Vierde lezing

Het Calvinisme en de Wetenschap.

In mijn vierde lezing ga ik handelen van het Calvinisme en de Wetenschap. Uiteraard is ook dit onderwerp in zoo vluchtig woord niet uit te putten. Slechts voor vier overwegingen vraag ik daarom uw aandacht; ten eerste, hoe het Calvinisme zin voor wetenschap kweekte en moest kweeken; ten tweede hoe het aan de wetenschap haar gebied terugschonk; ten derde hoe het de wetenschap ontsloeg van onnatuurlijke banden; en ten vierde in wat weg het een oplossing zocht en vond voor het wetenschappelijk conflict.

Allereerst dan: Er schuilt in het Calvinisme drang, prikkel, aandrift tot wetenschap. Zin voor wetenschap is er feitelijk door gekweekt, én moest er krachtens het beginsel door bevorderd worden. Laat mij voor het feit als feit slechts op ééne heerlijke bladzijde uit de historie van het Calvinisme wijzen, om daarna iets langer stil te staan bij den prikkel tot wetenschap, die in het Calvinisme als zoodanig ligt. Die eenig schoone bladzijde, ik zeg niet uit de historie van het Calvinisme alleen, maar uit de geschiedenis der menschheid, die ik daartoe opsla, is het ontzet van Leiden, nog telken jare op den derden October gevierd, toen het, voor nu ruim drie eeuwen, door de Spaansche keurbenden onder Don Louis de Requesens was ingesloten en met moord en plundering bedreigd werd. Heel de toekomst van Europa hing in 1573 aan de vraag, of Spanje dan wel Nederland het winnen zou, want Nederland moest, naar menschelijk oordeel, |103| onverbiddelijk bezwijken, indien na Haarlem ook Leiden door den Spanjaard gewonnen werd. Wat in het beleg van Leiden werd uitgestreden, was de worsteling tusschen Alva en Prins Willem, om den loop, dien de historie der wereld zou nemen; en dat Alva’s troepen ten slotte af moesten druipen en Willem de Zwijger de banier der vrijheid over Europa kon zwaaien, is alleen door dat ontzet van Leiden mogelijk gemaakt. Tegen de beste troepen, van wat toen als het eerste leger der wereld gold, nam Leiden de worsteling op, bijna zonder een soldaat binnen zijn veste; schier alleen door zijn eigen burgers verdedigd. In October 1573 werd het beleg door de Spanjaarden om de benarde veste geslagen, en reeds na drie maanden was er geen brood meer in de stad. Bange hongersnood ging woeden. Met honden en ratten voedde zich de verloren gewaande burgerij. Zoo zwarte honger deed de pest uitbreken, die bijna een derde der bevolking wegraapte. De Spanjaard bood toen aan het wegstervend volk vrede en pardon, maar ook Leiden wist hoe schandelijk het Spaansche woord te Naarden en te Haarlem gebroken was, en antwoordde kloek en fier: Als het moet zullen we onzen linkerarm opeten, om met onzen rechterarm nog onze vrouwen en onze vrijheid en onze religie tegen u, o, tyran, te verdedigen. Zoo hielden ze vol. Alles wachtte, of de macht van den Prins van Oranje tot ontzet zou opdagen, maar . . . de Prins moest wachten op God. In heel Holland waren de dijken doorgestoken, en al het land om Leiden was onder water gezet. Een vloot lag gereed om toe te snellen, maar de wind dreef het water af, en de vloot kon op de ondiepe plassen niet doorkomen. God beproefde zijn volk, Tot eindelijk op 1 October de wind naar het Westen keerde, en de wateren opdreef, dat de vloot er door kon. Toen vlood al wat Spanjaard was voor de aanzwellende wateren. Op 3 October voer de vloot Leiden binnen, en met dat Leiden ontzet was, was Holland en Europa gered. De doodelijk uitgeputte bevolking kon bijna niet meer voort, maar toch strompelden allen als één man naar het bedehuis. Alles viel op de knieën om God te danken. Alleen maar, toen ze ook samen den dankpsalm zingen wilden, was er geen stem meer in de matte keel, en stierf de klank van den zang weg in dankbaar snikken en weenen. |104|

Ziedaar wat ik noemde een eenig heerlijke bladzijde in de met bloed geschreven historie der vrijheid, en vraagt ge mij nu, wat dit met de wetenschap te maken heeft, ziehier dan het antwoord: Als hulde voor zoo dapperen moed is door de Staten van Holland aan Leiden geschonken niet een handvol ridderorden, noch goud, noch eere, maar een School der Wetenschappen, de heel de wereld door vermaarde Leidsche Universiteit. Pratter dan iemand is de Duitscher op zijn wetenschappelijke eere, en toch heeft geen minder dan Niebuhr getuigd, »dat de Senaatszaal te Leiden de meest gedenkwaardige aula der wetenschap is.” De schranderste geleerden werden door hoog inkomen derwaarts gelokt. Scaliger werd in een oorlogsschip uit Frankrijk afgehaald. Salmasius werd door een geheel eskader geëscorteerd. Wat zal ik u de lange lijst van namen noemen van de prinsen der wetenschap, van de vorsten der geleerdheid, wier roem in Leiden geblonken heeft, of u verhalen hoe deze zin voor wetenschap, van Leiden uitstralend, tot heel het volk doordrong. Gij kent de Lipsiussen, de Hemsterhuysen, de Boerhaves; ge weet hoe in Holland de telescoop, in Holland de microscoop, in Holland de thermometer is uitgevonden, en hoe hierdoor eerst ware empirische wetenschap mogelijk is geworden. Het feit, dat het Calvinisme in Nederland zin voor wetenschap kweekte, wordt dan ook door niemand betwist. Maar het meest afdoend, het aangrijpendst bewijs ligt daarvoor toch in de stichting van Leidens Academie. Op een oogenblik, dat men in bange doodsworsteling de historie der wereld haar loop heeft doen keeren, als hoogsten prijs een Universiteit der Wetenschappen te ontvangen, is niet denkbaar dan onder een volk, dat in zijn levensbeginsel zelf de liefde voor de wetenschap op het hart draagt.

Thans kom ik tot dat beginsel zelf. Want niet alleen het feit dient erkend, maar ik heb u ook te doen zien, waarom het Calvinisme zin voor wetenschap moest kweeken. En zie nu niet vreemd op, zoo ik u daartoe op het Calvinistisch dogma van de praedestinatie wijs, als voor wetenschap in hoogeren zin de destijds sterkste drijfveer. Doch dan zij over hetgeen we onder wetenschap te verstaan hebben vooraf ook een dreigend misverstand weggenomen. |105|

Ik spreek van de menschelijke wetenschap als één geheel. Niet van wat men onder u wel noemt de »sciences”, zooals ook de Franschen spreken van »sciences exactes”. Vooral betwist ik, dat bloote empirie op zichzelf ooit voltooide wetenschap zou kunnen zijn. Zelfs het fijnste microscopisch, het verst-reikend telescopisch onderzoek is nog niet anders dan waarneming met versterkt oog, en tot wetenschap klimt ge uit de aldus waargenomen verschijnselen dan eerst op, als ge in dat bijzondere de wet van het gemeene ontdekt, en alzoo tot het verstaan komt van de gedachte, die het geheele complex van verschijnselen beheerscht. Op die wijze ontstaan de enkele wetenschappen; maar ook daarbij rust de geest des menschen niet en kan hij niet rusten. Ook wat de enkele wetenschappen vormden moet door resultaat of hypothese, groepsgewijze onder één hoofd, onder de heerschappij van één beginsel worden gebracht, en ten slotte treedt de philosophie uit haar tente, om al wat dusver groepsgewijze gevormd werd, als één organisch geheel te denken. Eerst waar de eenheid van heel het kosmisch leven doorgluurd wordt, viert de Wetenschap haar hoogsten triomf. Want wel weet ik, hoe men met het Ignorabimus van Duboys Raymond den dorst naar de hoogste wetenschap gedoemd had om nimmer gelescht te worden, en in het Agnosticisme een gordijn voor den achtergrond en over den ondergrond van het leven schoof, om met de verbijzondering van de enkele wetenschappen vrede te nemen; maar sinds lang wreekt zich ’s menschen geest op dit geestelijke wandalisme. De vraag naar den oorsprong, den samenhang en de bestemming van al het bestaande liet zich niet onderdrukken, en het veni, vidi, vici waarmeê de Evolutie-theorie in alle kringen, die tegen het Woord ingaan, en met name onder onze naturalisten, spoorslags het terrein veroverde, is het voldingendst bewijs, hoezeer we aan eenheid van gezichtspunt behoefte behielden.

Hoe nu is zin voor wetenschap in dien hoogeren, heel den kosmos als eenheid bedoelenden zin zoo krachtig bewaard door der Calvinisten geloof aan de voorbeschikking Gods? Ga, om dit te vatten, van de voorbeschikking op het Raadsbesluit Gods terug. Dit is geen wilkeur, dit moet gedaan. Het geloof aan de praedestinatie |106| is toch niet anders, dan het geloof aan het Raadsbesluit Gods in eigen persoonlijk bestaan te laten indringen; toonen dat men het meent, door de vrijmacht van Gods besluitenden wil ook op zijn eigen persoon te durven toepassen. Het is het niet bij woorden laten, maar met eigen persoon, existentie en toekomst voor zijn belijdenis instaan. Het bewijs van oprechtheid, onwankelbare vastheid en soliditeit in wat ge uitspreekt omtrent de eenheid en bepaaldheid in het werken Gods. Een daad van hoogen moed, omdat ze u van hoogmoed verdenken doet. Maar goed, ga dan nu door op het Raadsbesluit Gods, en wat anders beduidt alsdan dit dogma dan de verzekerdheid, dat het bestaan en het verloop der dingen, d.i. van den ganschen kosmos, niet de speelbal van gril of fortuin is, maar gehoorzaamt aan vastheid van ordening; dat er één vaste wil is die zich in heel de natuur en heel de historie doorzet. Gij stemt mij toe, dit dwingt aanstonds tot eenheid van conceptie. Dit dwingt tot het aanvaarden van één alles beheerschend beginsel. Dit dwingt tot de erkenning van een algemeen iets, dat schuilt achter en zich uit in al het bijzondere. Dit dwingt tot de belijdenis, dat er in alles vastheid en regelmaat schuilt. Zoo wordt de kosmos u niet een hoop los opeen geworpen steenen, maar een in strengen stijl opgetrokken monumentaal gebouw. Geeft ge dit standpunt prijs, dan is het op elk gegeven oogenblik onzeker wat er gebeurt, wat loop de dingen nemen zullen, wat elke morgen en elke avond aan u, en uw gezin, en elk land, en elk werelddeel brengen zal. ’s Menschen grillige wilkeur is dan de spil waarop het alles draait. Ieder mensch kan elk oogenblik zus, maar hij kon ook zóó kiezen te handelen. Zoo is op niets peil te trekken. Er is geen samenhang, geen proces, geen continuïteit; een kroniek maar geen historie. Een zeg zelf, hoe zal er dan wetenschap zijn? De studie der natuur moge dan vast blijven, de studie van het menschelijk leven wordt dan geheel op losse schroeven gezet. Alleen feiten kunnen dan historisch geconstateerd worden, maar alle samenhang en plan valt dan uit de historie weg.

Nu denk ik er natuurlijk niet aan, thans op het vraagstuk der wilsvrijheid in te gaan. Daarvoor ontbreekt de tijd. Maar staande voor de tegenstelling van de eenheid en vastheid |107| die het Calvinisme in het Raadsbesluit Gods beleed, en van de gespreidheid en losheid die de Arminianen voorstonden, staat het dan toch vast dat de hoogere ontwikkeling der wetenschap in deze eeuw met een schier eenparige stem aan het Calvinisme gelijk gaf. De stelsels der moderne philosofen zijn alle voor eenheid en vastheid. Buckle’s History of the civilisation in England bewees de vaste ordening op menschelijk gebied met verbazingwekkende, bijna wiskundige bewijskracht. Lombroso, en op zijn voetspoor heel de school der deterministen onder de criminalisten komt in dit opzicht geheel op de Calvinistische lijn. En het jongste beweren, dat de wetten van erfelijkheid en verandering, die geheel de organisatie der natuur beheerschen, doorgaan ook op menschelijk gebied, is nu reeds „the common creed” van alle evolutionisten geworden. Ook al onthoud ik mij dus op dit pas van elke beoordeeling zoo van deze philosophische stelsels als van deze naturalistische hypothesen, er blijkt dan toch op overtuigende wijs, hoe ook in onze eeuw de geheele ontwikkeling der wetenschap een kosmos onderstelt, die niet aan het spelen van het toeval ter prooi is, maar bestaat en zich ontwikkelt uit één beginsel, naar vaste ordinantie, doelende op één vast plan. Een eisch die, gelijk in het oog springt, lijnrecht tegen het Arminianisme overstaat en daarentegen in volkomen harmonie is met het Calvinistisch belijden, dat er één wil in God is, die alle dingen deed ontstaan, ze aan zijn ordinantiën onderwierp, en ze richt op een vooraf vaststaand doel. Nooit is door Calvinisten geleerd, dat het beeld van den kosmos in Gods Raadsbesluit lag als een aggregaat van los bijeengevoegde beschikkingen, maar steeds beweerd dat het geheel één organisch program voor heel de schepping vormde. Te spreken van »natuurwetten« was ons dan ook steeds behoefte, mits hier maar onder verstaan worden, niet wetten die de natuur ons oplegt, maar wetten door God opgelegd aan de natuur, in den zin van wat ook de Psalmist betuigt, dat de aarde bestaan blijft door de ordinantiën Gods, omdat die ordinantiën „Gods knechten” zijn. En gelijk in dat Raadsbesluit Gods voor den Calvinist de grondslag en oorsprong der natuurwetten ligt, zoo ligt er eveneens in de vaste grondslag en oorsprong der zedelijke en geestelijke wetten. En die beide nu, natuurwetten én |108| zedelijke wetten, vormen saam één hooge orde, die bestaat naar Gods bestel en waarin Gods Raad volbracht zal worden, uitloopende op het door Hem gestelde wit.

Het geloof in zulk een eenheid, vastheid en orde der dingen, persoonlijk als uitverkiezing en kosmisch als Raad Gods, moest derhalve den zin voor wetenschap wel luide wekken en krachtig voeden. Zonder het diep besef van die eenheid, die vastheid en die orde, kan de wetenschap het niet verder brengen dan tot bloote vermoedens, en alleen als er geloof aan die organische gebondenheid van het heelal bestaat, kan de wetenschap uit de empirie van het bijzondere tot het algemeene, uit dat algemeene tot de beheerschende wet, en uit die wet opklimmen tot het beginsel dat alles beheerscht. De voor alle hoogere wetenschap volstrekt onmisbare gegevens zijn alleen bij die onderstelling aanwezig. Let er maar op, hoe in de dagen, toen het Calvinisme zich een baan in het leven brak, het waggelend semi-pelagianisme niets zoozeer als dit besef van eenheid, vastheid en orde had afgestompt, zoodat zelfs Thomas van Aquino terrein verloor en de Scotisten, Mystieken en Epicuristen om strijd den geest zijn vasten gang ontnamen. En wie besef dan niet wat geheel nieuwe aandrift tot wetenschappelijk leven uit het nieuw geboren Calvinisme moest opkomen, dat in één machtigen greep die geestelijke tuchteloosheid tot de orde riep, aan dat hinken op twee en meer gedachten een einde maakte, en ons voor het ordeloos zweven van de vaagheid der nevelen het beeld bood van één machtig voortstuwenden stroom, die zich hoog van de bergen, door vaste bedding, naar den hem wachtenden oceaan voortbewoog. Een harden kamp heeft het Calvinisme, om dat zich vastklemmen aan het Raadsbesluit Gods, moeten doorworstelen. Telkens scheen het den ondergang nabij. Het Calvinisme is er om gesmaad en er om gelasterd, en toen het weigerde zelfs onze zondige daden buiten het plan Gods te sluiten wijl dan toch weer heel het program der wereldorde verscheurd wierd, heeft men zich zelfs niet ontzien, zij het dan al uit misverstand, ons te beschuldigen dat wij God tot auteur van de zonde maakten. Maar door kwaad en goed gerucht henen, heeft het Calvinisme onwrikbaar stand gehouden. De onwrikbare overtuiging, dat geheel |109| ons leven onder den alles overweldigenden indruk van eenheid, vastheid en orde, die in God haar klem vonden, voor onze geloofsaanschouwing moet staan, heeft het zich door spot noch hoon laten rooven. Hierdoor heeft het behoefte aan eenheid van inzicht, aan vastheid van kennis, en aan orde in de wereldbeschouwing bij den breeden volkskring gekweekt, en het is door die sterk sprekende behoefte, dat die dorst naar wetenschap levendig werd, waaraan destijds nergens overvloediger dan juist in Calvinistische landen zoo heerlijk voldoening werd geschonken. Het is daarom dat uit de geschriften dier dagen u zulk een beslistheid, zulk een energie der gedachte, zulk een alles saamvattende levensovertuiging toespreekt. Ja zelfs mag gezegd, dat in de gedenkboeken van edele vrouwen uit die dagen en uit de briefwisseling van eenvoudigen in den lande u een eenheid van wereld- en levensbeschouwing toespreekt, die een wetenschappelijken stempel drukte op hun bestaan. Iets waarmeê het tevens saamhing dat ze nooit van het dusgenoemde »primaat van den wil« wilden hooren. Alle denken vroeg om den teugel van een helder bewustzijn, en in dat bewustzijn moest heerschappij worden gevoerd niet door nuk of gril, door inval noch door toeval, maar door de majesteit van dat hoogste beginsel, waaruit ze én hun leven verklaarden én waaraan heel hun existentie was toegewijd.

*

Van mijn eerste stelling, dat het Calvinisme zin voor wetenschap kweekte, stap ik nu af, om over te gaan op deze tweede, dat het Calvinisme aan de wetenschap haar gebied herschonk. Ik bedoel hiermede dat in de Grieksch-Romeinsche wereld aanvankelijk kosmische wetenschap ontlook; dat in de middeneeuwen de kosmos achter den horizont wegdook, om aller aandacht vrij te laten voor het vergezicht van het toekomende leven; en dat juist het Calvinisme weer tot juiste waardeering ook van het kosmische leven geleid heeft. Dit wordt niet gezegd om de classiciteit ten koste van de middeneeuwen te verheffen. Als de keuze gesteld wordt tusschen den schoonen kosmischen zin van Griekenland met zijn blindheid voor het eeuwige, en de middeneeuwen met haar blindheid voor het kosmische, doch met haar mystieke liefde voor den |110| Christus Gods, dan looft elk kind van God op zijn sterfbed èn Bernard van Clairvaux én Thomas den Aquinaat hoog boven Heraclitus en Aristoteles. De pelgrim die deze wereld doorwandelt, zonder zich om haar behoud en lot te bekreunen, is altoos idealer figuur dan het Grieksche wereldkind dat in Venus-dienst religie, in Bacchus-dienst de eere des levens zoekt, en zich vleit in heroënaanbidding, zich wegwerpt in hetaerenvereering, en zich ten slotte verdierlijkt in paederastie. Alle misverstand, als zou ik de classieke wereld overschatten, bij onderschatting van den hemelschen glans, die door alle nevelen der middeneeuwen heenspeelde, zij dus afgesneden. Maar wat ik desniettemin beweer en handhaaf is dat de ééne Aristoteles mer van den kosmos verstaan heeft, dan alle kerkvaders saam; dat onder den Islâm op Bagdads scholen beter kosmische wetenschap bloeide dan in Europa’s dom- en kloosterscholen; dat eerst door het terugvinden van Aristoteles weer ernstige kosmische studie opwaakte, maar zonder ook zoo nog tot degelijke uitkomst te leiden; en dat eerst, dan zij het Calvinistisch beginsel, om steeds van het Kruis op de Schepping terug te gaan, en nader, dank zij het Calvinistisch leerstuk van de Algemeene genade, het breede kosmische erf weer voor de wetenschap ontsloten werd; maar nu beschenen door die Zonne der gerechtigheid, van wien de Schrift getuigt, dat »in hem alle schatten der wijsheid en der kennisse verborgen zijn«. Staan we dan én bij dat algemeene beginsel van het Calvinisme én bij dit dogma van de gemeene gratie afzonderlijk stil.

De Christelijke religie is, gelijk ieder toestemt, in haar hoofdstrekking Soteriologisch. Wat moet ik doen om zalig te worden? is de angstige vraag, die ze vóór alle ding beantwoordt. Die vraag is onverstaanbaar voor een iegelijk, die weigert het heden uit het eeuwige te bezien en die zich deze aarde gereedelijk denken kan, zonder organisch en zedelijk verband met het leven des hemels. Maar natuurlijk, waar ook immer twee elementen optraden, gelijk hier de zondaar en de gezaligde, het tijdelijke en het eeuwige, het aardsche en het hemelsche leven, lag altoos het gevaar voor de hand, dat men het juiste verband tusschen beide uit het oog verloor en door dwaling of eenzijdigheid beide vervalschte. Welnu, hieraan |111| is, helaas, ook de Christenheid niet ontkomen. Ze heeft, door de dualistische opvatting van de wedergeboorte den band tusschen het genadeleven en het natuurlijke leven verbroken. Ze heeft, door te uitsluitend op den hemel te staren, verzuimd haar aandacht aan de wereld als schepping Gods te schenken. Ze is, door het eeuwige eeniglijk te minnen te kort geschoten in plichtsbetrachting op tijdelijk gebied. Ze heeft, uit zorge voor de ziel, de zorge voor het lichaam verwaarloosd. En deze eenzijdige onharmonische opvatting, heeft er ten slotte, bij meer dan ééne sekte toe geleid, om in de aanbidding van den Christus op te gaan, en de aanbidding van God den Vader, den Almachtige, den Schepper der hemels en der aarde, te vergeten. Dit nu kan men kortelijk noemen: Het Christendom uitsluitend soteriologisch opvatten, en zijn kosmologische beteekenis doen teloor gaan.

Dit dualisme nu wordt geoordeeld door de Heilige Schrift. Als Johannes ons den Verlosser zal teekenen, begint hij met ons te zeggen, hoe die Christus is het eeuwige Woord, waardoor alle ding geschapen werd en uit wien het licht was der menschen. Zoo ook betuigt Paulus ons, »dat alle dingen door hem geschapen zijn, en te samen bestaan door hem«. Alsook dat het doel van het verlossingswerk is, niet maar enkele zondaren maar de wereld te redden en alle dingen die in hemel en op aarde zijn, weer onder één hoofd te herstellen in hun organische samenhang. Christus zelf spreekt niet enkel van de wedergeboorte van het hart, maar evenzoo van de wedergeboorte van heel de Schepping. (anakefalaiôsis) Al het schepsel zucht, verwachtende het doorbreken van de heerlijkheid der kinderen Gods. En als Johannes op Pathmos het loflied der Cherubijnen en gezaligden beluistert, geeft alles eere, lof en dankzegging aan dien God, die den hemel en de aarde geschapen heeft. De Apocalyps keert tot het uitgangspunt van Genesis I : 1 terug, tot het: „In den beginne schiep God den hemel én de aarde.” Dienovereenkomstig doelt dan ook het program van de Heilige Schrift niet op een slotbedrijf met een enkel geestelijk bestaan van gezaligde zielen, maar op een herstel van den ganschen kosmos, als eens onder een vernieuwden hemel op de vernieuwde aarde God alles in allen zal |112| zijn. Welnu, die breede, alomvattende, kosmologische beteekenis van het Evangelie, heeft eerst Calvijn weer gegrepen, en gegrepen niet door redeneering, maar door den diepen indruk waaronder hij persoonlijk leefde van de majesteit Gods.

Zekerlijk, onze zaligheid werpt een wezenlijk gewicht in de schaal, maar veel grooter gewicht toch wordt in die schaal geworpen door de glorie onzes Gods, en die God had zijn heerlijkheid het eerst geopenbaard in zijn wondere Schepping. Die Schepping is zijn kunstwerk, en als nu de zonde dit kunstwerk Gods verstoort, dan komt er wel nóg heerlijker openbaring in de herschepping, maar herschepping is en blijft dan toch altoos de redding van wat eerst geschapen werd, de theodicee van het oorspronkelijke kunstwerk onzes Gods. Christus’ Middelaarschap is en blijft de stoffe voor het hooge loflied van menschentong en engelenstem, maar zelfs dat Middelaarschap bedoelt niet zijn eere, maar de eere des Vaders; en hoe hoog ook zijn koningschap schittere, eens zal ook dit koninkrijk door hem aan God en den Vader worden overgegeven. Nu nog »treedt hij voor ons in bij den Vader,« maar de ure komt, dat hij niet meer voor ons bidden zal, omdat we volkomenlijk bekennen zullen hoe de Vader zelf ons liefheeft. Dit doorzag Calvijn, en hiermede werd uiteraard op eenmaal aan de verachting der wereld, aan de verwaarloozing van het tijdelijke, aan de onderschatting van het kosmische paal en perk gesteld. Het kosmische leven had zijn waarde herwonnen, niet ten koste van het eeuwige, maar als schepping, als kunstwerk, als openbaring van de deugden Gods. In twee concrete feiten is u dat terstond voelbaar te maken. Bij de schrikkelijke pest, die eens Milaan verwoestte, blonk in kardinaal Borromeo de heldenmoed der liefde, waarmede deze Roomsche prelaat zich te midden der stervenden begaf, maar bij de pest die in de 16e eeuw Genève teisterde deed Calvijn meer en beter, want ook hij droeg zorg dat het den kranken niet aan vertroosting ontbrak, maar tegelijk nam hij hygiënische maatregelen, die nu nog modellen zijn en het voortwoekeren der pest stuitten. En het tweede waarop ik u wijs is het merkwaardige feit, dat de Amsterdam de Calvinistische predikant Peter Plancius welsprekend |113| sprak, als herder onovertroffen arbeidde, en bij den kerkelijken strijd voor niemand in beslistheid onderdeed, maar tegelijk de vraagbaak was voor reeders en zeekapiteins om zijn geniale geographische kunde. Het onderzoek naar de lengte- en breedtelijnen van den aardbol vormde voor hem één geheel met het onderzoek naar de lengte en breedte, die er in de liefde van Christus was. Hij stond voor twee werken Gods, het ééne in de Schepping, het andere in den Christus, en in beide aanbad hij die mogendheid des Heeren, die zijne ziel in verrukking bracht. Het is dan ook opmerkelijk, hoe onze Gereformeerde Confessie spreekt van twee middelen, waardoor wij God kennen, de natuur en de Schriftuur. En nog opmerkelijker, hoe Calvijn, wel verre van gelijk zoovelen, hierbij de natuur pro memorie uit te trekken, veeleer de Schrift niet anders dan een bril noemt, die ons in staat stelt het Goddelijk schrift der Schepping, dat verflauwd en geschonden was, weer te lezen. Zoo sleet alle bang gevoel, alsof men, met zich op de natuur te werpen, zich aan ijdelheden vergaapte, er uit. Men zag in, dat om Gods wil, onze opmerkzaamheid aan het leven van natuur en Schepping niet mocht onttrokken worden; de studie van het lichaam herkreeg naast de studie der ziel haar plaats der eere; en de aardsche samenleving der menschen maakte opnieuw den indruk even waardig voorwerp van menschelijke wetenschap te zijn als de vergadering der volmaakt rechtvaardigen daarboven. Hieruit moet dan ook de betamelijke verstandhouding tusschen het Calvinisme en het Humanisme worden verklaard. In zooverre toch het Humanisme het wereldleven voor het eeuwige wilde schuiven, heeft al wie Calvinist was den Humanist weerstaan. Maar zoodra ook de Humanist het recht van het wereldleven op waardeering bepleitte, was de Calvinist zijn bondgenoot.

*

Thans kom ik tot het dogma van de „algemeene genade,” uitvloeisel van het u voorgehouden algemeene beginsel, mits, in zijn bijzondere toepassing op de zonde, en die zonde verstaan als bederf onzer natuur. De zonde toch plaatst ons voor een op zichzelf onoplosbaar raadsel. Neemt ge die zonde als een doodelijk gif, als vijandschap |114| tegen God, als leidende tot eeuwige verdoemenis, en qualificeert ge den zondaar als »onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad”, en deswege alleen redbaar zoo God door wedergeboorte een ander mensch van hem maakt, zou zou hieruit volgen moeten, dat ge onder ongeloovigen en onwedergeborenen niet dan booze u afstootende menschen vondt. Maar dit komt in de werkelijkheid van het leven alzoo niet uit. Integendeel, veel in de ongeloovige wereld munt uit door iets uitnemends. Veel kostelijks is uit de oude heidensche wereld tot ons gekomen. Plato heeft bladzijden die ge verslindt. Cicero boeit u en sleept u meê door edelen toon en roert in u heilige gewaarwordingen. En raadpleegt ge uw eigen omgeving, wat ge van elders hoort, en wat in de studiën en letterkundige producten van het niet-belijdend deel der menschheid thans nog tot u komt, dan is er o, zooveel dat u aantrekt, dat de sympathie van uw hart heeft ja, dat ge bewondert. Want wat uit de woorden en handelingen en uit het algemeen optreden van vele niet-geloovigen u toespreekt, is vaak niet alleen de vonk der genialiteit of de schittering van het talent, maar evenzoo het karakterschoon, hun ijver, hun toewijding, hun liefde, hun rondborstigheid, hun trouw en hun eerlijke zin. Ja het mag niet verzwegen, niet zelden bekruipt u de wensch, of menig geloovige iets meer van die aantrekkelijkheid mocht hebben, en wie onzer vond zich niet zelf meer dan eens door wat men de „deugden der heidenen” genoemd heeft, beschaamd? Zoo komt dus uw dogma van het algeheele bederf door de zonde niet uit. — Edoch, loopt ge nu den omgekeerden weg af en gaat ge van deze feiten uit, dan valt, vergeet dit niet, uw geheele Christelijke belijdenis; dan gaat ge de natuur des menschen voor goed en ongeschonden aanzien; dan zijn de crimineele booswichten niet dan ethisch-krankzinnigen; dan is er geen wedergeboorte noodig om met eere te leven; en blijkt uw inbeelding van hooger genade niets dan het spelen met een medicijn, dat vaak ganschelijk zijn werking mist. En nu kan men zich hieruit wel redden door die deugden der ongeloovigen „blinkende zonden” te noemen, en omgekeerd de ondeugden der geloovigen op rekening van den ouden Adam te stellen, maar ge gevoelt zelf dat is een uitvlucht, waaraan de ernst ontbreekt. — Rome zocht dan |115| ook degelijker uitweg in de u bekende leer van de pura naturalia. Er waren, zoo leerde men, twee levenssferen, de aardsche, de gewoon menschelijke, hier beneden, en de hemelsche, de boven het gewoon menschelijke uitgaande, extra genietingen biedende in de aanschouwing van God. Welnu, voor beide sferen had God Adam pasklaar gemaakt, voor de gewone levenssfeer door de natuur die Hij hem schonk, en voor de extra-gewone door hem de supra-natureele gave der oorspronkelijke gerechtigheid te schenken. Adam werd alzoo dubbel geïnstrumenteerd èn voor het natuurlijke, èn voor het bovennatuurlijke leven. Door den val nu verloor hij wel het laatste, niet het eerste. Zijn natuurlijke instrumenteering voor dit aardsche leven bleef ongeschonden. Wel werd ze krank aangedaan, maar ze bleef in haar geheel. Adam bleef bijna gaaf in zijn natuurlijke begiftiging. En hieruit verklaart het zich, dat de gevallen mensch in de natuurlijke levensorde zoo vaak zelfs uitmunt, en dat hetgeen hem finaal ontbreekt alleen is de zin en het talent voor het in den grond bovenmenschelijke leven des hemels. Ge ziet, dit is een stelsel; een stelsel dat het dogma van den val met de realiteit om ons heen poogt te verzoenen; en in deze merkwaardige anthropologie ligt de grondslag van heel de Roomsche religie. Wat hierin ontbreekt is alleen maar de diepe Schriftuurlijke opvatting der zonde eenerzijds en anderzijds de onderschatting waartoe het leidt van het aardsche leven. In het Carnaval komt ook dit het treffendst uit. Dan wordt de wereld nog eens volop genoten eer men aan het Caro vale toekomt, maar al het ideaal schuilt dan in de geestelijke opheffing naar de hemelsche levenssfeer. Daarom staat een clerus, die met het huwelijk den aardschen band er aan geeft, boven de massa, en een monnik, die ook van het aardsche goed en van eigen wil afziet, weer ethisch boven de geestelijkheid. En eindelijk beklimt de zuilenheilige, van al het aardsche zich afscheidend, zijn pilaar, of laat de nog stillere boeter zich metselen in zijn kluis. Horizontaal, als ik mij zoo mag uitdrukken, komt deze zelfde gedachte tot uiting in de splitsing tusschen gewijden en ongewijden bodem. Wat niet door de kerk wordt bestraald en besproeid, blijft een laagstaand karakter dragen, en het exorcisme bij den doop zegt ons, dat met dit laag staande eigenlijk iets onheiligs wordt bedoeld. En natuurlijk, op |116| dat standpunt lag er in de studie der aardsche dingen voor den Christen geen aanbeveling. Wat op zulk een standpunt boeide was alleen de studie voor de sfeer der hemelsche dingen en ten slotte de contemplatie.

Deze opvatting nu van den zedelijken toestand van den gevallen mensch, heeft het Calvinisme principieel bestreden, door eenerzijds het oordeel over de zonde absoluut streng te nemen en door anderzijds het goede in den gevallen mensch, heel anders te verklaren, t.w. uit de inwerking der gemeene gratie. De zonde, zoo spreekt het Calvinisme in overeenstemming met de Schrift, de zonde ongebreideld en ongetemperd aan zich zelve overgelaten, zou onverwijld een algeheele verwildering van het menschelijk leven tot uitkomst hebben gehad, iets waarvan vóór den Zondvloed gezien is. Maar God heeft dit, omdat het tot algeheele vernietiging van zijn Goddelijk kunstwerk zou leiden, niet geduld. Hij is in alle mensch, in heel ons geslacht, in onze natuur zelve met genade tusschenbeide getreden. Die genade doodt de kern der zonde volstrekt niet, die genade redt in niets ten eeuwigen leven, maar die genade stuit de doorwerking der zonde evenals menschelijk doorzicht de woede stuit van het wilde dier. De mensch kan het dier onschadelijk maken door traliën; hij kan het bedwingen door het te temmen; hij kan het aantrekkelijk maken door het te domesticeeren, d.i. door bijv. den uit zich zelf wilden hond en kat te maken tot zijn huisdier. Zoo nu ook bedwingt God door genade de werking der zonde in den hm, deels door hem te breken in zijn wilde kracht, deels door zijn boozen geest te temmen, deels door zijn geslacht te domesticeeren. Deze gemeene gratie kan dus tot de uitkomst leiden, dat de gevallen zondaar ons boeit en aantrekt door veel liefs en veel energie, evenals onze huisdieren het doen, en dan natuurlijk naar menschenaard; maar de natuur zelve blijft er even giftig om. Men ziet dat aan de kat, die, in het woud teruggebracht, reeds na twee generatiën, weer het oude wilde dier is. Men zag dat aan de menschelijke natuur helaas pas nog in Armenië en op Cuba. Wie in de historie leest van de gruwelen van den Bartholomeüsnacht, is licht geneigd die gruwelen op rekening te stellen van de mindere beschaafdheid dier tijden, en zie, onze negentiende eeuw heeft door de moorden |117| in Armenië die gruwelen nog overtroffen. En wie in Nederlands historie las van de tergende wreedheden, waarmeê de Spanjaarden in de 16e eeuw in de dorpen en steden van Nederland tegen weerlooze ouden, vrouwen en kinderen hebben gewoed, en nu hoorde van wat op Cuba plaats greep, kan zich kwalijk verhelen dat in de 19e eeuw zich herhaalde wat de 16e eeuw geschandvlekt had, en dat, naar Buckle’s volkomen juist beweren, de vormen van het kwaad wisselen mogen, doch dat het zedelijk kwaad in kiem en beginsel stand houdt alle eeuwen door.* Waar het kwaad niet uitkomt, of niet uitkomt in die schriklijkheid, danken we dit niet daaraan dat onze natuur niet zoo diep bedorven is, maar aan God alleen die door zijn gemeene genade het uitslaan van de vlam uit het smeulend vuur belet. En vraagt ge hoe er uit aldus gestuit kwaad ooit iets te voorschijn kan treden dat u boeit, toespreekt en aantrekt, neem dan slechts het beeld van de gierpont. Die pont wordt in beweging gebracht door den stroom die hem pijlsnel stroomafwaarts en ten verderve zou voeren, maar door de ketting aan te leggen komt de pont behouden aan de overzij aan, naar die overzij door geen andere kracht geperst en gewrongen, dan die op zichzelf haar zou verbrijzeld hebben. Zoo stuit God het kwaad, en is het God, die uit het kwade het goede doet voortkomen, en onderwijl wij Calvinisten, steeds onverbiddelijk onze zondige natuur blijven aanklagen, loven en danken we dien God, die een ordelijke samenleving mogelijk maakte en ons persoonlijk afhoudt van den gruwel, en die dit doet én om wat Hij in ons geslacht aan talenten verborg te doen uitkomen, én om in geregeld proces een historie der menschheid te doen ontstaan, én om aan zijn kerke op aarde een plek te verzekeren voor het hol van haar voet.

Maar met deze belijdenis komt de Christen dan ook heel anders tegenover het leven te staan. Dan is hem niet alleen de kerke Godes maar ook de wereld Godes, en moet in beide het kunstwerk van den Oppersten Bouwmeester en Kunstenaar worden nagespeurd. Het is dan niet voor wie God zoekt, de theologie en de contemplatie, om alle overige wetenschap, als van lager karakter, aan de ongeloovigen over te laten; maar heel anders, een iegelijk die |118| God uit zijn werk wil kennen, geroepen om, evengoed als de hemelsche dingen, óók de aardsche dingen met den ernst van zijn kennen te doorschouwen; en ook in de natuur en haar wonder karakter, ook in wat menschenkunst voortbrengt, en in het menschelijk leven, óók in de sociologie en in de historie der menschheid, én de scheppingsordinantiën én de gemeene gratie van den God zijner aanbidding bloot te kunnen leggen. Zoo gevoelt ge hoe dit dogma der gemeene gratie op eenmaal den ban ophief, waaronder het buitenkerkelijke leven gedrukt lag, op het gevaar af, om, bij reactie, soms zelfs een te eenzijdige liefde voor deze wereldsche studiën aan te wakkeren. Het werd nu verstaan hoe de gemeene gratie in oud-Griekenland en Rome schatten van wijsgeerig licht ontstoken, en schatten van kunstzin en rechtszin tot openbaring had gebracht, die uitlokten tot klassieke studiën, opdat de kennis en wetenschap van die heerlijke schatten ook voor ons haar profijt mocht afwerpen. Het werd nu ingezien hoe de historie der menschheid niet maar een schouwtooneel van bloedige hartstochten is, maar één saamhangend proces, met het Kruis tot middenpunt, waarin elk volk zijn roeping heeft en waarvan de kennis elk volk kan zegenen. Het werd begrepen dat de wetenschap van den Staat en van het Staathuishoudkundig leven de inspanning der vorschers en der doordenkers overwaardig was. Ja onmiddellijk gevat, dat er niets, hetzij in het leven der natuur om ons, hetzij in het eigen leven van den mensch was, waar de onderzoekende geest zich niet op te richten had, en waarin geen nieuwe stoffe was te vinden, om te beter het heerlijke kunstwerk van den ganschen kosmos, in zijn zichtbare verschijnselen en in zijn onzichtbare werkingen, te leeren verstaan. En waar anders bij het winnen van dege wetenschap op al zulk terrein licht hoovaardij in het hart sloop en de kennis het hart van God vervreemdde, kon, dank zij dit heerlijk dogma, in den Calvinistischen kring de man van wetenschap zich een schuldig zondaar voor zijn God blijven gevoelen, ook het licht der kennisse, waargij hij de dingen dezer wereld bezag, alleen dankende aan Godes gemeene gratie.

*

|119| Heeft aldus het Calvinisme zin voor wetenschap gekweekt en op breede schaal aan de wetenschap haar gebied herschonken, gunt mij dan nu in de derde plaats u aan te toonen, hoe het de zoo onmisbare vrijheid der wetenschap bevorderd heeft. Vrijheid is voor alle echte wetenschap wat voor ons de lucht is waarin we ademen. Niet alsof daarom de wetenschap aan geen banden gebonden ware en geen wetten had te gehoorzamen. De visch, die aan niets gebonden, op het vlakke strand ligt, komt om, en alleen de visch, die door het water geheel omvangen is, schiet vrij op zijn vinnen voort. En zoo ook is er geen wetenschap of ze moet aan haar voorwerp strikt gebonden zijn en stipt den eisch van goede methode gehoorzamen, en alleen door dien band en onder die wet is de wetenschap vrij. Ook de vrijheid der wetenschap bestaat dus niet daarin, dat ze bandeloos en ongebonden zij; maar dat ze vrij zij van allen band die haar onnatuurlijk is en niet uit haar levensbeginsel voortkomt. Nu make men zich van het universitaire leven in de middeneeuwen geen verkeerde voorstelling. Staatsuniversiteiten kende men toen nog zoo niet. De unversiteiten waren vrije corporatiën en in zooverre prototypen van de meeste universiteiten in Amerika, en van wat thans in Europa, en gelukkig ook in Nederland in de Vrije Universiteit, die ik zelf dien, herleeft. Het besef leefde destijds algemeen, dat de wetenschap een respublica litterarum was, een »republiek van geleerden” in het leven roept, en dat deze op eigen geestelijk kapitaal moet teren of aan gemis aan talent en studiekracht moet sterven. De inbreuk op de vrijheid der wetenschap kwam destijds uit heel anderen hoek. Eeuwenlang had men slechts twee machten in het leven gekend, de Kerk en den Staat. Gelijk wij zelf uit lichaam en ziel bestaan, verstond men ook het leven dichotomisch. De Kerk was de ziel, de Staat het lichaam, en een derde macht kende men niet. Nu vond alle kerkelijke leven zijn centralisatie in den Paus, het politieke leven der Christen-natiën zijn vereenigingspunt in den Keizer, en het was de poging om ook deze tweeheid in hoogere eenheid op te lossen, die in de worsteling der Hohenstaufen en Welfen zoo harden strijd deed ontbranden om de suprematie van keizerskroon of pauselijke tiaar. Sinds echter was, dank zij de Renaissance, de |120| wetenschap als derde macht hier tusschen komen schuiven. Die wetenschap vond in het opkomend Universiteitsleven sinds de dertiende eeuw een eigen belichaming, en maakte aanspraak op een bestaan, dat van Paus en Keizer onafhankelijk zou zijn. Bleef alleen maar de vraag of ook deze macht een eigen hiërarchisch centrum zou zoeken, om aldus naast Paus en Keizer een Grootmogende onder de geleerden te doen optreden. Hier nu was in het afgetrokkene drieërlei mogelijkheid: 1º. dat zich zulk een zelfstandige hiërarchie der wetenschappen vormde; 2º. dat de wetenschap zonder centraalhoofd bleef, of 3º. dat Paus of Keizer zich als hoofd der wetenschap opwierp. Het eerste nu bleek onmogelijk. Veeleer eischte het republikeinsche karakter der Universiteiten, dat alle monarchaal begrip hier verre bleef. Maar even natuurlijk was het dat Paus en Keizer, die saâm het geheele gebied van het leven onder zich verdeeld hadden, dit opkomen van een derde, geheel onafhankelijke macht met leede oogen aanzagen, en beiderzijds zich opmaakten om de Universiteiten aan zich te onderwerpen. Hadden toen alle bestaande Universiteiten zich schrap gezet, zoo zou die toeleg nooit gelukt zijn. Maar gelijk het gaat onder vrije corporatiën, concurrentie verlokte om naar steun van buiten om te zien, en hoe kon dan de steun van het hoofd der Christenheid onverschillig wezen? Vandaar dat men toen vrij algemeen naar de gunst van den Paus dong en op het verkrijgen van privilegiën zijnerzijds bedacht was. Hierin nu lag het principieele kwaad. Op die wijs toch gaf de wetenschap haar zelfstandig karakter prijs. Het werd voorbij gezien dat het intellectueel in ons opnemen en uit ons denken reflecteeren van den kosmos, waarin alle wetenschap bestaat, een heel andere levenssfeer vormt dan de Religie. En het is dit kwaad nu, dat de Reformatie gestuit heeft, en dat met name door het Calvinisme is weggenomen. Formeel weggenomen doordien ook in de kerk op aarde met het monarchaal-hiërarchische denkbeeld gebroken werd en wel het monarchisch gezag van Christus in den hemel geëerd werd, maar op aarde ook voor de Kerk de republikeinsch-confederatieve levensvorm werd aanvaard. Een geestelijk hoofd, om aan de Universiteiten de wet te stellen, bestond alzoo voor den Calvinist |121| niet meer. Nog wel voor de Lutherschen, die in den landsvorst tevens den Oppersten Bisschop eerden, maar niet voor de Calvinistische volkeren, die Kerk en Staat als twee sferen van eigen leven uiteen hielden. Een doctorsbul mocht noch aan het pauselijk consent, noch aan kerkelijke ordonnantiën, maar alleen aan de wetenschappelijke waardij der stichting zijn beteekenis in aller schatting ontleenen.

Hierbij kwam nog een tweede iets. Ook afgezien van de pauselijke auspiciën over de Universiteit als zoodanig, oefende de Kerk destijds pressie op de wetenschap uit, door de novaturientes 1) ter oorzake van de door hen geuite meeningen en uitgegeven geschriften te bemoeilijken, aan te klagen en te vervolgen. Zij duldde geen vrijheid van het woord. De waarheid alleen, niet de dwaling mocht zich propageeren, en de waarheid moest zich handhaven, niet door de dwaling in eerlijke kamp te overwinnen, maar door haar strafbaar te stellen. Dit nu knakte de wetenschap, doordien het ’t oordeel over studiën, waarover de Kerk als zoodanig tot oordeelen onbevoegd was, nochtans onder der kerke oordeel bracht. Wie niet in moeite wenschte te komen, zweeg of schikte zich toen, en wie, meer heroïsch aangelegd, den tegenstand trotseerde, werd te ijveriger gekortwiekt, en zoo hij ook met halve vleugelen vliegen wilde, werd hem de nek omgedraaid. Wie een geschrift uitgaf met al te afwijkende meeningen gold als misdadiger, en had ten slotte kennis te maken met de inquisitie en het schavot. Het recht van vrij onderzoek kende men niet. Vast geloovende, dat men al het weetbare en wetenswaardige reeds wist, en vast en goed wist, maakte men zich van verre geen denkbeeld van de ontzaglijke taak, die voor de pas opkomende wetenschap was weggelegd, noch van de »struggle for life”, die bij het volvoeren van die taak onmisbaar richtsnoer zou zijn. Men zag in het eerste opgloren der wetenschap geen dageraad, die het opgaan der zon aan de kimmen verkondigde, maar vonken van een smeulend vuur, dat de wereld in brand dreigde te zetten, en achtte zich tot het dooven van dat vuur, tot het blusschen van dien brand, waar hij uitsloeg, gerechtigd en verplicht. Een standpunt, dat we, teruglevend in die dagen, |122| ook al keuren we het principieel af, begrijpen kunnen, maar dat, had heel de wereld het blijven innemen, de opkomende wetenschap in de wieg zou hebben gesmoord. Welnu, dat noodlottig standpunt is het eerst, en met doortastend gevolg, door het Calvinisme prijs gegeven; eerst theoretisch door zijn ontdekking van de levenssfeer der algemeene genade, en straks in de practijk, door een veilige haven te bieden aan wie elders door storm beloopen werd. Al verstond toch het Calvinisme, gelijk dit steeds het geval is, volstrekt niet aanstonds de volle consequentie van zijn beginsel, en al liet men aanvankelijk den plicht tot uitroeiing der dwaling nog in zijn wetboek staan, toch lag in het beginsel, dat de Kerk zich terug had te trekken op het terrein der particuliere genade, en dat daarnaast het breede, vrije terrein der gemeene gratie lag, de onverwinlijke idee uitgesproken, die tot de vrijheid van het woord leiden moest en geleid heeft. Gevolg was dan ook dat de crimineele bedreiging al meer een doode letter bleef, en dat, om slechts dit ééne voorbeeld te noemen, Des Cartes, die uit het Roomsche Frankrijk wijken moest, in het Calvinistische Nederland wetenschappelijk bestrijding van Voetius, maar in den burgerstaat een veilige schuilplaats vond.

Nog dit voeg ik er aan toe. Om de wetenschap te doen opbloeien moest er vraag naar wetenschap uit den drang van het leven opkomen, en hiertoe moest de volksgeest zelf worden vrijgemaakt. Zoolang nu de Kerk met haar velum heel het schouwspel des openbaren levens overspande, moest wel de onvrijheid aanhouden, wijl den hemel te verdienen, en voor zoover dit er meê saâmhing, de aarde te genieten, levensdoel bleef. Met sympathie, met zoekende liefde zich op den kosmos te werpen, was op dat standpunt ondenkbaar. Aller zoekende liefde ging naar het eeuwige leven uit, en wat niet verstaan werd is, dat de Christenheid, ook afgezien van de eeuwige zaligheid, hier op aarde een taak van Godswege te vervullen heeft, een grootsche taak óók aan dien kosmos. Ook die voorstelling nu brak het Calvinisme, door in den meest volstrekten zin elk denkbeeld, alsof het leven op aarde de zaligheid des hemels verdienen kon, bij den wortel zelf af te snijden. Die zaligheid komt uit de wedergeboorte op, en er is volharding |123| der heiligen. En waar op die wijs de verzekerdheid des geloofs den angst van het aflaatzoeken verving, riep het Calvinisme de Christenheid terug naar de oorspronkelijke scheppingsordonnantie: „Vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over al wat op haar leeft.” Zoo bleef men pelgrim, maar een pelgrim, die op den weg naar het eeuwige vaderland nog een onmetelijke taak op aarde had te vervullen. Breed breidde zich voor en onder en boven den mensch de kosmos met alle rijken der natuur uit. Heel dit onafzienbare veld moest worden bearbeid. Op dien arbeid wierp men zich met geestdrift en veerkracht. De aarde met al wat in haar is, moest aan de menschen onderworpen worden. Zoo bloeiden als nooit in mijn toenmalig vaderland de landbouw en nijverheid, de handel en scheepvaart. Dat nieuwe leven der burgerij wekte nieuwe behoeften. Om de aarde aan zich te onderwerpen was kennis van die aarde, van haar zeeën, van haar natuur, van de eigenschappen en de wetten dier natuur noodzakelijk. En op die manier was het, dat de heerschende volksgeest, die dusver aan de wetenschap zijn prikkel onthield, plotseling dien prikkel haar diep in de lendenen dreef, haar deed opwaken uit haar eerst half sluimerend leven, en haar in dit krachtsbetoon een gevoel van vrijheid deed winnen, als ze eertijds nimmer had gekend.

*

En nu kom ik tot mijn laatste stelling, de bewering namelijk, dat het Calvinisme bij het conflict, dat vrije wetenschap noodwendig moet doen opkomen, voor dat conflict de gereede oplossing vond. Gij verstaat, welk conflict ik bedoel. Vrij onderzoek leidt tot botsing. De een trekt op de kaart van het leven de lijnen anders dan zijn buurman. Hieruit ontstaan wat men noemt scholen en richtingen. Optimisten en pessimisten. Een school van Kant en een school van Hegel. Onder de juristen staan de deterministen en de moralisten, onder de medici de homoeopathen en de allopathen tegen elkander over. Plutonisten en Neptunisten, Darwinisten en soort-verdedigers bestrijden elkaâr in de natuurkundige wetenschappen. Von Humboldt, Grimm en Max Müller vormen op taalgebied elk een afzonderlijke school. |124| Vormvereerders en realisten vliegen elkander in het haar binnen de klassieke wanden van den philologischen tempel. Overal strijd, kamp, worsteling, soms fel en vinnig, niet zelden met persoonlijke bitterheid gemengd. Maar toch, ook al schuilt achter deze verschillen de energie van beginselverschil, toch worden deze ondergeschikte conflicten geheel in de schaduw gesteld door het conflict van eerste orde, dat in alle landen het heftigst de geesten beroert, het machtig conflict tusschen hen, die aan de belijdenis van God Drie-eenig en zijn Woord blijven vasthouden, en die anderen, die in Deïsme, Pantheïsme of Naturalisme de oplossing zoeken van het wereldprobleem.

Let wel, ik zeg niet het conflict tusschen geloof en wetenschap. Dat bestaat niet. Alle wetenschap gaat van geloof uit, en omgekeerd geloof, waaruit geen wetenschap opkomt, is wangeloof of bijgeloof, maar geloof is het niet. Alle wetenschap onderstelt geloof aan ons ik, in ons zelfbewustzijn; onderstelt het geloof aan de zuivere werking onzer zintuigen; onderstelt het geloof aan de juistheid der denkwet; onderstelt het geloof aan het generale in de speciale verschijnselen; onderstelt het geloof aan het leven; en onderstelt bovenal geloof in de beginselen waarvan men uitgaat. Wat zeggen wil, dat alle deze onmisbare uitgangspunten voor vruchtbaar wetenschappelijk onderzoek ons niet door bewijs toekomen, maar voor ons vaststaan krachtens ons innerlijk besef en met ons zelfbewustzijn zijn gegeven. En omgekeerd, alle geloof heeft den drang in zich om zich uit te spreken. Om dit te kunnen doen heeft het woorden, termen, uitdrukkingen noodig. In die woorden moet zich een gedachte belichamen. Die gedachten moeten onderling en met zichzelf en met het leven om ons heen, moeten met tijd en eeuwigheid saamhangen, en zoodra het geloof aldus uitstraalt in het bewustzijn, ontstaat de behoefte aan wetenschap en rekenschap. Neen het conflict bestaat niet tusschen geloof en wetenschap, maar heel anders tusschen de bewering dat de bestaande kosmos een normale of een abnormale is. Is hij normaal, dan beweegt hij zich door een eeuwig proces uit zijn potenzen naar zijn ideaal. Maar is de thans bestaande kosmos abnormaal, dan |125| greep er storing plaats en kan alleen een herscheppende macht hem de bereiking van zijn bestemming waarborgen. Deze en geen andere is de grondtegenstelling, die op wetenschappelijk gebied de denkende geesten in twee slagorden tegenover elkander stelt.

De Normalisten weigeren te rekenen met andere dan de natuurlijke gegevens, rusten niet eer ze voor alle verschijnselen eenzelfde grondverklaring hebben gevonden, en verzetten zich met hand en tand tegen al wat de logische consequentiën van oorzaak en gevolg, op welk punt van de lijn ook, breken of stuiten zou. Daarom formeel wel geloof, maar alleen in de gegevens van het algemeen bewustzijn, en deze als normaal beschouwd. En materieel geen schepping, maar een evolutie, die zich in het oneindige verliest. Geen soort, ook niet het species Homo sapiens, zelfstandig ontstaan, maar binnen den kring der natuurlijke gegevens uit lagere en voorafgaande soorten ontwikkeld. Vooral geen wonder, maar de natuurwet onverbiddelijk heerschend. Geen zonde, maar ontwikkeling van lager naar hooger zedelijk standpunt. Een Schrift, het zij zoo, maar dan na uitsnijding van al wat niet logisch uit het menschelijke te verklaren is. Een Christus, desnoods, maar geen andere dan die product van het menschelijke in Israël zal zijn. En zoo ook een God, of liever nog een Oneindig Wezen, maar dan agnosticistisch achter al het zichtbare verscholen, of pantheïstisch in al het bestaande schuilende, en niet anders verstaan dan als de ideale reflectie van onzen menschelijken geest.

En hiertegen staan nu de Abnormalisten over, die, aan betrekkelijke evolutie alle recht doen wedervaren, maar tegenover het begrip van een evolutio in infinitum aan schepping vasthouden; het zelfstandig soortbegrip van mensch onverbiddelijk handhaven, omdat in hem het beeld van God zich afspiegelt; zonde als verstoring van het onzondig menschelijk herkomen en dus als vergrijp tegen God verstaan, en daarom postuleeren en aanvaarden wat, herscheppend alleen het abnormale herstellen kan: d.w.z. het wonder; het wonder in de wedergeboorte; het wonder in de Schrift; het wonder in den Christus als God-zelf uit zijn eigen leven in ons leven |126| indalend; en die, dank zij deze herschepping van het abnormale, de ideale norma vinden blijven, niet in het natuurlijke maar in God-Drieëenig.

Niet dus geloof en wetenschap maar twee wetenschappelijke stelsels of wilt ge twee wetenschappelijke uitwerkingen zijn het, die elk met een eigen geloof tegenover elkander staan. En evenmin mag gezegd, dat het hier de wetenschap is die staat tegenover de Theologie, want het zijn twee absolute vormen van wetenschap, die beide heel het veld van menschelijke kennis bestrijken, en die beide in hun wereldbeschouwing een eigen Theologie hebben opgenomen. Ook toch het Pantheïsme, ook het Deïsme is een Theologisch stelsel, en zonder voorbehoud behoort heel de Moderne theologie thuis bij de wetenschap der Normalisten. En eindelijk, het zijn geen twee relatieve tegenstanders, die half weg saâm gaan, en voorts elkander met vrede laten, al slaan ze verder ook verschillende paden in, maar over en weer betwisten ze elkander het gansche terrein des levens, en kunnen ze niet aflaten van het volhardend pogen om geheel het gebouw van elkanders strijdige beweringen, met de steunpunten onder die beweringen, tot den grond toe af te breken. Als ze dit niet poogden zouden ze over en weer toonen niet in hun uitgangspunt te gelooven, zou het geen wetenschappelijke ernst zijn, die hen dreef en bezielde, en zouden ze den primordialen eisch van alle wetenschap, die eenheid van conceptie vraagt, niet verstaan. Een Normalist, die nog iets ook maar van de schepping, van het beeld Gods in den mensch, van zonde als val, van een Christus als boven het menschelijke uitgaande, van een wedergeboorte, die iets anders dan ontwikkeling zou zijn, of van een Schrift, die ons werkelijk orakels brengt, staan laat, is halfslachtig studieman en verbeurt den wetenschappelijken naam. Maar zoo ook, wie als Abnormalist de schepping ook maar halverwege in evolutie doet opgaan; in het dier geen creatuur naar het beeld van den mensch geschapen, maar ’s menschen oorsprong ziet; en de schepping van den mensch in oorspronkelijke gerechtigheid loslaat; maar voorts nog meewerkt om de wedergeboorte, om den Christus, om de Schrift uit het motief van louter menschelijke krachten te verklaren en niet |127| met hand en tand vasthoudt aan het Goddelijke motief, dat alle menschelijke gegevens ten deze beheerscht, moet even beslist onzerzijds als halfslachtig en onwetenschappelijk man uit onzen kring worden teruggewezen. Normaal en Abnormaal zijn twee absolute uitgangspunten, die geen vergelijk dulden. Evenwijdige lijnen kennen geen kruispunt. Ge moet óf het eene óf het andere kiezen, maar wat ge ook kiest, wat ge zijt, moet ge als wetenschappelijk man geheel zijn; niet in één faculteit maar in alle faculteiten; in heel uw wereld- en levensbeschouwing; in de volle terugkaatsing van het gansche wereldbeeld, uit den spiegel van uw menschelijk bewustzijn.

Naar tijdsorde nu zijn wij, Abnormalisten, heel een reeks van eeuwen achter elkander schier onbetwist aan het woord geweest zonder dat onze tegenstanders principieel konden optreden. Met het wegsterven der oud-Heidensche en het opkomen der Christelijke wereldbeschouwing, staat het al spoedig in de algemeene overtuiging vast, dat alle ding ontstaan is door de schepping Gods, dat de soorten van wezens aan afzonderlijke schepping hun ontstaan danken, en dat onder deze wezens-soorten de mensch als beelddrager Gods geschapen is in oorspronkelijke gerechtigheid; dat de inkomende zonde deze oorspronkelijke harmonie der schepping verbroken heeft, en dat tot herstel van dat abnormale, d.i. tot herschepping, alsnu de abnormale middelen intraden van wedergeboorte, van den Christus en van de Heilige Schrift. Natuurlijk waren er, alle eeuwen door, in grooten getale zelfs, spotters, die met deze feiten den draak staken, en onverschilligen, die er zich niet om bekreunden; maar de zeer enkelen, die wetenschappelijk deze algemeene overtuiging bestreden, telt ge voor zes eeuwen tegelijk op uw vingers. De Renaissance deed ongetwijfeld een ongeloovige strooming opkomen, die zelfs tot het Vaticaan doordrong, en het Humanisme wekte geestdrift voor Grieksch-Romeinsche idealen; maar al dient erkend dat na de middeneeuwen het principieel verzet der Normalisten een aanvang neemt, toch blijft het een feit, dat de breede heirscharen der philologen, juristen, medici en physici nog eeuwen daarna de grondstukken der aloude overtuiging onaangetast alten. Eerst in de vorige eeuw heeft de tegenstand zich uit den omtrek |128| naar het middenpunt teruggetrokken en maakte de nieuwere philosophie zich op, om de grondstellingen der Christelijke levensbeschouwing voor onhoudbaar te verklaren. Zoo eerst raakten de Normalisten tot het vermoeden eerst, toen tot het bewustzijn van hun principieele tegenstelling. Alle denkbare positie, die men bij dit verzet tegen de dusver gangbare overtuiging kon innemen, werd toen beurtelings in een eigen philosophisch stelsel ontwikkeld, stelsels die, hoe ook uiteenloopend, in hun loochening van het abnormale volledig overeenstemden. En toen deze wijsgeerige stelsels zich van de overtuiging in de toongevende kringen hadden meester gemaakt, heeft straks elke afzonderlijke wetenschap zich beijverd, om op juridisch, medisch, natuurkundig en geschiedkundig terrein, de hypothese van het eindeloos normaal verloop aller dingen als uitgangspunt van alle onderzoek te aanvaarden. Een oogenblik schrikte de publieke opinie toen op, maar overmits de massa geen persoonlijk geloof bezat, was die eerste huivering slechts van korten duur, en heeft de levensbeschouwing der Normalisten in het vierde eener eeuw in letterlijken zin de toonaangevende wereld veroverd. Alleen wie Abnormalist krachtens persoonlijk geloof was, weigerde in dit koor van „the modern thought” meê te zingen, en voelde zich een oogenblik geneigd den ban op alle wetenschap te leggen, vluchtende in de tente der mystiek. Want wel was er een oogenblik van theologische zijde apologetisch verweer, maar een verweer dat knutselde om een scheef gezakt kozijn weer in het lood te zetten, en er zelfs geen vermoeden van had, dat de fundamenten zelven van het gebouw waren losgewrikt. Van daar dat met name in Duitschland de kundigste theologen waanden niet beter te kunnen doen, dan een dier philosophische stelsels als standmuur te gebruiken, waartegen het Christendom zou kunnen aanleunen. Dit gaf eerst de vermenging van Philosophie en Theologie bij de dusgenaamde Vermittelungs-theologen, totdat in deze mixtuur het Theologisch bestanddeel al armer, het philosophische al rijker werd, tot ten slotte de Moderne theologie het hoofd opstak, die er haar eere in zocht, om met eigen hand het abnormale én in den Christus én in de Heilige Schrift zoo volstandig uit te zuiveren, tot de Rabbi van Nazareth een zelfs niet |129| meer onzondig mensch en de Schrift een bundel meest pseudepigraphische, op allerlei wijs vervalschte, met mythen, sagen en verzinsels opgevulde schrifturen was geworden. Wat de Psalmist zong: „Wij zien onze teekenen niet meer, zij hebben hun teekenen als teekenen gesteld”, werd zoo ten slotte door hen vervuld; tot in den Christus en in de Schrift moest alle teeken van het abnormale uitgebannen en het teeken van het normale verloop als eenig proefhoudend kenmerk van waarheid gehuldigd. Een uitkomst, waarbij ik herhaal, wat ik zoo straks reeds uitsprak: in dit verloop is niets dat ons verbazen kan. Wie subjectief zijn eigen rede en objectief de wereld voor normaal aanziet, moet zoo spreken, kan tot geen andere slotsom komen, zou onoprecht in zijn wetenschap zijn door het anders voor te stellen, en mits wie zoo dacht, maar den moed had zich vrijwillig van de Christelijke kerk, in al haar vertakkingen af te scheiden, zou er, zijn verantwoording aan God nu daargelaten, uit zedelijk oogpunt niets op zijn houding zijn aan te merken.

Maar staat zoo en niet anders het scherpe, niet te ontwijken conflict, ziehier dan hoe het Calvinisme ons, bij de spanning en worsteling, uit dit conflict geboren, een onverwinlijk standpunt aanwijst. Het verliest zich daartoe niet in doellooze apologetiek; het leidt den strijd niet af naar een gevecht om een der buitenwerken, maar gaat aanstonds terug op het menschelijk bewustzijn waarvan ook de man van wetenschap als zijn bewustzijn heeft uit te gaan. Dat bewustzijn is, juist tengevolge van het abnormaal karakter der dingen, niet in allen hetzelfde. Ware het normale niet verbroken, alle bewustzijn zou een zelfden klank geven; maar feitelijk is dit niet zoo. In den een spreekt krachtig en sterk het zondebewustzijn, in den ander spreekt het óf zeer flauwelijk, óf ganschelijk niet. In den een spreekt beslist en klaar de geloofszekerheid, als vrucht van wedergeboorte, in den ander ontbreekt zelfs het besef hiervan geheel. En zoo ook in den een weerklinkt luid en op vasten toon het Testimonium Spiritus Sancti, terwijl de ander verklaart hiervan niets te ontwaren. Deze drie, dat zondebesef, deze geloofsverzekerdheid en dit getuigenis des Heiligen Geestes, zijn voor den Calvinist met zijn bewustzijn zelf gegeven. Ze vormen er den onmiddellijken inhoud van. Zonder die drie bestaat |130| zijn zelfbewustzijn niet. Dat wraakt nu de Normalist, dringt zijn bewustzijn aan óns op, en eischt dat we een bewustzijn hebben zullen, aan het zijne gelijk. Iets wat op zijn standpunt niet anders kan. Gaf hij toch toe, dat ons bewustzijn en het zijne kon verschillen, zoo had hij de breuke in het normale erkend. Wij daarentegen dringen hun ons bewustzijn niet op. Want wel houdt Calvijn staande, dat er een zaad der religie in aller hart schuilt, en dat de sensus divinitatis, beleden of onbeleden, in oogenblikken van spanning aller ziel doet beven, maar overigens is het juist zijn stelsel dat het menschelijk bewustzijn in den man die geloof en in den man die niet gelooft, niet kan overeenstemmen, maar moet verschillen. Wie niet wedergeboren is, kan geen wezenlijke kennisse van zonde hebben, en wie niet bekeerd is, kan geen geloofszekerheid bezitten; wie het Testimonium Spiritus Sancti mist, kan niet gelooven in de Heilige Schrift; en dit alles naar de snijdende uitspraak van den Christus zelven: »Wie niet wedergeboren is uit water en geest, kan het Koninkrijk Gods niet zien” zelfs; of ook naar die andere uitspraak van den apostel: „de natuurlijke mensch kan niet verstaan de dingen die des Geestes Gods zijn.” Calvijn verontschuldigt daarom de anderen niet. Eens zullen ze in hun eigen consciëntie overtuigd worden van ongelijk. Maar voor het feitelijke van den toestand hebben we dan toch met tweeërlei menschelijk bewustzijn te doen: dat van den wedergeborene en den niet-wedergeborene; en die twee zijn niet hetzelfde. In het eene is, wat in het andere ontbreekt. De eene kent geen breuke en houdt daarom vast aan het normale, de ander ervoer breuke en omzetting, en heeft alzoo het besef van het abnormale met zijn bewustzijn zelf gegeven. Is nu zijn eigen bewustzijn het primum-verum waarvan elk man van wetenschap noodzakelijkerwijs uitgaat, en moet uitgaan, zoo volgt hieruit dat overeenstemming tusschen beiden niet kan gevonden worden, dat elke poging daartoe vooruit met onvruchtbaarheid is geslagen, en dat beiden niet anders kunnen noch als eerlijke mannen anders mogen, dan elk voor zich een wetenschap van heel den kosmos optrekken die past bij den grondslag die onwrikbaar vastligt in hun eigen zelfbewustzijn.

Ge voelt aanstonds hoe radicaal en principieel deze Calvinistische |131| oplossing van het zoo ingewikkeld en anders licht verbijsterend probleem is. De wetenschap wordt niet onderschat of op zij gedrongen, maar voor heel den kosmos en voor elk deel van dien kosmos gepostuleerd. De eisch wordt gehandhaafd, dat uw wetenschap één geheel vorme. En het verschil tusschen de wetenschap der Normalisten en der Abnormalisten wordt niet gefundeerd op eenig uiteenloopend resultaat van onderzoek, maar op het onloochenbaar verschil, dat het zelfbewustzijn des eenen van dat des anderen onderscheidt. Wat verdedigd wordt is alleen de vrije wetenschap tegenover haar tyrannieke tweeling-zuster. De Normalist poogt ons geweld aan te doen tot in ons eigen bewustzijn. Hij houdt ons voor dat ons zelfbewustzijn aan het zijne gelijkvormig moet wezen, en dat wat er anders en meer in het onze is, zichzelf oordeelt als zelfbedrog. Met andere woorden, juist wat ons, in ons zelfbewustzijn, het hoogst en het heiligst is, en waarvoor ons nooit eindigende dank aan onzen God uit de ziel ontvloeit; dat wat ons kostelijker en zekerder is dan ons leven, wil de Normalist ons ontrooven en leugen in onze eigene ziel heeten. En daartegen nu waakt met koninklijke fierheid het geloofsbewustzijn en de verontwaardiging in ons eigen hart op. Laat men ons in de wereld achteruitzetten en benauwen, maar voor het minst in het heiligdom van ons hart zullen we ons door geen ander de wet laten voorschrijven. De vrijheid van den Normalist, om uit de praemisse van zijn eigen bewustzijn een wel ineensluitende wetenschap op te bouwen, zullen wij niet aanranden, maar ons recht en onze vrijheid om desgelijks te doen, zullen we, als het moet ten koste van elken prijs, verdedigen.

De rollen, en doordringt u hiervan wel, zijn thans omgekeerd. Voor nog niet zoo lange dagen golden de hoofdstellingen van het Abnormalisme voor alle wetenschappen aan schier alle Universiteiten, en de enkele Normalisten die toen reeds principieel hiertegenover stonden, hadden het hard te verantwoorden, om een plek te vinden voor het hol van hun voet. Eerst heeft men ze vervolgd, toen vogelvrij verklaard, daarna hoogstens geduld. Maar thans zijn zij meester van het terrein, beschikken over allen invloed, bezetten negentig procent van alle Katheders, en zoo heeft de |132| Abnormalist, die uit het officieele huis verdrongen is, thans zijnerzijds de plek te zoeken, waar hij het hoofd nederlegge. Vroeger hebben wij hun de deur gewezen, en thans wreekt zich deze aanranding van de vrijheid daarmeê dat zij ons op straat zetten, en de vraag is nu maar of de moed, de volharding, de veerkracht, die hen hun pleit in ’t eind deed winnen, God geve het, in nog verhoogde mate ook bij de wetenschappelijke Christenen zal gevonden worden. Gij kunt, ik zeg meer, gij moogt er zelfs niet aan denken, om aan wie uit een ander bewustzijn leeft de vrijheid van de gedachte, van het woord en van de drukpers te ontnemen. Dat ze van hun standpunt al het u heilige afbreken is onvermijdelijk, en dit juist moet u den scherpen prikkel in de lendenen drijven om ook uwerzijds niet in moedelooze klacht of in mystiek gevoel of in practische veelbezigheid een ontlasting voor uw wetenschappelijk gemoed te zoeken, maar om ook zelf principieel door te denken, ook zelf het woord der wetenschap op te nemen, en ook zelf de drukpers onder den last uwer studiën te doen zweeten. Thans nog te denken: Als wij de Theologie maar redden, geven we willig de profane wetenschap aan onze tegenstanders prijs, is struisvogelpolitiek. U tot redding van uw bidcel te bepalen als heel het overige van uw huis in brand staat, is het werk van dwazen. Reeds Calvijn zag het anders en beter in, toen hij riep om een Philosophia Christiana, en ten slotte is er niet ééne faculteit en in geen der faculteiten één enkele wetenschap, die niet, op wat afstand ook, met uw beginsel saamhangt, en daarom ook niet door ons beginsel moet doordrongen worden. En evenmin moogt ge uw heil zoeken in dat ziende-blind zijn, waarin zoo tal van Christenen een veilig schild achten te vinden. Wat astronomen of geologen, wat physici of chemici, wat zoölogen en bacteriologen, wat historici of archeologen aan het licht brengen, moet, mits losgemaakt van de hypothese die zij er achter schoven, en van de conclusiën, die ze eruit getrokken hebben, als feit door u gecontroleerd, na controleering vastgesteld en in het geheel van uw wetenschap worden opgenomen.

Maar juist om dit mogelijk te maken moet het universitaire leven dan ook een radicale verandering ondergaan. Dusver onderstelde het universitaire leven, dat de wetenschap slechts uit |133| één gelijksoortig menschelijk bewustzijn opkomt, en dat alleen kunde en knapheid besliste voor uw aanspraak op een katheder. Aan twee reeksen van universiteiten, die elk met een eigen beginsel van wetenschap tegenover elkander stonden, dacht men langen tijd niet. Sinds echter het wereldbeheerschend conflict tusschen de Normalisten en Abnormalisten principieel doorbrak, begon over een weer de behoefte aan splitsing van het universitaire leven, al naar gelang men wetenschap uit het eene of uit het andere beginsel bedoelde, meer algemeen gevoeld te worden; de heroieke gedachte van Willem de Zwijger toen hij Leiden tegenover Leuven plaatste 2). Het eerst traden te dien einde, ik spreek nu alleen van Europa, de ongeloovige Normalisten op door de stichting van de Université Libre te Brussel. Reeds vroeger was in hetzelfde België de Roomsche universiteit te Leuven, krachtens oude traditiën, tegenover de neutrale universiteiten van Gent en Luik komen te staan. In Zwitserland verrees te Freiburg een universiteit, die nu reeds naam maakte, als belichaming van het Roomsche beginsel. In Engeland volgt men te Dublin hetzelfde stelsel. In Frankrijk staan Roomsche faculteiten tegen de Staatsfaculteiten over. En ook in Nederland verrees te Amsterdam de |134| Vrije Universiteit, ter beoefening van de wetenschappen op den grondslag der Calvinistische beginselen. Trekt nu, naar eisch van het Calvinisme, én Kerk én Overheid, ik zeg niet haar milde hand, maar haar hoog gezag uit het universitaire leven terug, om de universiteit op eigen wortel te laten bloeien, dan zal die begonnen splitsing vanzelf en ongestoord doorwerken, en ook op dit terrein blijken, hoe alleen in vreedzaam uiteengaan van wat in beginsel anti-thetisch is, de waarborg ligt voor bloei, eerlijke positie en goede verstandhouding.

Romes keizers joegen het valsche ideaal na van den éénen Staat, en eerst de splitsing van hun ééne wereldrijk in een veelheid van zelfstandige volken heeft Europa tot hooger ontwikkeling gebracht. Toen geraakte Europa onder de bekoring van de ééne Wereldkerk, tot de Reformatie ook die illusie brak, en sinds het Christelijk levens nergens tot hooger bloei kwam dan in Amerika’s Staten, waar de veelvormigheid een eigen belichaming schonk aan elk afwijkend beginsel. Alleen in de ééne Wetenschap handhaaft zich thans nog de oude vloek der eenvormigheid; maar ook van haar mag geprofeteerd, dat de dagen van haar gekunstelde eenheid geteld zijn, en ook hier zal ten slotte èn het Roomsche èn het Calvinistische èn het Evolutionistische beginsel een eigen wetenschappelijk leven doen ontstaan, en doen bloeien in veelvormigheid van universiteiten.

Er moet systeem in elke wetenschap, samenhang in elk onderwijs, eenheid in elke opleiding wezen. Vrij is alleen wat streng aan zijn eigen beginsel gebonden, alle onnatuurlijke banden kan afwerpen. En zoo zal, dank zij den weg ons door het Calvinisme ontsloten, ook de vrijheid der wetenschap ten slotte daarin triumpheeren, dat elk beginsel de macht erlangt om eigen wetenschap uit zijn wortel te doen opbloeien, maar ook, dat geen wetenschap het hoofd met eere zal kunnen opheffen, zonder voor aller oog het vizier te ontsluiten, en met gulden letters op haar schild het beginsel te doen schitteren, waaraan ze haar kracht ontleent en waarvoor ze leeft.




1. Verkondigers van nieuwe denkbeelden.

2. Dat het stellen van Universiteit tegenover Universiteit ter belichaming van eigen levensbeginsel reeds in de 16e eeuw door de Gereformeerden in practijk werd gebracht, wordt ook opgemerkt door Albert Hallez, zie Studiën en Bijdragen van Moll en De Hoop Scheffer, III, p. 153: Heutzutage wo die Confessionsunterschiede etwas abgeblasst sind, werden auch die Hochschulen und Theologischen Facultäten, an denen die Theologen ihre Bildung suchen, nicht mehr so genau nach Confessionsangehörigkeit ausgewählt. Grosse, geistvolle Lehrer ziehen, oft bestimmt die Nähe oder die Lage an den grossen Communicationswegen, zum Besuch einer Hochschule. Eine Universität „nebenaus” hat dadurch schon eine weniger allgemeine, mehr locale Bedeutung. So war es früher nicht, noch im Anfang unseres Jahrhunderts nicht, noch viel weniger in der Reformationszeit, wo Confession gegen Confession stand; und auf die Unterschiede derselbe nicht wenig Gewicht gelegt wurde, wo darum alle die kleinen Universitäten Altorf, Marburg, Wittenberg, Helmstadt, Rinteln, Duisburg, Frankfort a./O., Herborn u.s.f. florirten um der Richtung willen, welche sie vertraten. Man suchte die Hochschulen auf, welche im Dienste derjenigen Confession standen, welcher man selbst angehörte, wo nämlich entweder die reine Lutherische oder die reine Reformirte Lehre gelehrt wurde; und wo eine Aenderung des Confessionellen Lehrcharacters einer Universität eintrat, da verlor dieselbe ihre Anziehungskraft für ihre bisherige Besucher.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000