Tweede lezing

Het Calvinisme en de Religie.

Slotsom van mijn eerste lezing was, dat, in wetenschappelijken zin, onder Calvinisme te verstaan is, die voleinde evolutie van het Protestantisme, die in de 16e eeuw de levensontwikkeling van ons geslacht in een nieuwe en hoogere phase heeft geleid; dat de moderne wereldbeschouwing, die haar uitgangspunt in de Fransche Revolutie vond, niets dan het atheïstisch „Zerrbild” van dit Calvinisme is, en alzoo niet als een hoogere ontwikkelingsphase is te beschouwen; weshalve een iegelijk die weigert het atheïsme, of juister gezegd nog, het antitheïsme als uitgangspunt te kiezen, op het Calvinisme heeft terug te gaan, om uit het Calvinistisch beginsel, mits ontwikkeld in een vorm voor onzen tijd, te leeren denken en leven.

Ik ga thans in mijn tweede lezing, getiteld: Het Calvinisme en de Religie, u het standpunt uiteenzetten, dat het Calvinisme inneemt op religieus gebied. Dat het op religieus gebied een eigen en indrukwekkend standpunt inneemt, wordt door niemand betwist. Het heeft als met één tooverslag een eigen godsdienstvorm, een eigene theologie, een eigen gestalte der kerk, een eigen kerkrecht, een eigen eeredienst en een eigen religieuse practijk geschapen, en het voortgezet historisch onderzoek leert op steeds klemmender wijs, dat in dit alles op Calvinistisch terrein één zelfde grondgedachte heerscht en één zelfde beginsel belichaamd is. Meet de kracht, die het Calvinisme hierdoor openbaarde, af naar de volslagen machteloosheid op dit terrein |36| van het moderne leven. Ook dat moderne leven toch roept, sinds het zijn mystieke periode intrad, in Europa en Amerika beide om een eigen godsdienstvorm. Een eeuw na het flikkeren van het klatergoud der „Aufklärung”, en nu het materialisme op wetenschappelijk terrein de aftocht blies, lokt de vroomheid weer, en is een bad in den warmen stroom van het mysticisme nogmaals modeartikel geworden. Bijna sensualistisch zwelgt die moderne mystiek haar bedwelmende teugen uit den nectarkelk van het Oneindige. Op de puinhoopen van het kerkelijk leven der Puriteinen zou aldus een nieuwe religie met nieuwen eeredienst, als een hoogere evolutie van het religieuse leven, worden ingeluid. Sinds meer dan het vierde eener eeuw is ons de inwijding en ontsluiting van dit nieuwe heiligdom toegezegd. En toch er werd niets uit. Er kwam niets grijpbaars. Er dook geen vormend beginsel op. Er ontstond geen gemeenschap. En zelfs de eerste ontkieming van de beloofde plant bleef uit. En daartegenover staat nu in de 16e eeuw de reuzengeest van Calvijn, die als met één meesterslag een geheel religieus gebouw in strengen stijl optrok, en die u de fundamenten van zijn bouw schier vergeten deed door de snelheid, waarmeê heel die bouw voltooid werd. In wat de moderne gedachte op religieus erf dusver meer knutselde, dan met machtige hand schiep, heeft niet één volk, heeft niet één gezin, heeft niet één ziel nog het requiescat voor het cor inquietum van Augustinus 1) gevonden, onderwijl de Reformator van Genève onder vijf volken tegelijk aan breede nationale kringen, én toen én nu na drie eeuwen, stuur voor het leven, verheffing tot den Vader der geesten, en klaarheid in het heilige schonk. Zoo rijst dus vanzelf de vraag, wat van die wondere kracht het geheim was. Laat mij op die vraag het antwoord mogen zoeken, eerst voor de Religie als zoodanig, dan voor haar openbaringsvorm in het kerkelijk leven, en ten slotte in haar vrucht voor de levenspraktijk.

*

Eerst dan de Religie als zoodanig, die in haar optreden door |37| vier, onderling samenhangende, grondvragen beheerscht wordt: Zal ze om God of om den mensch? Zal ze rechtstreeks of middellijk? Zal ze partieel, dan wel heel onzen persoon en heel ons leven omvattend zijn? Kan ze normaal of moet ze abnormaal, d.i. hier soteriologisch wezen? Vier vragen, waarop het Calvinisme antwoordt: niet egoïstisch en om den mensch, maar ideëel om Gods wil; niet middellijk door kerk of priester, maar rechtstreeks uit het hart; niet partieel naast het leven, maar heel het leven opeischend; en zoo ook soteriologisch, d.i. niet uit de nu abnormale natuur, maar uit de palingenesie.

Elk dier vier punten ga ik u toelichten.

De nieuwere Religionsphilosophie laat de religie opkomen, uit wat haar niet schiep, maar bij den abnormalen, d.i. den gevallen mensch, haar stut en in stand houdt. Ze zag het stokje bij het stekje voor het stekje zelf aan. Daarbij nu wijst men terecht op de tegenstelling tusschen den mensch en de overmacht van den hem omringenden kosmos, en nu treedt de religie als redmiddel in, om den door vrees bevangen mensch tegenover dien dreigenden kosmos te sterken. In zich zelf gevoelende, hoe zijn geest zijn lichaam beheerscht, gist hij, dien kosmos naar zichzelf afmetend, ook in de natuur de drijfkracht van een verborgen geestelijk wezen. Animistisch verklaart hij de beweging in de natuur uit het in haar wonen van een heirleger van geesten, en poogt nu die geesten te vangen, te bezweren, te neigen tot zijn bestwil. Of ook, uit deze atomistische opvatting tot een meer monistische opklimmend, gelooft hij aan goden, straks hiërarchisch onder één God geconcentreerd, die boven de natuur staan, en hem dus tegen die natuur helpen kunnen. En eindelijk, de tegenstelling tusschen hetgeen geestelijk en stoffelijk is grijpende, eert hij den Urgeest als tegen al het zienlijke overstaande, om, straks ook dien Urgeest loslatend, in de hoogheid van zijn eigen geest tegenover al het stoffelijke, zich neder te buigen voor een ideaal, waarvan hij zelf de heroieke drager is. Doch door welke stadiën deze egoïstische religie zich ook voortbewege, ze is altijd subjectief en bestaat om den mensch. Men is religieus om de natuurgeesten te bezweren, om zich tegenover den kosmos vrij te maken, om zich in het besef zijner geestesmacht |38| boven al het zichtbare te verheffen. Onverschillig of de Lamah-priester de booze geesten in zijn kruiken opsluit, bij de natuurgoden van het Oosten hulp tegen de natuur wordt gezocht, in de meer intelligente goden van Griekenland zekere geestesmacht wordt aangebeden die zich boven de natuur verheft, of eindelijk in de ideëele philosophie de geest van den mensch zelf voorwerp van aanbidding wordt, het is en blijft een religie om aan den mensch beveiliging, vrijmaking, zelfverheffing, ten deele triomf zelfs over den dood te verzekeren. En ook waar deze religie zich monotheïstisch toespitst, blijft de God, dien men aanbidt, een God die er is om den mensch te helpen, om in de staten orde en rust, om in den nood hulp en uitredding, om tegenover wat verlaagt en ontadelt, veredeling en hooger bezieling te verzekeren. Gevolg waarvan dan ook is, dat al zulke religie bloeit bij hongersnood en pestilentie, bloeit onder de armen en verdrukten, bloeit bij de kleinen en onmachtigen, maar kwijnt in dagen van voorspoed, de welgestelden niet aantrekt, en door de hooger ontwikkelden wordt losgelaten. Zoodra men zich rustig en welgesteld voelt, en, dank zij de wetenschap, zich door den kosmos en zijn vernielende machten niet langer bedreigd weet, werpt men de krukken der religie weg en loopt onreligieus op eigen beenen. Een egoïstische religie, die, zoodra het egoïstisch belang voldaan is, als overbodig wegvalt. Aldus was het verloop der religie bij alle niet-Christelijke volkeren, en onder de naam-Christenen herhaalt zich in onze eeuw bij de hoogere, welgestelde en ontwikkelde klasse der maatschappij almeer geheel hetzelfde verschijnsel. Op het Europeesche continent acht de moderne beschaafde klasse zich nu reeds aan alle religie ontgroeid.

Doch juist daartegen staat nu het Calvinisme lijnrecht over. Het ontkent niet dat de religie óók haar menschelijke en subjectieve zijde heeft, noch betwist het feit, dat het zoeken van hulp in nood, en van sterkte tegenover de natuurmacht, of van geesteshoogheid tegenover het zinlijke, de religie draagt en bevordert, maar het houdt staande, dat ge de orde der dingen omkeert, zoo ge hierin het wezen en het doel der religie zoekt. Dit alles zijn voor den Calvinist, ja, vruchten die er uit voortvloeien, en steunsels |39| die haar stutten, maar niet de reden van haar bestaan. Alle religie werpt óók een zegen voor den mensch af, maar ze bestaat niet om den mensch, ze bestaat om God. Niet God is er om zijn schepping, maar de schepping is er om Gods wil. Hij heeft alle ding om zich zelfs wil geschapen. Deswege schiep Hij zelfs eene religieuse expressie in heel de natuur, in de plant, in het dier, in het kind. „De gansche aarde is van zijn heerlijkheid vol”. „Hoe heerlijk, o God, is uw naam over de gansche aarde.” „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel zijner handen werk.” „Uit den mond der kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof bereid.” Vorst en hagel, sneeuw en damp, de afgronden en de stormwind, het moet alles God loven. Maar gelijk heel de schepping culmineert in den mensch, kan ook de verheerlijking haar voleinding eerst vinden in den mensch, die naar Gods beeld geschapen is; niet omdat de mensch, die zoekt, maar omdat God zelf de eenig wezenlijke religieuse expressie door het semen religionis 2), alleen in het hart des menschen inschiep. God zelf maakt den mensch religieus door den sensus divinitatis 3), die Hij spelen laat op de snaren van zijn hart. De expressie van nood vloeit hier wel in, maar alleen ten gevolge der zonde. En oorspronkelijk, naar zijn aard, is de religie uitsluitend expressie van bewondering en aanbidding, die verheft en aantrekt, niet van een afhankelijkheid die scheidt en drukt. Zooals de Serafs om den troon het Heilig, heilig, heilig! uitroepen, zoo moet ook de religie van de wereld der menschenkinderen één eeregeven zijn aan dien God, die haar schiep en bezielt. Alles rekent in de religie van God, en niet van den mensch af. De mensch blijft instrument en middel, God alleen is oorzaak en doel, uitgangspunt en punt van ruste, de bron waaruit de wateren vloeien en de oceaan waarin ze zich uitstorten. Irreligieus zijn is zijn hoogste levensdoel als mensch verzaken, en omgekeerd, om God te bestaan, om Gods wille er te zijn, en geheel in de verheerlijking van den naam des Heeren op te gaan, is van alle ware religie de pit en kern. »Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede,” is de bedetrits die in alle goed gebed vooropgaat. De leus is en |40| blijft toch: „Zoek eerst het Koninkrijk van uw God”, en denk daarna pas aan eigen nood. „Uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen”. Vóór alles de belijdenis van Gods absolute souvereiniteit. Het gebed is in alle religie de diepste levensuiting. Aldus is de grondopvatting der religie op Calvinistisch terrein, en hooger opvatting vond niemand, en is niet te vinden. De Calvinistische grondgedachte, tevens de eenige Schriftuurlijke en zuiver Christelijke, is op religieus terrein de realiseering van het hoogste ideaal. Ook de religionsphilosophie onzer eeuw heeft bij haar stoutste grepen nog nimmer hooger gezichtspunt noch idealer opvatting gevonden.

*

De tweede hoofdvraag bij alle religie is, of ze rechtstreeks dan wel „vermittelt” zal zijn. Zal er een kerk, een priester, een goeroe, een geheimnisdrager, tusschen God en uw hart staan, of wel zal, met wegwerping van alle tusschenschakels, de band der religie rechtstreeks de ziel aan God verbinden. En dan is in alle niet-Christelijke religiën de tusschenpersoon onmisbaar, en was ook op Christelijk erf de tusschenpersoon in de aanroeping van Maria en van de heiligen, in de priesterlijke hiërarchie van den clerus, tot zelfs in de vereering der martelaren weer binnengedrongen. En hoe ook Luther tegen het priesterlijk intermediair te velde trok, toch bleef ook in de kerk, die naar zijn naam genoemd is, de ecclesia docens 4) als tusschenpersoon en uitdeeler der geheimnissen staan. Ook op dit punt drong eerst Calvijn tot de realiseering van het ideaal der zuivere religie door. De religie gelijk hij ze verstond, moest nullis mediis interpositis 5), de rechtstreeksche gemeenschap tusschen God en het menschelijk hart verwezenlijken, en niet uit priesterhaat, noch uit heiligenafschuw, noch door onderschatting van de beteekenis der engelen, maar uitsluitend om het wezen der religie, en in dat wezen de eere van zijn God, te handhaven, trad hij, van geen wijken of geen wankelen wetend, tegen al wat zich tusschen de zien en God indrong met heilige verontwaardiging op. |41| Wel zag hij helder in, dat de gevallen mensch, om tot echte religie bekwaam te worden, een Middelaar van noode had, maar die Middelaar mocht dan ook niet een medemensch, maar kon alleen de God-mensch, God-zelf zijn, en door de inwoning van God den Heiligen Geest moest dit Middelaarschap niet onzerzijds, maar van Gods zijde worden bezegeld. In alle religie God zelf steeds de actieve macht. Hij ons religieus makend, ons religieus stemmend, en wij slechts klank en vorm gevend aan de religieuze expressie die Hij zelf uit ons te voorschijn riep. Hier ligt dan ook de fout van hen, die in Calvijn slechts een Augustinus redivivus zagen. Augustinus toch bleef zelf bisschop, bleef tusschen God Drieëenig en den leek in staan, en heeft den consequenten eisch der echte religie voor anderen zoo weinig ingezien, dat hij in zijn dogmatiek de Kerk als de mystieke Draagster huldigt, in wier schoot God alle genade doet uitvloeien en uit wier schat alle mensch de genade te ontvangen heeft. Augustinianisme en Calvinisme kan alleen verwarren, wie oppervlakkig enkel op de praedestinatie let, en verzuimt tot op den bodem van de religie door te dringen. Immers Religie om den mensch haalt van zelf den mensch als tusschenpersoon binnen; Religie om Gods wil sluit den tusschenpersoon onverbiddelijk uit. Beoogt de religie hoofdzakelijk den mensch te helpen, en moet het de mensch zijn die door zijn religieusiteit deze hulpe verwerft, dan is het volkomen natuurlijk dat de minder vrome mensch de tusschenkomst van een heiliger mensch inroept. Wat hij zelf niet verkrijgen zou, verkrijgt dan een ander voor hem. De vrucht hangt dan te hoog aan de takken, en alleen wie hooger grijpen kan, plukt ze en reikt ze den kleinere toe. Maar is de eisch der religie, dat elk hart Gode eere geve, dan kan de één niet voor den ander worden geschoven, dan moet een ieder persoonlijk opkomen, en bereikt de religie haar oogmerk eerst in het algemeene priesterschap der geloovigen. Zelfs bij het pasgeboren kind moet dan de religieuse expressie door God zelf in het hart zijn gelegd, en dat kindeke moet, zoo het ongedoopt sterft, niet in een limbus innocentium 6) worden weggeborgen, maar |42| in persoonlijke gemeenschap tot God treden, om Hem te loven eeuwiglijk en altoos.

Het gewicht van deze tweede positie door het Calvinisme in het vraagstuk der religie ingenomen, en die in de belijdenis der persoonlijke uitverkiezing hare scherpste uitdrukking vindt, is onberekenbaar. Terwijl toch alle religie strekken moet om den mensch vrij te maken, ten einde hij de religieuse expressie, die in de natuur nog gebonden ligt, uit het vrije bewustzijn vertolke, legt omgekeerd alle optreden van een tusschenpersoon op religieus terrein den menschelijken geest een band aan, die te onheilspellender klemmen gaat naarmate de vroomheid aan innigheid wint. Nu nog zijn in Rome’s kerk de „bons catholiques” het engst in priesterlijke banden gebonden, en herwint alleen de min-vrome Catholiek, door losser van zijn kerk te zijn, een halve vrijheid. Op Luthers erf is de band minder knellend, maar toch nog verre van ontbonden. En de zelfstandigheid, die den geloovige desnoods ook tegenover den ambtsdrager doet optreden, vindt ge alleen in kerken, die de religieuse grondgedachte grepen van Calvijn. Alleen wie zelf voor God en met God in gemeenschap staat, kan met glanzend wiekgeklep de vleugelen der vrijheid uitslaan; en de uitkomst heeft dan ook, zoo in Nederland als in Frankrijk, en niet minder in Engeland dan in Amerika geleerd, dat het despotisme van mensch over mensch geen overwinnelijker bestrijders, en omgekeerd de vrijheid van den vromen mensch geen taaier en dapperder voorvechters heeft gevonden dan onder de issus de Calvin. Iets waarvan de diepste oorzaak hierin ligt, dat de tusschenpersoon alle religie veruitwendigt en ons in vormen verstrikt; terwijl eerst waar alle tusschengestalte wegvalt, de uitverkiezing u onmiddellijk met God verbindt en de straal van het eeuwige licht u rechtstreeks uit God in de ziel doet vallen, tot de religie in absoluten zin gemaakt wordt tot een zucht van het hart.

*

Dit brengt mij vanzelf tot het derde religieuse vraagstuk: Is de religie partieel, of is ze alles beheerschend en alles omvattend, |43| universeel in volstrekten zin? En dan moet ze wel partieel worden gesteld, door wie het doel der religie in den mensch zoekt, of ook de religieuse tusschenpersoon laat optreden. Dan toch beperkt de mensch de religie, consequent en logisch, tot dat deel van het leven, waarin hij er behoefte aan heeft, en tot die gevallen waarin de tusschenpersoon tot zijn beschikking is. In drieërlei opzicht komt dit partieel karakter dier religie uit; in het religieus orgaan waardoor, in de sfeer waarin, en in de groep van personen waaronder de religie bloeien zal. Van de eerste beperking levert de strijd van den dag het sprekend voorbeeld. De religie moet, zoo willen het de wijzen onzer eeuw, ’s menschen verstandelijk orgaan ongebruikt laten, en tot uiting komen, hetzij uitsluitend door het mystiek gevoel, hetzij eeniglijk door den practischen wil. Mystieke en ethische neigingen wil men op religieus gebied toelaten, maar het intellect moet op religieus gebied worden gemuilband. Metaphysica en dogmatiek gelden al meer als contrabande, in het agnosticisme wordt heil gezocht. Op de stroomen des gevoels is de vaart tolvrij ontsloten, het ethisch-werkzame geldt als keursteen om het echte goud te proeven, maar de metaphysica wordt als moeras geschuwd, al wat zweemt naar een axiomatisch dogma als irreligieuse contrabande afgewezen. En al heeft diezelfde Christus, dien men zelf eert als religieus genie, nog zoo beslist gezegd, dat ge „God zult liefhebben, niet alleen met heel uw hart en heel uw kracht, maar ook met heel uw verstand,” toch durft men het aan, om het verstand als religieus orgaan op nonactiviteit te stellen. — Niet universeel met heel ons wezen, partieel uit gevoel of wil alleen, zal de religie opkomen, en ten gevolge hiervan tevens de sfeer partieel zijn, waarin ze werkt. De godsdienst wordt gesloten buiten de wetenschap, buiten het erf des publieken levens, en verwezen naar de binnenkamer, naar de bidcel, naar de intimiteit van het hart. Kant beperkte haar sfeer door zijn Du sollst tot het ethische leven. De mysticisten onzer dagen bannen haar naar de schuilhoeken van het sentiment. Zoo komt in allerlei vorm de godsdienst naast het leven te staan, of heeft op het breede erf des levens slechts een zijwaarts afgelegen, privatief terrein. — En dit leidt dan vanzelf tot het |44| derde partiëele merkteeken: de religie, niet voor allen, maar enkel voor de groep der vroomgestemden onder ons geslacht. Zoo vloeit uit de beperking van het orgaan der religie, de beperking van haar sfeer, en uit de beperking van haar sfeer de beperking van haar groep of kring onder menschen voort. Zooals de kunst een eigen orgaan, een eigen sfeer, een eigen kring van aanbidders vindt, zoo ook zal het met de religie zijn. Er zijn nu eenmaal lieden zonder veel sentiment, en lieden zonder veel wilskracht, en die deswege voor de warmte der mystiek ongevoelig en tot de vrome daad onbekwaam zijn. Voor dezen heeft de religie zin noch beteekenis. Maar er zijn ook gevoelvollen met zin voor het Oneindige, en onder hen is het dat de vroomheid, en in die vroomheid de religie, zinnend en dichtend, bloeit.

Van geheel anderen kan nam Rome al meer hetzelfde partieele standpunt in. Religie kende zij alleen in haar kerk, en de invloed der religie sterkt niet verder dan tot dat deel des levens dat door haar gewijd wordt. Wel trok ze, zooveel het ging, alle menschelijke leven binnen haar kerkelijke sfeer, maar wat daar buiten lag, en dus den doop en de besprenging met het wijwater miste, bleef van alle wezenlijk religieuse kracht verstoken. En gelijk Rome aldus een grens trok tusschen het religieuse en het onreligieuse deel van het leven, deelde ze haar eigen terrein weêr naar verschillende graden van intensiteit in, clerus en klooster als het Heilige der heiligen, de kring der practiseerende geloovigen vormde het Heilige, en wie gedoopt was, maar voorts aan de kerk zich niet stoorde, stond in den Voorhof. Een deeling en beperking, die de gewone leek dan weer op zijn beurt voortzet, door practisch negen tienden van zijn existentie buiten alle verband met de religie te plaatsen, en op zijn manier de religie partieel te maken, door ze uit de werkdagen naar de heilige dagen, uit de dagen van voorspoed naar tijden van gevaar en krankheid, en uit zijn lange leven naar de stervenssponde te verschuiven. Een partieel maken van de religie dat in het Carneval zijn stuitendste uitdrukking heeft gevonden. Geheel religie zou het alleen in den vastentijd zijn, en het vleesch mocht, eer het in die vallei der somberheden inging, zich te goed doen aan zingenot, zotheid en pret. |45|

Vlak hiertegenover nu plaatst zich het Calvinisme, dat voor de religie het volstrekt universeele karakter handhaaft. Bestaat al wat er is om God, dan moet ook heel de schepping Gode eere geven. De vogelen daarboven. Zon, maan en starren in het firmament. De natuur om ons heen. Maar bovenal de mensch, die heel deze schepping en alle leven in die schepping Gode priesterlijk heeft toe te wijden. En hoe dan ook de zonde geheele stukken der schepping aan Gods eere ontrooft, de eisch en het ideaal blijft, dat alle creatuur in religie gedompeld zal zijn, religieus zal bestaan, en ten slotte als het religieuse offer op het altaar van den Almachtige zal nederliggen. Een religie die uitsluitend gevoels- of wilsreligie zal zijn, is daarom voor den Calvinist ondenkbaar. De heilige zalving van den priester der schepping moet zijn baard en kleederzoom doortrekken. Geheel zijn wezen, in alle vermogens en krachten, moet van den sensus divinitatis doortrokken zijn, en hoe zou dan zijn bewustzijn, de Logos in hem, het van God in hem stralend licht des denkens, vatbaar zijn voor uitsluiting? Zijn God wel in den ondergrond van het gevoel en in de buitenwerken van de wilsdaad, maar niet in zijn zelfbesef, in het centrum van zijn bewust en denkend wezen; zijn God wel in de wereld des gevoels en in de wereld van zijn ethisch bestaan, maar buiten de wereld der gedachte gesloten; wel in zijn zelfbesef vaste uitgangspunten voor natuur en practijk, axiomatische vastigheden voor de kennis der schepping, maar zonder vaste steunpunten in het denken omtrent den Schepper, — het stond voor den Calvinist met verloochening van den eeuwigen Logos gelijk. — En werd zoo voor het orgaan der religie het volstrekt universeel karakter in de totaliteit van alle menschelijk vermogen gehandhaafd, even beslist bepleit de Calvinist dit universeel karakter van religie voor wat haar sfeer en haar kring onder menschen aangaat. Niets is geschapen, of God schiep het met een ordinantie Gods voor alle leven, die alle leven doet opeischen, om Hem te worden toegewijd. Van een religie tot de binnenkamer, de bidcel, of de kerk beperkt, weet Calvijn niets. Met den Psalmist roept hij hemel en aarde, roept hij alle volken en natiën op, om Gode eere te geven. In alle leven is |46| God present met zijn alomtegenwoordige en almachtige kracht, en geen sfeer van menschelijk leven is er, of de religie doet er haar eisch gelden, dat God zal gedankt, dat Gods ordinantiën zullen worden geëerd, en dat door alle labora het ora 7) zal zijn heengeweven. Waar de mensch ook sta, wat hij ook doe, waar hij ook de hand aan legge, in bedrijf, in geestesleven, in kunst en wetenschap, hij staat steeds in alles voor Gods aangezicht, hij is bezig in Gods dienst, hij heeft zijnen God te gehoorzamen en boven alles de eere zijns Gods te bedoelen. - En diensvolgens kan dan ook de religie voor den Calvinist niet tot een enkele groep of enkelen kring van menschen beperkt zijn. De religie raakt heel het menschelijk geslacht. Dat geslacht is Godes. Zijn kunstwerk. En daarom moet heel dat geslacht van de vreeze Gods doortinteld zijn, de ouden met de jongen, de lagen en de hoogen, de ingewijden en die van verre staan. Want niet alleen schiep God allen, en is voor allen alles, maar ook gaat zijn genade niet enkel partieel tot de verkorenen, maar ook in de „gemeene gratie” naar alle mensch uit. Zeker is er in de Kerk concentratie, maar die Kerk heeft vensters in haar muren, en door die vensters straalt het licht des Eeuwigen over heel zijn wereld uit. Hier is een stad op den berg, die ieder van verre ziet, hier is een zout dat alles doortrekt, en ook wie dat hooger licht niet opvangt, blijft niettemin even beslist en in alles tot het eeren van den Naam des Heeren opgeroepen. Alle partieele religie drijft de wigge van het dualisme in het leven, maar de Calvinist leeft monistisch. Alles moet één zijn, omdat één God het alles draagt, gelijk Hij het alles schiep. Ja, zelfs de zonde, als het keerbeeld der religie, kan van dat monisme niet worden uitgesloten.

*

En hiermee staan we vanzelf voor de vierde hoofdvraag in zake het wezen der Religie: Zal ze normaal, of moet ze abnormaal, d.i. soteriologisch zijn? Ik weet wel, dat gemeenlijk tegenover de soteriologische opvatting der Religie de nomistische gesteld wordt, |47| maar deze laatste onderscheiding hoort thuis in een gansch andere orde van denkbeelden. De door mij bedoelde tegenstelling geldt de vraag, of we in zake de Religie de facto te rekenen hebben met den normalen of wel met den door val in zonde abnormalen mensch, in welk laatste geval de religie vanzelf een soteriologisch karakter moet dragen. De thans veldwinnende meening kiest voor het normale standpunt. Niet alsof ons geslacht als één geheel genomen nu reeds aan de hoogste religieuse norma beantwoorden zou. Dat beweert niemand. Dat ziet ieder wel beter en anders. Empirisch stuit men veeleer op veel irreligiositeit en gebrekkige religieuse ontwikkeling. Alleen maar, juist in dit langzaam proces van den laagsten trap naar het hoogste ideaal ziet men de door het normale geëischte ontwikkeling. Het eerste spoor van religie komt dan reeds bij de dieren op. Ge ziet het in den hond die zijn meester adoreert. Met de ontkieming van den „homo sapiens” 8) uit den chimpansee, treedt de religie in een hooger stadium. Sinds doorliep ze gansch een scala. En thans is ze bezig zich los te maken uit de windselen van kerk en dogma, om over te gaan in wat men acht een nóg hooger stadium te zijn, dat van de onbewuste voeling voor het ongekende Oneindige.

Tegenover deze theorie nu staat principieel de geheel andere die, zonder de praeformatie van schier al het menschelijke in het dier te loochenen, en erkennende dat het dier naar des menschen beeld, gelijk het in Gods gedachten was, geschapen is, gelijk de mensch naar den beelde Gods, den eersten mensch in zuivere verhouding tot God, d.i. in echte religie laat optreden, en niet uit zijn schepping, maar uit zijn val in zonde, de vele lagere, onzuivere vormen der religie verklaart, die ons saam het beeld geven, niet van een proces dat uit het lage naar het hooge leidt, maar van een jammerlijke degeneratie, een degeneratie die uiteraard herstel van de ware Religie alleen mogelijk maakt in den soteriologischen weg. Ook ten opzichte van deze tegenstelling nu is de keuze van het Calvinisme beslist. Ook hier, gelijk in alles zich plaatsende |48| voor het aangezicht Gods, wordt de Calvinist zoo overweldigend door de heiligheid Gods aangegrepen, dat het schuldbesef zijn ziel verscheurt en de schrikkelijkheid der zonde hem met centenaarsgewicht op het gemoed drukt. Elke poging om de zonde als een onvolkomen stadie op den weg naar de volmaaktheid te verklaren, wekt zijn toorn als een beleediging van de majesteit Gods. Hij beleed van meet af wat Buckle in zijn Geschiedenis van Englands beschaving, uit heel ander standpunt empirisch nawees, dat wel de vormen verfijnd werden, waarin de zonde uitkomt, maar dat eeuw in eeuw uit de toestand van het menschelijk hart blijft wat die was. * Op het é profundis waarin voor veertig eeuwen de ziel van een David naar God schreide, geeft nog de ontroerde ziel van elk kind van God in deze hoogverlichte eeuw een onverzwakten weerklank. De opvatting van het bederf der zonde, als de bron van alle menschelijke ellende, is dan ook nergens dieper dan bij het Calvinisme, en in wat de Calvinist de Schrift naspreekt van hel en verdoemenis, komt geen ruwheid aan het woord, maar uit zich de klaarheid van den levensernst en de moed der consequentie. Of sprak ook Hij, wiens het teederste en het wegsleependste woord was, niet zelf even beslist en herhaaldelijk van een buitenste duisternis, van een vuur dat niet te blusschen is, en van een worm die nooit sterft? Dit niet aan te durven is dan ook niets dan halfheid, het slechts half meenen van wat ge omtrent het vernielend karakter der zonde belijdt.

In die zelfervaring nu, in die empirische beschouwing van de ellende des levens, in dien hoogen indruk van de heiligheid Gods, en in dien moed der consequentie, om ze tot in haar absolute tegenstelling te belijden, wortelt bij den Calvinist voor het Zijn de onmisbaarheid der Wedergeboorte en voor het Bewustzijn de onmisbaarheid der Openbaring. Over de wedergeboorte als de regelrechte daad Gods, die het scheefgetrokken rad des levens weer recht op zijn spil zet, behoef ik hier niet uit te wijden, maar wel behoort een kort woord gezegd over de Heilige Schrift en de autoriteit dier Schrift. Zeer ten onrechte toch heeft men in de Heilige Schrift niet anders willen zien dan het formeele princiep der Gereformeerde belijdenis, terwijl toch in het echte Calvinisme de opvatting |49| veel dieper gaat. Calvijns bedoeling ligt uitgesproken in het dogma de necessitate S. Scripturae 9), en eerst hierdoor wordt de allesbeheerschende beteekenis van de Heilige Schrift verstaan, en begrepen tevens, uit wat hoofde het critisch losrafelen van de Schrift voor den Calvinist met een prijsgeven van het Christendom zelf gelijk staat. In het Paradijs, buiten val, geen Bijbel, en evenmin een Bijbel in het Paradijs der heerlijkheid dat komt. Als de klaarheid der schepping u onmiddellijk toespreekt, en de inspraak van uw hart zuiver, en aller menschen woord oprecht, en uw oor ongerept is bij het opvangen dier klanken, waartoe zou u dan een Bijbel dienen? Wie slaat een boek over kinderliefde op, op het eigen oogenblik dat zijn kinderen om hem spelen en hij met volle teugen hun liefde kan indrinken? De tegenzin, die zich in onze dagen tegen de autoriteit der Heilige Schrift openbaart, heeft zijn grond dan ook in niets anders dan in de valsche onderstelling, dat onze religie niet soteriologisch behoeft te zijn, maar normaal kan wezen; en dan natuurlijk is een Bijbel hinderlijk, stuitend voor het gevoel, het inschuiven van een boek tusschen God en uw hart. Of wie correspondeert met zijn vrouw terwijl hij ze bij zich heeft zitten aan den huiselijken disch? De religie kent evenals de oceaan haar eb en vloed, er zijn hooge en lage standen ook in de religieuse wateren, en in onze dagen is de ebbe er even laag als de vloed hoog stond in de dagen onzer vaderen. Vandaar dat het zondebesef zoo verdwijnend flauw in de harten ritselt, en men als normaal voor lief neemt, wat in religieuser tijden diep en ernstig als geheel abnormaal en ontaard gevoeld werd. Als helder de zon haar licht in uw woning straalt, draait ge het electrisch kunstlicht uit, maar als de glans van het zonlicht schuilen gaat, staat ge voor de necessitas luminis artificiosi 10), en wordt het kunstlicht in ieders woning ontstoken. En zoo nu ook hier. Als geen nevelen voor ons zielsoog den glans van het Goddelijk licht verdonkeren, wat behoefte zult ge dan hebben aan een „lamp” voor uw voet of aan een kunstlicht op uw pad? Maar zegt de historie, getuigt de empirie, getuigt uw eigen zinsbesef u, dat het licht |50| uit den hoogen schuil is gegaan, en dat ge tast in schemerdonker, dan moet er een hulplicht voor u ontstoken worden, en dát kunstlicht ontstak God u in zijn Woord.

De noodzakelijkheid van het geloof aan die Heilige Schrift rust daarom voor den Calvinist niet op redeneering, maar op het onmiddellijk getuigenis van den Heiligen Geest, op het testimonium Spiritus Sancti. Zijn inzicht in de inspiratie is afgeleid, en afgeleid is elke canonische verklaring van de Schrift, maar niet afgeleid, doch onmiddellijk, werkt de magnetische kracht waarmee die Schrift zijn ziel, als de magneet het staal, aantrekt en aan zich kleven doet. En dit gaat noch magisch noch ondoorgrondelijk mystiek toe, doch alzoo dat God eerst zijn hart wederbaart, door die wedergeboorte een onverzoenlijken strijd tusschen zijn hart en de leugenachtige wereld om hem heen doet ontstaan, en alsnu hem in die Schrift een wereld van gedachten, een wereld van krachten, een wereld van leven ontsluit, die op zijn herboren hart past, er meê overeenstemt, en er als de ware, wezenlijke wereld bij hoort. Het doen zien, het doen tasten van de identiteit, die het herboren leven van zijn eigen hart met die wereld van de Heilige Schrift vertoont, is hetgeen dit testimonium Spiritus Sancti in zijn hart tot stand brengt. Hij wil zijn God weer bezitten, hij zoekt den Heilige, al wat in hem is dorst naar den Oneindige, welnu buiten die Schrift ontwaart hij slechts schaduwlijnen, eerst door het prisma dier Schrift naar den Hooge opziende ontdekt hij zijn God weer wezenlijk. En daarom legt hij der wetenschap geen band aan. Laat critiseeren wie critiseeren wil. Ook die critiek draagt de belofte in zich van verdieping van ons inzicht in de Schrift. Alleen het prisma zelf dat de Goddelijke lichtstraal voor hem brak in grijpbare tinten, laat geen goed Calvinist zich uit de hand slaan. Geen beroep op de verlossing der ziel, geen heenwijzing naar de vruchten van den Heiligen Geest, volstaat voor de necessitas, die het soteriologische standpunt der Religie met zich brengt. Het leven in de entitas hebben we met de plant en het dier, het leven in het mystieke „zijn” met het kind en met den slaper gemeen: wat ons als volwassen, wakkere menschen op het hoogst onderscheidt is het klare bewustzijn, en daarom, zal de Religie, als |51| onze hoogste levensfunctie, ook in die hoogste potenz van het bewustzijn werken, dan stelt de soteriologische reliige naast de necessitas palingeneseos 11) van zelf de necessitas van een hulplicht dat in ons schemerdonker ontstoken worde, en dat van God zelf, door menschenhand ontstoken kunstlicht, straalt ons toe uit de Heilige Schrift.

Saamvattende wat we vonden, mag ik alzoo vaststellen, dat het Calvinisme in de vier groote problemen der Religie, telkens met een kenmerkend dogma, die keuze doet, die ons nóg het meest bevredigt, en ons den weg tot de rijkste ontwikkeling ontsluit. De religie niet in utilitairen of eudaemonistischen zin om den mensch, maar om God en God alleen, ziedaar haar dogma van Gods souvereiniteit. In de religie geen tusschenpersoon tusschen God en de ziel, maar alle religie rechtstreeks door God in de ziel gewerkt, ziedaar het leerstuk der uitverkiezing. De religie niet partieel, maar universeel, aldus spreekt het zich uit in het dogma der algemeene genade. En eindelijk, de religie, in onzen zondigen toestand, niet normaal, maar soteriologisch, aldus luidt het antwoord in het dubbele dogma van de palingenesie en de necessitas S. Scripturae.

*

Van de Religie als zoodanig kom ik thans tot de Kerk, als haar georganiseerden Openbaringsvorm, en schets u achtereenvolgens de Calvinistische opvatting omtrent haar wezen, haar verschijning en het doel van haar optreden.

Naar heur wezen is de Kerk voor den Calvinist een geestelijk organisme, dat hemel en aarde omvat, maar dat in den hemel, en niet op aarde, zijn middelpunt en het uitgangspunt voor zijn levensactie bezit. God schiep den kosmos om zich zelfs wille, geocentrisch plaatste Hij het geestelijk centrum van dien kosmos in onze planeet, en alle rijken der natuur op deze aarde culmineeren in ons menschelijk geslacht, dat, als één geheel genomen, beeld Gods moet zijn en Hem priesterlijk heel zijn schepping heeft op te dragen. De mensch staat in die schepping als koning, |52| priester en profeet. En of nu al de zonde dit hoog bestel verstore, God zet het door. Alzoo lief heeft Hij de wereld, dat Hij haar in zijn eengeboren Zoon zichzelf hergeeft, en ons geslacht weer inzet in het eeuwige leven. Allerlei takken en bladeren van den stam van ons menschelijk geslacht mogen voor altoos zijn afgevallen, die stam zelf wordt gered, en bloeit op zijn nieuwen wortel in Christus volheerlijk op. De wedergeboorte redt niet enkele eenlingen, die straks als een aggregaat worden saamgevoegd, maar behoudt het organisme zelf van ons geslacht. Het herboren menschelijk leven vormt daarom één sooma, 12) één organisch geheel, waarvan Christus het Hoofd is, en waarvan de unio mystica cum Christo 13) de saamhoudende band is. Eens in de parousie breekt dat nieuwe organisme in heel de schepping uit; nu schuilt het nog geestelijk, en kan op aarde slechts zijn silhouet doen doorschemeren. Dit »nieuwe Jeruzalem« zal eens van God uit den hemel nederdalen, maar nu is het nog in het onzichtbare teruggetrokken. Het wezenlijk heiligdom is nu daarboven. Daarboven is het altaar der Verzoening en het reukaltaar der gebeden. Daarboven is Christus als de eenige Hoogepriester die het altaar in het heiligdom bedient.

In de Middeleeuwen nu had de kerk dit haar hemelsch geestelijk wezen steeds meer uit het oog verloren. Ze was in haar wezen wereldsch geworden. Het heiligdom was weer op aarde, het altaar weer van steen geworden, een priesterlijke hiërarchie had zich voor de bediening van dat altaar gevormd, en toen moest ze wel een offerande op aarde begeeren, en vond die in het onbloedige offer van de Mis. En daartegen nu is het Calvinisme in verzet gekomen, niet om het priesterschap en het altaar en het offer in beginsel te bestrijden, want het priesterschap is onvergankelijke, en wie zonde kent, kan niet buiten het offer der verzoening, maar om al deze wereldsche kramerij weg te rapen, en de geloovigen op te roepen, dat ze hun oogen mochten opheffen naar boven, naar het wezenlijke heiligdom, waar Christus het outer bedient. Niet tegen het sacerdotium, maar tegen het sacerdotalisme ging de |53| strijd, en principiëel is die strijd alleen door Calvijn ten einde toe volstreden. Lutherschen en Episcopalen behielden op aarde het altaar, alleen het Calvinisme dorst het aan, het geheel te doen verdwijnen. En zoo ook, bij de Episcopalen hield het aardsche priesterschap, zelfs hiërarchisch, stand, in Luthersche landen werd de landvorst Opperste Bisschop, en behield men geestelijk standsverschil, maar het Calvinisme proclameerde de absolute gelijkheid van al wie in den dienst der kerk optrad, en weigerde aan haar voorgangers een ander karakter toe te kennen, dan de qualiteit van Dienaren. Wat onder de Oud-Testamentische bedeeling der schaduwen profetisch aanschouwelijk onderwijs bood, stond, nu de vervulling gekomen was, aan de glorie van den Christus in den weg, en vernederde het hemelsche wezen der kerk. En daarom kon het Calvinisme niet rusten, eer dit aardsche klatergoud ophield het oog te boeien. Eerst door uitbanning van den laatsten korrel van het sacerdotalistisch zuurdeeg, kon de kerk op aarde weer de Voorhof worden, van waar de geloovigen opzagen en uitzagen naar het heiligdom bij God. De Westminster-Confession drukt dit hemelsche, heel ons geslacht omvangende, wezen der kerk zoo schoon uit, als ze zegt: »De kerk is het onzichtbare lichaam van alle verkorenen, die er ooit geweest zijn, zijn, of immer zijn zullen, onder Christus als onder een Hoofd verzameld, en vormende alzoo het lichaam van Hem die zelf alles in allen vervult.« Eerst zoo was het dogma van de onzichtbare kerk religieus geheiligd, en in haar kosmologische, eeuwige beteekenis verstaan. Het wezenlijke, ook de kerk van Christus, kon thans niet op aarde zijn. Hier toefde telkens hoogstens één enkel geslacht van geloovigen in den Voorhof, maar de geslachten van den aanbeginne der wereld hadden deze aarde verlaten, ze waren nu daarboven. Daar was ons burgerschap. Daar het wezenlijke, en daarom keerde al wie het wezen der kerk op aarde zocht, de orde om. Wie hier nog toefde, was eo ipso pelgrim, hiermeê uitdrukkende dat hij uit den Voorhof naar het Heiligdom toog. En in verband hiermede sneed het Calvinisme nu tevens elke voorstelling af, alsof er na het sterven nog mogelijkheid van redding en overgang bleef, voor wie niet hier reeds met Christus in den hemel gezet was. Geen zielmissen voor de dooden |54| op aarde, noch ook in ethischen trant, een roepstem tot bekeering aan de overzij van het graf. Al deze processueele overgangen toch sneden de absolute tegenstelling tusschen het wezen der kerk in den hemel, en het haar verdonkerende hier op aarde af. Niet van hier schemerde haar wezen naar boven, maar van boven schemerde het naar de kerk hier op aarde dood. Er hing als een gordijn voor het oog, dat het heldere, volle inzien in het wezen der kerk op aarde belette. En daarom al wat hier op aarde mogelijk bleef, was gemeenschap met die wezenlijke kerk door een leven in den geest, en het genieten in de schaduwbeelden die zich op het doorzichtig gordijn voor ons afteekenden. Niet dus een reëele kerk op aarde en achter het gordijn alleen het product onzer verbeelding, maar omgekeerd Christus in ons vleesch in het onzienlijke ingegaan, bij hem, om hem, in hem de wezenlijke kerk, en het wezen dier kerk op ons inwerkende door den Heiligen Geest.

*

Staat zoo het wezen der kerk van Christus, in haar strekking voor de herschepping van heel ons menschelijk geslacht en in haar cosmologische beteekenis, die slechts op de wederkomst van Christus wacht, om door te breken, helder voor ons, dan komt nu haar verschijningsvorm op aarde aan de orde. Als zoodanig nu toont ze ons een »vergadering van geloovigen,« een schare van in vereeniging optredende belijders, die kerkelijk saâmleven in gehoorzaamheid aan de ordinantiën, die Christus hun hiervoor gaf. Er is niet een »Heilsanstalt,« die genade als medicijn uitdeelt, er is niet een mystieke geestelijke orde, die de leeken magisch bewerkt. Er zijn niets dan geloovige, belijdende personen, die zich krachtens den sociologischen drang van alle religie vereenigen, en, in onderworpenheid aan Christus als hun Koning daarboven, pogen saâm te leven. Dat is op aarde de kerk. Niet het gebouw. Niet de instelling. Niet een geestelijke stand. De kerk zijn voor Calvijn de belijdende personen zelven, alleen maar niet elk op zich zelf, maar allen saam vereenigd; en vereenigd niet naar eigen goedvinden, maar naar de ordinantiën van Christus. Het |55| algemeene priesterschap der geloovigen op aarde gerealiseerd. Verstaat mij wel. ’k Zeg niet: vrome personen groepsgewijs voor religieuse doeleinden zich vereenigend. Dat zou op zic hzelf nog niets met de kerk gemeen hebben. De wezenlijke, hemelsche, onzichtbare kerk moet in de aardsche kerk doorschemeren en uitkomen; zoo niet, dan hebt ge wel een vereeniging, maar geen kerk. De wezenlijke kerk is het lichaam van Christus, waarvan de herboren personen leden zijn. En daarom kan die kerk op aarde niet anders bestaan dan uit de in Christus ingelijfden, die onder hem buigen, bij zijn Woord leven, en zich houden aan zijn ordinantiën, en daarom een kerk het Woord predikende, het Sacrament bedienende, de Tucht oefenende; in alles staande voor het aangezichte Gods.

Dit bepaalt tevens de regeering dezer kerk op aarde. Die regeering gaat van den hemel, van den Christus uit. Hij regeert zijn kerk door het Woord dat hij haar gaf en door den Heiligen Geest, die in haar leden werkt. En voorts is er van hoogheid onder de geloovigen geen sprake. Er zijn alleen Dienaren, die dienen, leiden, regelen. Een in hart en nieren presbyteriaansch regiment. uit de gemeente, de macht door Christus in haar gelegd, in de dienaren opkomende, en aan haar door broederen bediend. Monarchaal is Christus’ Koningschap, maar de regeering der kerk op aarde democratisch in merg en been. Dus ook niet de ééne plaatselijke kerk over de andere heerschappij voerende, maar alle kerken gelijk in rang en niet dan confederatief in synodaal verband aaneengesloten. Doch hiermede is dan ook de differentieering der kerken, en zoo ook haar verschil in zuiverheid, vanzelf gegeven. Is de kerk een genade-instituut, dat door een hiërarchisch priesterdom den schat uitdeelt, dan drukt die hiërarchie onder alle natie en volk op alle kerkelijke leven eenzelfde stempel. Maar is de kerk de vergadering der geloovigen, komen de kerken uit de personen der belijders op, om zich zoo eerst door confederatie tot eenheid te verbinden, dan brengt de schakeering in het leven van zelf ook op kerkelijk terrein veelvormigheid, en moet zich het allen gemeenschappelijk leven wel zuiverder in de ééne dan in de andere kerk belichamen. Ik zeg niet, dat de Calvinistische theologen dit aanstonds geproclameerd hebben. De zonde der heerschzucht sloop |56| ook onder hen in, en, ook afgescheiden van dien zondigen trek, sprak het vanzelf dat ze in theorie steeds aan elke kerk den eisch van hun ideaal bleven stellen. Maar dit verkleint in niets de hooge beteekenis van het feit, dat zij door de kerk, niet in een hiërarchie of »Anstalt,« maar in de personen der belijders te zoeken, het beginsel zelf der vrijheid op kerkelijk erf tot uitgangspunt kozen. Immers krachtens dat beginsel stond er op aarde geen andere macht boven de plaatselijke kerken, dan deze kerken zelven door hare confederatie oprichtten. Dies nu moest het verschil dat mensch en mensch scheidt, ook als wigge in de eenheid der uitwendige kerk dringen. Verschillen van landaard en zeden, verschillen van neiging en gemoedsleven, verschillen van diepte of oppervlakkigheid, moesten er toe leiden, om hier de ééne, daar de andere zijde van het ééne zelfde beeld der waarheid meer eenzijdig in het oog te doen vatten. Vandaar de vele denominatiën of gezindheden waarin het kerkelijk leven, krachtens dit beginsel, is uiteengegaan. Denominatiën, die in niet geringe mate, van de rijke, diepe en volle Calvinistische Belijdenis mogen zijn afgeweken, of zelfs op meer dan één punt vijandig tegen haar over kwamen te staan, maar die ook zoo toch al te zaam haar onstaan danken aan het terugdringen van het sacerdotalisme, en aan de erkenning van de kerk als „vergadering der geloovigen”, waarin het Calvinisme ten deze zijn grondgedachte uitsprak. — Dat hieruit veel onheilige concurrentie, soms ook schuldige afdwaling kon opkomen, spreekt vanzelf. Nog neemt de worsteling tusschen deze verschillende demoninatiën soms een bedenkelijken vorm aan, maar ook na een historie van drie eeuwen mag getuigd, dat deze veelvormigheid, die van de practijk van het Calvinistisch beginsel onafscheidelijk is, den bloei van het godsdienstig leven veel sterker bevorderd heeft, dan de afgedwongen eenheid, waarin Rome heil zocht. Een vrucht die ook voor de toekomst van deze worsteling te wachten is, indien maar het beginsel van kerkelijke vrijheid niet in kerkelijk indifferentisme ontaardt, en geen kerk die nog in merg en been Calvinistisch is, aflate van haar roeping, om de eere harer beginselen aan anderen aan te bevelen.

Nog één punt moet hierbij in het licht gesteld. De opvatting |57| van de kerk als de „vergadering der geloovigen,” kon de voorstelling ingang doen vinden, als waren de geloovigen hier te nemen afgescheiden van hun kinderen. Toch is dit de leer van het Calvinisme volstrekt niet. Zijn belijdenis van den kinderdoop leert het wel anders. De geloovigen die saam vergaderen, snijden den natuurlijken band met hun kroost niet af, maar heiligen dien, en brengen hun kinderen in hun kerk mede, waar deze eerst als volwassenen uit gaan, zoo ze niet gelooven. Dit is het Calvinistisch dogma van het Verbond. Een gewichtig stuk der belijdenis, dat uitspreekt, hoe de kerk niet buiten het menschelijk geslacht staat, maar de wedergeboren kern van dat geslacht in zich draagt, en daarom met de natuurlijke organische voortteeling van dat geslacht hand aan hand gaat. Verbond en Kerk zijn niet hetzelfde. Het Verbond bindt kerk en geslacht saam, en het is God-zelf die in zijn Verbondstrouw den samenhang tusschen de Kerk en ons menschelijk geslacht bezegelt. De Tucht houdt dan dit Verbond heilig, waar de geslachts-samenhang de kerk verbasteren zou. Van een Volkskerk kan daarom op Calvinistisch standpunt nooit sprake zijn. Een nationale kerk, die één enkel volk omvat, is een heidensche, hoogstens een Joodsche gedachte. De kerk van Christus is oecumenisch. Niet een enkel land, heel de wereld is haar territoir. En toen de Luthersche reformatie, naar de instigatie der vorsten, de kerken nationaliseerde, en ook Gereformeerde kerken zich hierdoor verlokken lieten, nam men niet een hooger standpunt in, dan waarop Rome met haar wereldkerk stond, maar daalde tot lager standpunt af. En de Synode van Dordrecht, en de Synode van Westminster hebben dan ook tegenover deze hinderlijke zelfverlaging het oecumenisch karakter der Gereformeerde kerken geëerd.

*

En is u zoo het wezen der kerk en haar verschijningsvorm geschetst, zoo vraag ik in de derde plaats uw aandacht voor het doel van het optreden der kerk op aarde. Ik zwijg daarbij van de scheiding van kerk en staat. Die komt vanzelf aan de orde in mijn volgende lezing. Thans bepaal ik mij tot het doel dat |58| de kerk zich ziet aangewezen. Dat doel nu is niet menschelijk egoïstisch: het gereedmaken van de geloovigen voor den hemel. Een wedergeboren kind dat in de wieg sterft, gaat zonder eenige voorbereiding ten hemel in. Waar de Heilige Geest de kiem van eeuwig leven in de ziel plantte, waarborgt de volharding der heiligen de zekerheid van eeuwig heil. Neen, de kerk is er om Gods wil. Wedergeboorte is wel genoeg voor den verkorene, om zeker te zijn van zijn eeuwig lot, maar niet genoeg, opdat God de eere van zijn werk onder menschen hebbe. Daartoe moet op de wedergeboorte de bekeering volgen, en tot deze bekeering moet de kerk uitdrijven door den Dienst van het Woord. In den wedergeborene smeulde wel de vonk, maar eerst in den bekeerde slaat uit die vonk de vlam op, en die vlam is het licht, dat de wereld moet zien glinsteren, om uw Vader die in de hemelen is te verheerlijken; en zoowel uw bekeering als uw heiligmaking in goede werken dragen dan alleen het verheven karakter, dat Jezus eischt, als ge er niet in hoofdzaak uw eigen garantie voor den hemel, maar de verheerlijking van uw God meê bedoelt.

Uw kerk moet in de tweede plaats die vlam sterken en verhelderen door de gemeenschap der heiligen en door het Sacrament. Eerst de samenvoeging van honderden waskaarsen op denzelfden luchter doet den vollen glans van het kaarslicht uitstralen, en zoo ook moet de gemeenschap der heiligen de vele kleine lichten samenvoegen, opdat het ééne den glans van het andere verhooge, en Christus wandelen kunne in het midden der zeven kandelaren. En onderwijl Christus aldus in het midden van de zeven kandelaren wandelt, verheldert hij sacramenteel den lichtgloed die van elk geloovige uitgaat. Zoo ligt het doel der kerk niet in u, maar in de eere van Gods naam. Vandaar dan ook de streng geestelijke culte die het Calvinisme Gode in zijn kerk wil zien opgedragen. Zelfs Von Hartmann, de ongeloovige philosoof, had er oog voor, hoe de culte te religieuzer wordt naarmate ze den moed heeft meer het uitwendig schijnsel te versmaden, en alleen het geestelijk schoon der ziel in den Eeredienst te doen uitkomen. Zinlijke eeredienst strekt om den mensch religieus te streelen, en alleen de zuiver geestelijke eeredienst van |59| het Calvinisme bedoelt loutere aanbidding in niets dan geest en waarheid. — Van gelijke strekking moet de Tucht zijn, dat onmisbare bestanddeel in alle Calvinistisch kerkelijk leven. Een Tucht die ingesteld is, niet enkel om schandaal af te snijden, noch enkel en zelfs niet in de eerste plaats om te wilde ranken te besnoeien, maar opdat het Verbonds Gods heilig worde gehouden, en de indruk dat God te rein van oogen is om het kwade te aanschouwen, diep ook buiten de kerk in de wereld gevestigd worde. — En daarbij komt dan in de laatste plaats de Dienst der Barmhartigheid in het alleen door Calvijn begrepen en in eere herstelde Diaconaat. Dat kent noch Rome, noch de Grieksche, noch de Luthersche, noch de Episcopale kerk. Uitsluitend het Calvinisme heeft het Diaconaat, als onmisbaar bestanddeel van het kerkelijk leven, weer in eere gebracht. Doch ook in dit Diaconaat gaat het hoog beginsel door dat het niet u, die aalmoezen uitreikt, maar alleen Hem, die de harten tot weldadigheid beweegt, in zijn kerk verheerlijken zal. De Diakenen zijn niet uw Dienaren, maar Dienaren Christi. Wat gij hun toevertrouwt, wordt door u als rentmeester van zijn goed aan Christus teruggegeven, en in zijn naam als zijn goed aan de armen van Christus uitgereikt. Een arme, die zijn Diaken, of den gever alleen dankzegt, verloochent den Christus, die zelf in het Diaconaat de goddelijke gever is, en die het aan zijn armen toonen wil, dat hij niet enkel voor de ziel, maar ook voor de nooden des lichaams, d.i. voor den geheelen mensch en voor geheel het leven, de Christus Consolator is, de Redder door God in zijn gemeente besteld.

Alzoo past dan in het Calvinisme de grondgedachte der Kerk volkomen op de grondgedachte der Religie. Alle egoïsme en eudaemonisme blijft in beide ten einde toe uitgebannen. Het is vóór als na een Religie en een Kerk om Gods wille, en niet ter wille van den mensch. Uit God is de oorsprong der Kerk, door God ontvangt ze haar verschijningsvorm, en in het: tot God, ligt van den aanvang tot het einde toe haar doel.

*

De vrucht der Religie voor de Levenspractijk, of wilt ge, het standpunt door het Calvinisme in het moreele vraagstuk ingenomen, |60| is het derde of laatste hoofddeel, waarmêe deze lezing over het Calvinisme en de Religie vanzelf den haar gestelden eindpaal bereikt. En dan is wel het eerste, dat ons hier boeit de schijnbare tegenspraak tusschen een Belijdenis, die naar men beweert den zedelijken prikkel geheel afstompt, en een practijk in het leven, die in zedelijken ernst boven de practijk van alle andere religiën uitging. De Antinomiaan en de Puritein, als onkruid en vette tarwe op dezen akker dooreengemengd, maar zoo, dat het aanvankelijk allen schijn heeft, als werd de Antinomiaan logisch uit de Belijdenis geboren, en als kon de Puritein alleen bij gelukkige inconsequentie de warmte van zijn zedelijken ernst tegenover de alles bevriezende kilheid van het dogma der praedestinatie beveiligen. Van Roomsche en Luthersche, van Remonstrantsche en Libertijnsche zijde is het dan ook altoos weer aan het Calvinisme voor de voeten geworpen, dat zijn onverbiddelijk vasthouden aan de absolute voorbeschikking, geculmineerd in de volharding der heiligen, slap in de practijk, ruim in de conscientie, en los in den wandel moest maken. Maar het Calvinisme antwoordt op die klacht niet door redeneering tegenover redeneering, maar door stil en ootmoedig, een wereldbekend feit tegenover zoo valsche Consequenzmacherei te stellen, en vraagt u, wat de overige religiën op het stuk van hoogen levensernst tegen het Puritanisme hebben over te stellen. „Zullen we dan de zonde doen, opdat de genade te meerder worde?” werd door die zelfde Consequenzmacherei reeds aan den heiligen apostel voorgeworpen, en toen in de 16e eeuw de Heidelbergsche Catechismus de vraag had te weerleggen: „Maakt dan deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen?” sprak ook uit deze vraag niets anders dan een repetitie van denzelfden laster. Zeker, het aanhouden, en zelfs koesteren van inwonende zonde, en ten slotte zelfs het Antinomianisme, greep keer op keer de Calvinistische Belijdenis als een schild aan, waarachter het zijn wereldzin verstak, en waarmeê het zijn vleeschelijken lust dekte. Maar zoomin het abstract nastamelen van een belijdenis ooit iets met Religie uitstaande had, zijn deze napraters der Calvinistische Confessie ooit Calvinisten in hun hart geweest. Calvinist in het hart is alleen hij, die persoonlijk in de eigen ziel door de Majesteit van den Almachtige aangegrepen en |61| voor de overweldigende kracht zijner eeuwige Liefde bezwijkend, die majestueuse liefde in het geloof van door Hem uitverkoren te zijn, en Hem alzoo alles te danken te hebben, tegenover Satan en de wereld en den wereldzin van zijn eigen hart belijden dorst; en zulk een kon niet anders dan voor God en zijn Woord beven, en vond in de vreeze des Heeren van zelf het beginsel ook voor zijne levenspractijk. Nomistisch heeft men het Calvinisme deswege genoemd, en het daarom van de soteriologische religiën afgezonderd, doch ten onrechte. Nomistisch is wie door wetsvolbrenging zijn heil verzekeren wil, terwijl het Calvinisme nooit anders dan geheel soteriologisch uit den hoogheiligen persoon van Christus en zijn oneindige verdienste het heil den zondaar doet toevloeien. Maar dit heeft het, dat het den geloovige niet alleen in zijn kerk, maar ook in zijn persoonlijk, huiselijk, maatschappelijk en staatkundig leven voor het aangezichte Gods stelt. God imponeert den Calvinist in heel zijn menschelijk bestaan. Hij is pelgrim, niet als toog hij een wereld door die hem niet aanging, maar pelgrim in dien zin, dat hij op elk punt van den langen weg te rekenen heeft met dien God vol majesteit, die hem aan het einde van den weg opwacht. Voor de poorte die hem den ingang in de eeuwigheid ontsluit, ligt het laatste oordeel, en dat oordeel is een breede, over alles zich uitstrekkende toetsing, of de lange pelgrimsweg, naar den eisch van Gods ordinantiën, en met een hart dat God zoekt, is afgeloopen.

Wat nu is voor den Calvinist het geloof in die ordinantiën Gods? Niets anders dan de onwrikbaar in het hart gefundeerde overtuiging, dat alle leven eerst door God uitgedacht, en eerst daarna door God verwezenlijkt is, en dat deswege in alle geschapen leven een van God voor dat leven bestelde wet ligt. Geen leven buiten u in de natuur, of in dat leven ordeningen, die men thans natuurwetten noemt, een woord dat we aannemen, mits er niet wetten van de natuur, maar wetten voor de natuur onder verstaan worden. Evenzoo ordeningen des hemels voor het firmament boven, en ordeningen der aarde beneden, waardoor die aarde staan blijft, omdat, gelijk de Psalmist zegt, die ordeningen Gods knechten zijn. Alzoo dus ook ordeningen Gods voor mijn lichaam, voor het bloed dat |62| door mijn aderen stroomt en voor de ademhaling der longen. En zoo voortgaande, ordeningen Gods voor mijn denken in de logica, ordeningen Gods in mijn verbeeldingsleven op aesthetisch terrein, en zoo ook ordeningen, ordinantiën Gods voor alle menschelijk leven op zedelijk gebied. Niet enkele summiere, algemeene geboden, die het concrete telkens aan mij zelven ter beslissing overlaten, maar gelijk Gods ordinantie even goed den loop der kleinste asteroïde als den stand der machtigste zonnen beheerscht, zoo ook Gods ordinantiën op zedelijk terrein tot in het kleinste en bijzonderste afdalend, en mij aanzeggend hoe God het wil. En die ordinantiën Gods in de machtigste vraagstukken en in de schijnbaar nietigste levensuitingen op mij aandringend, niet als artikelen van een wetboek, niet als regelen, die ik uit een boek lees, niet als een codificatie van het leven, die ook maar één oogenblik buiten God autoriteit en vastigheid zou bezitten, maar als de constante wil van den alomtegenwoordigen en almachtigen God, die op elk gegeven oogenblik het zoo verordent, het zoo bestelt, en met die zedelijke bepaling op mij aandringt. Niet als Kant klimt de Calvinist redeneerend uit het Du sollst tot het denkbeeld van een wetgever op; maar omdat hij voor God staat, God voelt in heel zijn existentie, dáárom beluistert hij dat Du sollst, dat in de natuur, in zijn lichaam, in zijn denkend, en zoo ook in zijn handelend bestaan, telkens rechtstreeks van dien God naar hem uitgaat. En naar die ordinantiën voegt hij zich, niet uit dwang, niet als waren ze hem een juk, dat hij van zich af zou willen schudden, maar met diezelfde gewaarwording waarmeê ge een gids volgt in een u onbekend land, inziende dat hij den weg weet en gij niet, en dat uit dien hoofde, hem te volgen alleen veilig is. Gelijk ge bij gestoorde ademhaling alles inspant, om de ademhaling weer normaal, d.i. naar Gods ordinantie te maken, en u verruimd gevoelt als dit u gelukt, zoo ook streeft de geloovige bij elke stoornis in zijn zedelijk leven er naar, om ijlings weer de geestelijke ademhaling, die naar de geboden Gods is, te herstellen, omdat hij zich dan eerst weer vrij gevoelt, en weet dat hij vooruit kan. Van een onderscheid tusschen gewone en Christelijke geboden weet hij daarom niet. Verbeeld u, God zou het eerst anders gewild hebben en nu in Christus zoo. Alsof Hij niet de eeuwig Onveranderlijke |63| ware, die van de ure der schepping af en tot in alle eeuwigheid een zelfde vaste, zedelijke wereldorde gewild en gemainteneerd heeft. Zeker, de Christus heeft het stof waarmede de zonde die wereldorde bedekt had, er afgevaagd en ze weer in haar oorspronkelijke reinheid voor ons doen schitteren. De Christus heeft de eeuwige Liefde Gods die in deze wereldorde spreekt, weer voor ons blootgelegd. Bovenal de Christus sterkt ons het vermogen om in die wereldorde te wandelen. Maar die wereldorde zelve blijft, voor als na, wat ze van den aanbeginne was, en geldt niet alleen voor den geloovige, alsof de ongeloovige met minder volstaan kon, maar geldt voor al wat mensch heet in alle menschelijke verwikkeling.

Hier dus geen philosopheren over een dusgenaamd zedelijk leven, alsof wij dit hadden uit te vinden en te regelen, maar een zich stellen onder den indruk van Gods Majesteit en onder de majesteit van zijn ordinantie en gebod. Vandaar alle ethische studie voor den Calvinist gebaseerd op de wet van Sinaï, niet alsof toen pas, en toen nieuw, de zedelijke wereldorde geschapen was, maar om in die wet van Sinaï de authentieke uitdrukking te eeren van wat God den mensch, toen Hij hem schiep, in het hart schreef, en in zijn bekeering weer grift op de tafelen van datzelfde hart. Aansluiting alzoo aan de conscientie niet als aan een individueelen wetgever, die een ieder apart in zich omdraagt, maar als aan een rechtstreekschen sensus divinitatis, waardoor God zelf ons in ons binnenste prikkelt en aan zijn oordeel onderwerpt. Niet de religie afzonderlijk met haar dogmatiek, en daarnaast als een tweede iets ons zedelijk leven met een ethiek, maar de religie ons voor God stellend en die God ons van zijn heiligen wil doordringend. Liefde en aanbidding zelf het motief voor alle geestelijke handeing, en aldus de vreeze Gods als een realiteit in heel het leven ingedragen, in gezin en maatschappij, in wetenschap en kunst, in het persoonlijk en in het staatkundig leven. Een verloste, die bij alle ding en in alle levenskeus zich eeniglijk laat beheerschen door een hem diep ontroerenden eerbied voor den steeds hem presenten en hem gadeslaanden God, ziedaar de echte Calvinist. Altoos en in alle ding de diepste, de heiligste eerbied voor den altoos tegenwoordigen God, als richtsnoer van het leven, ziedaar u het beeld geteekend van den oorspronkelijken Puritein. |64| Wereldschuwheid is nooit zijn kenmerk, maar het parool van den Anabaptist geweest. Het Doopersche dogma van de „Mijdinghe,” bewijst dit. Dualistisch staan dan, naar luid van dat dogma, de „heiligen” tegen de wereld over. Ze zweren geen eed, ze gaan in geen krijgsdienst, alle magistratuur wijzen ze af. Hunner is hier reeds een nieuwe wereld, die met deze oude wereld niets uitstaande heeft. Alle verplichting jegens, alle verantwoordelijkheid voor die oude wereld schudden ze van zich af, en mijden haar stelselmatig uit vreeze voor bezoedeling en besmetting. Maar dit juist betwist en ontkent de Calvinist. Er zijn geen twee werelden, die als de booze en de goede wereld in elkaar worden geschoven. Het is een en dezelfde persoon, dien God recht schiep, die daarna viel en zondaar werd, en het is die oude zondaar die herboren wordt en ingaat ten eeuwigen leven. En zoo ook is het één en dezelfde wereld, die eens het Paradijs droeg, sinds met den vloek overtogen, en door algemeene genade in stand werd gehouden, die nu door Christus verzoend en gered is, en die straks door den wereldbrand henen, haar staat van heerlijkheid tegemoet gaat. Juist daarom echter kan de Calvinist zich niet in zijn kerk opsluiten, om de wereld er aan te geven, maar is het veeleer zijn verhoogde roeping, om die wereld naar Gods bestel op het hoogst te ontwikkelen, en te midden van die wereld al wat voor menschelijk eerbaar geldt, lieflijk is en wel luidt, om Gods wille hoog te houden. Ge ziet daarom in de historie, hoe, om nu van mijn eigen voorvaderen te mogen spreken, de Calvinisten nauwelijk het vierde eener eeuw in de Nederlanden vasten voet kregen, of er ritselt leven naar alle kant, er bruist ontembare energie op elk gebied van menschelijke handeling, en hun scheepvaart en handel, hun ambachts- en fabriekwezen, hun land- en tuinbouw, hun kunst en wetenschap bloeit op met eertijds ongekenden luister en geeft aan heel West-Europa den stoot tot een geheel nieuwe ontwikkeling van het menschelijk leven.

*

Slechts één uitzondering geef ik toe, en wensch ik opzettelijk, èn te mainteneeren, èn in het rechte licht te plaatsen: Niet |65| elk intiemer verkeer met de onbekeerde wereld achtte het Calvinisme vrij van gevaar, en met name wierp het een bolwerk op tegen den te onheiligen invloed dier wereld in het besliste breken met kaartspel, schouwburg en dans. Drie levensuitingen, die ik eerst elk in haar afzonderlijke beteekenis waardeer, om eerst daarna op haar vereenigde uitwerking terug te komen.

Het kaartspel is van Calvinistische zijde in den ban gedaan, niet alsof alle spel ons verboden ware, of ook alsof in de kaarten iets demonisch school, maar omdat het de gevaarlijke neiging kweekt, om van God af te laten, en te vertrouwen op de Fortuin. Het spel, waarvan de uitkomst uitsluitend bepaald wordt door scherpte van blik, vlugheid van handeling en gerijpte geoefendheid, veredelt; maar een spel als het kaartspel, dat in hoofdzaak beheerscht wordt door de vraag hoe de kaarten liggen en rondgedeeld worden, kweekt het geloof aan een macht buiten God, die dan Toeval heet of Fortuin. Tot zulk wangeloof nu neigt elk zondaar van nature. De koorts van het beursspel toont ons nog dagelijks, hoeveel sterker de aantrekkingskracht is, door den nuk van de Fortuin, dan door deze inspanning op ons uitgeoefend. Tegen die neiging, zoo oordeelde de Calvinist, moest het opkomend geslacht gewapend worden en door het kaartspel zou juist omgekeerd die booze neiging worden aangekweekt. En overmits nu een steeds verkeeren als in de tegenwoordigheid Gods voor den echten Calvinist de bron ontsloot, waaruit hem stalen levensernst en verhoogde levenskracht toevloeide, verfoeide hij een spel, dat de Fortuin boven Gods bestel, het hunkeren naar het Toeval boven het vaste geloofsbetrouwen stelde. God te vreezen en naar de gunsten der Fortuin te dingen, scheen hem als water te zijn en vuur. — Tegen het Schouwburgbezoek rees gansch andere bedenking. Op zichzelf lag er in de fictie niets zondigs. Ook het verbeeldingsleven is een gave Gods. Noch ook lag het kwaad in het dramatische. Hoe hoog heeft Milton Shakespeare niet geroemd, en schreef hij zelf niet in dramatischen vorm? Zelfs in de publieke uitvoering als zoodanig school het kwaad volstrekt niet. Te Genève zijn in Calvijn’s dagen voor al het volk publieke voorstellingen gegeven op de markt. Neen, wat hier stuitte, was niet de comedie |66| of tragedie, de opera of de operette op zichzelf, maar wel het onzedelijk offer dat, om ons te vermaken, van spelers en speleressen werd gevergd. Een troep komedianten was in die dagen vooral als regel een zedelijk verlaagd korps. Eensdeels omdat het altoos in eens anders karakter optreden, eindigde met alle eigen karakterontwikkeling onmogelijk te maken, en anderdeels omdat, heel anders dan bij de Grieken, bij ons ook de vrouw op het tooneel werd toegelaten, en de geldelijke bloei van het theater op en neer ging met haar verspelen van wat der vrouw het heiligst moet zijn, haar eer en haar deugd. Zeker, er is ook een strenge comedie denkbaar, maar, enkele zeer groote steden uitgezonderd, vonden die bezoek noch betaling, en de feitelijke toestand was en bleef, dat, gerekend over heel de wereld, (Hall Cayne heeft het nog onlangs in zijn „The Christian” bevestigd) de inkomsten van het theater te milder vloeiden, naarmate de troep zich in zedelijken zin minder ontzag. Als regel mocht dus gezegd, dat het schouwburgwezen om te bloeien haar hecatombe van karakterverlaging en zedelijke ontadeling vergde, en het koopen van oor- en ooggenot tot dien prijs, achtte een Calvinist die al het menschelijke in den mensch om Gods wil eert, rechtstreeks geoordeeld. — Ten slotte wat den dans aangaat, zijn het mondaine bladen als le Figaro, die nu nog den Calvinist in het gelijk komen stellen. De zedelijke pijn, zoo schreef dit blad nog kort geleden, waarmeê een vader zijn dochter voor het eerst in den balkring invoert, is voor niemand, die toon en blik en actie in deze kringen kent, een geheim. Ook hier dus geen protest van Calvinistische zijde tegen den dans op zichzelf, maar uitsluitend tegen de zonde die er zich in uitgiet, en tegen de zonde waartoe ze verlokt.

En hiermee keer ik terug tot het bolwerk waarvan ik sprak. Ter dege goed hadden onze vaderen ontwaard, hoe het juist dans, spel en komedie waren, waarop het wereldsch deel der wereld schier verzot scheen. Het gold in die kringen niet als bijzaak, maar als hoofdzaak voor het leven, en het bitterst gesmaad en het felst bestookt werd juist hij, die deze drie heerlijkheden aan dorst randen. En juist deswege bekenden ze hoe feitelijk in deze drie de Rubicon lag, die niet mocht worden |67| overgetrokken, of de ernst des levens legde het voor het levensspel, de vreeze des Heeren voor de jacht naar zingenot af. En nu, heeft niet de uitkomst hun kloek protest gekroond? Nu nog na drie eeuwen zijn in mijn vaderland geheele levenskringen aan te wijzen waar het aan den wereldzin belet is binnen te dringen, waarin het leven zich van buiten naar binnen heeft gekeerd, en waarin, dankzij die heilige concentratie, een zin voor het hoogere en een energie voor het heilige gekweekt is, die elke andere groep ons benijdt. Niet alleen de vleugel van den vlinder is in die kringen ongedeerd gebleven, maar het stofgoud schittert er op dien vleugel nog met ongebroken glans.

Die proef op de som nu is het, waarvoor ik uw eerbied vraag. Verre overtreft onze eeuw de eeuw van het Calvinisme in den vloed der geschriften over zedelijke problemen en zedelijk leven. Philosofen en theologen wedijveren met elkander, om ons het spoor op het zedelijk erf, wat wilt ge? uit te bakenen of bijster te maken. Maar wat ze niet vermochten, is zedelijke vastigheid aan de geschokte conscientie te hergeven. Eer moet de klacht geuit, dat steeds meer alle fundament van het zedelijk gebouw wordt losgewoeld, en er ten slotte geen enkele stevigheid overblijft, waarvan het volk in zijn massa gevoelt, dat het een onverwrikbaar houvast oplevert voor zijn zedelijke toekomst. Het recht van den sterkste is geloofd, eigendom is diefstal geheeten, de vrije liefde geproclameerd, om eerlijkheid wordt gelachen, een pantheïst dorst Jezus en Nero op één lijn te plaatsen. En vergelijk dáármeê nu de ongelooflijke uitkomst, door het Calvinisme van voor drie eeuwen verkregen. Het begreep dat de wereld niet met ethisch philosopheeren, maar alleen door herstel van teederheid in de conscientie te redden was. Daarom redeneerde het niet, maar greep de zielen aan, en plaatste ze, aangezicht tot aangezicht, voor het aanschijn des Almachtigen, dat het hart weer beefde voor zijn heilige majesteit en in die majesteit de glorie zijner liefde ontdekte. En als ge dan teruggaat in de historie, en ge ziet, hoe verdorven het Calvinisme toen ter tijd de wereld vond, hoe diep in alle landen destijds het zedelijk leven gezonken was, aan de hoven en in de volkskringen, onder de geestelijken en onder de corypheën der wetenschap, bij mannen |68| en bij vrouwen, onder hooge en onder lage standen, en ge ziet dan hoe het Calvinisme, in één menschenleeftijd, een breeden, zedelijken levenskring in vijf landen tegelijk schiep, die dusver nog nimmer in hoogheid van opvatting en kracht tot zelfbeheersching overtroffen werd, wie uwer durft dan ontkennen, dat althans op zedelijk gebied het Calvinisme den palm der overwinning wegdroeg? 14)




1. De vrede voor het ontrust gemoed.

2. Zaad der religie.

3. Gewaarwording van het Eeuwige.

4. De geestelijkheid vormt de leerende kerk.

5. Zonder tusschenschakel.

6. Verblijfplaats der jong gestorven kinderkens.

7. Dat bidden en werken één zal zijn.

8. Linnaeus noemde de mensch: homo sapiens d.i. het met zelfbewustzijn begaafde wezen.

9. De noodzakelijke behoefte aan een H. Schriftuur.

10. Behoefte aan kunstlicht.

11. Noodzakelijkheid der wedergeboorte.

12. Lichaam.

13. De mystieke gemeenschap met Christus.

14. Dat in deze Lezing van Religie, niet van Godsdienst gesproken werd, geschiedde opzettelijk. „Godsdienst” is het dienen van God in culte en practijk. „Religie” is het woord, dat onze vaderen bezigden, om de bewuste verhouding tusschen God en het menschelijk creatuur uit te drukken.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000