Het Calvinisme

Zes Stone-lezingen in October 1898 te Princeton (N.-J.) gehouden

door Abraham Kuyper


Amsterdam-Pretoria (Höveker & Wormser) z.j. [1899]




Eerste lezing

Het Calvinisme in de Historie.

M. H. Wie van het vasteland van Europa overgekomen voet aan wal zet in deze nieuwe wereld, voelt, gelijk de Psalmist zegt, »de gedachten in zich vermenigvuldigen.« Vergeleken bij de bruisende wateren van den stroom des levens, die hier zoo snel trekt en zuigt, vliet het leven dat hij achterliet, zoo traag, zoo gestremd, schijnt soms zoo bijna bevroren. Hij ontwaart, hoe hier potenzen van menschelijk leven opbloeiden, die zijn oude wereld nog niet, of althans niet in die mate tot ontwikkeling kon brengen, en alles spelt hem nu reeds hoe in wat dusver ontlook, profetie ligt van nóg rijker ontplooiing. Longfellow’s Excelsior wordt eerst hier op Amerika’s bodem verstaan. Niet dat ik daarom de voorkeur vergeet, die in menig opzicht die oude wereld nog kan doen gelden. Wie uit Europa komt, voelt zich ouder, maar ook historisch meer gevormd, drager van een gradueel achterlijk, maar in zijn soort rijper ontwikkeld leven. Het is hier nog de weelde van den lentetijd, in Europa meer de rijpheid van den herfst. Maar toch, al spoedt de trein des levens zich hier sneller voort, en al zijt gij ons reeds tot een ver verwijderd station vooruitgestoomd, toch voelen we beiden saâm, dat het één leven is, dat gij hier en wij ginds doorleven. Het ééne leven der menschheid, dat uit Azië naar Europa toog, dwars door Europa van de Levant naar het Westen drong, en thans in Amerika nogmaals van het Oosten naar het Westen voortstuwde. Eén menschelijk leven in ongestoorde ontwikkeling zich voortbewegend, en daarbij voor u en mij in nog enger zin één door gemeenschappelijken oorsprong. Gij toch zijt voortgekomen uit datzelfde Europa, waarin ons lot viel en bleef, en |2| daarom vleesch van ons vleesch en been van ons been. De historische bakermat van uw wonderbaar leven wordt nog in het oude Europa, niet het minst in Nederland, bewaakt.

Doch er is meer, dat bij het breedst verschil in exponent van leven u en ons verbinden blijft. Meer nog dan die ontwikkeling in ons leven, is de adel van dat leven ons heilig, en die adel ligt voor u en ons in den Christennaam. Dat Christelijk element is het ons heilig patrimonium. Niet van Rome noch van Griekenland is de wedergeboorte van het menschelijk leven uitgegaan. Die machtige ommekeer dagteekent van Bethlehem en Golgotha, en zoo de Reformatie de liefde van ons hart heeft, het is alleen omdat ze het licht van Golgotha, toen het achter den nevel van het sacerdotalisme verduisterd was, weer in volle kracht voor ons heeft doen schitteren. Maar juist tegen dat Christelijk element in onze edeler levenssfeer, tegen dien Christennaam en den invloed van dien naam op alle gebied des levens, stak thans de storm van het Modernisme op. In 1789 lag het keerpunt. Wat Voltaire uitriep: Ecrasez l’infâme, doelde op den Christus en was uiting van de verborgenste gedachte, die aan de Fransche Revolutie ten grondslag lag. Nous ne voulons plus de Dieu, gelijk een ander philosoof uit die dagen het formuleerde, of het ni Dieu ni maître uit de volksmeeting, was het wachtwoord waaronder destijds de vrijmaking van den mensch, als emancipatie van alle Goddelijk gezag, werd ingeluid. En al heeft God, in zijn ondoorgrondelijken raadslag, diezelfde Revolutie gebruikt, om de tyrannie der Bourbons te verpletteren, en een oordeel te spreken over de Overheden die zijn volkeren als voetschabel misbruikt hadden, het beginsel der Revolutie blijft anti-christelijk, en heeft sinds als een kanker voortgevreten, om al wat voor ons Christelijk bewustzijn vaststond, los te rukken en te ondermijnen. Sinds is die tegen het Christendom gekeerde macht nog versterkt, wijl aannemelijk gemaakt in de veelvormigheid van het geleerde Duitsch Pantheïsme, straks in Darwins evolutieleer als physiologische grondslag onder al het bestaande gevleid. En wat nóg schreiender is, tot in Christus’ kerk is die giftige bacil doorgedrongen, om onder den dekmantel van een vroom mysticisme of in het kleed van historische klaarheid, eerst de Kerkelijke Belijdenis, daarna het |3| Woord Gods, en ten leste den heiligen persoon van den Christus zelf aan te tasten. Geen twijfel dan ook of het Christendom is in gevaar. Twee wereldbeschouwingen worstelen met elkaar in een kamp op leven en dood. Het Modernisme wil een wereld uit den natuurlijken mensch en dien mensch uit de natuur opbouwen, en daarentegen al wie voor Christus als den Zone Gods eerbiediglijk neerknielt, wil voor de wereld de Christelijke erfenis bewaren, om haar, dank zij die erfenis, een nog hooger ontwikkeling te doen tegengaan. Dat is de strijd in Europa, de strijd ook in Amerika, en het is die principieële strijd, die in het kleine Nederland straks veertig jaren van mijn ten avond neigend leven heeft uitgeput.

In dien strijd nu heeft de apologetiek ons geen stap verder gebracht. De apologeten toch zijn onveranderlijk begonnen met het juist aangevallen bolwerk prijs te geven, om zich op een daarachter liggend ravelijn terug te trekken. Van meet af heb ik daarom gezegd: Zal de strijd met eere en met hoop op zegepraal gevoerd worden, dan moet weer beginsel tegen beginsel worden gesteld. Dan moet ingezien, hoe ons in het Modernisme de onmetelijke energie van een alomvattend beginsel bestormt, en moet onzerzijds een even diepgaand, een even breed strekkend, een even ver reikend beginsel daartegenover worden geplaatst. En dat beginsel moeten niet wij verzinnen, niet wij formuleeren, maar dat beginsel moet gevonden en aangewezen worden in het leven zelf, gelijk het met zijn wortelen in het verleden ligt en de takken uitslaat waarmeê het ons overschaduwt. Te zeggen: dat beginsel is het Christendom zelf, is daarom niet genoeg. Ook dat algemeen beginsel kan ons alleen in zijn historie, in zijn verst vooruitgeschoven, in zijn zuiverste openbaring de kracht tot verweer bieden, en aldus opgevat vond ik en beleed, en belijd nu nog dat beginsel in het Calvinisme. Dáárin heeft mijn hart ruste gevonden. Dááruit kwam mij de kracht toe, om te midden van den strijd der meeningen positie te nemen. En daarom, waar ik uitgenoodigd werd, hier de Stonelectures dit jaar te houden, kon ik niet aarzelen; het Calvinisme als het eenig afdoend, eenig gewettigd, eenig steekhoudend verweer voor de Protestantsche volkeren tegen het indringend en hen overstroomend Modernisme, moest vanzelf mijn onderwerp zijn. Niet alsof mijn persoonlijke worsteling u kon interesseeren, maar |4| omdat het één strijd is, dien Gij hier, en wij in Nederland strijden, en wijl in zulk een algemeene worsteling alleen een getuigenis op persoonlijke ervaring berustend, beteekenis en waardij bezit.

Vergun mij daarom in zes lezingen U over het Calvinisme te spreken. Eerst over het Calvinisme in de Historie, opdat we verstaan wat het Calvinisme is. Dan over het Calvinisme en de Religie. Voorts over het Calvinisme als politiek verschijnsel. Daarna over het Calvinisme als sociale macht eerst in de Wetenschap en dan in de Kunst. En eindelijk over de hope die in het Calvinisme is weggelegd voor de toekomst.

*

Klaarheid van betoog vordert, dat ik begin met in mijn eerst lezing historisch het begrip van het Calvinisme vast te stellen. Ter afsnijding van misverstand, dient uitgemaakt, wat we onder Calvinisme niet, en wat we daaronder wel hebben te verstaan. Ik ga daarbij uit van het thans heerschend gebruik van dien naam, dat in de onderscheiden landen en levenssferen volstrekt niet hetzelfde is. Het veelvuldigst wordt de naam Calvinist heden ten dage nog gebezigd als sectarische naam; niet in Protestantsche, maar in Roomsche landen, met name in Hongarije en Frankrijk. In Hongarije telt de Gereformeerde Kerk nog twee en een half millioen zielen, die van Roomsche zijde en in de Joodsche pers standvastig met den niet-officieelen naam van „Calviner” worden gebrandmerkt. Een min lieflijk bedoelde naam, die op de leden der Gereformeerde Kerk daar te lande dan ook wordt toegepast, indien ze de laatste sympathie voor het geloof hunner vaderen reeds volledig hebben uitgeschud. En op hetzelfde verschijnsel stuit ge in Frankrijk, vooral in Zuid-Frankrijk, waar „Calvinistes” eveneens, en sterker nog, een sectarisch brandmerk is, waarbij niemand meer vraagt wat de gebrandmerkte persoonlijk gelooft of belijdt, maar dat aan een ieder wordt opgedrukt, ook al is hij atheïst geworden, die nog bij de église reformée is aangesloten. Georges Thiébaud, bekend door zijn anti-Semitisme, heeft tegelijk het anti-Calvinisme in Frankrijk weêr wakker geroepen, en tot in de Dreyfusquaestie toe zijn „Joden en Calvinisten” als de twee anti-nationale machten tegen de macht van den „esprit gaulois” overgesteld. Dit sectarische |5| gebruik van den naam Calvinist is herkomstig van de Roomsche polemisten, die van meet af gewoon waren, den in hun oog gevaarlijkste vorm van het Protestantisme, onder dien gehaten term te bestrijden. Voor de kennis en waardeering van het Calvinisme daarentegen is deze eerste beduidenis van den naam „Calvinist” van niet het minste gewicht, daar ze puur formeel en uitwendig is, los van alle geestelijke belijdenis. — Vlak tegenovergesteld hieraan is het tweede gebruik van het woord Calvinisme, dat ik het confessioneele noem. In dien zin verstaat men onder Calvinist, een beslist aanhanger van het dogma der Voorbeschikking. Zij die het sterke hechten aan de Predestinatie afkeuren, trekken dan in zooverre met de Roomsche polemisten één lijn, als ook zij, door u Calvinist te noemen, u voorstellen als lijdende aan dogmatische bekrompenheid en als gevaarlijk voor den ernst van het zedelijk leven. En omgekeerd zullen theologen, die uit volle overtuiging voor de Predestinatie opkomen, er wel hun eere in stellen, om Calvinist te zijn, maar toch gevoelen ook deze zóó zeer de ongunst van den Calvinistische naam, dat ze om hun overtuiging ingang te doen vinden, liever van Augustianisme dan van Calvinisme spreken. Zoo deed Hodge, wiens studiën ik dankbaar waardeer, ook onder u. — Een derde gebruik van den naam Calvinist vindt ge in den kerkelijken titel van sommige Baptisten en Methodisten. Geen minder dan Spurgeon behoorde tot een tak der Baptisten, die zich in Engeland als „Calvinistic Baptists” aandienen, en in Wales noemen de Whitfieldsche Methodisten zich nu nog Calvinistic Methodists. Ook hier dus de confessioneele onderscheiding, maar nu als naam voor een kerkgemeenschap gebezigd. Een gebruik, dat stellig door niemand gestrenger dan door Calvijn zelven zou zijn afgekeurd. Nooit toch heeft ééne enkele Gereformeerde Kerk, zoolang hij leefde, er aan gedacht, de Kerk van Christus naar een mensch te noemen. De Lutherschen deden dit; wij, Gereformeerden, deden het nooit. — Maar buiten dit sectarisch, confessioneel en kerkelijk gebruik van den naam Calvinist, geldt hij nu bovendien nog als wetenschappelijke term, deels in historischen, deels in philosophischen, deels in staatkundigen zin. Historisch spreekt de wetenschap |6| van Calvinisme, om het stroombed aan te duiden, waarin de Reformatie zich voortbewoog voor zoover ze noch Luthersch, noch Anabaptistisch, noch Sociniaansch was. In wijsgeerigen zin verstaat men onder Calvinisme het stelsel van begrippen, dat zich op meer dan één gebied onder den invloed van Calvijns geest tot heerschappij verhief. En als politieke naam duidt Calvinisme de staatkundige beweging aan, die de vrijheid der volkeren in het constitutioneele staatsleven gewaarborgd heeft; in Holland eerst; toen in Engeland; in de Vereenigde Staten sinds het eind der vorige eeuw. Vooral onder de Duitsche geleerden is de naam van Calvinisme in die laatste, wetenschappelijke opvatting gangbaar. En dat niet alleen wie zelf issu de Calvin is, zoo spreekt, maar dat ook wie geheel van het belijdende Christendom afviel, deze hooge betekenis aan het aldus verstane Calvinisme toekent, moge u uit het getuigenis van drie mannen van wetenschap onder ons blijken, waarvan de eerste, Dr. Robbert Fruin zegt: „Het Calvinisme kwam naar Nederland over met een eigen welsluitend stelsel van godgeleerdheid, met een eigen plan van democratische kerkorde, doordrongen van een streng zedelijken zin, en evenzeer voor de zedelijke hervorming der menschheid, als voor hare godsdienstige ijverend. Tegenover het Roomsche levensbeginsel stelde het Calvinisme een eigen levensbeginsel over. En in den oorlog die volgde, was het Calvinisme krachtig genoeg, om den gemeenen vijand te weerstaan 1).” Een ander, nog beslister ongeloovige geleerde schreef: „Het Calvinisme was de hoogste ontwikkelingsvorm in het godsdienstig en staatkundig beginsel der zestiende eeuw 2).” En een derde, om niet meer te noemen, erkent dat het Calvinisme Duitschland, Nederland en Engeland heeft vrijgemaakt, en in de Pilgrimfathers den stoot gaf tot het opbloeien der Vereenigde Staten. 3) — Alleen nu in dien laatsten, streng wetenschappelijken zin wensch ik ook voor u het Calvinisme te bespreken als een zelfstandige levensrichting, die uit een eigen levensbeginsel, |7| een eigen vorm voor ons leven en ons denken, onder de volkeren van West-Europa en Noord-Amerika, ik voeg er bij, thans ook in het Zuiden van Afrika, ontwikkeld heeft.

Het terrein, waarop ge dit Calvinisme ziet optreden, is dan ook veel breeder dan enghartige confessioneele opvatting vaak waant. Juist de weerzin tegen het zich als Kerk noemen naar een mensch, werd oorzaak, dat men in Frankrijk sprak van „Hugenoten”, in Nederland van „Geuzen”, in Groot-Brittannië van „Puriteinen” en „Presbyterianen”, straks onder u van „Pilgrimfathers;” en dat toch alle deze uitingen van reformatorisch, en op ons beider continent, van het „Gereformeerde” leven, van Calvinistische herkomst waren. Zelfs mag de omvang van het Calvinistisch gebied niet beperkt worden tot deze zijn meer zuivere openbaringen. Zoo doet ge met het Christendom ook niet, maar rekent tot het Christelijk erf ook Rusland, ook de Balkanstaten, ook de Armeniërs en ook zelfs Meneliks rijk in Abyssinië. Naar denzelfden regel behoort ge dus ook tot het Calvinistische erf te rekenen, wat in eenig opzicht de zuivere lijn verliet. Zoo is de Church of England in haar 39 Artikelen zeer stellig Calvinistisch, ook al verliet ze in haar hiërarchie en liturgie het rechte pad, om straks in Puseyanisme en Rituralisme op de bedenkelijke gevolgen van deze afdoling te stooten. Even beslist Calvinistisch was de Confessie der Independenten, ook al verbrak in hun kerkbegrip het individualisme de organische structuur. en al zijn de meeste Methodisten geëindigd met onder Wesley’s inspiratie tegen de theologische grondopvatting van het Calvinisme in verzet te komen, toch was het juist de Calvinistische geest die deze geestelijke reactie tegen een destijds almeer versteenende Kerk in het leven riep. In zekeren zin kan men zelfs zeggen, dat het geheele veld dat ten slotte door de Reformatie bestreken werd, voor zoover het niet Luthersch was, en niet Sociniaansch, in beginsel door het Calvinisme beheerscht werd. Zelfs het Baptisme zocht toevlucht in de Calvinistische tente. Juist de vrije aard van het Calvinisme bracht dit opkomen van allerlei schakeeringen en afwijkingen en van reactiën tegen deze afwijkingen met zich. Het Romanisme blijft één en eenvormig door zijn hiërarchie. Het Lutherdom dankt gelijke eenheid en eenvormigheid aan het |8| overwicht van den landsvorst als „summus episcopus” en aan zijn ecclesia docens. Het Calvinisme daarentegen, dat noch kerkelijke hiërarchie, noch magistrale inmenging, noch een ecclesia docens huldigt, kon zich niet anders dan in veelvormige schakeering ontwikkelen, maar moest dan ook, juist door die schakeeringen, het gevaar der afwijking, en tegen dit gevaar een altoos eenzijdige reactie in het leven roepen. Bij een vrije levensontwikkeling als het Calvinisme bedoelde, moest zich het onderscheid afteekenen tusschen het centrum met zijn volle, zuivere levenskracht, en den breeden omtrekt met zijn bedenkelijke verflauwingen; maar juist in dien rusteloozen strijd tusschen zuivere en min zuivere ontwikkeling, was de gestadige doorwerking van zijn geest aan het Calvinisme gewaarborgd.

Aldus opgevat wortelde het Calvinisme in een eigen vorm van religie, en ontwikkelde zich uit dit eigenaardig religieus besef, vooreerst een eigen Theologie, daarna een eigen Kerkorde, en voorts een eigenaardige vorm voor het staatkundige en maatschappelijk leven, voor de opvatting der zedelijke wereldorde, voor de verhouding tusschen natuur en genade, tusschen Christendom en wereld, tusschen Kerk en Staat, en ten slotte voor kunst en wetenschap, en toch bleef het in alle deze levensuitingen het ééne en zelfde Calvinisme, overmits alle deze ontwikkelingen gelijkelijk en spontaan uit eenzelfde levensbeginsel voortkwamen. In zooverre staat het dus op één lijn met die andere complexen van menschelijk leven, die we gewoon zijn met den naam van Paganisme en Islamisme, van Romanisme en Protestantisme, te noemen, als aanduiding van vier eigen werelden in onze ééne wereld. En al is het nu dat ge met Paganisme en Islamisme strikt genomen het Christianisme te coördineren hebt, toch laat het Calvinisme zich hiermede daarom te beter op één lijn stellen, omdat het de pretentie maakt, juister en zuiverder dan het Romanisme en Lutheranisme beide de Christelijke idee te belichamen. In de Grieksche wereld van Rusland en de Balkanstaten overheerscht nog het nationale element, en heeft zich uit den wortel der mystieke orthodoxie nog een eigen levensvorm ontwikkeld. In de Luthersche landen heeft Overheidsbemoeiing de doorwerking van |9| het geestelijk beginsel verhinderd. Alleen van het Romanisme kan gezegd, dat het zijn levensgedachte in een eigen wereld van gewaarwordingen en levensuitingen belichaamde. Maar naast en tegenover dat Romanisme trad nu het Calvinisme op, niet alleen om een anderen kerkvorm, maar om een geheel anderen vorm voor het menschelijk leven te scheppen, een andere bestaanswijze aan de menschelijke maatschappij te geven, en met andere idealen en voorstellingen de wereld van het menschelijk hart te bevolken.

Dat dit eerst in onze eeuw, als vrucht van deger historisch onderzoek door vriend en vijand is ingezien, bevreemde u niet. Dit zou niet zoo geweest zijn, indien het Calvinisme in het leven ware getreden, na eerst als stelsel te zijn doorgedacht, en alzoo als vrucht van denken aan het leven ware opgelegd. Doch dit was niet zoo. Het leven was hier eerst. Voor het Calvinisme was het leven hoofdzaak. Er was te veel te doen, en te lijden, om tijd voor na- en doordenken te laten. En wat heerschte was de Calvinistische practijk op den brandstapel en op het slagveld. Bovendien noch de Zwitsers, noch de Nederlanders, noch de Engelschen en Schotten, de volken onde wie het veld won, waren van nature bijster philosophisch aangelegd. Vooral destijds leefde men onder deze volken gelijk men leefde, spontaan en vanzelf. En eerst daarna heeft men stuksgewijs het Calvinisme ingedacht, en niet dan veel later zijn geschiedvorschers en denkers zich rekenschap gaan geven van den samenhang der Calvinistische verschijnselen, en van de alles beheerschende eenheid van hun beginsel. Zelfs kan men zeggen, dat de behoefte aan het begripmatig en systematisch indenken van zulk een diep ingrijpend en allesomvattend levensverschijnsel, eerst dan opkomt, als het zijn eerste levenskracht heeft uitgeput, en het, om zich in de toekomst te handhaven, op juister afbakening van zijn grenzen bedacht heeft te zijn. Voegt ge daar nu bij, dat de drang, om zijn leven in den spiegel van zijn bewustzijn met eenheid van beeld te weerkaatsen, in onze meer philosophische eeuw zooveel sterker is geworden, dan springt het in het oog, waarom én de behoefte van het oogenblik, én bezorgdheid voor de toekomst, ons tot een dieper indenken van het wezen van het Calvinisme noodzaakt. Al wat Roomsch is, |10| weet waarvoor het leeft, omdat het met klare bewustheid geniet uit de eenheid van Romes levensopvatting. Zelfs in den Islam vindt ge dezelfde kracht van een door één beginsel beheerschte levensovertuiging. Alleen het Protestantisme doolt zonder stuur of richting om in de woestijn. Het trekt her- en derwaarts, maar komt niet vooruit. Hieruit verklaart het zich, dat het Pantheïsme dat, door de nieuwe Duitsche philosophie uitgebroed en aan Darwin zijn concreten evolutievorm dankend, almeer alle sferen van menschelijk leven, en zoo ook de Theologie, voor zich opeischt, onder Protestantsche theologen op zoo onrustbarende wijze, onder allerlei benaming, veld wint, en zich reeds opmaakt, om de erfenis onzer vaderen in handen van een modern Buddhisme over te spelen. Wat uit de Fransche revolutie op het eind der vorige, en uit de Duitsche philosophie in den loop dezer eeuw opkwam, is een wereld- en levensbeschouwing, die lijnrecht tegen die onzer vaderen overstaat. Hun strijd ging om de eere Gods en om een gezuiverd Christendom. De tegenwoordige beweging voert den strijd om de eere van den mensch, en ontvangt haar bezieling niet van Golgotha, maar van het Humanisme. En dat nu onze eigen kringen tegenover dit Modernisme zoo zwak stonden, en telkens terrein verloren, is uitsluitend daaruit te verklaren, dat wij die eenheid van levensconceptie misten, die alleen in staat is, een u vijandige levensconceptie met goed gevolg op uw grenzen af te wijzen. En die eenheid van levensconceptie nu geeft u niet het vage begrip van Protestantisme, dat zich in allerlei bochten wringt en kronkelt, maar vindt ge alleen in het machtig historisch proces, dat als Calvinisme zich een eigen bedding voor den geweldigen stroom van zijn leven groef. Dank zij het eenheidsbesef van het Calvinisme kunt gij hier in Amerika, kunnen wij in Europa, weer naast het Romanisme, en tegenover het Pantheïsme positie nemen. Zonder die eenheid van uitgangspunt en historische levensopvatting ontbreekt ons de kracht tot handhaving van onze zelfstandige positie, en ontzinkt ons de kracht tot verweer.

*

Juist dit hoog belang der zaak echter verbiedt ons zonder |11| nader bewijs aan te nemen, dat metterdaad in het Calvinisme zulk een eenheid van levensconceptie optrad, en dat we in het Calvinisme te doen hebben niet met een partiëel en tijdelijk historisch verschijnsel, maar met zulk een principiëel, alomvattend levenssysteem, als alleen in staat is, om uit het verleden opkomend, ons in het heden te sterken, en de hand op de toekomst te leggen. Ik heb mij dus af te vragen, welke de voorwaarden zijn, waaraan zoo algemeene levenssystemen als het Paganisme, het Islamisme, het Romanisme en het Modernisme herkend worden, en u aan te toonen dat metterdaad het Calvinisme ten volle aan die noodzakelijke voorwaarden beantwoordt.

Deze voorwaarden nu eischen in de eerste plaats, dat uit een eigen beginsel een eigen inzicht opkome voor de drie principiëele verhoudingen van alle menschelijk leven: 1º. onze verhouding tot God, 2º. onze verhouding tot den mensch en 3º. onze verhouding tot de wereld.

Voorop staat dus de eisch, dat zulk een actie haar uitgangspunt vinde in een bepaalde opvatting van onze verhouding tot God. Dit is niet toevallig, het moet zoo zijn, het kan niet anders. Zal toch zulk een actie op heel ons leven zijn stempel drukken, dan moet ze uitgaan van dàt punt in ons bewustzijn, waar ons leven nog ongedeeld bleef en nog in zijn eenheid ligt saamgevat, niet in de gespreide stengels, maar in den wortel waarop alle stengels uitschoten. En dat punt nu kan niet anders liggen dan in de tegenstelling tusschen al het eindige in ons menschelijk leven en het oneindige dat er achter ligt. Dáár alleen is de gemeenschappelijke bron, van waaruit de verschillende stroomen van ons menschelijk leven opkomen en zich verdeelen. Persoonlijk ervaren we dan ook gedurig, hoe in het diepst van ons gemoed, op het punt waar dit gemoed zich voor den Eeuwige ontsluit, alle stralen van ons leven als in één brandpunt samenvallen, en alleen daar die harmonie herwinnen, die ze in het leven zoo telkens en zoo pijnlijk verliezen. In het gebed ligt niet alleen onze eenheid met God, maar ook de eenheid van ons persoonlijk leven. Bewegingen in de historie die niet uit deze diepste bron vloeiden, zijn dan ook altoos partieel en voorbijgaande, en alleen die historische |12| actiën, die uit deze diepste diepte in ’s menschen persoonlijk bestaan opkwamen, omvatten heel het leven en bezaten duurzaamheid.

Dit was het geval bij het Paganisme, dat in zijn algemeensten vorm hieraan gekend wordt, dat het God in het creatuur gist, vermoedt en afbeeld. Dit geldt van het laagst staand Animisme zoowel als van het hoogst staand Buddhisme. Tot de zelfstandigheid van een God buiten en boven het creatuur klimt het Paganisme niet op. Edoch ook in dien gebrekkigen vorm heeft het als uitgangspunt een bepaalde opvatting van de verhouding waarin het oneindige tot het eindige staat, en dááraan dankte het zijn vormende kracht voor de menschelijke samenleving. Alleen omdat het dit diepe uitgangspunt had, kon het een eigen vorm voor heel het menschelijk leven voortbrengen. — Niet anders stond het met het Islamisme, daaraan herkenbaar dat het puur anti-paganistisch alle contact tusschen het creatuur en God afsnijdt. Mahommed en Khorân zijn hier de historische namen, maar in zijn wezen is de Halve Maan niets dan de absolute antithese van het Paganisme. De Islam isoleert God van het creatuur, om alle vermenging met het creatuur af te snijden. Als antipode had de Islam alzoo even verre strekking en was ook zijnerzijds in staat een geheel eigenaardige wereld van menschelijk leven te doen ontstaan. — Evenzoo stond het met het Romanisme. Ook hier is de pauselijke tiaar, de hiërarchie, de Mis en zooveel meer niets anders dan uitwerking van ééne grondgedachte, en die grondgedachte is: dat God met het creatuur in gemeenschap treedt door middel van een mystieken tusschenschakel, en die tusschenschakel is de Kerk, niet als mystiek organisme gedacht, maar als zichtbaar, tastbaar, waarneembaar instituut. De Kerk staat hier tusschen God en de wereld in, en voor zooverre de Kerk het menschelijk leven in zich kon opnemen en het beademen kon, schiep deswege ook het Romanisme een eigen vorm voor de menschelijke samenleving. — En naast en tegenover deze drie plaatst zich nu het Calvinisme met even diepe grondgedachte. Het zoekt God niet in het creatuur, gelijk het Paganisme, het isoleert God niet van de creatuur, gelijk het Islamisme, het stelt tusschen God en het creatuur geen middellijke gemeenschap gelijk Rome, maar proclameert de hooge gedachte, dat God, hoog in |13| majesteit boven alle creatuur staande, nochtans met dat creatuur onmiddellijke gemeenschap oefent door zijnen Heiligen Geest. Dit is dan ook het hart en de kern van de Calvinistische belijdenis der praedestinatie. Gemeenschap met God, maar tot in de eeuwigheid d.i. tot in zijn raadsbesluit doorgetrokken. Geen genade dan rechtstreeks uit God ons toekomende. Op alle oogenblikken des levens, heel onze geestelijke existentie door God zelven gedragen. Elk kind Gods met Hem in rechtstreeksche gemeenschap tredend en in heel zijn existentie Hem dienend. Het Soli Deo Gloria was resultaat, geen uitgangspunt, en de praedestinatie werd onverbiddelijk vastgehouden, niet om scheiding tussschen mensch en mensch te maken, veel min om eigen trots te streelen, maar om ons van eeuwigheid tot eeuwigheid een rechtstreeksche, een onmiddellijke gemeenschap met den levenden God te waarborgen. Het verzet tegen Rome gold voor den Calvinist dan ook steeds het uit den weg ruimen van een Kerk, die zich tusschen God en de ziel stelde. De kerk was niet in het ambt, noch in een zelfstandig instituut te zoeken, de kerk, dat waren de geloovigen zelven, zooals ze door hun geloof in contact stonden met den Almachtige. En zoo vindt ge dan ook hier bij het Calvinisme, evenals bij het Paganisme, bij den Islam en bij het Romanisme, een eigen, bepaalde opvatting van de grondverhouding waarin de mensch tot God staat, en blijkt het alzoo te voldoen aan de eerste voorwaarde die gesteld wordt aan elk levenssysteem, dat een eigen vorm voor het menschelijk leven zal scheppen.

Intusschen voorzie ik hier tweeërlei tegenwerping. Men zal mij vragen, of ik hier niet voor het Calvinisme eene eere neem, die aan het Protestantisme in ’t gemeen toekomt. En ten andere, of het Modernisme van onzen tijd niet een even alzijdigen levensvorm schept, niet ontleend aan de religie, maar veeleer buiten alle grijpbare religie om. Vergunt mij op beide tegenwerpingen te antwoorden.

Vooreerst dan. Misken ik de algemeene beteekenis van het Protestantisme, zoo ik voor het Calvinisme de eere opeisch van de rechtstreeksche gemeenschap met God hersteld te hebben? Mij dunkt neen. Immers op Protestantsch erf, nu in historischen zin genomen, staat naast het Calvinisme alleen het Lutheranisme. En nu begeer ik voor niemand onder te doen in prijs en lof voor Luthers |14| heldenmoedig initiatief. In zijn hart veel meer dan in het hart van Calvijn is de bange strijd doorworsteld, die tot de wereld-historische breuke leide. Luther is zonder Calvijn te verklaren, Calvijn zonder Luther niet. Voor een niet gering deel is Calvijn ingegaan tot den oogst, van wat de held van Wittenberg in en buiten Duitschland gezaaid had. Maar als men vraagt, wie het reformatorisch beginsel het scherpst gevat, het volledigst uitgewerkt en het breedst toegepast heeft, dan wijst de historie u op den denker van Genève en niet op den gemoedsheld van Wittenberg. Zeker ook Luther wilde rechtstreeksche gemeenschap met God, maar hij vatte deze gemeenschap op van hare subjectieve, anthropologische zijde, niet objectief-theologisch gelijk Calvijn. Zijn uitgangspunt was het speciaal-soteriologisch beginsel van het rechtvaardigmakend geloof; Calvijns uitgangspunt lag in het generaal kosmologisch beginsel van de souvereiniteit Gods. En als gevolg hiervan schoof Luther nogmaals de ecclesia representativa, de ecclesia docens tusschen God en de geloovigen in, terwijl Calvijn het eerst de Kerk in de geloovigen zelven zocht. Zooveel doenlijk leunde Luther diensvolgens nog op Roomsche Sacramentsbeschouwing en Roomschen Cultus, terwijl Calvijn het eerst in beide de lijn doortrok die rechtstreeks van God op den mensch en van den mensch op God ging. En wat nog sterker spreekt, in alle Luthersche landen is de Reformatie meer van de Vorsten dan van het volk uitgegaan, is daardoor onder de macht van de Overheid gekomen, die als „summus episcopus” ambtelijk in de Kerk optrad, en heeft dientengevolge noch het sociale noch het staatkundige leven, overeenkomstig haar levensbeginsel, omgezet. Het Lutheranisme is kerkelijk en theologisch gebleven, alleen het Calvinisme heeft in en buiten de kerk zijn stempel op alle uiting van het menschelijk leven gedrukt. Van het Lutheranisme spreekt dan ook niemand als van de schepping van een eigen levensvorm, zelfs de naam komt nauwelijks voor; terwijl de kenners der historie steeds meer eenparig het Calvinisme als schepper van een eigen wereld van menschelijk leven huldigen. En waar nu om die reden het Lutheranisme hier niet in aanmerking komt, valt nog veel minder met het algemeene begrip van Protestantisme te vorderen, dat immers een louter negatief begrip uitdrukt, en thans het meest |15| geliefd is in kringen die met al den positieven inhoud der reformatorische belijdenis hebben gebroken.

Ik kom tot de tweede tegenwerping: Gaat het wel op, dat elke algemeene ontwikkelingsvorm van het leven zijn uitgangspunt moet vinden in de opvatting van onze verhouding tot God, waar toch de Fransche Revolutie, waaruit het Modernisme opkwam, juist omgekeerd met alle religie brak? In de vraag ligt het antwoord. Door het Ni Dieu ni maître elk rekenen met den levenden God buiten uw beschouwing en uw practijk te sluiten, is wel degelijk een eigen opvatting van uw verhouding tot God op den voorgrond schuiven. Een regeering, die haar gezant terugroept en alle relatie met een andere mogendheid afbreekt, bepaalt daardoor wel terdege haar verhouding tot de regeering van dat land, een gespannen verhouding, die veelal op oorlog uitloopt. En zoo was het ook hier. De macht der Fransche Revolutie, geen andere verhouding tot God dan door het intermediair der Roomsche Kerk kennend, brak omdat ze de Kerk niet wilde, alle verhouding ook met God af, en kwam juist ten gevolge daarvan met alle godsdienstige belijdenis op voet van oorlog. Ook hier lag derhalve wel wezenlijk een grondopvatting in zake de verhouding van God tot het creatuur. Een doodverklaring van God, zoo al niet voor het gemoed, dan toch voor staat en maatschappij en wetenschap. En nu is het wel waar, dat het Modernisme, toen het uit Fransche in Duitsche handen overging, bij deze bloote negatie niet kon staan blijven, maar de uitkomst toont dan toch, hoe het van dat oogenblik af Pantheïsme of Agnosticisme werd, en onder beide vormen de uitsluiting van God uit het practisch en denkend leven volhield. In onzen gedachtengang toch komt het vóór alles aan, op de uitwerking die onze relatie tot God op onze menschelijke levensuitingen heeft, en juist die wordt zoowel door het Pantheïsme als door het Agnosticisme tot niets herleid. Al wat onder de heerschappij dezer beide geestesrichtingen onder menschen gedacht wordt en tot stand komt, wordt uitsluitend verklaard uit den menschelijken factor. Het komt boven het strakke Humanisme niet uit.

Zoo houd ik dus beslist vol, én dat de voorstelling van onze verhouding tot God de grondopvatting is, die elken algemeenen |16| ontwikkelingsvorm van het menschelijk leven beheerscht, én dat voor ons die voorstelling gegeven is in het Calvinisme, dank zij zijn grondopvatting van een rechtstreeksche gemeenschap, die God met den mensch en de mensch met God heeft. Ik voeg er thans aan toe, dat het Calvinisme die grondopvatting niet heeft verzonnen of uitgedacht, maar dat God zelf ze in het gemoed, in het hart onzer geloofshelden uit die dagen gelegd heeft. We staan hier niet voor een product van een schrander intellectualisme, maar voor de vrucht van een werk Gods in het hart, zoo ge wilt voor een inspiratie in de historie. Op dit punt dient scherp gelet. Het Calvinisme heeft nooit zijn wierook voor het genie ontstoken, het heeft geen standbeeld voor zijn helden opgericht, ternauwernood noemt men hun namen. Te Genève is een steen in den muur al wat aan Calvijns nagedachtenis herinnert. Zelfs zijn graf is vergeten. Was dit ondankbaarheid? In het minst niet, maar al waardeerde men Calvijn, toch leefde men in de 16e en 17e eeuw in het besef, dat Eén meerder dan Calvijn, dat God zelf, hier had gewrocht. Bij geen enkele algemeene beweging in het leven vindt ge dan ook minder afspraak, minder conventie, minder een uitstralen uit één punt. Gelijktijdig ziet ge het Calvinisme in alle landen van West-Europa onder de natiën opstaan, en het treedt bij die volken te voorschijn niet doordat de universiteit er zich voorspant, of de geleerden het volk leiden, of een magistraat zich aan de spitse stelt, maar het komt uit den boezem van het volk zelf; bij wevers en landbouwers, bij werklieden en dienstboden, bij vrouwen en jongedochters, en bij allen toont het een zelfde kenmerk: Verzekerdheid des geloofs, zonder tusschenkomst der Kerk, ja, tegen de Kerk in. Het menschelijk hart is met zijn God tot eeuwigen vrede gekomen, voelt zich door die gemeenschap met zijn God gesterkt, beluistert er een hooge heilige roeping in, richt op de eere Gods elke levensuiting en elke kracht, en als de man of vrouw, die dat leven met God deelachtig werd, gedwongen wordt om het geloof prijs te geven, dat kunnen ze niet, dan moeten ze hun God vasthouden, en bestijgen ze bij duizenden en tienduizenden den brandstapel, niet klagend, maar juichend, met een loflied in het hart en met een psalm op de lippen. Dit nu |17| had niet Calvijn maar God door zijnen Heiligen Geest gedaan, in Calvijn gelijk in hen. Calvijn stond niet boven hen, maar als een broeder naast hen, mét hen door zijn God gezegend. En zoo nu is het Calvinisme tot zijn grondopvatting van een rechtstreeksche gemeenschap met God gekomen, niet omdat Calvijn die heeft uitgedacht, maar omdat God zelf aan onze vaderen in die rechtstreeksche gemeenschap een schat schonk, waarvan eerst Calvijn zich klaarder bewust werd. Dit is het hooge feit des Heiligen Geestes in de historie, waardoor het Calvinisme geheiligd is, en wat ons zijn wondere aandrift verklaart.

Zie, er zijn tijden in de historie, dat de pols van het religieuse leven flauw klopt; er zijn andere tijden dat de golfslag van het religieuse leven hoog gaat, en dit laatste was het geval in de 16e eeuw, met name bij de West-Europeesche volkeren. Als de Middeleeuwen ten einde loopen, beheerscht de geloofsquaestie alle actie in het leven der natiën. De nieuwe historie gaat van het geloof uit, gelijk de jongste, de moderne historie van den ongeloofskreet der Fransche Revolutie. Naar wat wet dit op- en neergaan van het religieuse leven zich regelt, is ons verborgen, maar kennelijk is het, dat er zulk een wet bestaat, en dat in tijden van hoog religieusen stand, de inwerking van den Heiligen Geest op het hart een veel geweldigere is. De apostel teekent ons die geweldige inwerking, als hij spreekt van een macht Gods, die levend en krachtig is en scherpsnijdender dan een tweesnijdend zwaard, doorgaande tot de verdeeling der ziel en des geestes, en der saamvoegselen en des mergs en een oordeelaar is der gedachten en der overleggingen des harten. En diezelfde machtige inwerking Gods hadden onze Calvinisten, onze Puriteinen, onze Pilgrimfathers ervaren. Niet in heel de massa even overweldigend, dat is bij niet ééne beweging aldus, maar wel ervoeren die aangrijping zij die destijds het centrum des levens vormden, die de dragers dier sterk gaande beweging waren; en het zijn deze mannen en vrouwen uit alle standen en volken geweest, die van God zelf de rechtstreeksche gemeenschap met de majesteit van zijn Eeuwig Wezen ontvingen. Dank zij die daad Gods in de harten, is toen dat staan met heel zijn leven voor |18| Gods aangezicht de grondgedachte van het Calvinisme geworden. Het liet door dat aangrijpend denkbeeld, of liever nog door dat machtige feit heel zijn optreden op elk gebied beheerschen. En het is uit die moedergedachte, dat geheel de rijke levensbeschouwing van het Calvinisme voortkwam.

*

Dit brengt mij vanzelf tot de tweede voorwaarde, waaraan elke diepgaande beweging, om een eigen vorm voor het menschelijk leven te scheppen, beantwoorden moet, deze namelijk, dat ze evenzoo een eigen grondopvatting moet hebben voor de verhouding van mensch tot mensch. Hoe we voor God staan is de eerste, hoe we tegenover den mensch staan de tweede hoofdvraag, die over de richting en inrichting van ons leven beslist; de derde waarop ik straks kom, is hoe we staan tegenover de wereld. Er is onder menschen geen eenvormigheid, maar veelvormigheid. In de schepping zelve is het verschil tusschen vrouw en man gesteld. De physieke en spiritueele gaven en talenten doen nog steeds den eenen mensch van den anderen verschillen. Het verleden der geslachten en in ons eigen persoonlijk leven maakt onderscheid. Ook verschilt de sociale positie van wie rijk is of arm. Die verschillen nu kunnen óf verzacht óf verscherpt worden door onze levensopvatting, en zoowel het Paganisme als het Islamisme, zoowel het Romanisme als het Modernisme, en zoo ook het Calvinisme, kozen hierin krachtens hun primordiaal beginsel partij. Is volgens het Paganisme God in het creatuur, dan ligt in het hooge wat zich onder de menschen vertoont, Goddelijke meerderheid, dan krijgt ge de half-goden, de aanbidding der heroën, en eindelijk het offer voor den Divus Augustus geplengd. Doch dan is ook het lagere, het ongoddelijke, en komt in Indië en Egypte de kasten-indeeling op, en overal elders de slavernij. De eene mensch wordt onder den anderen mensch gesteld. Onder den Islam, die zich zijn paradijs met hoeri’s droomt, maar de wellust zich van de heerschappij meester, en wordt de vrouw de slavin van den man, gelijk de Kafir de onderworpeling wordt van den Moslêm. Het Romanisme, op Christelijken wortel stoelend, komt |19| deze absolute onderscheiding te boven, en maakt ze relatief, maar om alle verhouding van mensch tot mensch hiërarchisch op te vatten. Een hiërarchie onder Gods engelen, een hiërarchie in Gods Kerk, een hiërarchie in het leven, en zoo een geheel aristocratische levensopvatting als belichaming van het ideaal. Eindelijk het Modernisme, dat alle verschil loochenend en wegcijferend, niet kan rusten eer het van de vrouw een man, van den man een vrouw heeft gemaakt, en, alle onderscheid nivelleerend, het leven doodt door het onder den ban der eenvormigheid te leggen. Voor allen één type, één gewaad, éénzelfde levenspositie en éénzelfde levensontwikkeling, en wat daar buiten en daar boven gaat, als kwetsend voor het gemeenschapsbesef afgewezen. En zoo nu ook heeft het Calvinisme uit zijn grondverhouding tegenover God een eigen grondopvatting voor de verhouding tusschen mensch en mensch afgeleid, en het is die eenig juiste verhouding, die we sinds de 16e eeuw steeds zagen veld winnen. Plaatst het Calvinisme heel ons menschelijk leven rechtstreeks voor God, dan volgt hieruit, dat allen, man of vrouw, arm of rijk, zwak of sterk, talentvol of arm aan talent, als Gods schepselen, en als verloren zondaren, niets, volstrekt niets tegenover elkander te pretendeeren hebben, dat we voor God, en dus ook onder elkander, als mensch en volk gelijk staan, en dat er geen ander onderscheid tusschen menschen mag bestaan, dan voorzoover God aan den één gezag over den ander verleend heeft, of ook aan den één meer gaven schonk opdat hij er de anderen, en in die anderen, zijn God meê zou dienen. Uit dien hoofde veroordeelt het Calvinisme niet alleen de slavernij en kasten-indeeling, maar even beslist alle bedekte slavernij van de vrouw of van de arme; is het gekant tegen alle hiërarchie onder menschen; en dult het geen andere aristocratie, dan zulk eene die persoonlijk, of als geslacht, een meerderheid in karakter of talent bij de gratie Gods kan toonen, en toont dit meerdere niet voor zich of voor eigen hoogheid te willen rooven, maar het voor God in zijn wereld te willen besteden. Daarom moest het Calvinisme consequent in de democratische opvatting van het leven zijn uitdrukking vinden; moest het de vrijheid der volken uitroepen; en kon het niet rusten eer van overheidswege en in het maatschappelijk leven, al wie mensch was, alleen omdat hij |20| mensch was, d.i. als schepsel naar den beelde Gods geschapen, zou worden geëerd, geteld en gerekend.

Geen uitvloeisel van benijding sprak hierin. Het was niet de lager geplaatste die den hooger staande naar beneden trok, om zichzelven naar boven te duwen, maar een nederknielen van allen saam op de voetbank der voeten van den Heilige Israëls. Van daar dat het tot geen plotselinge breuke met het verleden kwam. Gelijk het Christendom bij zijn opkomst de slavernij niet wegbrak, maar ondermijnde door een zedelijk oordeel, zoo ook liet het Calvinisme aanvankelijk de hiërarchisch-aristocratische toestanden, die uit de Middeleeuwen waren overgeleverd, voortbestaan. Oranje was, omdat hij prins van vorstelijken huize was, niet gewantrouwd maar te hooger geëerd. Maar innerlijk heeft het Calvinisme de structuur der maatschappij omgebouwd, en niet door standsbenijding of door te azen op het bezit van den rijke, maar door ernstiger levensopvatting, deger arbeidzaamheid en hooger karakterontwikkeling heeft de burgerstand den adel en de werkman den gegoeden poorter tot jaloerschheid verwekt. Eerst op God, en eerst daarna op den naaste te zien, was de aandrift, de stemming, de geestelijke usantie, waaraan het Calvinisme ingang schonk, en het is uit dit vromelijk eeren van de vreeze Gods, en het saam voor God gaan staan, dat een heiliger democratische zin zich ontwikkelde, veld won, en ten slotte de overhand behield. Een resultaat, dat door niets zoozeer als door gemeenschap in het lijden bevorderd werd. Toen de graven van Egmond en Hoorne, hoezeer nog vasthoudend aan het Roomsche geloof, hetzelfde schavot hadden beklommen, waarop om edeler geloof de handwerksman en de man van het weefgetouw onthalsd was, werd in dien bitteren dood der standen zoen gesloten. Het is Alva, de aristocraat, die door zijn bloedig bedrijf, het welig opschieten van den democratischen geest bevorderd heeft. Mensch en mensch, voor wat het volstrekt menschelijke aanging, op voet van gelijkheid naast elkander te hebben geplaatst, is de altoos onvergankelijke eere, die aan het Calvinisme niet kan betwist worden. Maar hierin verschilde het van de gelijkheidsutopieën der Fransche Revolutie, dat het in Parijs was: alle saâm tegen God, hier allen saâm voor God neergeknield en brandende voor zijn eere.

*

|21| De derde grondverhouding, die over de opvatting van het leven beslist is de verhouding waarin ge u tegenover de wereld plaatst. Er zijn toch, gelijk ik aangaf, drie hoofdmomenten, waarmede ge in aanraking komt: God, de mensch en de wereld. Na gezien te hebben, in wat betrekking het Calvinisme u tot God en tot den mensch plaatst, komt thans derhalve de derde en laatste grondverhouding aan de orde, uw positie tegenover de wereld om u heen. Ik laat het Paganisme en Islamisme hier rusten, overmits voor die beide levensvormen de antithese tusschen mensch en wereld een te algemeene en te uiteenloopende was, om zonder breeder bespreking in helder licht te kunnen geplaatst worden, en zelfs dan nog voor de toelichting van het Calvinisme doelloos zou zijn. In het algemeen kan gezegd dat het Paganisme de wereld overschat en deels haar ducht, deels er zich in verliest, en dat het Islamisme omgekeerd de wereld onderschat, met haar zijn spel drijft en over haar triomfeert door te grijpen naar de gephantaseerde wereld van een zinlijk paradijs. Maar voor ons doel leidt ons dit niet verder. Voor het Christelijk Europa toch en straks voor het Christelijk Amerika nam de antithese tusschen mensch en wereld, den engeren vorm aan van de tegenstelling tusschen die wereld en den Christenmensch. De overlevering der Middeleeuwen noodzaakte hiertoe. Onder Romes hiërarchie waren Kerk en wereld tegenover elkander komen te staan, als de erve die gewijd was, en de erve die nog onder den vloek lag. Wat buiten de Kerk bleef was in de macht der demonen, en het exorcisme bande die demonische macht uit al wat onder de hoede, den invloed, en de inspiratie der Kerk kwam. In een Christenland moest daarom heel het maatschappelijk leven onder de vleugelen der Kerk schuilen. De overheid moest gezalfd en confessioneel gebonden zijn, kunst en wetenschap onder kerkelijke bezieling en censuur gesteld, bedrijf en handel door den gildenband met de kerk verbonden zijn, en het huislijk leven onder kerkelijke voogdij komen van de wieg tot het graf. Eene reusachtige poging alzoo om heel de wereld voor Christus op te eischen, maar die noodwendig het hardste oordeel met zich bracht over alle levensrichting, die zich kettersch of demonisch aan den zegen der Kerk onttrok. Voor heks en ketter beiden de brandstapel, |22| want in beginsel stonden beiden gelijk. En die ontzielende theorie werd met ijzeren consequentie doorgezet, niet uit wreedheid noch uit lage heerschzucht, maar om de hooge gedachte eener gekerstende, d.i. door de Kerk overschaduwde wereld niet prijs te geven. Natuurlijk wreekte zich dit door de wereld in de Kerk te trekken, en in de tegenstelling tusschen het luidruchtig carneval en de mystieke verzinking in het lijden van Christus trad die tweespalt tusschen geestelijk bedoelen en onheiligen wereldzin tergend in het licht; maar tegenwicht hiertegen bood de wereldmijding van het monnikwezen en ten deele van den clerus, die in het centrum der Kerk het heilige te sterker spande, om aan den omtrek te meer het streven der wereld door de vingers te kunnen zien. Het resultaat was en bleef dan ook, dat de wereld in de Kerk de Kerk bedierf en dat de Kerk, door haar heerschappij over de wereld, aan de vrije ontwikkeling van haar leven in den weg stond.

In een aldus geordend volksleven optredend, heeft toen het Calvinisme een volkomen omwenteling in de gedachten en voorstellingen teweeggebracht. Ook hierbij zich voor Gods aangezicht stellende, heeft het niet alleen in den mensch het afschijnsel van Gods beeld, maar ook in de wereld om ons heen zijn schepping geëerd, en aanstonds het groot beginsel op den voorgrond gesteld, dat een andere de genade tot zaligheid was, en een andere de gemeene gratie, waardoor God het leven der wereld in stand hield, den vloek die op de wereld rustte ontspande, haar bederf stuitte, en alzoo de rijke ontwikkeling van ons leven door liet gaan, om daarin als Schepper zichzelven te verheerlijken. Zoo trad de Kerk terug, om niets meer noch iets anders dan een vergadering der geloovigen te zijn, en werd het leven der wereld op elk terrein niet van God, maar van de heerschappij der Kerk geëmancipeerd, om alleen uit den geloofsernst van Gods kinderen het tegengif te ontvangen tegen het haar inwonend bederf. Zoo herwon het huiselijk leven zijn zelfstandigheid, handel en bedrijf zagen zich in vrijheid op eigen kracht aangewezen, kunst en wetenschap werden losgemaakt van den kerkelijken band en aan eigen inspiratie hergeven, en het ons onderwerpen van heel de natuur en van de in haar verborgen krachten en schatten, als een gehoorzamen aan de scheppingsordinantiën uit het Paradijs verstaan. |23| Op het zondige in de wereld, niet op die wereld zelve zou voortaan de vloek rusten, en tegenover het kloosterlijk mijden van de wereld spreekt van nu voortaan de plicht, om in de wereld God te dienen, ook in zijn wereldsch, maar daarom niet minder Goddelijk beroep. In de Kerk God loven, maar ook in de wereld Hem dienen, werd de allen bezielende leuze, en in de Kerk werd de kracht gewonnen, om te midden der wereld optredende, nochtans hare verleiding en haar zondig dreigen te weêrstaan. Dus ging Puriteinsche ingetogenheid met een beslag leggen op heel het leven der wereld hand in hand, en gaf het Calvinisme den stoot voor die nieuwe levensontwikkeling, die het nil humanum a me alienum puto aandorst, en toch zich nimmer door den gifbeker der wereld liet bedwelmen.

Vooral in zijn tegenstelling met het Anabaptisme teekent het Calvinisme zich hier scherp af. De Wederdooperij toch sloeg juist den tegenovergestelden weg in, en verhief in haar mijding van de wereld het uitgangspunt van het klooster tot algemeenen regel voor de geloovigen, en het is uit dit anabaptistisch grondbeginsel en niet uit het Calvinisme dat het Akosmisme bij een deel der Protestanten in West-Europa is opgekomen. Het Anabaptisme nam feitelijk de Roomsche theorie over, alleen met dit verschil dat het Koninkrijk Gods in plaats van de Kerk werd gesteld, en dat het de onderscheiding tusschen tweeërlei zedelijken standaard, de ééne voor den Clerus, en de andere voor de leeken, varen liet. Maar voor het overige was het ook zijn standpunt: 1º. dat de ongedoopte wereld onder den vloek lag, weshalve de Anabaptist zich onthield van alle bemoeiing met de burgerlijke instellingen; en 2º. dat de kring van den Doop — bij Rome de Kerk, maar bij hen het Koninkrijk Gods — geheel het burgerlijk leven onder zijn hoede had te nemen en te herscheppen; en zoo sticht Jan van Leyden zijn monsterrijk te Munster, en huppelden de Naaktloopers door Amsterdams straten. Alzoo stond het Calvinisme op dezelfde gronden, waarop het Romes theorie ten opzichte der wereld verwierp, óók tegen de theorie van het Anabaptisme over, en proclameerde dat de Kerk zich op haar geestelijk gebied heeft terug te trekken, dat we in de wereld de werking van Gods gemeene gratie hebben te eeren, |24| en dat we op dien grond, de wereld van kerkelijke banden emancipeerende, zelve in haar te verkeeren hebben als gebonden door Gods heilige ordinantiën.


Zoo blijkt, derhalve dat het Calvinisme voor de drie grondverhoudingen van alle menschelijke existentie, t.w. hoe we voor God, tegenover den mensch, en in de wereld zullen staan, een eigen scherp geteekend uitgangspunt aanwijst. Voor wat de verhouding tot God aangaat: Rechtstreeksche gemeenschap van den mensch met het Eeuwige Wezen, onder uitsluiting van alle priesterschap of Kerk. Rakende de verhouding tusschen mensch en mensch: Erkenning in een ieder van de menschenwaarde die in de schepping naar Gods beeld ligt, en daarom voor God en de Overheid allen gelijk, een ieder in den dienst dien God hem aanwees en met de gaven die God hem voor dien dienst schonk. En wat betreft onze verhouding als Christenen tegenover de wereld: In heel die weeld de vloek door genade gestuit, het leven dier wereld in zijn zelfstandigheid geëerd, en wij de schatten door God in die wereld en in haar leven gelegd, op elk terrein ontwikkelend, onderwijl de vreeze Gods door hooger levensernst ons vrijwaart tegen haar gif. Dit nu geeft ons volle recht tot de verklaring, dat het Calvinisme voldoet aan de eerst gestelde drie voorwaarden, en alzoo het onbetwiste recht bezit, om naast die machtige vormen van levensontwikkeling die we in het Paganisme, het Islamisme, het Romanisme en het Modernisme zagen optreden, zich als eigen principiëelen levensvorm van alomvattende strekking te handhaven.

*

Toch is hiermeê nog niet genoeg gezegd. Dat het Calvinisme in zekeren kring een eigen opvatting van het leven vormde, waaruit allengs een eigenaardige structuur voor dat leven in huis en maatschappij, op gewijd en ongewijd gebied opkwam, waarborgt aan het Calvinisme wel het recht om zich als zelfstandige formatie te doen gelden, maar verheft het nog niet tot de eere van aan de ontwikkeling van het menschelijk geslacht als zoodanig den weg te hebben gewezen, en mist nog de kracht, om ook ons op te |25| eischen, dat we aan het Calvinisme de toewijding van ons hart en onze levenskracht gunnen. In China kan van het Kong-fut-tsi-anisme met even deugdelijk recht beweerd, dat het in eigen kring zulk een eigen formatie aan het leven schonk, en natuurlijk rust ook bij het gele ras, die eigen vorm van het leven op een eigen theorie. Doch wat heeft China voor het leven, voor de gestadige ontwikkeling van ons menschelijk geslacht gedaan! Ook voor zooverre de wateren van zijn leven dan nog helder blonken, wat vormden deze wateren anders dan een in zichzelf afgesloten meer? Van de hooge ontwikkeling waartoe Indië eens opklom, kan nagenoeg hetzelfde gezegd. Van wat in Mexico en Peru in de dagen der Montezuma’s en der Inca’s blonk, geldt dezelfde klachte. In alle deze streken bereikte het volk dat er woonde een niet geringen graad van ontwikkeling, maar die ontwikkeling bleef geïsoleerd, en bracht de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht niet verder. Iets wat natuurlijk nog veel sterker geldt van wat in Afrika’s kust- en binnenland door het donker gekleurde ras gezonnen en gesticht werd; een nog veel lagere levensvorm, die u niet eens aan het meer, maar veeleer aan poel en moeras doet denken. Er gaat door ons geslacht maar één breede frissche stroom van leven, die van meet af de belofte der toekomst draagt, en die stroom is van Midden-Azië en de Levant uitgegaan, en heeft sinds zijn loop steeds van het Oosten naar het Westen doorgezet, is van West-Europa naar uw Oosterstaten en van daar tot Californië doorgetrokken. In Babylon en in het Nijldal ziet ge van dien ontwikkelingstroom den eersten aanvang. Van daar trekt hij door Griekenland. Van Griekenland gaat die stroom op het rijk der Romeinen over. Van de Romaansche volken vervolgt hij zijn weg naar het Noordwesten van Europa, en zoo bereikte hij uit Nederland en Engeland ten slotte ook uw werelddeel. Thans stuit die stroom. Westwaarts is zijn weg door China en Japan versperd, terwijl niemand zeggen kan wat kracht er voor de toekomst zal uitgaan van de dusver stil gebleven Slavische rassen. Doch onderwijl dit geheimenis der toekomst nog in het chiaroscuro van het mysterie schuilt, is in het verleden en in het heden dat voortdringen van den stroom van menschelijke ontwikkeling van het Oosten naar het Westen voor ieder onmiskenbaar, |26| en in verband hiermeê acht ik te mogen vaststellen, dat het Paganisme, het Islamisme en het Romanisme de drie opeenvolgende formatiën aangeven, die deze ontwikkeling doorloopen had, toen ten slotte de leiding in de handen van het Calvinisme overging, dat zich thans weer op zijn beurt dien leidenden invloed door het Modernisme, dat van de Fransche Revolutie uitging, ziet betwisten.

De opeenvolging van deze vier ontwikkelingsphasen grijpt niet mechanisch met scherp afscheidende hoeken en lijnen plaats. Die ontwikkeling is organisch, en daarom heeft elke nieuwe periode haar wortel reeds in haar verleden. Het Calvinisme was in zijn diepste gedachte reeds door Augustinus gegrepen, was reeds lang voor Augustinus in datzelfde Rome door den apostel in zijn brief aan de Romeinen geproclameerd, en gaat van Paulus terug tot op Israël en zijn profeten, ja tot in de tente der patriarchen. Het Romanisme komt niet met één tooverslag uit den bodem oprijzen, maar is vermenging van de drie machten, die in Israëls priesterschap, in het kruis van Golgotha, en in de wereldorganisatie van het Roomsche keizerrijk waren gegeven. De Islam sluit aan Israëls Monisme, aan den Issa van Nazareth, en aan de traditie der Koreischiten aan. En zelfs het Paganisme van Babylon en Egypte eenerizjds en van Griekenland en Rome anderzijds staat weer in organisch verband met wat achter deze volkeren lag en aan het opbloeien van hun leven voorafging. Maar ook zoo is het toch helder als de dag, dat de hoofdmacht in de centrale ontwikkeling van het menschelijk geslacht zich achtereenvolgens, op de rij af, van Babylon en Egypte naar Griekenland en het Romeinsche rijk, straks naar het hoofdgebied van ’s Pausen heerschappij, en ten slotte naar de Calvinistische volkeren van West-Europa verplaatste. Al bloeide Israël reeds in de dagen van Babylon en Egypte, toch is destijds hoe hoog Israël ook stond, de leiding en de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht niet bij Israël, maar bij de Belzazar’s en de Pharaonen. Straks gaat die leiding niet op Israël maar op Griekenland en Rome over. Hoe hoog ook bij het optreden van den Islam de stroom van het Christendom reeds gestegen was, in de 8e en 9e eeuw zijn de mannen van den Islam onze leermeesters, en rust het lot der wereld in hun hand. En ook al is het, dat de macht van |27| het Romanisme na den vrede van Munster nog nabloeit, toch betwist niemand het feit, dat de hooge ontwikkeling waartoe sints ons geslacht opklom, noch aan Spanje, noch aan Oostenrijk, en zelfs destijds niet aan Duitschland te danken was, maar in de 16e eeuw zeer beslist uitging van Nederland en Engeland, de landen van het Calvinisme. Het Romanisme heeft onder Lodewijk XIV in Frankrijk die hoogere ontwikkeling wel gestuit, maar slechts om in de Fransche Revolutie straks het Zerrbild van het Calvinisme te doen optreden, en juist hierdoor Frankrijks innerlijke kracht te breken en zijn internationale beteekenis te verzwakken. Uit Nederland en Engeland is de grondgedachte van het Calvinisme naar Amerika overgebracht, en is onze hoogere ontwikkeling steeds meer westwaarts getogen, aan het strand der stille Zuidzee eerbiediglijk wachtend wat verderen loop God haar besteld heeft. Doch in welke mysteriën de toekomst ook gehuld zij, vast staat, dat de breede stroom van de ontwikkeling van ons geslacht van Babylon naar San Francisco doorloopt, door de vijf stadiën van de Babylonisch-Egyptische, de Grieksch-Romeinsche, de Islamitische, de Romanistische en de Calvinistische beschaving, en dat hetgeen thans zoo in Europa als in Amerika de geesten in spanning doet worstelen, is de principiëele tegenstelling tusschen de energie van het Calvinisme dat van God uitging, in Gods Woord de bron van zijn kracht vond en in heel ons menschelijk leven de eere Gods hoog hield, en anderzijds zijn Zerrbild in de Fransche Revolutie, dat in het ni Dieu ni maître zijn ongeloofskreet aanhief, en straks in Duitsch-pantheïstischen vorm terugzuigt naar een modern Paganisme.

*

Ook onder dit opzicht heb ik dus niet te veel gezegd, toen ik voor het Calvinisme de eere opeischte, van noch een kerkelijk, noch een theologisch, noch een sectarisch begrip te zijn, maar op te zijn getreden als een der hoofdphasen in den algemeenen ontwikkelingsgang van ons menschelijk geslacht, en onder die hoofdphasen de jongste, die nog steeds de roeping in zich draagt om de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht te leiden. Op het dwars daardoor heen gedreven Zerrbild van het Modernisme, in zijn |28| fransch atheïstischen en duitsch pantheïstischen vorm kom ik later terug. Thans ga ik voort u nog op een andere omstandigheid te wijzen, die mijn hoofdstelling bevestigen komt, en wel op de bloedmenging, die voor alle hoogere ontwikkeling van ons geslacht steeds de physieke basis vormde. Van het hoogland van Azië uit is ons menschelijk geslacht in zekere hoofdgroepen uiteengegaan, die hoofdgroepen hebben zich op hun beurt in volksstammen, die volksstammen in natiën en volken gesplitst, en geheel conform de profetische zegenspreuk van Noach zijn het uitsluitend de kinderen van Sem en Japheth geweest die de ontwikkeling van ons geslacht gedragen hebben. Van de derde hoofdgroep ging nimmer een stoot tot hoogere levensbezieling uit. Maar nu doet zich bij die beide hoofdgroepen, die den zegen van ons geslacht wegdroegen, een tweeledig verschijnsel voor. Er zijn volksstammen die zich geïsoleerd houden, maar ook andere volksstammen, die zich vermengen. Eenerzijds groepen die uitsluitend beschikken over de krachten in dien éénen stam gelegd, en anderzijds groepen die door zich te vermengen de kracht van den éénen stam met die van den anderen stam kruisen, en zoo tot een hooger resultaat komen. En nu is het opmerkelijk, dat de ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht juist door die groepen heentrekt, voor wie niet het isolement, maar de bloedmenging historisch kenmerk was. Het gele ras hield zich in hoofdzaak onvermengd, maar bleef dan ook in zichzelf besloten, en wierp geen vrucht af voor ons geslacht. Achter de Himmelaya school een soortgelijk leven, en ook daarvan ging geen ideëele aandrift voor de wereld uit. En zelfs in Europa mag gezegd, dat de Scandinaviërs en Slaven die zich het zuiverst in het bloed hielden, niet dan bij uitzondering deel namen aan de algemeene ontwikkeling, en er tot dusver nog niet in geslaagd zijn, een rijker type voor ons menschelijk leven te ontwikkelen. Daarentegen zijn de tabletten uit Babylon, die de groote Musea ons toonen, in hun twee talen ons nog ten bewijze, hoe in Mesopotamië het Arische element der Accadiërs zich vroegtijdig met het Semitisch-Babylonische had vermengd, en leidt de Egyptologie steeds meer tot de slotsom, dat we ook in het land der Pharaonen van meet af met eene uit twee rassen gemengde bevolking te doen hebben. Aan |29| de voorgewende stameenheid der Grieken gelooft niemand meer. Zoo in Griekenland als in Italië blijken we te doen te hebben met later aangekomen volksstammen, die zich met de vroegere Pelasgen, Etrusciërs en wat stammen niet al, vermengd hadden. De Islam schijnt wel exclusief Arabisch te zijn, maar wie let op de uitbreiding van den Islam onder de Moren, de Perzen, de Turken en heel een reeks van door hen onderworpene volken, vooral wie opmerkt hoe de Islamitische volkeren zich steeds vrouwen namen uit elke groep die ze overheeren konden, kan het feit niet ontkennen, dat de bloedmenging juist bij de heerschers van den Islam ongemeen sterk was. Gaat straks de leiding der wereld op de Romanische volkeren over, dan stuit ge in Italië, in Spanje, in Portugal, in Frankrijk op hetzelfde verschijnsel. De oorspronkelijke bewoners zijn dan Basken of Kelten, de Kelten op hun beurt door de Germaansche stammen overweldigd, en gelijk in Italië de Oost-Goten en Longobarden, zoo hebben in Spanje de West-Goten, in Portugal de Sueven, in Frankrijk de Franken nieuw bloed in de verflauwde aderen uitgestort, en het is juist aan deze bloedverversching dat de Romanische volkeren hun rijken bloei tot in de 16e eeuw dank weten. Op het grondgebied van het volkerenleven herhaalt zich hier hetzelfde verschijnsel, dat in enkele princelijke huizen is gezien, t.w. dat juist de gestadige internationale huwelijken uit de Habsburgers, de Bourbons, de Oranjes en de Hohenzollern een vergelijkenderwijs overgroot aantal van mannen van beteekenis hebben doen voortkomen. De teelboer heeft bij het kruisen der rassen gelijk effect beoogd, en de botanici doen hun voordeel met denzelfden levensregel in het plantenrijk. Ook op zichzelf is het niet moeilijk in te zien, dat bijeenvoeging van de natuurkrachten, die over twee of drie stammen verdeeld zijn, leiden moet tot hoogere krachtsontwikkeling. Iets waar dan nog bijkomt, dat de ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht niet de verheffing van een enkelen stam, maar de vooruitgang van vele stammen saâm beoogt, en daarom door bloedmenging kracht wint. Uit dien hoofde mogen we verwachten dat ook het Calvinisme die wet volgen zal. En metterdaad vinden we dan ook, dat de volkeren, waar het Calvinisme het best wortel schoot, ons op alle manier zulk een vermenging vertoonen. In Zwitserland Duitschers, Italianen |30| en Franschen. In Frankrijk Gallen, Franken en Bourgundiërs. In België en Nederland Kelten en Walen en Germanen. En evenzoo in Engeland de Kelten en Anglosaxen, straks door de Normandiërs uit Frankrijk overgestoken tot hoogere volkseenheid saâmgevat. Met name mag gezegd, dat de drie hoofdstammen van West-Europa, het Keltische, het Romaansche en het Germaansche element, onder de leiding van het Germaansche, ons de genealogie geven van de Calvinistische volkeren. In Amerika waarheen het Calvinisme oversteekt, om zich in hoogere vrijheid te ontplooien, zien we die bloedmenging zelfs een vroeger ongekende evenredigheid aannemen. Hier vloeit het bloed uit alle volksstammen van de oude wereld ineen, en nogmaals zijn het de Kelten uit Ierland, de Germanen uit Duitschland en Scandinavië, met de Slaven uit Rusland en Polen en Galiciën vereenigd, die zich ter nieuwe bloedmenging aan de reeds zoo sterk gemengde stammen komen toevoegen. En deze laatste bloedmenging heeft zelfs onder dezen hoogeren exponent plaats, dat niet slechts stam over stam strijkt, maar de leden van alle onderscheiden volksfamiliën zich in één hoogere eenheid oplossen, steeds door het Amerikaansche type geassimileerd. Ook in dit opzicht voldoet het calvinisme alzoo geheel aan de voorwaarde, die voor elke nieuwe ontwikkelingsphase in het leven der menschheid gezet is. Het breidde zich uit op een terrein, waar de bloedmenging sterker was dan onder het Romanisme, en heeft die bloedmenging hier in Amerika tot de hoogst denkbare dooreenvloeiing opgevoerd.

*

Aldus blijkt, dat het Calvinisme niet alleen aan de gestelde voorwaarde der bloedmenging voldoet, maar in het groot proces der menschelijke ontwikkeling, naar eisch, ook ten deze een verder stadium vertegenwoordigt. De bloedmenging speelt een nog ondergeschikte rol in Babylon; ze heeft reeds meerdere beteekenis bij Grieken en Romeinen; ze gaat verder in den Islam; heerscht reeds onder het Romanisme; maar eerst bij de volkeren van het Calvinisme bereikt ze haar voleinding. Hier in Amerika nadert ze de dooreenmenging van alle volkeren onzer oude wereld. |31| Soortgelijke voleinding van het proces vertoont het Calvinisme nu ten slotte ook nog onder dit ander opzicht, dat eerst onder den invloed van het Calvinisme de stoot der levensbeweging van het volk zelf uitgaat. Er is in het leven der volkeren een opklimming van onmondigheid tot mondigheid. Gelijk nu in het huisgezin, zoolang de kinderen onontwikkeld zijn, alle leiding van het hoofd des gezins uitgaat, zoo is het natuurlijk, dat ook in het leven der volkeren, zoolang zij zelven nog tot spontane handeling onbekwaam zijn, de Aziatische despoot, straks de magistraat, daarna magistraat en geestelijkheid, en voorts de geestelijkheid alleen, aan het hoofd der beweging staat. Wat in Babylon, onder de Pharaonen, wat in Griekenland en Rome, wat straks onder den Islam, en daarna onder het Papaal-systeem als voortgaande historie doorleefd is, bevestigt dan ook dezen gang der ontwikkeling. Maar gelijk het van zelf spreekt, hierbij kon het niet blijven. Juist doordat de voortgaande ontwikkeling er toe leidde, om de volkeren zelven mondig te maken, moest er ten leste een stadium bereikt worden, waarin het volk zelf wakker werd, zelf optrad, en uit eigen bron de actie deed voortkomen, die de verdere beweging leiden zou; en het is dit stadium, dat metterdaad in het opkomen van het Calvinisme bereikt blijkt te zijn. Tot dusver was elke voorwaartsche beweging van de machthebbers in den Staat, in de Kerk of op het gebied der Wetenschap uitgegaan, en van boven af tot het volk afgedaald. In het Calvinisme daarentegen ziet men voor het eerst het volk in zijn breede lagen zelf te voorschijn treden, en uit eigen spontaneiteit naar een hoogeren vorm van menschelijke samenleving dingen. Het Calvinisme komt uit het volk zelf op. Zelfs in de Luthersche landen is het nog de magistraat, die de actie leidt, maar in Zwitserland onder de Hugenoten, in België, in Nederland, in Schotland, en straks in Amerika, geeft het volk zelf den stoot. Het blijkt gerijpt, het blijkt mondig te zijn geworden. En ook waar de adel, in nobele aandrift, het voor de verdrukten waagt op te nemen, loopt toch zijn actie bijna allerwege op niets uit, en is het alleen de burgerij die doortast, en onder deze burgerij de groep der »kleyne luyden« aan wier moedig initiatief een Willem de Zwijger het welslagen van zijn ondernemen dankt.

*

|32| Zoo heb ik u dan aangetoond, dat het Calvinisme, als centraal levensverschijnsel in de ontwikkeling der menschheid, niet alleen met volkomen gelijk recht een plaats der eere inneemt naast de Paganistische, Islamitische en Romanische ontwikkelingsvormen en op gelijke wijze als deze een algemeen, heel het leven beheerschend, beginsel vertegenwoordigt, maar ook dat het voldoet aan alle voorwaarden, om den stroom van de ontwikkeling der menschheid een stadium verder te leiden. Toch zou dit alles bloote mogelijkheid blijven, zonder werkelijkheid te geven, indien de historie niet toonde, dat het Calvinisme ook feitelijk den stroom van het menschelijk leven in een andere bedding heeft overgeleid, en het gelaat der volken in hun saâmleven veranderd en veredeld heeft. En daarom voeg ik er nu ten besluite nog aan toe, dat het Calvinisme gebleken is, niet alleen deze mogelijkheden in zich te dragen, maar ook zoo kostelijke vrucht metterdaad te hebben afgeworpen. Ge behoeft u, om dit in te zien, slechts af te vragen, wat er van Europa, wat er van Amerika zou geworden zijn, indien bij de constellatie van het midden der 16e eeuw niet plotseling het Calvinisme, in heel West-Europa tegelijk, boven den gezichtseinder ware verschenen. Ware het Calvinisme uitgebleven, zoo zou Spanje de Nederlanden overweldigd hebben, de Stuarts zouden in Engeland en Schotland meester van het terrein zijn gebleven, in Zwitserland zou de geest der halfheid den triomf hebben behaald, en de levensaanvangen van deze nieuwe wereld zouden een gansch ander karakter gedragen hebben. Tengevolge hiervan zou het evenwicht tusschen de Europeesche Staten zich in de 16e en 17e eeuw op geheel andere wijze hebben gevormd; het Protestantisme zou zich op staatkundig gebied niet hebben kunnen handhaven; door niets zou de Roomsch-conservatieve macht der Habsburgers, der Bourbons en der Stuarts te stuiten zijn geweest; en van de vrije ontwikkeling der volkeren, gelijk we die thans in West-Europa en Amerika zagen opkomen, zou kortweg geen sprake zijn geweest. Heel Amerika ware aan Spanje’s macht onderworpen gebleven. De geschiedenis van twee werelddeelen zou een geheel andere, veel donkerdere zijn geweest, en zelfs rijst de vraag, of in Duitschland de geest van het Leipziger Interim niet de bovenhand zou hebben herkregen om, over de brug van een geromaniseerd |33| Protestantisme, allengs ook het Noorden van Europa weder onder de macht van wereldsche en kerkelijke overheersching te brengen. De bewondering waarmede in de tweede helft dezer eeuw de beste geschiedschrijvers zich telkens weer op de worsteling van Nederland tegen Spanje wierpen, als een der schoonste stoffen voor hun onderzoek, is dan ook alleen te verklaren uit de steeds veldwinnende overtuiging, dat, ware destijds Spanje’s overwicht niet door het heroisme van den Calvinistischen geest overhoop geworpen, de geschiedenis niet alleen in Nederland, maar in heel Europa, ja in heel de wereld, een even pijnlijk verloop zou hebben gehad, als dit verloop thans, dank zij het Calvinisme, hartverheffend en verblijdend was. Terecht schreef Prof. Fruin dan ook: »In Zwitserland, in Frankrijk, in Nederland, in Schotland, in Engeland, overal waar het Protestantisme zich door het zwaard moest vestigen, is het het Calvinisme geweest, dat den strijd heeft gewonnen«. 4)

Voegt hieraan nu toe, dat het deze keer in de wereldhistorie niet kon tot stand brengen, dan door een ander beginsel in het menschelijk hart te planten, en een andere wereld van gedachten voor den menschelijken geest te ontsluiten; denkt het in, hoe eerst door het Calvinisme de psalm der vrijheid uit de benauwde consciëntie naar de lippen drong; hoe onze constitutioneele burgerrechten eerst door het Calvinisme veroverd en verzekerd zijn; en hoe tegelijk juist van West-Europa die machtige beweging uitging, die wetenschap en kunst deed opbloeien, aan handel en nijverheid nieuwe banen ontsloot, het huiselijk en maatschappelijk leven opluisterde, den burgerstand tot eere verhief, den werkman als van gelijken rechte naast zijn patroon plaatste, de philanthropie welig deed uitbotten, en boven dit alles door puriteinschen ernst het zedelijk leven der menschheid verhoogd, gereinigd en geadeld heeft, en oordeelt zelf dan, of het aangaat dit van God ons gegeven Calvinisme nog langer als een afgespeeld drama naar de archieven der historie te verbannen, en of het zoo ondenkbaar is, dat ditzelfde Calvinisme ons nogmaals een zegen heeft te brengen en een schoone hope voor de toekomst in zich sluit. |34|

Gij weet wat in Zuid-Afrika de laatste twintig jaren is geschied. De strijd van de Boeren in Transvaal tegen Albions overmacht moet ook u vaak aan de worsteling uit eigen historie hebben herinnerd. Welnu, in wat bij Majuba of op de Spitskop, en nog onlangs bij Dr. Jameson’s inval door Kruger met zijn handvol getrouwen tegen het machtigste wereldrijk is bestaan, heeft weer de heldenmoed van het oude Calvinisme geblonken. Indien het Calvinisme aan de Boeren niet van de vaderen ware overgeleverd geweest, hun bloed zou om niet vergoten zijn en geen Transvaal meer bestaan. Zoo is dan het Calvinisme niet dood. Nog draagt het in zijn kiem de volle levensenergie van de dagen zijner vroegere glorie. Gelijk de zaadkorrels uit den sarcophaag der Pharaonen, op nieuw aan de aarde toevertrouwd, een meer dan honderdvoudig gewas uitgaven, zoo draagt ook het Calvinisme nog een wondere kracht voor de toekomst der volkeren in zich. Wat in Transvaal bestaan is, kan ook onder ons in de worsteling met den tijdgeest hernieuwd worden. Tegen dien tijdgeest, die ons ons Christendom ontrooven wil, biedt meer en beter dan eenige andere richting het Calvinisme een principieel en daarom onverwinlijk verweer.




1. R. Fruin, Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, p. 151.

2. Bakhuizen van den Brink, Het huwelijk van Willem van Oranje met Anna van Saxen, p. 123.

3. [noot engelse editie:] Cd. Busken Huet, Het Land van Rembrandt, 2de druk, II, p. 223.

4. Tien Jaren uit den tachtigjarigen oorlog, I. ed. p. 151.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000