Vijfde lezing

Het Calvinisme en de Kunst.

In deze vijfde, d.i. op één na mijne laatste lezing, bespreek ik het Calvinisme en de Kunst.

Niet de heerschende mode noopt mij daartoe. Kniebuiging voor een dweepzieke kunstvereering, die thans ingang vindt, zou niet strooken met den hoogen levensernst, die het Calvinisme steeds kenmerkte, en dien het met beter dan penseel en beitel, dien het op het slagveld met zijn zwaard, op het schavot met het kostelijkst bloed bezegeld heeft. Bovendien die thans veldwinnende kunstmin mag u niet verblinden, maar moet met nuchteren zin en critisch oog geschat worden. Ge hebt hier te doen met het alleszins verklaarbaar verschijnsel, dat hetgeen tot dusver als het privilege van enkele bevoorrechte kringen gold, uitvloeit in den breeden burgerkring, en reeds zijn neiging verraadt om tot de laagste volkskringen af te dalen. Een democratiseeren zoo ge wilt van wat eertijds nooit anders optrad dan met aristocratische allures. En of nu de echte toonkunstenaar al klaagt, dat het pianospelen der groote massa op getjingtjangel, en het penseel-geknutsel op niets dan kladschilderijen uitloopt, het rijk gevoel van ook zelf aan kunst te doen, is derwijs overweldigend, dat men zich liever den spotlach van den echten kunstenaar, dan het gemis van kunstopleiding in de opvoeding getroost. Aan kunst meê te doen, geldt thans al kenmerk eener hoogere beschaving. Niet minder spreekt hier de zucht om met oor en oog voor het gevoel te genieten, vooral door muziek en tooneel, en al mag niet |136| verheeld, dat dit zingenot in breeden kring op min edele, soms zelfs op zondige wijze wordt gezocht, ontkend mag evenmin, dat veler kunstzin hierbij edeler genieting zoekt, en van lager zingenot aftrekt. Vooral in onze groote wereldsteden is de impressario der onderneming thans in staat zooveel rijks te leveren, en de gemakkelijker communicatie van volk met volk leent aan de virtuosen onder onze zangers en speler zulk een internationaal karakter, dat de beste uitvoeringen thans, voor bijna geen geld, onder het bereik van tienmaal breeder kring gebracht zijn. Iets waaraan, om billijk te zijn, nog moet worden toegevoegd, dat het door materialisme en rationalisme met atrophie bedreigde menschelijk hart, tegen deze verdorring in kunstmin en kunstzin tegengif zoekt. De geldheerschappij en de heerschappij van het dorre denken dreven het gevoelsleven naar het vriespunt, en het is hiertegen dat de mystiek van het hart, nu het eenmaal de Religie niet grijpen kon, in kunstbezwijmeling reageert. Al vergeet ik dus niet, dat het echte kunstgenie veeleer de hoogte der afzondering, dan de vlakte van den breeden kring zoekt, en onze aan echt kunstgenot zoo arme eeuw zich daarom meer koestert aan den kunstgloed van het verleden, dan dat ze zelve ons door nieuwe schepping verrassen zou; ja al stem ik toe, dat de kunstvereering van het profanum vulgus door wansmaak veel kunstbederf kweekte, toch staat ook dat onoordeelkundig dwepen met kunst en kunstproduct hoog in mijn schatting boven het schraapzuchtig geld maken, het dorre waanwijs zijn, en het hunkeren naar Bacchus en Venus. In deze koude, godsdienstlooze, practische eeuw heeft deze kunstvereering door haar warmte hooger neigingen in ons bij het leven gehouden, die anders licht afgestorven waren, gelijk ze afstierven in het midden der vorige eeuw. Ge merkt dus wel, dat ik de in gang zijnde kunstbeweging niet onderschat, maar tegelijk dat ze voor mij van verre niet haalt bij de religieuze beweging der 16e eeuw, en dat ik er daarom niet aan denk het calvinisme om de gunst dier artistieke mode te laten bedelen. Neen, als ik het pleit ga voeren voor de beteekenis van het Calvinisme op kunstgebied, dan denk ik van verre niet aan deze vulgariseering van kunstzin en kunstliefde, maar houd ik het oog gericht op het Schoon in |137| zijn eeuwige beteekenis, op de kunst als een der rijkste gaven van God aan ons menschelijk geslacht.

Daarbij stuit ik echter, ieder kenner der historie voelt het, op een maar al te vast geworteld vooroordeel. Calvijn, zoo luidt de uitspraak, was persoonlijk van kunstzin verstoken, en het Calvinisme dat in Nederland den Beeldenstorm aandorst, is voor kunstwaardeering, laat staan voor kunstproductie, niet vatbaar. Daarom, eer ik verder ga, over dit blind vooroordeel een kort woord. Ongetwijfeld was Luther, ook al sla ik zijn »Wer nicht liebt Weib, Wein und Gesang,” niet te hoog aan, artistieker van aanleg dan Calvijn; maar wat bewijst dit? Omdat Socrates zijn bobbeligen neus, wijl die zoo gemakkelijk den adem doorliet, als schoon roemde, en feitelijk allen zin voor het schoone miste, zult ge daarom aan het Hellenisme zijn lauweren op kunstgebied betwisten? Verraden de geschriften van Johannes, van Petrus, van Paulus, van de drie pilaren der Christelijke kerk, ook maar met een enkel woord hoogschatting van het artistieke leven? Ja, het zij met eerbied uitgesproken, is ook maar uit één enkel verhaal in de Evangeliën te bewijzen, dat Christus zelf voor kunst gepleit en om kunst geroepen heeft? En als ge op deze vragen, slag op slag, ontkennend moet antwoorden, geeft u dit daarom het recht om te loochenen, dat het Christendom voor het kunstleven van zeldzaam hooge beteekenis is geweest? En zoo niet, wat hebt ge dan van de zijde der kunst het Calvinisme van Vandalisme te beschuldigen, omdat Calvijn persoonlijk voor kunst weinig gevoeld en over kunst weinig gehandeld heeft? En komt ge op den Beeldenstorm der Geuzen, moogt ge dan vergeten, hoe in de achtste eeuw te midden der Grieksche wereld de manlijke ernst van een Leo Isaurus nog heftiger iconoclasme in het leven riep, en volgt dan daaruit dat het Byzantinisme zonder beteekenis voor de kunst voorbijging? Of wilt ge nog een ander tegenbewijs? Welnu, veel scherper nog dan óf Leo Isaurus in de achtste, óf Nederlandsche Geuzen in de zestiende eeuw, is Mahomed in zijn Khorân tegen alle beeld en beeldsgelijke opgetreden, en zult ge dan daarom zeggen dat de Alhambra te Grenada en de Alcazer te Sevilla geen wonderschoone voortbrengselen van bouwkunst zijn? |138|

Neen, waarlijk, met zoo botte redeneering vordert men hier niet, en vergeten mag evenmin, dat wel kunstzin een algemeen menschelijk verschijnsel is, maar dat de ontwikkeling van dien kunstzin, in verband met volkstype, klimaat en woonstreek, hoogst ongelijk onder de volkeren verdeeld is. Wie gaat op IJsland kunstontwikkeling zoeken, en wie snuift ze niet, als ik mij zoo mag uitdrukken, te midden van de natuurweelde van de Levant? Is het dan wonder, dat het Zuiden meer dan het Noorden van Europa den kunstzin in het gevlij kwam? En als de historie u dan getuigt, hoe het Calvinisme vooral bij de Noordsche volken ingang vond, bewijst het dan iets tegen het Calvinisme, dat het bij volken met kouder klimaat en armer natuur niet het kunstleven van de Zuidelijke volken wist te wekken? Het is zoo, omdat het Calvinisme een Godsvereering in geest en waarheid boven de sacerdotalistische weelde verkoos, is het door Rome van gemis aan kunstwaardeering beschuldigd; en omdat het afkeurde dat de vrouw haar schaamte voor den schilder ontblootte, of in het ballet haar eere als vrouw wegwierp, is zijn zedelijke ernst in botsing gekomen met het sensualisme van wie geen offer voor de kunst te heilig keurde. Maar dit alles raakt niet de kunst zelve, maar alleen én de plaats die haar in het geheel van ons leven toekomt, én de grens die aan haar gebied is te stellen. En wilt ge daarom van hooger standpunt de beteekenis van het Calvinisme voor de kunst beoordeelen, leent dan niet het oor aan zoo oppervlakkige uitspraken, maar volgt mij dan bij het drieledig onderzoek: 1e. Waarom het Calvinisme geen eigen kunststijl mocht ontwikkelen; 2e. wat uit zijn beginsel voor het wezen der kunst voortvloeit; en 3e. wat het feitelijk voor den bloei der kunsten gedaan heeft.

*

Alles zou wel zijn, indien maar het Calvinisme een eigen kunststijl ontwikkeld had. Zooals men roemt in het Parthenon van Athene, in het Pantheon van Rome, in de Aja Sofia van Byzantium, in den Dom van Keulen of in de Sint-Pieterskerk van het Vaticaan, zóó moest ook het Calvinisme een indrukwekkende |139| structuur hebben aan te wijzen, waarin het de volheid zijner levensgedachte artistiek belichaamd had. Dat het dit niet deed, geldt als voldingend bewijs voor zijn kunstarmoede. Het zou, zoo waant men, zulk een kunstweelde wel hebben willen scheppen, maar het kon niet. Zijn dorre stugheid stond aan zoo edele ontwikkeling in den weg. En als dan de Humanist in de klassieke kunst van oud Hellas, de Grieksche kerk in den Byzantijnschen en Rome in haar Gotischen stijl roemt, dan acht men dat het Calvinisme daartegenover verlegen wijl met ledige hand staat, en hiermeê zichzelf aanklaagt van het volle menschelijke leven te hebben verminkt. Daartegenover echter plaats ik nu de stelling, dat het Calvinisme, juist krachtens zijn hooger beginsel, zulk een eigen kunststijl niet mocht ontwikkelen. De bouwkunst moest ik hierbij wel op den voorgrond stellen, omdat én in de klassieke én in de dusgenaamd Christelijke kunst eerst door de bouwkunst het absolute en alomvattend kunstwerk te voorschijn trad, en alle overige kunsten zich om tempel en kerk, en zoo ook om moskee en pagode schikten. Nauwelijks één kunststijl is te noemen, die niet van het middelpunt der Godsvereering is uitgegaan en niet in het prachtgebouw voor die vereering zijn voltooiing zocht. Een op zichzelf edele aandrift dreef daarbij. De kunst ontleende aan de Religie haar rijkste motieven. Ze vonden in den religieusen hartstocht de goudmijn, die geldelijk haar stoutste ontwerpen mogelijk maakte. Alleen in het heilige vond ze niet enkel den engen kring van kunstminnaars, maar heel het volk in zijn breede rangen aan haar voeten. De aanbidding strengelde den eenheidsband om alle verspreide kunsten. Ook gaf ze door dien band van het eeuwige aan de kunsten innerlijke eenheid en ideale wijding. En zoo verklaart het zich dat, wat ook paleis en tooneel voor den bloei der kunsten doen mochten, het stempel van een eigen karakter, in de saamvatting der kunsteenheid, alleen door het heiligdom op de kunst werd gedrukt. Kunststijl en stijl van aanbidding vielen samen. Ware nu deze door kunst gedragen aanbidding en door aanbidding gekoesterde kunst metterdaad het ware en hoogste, dan, het moet erkend, zou het Calvinisme het afleggen. Blijkt daarentegen dat dit huwelijk van religie en kunst |140| een lagere trap van religieuse en in het gemeen van menschelijke ontwikkeling vertegenwoordigt, dan, het is duidelijk, wordt het niet hebben van een eigen kunststijl voor het Calvinisme veeleer een aanbeveling. Dat dit nu metterdaad zoo is, staat voor mij vast, en van dit mijn gevoelen geef ik u rekenschap.

Aesthetische ontwikkeling der Godsvereering, opgevoerd tot die ideale hoogte waarvan Parthenon en Pantheon, Aja Sofia of Sint-Pieter de in steen vastgevroren getuigen zijn, is alleen denkbaar op dien lageren ontwikkelingstrap, waarop een zelfde religievorm door overheidsmacht en priestermacht aan heel het volk wordt opgelegd. In symbolische aanbidding smelt dan alle onderscheid van geestesuiting saâm, en de massale eenheid, onder magistrale en clericale leiding, biedt de mogelijkheid om zoo kolossale werken te bekostigen en in stand te houden. Bij de voortgaande ontwikkeling der volkeren daarentegen, als de verbijzondering der geesten de massale eenheid splijt, klimt ook de Religie tot dien hoogeren trap op, dat ze uit het symbolische in het klaar bewuste leven overgaat, en hiermeê 1º. de splitsing in velerlei vormen van aanbidding, 2º. de losmaking van de mondig geworden Religie van staatsvoogdij, en 3º. de bevrijding van de sacerdotale opperheerschappij, noodzakelijk maakt. Tot dien hoogeren trap nu van geestelijke ontwikkeling was Europa eerst in de zestiende eeuw langzaam naderend, en het was niet het Lutheranisme met zijn cuius regio eius religio, maar het Calvinisme, dat den overgang hiertoe, nog wel niet voltooide, maar toch in beginsel mogelijk maakte. Het heeft dan ook in alle landen waar het optrad tot het uiteengaan in velerlei gezindheden geleid, de overmacht van de Overheid op religieus terrein gebroken, en aan het sacerdotalisme in breeden kring een einde gemaakt. Doch hieruit vloeide dan ook voort, dat het den symbolischen vorm van aanbidding prijs gaf en den eisch der kunst afwees, om in prachtmonumenten zijn geest te belichamen. De tegenwerping, dat toch in Israël zulk een symbolische dienst bestond, werpt mijn stelling ten deze niet omver, maar komt haar juist bevestigen. Of zegt niet het Nieuwe Testament ons, dat deze dienst der schaduwen, in de oude Bedeeling onmisbaar, in de |141| bedeeling der vervulling »oud en verouderd was en nabij de verdwijning«? Onder Israel heerscht staatsgodsdienst, één voor heel het volk. Die godsdienst staat onder sacerdotale leiding. En eindelijk, ze is symbolisch te voorschijn tredend en deswege in den prachtigen tempel van Salomo belichaamd. Maar als deze dienst der schaduwen den raad des Heeren gediend heeft, treedt de Christus op, om de ure te profeteeren, dat men niet meer in dezen monumentalen tempel te Jeruzalem God zal aanbidden, maar dat men Hem aanbidden zal in geest en waarheid. En dienovereenkomstig vindt ge in heel de apostolische Schriftuur dan ook geen spoor of schaduw van aanbidding in kunstvorm. Aärons aanschouwelijk priesterschap op aarde trekt zich terug voor het ongeziene Hoogepriesterschap naar de ordening van Melchizedek in den hemel. Het zuiver geestelijke breekt door de nevelen van het symbolische heen.

Hiermede nu stemt, en dit is mijn tweede bewijsgrond, de hoogere verhouding van Religie en Kunst overeen. Ik beroep mij hier op twee deskundigen, die, als beiden geheel buiten het Calvinisme staande, voor onpartijdige getuigen mogen gelden, op Hegel en Von Hartmann. Hegel zegt ons, dat de kunst, die op een lageren trap aan eene nog in het zinlijke gebondene Religie haar hoogste uitdrukking en bezieling leent, haar juist daardoor allengs over haar zinlijke beperking heen helpt; want dat wel op het lagere standpunt alleen eene door kunst gedragen aanbidding den geest vrijmaakt, maar, zoo besluit hij „die schöne Kunst ist nicht die höchste Befreiung”; die ligt alleen in het onzienlijk geestelijke 1). En sterker nog leert Von Hartmann ons: „Oorspronkelijk treedt de Godsvereering in onafscheidbare eenheid met de kunst op, overmits de Religie op dit lagere standpunt, nog de neiging bezit, om zich in den aesthetischen schijn te verliezen. Alle kunsten treden dan in dienst van de culte op, niet alleen toonkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunst, maar ook de danskunst, de mimiek en het drama. Hoe meer daarentegen de Religie zich tot geestelijke rijpheid ontwikkelt, hoe meer ze zich van de kunst, als buiten staat om haar wezen uit te drukken, |142| losmaakt. En het slotresultaat,” zoo besluit hij, „van dit historische scheidingsproces moet zijn, dat de gerijpte Religie geheel afstand doet van de prikkeling die het aesthetische schijngevoel haar belooft, om zich geheel en uitsluitend te concentreeren op de verwekking van echt godsdienstige gewaarwordingen”2).

Deze grondgedachte nu, zoo van Hegel als van Von Hartmann, is volkomen juist. Religie en kunst hebben elk een eigen levenssfeer, sferen die, aanvankelijk nauwelijks onderscheiden en deswege ineengemengd, bij rijker ontwikkeling van zelf uiteengaan. Zoo ziet ge het aan tweelingen in de wieg nauwelijks aan, of ze tot het manlijk of vrouwelijk geslacht behooren, maar als straks die twee tot volwassen leeftijd zijn gekomen, staan man en vrouw elk met een eigen verschijning, met eigen gaven, en met een eigen zielsuitdrukking voor u. Niet alleen de Religie maar ook de Kunst vraagt daarom bij hooger ontwikkeling om een zelfstandig leven, en de twee stengels die aanvankelijk dooreengevlochten waren en daarom van een zelfde plant schenen te zijn, blijken dan te stoelen elk op een eigen wortel. Dat is het proces van Aäron tot Christus, van Aholiab tot de Apostelen des Heeren, en krachtens datzelfde proces neemt in de zestiende eeuw het Calvinisme een hooger standpunt in dat het Romanisme veroverd had. Dienovereenkomstig kon en mocht dus het religieus Calvinisme geen eigen kunststijl uit zijn religieus beginsel ontwikkelen. Veeleer moest het zijn nobel streven zijn, de Religie en met haar de Godsvereering, al meer uit den zinnelijken vorm los te wikkelen en krachtig geestelijk te doen opbloeien. Daartoe was het in staat door den krachtigen polsslag, waarmeê destijds het religieuse leven door de aderen der ziel trilde, en dat er thans ook onder ons zoo velen zijn die onze kerken koud en unheimisch gaan vinden en naar kunst in het bedehuis terug verlangen, is alleen daaraan te wijten, dat de polsslag van het religieuse leven onder ons thans zooveel flauwer klopt dan in de dagen der martelaren. Maar wel verre van hieraan recht te ontleenen |143| om tot een lageren trap van Religie terug te zinken, behoort dat inzinken van het religieuse leven aan Gods kinderen het gebed op de lippen te leggen om krachtiger inwerking van den Heiligen Geest. Het weer kindsch worden van een grijsaard is pijnlijke achteruitgang, een man die God vrees en in de klaarheid des geestes staat, grijpt naar het speelgoed zijner kindsche jaren niet terug.

*

Nog slechts ééne bedenking zou na mijn dusver geleverd betoog stand kunnen houden, en ook die wil ik daarom onder de oogen zien. Men kon namelijk de vraag opwerpen of een wezenlijk principiëele levensrichting toch niet een eigen kunststijl kon en moest scheppen, zij het dan al buiten Religie en Culte om. Doch dan worde die vraag ook in al haar scherpte genomen. Niet als bedoelde men, dat ook het Calvinisme, bijaldien het metterdaad een eigen aesthetische beteekenis heeft, dan toch aan de kunstbeoefening zekere eigen richting had behooren te geven; immers dat het dit metterdaad deed, zal ons straks vanzelf blijken. Veeleer moet de vraag dan aldus luiden, vooreerst of er een kunststijl in alomvattenden zin, bij afsluiting van de sfeer der Religie denkbaar is; en, ten andere, of, stel dit ware zoo, de voortbrenging van zulk een niet-religieuse kunstbeheersching van het Calvinisme kon worden gevergd. En dan begin ik, met wat aangaat de eerste vraag, vast te stellen, dat de historie der kunst dusver nog nimmer een alomvattenden kunststijl buiten verband met de Religie zag opkomen; en dat juist deswege geen nieuwe kunststijl meer te wachten is. Let wel, ik spreek nu niet van een school bij een enkele der kunsten, maar van een kunststijl, die op alle kunsten saam één concentrisch stempel drukt. En dan ware misschien alleen van de Romeinsche kunst en van die der Renaissance te beweren dat een buitenreligieuse geestesdrang hier een alzijdige openbaring in kunstvormen zocht. De koepel, om nu van den bouwstijl uit te gaan, is in de Romeinsche en straks in de Byzantijnsche kunst geen uitdrukking van een religieuse maar van een majesteits-gedachte. De koepel symboliseert de wereldheerschappij, en, zij het ook in |144| anderen zin, toch moet ook van de Renaissance beleden, dat ze niet op het heilig erf, maar in den kring van het staats- en burgerleven opkwam. Nu bespreek ik de Renaissance in het derde deel mijner lezing nader, maar merk, met opzicht tot den Romeinschen kunststijl, reeds hier op, dat een stijl, die schier al zijn motieven aan de Grieksche kunst ontleende, nauwelijks op zelfstandigheid van karakter aanspraak kan maken; en voorts dat de staatsidee in Rome derwijs met de religieuse idee was samengegroeid, dat met name in den keizerstijd toen de Romeinsche kunst haar bloeitijdperk bereikte, en voor den Divus Augustus het offer werd geplengd, Staat en Religie te scheiden eenvoudig onhistorisch is.

Doch ook afgezien van deze geschiedkundige uitkomst, mag betwijfeld, of buiten de Religie om zulk een eigen alomvattende kunststijl ooit zou kunnen opkomen. Voor het opkomen toch van zulk een stijl wordt in het ziels- en zinnenleven van een volk een centraal motief vereischt, dat geheel het leven van binnen uit beheerscht, en dientengevolge in de geheele kunstbelichaming van dit geestelijke centrum tot aan den buitensten omtrek doorwerkt. Niet natuurlijk alsof een eigen kunstwereld het voortbrengsel van eigen gedachte ware. Intellectueele kunst is geen kunst, en Hegels poging om de kunst uit de ideeën en gedachten te verklaren, ging tegen het wezen zelf der kunst in. Ons intellectueel, ons ethisch, ons religieus en ons aesthetisch leven beschikken elk over een eigen sfeer. Deze sferen nu loopen evenwijdig en mogen daarom niet de ééne uit de andere worden afgeleid. Het is één zelfde beweging, één zelfde drang, één zelfde tinteling in den mystieken wortel van ons aanzijn, die in deze vierderlei vertakking openbaring naar buiten zoekt. Ook de kunst is niet een zijtak aan een hoofdtak, die reeds uitschoot, maar een eigen tak, die zelfstandig uit den stam van ons leven opkomt, ook al is ze het naast aan de Religie, veel nauwer dan aan ons denken of aan ons ethisch aanzijn, verwant. Vraagt men nu echter, hoe er op elk dezer vier terreinen eenheid van conceptie kan ontstaan, dan blijkt telkens weer, dat die eenheid in het eindige alleen op dat ééne punt te vinden is, waar ons leven uit de bron van het Oneindige opwelt. Geen eenheid in uw denken |145| dan door een wel aaneengesloten wijsgeerig systeem, en geen systeem van wijsbegeerte dien naam waard, dat niet tot de uitgangen uit het Oneindige opklimt. Zoo ook geen eenheid in uw zedelijk bestaan dan door het gebonden zijn van uw innerlijk bestaan aan de zedelijke wereldorde, en geen zedelijke wereldorde denkbaar dan onder den indruk van een Oneindige macht, die de orde in deze zedelijke wereld besteld heeft. En zoo nu ook is er geen eenheid in uw kunstopenbaring bestaanbaar dan onder de kunstbezieling van een Eeuwig Schoon, dat uit de bron van het Oneindige ons toevloeit en ons tot het Oneindige opheft. Zoo kan er dus geen karakteristieke, alomvattende kunststijl opkomen, dan ten gevolge van de eigenaardige aandrift, die uit het Oneindige in ons innerlijk aanzijn werkt, en overmits nu de Religie daarin juist van intellect, zedelijkheid en kunst onderscheiden is, dat zij alleen de gemeenschap met den Oneindige in ons zelfbewustzijn tot stand brengt, is het roepen om een eigen kunststijl, buiten verband met uw religieus beginsel, eenvoudig ongerijmd.

Versta het toch wel, dat de kunst geen franje aan het kleed, geen spel bij het leven, maar in dit leven een hoogst ernstige macht is, en dat juist deswege de hoofdvariatiën ook in haar levensuiting verband moeten houden met de hoofdschakeeringen in heel ons leven; en overmits nu die hoofdschakeeringen in heel onze menschelijke existentie, alle zonder uitzondering, door onze verhouding tot God worden beheerscht, zoo is het de kunst verlagen en de kunst onderschatten, zoo ge de vertakkingen, waarin de kunststam zich splitst, u buiten verband denkt met den wortel, dien alle menschelijk leven bezit in God. Ge ziet dan ook hoe noch uit het Rationalisme der achttiende eeuw, noch uit de beginselen van 1789 een eigen kunststijl is voortgekomen, en, hoe hard het ook voor onze negentiende eeuwsche kunstwererld zij, ook al haar pogen om een nieuwen, eigen kunststijl te vinden, is op niets uitgeloopen, en nog altijd blijkt ze dan het schoonst te tooveren, zoo ze teruggrijpt naar de motieven van het verlden. En moet nu deswege reeds op zichzelf alle eisch afgewezen, alsof er, afgescheiden van het religieuse uitgangspunt, een eigen kunststijl kon opkomen, zelfs al ware dit anders, dan nóg zou het stellen van dien eisch aan het Calvinisme onzinnig |146| zijn. Of hoe zoudt ge willen, dat een levensbeweging, die in het stellen van alle mensch en alle menschelijk leven voor het aangezichte Gods den oorsprong van haar kracht vond, op zoo uiterst gewichtig gebied, als dat der machtige kunsten, den stoot, de aandrift, de bezieling ten leven buiten God zou gezocht hebben. Van het schamper verwijt, alsof in het niet scheppen van een eigen kunststijl voor het Calvinisme een vernietigend bewijs van geestelijke armoede zou liggen, blijkt alzoo de schaduw zelfs niet over te blijven. Zulk een kunststijl had alleen onder de auspiciën van zijn religieus beginsel kunnen opkomen, en het was juist dit religieus beginsel, dat, omdat het tot een hoogeren trap was opgeklommen, het staan naar symbolische uitdrukking der Religie in het zinlijk schoone én afsneed én verbood.

*

Het vraagstuk, en hiermede komt ik tot het tweede punt, waarvoor ik uw aandacht vraag, moet dan ook heel anders gesteld. De vraag is niet of het Calvinisme schiep wat het, op zijn hooger standpunt, niet meer mocht scheppen, een eigen kunststijl, maar heel anders: wat uit zijn beginsel voor het wezen van de kunst voortvloeit. Is er m.a.w. in de levens- en wereldbeschouwing van het Calvinisme voor de kunst plaats en zoo ja, welke plaats? Staat zijn beginsel vijandig tegen het wezen der kunst over, of wel, zou ook volgens het Calvinistisch beginsel een wereld zonder kunst een ideëele levenssfeer armer zijn? Niet van het misbruik, maar van het gebruik der kunst handel ik hier. Elk levensgebied heeft de voor dit gebied gestelde grenzen te eerbiedigen. Inbreuk op ander terrein blijft steeds ongeoorloofd, en dan eerst gedijt ons menschelijk leven in hoogere harmonie, als de ontwikkeling van al onze levensfunctiën een evenredige is. De logica van het hoofd mag niet spotten met het gevoel van het hart, noch ook de zin voor het schoone het zwijgen opleggen aan de inspraak der consciëntie. De Religie zelve, hoe heilig ook, moet binnen haar perken teruggedrongen, zoodra ze in bijgeloof, waanzin of dweepzucht de haar gestelde grenzen overschrijdt. Hypertrophie van het hoofd bij atrophie van het hart geeft kranke ontwikkeling; en zoo ook loopt te volbloedige kunstzin, die de consciëntie in |147| bloedarmoede doet verbleeken, op een onschoone disharmonie uit die ons het 6"8@6"("h`H doet ontglippen. Dat derhalve óók het Calvinisme tegen het drijven van een onheilig spel met vrouweneer en vrouwenschaamte in verzet kwam, en onzedelijk kunstgenot als kunstverlaging gebrandmerkt heeft, valt hier geheel buiten onze beschouwing. Dat alles sterkte tot wraking van het misbruik, en beslist voor het wettig gebruik niets. Dat daarentegen in Calvijn zelf dit wettig gebruik geen tegenstander maar veeleer een pleitbezorger vond, bewijs ik u met zijn eigen woord. Als toch de Schrift ons het eerste optreden van de kunst in Jubals tente meldt, die het spel op harp en orgel uitvond, wijst Calvijn er ons met nadruk op, dat hier gehandeld wordt van praeclara Spiritus Sancti dona, d.i. van treffelijke gaven van den Heiligen Geest; betuigt hij, dat God in dezen kunstzin Jubals geslacht »verrijkt had met uitnemende talenten”; en spreekt hij het luide uit, dat deze kunstvindingen schitterende blijken waren van Goddelijke goedgunstigheid 3). Sterker nog verklaart hij in zijn commentaar op Exodus, dat »alle kunsten uit God vloeien en te eeren zijn als Goddelijke uitvindingen 4). Ook deze schatten van het natuurlijk leven zijn, zoo ge Calvijn hoort, in hun oorsprong aan den Heiligen Geest dank te weten 5). In alle artes liberales moet, zoo in de gewichtige als min gewichtige, Gods lof en glorie worden verheerlijkt 6). Meer nog, de kunsten zijn ons als troost bij dezen lagen stand onzes levens geschonken. Ze reageeren tegen het ingezonkene van leven en natuur 7). Toen zijn collega Cop te Genève tegen de kunst als zoodanig ging woeden, nam Calvijn zelfs opzettelijk zijne maatregelen om, gelijk hij zelf schrijft, »dezen onzinnigen mensch tot gezonder zin en rede terug te brengen” 8). Het domme vooroordeel, alsof het gebod tegen den beeldendienst de beeldhouwkunst verbood, noemt Calvijn de moeite der wederlegging niet eens waard 9). Van de |148| muziek roemt hij, dat ze een wondere, ongelooflijke kracht bezit, om de harten te roeren en de neigingen en zeden te buiten en te verzachten 10). Onder de schatten des levens, die God ons schonk, om ons te ontspannen en te doen genieten, staat ze zijns inziens bovenaan. En zelfs waar de kunst lager afdaalt en enkel bedoelt den grooten hoop te vermaken, snijdt hij ze zoo weinig af, dat hij verklaart, hoe men dit soort zinvermaak niet aan het volk moest onthouden 11). Dit samenvattende, mag men dus zeggen, dat Calvijn de kunst in al haar vertakkingen eerde als een gave Gods, nader als een gave van den Heiligen Geest; dat hij de machtige uitwerking der kunst op het gemoedsleven ten volle begreep; dat hij haar bestemming zag in het verheerlijken van God die ze ons schonk, in de veredeling des levens, in het ons schenken van hooger genot, en zelfs van gewoon vermaak; en dat hij, wel verre van in haar slechts een nabootsing der natuur te zien, haar de roeping toeschreef, om ons een hoogere werkelijkheid te ontsluiten dan deze zondige en ingezonken wereld ons bood.

Sprak ons hierin nu niets toe, dan de persoonlijke opvatting en smaak van Calvijn, zoo zou dit getuigenis nog geen waarde voor het Calvinisme als zoodanig hebben. Maar anders komt het natuurlijk te staan, zoo men er op let, hoe Calvijn zelf juist niet artistiek was aangelegd, en hoe aldus blijkt dat deze korte aesthetiek van Calvijn, als we ons zoo mogen uitdrukken, rechtstreeks voortvloeide uit zijn beginsel en in de Calvinistische levens- en wereldbeschouwing haar noodzakelijke plaats vindt. Dat dit nu metterdaad zoo is, valt niet moeilijk aan te toonen. Beginnen we, om het vraagstuk terstond in het hart aan te vatten, met Calvijns laatste verklaring. De kunst ons een hoogere werkelijkheid openbarend, dan deze ingezonken wereld ons biedt. Ook gij kent den strijd telkens opnieuw op kunstgebied uitgestreden, of de kunst enkel nabootsing der natuur moet zijn, dan wel boven de natuur moet uitgaan. Druiven zoo juist geschilderd, dat de vogelen door den |149| schijn misleid er in pikken wilden, scheen voor de Socratische school der :4:ZF4H of natuurnabootsing, het hoogste ideaal. Hierin nu lag deze, maar al te vaak door de idealisten vergeten waarheid, dat de vormen en verhoudingen die de natuur ons toont, de grondvormen en verhoudingen voor alle waarachtige realiteit zijn en blijven moeten, en dat een kunst die niet de natuur afziet en beluistert, maar willekeurig boven haar zweven wil, verloopt in spel der phantasie. Maar omgekeerd moet alle ideëele kunstopvatting tegenover de bloot empirische in het gelijk worden gesteld, waar de empirische met het nadoen van de natuur haar taak als voltooid beschouwt. Dan toch begaat men op kunstgebied dezelfde fout, waaraan de man op wetenschappelijk gebied schuldig staat, die rust bij de waarneming, in zich opneming en geordende teruggeving van de feiten. En gelijk ware wetenschap uit de verschijnselen opklimt tot de in hen wonende orde, om met de kennis dier orde gewapend, edeler dieren, edeler bloemen, edeler vruchten te kweeken, die boven hetgeen de natuur van zelve voortbrengt, uitsteken, zoo ook is het de roeping der kunst, niet enkel om het zienbare en hoorbare waar te nemen, in zich op te nemen en weer te geven, maar veel meer om in die verschijnselen de orde van het schoon te ontdekken, en met die hoogere kennis gewapend, een schoon voort te brengen, dat boven het schoon der natuur uitgaat. Juist dus wat Calvijn beweerde, dat de kunsten gaven ten toon spreiden, die God ter onzer beschikking stelde, nu tengevolge der zonde, het wezenlijk schoon, zooals het zijn moest, ons ontnomen was.

Uw beslissing ten deze nu hangt geheel af van uw opvatting van de wereld. Ziet ge in de wereld het absoluut geode, dan is er niet hooger, en blijft voor de kunst niet anders over dan dit goede na te bootsen, Erkent ge daarentegen, dat de wereld eens schoon was, nu door den vloek ontredderd wierd, maar eens door de eindcatastrophe in een heerlijkheid zal ingaan, die nog hooger staat dan het oorspronkelijk paradijsschoon, dan heeft de kunst de mystieke taak, om door het heimwee naar het verloren schoon tot de vooruitgenieting der komende heerlijkheid op te klimmen. Welnu, die laatste is metterdaad de Calvinistische belijdenis. Scherper dan de andere |150| richtingen heeft ze het diep bederf der zonde erkend; om dit bederf meetbaar te maken, hoog de paradijsnatuur in de oorspronkelijke gerechtigheid gesteld; en uit dit bederf een verlossing geprofeteerd, die eenmaal op de volle genieting van Gods heerlijkheid zou uitloopen. En op dat standpunt nu kon de kunst niet anders zijn dan een gave van den Heiligen Geest aan ons geslacht, om ons in en achter het ingezonken leven een rijken, heerlijken achtergrond te doen ontdekken, die heenwijst naar een realiteit, waarin eens alle gevolg van zonde en vloek zal overwonnen zijn. Staande bij den bouwval van de eens zoo wonderschoone schepping, toont dan de kunst ons én de lijnen van het oorspronkelijk bestek, én wat de Opperste Kunstenaar en Bouwmeester ons eenmaal nieuw uit dien bouwval zal scheppen.

En blijkt alzoo op dit hoofdpunt Calvijns opvatting in juiste overeenstemming met het Calvinistisch belijden te zijn, geheel hetzelfde geldt van wat ik straks in de eerste plaats noemde. Is en blijft Gods Souvereiniteit het uitgangspunt voor geheel de richting van het Calvinisme, dan kan kunst niet uit den Booze zijn, want Satan schept niets; al wat hij vermag is goede gaven Gods misbruiken. En ook kan dan de kunst evenmin uit den mensch zelf zijn, want als creatuur kan de mensch met niets anders werken, dan met de krachten en gaven, die God hem verleent. Is en blijft God Souverein, dan kan de kunst niet anders tooveren dan naar de ordinantiën door God haar gesteld, toen Hij zelf als Opperste Kunstenaar deze wereld tot aanzijn riep. En ook, is en blijft God Souverein, dan deelt Hij ook deze gaven uit aan wie Hij wil, eerst zelfs aan Kaïns, en niet aan Abel’s geslacht, niet alsof de kunst Kaïnitisch ware, maar opdat wie de hoogste gaven verzondigd had, althans in de mindere gaven der kunst, gelijk Calvijn het zoo schoon uitdrukt, een »blijk zou bezitten van zijn goeddadigheid.” Dat nu dit kunnen, dit kunstvermogen, in de menschelijke natuur bestaan kan, danken we aan onze schepping naar den beelde Gods. In de reëele wereld schept God alles, daarin is alleen Zijns het kunnen, en deswege blijft Hij de Opperste Kunstenaar. Hij als God is alleen de Oorspronkelijke, wij zijn niets dan dragers van zijn beeld. Ons kunnen, óns vermogen, óns nascheppen van het |151| scheppen Gods, kan daarom alleen in een schijnrealiteit bestaan, en alleen in dien zin is het, dat de mensch op kunstgebied, ook op zijn manier als schepper optreedt, om in de bouwkunst zich een kosmos, in de beeldhouwkunst de vormen, in de schilderkunst het door lijn en tint bezielde leven, in de toonkunst het mystieke, in de dichtkunst het bewuste leven voor oog en oor te tooveren, door God daartoe aangedreven en van God daartoe bekwaamd. En dit alles rust op de erkentenis, dat het schoon niet onze inbeelding, niet onze subjectieve gewaarwording is, maar dat het Schoone objectief bestaat, en uitdrukking is van die Goddelijke volkomenheid, die in heel de schepping uitkwam, toen God zag „dat het alles goed was,” opdat zijn welbehagen zich daarin verlustigen zou. Denk u alle menschenoog gesloten en alle menschenoor toegestopt, dan nog blijft het schoone en God ziet het hoort het, want niet alleen zijne „eeuwige kracht,” maar ook zijn „Goddelijkheid” wordt van de schepping af in zijne schepselen verstaan en doorzien, en die „Goddelijkheid” is juist de zuivere harmonie, de zuivere evenredigheid van het schoone. Dat merken we ook aan ons zelf, want is in ons een kunstoog en dáárom kunstvermogen, dan moet wel het absolute kunstoog in God zelven zijn, wijl in ons niets zijn kan dan wat we in den beelde Gods uit Hem ontvingen. Dat weten we evenzoo uit de schepping die ons omringt, uit het firmament, dat zich over ons welft, uit de weelde der natuur om ons heen, uit de vormenweelde in mensch en dier, uit het geklots van den stroom en uit den zang van den nachtegaal, want al dit schoon hoe kan het geschapen zijn anders dan door Een die zelf het schoon in zijn Wezen draagt, en door zijn Goddelijke deugden het voortbracht? En zoo ziet ge, hoe uit de erkentenis van de souvereiniteit Gods, in verband met onze schepping naar den beelde Gods, vanzelf en natuurlijk die hooge opvatting van den oorsprong, het wezen en de roeping der kunst voortvloeit, die we in Calvijns uitspraak vonden, en die nog u toespreekt in den heiligen kunstzin van uw hart. De wereld der tonen, de wereld der vormen, de wereld der kleuren en de wereld der dichterlijke ideeën, ze kunnen niet anders dan uit God zijn, en alleen wie Zijn beelddrager is, verstaat ze en kan ze genieten.

*

|152| En zoo kom ik dan vanzelf op het derde of laatste punt dat ons te onderzoeken staat. Eerst toonde ik u aan dat de onthouding van een eigen kunststijl niet tegen het Calvinisme, maar juist voor zijn hoogeren trap van ontwikkeling pleit. Daarna liet ik u zien, wat hooge opvatting omtrent het wezen der kunst uit de Calvinistische belijdenis voortvloeit. Thans ga ik u aantoonen op wat doortastende wijs het Calvinisme den bloei der kunst èn principieel èn concreet bevorderd heeft.

En dan zij er in de eerste plaats op gewezen, dat het Calvinisme de kunst mondig heeft verklaard door ze te ontheffen van de kerkelijke voogdij. Dat de Renaissance gelijke strekking had, betwist ik niet, maar bij de Renaissance ging dit met te eenzijdige voorliefde voor de Paganistische kunstwereld gepaard en onder het inroepen van meer Heidensche dan Christelijke ideeën. Het Calvinisme daarentegen, hoezeer ook voor de vrijmaking van de kunst met de Renaissance saamwerkend, deed dit uitgaande van de Christelijke beseffen, en was ter verwering dier beseffen scherper dan eenige andere godsdienstvorm tegen alle Paganistisch inkruipsel gekant. Om tegenover de oudere Christelijke kerk niet onbillijk te zijn, voegt hier intusschen een iets breedere beschouwing. De Christelijke Religie is opgetreden te midden van een uiterlijk hoog beschaafde, maar innerlijk geheel verkankerde wereld, die dweepte met Heidensche kunst. Om met kracht beginsel tegen beginsel te stellen moest ze dus wel beginnen met de overschatting van de kunst tegen te gaan, ten einde de ongelooflijke kracht die het Heidendom in zijn stuiptrekking juist aan die schoone kunstwereld ontleende, te breken. Tot tijd en wijle de worsteling op leven en dood met het Heidendom beslecht is, is de houding die het Christendom tegenover de kunst aanneemt, dan ook bijna wantrouwend. Schier onmiddellijk daarop nu volgde de instrooming in het hoog beschaafde Romeinsche rijk van de nog weinig beschaafde Germaansche volksstammen, wier spoedig gevolgde kerstening reeds in de achtste eeuw de toongevende macht uit Italië naar benoorden de Alpen verplaatst had. Dit gaf aan de kerk een door niets opgewogen overwicht, en tegelijk een ernstige roeping. Dank zij deze constellatie toch, had zij als voogdesse over alle menschelijk leven op te treden, |153| en van die hooge taak heeft ze zich gekweten op zoo uitnemende wijze, dat zelfs religiehaat en partijstrijd het niet meer waagt aan den roem, dien ze zich verwierf, te knagen. Het kon metterdaad niet anders, of alle menschelijke ontwikkeling moest in die periode door de kerk gevoed en geleid worden. Er kon geen wetenschap, er kon geen kunst opbloeien, of de kerk moest ze dekken met haar schild. En zoo is dan ongedwongen en vanzelf die specifiek Christelijke kunst ontstaan, die in haar eerste aandrift het maximum van geestelijke expressie moest intooveren in het minimum van vorm en tint en toon. Een kunst niet van de natuur afgezien, maar uit de sferen des hemels ingeroepen, die de muziek in den Gregoriaanschen boei sloeg, met penseel en beitel akosmische scheppingen najoeg, en feitelijk alleen in den bouw van haar kathedralen onvergankelijken kunstroem heeft ingeoogst. Alle opvoedende voogdij intusschen werkt aan eigen vernietiging. Een goed voogd streeft er zelf naar, zoo spoedig het kan, zijn voogdij overbodig te maken, en poogt hij, in strijd hiermeê, ook als mondigheid intrad, zijn voogdij te bestendigen, dan ontstaat er onnatuur en prikkelt de voogdij tot verzet. Toen dan ook de eerste opvoeding der volkeren voltooid kon heeten, en de kerk nochtans haar hoogheid over heel het gebied des levens bleef uitstrekken, is er achtereenvolgens van vier zijden tegelijk roering en beweging ontstaan, op kunstgebied in de Renaissance, op politiek gebied in het Republicanisme van Italië, voor wat de wetenschap aangaat in het Humanisme, en ten slotte centraal voor wat de Religie betreft, in de Reformatie.

Deze vier bewegingen ontvingen haar aandrift ongetwijfeld uit zeer uiteenloopende, vaak tegenstrijdige beginselen, maar toch waren ze alle hierin één, dat ze ontkoming aan de kerkelijke voogdij bedoelden, en een levensuiting nastreefden uit eigen zelfstandig besef. Dat ge deze vier machten in de zestiende eeuw zoo telkens saâm in bond ziet optreden, heeft dan ook niets dat verwondering baart. Het was het ééne menschenleven, dat den voogdijband ontwassen was, en daarom drong en perste naar vrijer ontwikkeling, en waar nu de oude voogdesse met hand en tand de mondigverklaring zocht tegen te houden, was het natuurlijk, dat men over |154| en weer elkaâr ter vrijmaking steunde. Zonder die verstandhouding zou de voogdij over heel Europa bestendigd en na het ondernomen verzet verergerd zijn; dank zij die samenwerking, is het verzet met verwerving van volledige mondigheid bekroond, en mag geroemd, dat van die ure af én kunst én wetenschap én staatkunde, én Religie zijn vrijgemaakt.

Zal men nu daarom zeggen mogen, dat het Calvinisme wel de Religie, maar niet de kunst heeft bevrijd, en dat de eere van de vrijverklaring der kunst moet gelaten aan de Renaissance? En dan beaam ik dit laatste volkomen voor wat aangaat de innerlijke kracht waarmeê de kunst zelve voor haar vrijheid opkwam. Het aesthetisch genie, als ik mij zoo mag uitdrukken, was door God zelf in den Griekschen geest gelegd, en alleen door de grondkrachten, die dit Grieksch genie aan het licht bracht, weer met blij gejuich binnen te laten, kon de kunst haar aanspraak op een zelfstandig bestaan bewijzen. Zonder meer echter zou dit nimmer tot de ingewachte vrijmaking geleid hebben. Immers de toenmalige kerk verzette zich tegen de toelating van dit klassieke kunstelement in het minst niet. De Renaissance werd niet aan de deur afgewezen, maar binnengelaten. Welhaast verrijkte de Christelijke kunst zich met het beste wat de Renaissance te bieden had, en in de dusgenaamde Cinquecento of hoog-Renaissance zijn het Bramante en Da Vinci, Michael Angelo en Rafaël, die den splendor ecclesiae met een kunstschat verrijkten, die eenig en onnavolgbaar, laat staan overtrefbaar is te noemen. Zoo bleef de oude band kerk en kunst verbinden, en die band vanzelf een duurzaam patronaat vestigen. Voor een wezenlijke vrijmaking der kunst was uit dien hoofde nog iets geheel anders noodig. De kerk moest uit beginsel naar het geestelijk terrein worden teruggedrongen, ook de kunst die zich in heilige sferen bewoog, moest in het maatschappelijke leven zelf optreden, en de Religie moest in de kerk haar symbolisch gewaad afleggen, juist om, na die verheffing tot hooger geestelijken trap, heel het leven te kunnen doorademen. Het is metterdaad gelijk Von Hartmann het zegt: „Het is de zuiver geestelijke Religie, die wel met de ééne hand aan den kunstenaar zijn specifiek godsdienstige kunst ontneemt, maar die hem in ruil |155| hiervoor met de andere hand een geheele wereld biedt, die religieus doorademd is” 12). En zulk een zuiver geestelijke Religie nu is door Luther wel nagejaagd, maar toch eerst door het Calvinisme gegrepen. Eerst dank zij het Calvinisme is met den splendor ecclesiae, d.i. met haar uitwendige schittering gebroken, gebroken met haar onmetelijk kerkbezit, dat de kunst geldelijk geboeid hield, en gebroken ook met dat uitwendig machtsvertoon, dat niet kon rusten eer het alle uiting van menschelijk leven aan zich onderwierp. En zij het nu al, dat ook het Humanisme dit drukkende en onnatuurlijke kerkelijk wezen bestreed, toch kon het Humanisme, denk slechts aan Erasmus, dit nimmer met hope op goed gevolg doen. Immers de triomf was hier weggelegd niet voor wie zelf op Religieus gebied slechts negatief den strijd aanbond, maar alleen voor hem die de symbolische religie door het opklimmen tot een hooger religieus standpunt, te boven kwam. En daarom mag zonder vrees voor overdrijving beweerd, dat het Calvinisme ten slotte den doorslag heeft gegeven en dat eerst, dank zij zijn taaie volharding, aan de voogdij der kerk over heel ons menschelijk leven, en zoo ook aan haar voogdij over de kunst, een einde is gemaakt.

Intusschen geef ik voetstoots toe, dat deze uitkomst bloot toevallig zou geweest zijn, indien geen diepere opvatting van het menschelijk leven, en zoo ook van de kunst, hierbij in het spel ware geweest. Toen Italië onder Victor Emanuël, met hulp van Garibaldi, werd vrijgemaakt, sloeg de ure der vrijheid ook voor de Waldenzen in Midden- en Zuid-Italië, maar zonder dat óf de Re galantuomo óf Garibaldi dit hadden bedoeld. Zoo kon het dus ook zijn, dat het Calvinisme in zijn worsteling voor menschelijke vrijheid, feitelijk ook den band had los gemaakt, die dusver de kunst geboeid hield, maar zonder zulks krachtens zijn beginsel te hebben gewild. Nog op een tweede iets moet ik u daarom wijzen, waardoor het pleit eerst beslecht wordt. Reeds herhaaldelijk vestigde ik uw aandacht op de hooge beteekenis van het leerstuk der »algemeene genade”, en ook hier, bij de kunst, kom ik daarop terug. Wat kerkelijk zal zijn moet het geloofsstempel dragen en Christelijke |156| kunst kan alleen van geloovigen uitgaan. Zoek ik dus in een specifiek Christelijke kunst de eigenlijke, de ware kunst, dan spreek ik hiermeê uit, dat de edele kunstgave alleen het deel van de geloovigen is. Daartegenover echter spreekt Calvijn het nu uit, dat de artes liberales gaven zijn, die God »promiscue piis et impiis” 13) d.i. door elkaâr en onverschillig aan geloovigen en niet-geloovigen heeft toebedeeld, ja die blijkens de historie zelfs in milder mate juist buiten den geloofskring geblonken hebben. »De uitstraling van het Goddelijk licht,” zegt hij, »greep naar de ervaring ons leert, vaak juist het krachtigst plaats in ongeloovige volken« 14). En dit nu juist keert de orde van zaken om. Bindt ge het hooge kunstgenot aan de wedergeboorte, dan is deze gave uitsluitend het deel der geloovigen, en moet ze kerkelijk blijven. Ze vloeit dan uit de particuliere genade. Maar oordeelt ge, met de ervaring der historie voor oogen, dat ook het hoogste kunstgenie tot de natuurlijke gaven behoort, en alzoo tot die uitnemendheden, die, in weerwil van de zonde, door de algemeene genade in onze menschelijke natuur bleven uitblinken, dan volgt hieruit, dat de kunst beiden geloovigen en ongeloovigen bezielen kan, en dat God vrijmachtig blijft om ze onder Heiden- en Christenvolken uit te deelen naar zijn vrijmachtig welbehagen. Dit geldt dan niet alleen van de kunst maar van alle natuurlijke uitingen van het menschelijk leven, gelijk dit bij name uitkomt, zoo ge in de oudheid Israël met de volken vergelijkt. Wat het heilige betreft, is Israël uitverkoren, en niet slechts boven alle volken, maar alleen onder alle volken gezegend. In het stuk der Religie bezit Israël niet slechts meer, maar alleen de waarheid, en gaan alle andere volken, zelfs de Grieken en Romeinen, onder de heerschappij der leugen gebukt. De Christus is niet deels uit Israël en deels uit de volken, maar uit Israël alleen. De zaligheid is uit de Joden. Maar zoo rijk als Israël op godsdienstig gebied schittert, zoo verbleekt zijn gelaat, als ge zijn kunstontwikkeling, zijn wetenschappelijke ontwikkeling, zijn latere rijks- en staatsontwikkeling, de ontwikkeling van |157| zijn handel en nijverheid met die der omliggende volken vergelijkt. Dat Hiram uit het Heidenland naar Jeruzalem moest komen, om Sions tempel te bouwen, is hier welsprekend. Een Salomo, in wien de wijsheid Gods was, wist niet alleen, dat Israël op bouwgebied achterstond, maar erkende dit door van elders hulp in te roepen, en toonde ons door heel zijn doen dat Hirams komst niet een gemis verried waarover hij zich schaamde, maar een natuurlijk iets was, dat in Gods bestel lag opgenomen.

Welnu, hiermede in overeenstemming, en op grond zoo van het getuigenis der Schrift als van de Historie, is het Calvinisme tot de erkentenis gekomen, dat de ongeloovige volken wel buitenstaan, waar het Heiligdom zich ontsluit, maar dat ze niettemin hun eigen beteekenis in de Historie hebben, dat ze een eigen roeping van Godswege ontvingen, en dat ook hun bestaan als noodzakelijk opgenomen is in het wereldplan. Voor elke uiting van menschelijk leven is een eigen aanleg in bloed en afstamming, er zijn schikkingen, eigen schikkingen ook van lot en gebeurtenis noodig, noodig zelfs een eigen omgeving van de natuur en een eigen invloed van het klimaat. Dit alles was dan ook bij Israël aangelegd op het heilig pand dat het in de Goddelijke openbaring zou ontvangen. Maar was alzoo Israël uitverkoren voor de Religie en den triomf van het Godsrijk, dit belette in het minst niet dat het Grieksche volk door God was uitverkoren voor het wijsgerig leven en de kunstopenbaring, en dat evenzoo de Romeinen van God uitverkoren waren, om ons een klassieke ontwikkeling te geven op het gebied van het recht en den staat. Ook het kunstleven heeft zijn voorloopige ontwikkeling en zijn latere ontplooiing, maar om te krachtiger te kunnen opbloeien moest het ook zijn centrale ontwikkeling tot helder zelfbewustzijn brengen, om de onveranderlijke grondslagen te ontdekken van haar ideëel bestaan. Tot zulk een zelfopenbaring komt zulk een verschijning in het leven slechts éénmaal, en is die openbaring gevonden, dan blijft deze klassiek, toongevend en voor altoos heerschend, en moge de verdere kunstontwikkeling dan al nieuwer vormen en rijker materie zoeken, in het wezen blijft de oorspronkelijke vinding onveranderlijk. Zoo kon het dus niet alleen, maar zoo moest het |158| Calvinisme erkennen dat het Grieksche volk het primordiale kunstvolk bij Godes gratie was geweest, dat de kunst, juist dank zij die klassieke ontwikkeling, een zelfstandige uiting van ons menschelijk leven was gebleken; en dat ze dus wel óók de Religie in zich op had te nemen, maar dat ze daarom nog volstrekt niet, in afhankelijken zin, op den kerkelijken stam, of wilt ge op den stam des geloofs, mocht worden geënt. De Renaissance als terugkeer van de kunst naar haar weer ontdekte grondlijnen deed zich uit dien hoofde aan het Calvinisme voor, niet als een zondig, maar als een van God verordend streven, dat het niet bloot toevallig, maar welbewust en opzettelijk in de hand heeft gewerkt.

Er is dus geen sprake van dat het Calvinisme, alleen als ongewild gevolg van zijn verzet tegen de Hiërarchie, tevens de vrijmaking van de kunst zou bevorderd hebben. Veeleer eischte het die vrijmaking en moest het die in eigen kring tot stand brengen, op grond van zijn geheele wereld- en levensbeschouwing. De wereld is niet een verloren planeet, die voortaan alleen dienst doet, om aan de kerk een plaats te beiden waar ze als strijdende kerk vertoeven zal, en de menschheid is niet een doellooze menschenmassa, die alleen dienst doet om de uitverkorenen te doen geboren worden. Integendeel is die wereld het schouwtooneel van Gods machtige werken, en die menschheid een schepping van zijn hand, die, ook afgezien van eigen zaligheid, en van wat de toekomst brengen zal, hier, in dit tijdelijke, een machtig proces doorloopt, en in dat proces van historische ontwikkeling Gods naam verheerlijken moet. Daartoe heeft Hij voor die menschheid allerlei onderscheidene levensuitingen besteld, en onder die levensuitingen neemt ook de kunst een zelfstandige plaats in. Die kunst openbaart ons scheppingsordinantiën, die noch wetenschap, noch staatsbeleid, noch religieus leven, noch zelfs de Religie geven kan. Ze is een plant die groeit en bloeit op eigen wortel, en zonder nu te ontkennen, dat ook deze plant tijdelijk steun en stut kan behoeven, en dat de kerk haar in vroeger dagen dien steun op kostelijke wijze geboden heeft, eischte toch het Calvinistisch beginsel, dat ook die plante der kunst ten leste kracht zou winnen, om, zonder stut, op eigen stam haar kroon omhoog te heffen, en erkende het, dat de wet |159| van existentie en groei voor deze plant der kunst het eerst en het helderst door den Griekschen kunstenaar is ingezien, zoodat deswege alle hoogere kunst steeds weer aan die klassieke ontwikkeling haar zuivere aandrift heeft te ontleenen. Niet, ik kom daar zoo straks op, om bij Griekenland te blijven staan, of ook zonder critiek haar Paganistische verschijning over te nemen. Ook de kunst blijft niet bij haar oorsprong toeven, maar heeft zich steeds rijker te ontwikkelen, en tegelijk bij die rijker ontwikkeling uit te zuiveren wat zich valschelijk in haar opbloeien gemengd had. Alleen maar de wet van haar groei en bloei moet kunstwet blijven, niet van elders haar worden opgelegd, maar uit haar eigen wezen gekend worden, en in die ontbinding van onnatuurlijke en in die aanbinding van natuurlijke banden moest ook voor de kunst de ware vrijheid worden gezocht. En wie nu denken mocht dat deswege het Calvinisme het heilig gebied der Religie aan wetenschap en kunst ontrooven wilde, dien zij gezegd, dat juist het Calvinisme deze beide levensmachten heel ons menschelijk leven wil laten ontvangen. Er moet zijn, een Wetenschap die niet rust eer zij gansch den kosmos heeft doorgedacht. Een Religie die niet stil kan zitten eer ze heel het menschelijk leven doordrongen heeft. Maar zoo dan ook een Kunst die geen enkel terrein des levens versmaadt, en daarom heel het menschelijk leven, en dus ook het nietigste in dit leven, in haar kunstwereld opneemt.

*

Vorme die rijke uitbreiding van het gebied der kunst mij tevens den gereeden overgang tot de laatste opmerking, waarvoor ik uw aandacht vraag, t.w. dat het Calvinisme ook feitelijk en in concreten zin de ontwikkeling van de kunsten bevorderd heeft. Hierbij nu behoeft wel nauwelijks gezegd, dat het Calvinisme ook op kunstgebied niet den toovenaar kon spelen, en niet anders werken kon, dan met natuurlijke gegevens. Dat de Italiaan een zangeriger keel ontving dan de Schot, en de Duitscher door stormachtiger zangdrift beheerscht wordt dan een Nederlander, zijn onloochenbare gegevens, waarmeê de kunst evengoed onder Romes heerschappij als onder de heerschappij van het Calvinisme te rekenen had. |160| Reden waarom het noch logisch, noch naar eerlijke rechtspraak is, zoo men aan het Calvinisme verwijt, wat rechtstreeks voortvloeit uit het verschil in volksaard. Even weinig kan het bevreemden, dat het Calvinisme in onze Noordelijke landen geen marmer, porphyr of arduinsteen uit den grond kon tooveren, en dat deswege de bouw- en beeldhouwkunst, die rijke natuursteen als stoffe behoeven, zich gereeder ontwikkelden in landen waar de steengroeve dezen schat uitlevert, dan in een land als Nederland, dat rust op klei en slib. Dichtkunst, toonkunst en schilderkunst, de drie geheel vrije en van alle natuurlijke gegevens meest onafhankelijke kunsten, zijn uit dien hoofde de eenige, die hier in aanmerking komen. Niet alsof onze stadhuisbouw geen eigen plaats der eere onder de scheppingen der architectoniek zou innemen. Leuven en Middelburg, Antwerpen en Amsterdam weten nog te getuigen van wat eens Nederlandsche kunst uit steen gewrocht heeft. En ook wie Quellinus’ en De Keyzers beelden te Antwerpen en op het graf van Willem den Zwijger mocht genieten, loochent de kunstvaardigheid van deze mannen van den beitel niet. Maar hier staat tegenover, dat onze stadhuisbouw lang vóór het Calvinisme optrad en ook in zijn latere ontwikkeling geen enkelen trek vertoont, die aan het Calvinisme herinnert. Het Calvinisme dat krachtens zijn beginsel noch cathedralen stichtte, noch paleizen bouwde, noch om amphitheaters riep, kon geen machtige architectonische scheppingen doen verrijzen, en kon dus evenmin drang wekken om de ledige nissen van zoo reusachtige gebouwen te bevolken met scheppingen der beeldhouwkunst. De verdienste van het Calvinisme voor de kunst ligt dan ook elders, niet in de objectieve, maar uitsluitend in de meer subjectieve kunsten, die zonder den steun van millioenen schats en zonder hulp van de marmergroeve, vrij opbloeien uit ’s menschen geest. Van de dichtkunst zwijg ik daarbij. Anders toch zou ik in de eerste plaats op onze Nederlandsche Dichtkunst moeten wijzen, en reeds het eng beperkt gebied onzer taal sloot onze dichtkunst van de wereld af. Wat uitnemende dichters in meerdere scholen te gelijk ook onder ons zijn opgestaan, hun invloed moest nationaal begrensd blijven en kon deswege op de dichtkunst als wereldverschijnsel niet inwerken. |161| Dit voorrecht is slechts voor zeer enkele volken weggelegd, wier taal voertuig werd voor het internationaal verkeer. Maar is het taalgebied voor kleinere volken nationaal beperkt, het oog is internationaal, en de muziek die het oor opvangt, wordt door het hart van al wie mensch heet verstaan. En daarom wie den invloed van het Calvinisme op de ontwikkeling en de bloei der kunst wil naspeuren, heeft in internationalen zin zich tot dit tweetal kunsten te bepalen, en zich af te vragen wat het Calvinisme én voor de schilderkunst én voor de wereld der tonen is geweest.

En dan geldt voor beide deze kunsten deze ééne gedachte, dat ze, eer het Calvinisme optrad, hoog boven het volksleven zweefden, en eerst onder den invloed van het Calvinisme tot het rijke volksleven zijn afgedaald. Van de muziek toon ik u dat in het slot mijner lezing opzettelijk aan, en van wat de schilderkunst aangaat kan ik volstaan met de herinnering aan wat in de zestiende en de zeventiende eeuw door de Nederlandsche kunstschool met penseel en naald getooverd is. Rembrandts naam alleen roept u hier een wereld van kunstschatten voor den geest. Nog wedijveren de musea van alle landen en werelddeelen om elkander tegen ongelooflijke sommen gelds wat er uit die schatten vrij komt, af te snoepen. Zelfs de beursman in Wallstreet heeft eerbied voor een kunstschool, wier oogst zoo hoog loopend kapitaal vertegenwoordigt. En nu nog zoeken de uitnemendste schilders hun motief en hun kunstrichting in wat destijds als geheel nieuwe kunstschepping de wereld verbaasd heeft. Natuurlijk moet ge daarbij niet vragen of al deze schilders persoonlijk van onberispelijke Calvinistische belijdenis waren. Ook in de schilderschool, die onder Romes invloed, aan de onze voorafging, waren de „bons Catholiques” vaak zeldzaam. Zulk een geestesinvloed werkt niet persoonlijk, maar drukt zijn stempel af op omgeving en samenleving, op de wereld van gewaarwordingen, van voorstellingen en gedachten, en het is uit dit geheel van impressies dat zulk een kunstschool geboren werd. En zoo nu beschouwd is de tegenstelling met het verleden in de Nederlandsche Schilderschool onmiskenbaar. Het volk telde eertijds niet meê, meê telde alleen wie hoog boven het volksleven |162| uitstak, de hooge wereld der kerk en de hooge wereld van ridders en vorsten. Maar sinds was het volk mondig geworden, en het is onder de auspiciën van het Calvinisme dat het als profetie van democratisch leven der nieuwere tijden, het eerst deze mondigheid geproclameerd heeft. Het huisgezin hield op een annexe van de kerk te zijn, en trad in zijn zelfstandige beteekenis te voorschijn. Onder den glans der algemeene genade bleek ook het buitenkerkelijke leven hooge belangrijkheid en alzijdig kunstmotief te bezitten. Na eeuwenlang onder den indruk van het hoogere te hebben weggescholen, kwam het gewone menschenleven in al zijn nuchtere werkelijkheid, als een nieuwe wereld uit zijn schuilhoek te voorschijn. Het werd één breede emancipatie van ons gewone aardsche leven, en de vrijheidszin die hiermeê het hart der volken veroverde, had er lust in te genieten van zijn eertijds zoo blindelings verwaarloosden schat. Zelfs Taine 15) heeft dezen zegen die van den Calvinistischen vrijheidszin naar het kunstgebied uitging, geroemd, en Carrière 16) die zelf evenmin Calvinist was, roept het luide uit, hoe alleen het Calvinisme in staat was, om voor de vrije schoonheid den akker om te ploegen, waarop ze bloeien zou.

Zelfs is meer dan ééns opgemerkt hoe de rijke gedachte eener Uitverkiezing uit louter genade er het hare toe bijdroeg, om het oog van den kunstenaar voor de belangwekkende beteekenis van het kleine en schijnbaar nietige te ontsluiten. Zag God niet aan wat voor oogen is, maar het hart, lag hierin dan geen vingerwijzing voor den kunstenaar, om het gewone en het alledaagsche te bespieden, onder dit alledaagsche de bewegingen en roerselen van het menschelijk hart na te speuren, en het ideale dat hierin school met zijn kunstzin te grijpen, om straks met de kunst van zijn penseel voor heel de wereld zichtbaar te maken wat zijn kunstzin er in ontdekt had? Zelfs de dwaasheid, en tot het drastische in dit menschelijk leven toe, werd nu, omdat het toch uit dat wondere, zij het al bedorvene menschelijk hart opkwam, motief voor kunstreproductie. Den mensch moest |163| ook het beeld zijner verdwaasdheid vertoond worden of hij van zijn verdwazing zich mocht afwenden. Had men voorheen uitsluitend de geidealiseerde gestalten van profeten en apostelen, van heiligen en priesters op het doek gebracht, als God den gemeenen poorter en den daglooner verkoor, moest ook de kop, de figuur, geheel de wezensuitdrukking van den man uit het volk gaan boeien en de menschelijke persoonlijkheid in alle rangen en standen worden overgebracht op het doek. En zoo ook, had men vroeger aller blik èn volstandig èn eeniglijk gericht op het lijden van den Man van smarten, nu ontwaarde men dat er een lijden ook in de gemeene ellende doorworsteld werd, hetwelk de interessantste mysteriën van het menschelijk hart deed uitkomen en ons het breede kader des lijdens toonde, dat ons in nog heiliger diepte de geheel eenige beteekenis van Golgotha deed verstaan. Geen kerkmacht leidde den kunstenaar nu meer, geen geldmacht uit het paleis bond hem. Het was de kunstenaar als mensch, die vrij onder menschen omwandelend, heel iets anders en veel rijkers in en achter dat menschelijk leven ontdekte dan de diepste zieners op het gebied der kunst eertijds ook maar van verre gegist hadden. Voor Rembrandt school, gelijk Taine zoo zinrijk opmerkt, dat leven achter zijn sombere tinten, maar juist in dat chiaroscuro greep hij dat leven zoo zeldzaam werkelijk en innig waar. En zoo werd dan, dank zij de mondigverklaring der volkeren, dank zij den vrijheidszin dien het Calvinisme in het hart der volkeren deed ontwaken, in dat gewone, maar zoo rijke menschelijke leven voor de kunst een geheel nieuwe wereld ontsloten, en het is uit den rijken inhoud dier nieuw ontdekte wereld, dat de Nederlandsche schilderschool, door een oog voor het kleine en onbeduidende, door een hart voor het lijden van de menschheid te hebben, dien wonderen kunstschat op het doek heeft gebracht, die nu nog haar roem vereeuwigt, en den weg tot nieuwe kunstverovering voor alle volken ontsloten heeft.

*

En nu dan ten slotte de beteekenis van het Calvinisme voor de muziek, een uitnemendheid die minder bekend, maar daarom |164| niet minder hoog van beduidenis is, gelijk Douen in zijn twee dikke octavo-deelen 17) ons dit voor nu tien jaar verklaard heeft. Muziek en schilderkunst loopen hier evenwijdig. Gelijk in de kerkelijk-aristocratische periode alleen het hooge en heilige de meesters van het penseel boeide, zoo heerschte op muzikaal gebied de zeker diepe, maar eentonige cantus planus of plain chant van Gregorius, die den rythmus verzaakte, de harmonie niet kende, en door zijn aanvankelijk conservatief karakter, naar een kunstkenner getuigde, aan alle ontwikkeling van de toonkunst in den weg stond 18). Laag beneden die plechtige toonkunst sloop in de volkskringen een vrijer zang rond, die vaak aan den Venusdienst zijn bezieling ontleende, en tot ergernis der betere kerkvorsten, met name op het dusgenaamde „ezelsfeest” tot binnen de kerkwanden doordrong, en aanleiding gaf tot die stuitende tooneelen, waaraan eerst het Concilie van Trente paal en perk heeft gesteld 19). De kerk alleen mocht de golven der tonen doen ruischen, wat het volk musiceerde werd beneden de waardigheid der kunst gerekend, en zelfs in het bedehuis moest het volk de muziek wel aanhooren, maar zelf meêzingen mocht het niet. Zoo bleef de muziek als kunst een zelfstandige positie derven. Alleen voor zooverre ze de kerk dienen wilde, kon ze als kunst bloeien. Wat ze op eigen erf wagen dorst, verhief zich niet boven populair gebruik. En gelijk nu op elk terrein des levens het Protestantisme in het gemeen, maar consequent alleen het Calvinisme, aan de voogdij der kerk een einde maakte, zoo is ook de toekomst voor haar vrijmaking en voor de ontsluiting van den weg tot haar geheele moderne ontwikkeling aan het Calvinisme dank verschuldigd. Het zijn toch de toonzetters van het Calvinistisch Psalmgezang geweest, die het |165| eerst den moed grepen, om zich van den band van den Cantus firmus los te maken, hun melodieën uit de vrije tonenwereld zelve grepen, en hierbij wel op het volksgezang teruggingen, maar om het, gelijk Douen zegt, gezuiverd en gedoopt in den Christelijken ernst aan het volk terug te geven. Ook de muziek zou voortaan bloeien niet onder de knellende beperktheid van de particuliere genade, maar in den breeden en den vruchtbaren bodem van de gemeene gratie. Het koor zweeg, het volk zou in zijn bedehuis zelf zingen, en daarom moesten Bourgeois en de Calvinistische virtuosen, die hem ter zijde stonden, wel in de volksmelodie teruggrijpen, maar dan juist, opdat het volk, nu niet in kroeg en op straat, maar in het bedehuis zingen zou, om den ernst van het hart in hun melodieën over den gloed van den hartstocht te doen triomfeeren.

Is dit de algemeene verdienste van het Calvinisme of wel de ommekeer, dien het door het leekendenkbeeld voor het algemeene priesterschap der geloovigen te doen wijken, op muzikaal gebied tot stand bracht, toch eischt historische trouw dat we hierop nog concreter ingaan. Is Bourgeois de groote meester geweest, wiens werken hem nu nog stempelen tot den meest genialen componist van het Protestantsch Europa dier dagen, merk dan tevens op hoe Bourgeois te Genève zelf en als onder de oogen van Calvijn, deels zelfs onder zijn leiding, gewerkt heeft. Deze Bourgeois nu is de man, die het eerst den moed greep om den rythmus, en de vervanging van de acht Gregoriaansche wijzen door de twee van majeur en mineur, uit de volksmuziek op te nemen, haar kunstschoon in het gewijde lied te heiligen, en daardoor het stempel der eere te drukken op die muzikale toonzetting, waaruit heel de moderne muziek is opgekomen. Evenzoo deed Bourgeois met de opneming van de harmonie of het veelstemmig gezang 20). Hij was het die melodie en lied huwde, door de expressie. De solfége, de vermindering van het aantal toonschakeeringen, de klaarder |166| onderscheidingen der verschillende gamma’s, en zooveel meer waardoor de kennis der muziek vergemakkelijkt en uitgebreid werd, het dankt alles aan Bourgeois zijn doorzetting. En toen Goudimel, zijn Calvinistische kunstgenoot en Palestrina’s leermeester 21), het kerkgezang van het volk beluisterde, ontdekte hoe de hooge kinderstem den tenor, die dusver de leiding had, overstemde, was hij het, die het eerst de sopraan de leiding van den tenor liet overnemen, een verandering van verreikenden invloed, die sinds stand hield.

Vergeeft het mij, dat ik een oogenblik tot in deze bijzonderheden moest afdalen, maar de verdiensten van het Protestantisme en van het Calvinisme in het bijzonder staan op muzikaal gebied te hoog, om hier nog langer zonder protest miskenning te dulden. Al is het toch, dat het Calvinisme op velerlei ander kunstterrein slechts zijdelings den bloei der kunst bevorderde, door ze mondig te verklaren en in haar zelfstandig karakter vrij te laten opbloeien, op muzikaal gebied was de invloed van het Calvinisme een zeer positieve, juist, wijl het in zijn geestelijke Godsvereering, waarin voor de andere meer zinlijke kunsten geen plaats was, een geheel nieuwe rol aan zang en toonkunst toewees door het in het leven roepen van het volksgezang. Wat ook de oude school deed om zich aan de nieuwere ontwikkeling aan te sluiten, de moderne ontwikkeling bleef voor den cantus firmus onnatuurlijk, wijl ze sproot uit geheel anderen wortel. Het Calvinisme daarentegen sloot zich niet slechts bij haar aan, maar gaf veeleer onder leiding van Bourgeois en Goudimel op kunstgebied aan die moderne ontwikkeling den eersten stoot, zoodat zelfs Roomsch Katholieke schrijvers huns ondanks moeten erkennen dat de wegsleepend schoone rijkdom, waartoe én de vorige én deze onze eeuw op muzikaal gebied is opgeklommen, goeddeels aan het kettersch kerklied zijn opkomst dankt.

Dat in de latere periode het Protestantisme dezen schoonen aanloop afbrak, moet toegegeven. Een ongezond spiritualisme |167| is uit de anabaptistische kringen ten leste ook onder ons ingeslopen, waartegen thans eerst weer de ban zich richt. Maar als van Roomsche zijde, met algeheele miskenning van dit ons schoon verleden ook op muzikaal gebied, het Calvinisme van aesthetische botheid wordt beschuldigd, dient toch herinnerd, hoe de geniale Goudimel, in den Bartholomeus-nacht, juist door Roomsch fanatisme is vermoord geworden; iets wat vanzelf tot de vraag leidt, of niet het recht verbeurde om over de stilheid in het woud te klagen, wie met eigen hand den nachtegaal ving en vermoord had.




1. G.W.F. Hegel, Encycl. der Phil. Wissenschaft in Grundrissen, Berlin 1845 Th. III, p. 445.

2. Von Hartmann, Aesthetik. Leipzig II. p. 458, 459.

3. Ed. Brunsvig, à 1882. T. XXIII. p. 99.

4. Tom. XXV. p. 58.

5. Ed. Amst. Tom. I. p. 570b.

6. Tom. III, p. 175b.

7. Inst. Relig. Christ. I. IV. § 34.

8. Ed. Brunsv. T. XXII. p. 356.

9. Tom. XXIV. p. 377.

10. Tom. VI. p. 169.

11. Tom. XII. p. 348.

12. Aesthetik II. p. 459.

13. Inst. Rel. Christ. I. IV § 34.

14. Calvini Opera ed. Brunsv. Tom. XX III, p. 99.

15. Taine, Philosophie de l’art dans les Pays Bas. p. 148 II.

16. Carrière, Die Kunst in Zusammenhang mit der Culturentwicklung. IV p. 308.

17. O. Douen, Clément Marot et le Psautier Huguenot. Deux volumes en grand Octavo de 738 et de 713 pages. Paris à l’imprimerie nationale. 1888/9.

18. Le résultat de la conservation perpétuelle d’un système de tonalité, ou de la forme de la gamme, est l’impossibilité du progrès dans l’art. Biographies des musiciens. Introduction p. LV.

19. Conc. v. Trente 22e Sessio, Sept. 1562. Ab ecclesiis vero musicas eas ubi, sive organo, sive canta lascivum, aut impurum quid miscetur, item seculares omnes actiones, vana atque adeo profana, colloquia deambulationes, strepitus, clamores, arceant, ut domus Dei vere domus orationis esse videatur et dici possit.

20. Dat de contrapunctoire toonzetting reeds in de 15de eeuw in de compositiën der kerkelijke school uitblonk, is hiermede natuurlijk in het minst niet ontkend, noch er meê in strijd.

21. Goudimel was een Vlaming, die het eerst te Rome zelf, en onder de oogen van Paus Paulus III, een vrije kunstschool voor leeken opende, en de beste leerling die uit deze school voortkwam was Palestrina.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000