef afsteekt; ja, erken eerlijk weg, dat ook de ongeloovige wereld u hierin op zijde gaat streven en philanthropisch u al dichter op de hielen zit. In uw missie, het is zoo, volgt het ongeloof u niet op uw schreden, maar hoe, zoo bid ik u, zult ge duurzaam missie drijven, zoo ge niet een eigen welbelijnd Evangelie hebt te verkondigen? Of kent ge iets gedrochtelijkers |186| dan zoogenaamde vrijzinnige missionairen, die niets dan humaniteit en kleurlooze vroomheid predikend, van de wijzen uit de heidenen ten antwoord krijgen, dat zij zelven in hun ontwikkelde kringen, nooit iets anders dan juist dat moderne Humanisme hebben geleerd en geloofd.

Of dan de andere, de mystieke richting deger kracht tot verweer in zich draagt? Wie die nadenkt en de historie kent zal het beweren durven? Zeker, van de mystiek straalt een gloed uit die u verwarmt, en wee den man van het dogma of den held van de daad, die haar innigheid derft en haar teederheid mist. Hand, hoofd èn hart schiep God ons, de hand voor de daad, het hoofd voor het belijden, het hart voor de mystiek. Koninklijk in de daad, profetisch in de overtuiging en priesterlijk in het hart, zal de mensch in zijn drievoudig ambt voor God staan, en een Christendom, dat het mystieke element verwaarloost, koelt af en bevriest. Ook ik zegen het daarom zoo dikwijls weer een mystieke atmosfeer op ons aandringt, die ons lenteadem doet indrinken. Het leven wordt er door verinnigd, verdiept en bezield. Maar bitter misrekent zich, wie waant dat mystiek, eenzijdig genomen, een keer in den tijdgeest kan teweeg brengen. Niet Bernard van Clairvaux, maar Thomas van Aquino, niet Thomas à Kempis, maar Luther heeft de geesten beheerscht. Mystiek trekt zich terug en mijdt eer het naar buiten treden. Ze vindt haar kracht juist in het onderscheidslooze gemoedsleven, en kan daardoor geen positie nemen. Harer is een ondergrondsche strooming, maar die daarom juist boven den grond geen vaste lijn kan afteekenen. Erger nog, alle eenzijdige mystiek is, blijkens de historie, steeds in ziekelijke richting ontaard en ten slotte in een „mystiek des vleesches” verloopen, die in het eind de wereld door haar schandelijkheden heeft verbaasd. En daarom, hoezeer ik én de herleving van dit practische én de herleving van dit mystieke element toejuich, beide zullen ze u op schade in plaats van op winste te staan komen, indien ge meent er het prijsgeven van Schrift en Belijdenis door te kunnen vergoelijken. Mystiek is zoet en het Christelijk werk kostelijk, maar het zaad der kerk is én vóór achttien eeuwen én in de eeuw der Reformatie de martelaar geweest, en onze heilige martelaren hebben hun bloed vergoten, |187| niet voor mystiek of philanthropie, maar voor hun overtuiging, en overtuiging raakt wat ge als waarheid omhelst of als leugen verwerpt. Met bewustheid te leven is ons bijna Goddelijk privilege, en alleen uit het helder, klaar bewustzijn vloeit het machtige woord, dat de tijden kenteren doet en den geest der wereld omzet. Zelfbedrog, en niets dan zelfbedrog, is het dan ook, zoo de practische en mystieke Christenen wanen het zonder eigen wereldbeschouwing te kunnen doen. Daar kan niemand buiten. En al wie, het Christelijk dogma op zij zettend en den Catechismus der Reformatie u ontnemend, waant dit te kunnen doen, leent ongemerkt het oor aan de hypothesen der moderne wereldbeschouwing en zweert, zelf niet vermoedend hoever hij afgleed, bij den Catechismus van den tijdgeest.

Houdt daarom bij geen halfheden u op. Zoo waarachtig als elke plant een wortel heeft, schuilt onder elke levensuiting een beginsel. Die beginselen hangen onderling samen en vinden hun moederkiem in een grondbeginsel, en uit dat grondbeginsel ontwikkelt zich logisch en systematisch dat geheel van heerschende begrippen en denkbeelden, dat feitelijk onze levens- en wereldbeschouwing uitmaakt. Met zulk een beginselvaste, wel ineengesloten wereld- en levensbeschouwing treedt thans het Modernisme tegen het Christendom op, en daartegen nu kunt gij uw Christendom niet verweren, of gij moet even principieel, in even deugdelijken saamhang en even helder uitgewerkt, er uw levens- en wereldbeschouwing tegenover plaatsen; en die sterkte nu beiden u noch uw »Christian works” noch uw »Christelijke mystiek”, maar vindt ge alleen door, zelf mystiek verwarmd en practisch uw persoonlijk geloof openbarend, terug te gaan op dat keerpunt in de geschiedenis, waaraan de ontwikkeling der menschheid toekwam in het Protestantisme. Dit nu staat met teruggaan op het Calvinisme gelijk. Keuze is hier niet. Het Socinianisme stierf roemloos weg; het Anabaptisme is in wild revolutionair bedrijf ondergegaan; Luther werkte zijn grondgedachte niet uit; en Protestantisme, zonder nadere onderscheiding, is óf een puur negatief begrip zonder inhoud óf een kameleontische naam waar zelfs de loochenaars van den Christus zich meê sieren. En alleen van het Calvinisme |188| kan gezegd worden dat het, de lijn der Hervorming consequent en logisch doortrekkend, kerken gesticht, staten gebouwd, op de maatschappij zijn stempel gedrukt heeft, en aldus in den vollen zin des woords een eigen wereld van gedachten voor heel het menschelijk leven ontsloten heeft. Ge moet dus óf met de wereldbeschouwing van het Modernisme meê afglijden, en dan is uw Christendom weg; óf ge moet zelf een eigen wereldbeschouwing construeeren, die boven het Calvinisme uitgaat, wat dusver niemand deed; óf wel ge hebt de vergeten grondlijnen van het Calvinisme weer op te zoeken, en die door te trekken naar den eisch van ons thans zooveel rijker ontwikkeld leven. Dat ik het Lutheranisme daarbij niet onderschat, weet ge, maar toe drie malen reeds heeft Duitschlands tegenwoordige keizer getoond, hoe verkeerd ook nu nog de schijnbaar kleine fouten van Luther nawerken. Luther liet zich verleiden om den landsvorst als hoofd der landskerk te huldigen, en wat kregen we in verband hiermeê thans van Duitschlands zoo genialen keizer te hooren? Eerst dat hij den Christen-democraat Stöcker in ongenade liet vallen en hem de poort van zijn hof wees, enkel omdat deze moedige kampvechter voor de vrijheid der kerk ook maar den wensch had durven uiten, dat de keizer van zijn hoog episcopaat afstand mocht doen. Toen, dat bij de uitzending van het Duitsche eskader naar China, aan prins Hendrik werd bevolen naar het verre Oosten het „keizerlijk Evangelie” te brengen. En nu onlangs dat hij zijn getrouwen tot plichtsbetrachting opriep, omdat ze na hun dood, niet voor God en zijn Christus, maar voor God en den grooten keizer hadden te verschijnen. Al sterker inmenging dus van het Caesarisme tot in het hart der Christelijke Religie. En daarom het zijn geen splinterige nietigheden, het zijn veeleer beginselen van verre strekking, waarvoor onze Gereformeerde vaderen in de eeuw der Reformatie gestreden hebben. Van repristinatie ben ik warscher dan iemand, maar om ter verwering van het Christendom beginsel tegenover beginsel, en wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing te plaatsen, liggen voor wie protestant in hart en nieren is, alleen de Calvinistische fundamenten gereed, als vertrouwbare grondslag waarop we kunnen bouwen.

*

|189| Wat nu is onder dit weêr teruggaan op het Calvinisme te verstaan? Bedoel ik hiermede, dat hoe eer hoe beter alle geloovige Protestanten de Gereformeerde Formulieren hebben te onderteekenen, om alle kerkelijke veelvormigheid in de eenheid van het Gereformeerde kerkwezen te doen wegsmelten? Aan zoo ondoordachten, zoo onmenschkundigen, zoo onhistorischen eisch denk ik van verre niet. Natuurlijk ligt in élke overtuiging, in élke belijdenis een motief voor onbegrensde propaganda, en blijft Paulus’ woord tot Agrippa: „Ik wenschte wel van God, dat bijna en geheellijk niet alleen gij, maar ook allen, zoodanigen werden, gelijk als ik ben”, de zielswensch niet alleen van elk goed Calvinist, maar van een ieder, die in een vast en onwankelbaar geloof mag roemen. Maar zoo ideale zielswensch is daarom nog niet aanstonds, zoo ooit, voor verwerkelijking vatbaar. Vooreerst is niet één Gereformeerde standaard, zelfs de zuiverste niet, onfeilbaar als het woord van Paulus was. Dan is de Calvinistische belijdenis zoo diep religieus, en zoo hoog geestelijk, dat ze, tijden van hooggaande religieuse beweging nu uitgezonderd, nimmer de groote menigte zal toespreken, en slechts op een betrekkelijk klein kuddeke den indruk van noodzakelijkheid zal maken. Voorts zal onze natuurlijke eenzijdigheid steeds om het optreden van Jezus’ kerk in veelheid van formatiën blijven roepen. En, last but not least, overgang van kerk tot kerk kan alleen in kritieke momenten der historie op breede schaal plaats grijpen. In den gewonen loop der dingen sterft 90 pCt. der Christenheid in de kerk waarin ze geboren worden en gedoopt. Maar bovendien zulk een binden van mijn program aan een kerkelijke verhuizing zou tegen de geheele strekking van mijn betoog indruischen. Juist niet als in engen kring kerkelijk, maar als verschijnsel van algemeene beteekenis heb ik u het Calvinisme der historie aangeprezen. En daarom wat ik vraag komt in hoofdzaak op deze vier neder: 1º. dat ge het Calvinisme niet langer voorbijziet waar het nog is, maar het sterkt waar het nog nawerkt; 2º. dat ge weer studie van het Calvinisme maakt opdat ook de buitenwereld het kennen moge; 3º. dat ge het weer principieel toepast op de onderscheidene terreinen des levens, en 4º. dat die kerken, die nog heeten het |190| te belijden, ophouden zich heur heerlijke belijdenis te schamen.

Vooreerst dan, ge zult het Calvinisme niet langer voorbijzien waar het nog is, maar het sterken waar het nog nawerkt. De aanwijzing, ook maar eenigermate volledig en tot in bijzonderheden van de sporen, die het Calvinisme nog allerwegen in het sociale en politieke, in het wetenschappelijke en aesthetische leven achterliet, zou op zich zelf een veel breeder studie vorderen, dan in het vluchtig betoog eener lezing ware in te lasschen. Laat mij daarom, in Amerika optredende, slechts op een enkel verschijnsel in uw eigen staatsleven wijzen mogen. Reeds in mijn derde lezing herinnerde ik er aan, hoe in de preambule van meer dan ééne uwer Constitutiën tegelijk én een zeer beslist democratisch standpunt wordt ingenomen, én nochtans niet het atheïstische standpunt der Fransche Revolutie, maar de Calvinistische belijdenis van God hooge souvereiniteit hierbij ten grondslag werd gelegd, soms zelfs in bewoordingen, die, gelijk ik u aantoonde, letterlijk met Calvijns uitspraak overeenkomen. Van het anticlericalisme dat de revolutionaire democratie tot in het merg zit, is bij u dan ook geen spoor te ontdekken, en als uw President heel het volk tot een Biddag oproept, of ook uw hooge Vergaderingen in Washington met gebed geopend worden, blijkt telkens opnieuw hoe er door Amerika’s democratie ook nu nog een ader loopt, die uit het Calvinisme der Pilgrimfathers tot op onzen tijd nawerkt. Zelfs uw Common-schoolsystem, met Schriftlectuur en Gebed bedoeld, wijst, hoe ook almeer verzwakt, op gelijken Calvinistischen oorsprong. Niet anders kwam het in het opkomen van uw universitair leven, voor verre het grooter deel uit particulier initiatief; in het decentraliseerend en autonoom karakter van uw plaatselijke besturen; in uw strenge en toch niet nomistische Sabbatsviering; in uw eeren van de vrouw, zonder in Parijsche vrouwenvergoding te vervallen; in uw huiselijken zin; in het nauwe aantrekken van de familiebanden; in uw staan voor het vrije woord; en in uw grenzenlooze eerbied voor de vrijheid der consciëntie. In dit alles is uw Christelijke democratie lijnrecht aan de democratie der Fransche Revolutie tegenover gesteld; en ook historisch is het bewijsbaar dat ze u uit het Calvinisme is toegekomen. Maar, zie, onderwijl ge deze vruchten van het |191| Calvinisme geniet, en ook buiten uwe grenzen het constitutioneele staatsleven de eere der volkeren hoog houdt, fluistert men rond, dat in dit alles niets dan de zegeningen van het Humanisme zijn te begroeten, en denkt schier niemand er meer aan, hierin de nawerking van het Calvinisme te eeren, dat immers geacht wordt nog alleen na te bloeien in enkele dogmatisch versteende kringen. Welnu, wat ik vraag en met historisch recht vraag is, dat deze ondankbare verloochening van het Calvinisme een einde neme; dat de sporen van het Calvinisme weer opgemerkt worden, waar ze feitelijk nog in het leven geteekend staan; en dat, waar mannen heel anderes geestes, ongemerkt, in Fransch-revolutionairen of Duitsch-pantheïstischen zin dat spoor verleggen willen, gij, in Amerika, en wij ten onzent die vervalsching van onze levenslijn te keer gaan.

Ten einde hiertoe in staat te zijn, vroeg ik in de tweede plaats om historische principieele bestudeering van het Calvinisme. Onbekend maakt onbemind, en het Calvinisme is uit het hart vergeten. Alleen theologisch, en dan nog niet anders dan zeer eenzijdig en zijdelings, wordt het bepleit. De oorzaak hiervan heb ik in een vroegere lezing u aangegeven. Omdat het Calvinisme niet uit een abstract stelsel, maar uit het leven opkwam, is het in de eeuw van zijn bloei, nooit systematisch als eenheid aangediend. De boom bloeide en wierp zijne vrucht af, zonder dat er nog botanische studie van zijn aard en wasdom gemaakt werd. Het Calvinisme heeft destijds meer gehandeld dan geredeneerd. Maar thans mag die studie niet langer uitblijven. De biographie en biologie van het Calvinisme moet thans doorzocht en doorgedacht worden, of, bij gemis van zelfkennis, schuift men ons, onzes ondanks, over naar een gedachtenwereld, die met den aard van ons Christelijk-democratisch leven meer vloekt dan overeenstemt, en ons afsnijdt van den wortel waarop we eens zo krachtig hebben gebloeid.

Eerst door die studie zal dan ook mogelijk worden wat ik in de derde plaats noemde, principieel het Calvinisme toe te passen op alle stukken van het levensterrein, door het als beginsel ten uitgangspunt te kiezen voor alle vertakking der wetenschap. De theologie sluit ik hierbij niet uit, want ook zij doelt op het breedvertakte leven, |192| en niets is droever dan te zien hoever reeds de theologie der Gereformeerde kerken, vaak in al haar deelen, onder de heerschappij van haar gansch vreemde invloeden kwam. Maar toch de theologie is slechts ééne der vele wetenschappen die roepen om Calvinistische bearbeiding. Ook de studie der rechten, ook de sociale wetenschappen, ook de philosophie, de letterkunde, de linguïstiek, de psychologie, de aesthetiek, ja ook de medische en natuurkundige studiën gaan, zullen ze diep worden opgevat, alle zonder onderscheid op beginselen terug, en met meer ernst dan dusver dient in onze kringen de vraag gesteld, of de logische, de ontologische, de kosmologische en anthropologische beginselen, die in deze wetenschappen heerschappij voeren, met de beginselen van het Calvinisme overeenstemmen, dan wel tegen zijn grondslag ingaan.

En dan ja voeg ik ten slotte aan deze drie, mij dunkt historisch gebillijkte, eischen ten slotte nog dit als vierde toe, dat die kerken, die nog zeggen van Gereformeerde belijdenis te zijn, dan ook mogen ophouden zich die belijdenis te schamen. Gij hebt gehoord, hoe breed mijn opvatting en hoe ruim mijn gezichtspunt is, ook in zake het kerkelijk leven. Van niets dan van vrije ontwikkeling blijf ik heil ook voor het kerkelijk leven verwachten. Ik loof de veelvormigheid en zie er een hooger standpunt van ontwikkeling in. En zelfs voor de kerk die het zuiverst belijdt, blijf ik steeds de hulpe van andere kerken inroepen, opdat haar nooit te loochenen eenzijdigheid worde aangevuld. Maar wat mij steeds met wrevel en weerzin vervulde, was een kerk te zien, of den ambtsdrager eener kerk te ontmoeten, met de vlag opgerold onder het lijfkleed verborgen, in steê van fier die vlag in frissche kleuren uitrollend. Wat men belijdt te zijn, moet men dan ook durven wezen in zijn woord, in zijn daad en in heel zijn optreden. En een kerk, die Calvinistisch van oorsprong en nog herkenbaar aan haar Calvinistische confessie, den moed mist, wat zeg ik, die den zielslust niet meer kent, om kloek en dapper die belijdenis tegen heel de wereld te verdedigen, heeft niet het Calvinisme, maar zich zelve onteerd. Laat de nog in merg en been Gereformeerde kerken klein, laat ze gering in het cijfer wezen, als kerken zullen ze voor het Calvinisme steeds onmisbaar blijven, en de kleinheid van die kern deert ons niet, zoo die kern maar |193| gaaf, zoo ze maar door en door gezond, zoo ze maar tintelend is van generatief en uitpersend leven.

*

En zoo M.H. spoedt ook deze laatste lezing ten einde en zij u mijn dank geboden voor de duldende welwillendheid, waarmeê ge mijn breed betoog volgen woudt. Maar eer ik besluit, gevoel ik toch, hoe ééne vraag zich aan u blijft opdringen, waarop ik het antwoord dan ook niet schuldig wil blijven, de vraag namelijk wat ik in het eind bedoel: loslating of maintineering van de Electie? En dan zij het mij vergund tegen de Electie een ander woord, dat er slechts ééne letter van verschilt over te mogen plaatsen: Voor Electie stopt ons geslacht het oor toe, met Selectie poogt het te dwepen. Welk is nu het machtig probleem dat achter beide deze woorden schuilt, en waarin verschilt de oplossing door beide voor dit alles beheerschend probleem gegeven? Dat probleem geldt de principieele vraag: Vanwaar komen de verschillen? waarom is niet alles gelijk? vanwaar komt het dat het eene zus en het andere zóó bestaat? Er is geen leven zonder differentieering, en er is geen differentieering zonder verschil. Dat bestaan van verschil is het motief voor alle bewustzijn, het motief van al wat bestaat en groeit en zich ontwikkelt, het motief van elken strijd en worsteling, kortom het principieele grondmotief van alle leven en alle denken, en ik zeg niet te veel, zoo ik beweer, dat ten slotte elk ander probleem te herleiden is tot dit eene probleem: Vanwaar komen de verschillen? Vanwaar komt het ongelijke, het andersoortige van het zijn, van het worden, van het bewustzijn? Om het plastisch te nemen, waart ge bloem, ge zoudt liever een roos zijn dan een paddestoel; waart ge insect, ge zoudt liever vlieg zijn dan spin; waart ge vogel, ge zoudt liever adelaar zijn dan uil; waart ge dier, ge zoudt liever leeuw zijn dan hyena; en zoo ook, nu ge mensch zijt, zijt ge liever rijk dan arm, liever geniaal dan bot, liever van het Arische ras dan Hottentot of Kaffer. In dat alles is verschil, hemelsbreed verschil. Ik voeg er bij, zoo menigeen heeft nòg hooger gemikt en God willen zijn, en zie hij was en bleef mensch. Allerwegen verschil alzoo, verschil tusschen het eene en het andere wezen, en wel verschil met voorkeur. Als |194| de sperwer de duif plukt en verscheurt, hoe komt het dat die beide wezens alzoo tegenover elkander staan, en alzoo verschillen? Dit en dit alleen is de alles beheerschende vraag in het plantenrijk, in het dierenrijk, onder menschen, in heel het sociale leven, en nu is het de theorie der Selectie waardoor onze eeuw op die vraag van alle vragen antwoord poogt te geven. Reeds in de cel onderstelt men dan verschil, en spreekt van een zwakker en van een sterker element. Dat sterkere wint het dan van het zwakkere. Die winste consolideert zich in een hooger wezenskapitaal, en waar het mindere nochtans in zijn bestaan volhardt, komt het verschil uit in de worsteling zelve.

Nu weet de grasspriet hier niet van, en de spin blijft de vlieg omwoelen, en de tijger het hert dooden, zonder dat het zwakkere zich hiervan rekenschap geeft. Maar onder menschen zijn we ons van die verschillen helder bewust, en voor ons is de vraag alzoo niet te onderdrukken, of deze theorie der Selectie een stelsel is, dat den zwakkere, den minder bedeelde verzoenen kan met zijn bestaan. Op zichzelf, dit stemt gij toe, kan deze theorie niet anders dan tot verwoeden strijd prikkelen, en dat wel met een lasciate andare ogni speranza voor den zwakke. Tegen het noodlot, dat het zwakkere door het sterkere verslonden wordt, vermag eigen worsteling toch niets. De verzoening zou hier dus uit de idee moeten komen. Doch welke is die idee? Dit immers, dat waar deze verschillen zich vastzetten, en aldus de wezens in hun tegenstelling uitkomen, dit òf de vrucht is van toeval, òf wel het noodzakelijke resultaat van een blinde natuurmacht. En meent ge nu waarlijk, dat ooit de lijdende menschheid door zùlk een oplossing met haar lijden zal worden verzoend? Toch juich ik het opkomen van die theorie der Selectie toe, en ik bewonder de onderzoekingsgave en de denkkracht van de mannen die haar ons aanbevelen. Niet natuurlijk om wat ze ons als waarheid uitvent, maar omdat ze het diepste grondprobleem weer aandorst, en alzoo, in die diepte der dingen, weer gelijkvloers met het Calvinisme komt te staan. Immers dát juist is de hooge beteekenis der Electie, dat hiermeê door het Calvinisme, voor nu reeds drie eeuwen, datzelfde grondprobleem onder de oogen werd gezien, edoch opgelost niet door blinde |195| selectie in onbewuste cellen, maar door vrijmachtige Electie van Hem, die aan alle ding het aanzijn gaf. De beschikking over alle wezens, wat camelia en wat boterbloempje, over wat nachtegaal en wat kraai, over wat hert of zwijn zal zijn, en zoo ook onder menschen, de beschikking over onzen persoon, of iemand als meisje of als jongen, als rijk of arm, als bot of geniaal, en zoo ook als een Abel of een Kaïn zal geboren worden, is de ontzettendste beschikking die in hemel of op aarde denkbaar is, en die toch dag aan dag voor onze oogen wordt uitgeoefend, ja waar wij zelven, gij en ik, met heel onzen persoon aan onderworpen zijn, en waar heel ons aanzijn, heel onze aard, heel onze positie in het leven van afhangt. Die alles omvattende beschikking nu legt de Calvinist niet in de hand van een mensch, en nog veel minder in de hand van een blinde natuurmacht, maar in de hand van God Almachtig, souverein Schepper en Bezitter van hemel en aarde, en in het beeld van den pottenbakker heeft de Schriftuur ons die alomvattende Electie verklaard. Electie in de schepping, electie in de Voorzienigheid, en zoo ook electie ten eeuwigen leven in het rijk der genade. Electie niet anders dan in alle rijk der natuur. En als ik nu die beide stelsels van Selectie en van Electie naast elkander leg, toont dan de historie niet, hoe de Electie, eeuw in eeuw uit, metterdaad tevredenheid en verzoening geschonken heeft, ja dat alle overige Christenen met ons de Electie én in de Schepping én in de Voorzienigheid eeren, en dat het Calvinisme daarin alleen de overige Christelijke belijdenissen te boven gaat, dat het, eenheid zoekend, en God in alles de eere gevend, de Electie ook aandorst bij de hope des eeuwigen levens?

Ziedaar dan nu Calvijn’s dogmatische bekrompenheid. Of liever, want voor ironie, voor scherts zelfs zijn de tijden te ernstig, laat elk Christen, die nóg zijn bedenkingen niet kan loslaten, zich althans deze alles beheerschende vraag stellen, of hij een andere oplossing van dit grondprobleem der dingen kent, dat betere belofte in zich draagt, om als de strijd op het heftigst zal gaan, zijn Christelijk geloof tegen het opkomend, nieuwe kracht verzamelend en van uur tot uur veld winnend Heidendom te verdedigen. Vergeet niet, de grondtegenstelling van het Christendom lag altoos, |196| ligt nog, en zal ten einde toe liggen in het Heidendom. De afgoden tegenover den levenden God. En in zooverre lag in de forsche teekening van Duitschlands keizer, toen hij in het Buddhisme ons den naderenden vijand aanwees, diep gevoelde waarheid. Er hangt een dicht gordijn voor de toekomst, maar Christus heeft ons op Pathmos het naderen van een bloedige slotworsteling voorzegd, en nu reeds heeft Japans reusachtige ontwikkeling in minder dan veertig jaren heel Europa met schrik vervuld voor wat ons kon te wachten staan van het „gele ras”, met Indië veel meer dan de helft der menschheid. Of heeft Gordon niet getuigd, hoe zijn Chineezen waarmeê hij de Taipings versloeg, mits goed gedrild, gewapend en aangevoerd, de beste soldaten ter wereld zijn? Metterdaad het Aziatisch vraagstuk is vol diepen ernst. In Azië is het probleem der wereld begonnen, in Azië zal het zijn voleinding vinden; en technisch en materieel, de uitkomst leert het, streven de heidensche natiën, zoodra ze wakker worden en weer opstaan uit haar doodslaap, ons in een oogwenk op zij. Toch ware dit niets, zoo de Christenheid in de oude en in de nieuwe wereld om het Kruis vereenigd stond en, jubelend voor haar Koning en Heiland, als in de dagen der kruistochten, den laatsten wereldkamp tegenging. Maar wat, zoo de Heidensche gedachte, het Heidensche streven, het Heidensche ideaal ook onder ons veld wint en het opkomend geslacht tot in nier en ingewand aantast? Nu reeds heeft men, omdat het Christelijk eenheidsbesef zoo schreiend verzwakt was, laf en laaghartig de Armeniërs laten uitmoorden; is de Griek door den Turk verpletterd; en Gladstone, die, als Christenstaatsman, Calvinist in merg en been was, en die den moed bezat den Sultan als den „Great assassin” te brandmerken, is van ons gegaan. En daarom er moet op radicale beslistheid worden aangedrongen, met halfheden komen we niet verder, en de oppervlakkigheid staalt ons niet. Beginsel moet weer tegenover beginsel, wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing, geest tegenover geest getuigen, en zegge het dan wie het beter weet, maar dan ken ik geen vaster en geen hechter bolwerk dan het nog altoos onverwinlijk Calvinisme.

En vraagt gij mij dan, half spottend, of ik dan waarlijk naief |197| genoeg ben om van zekere Calvinistische studiën een keer in der Christenen wereldbeschouwing te verwachten, ziehier dan mijn antwoord: De verwekking ten leven komt niet van menschen, ze is Gods privilegie, en van zijn vrijmacht alleen komt het, zoo de stroom van het religieuse leven de eene eeuw hoog zijn wateren verheft, om in een andere eeuw bijna droog te loopen en te verzanden. Ook in de zedelijke wereld is het de eene maal lente dat het alles uitbot en van leven ritselt, en de andere maal een winterkoude, dat alle religieuse leven verstijft en versteent.

En nu, er is geen twijfel of ook de periode die wij thans doorleven, is religieus zeer laag gestemd en mist den heroïschen gloed. Zoo God zijn Geest niet uitzendt, komt er geen kentering, en gaat de afloop der wateren angstig snel door. Maar ook gij kent de Aeolusharp, die men in het vensterkozijn legt opdat de wind er zijn hemelsche accoorden op spele. Zoolang nu de wind uitblijft, geeft ook die harp geen toon; maar, ook al komt de wind, zoo de harp niet gereed ligt, moogt ge een blazen en suizen van den wind beluisteren, maar komt er geen atmosferische muziek. Laat dan het Calvinisme niets dan zulk een Aeolusharp zijn, welnu, dan zegt dit alleen, dat ook het Calvinisme zonder den Geest des Heeren volslagen machteloos is. Maar juist hieruit volge dan ook voor ons de dubbele roeping, eenerzijds dat we om het blazen van dien wind des Geestes den God onzer vaderen zullen aanroepen, maar ook anderzijds om inmiddels toe te zien dat onze harp, zuiver in haar snaren gespannen, tegen dat de Geest weer ritselen gaat, in het venster van Gods heilig Sion gereed ligt.




1. De overmacht van den sterkste.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000