Derde lezing

Het Calvinisme en de Staatkunde.

Mijn derde lezing verlaat de erve der Religie en treedt over op het terrein van den Staat, de eerste overgang uit den heiligen kring naar het breede veld van ’s werelds leven. Het wanbegrip, alsof het Calvinisme een uitsluitend kerkelijke en dogmatische beweging vertegenwoordigde, vindt dus nu eerst zijn principieele en zakelijke bestrijding. De religieuse beweegkracht van het Calvinisme heeft, juist omdat ze niet enkel de takken besnoeide en den stam zuiverde, maar tot aan den wortel zelf van het leven raakte, ook aan de politieke samenleving een eigen grondgedachte ondergeschoven. Dat dit zoo zijn moest, staat reeds op zichzelf vast voor een ieder, die doorziet, hoe er nooit één staatkundig stelsel tot heerschappij is gekomen, dat niet zijn grondslag vond in een eigenaardige religieuse beschouwing; en dat het ten opzichte van het Calvinisme zoo was, blijkt uit den staatkundigen ommekeer, dien het in Nederland, in Engeland en in Amerika, de drie historische landen der politieke vrijheid, zienderoogen tot stand bracht. Alle deskundige historieschrijvers beamen dan ook om strijd Bancroft’s woord: »The fanatic for Calvinism was a fanatic for liberty, for in the moral warfare for freedom, his creed was a part of his army and his most faithful ally in the battle” 1), iets wat Groen van Prinsterer aldus uitsprak, dat »in |70| het Calvinisme de oorsprong en waarborg ligt voor onze constitutioneele vrijheden”. Dat het Calvinisme het Staatsrecht eerst voor West-Europa, straks in twee werelddeelen, en thans al meer voor alle beschaafde volken in nieuwe banen heeft geleid, wordt dan ook, nog wel niet door de publieke opinie, maar dan toch in alle wetenschappelijke studie toegegeven. Maar voor het doel dat ik mij voorstelde, is de constateering van dit gewichtige feit niet genoeg. Om overtuiging te wekken, en om voor de toekomst den invloed van het Calvinisme op onze staatsrechtelijke ontwikkeling te verlevendigen, moet worden aangetoond aan welke politieke grondgedachten het Calvinisme ingang schonk, en op wat wijze deze politieke denkbeelden met den religieusen wortel van het Calvinisme samenhangen. Het grondbeginsel van het Calvinisme is de volstrekte souvereiniteit van den Drieëenigen God over alle geschapen leven, hetzij dit zienlijk of onzienlijk zij. Op aarde kent het derhalve geen andere dan de afgeleide souvereiniteit, en dat wel een drievoudige: in den Staat, in de Maatschappij en in de Kerk. Vergunt mij dan het hier vereischte betoog te voeren, door achtereenvolgens stil te staan bij deze drieërlei afgeleide souvereiniteit, 1º. de souvereiniteit in den Staat, 2º. de souvereiniteit in de kringen van het volksleven, en 3º. de souvereiniteit in Christus’ Kerk op aarde.

*

Eerst dan de souvereiniteit in dien politieken kring, dien men den Staat noemt; en dan moet toegegeven, dat de aandrift tot vorming van staten opkomt uit ’s menschen sociale natuur, wat reeds Aristoteles noemde dat de mensch is een .ã@< B@84J46`<. God had de menschen ook als losse, naast elkander staande, elkaar niet rakende individuën kunnen scheppen. Gelijk Adam afzonderlijk geschapen werd, zoo had ook de tweede, de derde en voorts elke mensch uit eigen hoofde tot existentie kunnen geroepen zijn; maar zo is het niet geschied. De mensch wordt uit den mensch geboren, en hangt krachtens die geboorte organisch met heel het geslacht saam. In wat millioenen ook gepulveriseerd, we vormen saam de ééne menschheid, niet alleen met wie nu leven, maar met alle geslachten, die achter ons liggen of na ons zullen komen. Uit |71| éénen bloede is heel ons menschelijk geslacht. Hiermeê echter rijmt de Staatsidee, die de aarde in werelddeelen, en elk werelddeel in brokstukken indeelt, niet. De organische eenheid van ons geslacht zou dan eerst ten volle uitkomen, wanneer één rijk heel de wereld omvatte, en in dat ééne wereldrijk heel de menschheid organisch saamleefde. Buiten de zonde zou dit dan ook geschied zijn. Indien niet de zonde als ontbindende kracht de menschheid in onderscheidene deelen had uiteen gedreven, zou niets de eenheid van ons geslacht gestoord en gebroken hebben. En de fout der Alexanders, der Augustussen en der Napoleons was niet, dat de gedachte van het ééne wereldrijk hen bekoorde, maar dat ze dit denkbeeld verwezenlijken wilden in eene door zonde stukgebroken wereld. Ook het internationale cosmopolitische streven der Sociaal-democratie heft in zijn eenheidsgedachte een ideaal omhoog, dat ons deswege toespreekt, al grijpt men ook in deze actie naar het onbereikbare, doordien men dit hooge en heilige ideaal nu reeds, in deze zondige wereld, verwerkelijken wil. Ja zelfs de Anarchie, opgevat als het streven om met de Overheid alle mechanische saambinding onder menschen af te schaffen, en een nieuwe organische saambinding uit de natuur zelve te laten opkomen, is niets dan het teruggrijpen naar het verloren paradijs, want zonder zonde zou er metterdaad noch magistraat noch staatsordening ooit geweest zijn, maar heel het leven zich uit het huiselijk leven patriarchaal hebben ineengeschakeld. Buiten zonde is geen rechtbank, geen politie, geen leger, geen vloot denkbaar, en evenzoo zou alle regeling en ordinantie en wet wegvallen, en wegvallen eveneens alle contrôle en magistraal ingrijpen, waar het leven normaal en zonder stoornis zich uit eigen aandrift ontplooide. Wie legt verband aan waar geen breuke is? wie grijpt naar krukken die zelf vlug ter been is? Alle vorming van staten, alle optreden van de Overheid, alle mechanisch dwangmiddel om orde en goeden gang in het leven te waarborgen, is alzoo steeds iets onnatuurlijks, iets waar een diepere trek van onze natuur tegen in verzet komt, en dat juist deswege aanleiding kan geven én tot schrikkelijk misbruik van macht bij de machthebbers, én tot overmoedig verzet bij de groote menigte. Hieruit is de eeuwenoude en eeuwenlange strijd tusschen Gezag en Vrijheid |72| geboren, en het is de ingeschapen dorst naar vrijheid, die het van God verordende middel bleek om het zoo licht in despotisme overslaand gezag te breidelen.

Alle recht inzicht in den aard van het staatsleven en het optreden der Overheid eenerzijds, maar ook anderzijds in het recht en den plicht om voor de vrijheid pal te staan, hangt alzoo juist aan wat het Calvinisme ten deze als primordiale waarheid op den voorgrond schoof, t.w. dat God Overheden heeft ingesteld om der zonde wil. De lichtzijde en de schaduwzijde van het Staatsleven beiden, liggen in die ééne gedachte. De schaduwzijde, want die kunstmatig gevormde staten behoorden er niet te zijn, er moest maar één wereldrijk wezen; die Overheid regeert mechanisch, en hoort eigenlijk bij onze natuur niet; en ook dat Overheidsgezag wordt door zondige menschen uitgeoefend en is alzoo behept met allerlei heerschzuchtig bedoelen. Maar ook de lichtzijde, want een zondige menschheid zonder verdeeling in staten, zonder wet en overheid, en zonder regelend gezag levend, zou thans een hel op aarde geven, een herhaling van wat op aarde bestaan heeft toen God het eerst verwilderde geslacht in den zondvloed verdronk. Door zijn diepe opvatting van de zonde heeft alzoo het Calvinisme den wezenlijken wortel van het Staatsleven blootgelegd, en ons tegelijk tweeërlei ingeprent. Ten eerste, dat we het Staatsleven en de Overheid als nu onmisbaar redmiddel dankbaar uit Gods hand ontvangen zullen; maar ook ten andere, dat we krachtens onze natuurlijke aandrift steeds tegen het gevaar dat in de staatsmacht voor onze persoonlijke vrijheid schuilt, op onze hoede moeten zijn.

Doch het Calvinisme deed meer. Gelijk de diepte der donkerheid niet begrepen wordt dan door de tegenstelling met het licht, zoo kan ook de diepte der zonde niet verstaan worden dan door ook op dit punt alle natie en volk voor het licht van Gods aanschijn te stellen. Ook hier moest niet het volk hoofdzaak zijn, zoodat God er slechts bij kwam, om dat volk te helpen in nood; maar omgekeerd, moest God in zijn majesteit voor aller oog schitteren en alle volk, in de weegschaal opgewogen, als niets bij Hem zijn geacht. Van de einde der aarde daagt God de natiën en volken voor zijn hooge vierschaar. Alle die natiën heeft God geschapen. |73| Ze bestaan om Hem. Ze zijn zijn eigendom. En daarom hebben alle deze volken, en in hen de geheele menschheid, te bestaan voor zijn eer, en dus naar zijn ordinantiën, want juist in het wel-gaan als het gaat naar zijn ordinantiën, moet zijn Goddelijke wijsheid uitblinken. Als dus de menschheid door zonde in veelheid van afgescheiden volken uiteenbreekt, en in den boezem dier volken de zonde verdeelt en verscheurt en woelt in allerlei schande en ongerechtigheid, eischt de eere Gods dat deze gruwelen gestuit worden, dat er orde in dezen chaos terugkeere, en dat een macht van buiten dwingend optrede om menschelijke samenleving mogelijk te maken. Daartoe heeft God en God alleen het recht. Geen mensch heeft recht over een anderen mensch, of het moet zijn, en wordt aanstonds, het recht van den sterkste. Zooals de tijger over het weerlooze hert heerscht in het woud, heerschte ook aan de oevers van den Nijl een Pharao over de voorouders der Fellahîn van Egypte. Ook kan geen groep van menschen door overeenkomst, uit eigen hoofde, u tot gehoorzaamheid aan een medemensch dwingen. Of wat zou het mij binden, dat voor vele eeuwen een mijner voorvaderen een staatkundig verdrag aanging met andere lieden uit dien tijd? Als mensch sta ik fier en vrij tegenover elken medemensch. Ik spreek niet van het gezin, want hierin heerschen natuurlijke banden, maar in den staatskring zwicht en buig ik niet voor wie mensch als ik is. Gezag over menschen kan niet uit menschen opkomen. Ook niet van de meerderheid over de minderheid, of toont niet de historie schier op elke bladzijde dat juist de minderheid gelijk had? En zoo voegt zich dan bij de eerste Calvinistische stelling, dat alleen de zonde het optreden van het Overheidsgezag noodzakelijk heeft gemaakt, deze tweede niet minder gewichtige: dat alle Overheidsgezag op aarde eeniglijk afvloeit uit de souvereiniteit Gods.

Als God mij zegt: Gehoorzaam, dan, ja, buig ik diep eerbiedig het hoofd zonder dat dit mijn persoonlijke eere als mensch te na komt. Even smadelijk toch als ge u verlaagt door te bukken voor een menschenkind, wiens adem in zijne neusgaten is, even hoog verheft het u, zoo ge zwicht voor het gezag van den Heere des hemels en der aarde. Zoo blijft het |74| dan bij het woord der Schrift: »Door Mij regeeren de koningen,” of ook bij het woord van den apostel: »Alle macht die er is, is uit God, zoodat wie zich tegen de macht stelt, God wederstaat.” De Overheid een instrument van gemeene gratie, om de ongebondenheid en den gruwel te stuiten en den goede tegen den kwade te beschermen. Maar zij is meer nog. De Overheid is bij dat alles door God ingesteld als zijn dienaresse, om het kunst werk Gods in zijn schepping der menschheid voor algeheele vernietiging te bewaren. Het zijn Gods ordinantiën, het is Gods bestel, het is Gods gerechtigheid, het is Gods eere als Opperste Kunstenaar en Bouwmeester, die door de zonde worden aangerand. En nu stelde God magistraten in, om tegenover dat woelen der zonde zijn gerechtigheid te handhaven, en geeft daartoe aan de Overheid zelfs het ontzettende recht over leven en dood. Daarom regeert alle Overheid in keizerrijken en in republieken, in steden en in staten, »bij de gratie Gods”. Daarom draagt de justitie een heilig karakter. En daarom ook is een iegelijk onzer tot gehoorzaamheid verbonden, niet om der straffe wil alleen, maar in de consciëntie.

Hoe nu de Overheid wordt ingesteld en in wat vorm ze optreedt, Calvijn heeft het uitdrukkelijk verklaard, verandert aan dit wezen van het Overheidsgezag niets. Voor zichzelf, het is bekend, gaf hij aan de republiek de voorkeur en gevoelde voor het ideëele recht der monarchie, als ware dit de eeniglijk van God gewilde regeeringsvorm, niets. Dit was wel zoo, buiten zonde. Dan toch ware God zelf aller eenige Koning gebleven, iets wat terugkeert in de heerlijkheid die komt, als het eens weer God alles in allen zal zijn. Gods eigen rechtstreeksch regiment is, dit duldt onder monotheïsten geen tegenspraak, volstrekt monarchaal. Maar voor de mechanische gezagsinstelling, die thans om der zonde wil in ons leven is ingeschoven, achtte Calvijn, juist om het gevaar dat de zonde met zich bracht (met beroep op Spreuk. XI : 14: »De behoudenis is in de veelheid der raadslieden”) een verdeeling van het gezag over meerdere personen, d.i. een republiek, in den regel verkieslijk. Toch kon dit in zijn stelsel slechts een gradueel verschil van practische voortreffelijkheid, nooit een principieel onderscheid voor het wezen van de Overheid uitmaken. Monarchie, aristocratie en democatie zijn alle drie |75| voor hem denkbare en bruikbare vormen, mits maar bij elk dezer drie onveranderlijk aan het alles beheerschend grondbeginsel worde vastgehouden, dat het gezag over menschen aan niemand op aarde toekomt, tenzij het op hem gelegd zij bij de gratie Gods, en alzoo niet de mensch, maar God zelf ons tot gehoorzaamheid kome verplichten.

De vraag, hoe de aanwijzing geschiedt van de personen, die van Godswege met het Overheidsgezag bekleed zullen worden, is volgens Calvijn noch voor alle volken noch voor alle tijden op gelijke wijze te beantwoorden. Toch aarzelt hij niet, in ideëelen zin uit te spreken, dat de meest begeerlijke toestand dan aanwezig is, als het volk zijn eigen overheden kiest. 2) Waar die toestand bestaat, acht hij dat het volk hierin dankbaar een gunste Gods heeft te erkennen, juist zooals het door meer dan ééne van uwe Constitutiën in den aanhef is uitgedrukt: »Grateful to Almighty God, that He gave us the power to choose our own magistrates.” 3). In zijn commentaar op Samuël roept Calvijn zulke volken dan ook toe: »En gij, volken, aan wie God de vrijheid gegeven heeft, om uw eigen overheden te kiezen, ziet toe, dat gij deze gunst niet verbeurt door deugnieten en vijanden Gods tot de hoogste eereposten te verkiezen” 4). Ik voeg hier nog bij dat deze keuze door het volk vanzelf intreedt, waar geene andere ordening bestaat of de bestaande wegvalt. Bij stichting van nieuwe staten, anders dan door verovering of geweld, is steeds het eerste gezag door volkskeuze gevestigd; en ook waar ten gevolge van het uitsterven van een koningsgeslacht, zonder regeling van het erfrecht, of ook tengevolge van gewelddadige omkeering, het hoog gezag in het ongereede was geraakt, kwam het volk steeds in zijn vertegenwoordigers op om het te herstellen. Maar even belist legt Calvijn er nadruk op, dat God vrijmachtig is om, in het bestel zijner |76| Voorzienigheid, aan een volk dezen meest gewenschten toestand te ontnemen of ook van meet af niet te geven, als het volk er óf onbekwaam voor was óf het ten hoogste verbeurd had door zijne zonde. En dan wijst het geschiedkundig verloop van een volk vanzelf uit, op wat andere wijze de opdracht van het gezag plaats heeft. Dan kan die opdracht voortvloeien uit erfrecht, gelijk in de erfelijke monarchie. Ze kan de uitkomst zijn van een hardnekkigen oorlog, gelijk Caesar door Pilatus macht over Jezus bezat, »hem van boven gegeven”. Ze kan uitgaan van keurvorsten, gelijk in het aloude Duitsche keizerrijk. Ze kan berusten bij de staten der gewesten, gelijk in de oude Republiek der Nederlanden. Kortom zij kan allerlei vormen aannemen, omdat de graad van ontwikkeling der volkeren zoo eindeloos verschilt. Een regeeringsvorm als de uwe zou in China geen dag stand houden. Het volk van Rusland is zelfs nu nog onrijp voor elken constitutioneelen regeeringsvorm. En onder de Kaffer- en Hottentotstammen in Afrika zou zelfs een bewind als in Rusland bestaat, ondenkbaar wezen. Dit alles nu bestelt en regelt God door het verborgen raadsbesluit zijner Voorzienigheid. Doch op wat wijs de opdracht van het hoog gezag ook plaats hebbe, dat gezag zelf blijft Goddelijk in oorsprong, en wel hem, die er Gods souvereiniteit in eert.

Dit is daarom geen theocratie. Van theocratie was alleen onder Israël sprake, omdat God in Israël rechtstreeks tusschenbeide trad en zoo door de Urim en Thummim, als door de Profetie, zoo door zijn reddende wonderen als door zijn oordeelen, het rechtsbewind en de leiding van zijn volk zelf in eigen hand hield. Wat daarentegen het Calvinisme met zijn belijdenis van de souvereiniteit Gods bedoelt, geldt voor heel de wereld, gaat door voor alle volk, en houdt stand bij elk gezag, dat een mensch over een mensch uitoefent, zelfs bij het gezag, dat van de ouders over hun kinderen gaat. Een politieke belijdenis alzoo summierlijk in deze drie grondstellingen saam te vatten: 1º. Alleen God, en nooit een éénig schepsel, bezit souverein beschikkingsrecht over de volkeren, omdat God alleen de natiën schiep, door zijne almachtigheid in stand houdt, en door zijne ordinantiën regeert. 2º. De zonde heeft op |77| politiek terrein de rechtstreeksche heerschappij Gods weggebroken, en deswege is toen als mechanisch hulpmiddel de uitoefening van het Overheidsgezag onder menschen ingesteld. En 3º. onder welken vorm dit Overheidsgezag ook optrede, nooit bezit de eene mensch macht over een ander mensch, anders dan door een gezag dat uit de majesteit Gods op hem is afgedaald.

*

Tegen deze Calvinistische belijdenis nu staat tweeërlei andere theorie, die van de Volkssouvereiniteit, gelijk ze 1789 antitheïstisch te Parijs geproclameerd is, en die van de Staatssouvereiniteit, gelijk de historisch-pantheïstische school in Duitschland haar uitspon, lijnrecht over. Beide theorieën zijn in haar diepsten grond één, maar eischen duidelijkheidshalve toch afzonderlijke bespreking.

Wat dreef, wat bezielde de geesten in de groote Fransche revolutie? Geërgerdheid over ingeslopen misbruiken? Afkeer van gekroond despotisme? Een fier opkomen voor de rechten en vrijheden des volks? Ten deele zeker, maar in dit alles lag zoo weinig zonders, dat ook de Calvinist veeleer dankbaar in dat drieërlei opzicht het oordeel Gods, dat destijds te Parijs voltrokken werd, eerbiedigt. Maar in dat wegruimen van het misbruik school dan ook de drijfkracht dier Revolutie niet. Edmund Burke, het beginsel, dat in de »glorious Revolution« van 1688 triomfeerde, met het beginsel der Revolutie van 1789 vergelijkend, zegt: »Our Revolution and that of France are just the reverse of each other in almost every particular and in the whole spirit of the transaction”. 5) Ook uw eigen opstand tegen Engeland heeft Edmund Burke, die feller dan iemand de Fransche Revolutie bestreed, manmoedig verdedigd, als opgekomen uit een »principle of energy showing itself in this good people the main cause of a free spirit, the most adverse to all implicit submission of mind and opinion« 6) |78| Van Nederlands opstand tegen Spanje kan hetzelfde gezegd. Al deze omwentelingen lieten de eere Gods onaangeroerd, en gingen juist uit van de erkenning van zijn majesteit. Van den opstand tegen Spanje onder Willem den Zwijger stemt ieder dit toe. Ook is dit nimmer betwijfeld van de »glorious Revolution«, door Willem den Derde van Oranje tegen de Stuarts ondernomen. Maar het geldt evenzeer van uw eigen Revolutie. In de declaration of Independence spreekt John Hancock het met zoovele woorden uit; dat Amerika optrad krachtens »the law of nature and of nature’s God«, dat men handelde als »endowed by the Creator with certain unalienable rights«, dat men zich beriep op »the supreme Judge of the world for the rectitude of his intention« 7) en, dat men zijn „Declaration of Independence” deed uitgaan »with a firm reliance on the protection of Divine Providence« 8). In de „articles of Confederation” wordt het in den aanhef beleden »that it has pleased the great Governor of the world to incline the hearts of the legislators. 9) Ook in de preambule op de Constitutiën der meeste staten heet het: »Grateful to Almighty God for the civil, political and religious Liberty, which He has so long permitted us to enjoy, and looking to Him for a blessing upon our endeavours« 10), wordt God geëerd als »the Sovereing Ruler« 11), en wordt met name erkend, dat van God aan het volk toekwam »the right 12) to choose our own form of government« 13). In een der vergaderingen der Conventie deed Franklin den voorslag, om op een hachelijk oogenblik wijsheid bij God in den gebede te zoeken. En indien er nog bij iemand twijfel mocht rijzen of de Amerikaansche revolutie met die van |79| Parijs homogeen was, heft de felle strijd in 1793 tusschen Jefferson en Hamilton gestreden dien volkomen op, en blijft het oordeel van den Duitschen historiekenner Holtz onaangevochten: »Es wäre Thorheit zu sagen dass die Rousseausche Schriften einen Einfluss auf die Entwicklung in America ausgeübt haben« 14) Hamilton zelf sprak dit uit in dezen scherpen vorm: De beginselen van de Amerikaansche en de Fransche Revolutie lijken juist evenveel op elkaar, als de stille puriteinsche huismoeder op de echtbreukige vrouw in een Franschen schandaalroman. 15)

Tegen alle deze nationale omwentelingen, die met het gebed op de lippen, en in het vertrouwen op Gods hulpe, ondernomen werden, staat nu de Fransche Revolutie principieel over. Zij ignoreert God. Zij stelt zich tegenover God. Zij weigert een dieperen grondslag van het leven te erkennen, dan die in de natuur, d.i. hier in den mensch zelven, ligt. Het ni Dieu ni maître is hier het eerste artikel der belijdenis van het meest volstrekte ongeloof. God in zijn vrijmacht wordt onttroond, en de mensch met zijn vrijen wil op den troon geplaatst. ’s Menschen wil beschikt. ’s Menschen welbehagen beslist. Alle macht, alle gezag gaat van den mensch uit. Zoo komt men van den enkelen mensch op de vele menschen, en in die vele menschen als volk genomen schuilt dan de diepste bron van alle souvereiniteit. Er is dus niet als in uwe Staatsstukken sprake van een uit God afgeleide souvereiniteit, die door Hem, onder bepaalde omstandigheden, op het volk gelegd is, neen maar van een oorspronkelijke souvereiniteit, die overal, in alle staten, uit het volk zelf opkomt, en die eenvoudig berust in den menschelijken wil. Een volkssouvereiniteit alzoo, die met Godloochening volkomen gelijk staat. En hierin nu ligt de zelfverlaging. Op Calvinistisch erf, gelijk ook in uw Constitutie, voor God de knie gebogen, maar tegenover den medemensch fier het hoofd omhoog geheven; maar hier, op het standpunt der volkssouvereiniteit tegen God de vermetele vuist gebald, en onderwijl als mensch voor zijn |80| medemensch gekropen, en deze zelfverendering verguld door een fictie van een voor duizenden van jaren, door lieden, waarvan niemand heugenis heeft, gesloten contrat social. De uitkomst toonde dan ook hoe Nederlands opstand, Engelands »glorious revolution«, en uw opstand tegen Engeland de vrijheid in eere brachten, terwijl de Fransche revolutie tot geen ander resultaat leidde dan dat de vrijheid gekluisterd werd in de boeien van Staatsalmacht. Metterdaad geen land kende ooit droever staatshistorie dan Frankrijk in onze 19de eeuw.

Met dien waan er op fictie gegronde Volkssouvereiniteit heeft het geleerde Duitschland dan ook reeds sinds De Savigny en Niebuhr gebroken. De door hen gestichte Historische school heeft de aprioristische fictie van 1789 op de kaak gesteld. Elk kenner der Historie lacht er thans om. Alleen maar wat men er voor in plaats stelde, bracht ons nog verder van de wijs. Niet volkssouvereiniteit, neen Staatssouvereiniteit zou het nu zijn, een product van Duitschlands philosophisch pantheïsme. In de realiteit belichamen zich ideeën, en onder alle de verbindingen van mensch en mensch was de Staatsidee de hoogste, de rijkste, de volkomenste. Zoo werd de Staat een mystiek begrip. De Staat was een geheimzinnig wezen, met een schuilend ik, met een zich ontwikkelend Staatsbewustzijn, met een zich sterkenden Staatswil, door een langzaam proces zich bewegende naar een hoogste Staatsdoel. Het volk werd alzoo niet, gelijk bij Rousseau, genomen als de optelsom der individuën. Zeer terecht zag men het in: een volk is geen aggregaat, maar een organisch geheel. Dat organisme nu had zijn organische geledingen. Die kwamen historisch allengs uit. Door deze organen werkt de Staatswil, en voor dien Staatswil had alles te bukken. Deze Staatswil was oppermachtig, was souverein. Die souvereine Staatswil kon zich in een republiek, kon zich in een koningschap, kon zich in een Caesar, kon zich in een Aziatisch despoot, kon zich in een tirannie als van Philips van Spanje, of in een dictator als Napoleon uiten. Dit alles waren slechts vormen waarin de ééne Staatsidee zich belichaamde, stadiën van doorgang in het nooit eindigend proces. Maar in wat vorm dit mystieke wezen van den Staat zich ook openbaarde, de idee bleef oppermachtig, de Staat deed zijn |81| souvereiniteit kortweg gelden, en te zwichten voor deze Staats-apotheose bleef de steen der wijzen voor elk Staatslid. — Zoo vervalt elk transcendent recht in God, waartoe de verdrukte zich opheft. Er is geen ander recht dan het immanente recht, dat in de wet beschreven werd. De wet is recht, niet omdat haar inhoud aan de eeuwige beginselen van het Recht beantwoordt, maar omdat zij wet is. Stelt ze morgen vlak het tegenovergestelde vast, zoo zal ook dit recht wezen. En de vrucht van deze doodende theorie is dan ook dat het rechtsbesef wordt afgestompt, dat elke rechtsvastheid uit de gemoederen wijkt, en dat alle hoogere geestdrift gebluscht wordt. Wat is is goed, omdat het is, en niet een God die ons schiep en kent en die zelf hoog boven alle Staatsmacht uitgaat, maar de gedurig wisselende wil van den Staat, die niemand boven zich heeft, en daardoor feitelijk zelf God wordt, beslist hoe ons leven zal zijn. En als ge nu bedenkt, dat deze mystieke Staat alleen door menschen tot wilsuiting komt, en alleen door menschen zijn wil doorzet en handhaaft, behoeft het dan nog betoog, dat ook deze Staatssouvereiniteit de onderwerping van den mensch aan den mensch niet te boven komt en niet kan opklimmen tot een plicht der gehoorzaamheid, die zijn klem vindt in de consciëntie?

Zoowel tegenover de Volkssouvereiniteit der Encyclopaedisten, als tegenover de Staatssouvereiniteit der Duitsche Pantheïsten, handhaaf ik daarom hoog de souvereiniteit Gods, die als bron van alle gezag onder menschen door het Calvinisme geproclameerd is. Het Calvinisme handhaaft het hoogste en het beste in onze aspiratiën door alle mensch en alle volk voor het aanschijn van onzen Vader in de hemelen te plaatsen. Het Calvinisme rekent met het feit der zonde, dat men eerst weggegoocheld heeft, en nu in zijn pessimistische buitensporigheden als het wezen van ons aanzijn begroet. Het onderscheidt tusschen de natuurlijke ineenschakeling van onze organische samenleving, en het mechanisch verband dat het overheidsgezag ons aanlegt. Het maakt het zwichten voor het gezag licht, omdat het in elk gezag ons den eisch van de souvereiniteit Gods doet eerbiedigen. Het verheft ons van een gehoorzaamheid uit vreeze voor den sterken arm, tot een gehoorzaamheid om der consciëntie wil. Het leert ons van de bestaande wet |82| opzien tot de bron van het eeuwig Recht in God, en stort ons den onverwinbaren moed in, om rusteloos tegen het onrecht, ook van de wet, in naam van dat hoogste Recht te protesteeren. En hoe machtig ook de Staat uitbreke en de vrije persoonlijke ontwikkeling in gedrang brenge, boven dien machtigen Staat schittert voor ons zielsoog steeds als nog oneindig machtiger de majesteit van den Koning der koningen, bij wiens vierschaar steeds het recht van appèl voor elken verdrukte openstaat, en tot wien steeds ons gebed blijft opgaan, of Hij ons volk, en in dat volk ons en ons huis, mocht zegenen.

*

Zóóveel over de Souvereiniteit in den Staat; komen we thans tot de „Souvereiniteit in eigen kring”. Hieronder wordt van Calvinistische zijde verstaan, dat het huisgezin, het bedrijf, de wetenschap, de kunst, en zooveel meer, maatschappelijke kringen vormen, die niet aan den Staat hun aanzijn danken, noch ook aan de hoogheid van den Staat hun levenswet ontleenen, maar gehoorzamen aan een hoog gezag in eigen boezem, dat evenals de Staatssouvereiniteit heerscht bij de gratie Gods. De tegenstelling tusschen Staat en Maatschappij is hierbij in het spel, maar onder deze nadere bepaling, dat die Maatschappij niet als mengelmoes wordt genomen, maar ontleed in hare organische deelen, om in elk dier deelen het hun toekomend zelfstandig karakter te eeren. In dat zelfstandig karakter openbaart zich noodzakelijkerwijs gezag. Dit gezag moge in onderscheidene kringen met trappen opklimmen, maar neemt ten slotte toch den vorm aan van een hoogste gezag in dien kring. En dat hoogste gezag nu bestempelen we opzettelijk met den naam van „souvereiniteit in eigen kring”, om scherp en beslist uit te drukken, dat dit hoogste gezag in elken kring niets dan God boven zich heeft, en dat de Staat zich hier niet tusschen kan schuiven en hier niet uit eigen macht heeft te bevelen. Gelijk ge aanstonds gevoelt, het diep ingrijpend vraagstuk van onze Burgerlijke Vrijheden.

Hierbij nu is het van het uiterste gewicht, scherp het graadverschil in het oog te vatten tusschen het organische leven der |83| maatschappij, en het mechanisch karakter der Overheid, waarop ik reeds herhaaldelijk wees, maar dat hier breeder moet toegelicht. Al wat onder menschen regelrecht uit de schepping opkomt, bezit alle gegevens voor eigen ontwikkeling in de menschelijke natuur als zoodanig. Ge doorziet dit terstond aan het huisgezin en het verband van bloed- en aanverwanten. Uit de tweeheid van man en vrouw komt het huwelijk op. Uit het eerst voorkomen van één man en ééne vrouw de monogamie. Uit het ingeschapen voorttelingsvermogen komen de kinderen voort. De kinderen bestaan elkander vanzelf als broeders en zusters. En als straks die kinderen op hun beurt huwen, ontstaan even vanzelf al die betrekkingen van bloed- en aanverwantschap die geheel het familieleven beheerschen. In dit alles is niets mechanisch. Het ontwikkelt zich vanzelf evenals de stengel en de twijgen aan de plant. En wel heeft de zonde ook hier storend ingewerkt, een veel tot een vloed gemaakt, wat ten zegen bedoeld was, maar die noodlottige doorwerking der zonde is gestuit door de gemeene gratie; en hoe ook de vrije liefde woele en het concubinaat ontheilige, voor de overgroote meerderheid van ons geslacht blijft het huwelijk de grondslag der menschelijke samenleving en blijft in het sociologisch saâmleven het huisgezin de primordiale kring. Ditzelfde nu geldt ook van de overige levenskringen. Ten gevolge der zonde moge de natuur om ons heen haar paradijsweelde verloren hebben, en de aarde ons nu doornen en distelen telen, zoodat er geen brood te eten is, dan in het zweet onzes aanschijns, de hoofdstrekking van alle menschelijke bemoeienis blijft toch ook nu wat ze krachtens de schepping en vóór de val in zonde was, t.w. de heerschappij over de natuur, en die heerschappij is niet anders te verwerven dan door aanwending der krachten, die dank zij de scheppingsordinantiën in de natuur zijn ingeschapen. Diensvolgens is alle wetenschap niet anders dan de natuurlijke productiviteit van ons verbeeldingsleven. Al geven we dus toe dat de zonde, gestuit door de »gemeene gratie”, in deze onderscheidene levensuitingen verlerlei wijziging aanbracht, die eerst na het verloren paradijs |84| opkwam en straks weer ondergaat als het rijk der heerlijkheid komt, toch is het grondkarakter van deze levensuitingen gebleven wat het oorspronkelijk was. Het is altegader scheppingsleven naar scheppingsordinantie, en die organisch zich ontwikkelend.

Maar zoo is het optreden der Overheid niet. Want wel zou ook buiten de zonde de behoefte zich geopenbaard hebben om de vele gezinnen in hoogere eenheid saam te vatten, maar die eenheid zou innerlijk gebonden hebben gelegen in het koningschap van God, dat regelmatig, regelrecht en harmonisch in aller hart en aller leven zou geheerscht en uitwendig zich zou belichaamd hebben in de patriarchale hiërarchie. Zoo zouden er niet Staten, maar zou er slechts één wereldrijk onder God als koning zijn geweest; juist datgene dus wat ons nu geprofeteerd is voor de toekomst, die ons na het wegsterven van alle zonde te wachten staat. Juist dit echter brak de zonde thans uit ons menschelijk leven uit. Die eenheid is er niet meer. Die heerschappij van God kan niet meer doorwerken. De patriarchale hiërarchie is verbroken. Thans kan en mag er geen wereldrijk meer zijn. Dat tóch gewild te hebben was de vermetelheid van Babels torenbouw. Zoo kwamen er volken en natiën. Die volken vormden staten. En over die staten stelde God Overheden aan. — Er is dus, als ik mij zoo mag uitdrukken, geen natuurlijk hoofd dat organisch uit het volkslichaam is uitgegroeid, maar een mechanisch hoofd, dat van buiten op den volksromp is opgezet. Een redmiddel voor den ontstanen misstand. Een stok bij de plant aangebracht om haar overeind te doen staan, daar ze anders, ten gevolge van haar innerlijke verzwakking, op den grond zou neerslaan. Het hoofdkenmerk nu van deze Overheid ligt in het recht over leven en dood. Ze draagt als attribuut, volgens het apostolisch getuigenis het zwaard, en dat zwaard heeft drieërlei beduidenis. Het is het zwaard der gerechtigheid, om den misdadiger aan den lijve te straffen. Het is het zwaard van den oorlog om de eer en het recht en het belang van den Staat tegen den vijand te verweren. En het is het zwaard van de orde, om binnenslands gewelddadig verzet te keer te gaan. Luther en de overige reformatoren wezen er dan ook op, hoe de eigenlijke instelling en met volmacht bekleeding van de Overheid eerst na den |85| zondvloed plaats greep, toen God het bevel liet uitgaan dat wie ’s menschen bloed vergoot, dien gruwel met de doodstraf boeten zou. Het recht om iemand het leven te benemen, komt alleen toe aan Hem, die het leven geven kan, d.i. aan God, en diensvolgens bezit niemand op aarde hiertoe wettige macht, tenzij God hem die verleend heeft. Daarom staat het Romeinsche recht, dat het jus vitae et necis aan den vader en aan den slavenhouder toevertrouwde, principieel veel lager dan Israëls recht, dat geen ander ontnemen van het leven kent dan door den magistraat of krachtens magistrale opdracht. In de justitie blijft dan ook onveranderlijk de hoogste taak der Overheid uitkomen, en voorts heeft zij zorg te dragen voor het volk als eenheid genomen, deels binnenslands opdat zijn eenheid steeds dieper doordringe en niet verstoord worde, deels tegenover het buitenland, opdat de nationale existentie geen schade lijde.

Resultaat nu hiervan is dat er in een volk eenerzijds allerlei organische levensuiting opwerkt uit de maatschappelijke kringen, en dat zich hoog boven deze de mechanische eenheidsdrang der overheid doet gevoelen. Hieruit nu ontstaat alle wrijving en botsing. De overheid toch neigt er steeds toe, om met haar mechanisch gezag in het maatschappelijk leven in te dringen, dit aan zich te onderwerpen, en het mechanisch te regelen. Dit is de Staatsalmacht. Maar ook anderzijds poogt het maatschappelijk leven steeds zich het overheidsgezag van de schouders te werpen, gelijk dit streven nu weer culmineert in de sociaal-democratie en het anarchisme, beide niets anders bedoelende dan dat de mechanische gezagsinstelling geheel wegvalle. Afgezien echter van deze beide uitersten, was elk gezond volks- en staatsleven steeds de historische uitkomst van de worsteling tusschen deze beide machten, en het is in het dusgenaamde constitutioneele staatsrecht dat gepoogd werd beider wederzijdsche verhouding op vaster voet te regelen. In die worsteling nu nam voor het eerst het Calvinisme positie. Zoo hoog als het de van God ingestelde magistrale autoriteit eerde, even hoog verhief het de van God, krachtens scheppingsordinantie, in de maatschappelijke kringen gelegde souvereiniteit. Het eischte voor beide zelfstandigheid in eigen |86| kring; en regeling van beider verhouding in de wet. En het is door dien gestrengen eisch dat het Calvinisme gezegd mag worden het constitutioneele staatsrecht uit zijn grondgedachte te hebben gegenereerd. Het getuigenis der historie is dan ook onwraakbaar, dat niet in de Roomsche noch ook in de Luthersche staten, maar in de volken met Calvinistisch type, dit constitutioneele staatsrecht het eerst en het best tot bloei kwam.

Grondslag is hier derhalve de grondgedachte, dat de souvereiniteit Gods waar ze op menschen nederdaalt, zich splitst in twee sferen, eenerzijds in de gezagssfeer van den Staat en anderzijds in de gezagssfeer van de maatschappelijke levenskringen, en dat in beide sferen het inwonend gezag souverein is, d.w.z. alleen God boven zich heeft. Toch mag hier niet voorbij gezien, dat de aard van deze souvereiniteit in beide sferen niet dezelfde is. In de gezagssfeer van den Staat dwingt ze mechanisch, d.i. uitwendig met den sterken arm; in de gezagssfeer van het maatschappelijk leven dwingt ze organisch, d.i. door moreel en inherent overwicht. En terwijl beide alzoo met een eigen karakter tegen elkander overstaan, vertoont het huisgezin alleen een vermenging van beide. Goede ouders heerschen moreel, maar handhaven ook in het uiterste geval de tucht. — Het mechanisch dwingende gezag der Overheid eischt hier geen verdere toelichting, wel het organisch-sociale gezag. Het duidelijkst ontwaart men het heerschappij voerend karakter van dit organisch-sociale gezag op het erf der wetenschap. In het voorbericht voor een uitgave van Lombardus Sententiae en van Thomas Aquinas’ Summa Theologica, schreef de geleerde Thomist: »Lombardus’ werk heeft honderd vijftig jaren geheerscht en Thomas voortgebracht, en na hem heeft Thomas’ Summa geheel Europa geregeerd (totam Europam rexit) gedurende vijf volle eeuwen en alle na hem komende theologen geteeld.” 16) Geef nu toe dat dit al te fier gesproken is, toch is het denkbeeld, dat hier tot uiting komt, onberispelijk juist. De heerschappij van mannen als Aristoteles en Plato, van Lombardus en Thomas, van Luther en Calvijn, van Kant en Darwin bestrijkt voor elk hunner een veld van eeuwen. |87| Genie is souvereine macht, vormt school, grijpt met onweerstaanbaar overwicht de geesten aan en oefent onmetelijken invloed op de geheele gestalte van het menschelijk leven. Die souvereiniteit nu van het genie is gave Gods, bij zijne gratie alleen bezeten, is aan niemand onderworpen en alleen verantwoordelijk aan Hem, die dit geniale overwicht schonk. Op het terrein der kunst ziet ge hetzelfde verschijnsel. — Elk geniaal kunstenaar is priester in den tempel der kunst, niet bij erfrecht noch bij aanstelling, maar uitsluitend bij de gratie Gods. En ook deze virtuosen leggen gezag op, onderwerpen zich aan niemand, maar heerschen over allen, en ten slotte buigt een ieder voor het overwicht van hun kunstgave. — Van de souvereine macht der persoonlijkheid dient hetzelfde beleden te worden. Persoonsgelijkheid is er niet. Er zijn zwakke, enghartige personen, met geen breeder vlerkgewip dan de huismusch, maar er zijn ook sterke, breede imponeerende karakters met den vleugelslag van den adelaar. Onder die laatsten vindt ge er dan weer enkelen met koninklijk karakter, en deze heerschen in hun kring, onverschillig of men voor hen wijkt of hen tegenstaat, bij tegenstand meest nog te krachtiger. En geheel datzelfde proces nu gaat op alle terreinen des levens door. Op het ambacht, in de fabriek, op de beurs, in den handel, bij de scheepvaart, op het terrein der weldadigheid en der menschenliefde. Telkens blijkt de een machtiger dan de andere te zijn, door zijn persoon, door zijn talent, door de omstandigheden. Overal is er heerschappij, maar eene heerschappij, die organisch werkt; niet krachtens staatsinvestituur, maar uit de souvereiniteit van het leven.

Hiermede in verband en op geheel denzelfden grond van organische meerderheid, vestigt zich, naast deze persoonlijke souvereiniteit, de souvereiniteit van den kring. De universiteit bezit wetenschappelijke macht, de academie voor schoone kunsten bezit kunstkracht, de gilde beschikt over technisch vermogen, de trade-union over arbeidskracht, en elk dezer kringen of corporatiën is er zich bewust van, dat zij op eigen terrein tot zelfstandig oordeelen bevoegd en tot krachtig handelen bekwaam is. Achter deze organische kringen met |88| intellectueele, aesthetische, of technische souvereiniteit, ontsluit zich dan de kring van het huisgezin met zijn huwelijksrecht, huisvrede, recht van opvoeding en bezitsrecht, en ook in dezen kring is het natuurlijk hoofd zich bewust, zijn daarop rustend gezag uit te oefenen, niet omdat de Overheid het hem toestaat, maar omdat God het hem opdroeg. Het vaderlijk gezag wortelt in het levensbloed zelf en is geproclameerd in het vijfde gebod. En ten slotte zij opgemerkt, dat ook het locale samenleven in steden en dorpen een levenskring formeert, die uit de noodzakelijkheid zelve van het leven opkomt, en daarom autonoom in eigen boezem moet zijn.

In velerlei onderscheiding zien we alzoo de souvereiniteit in eigen kring zich doen gelden, 1º. in de persoonlijke sfeer door de souvereiniteit van het genie en de persoonlijke meerderheid, 2º. in de corporatieve sfeer der universiteiten, gilden, genootschappen enz., 3º. in den domestieken kring van het gezin en huwelijksleven, 4º. in de gemeentelijke autonomie. In alle vier deze sferen nu heeft de Overheid niet eigenmachtig haar ordonnantiën op te leggen, maar de ingeschapen levenswet te eerbiedigen. God heerscht in die sferen even vrijmachtig als Hij in den staatskring door de Overheid heerschappij voert. Gebonden door haar eigen lastbrief, mag alzoo de Overheid den Goddelijken lastbrief, waaronder deze sferen staan, niet ignoreeren, noch wijzigen, noch verscheuren. De Overheids-souvereiniteit bij de gratie Gods gaat hier, om Gods wil, voor een andere souvereiniteit van even Goddelijken oorsprong uit den weg. Noch het wetenschappelijk leven, noch het kunstleven, noch de landbouw, noch de nijverheid, noch de handel, noch de scheepvaart, noch het huisgezin, noch het familieleven, noch het gemeentelijk leven mag gedwongen worden zich naar de gratie der Overheid te voegen. De Staat mag geen woekerplant zijn, die alle leven opslorpt. Op eigen wortel heeft ze te midden van de andere stammen haar plaats in het woud in te nemen, en alzoo alle leven dat zelfstandig opschiet, in zijn heilige autonomie te mainteneeren.

Beduidt dit dat de Overheid elk recht van inmenging in deze autonome levenssferen derft? Allerminst. Harer is en blijft de |89| drievuldige roeping: 1º. om bij botsing tusschen kring en kring over een weer eerbiediging van elks grenzen af te dwingen; 2º. de roeping om de enkele individuën, en het zwakke in die kringen tegen misbruik van overmacht te beveiligen, en 3º. de roeping om alle saam te dwinge ntot het praesteeren van persoonlijke en geldelijke lasten tot instandhouding van de natuurlijke eenheid in den Staat. Doch juist hierdoor ontstaat dan ook de wrijving en het gevaar voor botsing. De beslissing kan hier niet aan de Overheid unilateraal staan. Alleen de Wet kan hier elks recht uitwijzen, en het recht der burgerij over eigen buidel moet de machtsoverschrijding der Overheid tegengaan. En hier nu ligt het uitgangspunt voor die saamwerking van de souvereiniteit der Overheid met de souvereiniteit in de maatschappelijke kringen, die in de Constitutie haar regeling vindt. Naar de gesteldheid der dingen in zijn tijd werd dat voor Calvijn de leer der „magistratus inferiores”. Ridderstand, stederecht, gilderecht en zooveel meer leidde toen nog tot het optreden van sociale »staten” met eigen regeermacht, en uit de saamwerking van deze met de Hooge Overheid liet hij de Wet opkomen, en door deze het machtsmisbruik der Overheid weerstaan. Sinds hebben deze verhoudingen, die ten deele uit het leenstelsel waren opgekomen, algeheele wijziging ondergaan. Met magistrale macht zijn deze corporatiën of standen thans niet meer bekleed, en in plaats van deze alle saam trad thans het Parlement op, of met wat naam de generale vertegenwoordiging in de onderscheidene landen ook genoemd wordt, om voor allen en in aller naam de volksrechten en volksvrijheden bij en desnoods tegenover de landsoverheid tot haar recht te doen komen. Aan deze gezamenlijke verdediging gaf men boven afzonderlijk verweer de voorkeur, om het samenstel en de werking der Staatsinrichting eenvoudiger te maken, en sneller te doen functioneeren. Doch hoe ook in vorm gewijzigd, in den grond blijft het de oude Calvinistische gedachte, om het volk in al zijne rangen en standen, in al zijne kringen en sferen, in al zijne corporatiën en zelfstandige instituten, in gezond democratischen zin, wettelijk geregelden invloed op het vaststellen van de wet te geven. Geschil bestaat nog alleen over de belangwekkende |90| vraag, of men volharden zal bij de nu geldende oplossing van aller bijzondere rechten en vrijheden in het individueele stemrecht, dan wel of het geraden zal zijn hiernaast een corporatief stemrecht te plaatsen, dat tot afzonderlijk verweer bekwaamt. Een neiging naar organisatie openbaart zich thans opnieuw tot in de kringen van handel en nijverheid, en niet het minst van den arbeid, en zelfs tot uit Frankrijk zijn stemmen opgegaan, om het stemrecht zich aan deze organisatiën te laten aansluiten. Ik voor mij zou dit, mits niet eenzijdig, laat staan uitsluitend, toegepast, toejuichen, maar het zijn niet deze zwenkingen, die mij hier mogen ophouden. Hoofddoel van mijn betoog was u aan te toonen, hoe het Calvinisme door een van God ontvangen recht en souverein gezag ook in de sociale levenssferen te handhaven, protest indient tegen de almacht van den Staat, protest tegen de afschuwelijke voorstelling alsof er geen recht boven en buiten de geldende wet zou bestaan, en protest evenzoo tegen de hooghartigheid van het absolutisme dat geen grondwettelijke rechten kent dan als uitvloeisel van vorstengunst. Alle drie deze voorstellingen, die door het opkomend Pantheïsme weer zoo gevaarlijk gevoed worden, zijn de dood voor onze burgervrijheid, en aan het Calvinisme komt de eere toe, tegen dezen absolutistischen stroom een dam te hebben opgeworpen, niet door een beroep op volksgeweld, noch op waan van menschelijke hoogheid, maar door die rechten en vrijheden der burgermaatschappij te hebben afgeleid uit dezelfde Bron, waaruit het hoog gezag der Overheid vloeit, t.w. uit de absolute souvereiniteit Gods. Uit die ééne Bron in God vloeit de souvereiniteit in eigen kring, voor het huisgezin en voor elke sociale levenssfeer, even rechtstreeks als de overhoogheid van het Staatsgezag. Daarom hebben beide zich met elkander te verstaan, en beide staan onder de even heilige verplichting, om hun souverein gezag te handhaven en aan de majesteit Gods dienstbaar te maken. Een volk dat het gezinsrecht of een universiteit die het recht der wetenschap veil biedt aan overheidsinmenging, staat even schuldig voor God, als een natie die zich aan het overheidsrecht vergrijpt. En zoo is de strijd voor de vrijheid niet slechts voor geoorloofd verklaard, maar zelfs tot plicht gesteld voor een ieder in zijn kring, niet door, gelijk |91| in de Fransche revolutie, God opzij te zetten en den mensch in den troon der Almacht te plaatsen, maar juist door alle mensch, den magistraat incluis, diep eerbiedig te doen buigen voor de majesteit van den almachtigen God.

*

Als derde of laatste deel van deze lezing rest ons de bespreking van het nog neteliger vraagstuk, hoe in den Staat te oordeelen zij over de souvereiniteit der Kerk. Netelig noem ik dit vraagstuk, niet omdat ik over de conclusie aarzel, of ook ten opzichte van deze conclusie aan uwe instemming twijfel. Wat over vrijheid van eeredienst en juxtapositie van kerk en staat, eerst in uwe Constitutie verklaard, en straks in uwe Confessiën gewijzigd is, heft alle onzekerheid dienaangaande op. En wat mij persoonlijk aangaat, reeds voor meer dan het vierde eener eeuw schreef ik boven mijn blad de leus: »De vrije kerk in den vrijen Staat”; in harden strijd is die leuze door mij hoog gehouden; en ook in ónze Confessie staat het desbetreffend artikel te worden herzien. Het netelige van dit vraagstuk ligt elders. In den brandstapel van Servet. In het optreden van de Presbyterianen tegen de Independenten. In de beperking van vrijen eeredienst en in de »civil disabilities”, zelfs in Nederland eeuwenlang toegepast op de Roomschen. Het netelige ligt in het artikel onzer Belijdenis dat aan de Overheid de taak oplegt, »om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst.” Het netelige ligt in de eenparige en eenstemmige betoogen van Calvijn en zijn epigonen, die juist de tusschenkomst der Overheid in de zake der Religie vorderen. En nóg sterker spreekt dit netelige in het niet te loochenen feit, dat het niet zelden Baptisten en Remonstranten waren, die voor nu drie eeuwen, dit stelsel der vrije kerk tegen het Calvinisme verdedigd hebben. Voor de hand ligt dan ook de beschuldiging dat we met voor vrijheid van religie te kiezen niet den handschoen voor het Calvinisme opnemen, maar lijnrecht tegen het Calvinisme ingaan.

Ter afwering nu van dit onverkwikkelijk vermoeden, plaats ik den regel op den voorgrond, dat het bijzondere karakter van een stelsel niet gekend wordt uit wat het met andere voorafgaande stelsels gemeen |92| heeft, maar zich teekent in datgene waarin het van die voorafgaande stelsels verschilt. De roeping der Overheid om allen valschen godsdienst en afgoderij uit te roeien, dagteekent van Constantijn den Groote, en was de terugslag op de afschuwelijke vervolgingen, door zijn heidensche voorgangers op den keizerlijken troon aangewend tegen de sekte van den Nazarener. Sinds was dat stelsel door alle Roomsche theologen bepleit en door alle Christenvorsten toegepast. Dat in dat stelsel de waarheid school was in de dagen van Luther en Calvijn de algemeen gangbare overtuiging. Alle theologen van naam, Melanchton voorop, hebben dan ook Servets brandstapel goedgekeurd; en het schavot te Leipzig voor een streng Calvinist, Krell, opgericht droeg van Luthersche zijde een veel bedenkelijker karakter. Maar terwijl in de eeuw der Reformatie schier alleen de Gereformeerden, (die der Lutherschen en Roomschen zijn spoedig geteld), aan schavot en brandstapel hun slachtoffers bij tienduizenden geleverd hebben, begaat men nochtans in de historie de grove en verregaande onbillijkheid, om hún steeds dien éénen brandstapel van Servet als crimen nefandum te blijven voorwerpen. Desniettemin bestreur ik niet alleen dien éénen brandstapel, maar keur dien onvoorwaardelijk af. Edoch af, niet als de uiting van een specialen karaktertrek van het Calvinisme, maar, heel anders, als de fatale uiting van een eeuwenoud stelsel, dat het Calvinisme gevonden had, waarin het was opgegroeid, en waaraan het zich nog niet had ontworsteld. Wil ik daarentegen weten wat ten deze uit het eigen beginsel van het Calvinisme voortvloeit, dan is het vraagstuk geheel anders te stellen. Dan dient ingezien en erkend, dat dit stelsel, om afwijking in religie-aangelegenheden onder de crimineele jurisdictie der Overheid te brengen, regelrecht voortvloeit uit de overtuiging dat de kerk van Christus op aarde slechts in één vorm en als één instituut kan optreden. Alleen die ééne kerk was de Kerk van Christus, en al wat van haar afweek, werd geacht vijandig tegen die ééne ware kerk over te staan. De Overheid had dus niet te oordeelen, niet te keuren, noch zelf te beslissen. Er was slechts ééne kerk van Christus op aarde, en die eenig denkbare kerk had zij tegen schisma, haeresie en secte te beveiligen. Doch breek die ééne kerk, geef toe dat de kerk van Christus in onderscheidene |93| landen, ja in een zelfde land, in velerlei formatie, in veelheid van instituut kan optreden, en met de eenheid der zichtbare kerk valt aanstonds weg al wat er uit voortvloeide. Valt nu niet tegen te spreken, dat het Calvinisme zelf feitelijk breuke in de eenheid der kerk bracht, en dat juist in de Calvinistische landen een rijke veelheid van allerlei formatiën optrad, dan is de echt Calvinistische karaktertrek ten deze te zoeken, niet in wat het een tijdlang het oude stelsel nasprak, maar in datgene wat het nieuw uit zijn eigen wortel geteeld heeft. De uitkomst getuigt dan ook nog na drie eeuwen, dat in alle overwegend Roomsche landen, zelfs in de Zuid-Amerikaansche republieken, de Roomsche, en in alle Luthersche landen de Luthersche kerk, Staatskerk is en bleef, terwijl de vrije kerk uitsluitend opbloeide in die landen, die onder de beademing van het Calvinisme kwamen, d.i. in Zwitserland, Nederland, Engeland, Schotland en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. In Roomsche landen wordt de gelijkstelling tusschen de onzichtbare met de zichtbare kerk, onder pauselijke eenheid nog volgehouden. In Luthersche landen heeft men met het »cuius regio eius religio” op gedrochtelijke wijze de hof-confessie tot landconfessie gemaakt, en de Gereformeerden hard behandeld, als ballingen afgewezen en als vijanden van den Christus gesmaad, te Leipzig ze zelfs ter dood gebracht. In het Calvinistisch Nederland daarentegen vonden alle vervolgden om des geloofs wille een toevluchtsoord, werden zelfs de Joden gastvrij ontvangen, waren de Martinisten in eere, bloeiden de Mennonieten, en traden ook de Remonstranten en Roomschen met huiskerken op. De Independenten, uit Engeland verjaagd, hebben in het Calvinistische Nederland de plek voor het hol van hun voet gevonden, en het is uit datzelfde Nederland dat de Mayflower uitzeilde om de Pilgrimfathers over te brengen naar hun nieuwe vaderland.

Het is dus geen uitvlucht waarin ik heul zoek, het zijn de klare feiten der historie, waarop ik mij beroep; en ik herhaal hier: niet in wat het Calvinisme uit het verleden overnam, maar in wat het nieuw schiep, moet de diepe grondtrek gezocht van zijn karakter. Opmerkelijk is het dan ook dat de vrijheid van conscientie van meet af door onze Calvinistische theologen en |94| juristen tegenover de Inquisitie verdedigd is. Rome doorzag uitnemend wel, hoe vrijheid van conscientie het fundament van de eenheid der kerk loswoelde, en ging er tegen in. Maar ook omgekeerd moet dan erkend, dat het Calvinisme door luide de vrijheid der conscientie te eeren, de eenheid der zichtbare Kerk in beginsel prijs gaf. Zoodra in den boezem van een zelfde volk de belijdenis der eene helft tegen die der andere helft getuigen mocht, was de breuke een feit geworden en hielpen geen placcaten meer. Reeds in 1649 werd het uitgesproken, dat vervolging om des geloofs wil »a spiritual murder was, an assassination of the soul, a rage against God himself, the most horrible of sins”. En dat Calvijn zelf, al kwam hij nog niet tot de juiste conclusie, toch reeds de praemisse voor die conclusie neerschreef, blijkt uit zijn erkenning van den Roomschen Doop, uit zijn betuiging dat tegenover den Atheist zelfs de Roomsche onze bondgenoot is, uit zijn volmondig erkennen van de Luthersche kerken, en ten deele zelfs uit zijn thetische verklaring: »Scimus tres esse errorum gradus, et quibusdam fatemur dandam esse veniam, aliis modicam castigationem sufficere, ut tantum manifesta impietas capitali supplicio plectatur. 17) D.i. Er bestaat drieërlei afwijking van de Christelijke waarheid; een geringe, die men stil moet laten begaan, een matige die door matige kastijding moet hersteld, en alleen vermetele goddeloosheid moet crimineel gestraft worden”. Een nog altoos harde uitspraak, ik geef het toe, maar dan toch een uitspraak, waarin principieel de zichtbare eenheid wordt prijsgegeven, en waar die eenheid breekt, daagt de vrijheid vanzelf.

Van oudsher lag de ongebroken eenheid der Kerk gegrondvest in de overtuiging, dat de belijdenis die men beleed de absolute belijdenis der Waarheid was; en aan deze zinsbegoocheling ontkwam ook het Calvinisme bij zijn eerste opkomst niet. Juist echter overmits het verbreken van de eenheid der Kerk van zelf het relatief karakter ook van elke bijzondere belijdenis aan het licht moest doen komen, heeft het Calvinisme door een pluriformiteit van |95| kerkformatie mogelijk te maken, de beperktheid van ons inzicht ook bij de Belijdenis der Waarheid aan het licht gebracht.

*

Zooveel over de feiten, brengen we thans de theorie zelve ter toetse en bezien we achtereenvolgens de roeping der Overheid in geestelijke dingen 1º. tegenover God, 2º. tegenover de Kerk, en 3º. tegenover de enkele personen. Wat nu het eerste punt betreft, zoo is en blijft de Overheid »Dienaresse Gods.” Ze moet God als haar Opperheer erkennen, aan Wien ze haar macht ontleent. Ze moet God dienen door het volk naar zijn ordinantiën te regeeren. Ze moet Godslastering, waar ze het rechtstreeksch karakter van hoon tegen Gods majesteit aanneemt, te keer gaan. Dat erkennen van Gods oppermacht doet ze door zijn Naam in de Constitutie te belijden, door zijn sabbat hoog te houden, door bid- en dankdagen uit te lokken, door in te roepen zijn Goddelijken zegen, en door aan de kerken haar bescherming te verleenen. Voorts om te regeeren naar zijn heilige ordinantiën, is elk magistraatspersoon verplicht zelf de rechten Gods in het natuurlijk leven en in zijn Woord te onderzoeken, niet om zich aan de uitspraak van eenige Kerk te onderwerpen, maar om zelf het licht op te vangen dat hij voor de kennisse van Gods wil behoeft. En wat aangaat de Godslastering, zoo berust het recht der Overheid om deze te keer te gaan in het Godsbesef dat een ieder van nature ingeschapen is, en vloeit de plicht er toe voort uit het feit dat God Opperkoning over elk volk is. Doch juist deswege is het feit van Godslastering alleen dan geconstateerd te achten, als het opzet bleek, om in arren moede deze Oppersouvereiniteit van God over heel het volk te honen. Wat dan gestraft wordt is niet de religieuse afwijking, noch de onvrome zin, maar de aanranding van den staatsrechtelijken grondslag, waarop èn Staat èn Overheid rust. Intusschen is het verschil aanmerkelijk, dat hier opkomt tusschen Staten, die absoluut door een monarch, en staten, die, constitutioneel, onder veler beleid, of sterker nog republikeinsch door een breede vergadering geregeerd worden. Bij den absoluten monarch is één het bewustzijn en één de persoonlijke wil, en is dus deze eene persoon geroepen, |96| naar zijn persoonlijk inzicht in de ordinantiën Gods, te regeeren. Werkt daarentegen veler bewustzijn en veler wilsuiting saam, dan gaat die eenheid te loor, en kan het subjectieve inzicht van de velen in de ordinantiën Gods slechts zijdelings doorwerken. Maar hetzij ge met de wilsuiting van een enkel persoon of met de wilsuiting van velen in een door stemming genomen besluit te doen hebt, hoofdzaak blijft, dat de Overheid zelfstandig te oordeelen en zelfstandig te besluiten heeft. Niet als appendix van de kerk, noch als haar naspreekster. Het Staatsterrein zelf staat onder de majesteit des Heeren. Op dat Staatsterrein geldt alzoo tegenover God een zelfstandige verantwoordelijkheid. Niet het kerkelijk erf is gewijd en profaan het Staatsterrein dat daar buiten ligt, maar Kerk en Staat beide hebben elk op hun eigen terrein God te gehoorzamen en zijn eere te dienen. En daartoe nu moet op beider gebied Gods Woord heerschen, edoch op Staatsterrein alleen door de consciëntie der met macht bekleede personen. Hoogste eisch is en blijft natuurlijk, dat alle volken Christelijk geregeerd worden, d.w.z. naar die beginselen, die voor het Staatsbeleid uit den Christus voortvloeien, maar gerealiseerd kan dit nooit anders worden dan door de subjectieve overtuiging van de personen die in de macht staan, krachtens hun persoonlijk inzicht in wat het Christelijk beginsel voor het Staatsbeleid eischt.

Van geheel anderen aard is de tweede vraag, welke de verhouding tusschen de Overheid en de Kerk moet zijn. Ware het de wille Gods geweest dat deze zichtbare Kerk steeds één formatie zou blijven, zoo zou op deze vraag een geheel ander antwoord te geven zijn dan thans. Dat men aanvankelijk naar die eenheid gestreefd heeft, is natuurlijk. Eenheid van religie heeft voor het volksleven hooge bekoring, en aan de woede der wanhoop waarmeê Rome in de 16e eeuw voor het behoud dier eenheid gestreden heeft, kan alleen de kleinzieligheid zich ergeren. En ook is het begrijpelijk dat deze eenheid aanvankelijk haar beslag kreeg. Hoe lager een volk op de trap van ontwikkeling staat, hoe minder nog verschil in denkwijze uitkomt. Schier bij alle volken ziet men dan ook dat ze met eenheid van religie beginnen. Maar wint het individueele leven bij voortgaande ontwikkeling in kracht, |97| dan is het even natuurlijk, dat die eenheid splijt, en veelvormigheid zich als de onafwijsbare eisch van rijker levensontwikkeling doet gelden. En zoo staan we dan nu voor het feit, dat de zichtbare Kerk gespleten is, en dat in niet één land de absolute eenheid van de zichtbare Kerk meer is vol te houden. Welke is nu bij dien stand van zaken de roeping van de overheid? Heeft zij, want hierop komt het vraagstuk neer, zich alsnu een eigen oordeel te vormen, welke onder die vele kerken de ware kerk is, en deze tegenover de andere te handhaven; of wel heeft de Overheid zich van eigen oordeel te onthouden en in het veelvormig complex van al deze gezindheden de totaliteit der openbaring van Christus’ kerk op aarde te zien? En dan moet van Calvinistisch standpunt in laatstgemelden zin beslist, niet uit valsch begrip van neutraliteit, maar overmits zij als Overheid de gegevens mist, om te oordeelen, en elk oordeel ten deze de souvereiniteit der kerk te na komt. Anders toch krijgt ge, zoo de overheid een absoluut monarch is, het cuius regio eius religio der Luthersche vorsten, dat steeds van Calvinistische zijde bestreden is. Of ook, berust de overheidsmacht bij een veelheid van personen, dan wordt, al naar de stemming uitvalt, heden de ware kerk geacht wat gisteren de valsche kerk heette, en gaat alle continuïteit in het Staatsbeleid te loor. Vandaar de de Calvinisten steeds zoo fier en manmoedig, in onderscheiding van de Luthersche theologen, voor de vrijheid, d.i. voor de souvereiniteit der kerk in eigen boezem gestreden hebben. De kerk bezit in Christus haar eigen koning. Ze treedt in den Staat op niet krachtens verlof der Overheid, maar jure divino. Ze heeft haar eigen inrichting. Ze heeft haar eigen ambtsdragers. En zoo ook de haar eigene gave, om waarheid van leugen te onderscheiden. Aan haar komt het dus toe, en niet aan de Overheid, om haar eigen kenmerken als van de ware kerk vast te stellen, en haar eigen belijdenis als de belijdenis der waarheid te proclameeren. Staan andere kerken daarbij tegenover haar, dan zal ze tegenover deze den geestelijken strijd met geestelijke en sociale wapenen uitstrijden, maar ze ontzegt en betwist aan wien ook, en zoo ook aan de Overheid, het recht om zich als een macht boven deze |98| verschillende instituten op te werpen, en tusschen haar en hare nevenformatiën te beslissen. De Overheid draagt het zwaard, dat wondt, niet het zwaard des geestes, dat in geestelijke vraagstukken beslist. Juist daarom kwamen de Calvinisten er steeds tegen op, dat aan de Overheid een patria potestas zou worden toegekend. Zeker, een vader in zijn gezin regelt ook de religie in zijn gezin. Maar toen de Overheid optrad, viel het huisgezin niet weg, maar bleef, en de Overheid ontving slechts een beperkte taak, die door de souvereiniteit in eigen kring en niet het minst door de souvereiniteit van Christus in zijn kerk, begrensd wordt.

Nu zij men hierin niet te puriteinsch en weigere in Europa niet met de nawerking van historische toestanden te rekenen. Het is zoo geheel iets anders of ge nieuw bouwt op vrij erf of wel verbouwen moet aan een huis dat er staat. Maar in niets kan dit den grondregel breken, dat de Overheid het complex van Christelijke kerken als de veelvormige openbaring van de kerk van Christus op aarde heeft te eeren; dat ze de vrijheid, d.i. de souvereiniteit van Christus’ kerk op het eigen terrein dezer kerken te eerbiedigen heeft; dat de kerken het weligst tieren, als de Overheid ze uit eigen kracht laat leven; en dat alzoo noch de Caesaropapie van Ruslands Czaar, noch de onderwerping van den Staat aan de kerk, die Rome leert, noch het »cuius regio eius religio” der Luthersche juristen, noch het irreligieus neutralistisch standpunt der Fransche revolutie, maar alleen het stelsel van de Vrije Kerk in den vrijen Staat op Calvinistisch standpunt mag worden geëerd. Een standpunt dat tweeërlei eisch met zich brengt, waarvan de eerste is, dat de Overheid in al wat de religie raakt, de kerken als belanghebbenden hoore; en waarvan de tweede is, dat de Overheid in haar burgerlijke huishouding haar eigen weg ga en niet toesta dat een godsdienstige fractie op het stuk van de monogamie of op welk ander punt van burgerlijke rechtsordening het ook zijn moge, met sociale feiten inga tegen de Wet van den Staat. De souvereiniteit van den Staat en de souvereiniteit van de Kerk bestaan naast elkander en begrenzen, d.i. beperken, elkander over en weer.

Van geheel andere natuur daarentegen is het laatste vraagstuk |99| dat ik aanstipte, t.w. de roeping van de Overheid in zake de souvereiniteit van den enkelen persoon. Reeds in het tweede gedeelte van deze lezing wees ik er op, dat de ontwikkelde mensch ook een persoonlijke levenssfeer bezit, met souvereiniteit in eigen kring. Hiermeê bedoel ik hier niet zijn gezin. Dit toch is reeds eene sociale verbinding van meerdere personen. Bedoeld is hier wat Prof. Weitbrecht aldus uitdrukt: »Ist jedoch vermöge seines Gewissens Jeder ein König, ein Souverain, der über jede Verantwortung erhaben ist” 18), of wat Dr. Held in dezer voege formuleerde: „In gewisser Beziehung wird jeder Mensch supremus oder souverain sein, denn jeder Mensch muss eine Sphäre haben, und hat sie auch wirklich, in welcher er der Oberste ist.” 19) Ik wijs hierop, niet om de beteekenis der conscientie te overschatten; wie de conscientie vrij ook tegenover God en zijn Woord wil maken, begroet ik als tegenstander, niet als bondgenoot. Maar dit belet niet dat ik de souvereiniteit van de conscientie, als het palladium van alle persoonlijke vrijheid, in dien zin handhaaf, dat de conscientie nooit een mensch, en nooit anders dan God boven zich heeft. Toch doet zich de behoefte der persoonlijke vrijheid van de conscientie niet aanstonds gevoelen. Niet in het kind, eerst in den volwassen man spreekt zij zich met nadruk uit, en zoo ook sluimert ze nog meest bij nog onontwikkelde volken, en wordt ze eerst bij hoog ontwikkelde volken onweerstaanbaar. Een man van rijpe, rijke ontwikkeling gaat liever in vrijwillige ballingschap, laat zich gevangen zetten, of brengt het offer van zijn leven, dan dat hij dwang in het forum van zijn conscientie zou dulden; en de diep gewortelde wrevel, die in drie lange eeuwen tegen de inquisitie niet uitstierf, sproot rusteloos op uit het besef dat haar practijk het menschelijke in den mensch schond en aanrandde. Hieruit nu vloeit voor de Overheid tweeërlei verplichting voort, de eerste om die vrijheid van conscientie te doen eerbiedigen door de kerk, de tweede om zelve voor de souvereine conscientie uit den weg te gaan. Wat het eerste aangaat vindt de souvereiniteit der kerk |100| in de souvereiniteit der vrije persoonlijkheid haar natuurlijke beperking. Souverein op eigen territoir, heeft ze over wie buiten dat terrein leeft, niets te zeggen, en waar in strijd hiermeê overschrijding van macht plaats greep, moet de aanspraak op bescherming van de zijde der Overheid ten behoeve van elk burger geëerbiedigd worden. De kerk mag niet gedwongen worden als lid te dulden, wien zij uit haar kring verwijderen wil, maar ook geen burger van den Staat mag gedwongen worden in een kerk te blijven, die hij uit conscientiedrang verlaten wil. Doch wat de Overheid ten deze van de kerken eischt, heeft ze dan ook zelf in practijk te brengen, en de vrijheid van conscientie aan elk burger toe te kennen als primordiaal elk mensch toekomend recht. Een heldenworsteling heeft het gekost om deze diepste van alle menschelijke vrijheden aan de dwingelandij te ontwringen en bij stroomen is het menschelijk bloed vergoten, eer ze veroverd werd; maar juist deswege werpt dan ook elke zoon der Reformatie de eere zijner vaderen weg, die niet volhardend, en zonder van wijken te weten, voor dit palladium onzer vrijheden opkomt. Juist om over menschen te kunnen regeeren, moet de Overheid deze diepst liggende ethische kracht van ons menschelijk wezen onaangerand laten. Een natie van burgers met geknakte conscientiën, is zelve geknakt in haar nationale veerkracht.

En al geef ik nu voetstoots toe, dat onze vaderen in theorie nog niet alle gevolgtrekkingen doorzagen en aandorsten, die uit de vrijheid van conscientie voor de vrijheid van het woord en de vrijheid van aanbidding voortvloeide, al weet ik dat ook zij nog de wanhopende poging waagden om door censuur en verbod van uitgave, de verspreiding van hun min gevallige lectuur tegen te gaan, dit alles neemt het feit niet weg, dat practisch het eerst in het Calvinistisch Nederland de vrije uiting der gedachte door het gesproken en gedrukte woord haar triomf behaalde; dat wie elders bemoeilijkt werd, op Calvinistischen bodem het eerst de vrijheid der gedachte en de vrijheid van drukpers kon genieten; en dat alzoo de logisch ontwikkeling van wat in de vrijheid der conscientie besloten lag, evenals die conscientievrijheid zelve, uit het Calvinisme aan de wereld is toegekomen. Want wel heeft eerst de |101| Fransche Revolutie in de Romaansche landen aan het geestelijk en politiek despotisme voor goed de nederlaag toegebracht, en mag in zooverre dankbaar erkend, dat ze de zaak der vrijheid bevorderd heeft, maar wie in de historie nagaat, hoe de guillotine, heel Frankrijk door, niet tot ruste kon komen, om andersdenkenden uit den weg te ruimen; wie zich herinnert hoe wreed en zonder sparen te Parijs de Roomsche geestelijken vermoord werden die weigerden door een onheiligen eed hun conscientie te verkrachten; of ook wie, gelijk ik zelf, bij ondervinding de geestelijke tirannie kent, door het Europeesche liberalisme én conservatisme toegepast op hen, die andere paden kozen, die gevoelt toch dat vrijheid en vrijheid hier twee zijn.

In de Fransche revolutie een vrijheid voor de Christelijke minderheid om Amen op de uitspraken der ongeloovige meerderheid te zeggen, in het Calvinisme een vrijheid van conscientie, opdat een iegelijk God zou kunnen dienen naar de inspraak van zijn hart.




1. Bancroft Hist. of the United States from the discovery of the United States, 15th ed. Boston 1853 I, 464. D.i.: De Calvinistische ijveraar was tegelijk een dweepziek strijder voor de Vrijheid, want in de zedelijke worsteling voor de vrijmaking der volkeren was zijn geloofsbelijdenis, als het ware een deel van zijn leger en zijn trouwste bondgenoot op het slagveld.

2. Calv. Opera. Ed. Schippers. Tom. I. p. 321. Haec maxime optabilis est libertas, non cogi ad parendum quibuslibet, qui per vim impositi fuerunt capitibus nostris, sed electionem permitti ut nemo dominetur, nisi qui probatus fuerit.

3. Dankbaar aan God Almachtig, dat Hij ons de macht schonk om onze eigen Overheden te verkiezen.

4. Comm. in I Lib. Sam. c. II. 27-30.

5. Burke, Works, III p. 52. Ed. Mc. Lean, London. Onze Revolutie en die van Frankrijk zijn juist het omgekeerde van elkander, zoowel in elke bijzonderheid als in den geest die beide bezielde.

6. Opgekomen uit een drijvend beginsel, dat bij dit goede volk de aandrift van vrijheid levendig hield en lijnrecht gekant stond tegen alle slavernij van geest en gedachte.

7. American Constitutions, by Franklin B. Hugh. Albany, Weed Parsons and Cº 1872. Vol. I p. 5.

8. Ibidem p. 8.

9. P. 19.

10. II. p. 549. Dankbaar aan God Almachtig voor de burgerlijke, staatkundige en godsdienstige vrijheid, die Hij ons zoo lang te genieten schonk, en Hem biddende om een zegen op onze pogingen.

11. P. 555.

12. P. 555.

13. P. 549.

14. Holtz. Verfassung und Democratie der Vereinigte Staten von Amerika. Dusseldorf 1873 I p. 96.

15. John F. Morse. Thomas Jefferson. Boston, 1883. p. 147.

16. Editie van Migne te Parijs 1841 Tome I praef. 1.

17. Tome VIII. p. 516c. Ed. Schippers.

18. Weitbrecht, Woher und Wohin, Stuttgart 1877 p. 103.

19. Held, Verfassungssystem, I. p. 234.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000