Abraham Kuyper (1837-1920)

Wat moeten wij doen,

het stemrecht aan ons zelven houden

of

den kerkeraad machtigen?

Vraag bij de uitvoering van Art. 23 toegelicht door Dr. A. Kuyper, V.D.M. te Beest.
Culemborg, A.J. Blom. 1867.



Wat moeten wij doen,

het stemrecht aan ons zelven houden
of
den kerkeraad machtigen?


Dát is de practische vraag van het oogenblik, waarop ik gewenscht had, dat een man van gezag en rijper ervaring ons een afdoend antwoord had gegeven. Dusver werd die wensch echter niet vervuld. Prof. Doedes liet in zijn toelichting van het reglement die vraag geheel onbeslist. Mr. de Kanter recrimineerde heftig tegen de zuinige maat, waarmee der gemeente haar zelfstandigheid wordt toegemeten, maar zonder ons voor de hoofdzaak verder te helpen. Ds. van Toorenenbergen eindelijk besliste de zaak wel zoo positief mogelijk, — maar te abrupt, te veel als individueele gewetensuiting, om anderen te overtuigen die niet als hij den kerkelijken strijd hebben meegemaakt. Toch heeft de gemeente behoefte aan voorlichting! Ze is allengs te zeer vervreemd aan het kerkelijk organisme, om zelve te beslissen, wat het welbegrepen belang der kerk eischt. Plaatselijke comité’s zijn daartoe niet voldoende. In zulke vergaderingen hecht men te veel aan die eindelooze particuliere consideratien van localen aard, waarin wij Hollanders zoo onuitputtelijk zijn, als we eens op zijn kleinsteedsch parlementje kunnen spelen: — dáár particulariseert men, en wat we hier juist doen moeten, is generaliseeren. Het belang der plaatselijke gemeenten moet aan het belang der kerk worden opgeofferd: uit een hooger oogpunt moet de zaak beschouwd: er moet naar beginselen gevraagd worden. De kerk mag zich niet wagen aan het verwijt, van in een zoo hachlijk oogenblik zelve door haar gedachteloosheid haar toekomst voor lange jaren verspeeld te hebben. We mogen niet maar zoo op goed geluk af onze stem uitbrengen. Eer de stembus op tafel komt, |2| moeten we weten wat we willen, en met aandrang herhaal ik dus mijn vraag: wat moeten we doen?

Het ligt in den aard der zaak, dat het antwoord op die vraag verschillen moet, naar den kant vanwaar de vraag komt. Het cardinale geschilpunt toch tusschen de moderne en antimoderne levensbeschouwing beheerscht ook in dezen den toestand der kerk geheel. Omtrent den eisch dien het wezen, het verleden en de toekomst onzer kerk stellen, hebben wij en onze tegenstanders zoo geheel uiteenloopende inzichten, dat de slotsom wel verschillen moet, waar men aan beide zijden zóó geheel verschillende grootheden bijeentrekt. Ik weet wel, nog andere kleinere momenten zijn er, die ook eenigen invloed op den uitslag oefenen zullen. Niet bij ieder is de groote strijdvraag onzer dagen ook de levensvraag voor hem. Een volbloed clericaal stemt tegen, het spreekt van zelf; — maar och! dat pauslijk geslacht is oud en meestal kinderloos: haast kan men zeggen, ze zijn er geweest! Dat te platten lande een enkele familie die erfelijk in het bankje zat, niet weet wat al die nieuwigheden beduiden, is te natuurlijk om er zich over te verwonderen; — maar ook dat boerenpatriciaat heeft zijn beste krachten reeds verspeeld! Dat er enkelen zijn onder de kerkelijke woordvoerders van een vroegere periode, die zich gebonden voelen door hun antecedenten, het is helaas maar al te zeer te vreezen; — maar toch ook zij leggen het groote gewicht niet meer in de schaal. Neen die invloeden doen wel iets af, maar leiden toch den stroom niet meer. Gelukkig, mogen we wel zeggen, zijn de geesten anno ’67 te veel in beroering, om zulke zwakke drijfveeren te gehoorzamen. Het heeft zoo gestormd in den laatsten tijd, dat we eer wat te verwaaid dan te dommelig zijn. Waarlijk, men moet al zeer in een achterhoek |3| van het land gevegeteerd hebben, om niet te voelen, dat er iets gaande is, dat er een strijd van hooger orde is aangebonden, en dat wij door die vitale questie geheel geoccupeerd, geen tijd hebben om de klaagzangen van een enkelen pruttelaar aan te hooren.

Maar wilt ge dan die stemming ook al in het partijgeschil trekken? — hoor ik u met bezorgdheid vragen. Ik bid u, laat ons nuchteren zijn b. Neen, ik wil ze er niet intrekken, maar eenvoudig doen uitkomen, dat ze er van zelf geheel door wordt beheerscht. Och! zet het gelaat in zoo effen plooi als ge wilt, speel naar hartelust den idealen man en herhaal het duizendmaal, dat we hier althans geen partijzaak van mogen maken, — wat baat het u? Zie, de ijsdam staat er, — het water wast en wast, — het moet doorbreken aan dezen of aan gindschen oever! O gij onnoozele! Die meent dat men op zulk een oogenblik hydrostatische experimenten zal gaan nemen, zonder te vragen: loop de dijk aan mijn kant daardoor ook gevaar? Wat dunkt u? Twee zeestaten in vollen oorlog, die onder het kanongebulder de wetten op de kaapvaart eens zeer onpartijdig gaan herzien! Zeg het ons kaptein Semnes, c gij zijt een held! maar zoudt gij op dien koop uw kaperschip onder het schot van Brittanjes driedekkers wagen? Och, ieder weet immers, dat ’t hoe objectief ook in theorie gehouden, practisch een partijzaak wordt. Uw gemachtigden in het kiescollegie, uw kerkeraadsleden, uw predikanten, dát zijn de vleeschen vormen waarin uw denkbeelden belichaamd zullen optreden, — en kunt, ja moogt gij die niet kleurloos wenschen, maar er dan nu ook geen kleurenspel van, maar zorgt dat ge uw kleur krijgt. Wat kwaad zou daar ook in zijn? Onpartijdig is niemand die zelf bij de zaak betrokken is, en die hier te beslissen hebben |4| zijn zelven leden der kerk; het geldt de toekomst dier instelling: eene beslissing binnen de familie over eene betwiste erfenis, die men voor geen vrederechter brengen kan. Zich geen partij stellen, ja dat kunnen die onaandoenlijken, die ongevoeligen, dat soort van profeten, dat ook in Israël maar altijd „vrede-best” riep d; — maar ieder voelt dan ook dat dezulken eer een scherp verwijt dan navolging verdienen: dat ze schuldig zijn aan plichtverzuim. Neen bij zulk een questie is men partij mits men leeft! men behoeft het zich niet eens te stellen, men is het van zelf. Geen zegepraal der waarheid zonder liefde die naar hartstocht zweemt, en zoolang de denkende menschheid het dus niet beter eens wordt over de Pilatusvraag, is er zelfs geen dienen der waarheid denkbaar, zonder warme voorliefde voor dien vorm, waaronder zich de waarheid aan ons vertoont. Wee hem! die het ter kwader ure vergeet, dat er daarom toch een eind weegs is dat we allen saâm bewandelen, dat er denkbeelden van recht, van liefde, van eerbiediging van den mensch als mensch bestaan die aller gemeengoed zijn. Zulk een wordt fanatiek, in dien spookt factiezucht, die werpt onheilig vuur op den outer. Het spreekt van zelf: wie, eer we aan den tweesprong zijn, reeds links of rechts wil afwijken, raakt het spoor geheel bijster, voor dien is er geen weg meer. Wie het gemeenschappelijk terrein van menschelijke werkzaamheid moedwillig den rug toekeert, doemt zich zelven tot werkeloosheid. Maar anders wordt het, waar we eenmaal aan den tweesprong gekomen zijn: dán gaat het links of rechts, met elke schrede verder uit een: dán moeten we kiezen, dezen of gindschen weg, tenzij men goed mocht vinden, den wegwijzer zelven voor den boom aan te zien, onder welks schaduw men wenscht uit te rusten. Wien dat mogelijk is, hem zij die rust gegund: maar elk die |5| nog drang, nog hoogere energeia, nog heilig enthousiasme in zich voelt, — elk die de waarheid nog niet van verre zien kán, zonder het hart naar haar te voelen trekken, die moet vooruit, een der beide wegen op, met de volle bewuste ontkenning in het hart, dat de andere ook maar in de verte zoo goed tot het zelfde einddoel zou kunnen leiden. En hier zal dat niet zoo zijn? De kerk staat op het spel. Ieder voelt dat zij het nog altijd is die op den godsdienstigen toestand der masse den grootsten invloed oefent, — en een maatregel van zóó ingrijpenden aard, van zóó onberekenbare gevolgen, van zulk een portée, zal aan onze beslissing onderworpen worden, zonder dat we vragen mogen: bereid ik der zaak die ik liefheb triomf of nederlaag? Ronduit gezegd, dat gaat te ver; die eisch druischt in tegen al wat menschelijk is, — neen, wij begrijpen die onaandoenlijken niet, en wagen ons zelfs niet aan de analyse van hun koudbloedig bestaan.

Geen factiezucht dus, maar partijliefde in den gezonden zin van het woord! Nooit de hoogere eischen van plicht en recht, van orde en van menschelijkheid, prijsgegeven voor den eisch onzer richting, maar ook geen enkel belang onzer richting ooit verwaarloosd, waar we het met een goed geweten bevorderen kunnen. Beiden, wij en onze tegenstanders, moeten dus elk van ons eigen standpunt, in de eerste plaats vragen: mógen we dat middel aanwenden, maar dan ook evenzeer: zal dat middel strekken ter bevordering onzer zaak. Doel en middel moeten beiden op zich zelf gekeurd. Plicht vóór alle dingen, roepen ook wij.

En dan stelt die eerste vraag aan allen, die met welke nuanceering ook op orthodoxen bodem staan, zeer zeker nog zwaarder eischen, dan aan hun tegenvoeters. Dat verschil spruit voort uit de verschillende waarde waarop beiden |6| hun kerk schatten. Voor hen die tegen ons zijn, is die kerk een oude van dagen, wel van goede herkomst en onbesmetten adel, maar toch te afgeleefd, om meer ontzag in te boezemen: een geantiqueerde type, waarvoor in onze moderne samenleving goedschiks geen plaats meer te vinden is. Als een corpus vile beschouwen ze haar dus, en niets behoeft hen derhalve te weerhouden om haar elke denkbare kunstbewerking te doen ondergaan, ze te beknutselen en te fatsoeneeren naar hartelust, mits er dan maar iets voor den dag kome, dat nog een tijdlang meê kan gaan. Ja, gesteld ook dat de lijderes er geheel onder bezweek, — het ware wel jammer voor het oogenblik — maar toch voor menigeen zou een geopend graf nog wel zoo geschikte gelegenheid tot weemoedige, aandoenlijke épanchements geven als een zoo krukkend sleepend ziekbed.

Geheel anders daarentegen staat de zaak voor ons. Ook ons moge de kerkvorm in menig opzicht verouderd dunken, maar zij zelve blijft ons niettemin altijd even frisch en jong. Ons is die kerk nog altijd het van God verordend orgaan, waardoor de boodschap van verzoening en toegang tot het Vaderhuis verkondigd en bezegeld moet worden aan een menschheid, die in zich zelve tot verzoening onmachtig is en den weg naar dat Vaderhuis niet weet. In ons oog kan ook nu nog niets die kerk ontheffen van hare roeping, om de Israëlitisch-Christelijke, godmenschelijke, ethische wereld- en levensbeschouwing tegenover de heidensche, humanistische, aesthetische te plaatsen, en met Gods hulp over haar te doen zegevieren. Krachtens onze geloofsovertuiging mag daarom het leven der kerk in ’t minst nooit verlaagd worden tot een tusschenspel tusschen den chaötischen toestand der volksverhuizing en den staat van mondigheid, waartoe onze eeuw meent gekomen te zijn. Neen, ze is geen voedster die men wegzendt, |7| als het wichtje gespeend is. Neen, ze is niet bestemd, die kerk, om door het monster dat men staatsalvermogen noemt verslonden te worden, of in het alles nivelleerend leven der maatschappij op te gaan, — maar om tot den jongsten dag een onmisbaar orgaan te blijven en steeds zuiverder prototype te worden, van die hoogere oeconomie, die wij met de wederkomst onzes Heeren uit de hemelen verwachten. Zij, die kerk bindt ons derhalve. Allereerst met den geest van haar Stichter, de ligging harer fundamenten, de dispositie van geheel haar innerlijk organisme, — i.é.w. met de idé der kerk moeten we dus te rade gaan: daar zijn we aan gebonden. Heeft bovendien die kerk een historisch verleden, dan mogen we de sluizen ook nimmer openzetten voor den stroom der revolutie, zoolang we niet zeker weten dat hij anders toch de dijken doorbreekt om nog vreeselijker schade aan te richten; en niet alleen aan de idé der kerk, maar ook aan haar geschiedenis moeten we den weg dus vragen. Historisch moeten we blijven. Proces, geen revolutie, moet onze leuze zijn.

De idé, het wezen der kerk dus vooreerst, geven die ons recht, om mede te werken tot het scheppen van den toestand, dien men in het leven wil roepen, of kort gezegd: gedoogt de idé der kerk democratie? En geen twijfel of op die vraag moet bevestigend geantwoord worden, mits men maar niet vergete er de clausule bij te voegen, dat die democratie nooit in volkssouvereiniteit ontaarden mag, — Souverein in de kerk is alleen de Christus. Al is die souvereiniteit ook voor een tijdlang ontkend en miskend, toch geldt ook van haar wat Jules Favre zoo welsprekend van het droit primordial van Frankrijk betuigde „cela ne peut avoir détruit son droit sacré et inviolable, pas plus que l’éclipse qui nous dérobe un instant les rayons du soleil ne supprime |8| ce foyer de lumière.” 1) Uit den aard der zaak moet ’s Heeren souvereiniteit binnen de muren der kerk zelfs nog volstrekter zijn dan ergens elders. Van geen transactie, van geen deelen der macht, van geen recht tot contrôle of verzet, mag hier dan ook ooit sprake zijn. Maar, en zie hier de solutie van het probleem: de idé der kerk heeft het niet meer met de abstract-menschelijke, doch met de godmenschelijke natuur te doen: de kerk gehoorzaamt een Souverein die als Heilige Geest in het hart zelf woning maakt en daardoor de vox populi almeer tot een vox Dei weet te stemmen. Hoewel volstrekt gebonden door Gods absolute openbaring in Christus, openbaart zij dus zelve relatief voor personen, tijden en volkeren den wil die van haar Souverein uitgaat, en is derhalve democratisch omdat zij zelve orgaan wordt van de macht die ze gehoorzaamt. De profetie dat eens allen van God geleerd zullen zijn e, het algemeene priesterschap der geloovigen door het Evangelie geproclameerd en de kerk zelve in haar eerste optreden, teekenen dien trek in het beeld der kerk dan ook te scherp, om ooit voorbij gezien te kunnen worden, — en verre dus van met de idé der kerk te strijden, vloeit de democratische kerkvorm er veeleer logisch en consequent uit voort.

Maar blijft daarom het antwoord op deze vraag gelijkluidend als we van het ideale op het historisch-reëele gebied overtreden? We kunnen vooruit reeds het tegendeel vermoeden. Neen, als er gevraagd wordt, of in onze kerk op die wijze dat recht aan de menigte mag gegeven worden, dan sluiten we ons van heeler harte aan Ds. van Toorenenbergen aan, om met al de energie van ons geweten te protesteeren tegen de totale verweltlichung, die men |9| de kerk zoo voetstoots wil doen ondergaan. Dan kom ik met hem in naam der geschiedkundige waarheid op tegen het beweren, als of zulk een democratie binnen de muren der kerk ooit een eisch van onzen tijd kon zijn. Af wijs ik dan elke pleitrede voor de directe benoemingen, die enkel uitgaat van het denkbeeld van emancipatie en opheffing der onmondigheid. Verzet teeken ik dan aan tegen zulk een monsterachtige poging om het gewijde en ongewijde gebied dooreen te mengen, en diep voel ik dan wat krachtige antipathie bij velen moet opkomen tegen een maatregel, die op onze kerk een invloed van buitenaf wil doen werken, die haar eer vijandig is, dan dat ze haar zou kunnen ontwikkelen.

We hebben met een landskerk te doen, een kerk waartoe men bloot door geboorte of gewoonte behoort, een kerk dus in haar meest verwaterden, minst eigenaardigen vorm. Die landskerk behoort krachtens oorsprong en verleden, tot een der vele takken, waarin sedert de Hervorming de idé der kerk zich gesplitst heeft. Die landskerk van een eigenaardige kleur, heeft een stationair verleden van bijna drie eeuwen achter zich, waarin geheel haar organisme allengs verroest en onklaar geworden is. En die landskerk, krijgen we als patiente in handen, juist in de dagen dat er eene gevaarlijke epidemie in de wereld der geesten heerscht. Wat dunkt U? gaat het aan om op zulk een oogenblik tot zulk een kerk te zeggen: Gij zijt opgegroeid van kind tot man, treedt allen in de volheid der rechten die U als priesteren en profeten toekomt.

Op die vraag moet eenvoudig neen geantwoord worden, omdat onze kerk een historisch verleden bezit, dat haar een gansch anderen gang van ontwikkeling aanwijst, dien ook wij slechts te volgen hebben om tot een juiste beoordeeling der |10| voorgestelde maatregelen te geraken. De historische lijn moeten we dus vervolgen, en vragen: wat is de eigenaardige vorm van kerkbestuur voor ons Hervormden, wat zijn de beginselen van kerkregeling, waarvan onze Hervormers zijn uitgegaan? We vinden ze in deze beide stellingen:

1. In theorie is de kerk democratisch;

2. In de practijk daarentegen treedt a. de gemeente zelve als constituante op, waar nog geen kerkbestuur is, maar wordt zij b. na geconstitueerd te zijn, aristocratisch geregeerd: bestuurd door een aristocratie, die binnen enger of ruimer grenzen besloten wordt, naarmate het geloofsleven der gemeente daalt of klimt.

De kerk moet democratisch zijn in theorie, dat was zelfs Zwingli’s beginsel 2), zoo oordeelde Capito 3), en wat men maar al te veel voorbij heeft gezien, Calvijn, om wien het ons hier vooral te doen is, zegt met even zoovele woorden „hic enim maxime optabilis esset status populi, creare communibus suffragiis pastores” 4) en velt een scherp oordeel over de heerschzucht derzulken „qui ut iura populi infringant ad apostolicam vocationem provocare solent”. 5) Geheel in gelijken zin eindelijk verwijt à Lasco der roomsche hierarchie, dat ze „Ecclesiam non moratur, sed contempto illius iudicio, nescio quam iurisdictionem sibi arrogat” 6).

Niet alzoo echter in de toepassing. Dáár werd de volkskeuze uitsluitend bij de eerste constitueering te baat genomen. In dien zin besloot de synode van Parijs 1559 en het convent van Wezel 1568: zoo deed men in Schotland en zelfs ten deele in |11| Zwitserland: zoo is het bij ons nog. Maar eens geconstitueerd, werd de kerk aristocratisch. Op den breedsten grondslag rust die aristocratie bij Lasco’s gemeente. Men ging daar zóó te werk: bij het ontstaan eener vacature deed elk gemeentelid een voordracht aan den kerkeraad: de kerkeraad koos uit de voorgedragene personen, en door het negatieve recht van veto der gemeente werd nog eens die keuze bekrachtigd. Enger reeds is die aristocratie te Geneve. Daar doet de kleine raad met de predikanten de voordracht en de raad der 200 kiest: een wijze van stemmen, waarin met het oog op den hierarchischen toestand van Geneve volstrekt geen staatsinmenging mag gezien worden. Nog meer concentreert zich het aristocratisch element in Schotland, waar de aftredenden zelven het recht hadden een voordracht te doen, waaraan de gemeente gebonden was, en — wat vooral van beteekenis is — de benoemingen waren ad vitam. Later kromp het recht der gemeente nog meer in, en bleef de gemeente wel op deze wijze haar predikanten kiezen, maar ging de benoeming van ouderlingen en diakenen geheel op den predikant over. De Dordtsche Synode (1619) liet nog vrijheid om desverkiezende „een dobbeltal” namens den kerkeraad aan de gemeente voor te stellen, opdat „’t halve deel bij de gemeente vercoren werde,” en zelfs nog in de Drenthsche kerkorde van 1638 vindt men dezelfde bevoegdheid aan de gemeente gegund. Geheel dezelfde aristocratische strekking hadden eindelijk de vaste- en bededag, die aan de verkiezing voorafging, de „ondersoekinge der vercorenen” die volgde en niet minder het streng handhaven der kerkelijke tucht, — al te maal pogingen waarin duidelijk het streven zichtbaar is, om zooveel mogelijk het betere element, het ariston der gemeente op den voorgrond te doen treden. |12|

Aristocratisch, niet democratisch, wilde de kerk wezen. Sterk blijkt dit vooral uit den strijd door Jean Morelli in 1562 ten behoeve der volkssouvereiniteit in de Fransche kerk gevoerd. In zijn Traité de la discipline et police chrétienne eischte hij onverholen het algemeene stemrecht, stemrecht voor elk gemeentelid, — démocratie pur-sang dus, volkssouvereiniteit in den echten zin des woords. Zuiver was derhalve het vraagstuk gesteld: de kerk had zich uit te spreken, en zij deed dit op de synode van Orleans, waar Morelli’s boek onvoorwaardelijk verworpen werd, als „contenant une mauvaise doctrine et tendante à la dissipation et confusion de l’Eglise.”

En toch Morelli had betrekkelijk recht. Want wat bestreed hij? Een aristocratischen kerkvorm? Neen, daarvan was destijds in Frankrijk reeds geen spoor meer te vinden; daar was toen gebeurd, wat later allerwege gebeurde: de aristocratie was in oligarchie ondergegaan 7).

Ik zeg dit met nadruk. Ook de latere wijze van verkiezen door coöptatie toch, het zich-zelf-aanvullen van het eens bestaand collegie, dunkt velen nog met den naam van aristocratisch bestempeld te kunnen worden. Intusschen niets is minder waar. Wat is aristocratie? — regering der besten. Goed, dus op wetenschappelijk gebied, der knapsten, op politiek gebied, der vroedsten, op sociaal gebied der notabelsten, — derhalve is aristocratie op kerkelijk gebied regering der vroomsten. Aristocratie is dus op elk gebied een regering derzulken, die als de besten gelden in die qualiteit, die op het gegeven gebied primeert. Neen, dat bracht de coöptatie der kerk niet. Wat zij baarde was louter oligarchie. Men voelt het verschil tusschen beiden. |13| Zij komen hierin overeen, dat beiden de macht aan ’t geheel ontnemen om het aan enkelen toe te vertrouwen, maar daarin verschillen zij, dat aristocratie wel, oligarchie niet op de qualiteit let, en haar gunstelingen handhaaft, hoe ze ook zijn. En zulk een oligarchie, dát is het wat de gereformeerde kerk door haar coöptatie verkregen heeft; — niet aristocratie maar oligarchie met haar droevige nasleep van nepotisme, geveinsdheid, kleingeestigheid en clericalen hoogmoed heet de tyranne, die onze kerk twee eeuwen lang haar knellend dwangjuk deed gevoelen. Van het oogenblik af dat de coöptatie heerschende werd, was alle ontwikkeling van ons kerkbestuur onmogelijk geworden. De kerkregeling werd van een godsdienstige tot een bloot administratieve zaak verlaagd. De côterie die eens op het kussen zat, liet zich het eens verworven privilegie niet ontwringen. Ja, men bad nog eer men kiezen ging, maar met het kwalijk verholen voornemen om zich niet door het belang der kerk maar door persoonlijke consideratiën te laten leiden. Het toch reeds zoo beknibbeld veto der gemeente werd in een net van reglementaire bepalingen en omslachtige rechtsvormen geheel verstrikt, — de tucht verslapte al meer, en de openlijke bevestiging, tot een vorm zonder inhoud verlaagd, werd soms zelfs tot een carricatuur. Men oogstte wat men gezaaid had, en welig schoot het oligarchisch onkruid op, om het kerkbestuur te demoraliseeren en het leven der gemeente te verstikken.

Ook in onze kerk drong hetzelfde euvel door en werd dezelfde kankerende uitwas van den aristocratischen kerkvorm een slagboom die allen voortgang en alle ontwikkeling der kerkregeling onmogelijk maakte. Wel niet door algemeene verordeningen, maar toch feitelijk door usances werd ook ons gansche kerkbestuur door en door oligarchisch, — oligarchisch in merg en been. Men weet hoe het verder gegaan is. |14| Na enkele vruchtelooze pogingen tot herziening der kerkorde onder de beroeringen der revolutie en van het Fransche bewind, verscheen eindelijk den 6en Januari 1816 het koninklijk besluit, waarbij Willem I als souvereine vorst autoritate suâ een nieuwe kerkorde aan de gemeente opdrong. Helaas, dat reglement was zoo mogelijk nog een stap terug! Daar school de oligarchie niet slechts in, daar werd ze openlijk in geproclameerd. Wie toch moesten verkozen worden? „Achtingswaardige, kundige en notabele mannen” zoo heette het, alsof het de benoeming voor een dijkstoel, gemeenteraad of kamer van koophandel gold! Een sociale aristocratie dus op kerkelijken bodem overgebracht, maar die, juist omdat ze met de echte kerkaristocratie (de godsdienstige persoonlijkheden) niets dan den naam gemeen had, op haar gebied oligarchie was en bleef. — Men zuchtte er onder twee en dertig bange jaren. Daar komt het rampspoedvolle jaar van ’48. Ook de kerk voelt er de nadreuning van. De Synode wordt wakker: ze ziet het in, zóó kan het niet blijven, en na veel parlage en veel talmens, verschijnt eindelijk in ’51 het nieuwe reglement, dat 23 Maart ’52 het koninklijk placet ontvangt, — en ziet, alsof er geen geschiedenis bestond en de kerk haar eigen ontwikkeling had opgegeven, staat daar in dat reglement het fameuse artikel, dat onder zijn volgnummer van 23 zulk een zeldzame vermaardheid heeft verkregen. Ja! het staat daar: „het recht tot benoeming van kerkeraadsleden berust bij de gemeente:” deze kan dat recht direct of door getrapte verkiezingen uitoefenen naar goedvinden, — maar hoe men het wende of keere, het summum imperium ontvangt gij Gemeente, zelve! gij duizenden en tienduizenden, die à quel titre ook aan die kerk annex zijt 8). |15|

Wie voelt het niet. Dat was een waagstuk, dat men niet had mogen bestaan. Daar is geen overgang in, geen ontwikkeling, geen doortrekken van de historische lijn. Neen waarlijk, zóó zonder vlek of rimpel was de gemeente dier dagen nog niet, dat men haar de kroon reeds op het hoofd kon zetten. Apathie meer dan geloofsernst, was haar heerschende karaktertrek. Niets, niets gaf grond voor het versneld proces, dat men haar deed ondergaan. En dan ontbrak daarbij nog elk correctief; — want niet slechts dat de souvereiniteit der gemeente openlijk gehuldigd werd, maar de souvereiniteit des Heeren werd zoo zwak mogelijk geaccentueerd. Waren er nog praeventieven genomen: had men door strengheid in het toekennen van lidmaatschap en het afgeven van attestaties, door een op uitgebreide schaal ingericht lager onderwijs in Christelijken zin, en door een radicale hervorming van het Catechisatiewezen, een zuivering en veredeling der gemeente als waarborg voor de toekomst gezocht, — er ware misschien nog een betoon van heiligen moed, een daad des geloofs in dien maatregel te eeren. Maar neen, niets van dat alles! Integendeel, men wikkelde zelfs elken band van het gemeenteleven allengs zoo meer los, en er is dus, hoe ook bezien, geen ander oordeel mogelijk, dan dat de opneming van art. 23 aan de nawerking van den niet-kerkelijken, maar socialen invloed der moderne Staatsbegrippen moet worden toegeschreven.

Wat tusschen ’52 en ’66 ligt, ga ik met stilzwijgen voorbij. Genoeg, we weten het: eerst dorst men het reglement niet uit te voeren, toen wist men niet hoe het uit te voeren, toen verschoof men de uitvoering van jaar op jaar, en meer tijd nog zouden de patres conscripti misschien met passen en meten versleten hebben, zoo de geest der gemeente niet, eindelijk wakker geworden, dreigend op den Fluweelen Burgwal aan |16| de deur geklopt en de Synode ietwat geholpen had in het vinden van den steen der wijzen. Nog wat adviesen gehoord! nog wat kerkbesturen geraadpleegd! — en ziet, het reglement op art. 23 vult de kolommen van het kerkelijk orgaan.

Kan dat reglement ons met het artikel zelf verzoenen? Zoekt het de buitensporigheid er van te temperen? Is er een streven in zichtbaar, om den onkerkelijken geest van art. 23 op de baan der kerkelijke ontwikkeling terug te leiden? Men oordeele zelf. „De stemming der gemeente wordt facultatief gemaakt.” Maar dat is kerkontbinding: dat voert ons den weg van het congregationalisme op. Zulk een vrijheid op kerkelijk gebied, waar de usance zoo taai is, dat is de teugels laten glippen 9). Daar is meer. Art. 23 geeft het stemrecht aan de gemeente, — en het reglement vindt goed die gemeente voetstoots te halveeren door alle zusters uit te sluiten, en schrapt uit de resteerende helft nog de onmondigen, de gecensureerden, de bedeelden en die onder curateele staan. Moet dát een aristocratische zuivering in kerkelijken zin heeten? Maar ik vraag zijn in doorslag de vrouwen niet juist het puik, de kern, de aristai der gemeente? Kan men voorts niet arm en toch een aristos in kerkelijken zin zijn? 10) Waartoe die grens van 23 jaar? Is de jongeling, dien ge eerst in staat hebt geacht over uw belijdenis te oordeelen, nu weer te onzelfstandig om meê te |17| stemmen over een kerkeraadskeuze. Eerst het volle burgerrecht geven in uw kring — en het nu weer beperken? De gecensureerden sluit ge uit. Volkomen juist. Die zijn kerkelijk geschorst. Maar waarom ook die onder curateele staan? Wees dan consequent en weer elk die een burgerlijk vonnis heeft! Maar neen doe dat niet: blijf liever uit eigen oogen zien, en neem nooit het oordeel van een onkerkelijke macht tot basis en maatstaf voor een kerkelijke beslissing. Wilt ge ze weren, suspendeer ze dan zelf, mits na eigen onderzoek.

Van verdere critiek onthoud ik mij, — slechts om de diagnose van het primaire ziekteverschijnsel was het ons te doen, en als slotsom van ons onderzoek naar den geest van art. 23 en zijn reglement, is dus de uitspraak niet te verhelen, dat het, als in strijd met de beginselen der reformatie en buiten de lijn der historisch-kerkelijke ontwikkeling staande, door niemand, die uit de beginselen der reformatie leven wil en antiradicaal is, aanvaard worden mag als normale regeling van onzen kerkelijken toestand.


*

Maar is daar de zaak meê afgedaan? Zijn wij verplicht het reglement te nemen voor datgene, waarvoor het zelf zich uitgeeft? Is daarmeê ’t laatste woord gezegd en moeten we dus à tout prix trachten den toestand van voor 1 Maart zooveel mogelijk te bestendigen? Laat ons zien. Het was ook een beginsel der reformatie dat dus luidde: waar geen wettig kerkbestuur bestaat, treedt de gemeente zelve als constituante op: liefst zonder revolutie. En ja, dát beginsel is hier van volle toepassing, want welbezien, hebben we wel een feitelijk, maar geen wettig kerkbestuur en doet het reglement dus niet anders dan de gemeente in staat stellen om zonder revolutie handelend op te treden.

Neen er is geen wettig kerkbestuur, want verjaring |18| stempelt in dezen het onrecht niet tot recht, en onze gansche kerkregeling waaronder we nu een halve eeuw leefden is onrechtmatig. Een macht buiten de kerk heeft die der kerke opgelegd. Het reglement van 1816 was een daad van caesaropapistische willekeur 11), waar wij Hervormden wel voor buigen, maar waarin we nooit berusten kunnen, en alles wat daaruit is voortgevloeid mist dus de legitimeering der kerkelijke beginselen. Het reglement van ’52, als opgesteld en uitgevaardigd door mannen, wier mandaat aan die onwettige regeling ontleend was, viel derhalve geheel onder hetzelfde gezichtspunt, en kon, hoezeer ook van een kerkbestuur uitgegaan, evenmin ooit grondslag eener vaste kerkregeling worden. Feitelijk mochten we dus een kerkbestuur hebben, tóch hadden we iure, uit een hooger standpunt gezien, niets dan een interimair, een administratief comité, dat de loopende zaken gaande hield, en dat als vreemde plant op kerkelijken bodem nooit wortel kon schieten in de gemeente.

Nu beweerde dat administratieve collegie wel een tijdlang kerkbestuur in den echten zin te zijn, maar allengs werd de logica der feiten toch te sterk, en van zelve werd het zich al meer zijn onhoudbare positie bewust; — en ziet, wat doet dat opgedrongen kerkbestuur in art. 2 van ons reglement nu anders, dan zich zelf terugtrekken en weer in de schoot der gemeente de macht nederleggen, die bij ontstentenis van alle wettig kerkbestuur, aan niemand anders dan aan die gemeente kàn worden overgegeven.

In twee stadiën lost dus de onwettige toestand van 1816 zich zelve op. In ’52 verdwijnt de Staatsinmenging, en nu |19| in ’67 abdiceert de kerkelijke oligarchie. De Staat hulle die acte van afstand in een reeks van reserven, de Synode verschuile zich pour sauver les apparences achter een wetsartikel of reglement, — de gemeente is daardoor niet gebonden. Zij heeft geprotesteerd 12), haar recht is onvervreemdbaar gebleven, en als had er sints ’16 geen kerkbestuur bestaan, aanvaardt ze thans de volmacht weer, die in dat jaar (1816) bij niemand dan bij haar berustte en ten onrechte haar ontweldigd is. Moesten we derhalve het stemrecht der gemeente afwijzen, waar het zich als normale kerkregeling voordeed, — geheel anders wordt het, waar we het, gelijk nu, beschouwen als een bedekte erkenning van den onwettigen toestand, waarin we sints ’16 hebben verkeerd, en als toekenning van het recht, om eindelijk met het constitueeren der kerk een aanvang te maken, — dan mogen wij het niet alleen aanvaarden, neen, dan moeten wij.

Dan moeten we het aanvaarden: vooreerst om het facultatieve van het reglement krachteloos te maken. Want nu eerst voelen we het gevaar dat in dat facultatieve schuilt. Immers alle nieuwe constitueering der kerk dreigt door dat facultatieve verlamd, zoo niet onmogelijk gemaakt te worden. Het is een laatste poging om de geusurpeerde macht te doen wettigen door een schijnvertooning, waarvan het onwezenlijke in het oog springt. Dat facultatieve bedoelt niets meer of minder, dan de interimaire, bloot administratieve organisatie met haar onkerkelijken geest en oligarchische strekking thans door de gemeente zelve in elke plaats waar zij zich in den strik vangen laat, als wettige kerkregeling te doen ijken. Onrecht zou men daarom plegen door hen, die dat facultatieve als eenig redmiddel aangrepen, |20| om toch iets te doen, voor die noodlottige gevolgen aansprakelijk te stellen, of hun persoonlijk een verraderlijke bedoeling jegens de gemeente toe te dichten. Integendeel met de exceptie dat le mieux ook in deze l’ennemi du bien was, zijn zij volkomen gerechtvaardigd. De schuld er van komt niet voor hun rekening, maar is aan den bedorven kerkelijken toestand zelven te wijten. Een meer doortastend concept op art. 23 zou ons ter elfder ure nogmaals getuige hebben doen zijn van de schipbreuk der Synodale ontwerpen. Neen die het initiatief namen, moesten het zoo nemen. Hun was dat plicht. Maar juist daarom rust op de gemeente, voor zoover ze art. 23 met ons als abdicatie der kerkoligarchie beschouwt, thans te duurder verplichting, om door haar keuze goed te maken, wat de interimaire wetgever heeft moeten bederven. Het oude uitgewoonde vermolmde huis, waarin men anno 1816 de Hervormde kerk voorloopig geëtablisseerd had, is sints geheel vervallen. In ’52 reeds viel de frontispies met het koninklijk wapen naar beneden: het reglement van ’67 doet het gansche dak en bovengetimmerte instorten: niets dan afgebrokkelde muren staan er meer, — en nu wordt ons half-spottend gevraagd: Vindt gij Gemeente die woning nog goed genoeg voor u zelve, of breekt ge liever alles af, om nieuw te bouwen. Neen, dan kom ik niet met archeologische voorliefde voor ruïnes, — dan kom ik met breekijzer en houweel, om hoe eer hoe beter dien valen steenhoop weg te ruimen, opdat het spoedig blijke of er nog geestelijke bouwstof en geestelijke bouwkunde genoeg in onze kerk is, om een eigen huis te stichten op een vrij geworden erf.

Dan moeten we, ik herhaal het, omdat we het niet langer buiten een degelijk kerkbestuur kunnen. Bij stille zee en onbewolkten hemel moge het schip veilig dobberen, |21| al staat de bootsman maar aan het roer, — maar als de wolken haar drijfjacht beginnen en de golven tegen den boeg opschuimen, wordt ijlings de stuurman gewekt, om voor het behoud van den bodem te waken. Zoo ging het ook in onze kerk een tijdlang goed bij ’t zwoele zachte weder, zonder vaste hand aan het roer, maar sints de wind is opgestoken en zich de storm al meer verheft, worden we geslingerd tusschen klip en zandbank en dreigen we ieder oogenblik te vergaan. Een energiek, veerkrachtig kerkbestuur is dus van ’s menschenzijde het eenige wat ons redden kan. Dát stemmen allen toe, zoo als het thans in onze kerk is, kán het niet blijven. Maar bestendig dan toch uit laakbare lauwheid die uitgeteerde organisatie niet, die er mede zooveel schuld aan heeft, dat we in dien diep-treurigen toestand gekomen zijn. Is er een beter redmiddel, zeg het ons, predik het van de daken, — maar ziet ieder daghelder, dat er alleen door dezen overgang verandering in dien ellendigen toestand komen kan, — heb dan ook den moed van te durven, tast dan toe en verspil niet nogmaals met uw proefnemingen vier kostelijke jaren. Het ging die laatste jaren zoo snel in de wereld der geesten. Ge kwaamt met uw „festina lente” licht voor altijd te laat.

Nog eens, dan moeten we ja, — want rechtmatig is de onwil van zoovelen in de gemeente, om langer als onmondigen te berusten in het voogdijschap eener côterie, die op kerkelijk gebied elken titel van geestelijke meerderheid mist: niets voor hen uit heeft, vaak beneden hen staat. We moeten, want noodlottig zou de ontploffing kunnen worden van dien lang gesmoorden wrevel, bij zoo menigeen gewekt door het onwaardig spel dat straffeloos met wat hem heilig was gedreven werd. We moeten, want het is lang genoeg en te over met dat spottend zeggen „laat mij ten rechter over u zijn” f als de klager toch om de |22| ellendigste velleiteiten gedurig moet worden afgewezen, omdat men niet vonnissen durft. We moeten, opdat onze kerkregeling eens ophoude een onwaarheid, een leugen te zijn, en niet voortga den zedelijken ernst te ontzenuwen bij bestuurders en bestuurden beiden. We moeten dus i.e.w. omdat er geen ellendiger toestand over ons komen kan, en wijl dit van ’s menschenzijde het eenige redmiddel is om uit dien gedrochtelijken toestand te geraken.


*

Maar . . . . „Respice finem” roept ge mij waarschuwend toe: de gevolgen . . . . ! Ook ik acht ze niet licht, maar ik bid u, wat kán er erger worden? De ultra’s, zegt ge, zullen meester blijven van het terrein. Ik vrees het met u, — maar ook zonder dien maatregel breekt ge toch de wet niet, dat actie reactie in het leven roept en de schelste kleuren het meeste trekken. Ligt dan in een bespoediging van dat proces zooveel jammer? — Ge haalt de verfoeilijke knoeieijen der politieke verkiezingen met vlag en wimpel onze kerk binnen — roept ge verder! Alsof ze er niet reeds waren, alsof we die van den burgerlijken kiezer nog leeren moesten! Och! wat is er, waarbij minder naar beginselen gevraagd wordt dan een kerkeraadsbenoeming of beroep. — Het odium theologicum zal, in partijhartstocht omgezet, uit de kerkelijke vergadering naar de woning van den stillen burger zijn weg vinden — vreest ge! Maar als meer warmte, meer ijver, meer overtuigingsmoed, in ons disharmonisch gemoedsbestaan zonder dat alliage niet te verkrijgen is, dan sluit ik den koop. Liever zuiver goud! ik zeg het met u, maar zoolang er nog geen munt van zuiver goud kan geslagen worden, nemen we voorshands die met alliage toch aan. — Maar als het eens op scheuring uit liep: als de kerk der vaderen eens uiteen spatte, — |23| voert ge mij op hoogst bedenkelijken toon tegen! En nu, wat zou er dan uiteenspatten? De kerk onzer vaderen? — ge vergist u: haar geraamte misschien, maar van haar zelve zou het dan juist blijken, dat ze er sints lang niet meer was geweest. Komt er scheiding, welnu dan zal het openbaar worden, dat de eenheid slechts kunstmatig was en niet door een band des geestes, maar slechts door het rafelend koord van reglementen werd saâmgehouden; en ook daarvan zal het gelden „wat openbaar maakt brengt licht.” g — Nog ééne tegenwerping moet beantwoord. De kerkelijke goederen, die goederen in de doode hand! — als die bij boedelscheiding óns eens niet als erfdeel werden toegewezen! Wie weet of het geen zegen was? Ach! waar geest is daar komt het geld wel, maar omgekeerd is juist het tegendeel waar, neen dan bant het geld den geest eer dan dat het dien wekt. Als men er zoo niets voor behoeft te geven, heeft wat men zoo om niet verkrijgt nauwelijks waarde in ons oog, en leeren we tot onze niet geringe schade het geven zelf nog op den koop toe af. Zouden we in verlegenheid geraken? Maar waarom konden onze vaderen ruimschoots voorzien in den kerkelijken nood van eigen tijd, en nog zorgen voor de nakomelingschap bovendien? Waarom kunnen onze Catholieke landgenooten geld te over vinden voor de prachtige kerken, die ze allerwege verrijzen doen, en nog voor een reeks van kloosters en seminariën daarenboven? Waarom hebben de afgescheidenen zich weten staande te houden en uit te breiden, al hielden wij den kerkschat aan ons? Waarom zij — en waarom zouden wij hetzelfde niet kunnen? Neen, niet aan de doode hand, aan den geest die leven schept hangt ’t heil der kerk. Ziet het aan de Free Scotch Church, die in 1844 alleen 500,000 p. st., zegge zes millioen gulden nederlandsch als outergave |24| bijeen bracht! Ziet het aan de „vrije kerken” in Zwitserland, Frankrijk en Amerika, hoe het geld stroomde voor den bouw van kerk en seminarie, voor de stichting van missie en school. Neen kniel op gewijden bodem nooit voor den gouden mammon. Een kanker veeleer is ons die rijkdom, dat weelderig kerkbezit. Daardoor juist blijft van zelf ieder in onze kerk lid, ook die geen later heugenis van haar heeft, dan zijn bevestiging als lidmaat. Natuurlijk, het kost nu toch niets, en lid van een kerk te zijn, behoort nog altijd tot de usances van het maatschappelijk leven. Wat zouden we reeds een hinderlijken nasleep minder hebben bij onzen legertrein, als de reëele kosten van dat lidmaatschap eens voluit betaald moesten worden. In ernst, die financieele bedenking is er geene, die mag niet gelden, die mag niet wegen — en van onze vaste overtuiging dat we moeten, nemen we dus ook om haar niets terug.

Bovendien men laat zich bij die overdreven behoedzaamheid te veel leiden door een vrees, die bij beter nadenken ongegrond blijkt. We kunnen daarbij afgaan op de ervaring, want de proef, die het geldt, wordt niet voor het eerst genomen. En wat leert ons die? Dit, dat waar het algemeene stemrecht wordt ingevoerd, de overmacht van het plebs (in casu: de ongodsdienstigen) zich niet in den beginne, maar eerst van lieverlede gevoelen doet. De laatste verkiezing voor den Noord-Duitschen Bond bewees het weêr. Hoe póver kwamen de socialisten niet uit den stembus! Maar we behoeven niet eens bij de politieken ter school te gaan; ook de kerk is in dat opzicht aan ervaring reeds rijk.

Men kent de scheppingen van het Réveil, die vrije kerken, die als frissche jeugdige loten uit den ouden stam zijn uitgeschoten en haast met den ouden moederstam wedijveren in omvang, dien stellig in groeikracht |25| overtreffen. In Zwitserland dagteekent die kerk in de Cantons van Vaud en Geneve reeds van omstreeks ’20; in Frankrijk werd de Union des Églises Evangéliques in ’48 opgericht, terwijl de Free Scotch Church, zich in ’43 van de staatskerk afscheidde 13). Dooreen hebben ze dus reeds een verleden van het vierde eener eeuw achter den rug, — en toch zijn ze allen democratisch bestuurd, zonder dat haar bloei er in het minst door geschaad werd. Doorgaande waren de keuzen veeleer gelukkig en getuigden van ernstigen zin. Hieruit volgt, dat voelt ieder, nog niet dat we aan onze kerk een even gelukkigen uitslag mogen voorspellen: het verschil tusschen vrije kerken en lands-kerken is daartoe te groot. Maar dat ze reeds een tijdvak van vijfentwintig en meer jaren gelukkig zijn doorgeworsteld, en na door consolideering veel van haar karakter als vrije kerken te hebben ingeboet, toch door geen ochlocratie overstroomd zijn, geeft ook ons voor onze landskerk althans eenigen grond van vertrouwen.

Maar daar is meer. Overbekend is het, dat meer dan ééne kerk in Amerika sints lang aan hetzelfde gevaar is blootgesteld, en er toch nooit ernstig door bedreigd werd. De Königl. Preuss. Ord. van 1835 voor de Rheinisch-Westphälische Kirche gunt der gemeente evenzeer het stemrecht, en toch weet ieder, die die kerk kent, dat ze in bloei bij haar duitsche zusteren stellig niet achter staat. Van enkele gemeenten |26| der fransche staatskerk geldt hetzelfde, met even gunstig resultaat. De kerken van het kanton Bern hebben in 1852 voor het eerst zelven haar presbyterium gekozen, en de uitslag was bijna allerwege gewenscht. En ten overvloede toonen die enkele steden in ons eigen vaderland, waar de gemeente althans eenig recht van meê spreken bij de verkiezingen had, dat we ook bij onzen volksaard althans in den aanvang het ergste niet behoeven te duchten. Volkomen toegestemd dus, dat vooral op geestelijk terrein de numerieke meerderheid meestal zelfs in het ongelijk is, en een vreeselijke tyranne zou worden, waar ze haar kracht gelden deed, — maar de ervaring leert dan toch, dat ze niet dan zeer langzaam zich haar kracht bewust wordt, en lange jaren, het zij dan uit schroom of door gebrek aan organisatie, het veld voor de minderheid ruimt.


*

En kom ik nu, na gezien te hebben dat we er niet alleen toe mogen, maar zelfs moeten medewerken, om voor het oogenblik de gemeente haar recht zelve te doen uitoefenen, — kom ik nu ten slotte nog tot de vraag, of onze partij daar merkbaren invloed op kan uitoefenen, en of ze voor zich zelve er belang bij heeft, dan ligt het verre van mijn bedoeling het volbrengen van onzen plicht daarvan afhankelijk te stellen. Wat we moeten doen, dat willen we ook doen, al konden we ons zelven noch invloed op die keuze, noch succes bij die keuze beloven. Alleen als prikkel dus tot meer betoon van ijver, als drijfveer tot verhoogde krachtsinspanning, wijs ik nog met een enkel woord op die beide momenten van het debat.

Vooreerst dus: is onze partij, als ze haar krachten niet verspilt, in staat de schaal te doen overslaan? En mij dunkt op die vraag kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: |27| een vluchtige verkenning van het terrein leert dat onbetwistbaar. Buiten ons zijn er twee machten in de kerk, die bij de stemming die in vollen gang is, met elkaâr worstelen: de middenpartij en de modernen. Met hoeveel recht toch men die beide anderen ook voor een goed deel vereenzelvige, hoe waar het ook zij dat de middenpartij een eigen beginsel mist, en vaak in antipathie voor alles wat naar orthodox riekt, de modernen nog overtreft, — hier gaat die vereenzelviging niet door, hier moet men beiden zoo scherp mogelijk van één scheiden, want in beginsel zou men de vraag van art. 2 ook zoo kunnen vertolken: zijt gij een middenman of modern. De strijd tusschen conservatisme en radicalisme, is van hun standpunt met art. 2 openlijk aan de orde gesteld. De middenpartij heeft hier een beginsel — en al gaat ze dus anders meest bij de modernen uit logeeren, gelijk iemand die geen eigen huis heeft liever bij vrienden dan bij familie inwoont, — dit maal zal ze onder een eigen banier strijden en in deze questie werkelijk datgene bezitten, wat een groep tot een partij maakt. En in welke richting hun invloed werken zal, behoeft nauwlijks gezegd te worden — als behoudsmannen stemmen ze tegen. Natuurlijk, uit zijn aard neigt de behoudsman meer tot het bezweren dan tot het verhaasten van de crisis, en belang stijft hem in dat opzet want hij voelt wel dat, bij elken coup d’Église zijn papieren dalen zullen. En inderdaad, als men die middenmannen maar neemt zooals ze daar op hun praemissen staan, dan heeft men het recht niet hun dat euvel te duiden. Zoo goed als ieder mogen ook zij strijden voor hun zaak, en waartoe zouden ze dan die crisis inroepen. Bij een keer van zaken staat immers voor hen alles op het spel. Juist die tegenwoordige organisatie is hun werk, juist aan die regeling danken ze hun machtigen |28| invloed in het kerkbestuur. Neen, het is te veel gevergd van den ouden architect, dat hij zelf het besluit zal onderteekenen, waarbij zijn eigen stichting voor bouwvallig wordt verklaard. Behoud van het status quo moet dus hun leuze zijn. Voor verandering is geen raison d’être. Door tegen te stemmen, gehoorzamen aan de wet van traditie en zelfbehoud beiden, door „ja” te zeggen vielen ze uit hun rol.

Even scherp afgebakend is in dezen de gedragslijn der modernen. Zeer snedig ziet Dr. van Bell in het reglement „een vernieuwd bewijs van de wettelijke sanctie, die de moderne richting in onze kerk heeft” 14). We gunnen hem die schrale zelfvoldoening, als wettelijk in dien zin hem nog een stroohalmpje biedt, maar juister had hij stellig geschreven zoo hij gezegd had: „de algemeene verkiezing is zelve een sanctie onzer beginselen.” Zóó toch is het. Het algemeen stemrecht in den zin van art. 23, behoort in de moderne wereldbeschouwing t’ huis, is een direct uitvloeisel der moderne begrippen, de bekrooning van het modern individualisme en de huldiging der moderne methode, om met verwerping van alle gezag ieder voor zich zelf de waarheid te distilleeren. Hun stelling: de godsdienst wordt alleen uit den mensch gekend, eischt tot correlaat begrip op kerkrechterlijk gebied deze andere: het gezag in de kerk wordt alleen aan de Gesammtheit der individuen ontleend, die de kerk samenstellen. Een algemeen stemrecht, als thans wordt aangeboden, is dus een schakel die zij in den samenhang hunner ideën niet missen kunnen; het is juist, zoo als we vroeger zagen, het moderne staatsbegrip van volkssouvereiniteit op kerkelijken bodem overgebracht; — en dat is dus wel buiten kijf, de moderne die een man uit één stuk is en leeft voor zijn beginselen, strijdt voor dat stemrecht |29| als voor de triomf zijner richting. Maar — en zie hier wat de modernen hinderen zal om in dezen als een éénig man te strijden: de uitvoering van het reglement heeft voor hen een zeer hachelijke zijde: Ze mochten eens voor zich zelven de kuil graven. Niet dat ik hun invloed zoo gering aansla. Neen, een machtige partij in de gemeente steunt hen: de intellectueele wereld vooral houdt hun vaandel hoog: onder alle standen (in sommige streken zelfs ten platten lande) hebben ze warme aanhangers, ijverige adepten! — maar het zal hier op den tel aankomen, en die begoocheling geven ze zelven op, een numerieke meerderheid hebben ze in de vaderlandsche kerk en gros genomen nog niet. Hun toekomst, ik zeg niet als richting in de maatschappij, maar als partij in de kerk, verslechtert er dus mede. Al eischt derhalve het beginsel hunner richting krachtige bevordering van het algemeene stemrecht, al wenschen velen hunner zelfs heimelijk een crisis om uit hun ietwat geëmbrouilleerde positie te geraken, — toch zijn ze er niet blind voor: zij spelen hoog spel. Plicht en belang zijn dus voor hen in onverzoenlijken strijd met elkaâr, en dan zal het ook bij hen wel gaan, gelijk bij alle partijen: de sterke geesten zullen alleen naar plicht vragen, de zwakkere broeders wellicht terugschrikken voor de finale.

Tegen zal dus stemmen de groote massa der middenpartij en een deel der modernen. Vóór het groote deel der modernen en die enkelen uit de middenmannen, wier geest reeds te lang in beweging is, om niet eindelijk het zij dan links of rechts af te wijken. En is nu deze verkenning van het terrein niet al te onjuist, dan springt het daghelder in het oog, dat het de orthodoxe partij juist is, die zoo ze haar kracht maar ontwikkelt en weet te gebruiken, de beslissing in handen heeft. Dat verhoogt voor ons natuurlijk het gewicht der stemming. Zullen wij den doorslag |30| geven, dan past ons ook dubbele ernst. Dan mag de vraag wat zullen we doen, wel met een gebed in het hart overwogen worden — en moet ons geweten het ons des te krachtiger inscherpen: Ook van dat talent zal eens gevraagd worden, hoe gij er mede gewoekerd hebt. h

En nu ten slotte de vraag: zal de invloed onzer partij door directe verkiezingen versterkt worden? Reeds daarom zou ik het meenen wijl de numerieke meerderheid der stemgerechtigden wel niet van harte orthodox is, maar toch waar het vraagstuk van modern of antimodern met beslistheid gesteld wordt, stellig niet met onze tegenstanders meêgaat. Een allengs gezuiverd kerkbestuur, waarin zich de ware geest der gemeente afspiegelt, zal dus stellig een kleur vertoonen die meer naar de onze zweemt, dan de kleur die thans onze meeste kerkbesturen van hooger en lager rang dragen. Maar er is nog iets anders waarop we wijzen willen, dat dieper ingrijpt en betere waarborg voor de toekomst geeft. Voor ons is de kerk een organisme, dat zich van zelf voegt in onze levens- en wereldbeschouwing, dat we niet missen kunnen en waarnaar we heimwee zouden gevoelen, als het er niet was. Elk die met ons het gewijde van het ongewijde scheidt, moet een kerk postuleeren als draagster en openbaring van het gewijde. Niet alzoo echter bij de modernen. Eerst als ze met Dr. van Bell niet opzien tegen de logische fout, om meer dan een der notae necessariae als niet-inherent, als quelque chose dont on se passe te beschouwen, kunnen ze voor de kerk in hun systeem een plaats vinden 15). Ze |31| mogen den naam dus bijbehouden, maar in de werkelijke kerk voelen ze zich slechts op hun gemak, naarmate het hun gelukt, haar al meer van alles te ontdoen, wat haar tot kerk maakt. Juist daaruit, dat onze kerk haar wezen zoo verloochend heeft, verklaart het zich dan ook, dat zoovele oprechte geesten onder hen maar niet voelen kunnen, dat hun positie een onware is. Ze luisteren wel naar wat ge zegt: ze zouden wel uitgaan, àls uwe voorstelling hun waar toescheen, — maar de realiteit geeft geen echo aan uw klanken, en voor hun gevoel hebt ge van geheel iets anders gesproken dan van die onttakelde inrichting, waarvan zijn leden of leeraars zijn. — Maar geen nood, dat is slechts een phase van overgang. Eens wordt die knoop zoo ontward, dat ze zelven erkennen zullen: ja het zijn twee verschillende koorden, die slechts een knoop te zaam verbond. Het moet anders worden: dat volgt uit beider streven. Hún streven moet zijn de kerk zooveel doenlijk van haar eigenaardigheid te ontdoen: het ónze, de kerk meer kerk te doen worden. Winnen zij, dan trekken wij ons terug, omdat we in hun maaksel geen kerk meer herkennen kunnen: |32| blijft ons daarentegen de zegepraal, dan verhuizen zij uit vrijen aandrang, omdat het hun binnen die enge muren, in die bedompte atmosfeer te benauwd wordt. En zagen wij nu, dat juist deze crisis het middel kan worden, om de kerk te rehabiliteeren, haar weer heur kerkelijk gewaad om te hangen, dan profeteert ze van zelve betere dingen voor de toekomst.

Eindelijk, bij alle stemmingen moet een impuls zijn, die ons naar de stembus drijft, of men blijft te huis. De wet der traagheid geldt ook op geestelijk gebied. Om iets, wat ook te doen, moet de geest uit zijn traagheid gewekt, en waar de geest daartoe geen prikkel ontvangt, blijft de daad ongedaan. Bij ons nu is die prikkel aanwezig, want wij hebben onze kerk lief, en sterker prikkel dan de liefde is er niet. Wij zullen dus voortdurend opgaan ter stemming. Maar de moderne partij in de leekenwereld althans heeft op den duur zulk een prikkel niet. Opwinding zal slechts voor een oogenblik baten: de moreele prikkel om wat men als leugen veroordeelt, ook langs dien weg te bestrijden, is niet scherp genoeg om door de grovere huid der menigte te dringen: op den duur is dus elke prikkel om te stemmen bij het gros hunner richting afwezig, — en het gevolg zal zijn, dat de wet der traagheid ongestoord werken blijft. Dat is bij de meesten natuurlijk. Wat zou men nog gaan stemmen als men toch niets om zijn kerk geeft. Waartoe zal men dan nog uit zijn drukke zaken loopen om een ouderling te gaan kiezen! Hoe zal men zelfs weten of er gestemd moet worden, want dat wordt immers afgekondigd ter plaatse waar men nooit komt. Vele, zeer vele stemmen hunner partij zullen dus gaandeweg in het water vallen: die gansche nasleep die zich maar modern noemt, omdat ze niet orthodox wil zijn en eigenlijk niets is, zal het terrein ons schoon laten, — en hoe men het ook wende of keere, ligt dus in die wet van traagheid |33| in dit opzicht voor onze tegenpartij op geestelijk gebied een weemoedige fataliteit.

Wij juichen dan ook niet in wat anderen, die wanen voor de waarheid te strijden, zeer moet doen. Wij wijzen slechts op een verschijnsel, waarmee wij rekenen moeten en achten, dat ook dit verschijnsel onder die momenten behoort die bij het opmaken der rekening voor ons een plus, voor hen een minus zullen geven. Keurden wij die lauwheid hunnerzijds af, wij zouden er geen voordeel van willen trekken; maar nu op hun standpunt die onthouding voor de groote menigte volkomen rechtmatig en natuurlijk bleek te zijn, belet niets om een erkenning van ons goed recht te zien, in dat vrijwillig prijsgeven van een post, waarvoor men de moeite van den strijd niet meer over heeft.


*

Resumeering van het voorgaande leidt dus tot deze stellingen:

dat het antwoord op de vraag die wij stelden niet objectief te geven is, maar verschillen moet naar het standpunt, waarop de vrager zich plaatst;

dat zij die op orthodoxen bodem staan, de nieuwe organisatie niet als in strijd kunnen beschouwen met de idé der kerk;

dat ze haar daarentegen verwerpen moeten, waar ze zich in het geschiedkundig verloop onzer Hervormde kerk als normalen toestand aanbiedt;

omdat ze als zoodanig in strijd is met de beginselen der Hervorming,

omdat ze zich niet vastknoopt aan de lijn der historische ontwikkeling, maar van buitenaf op kerkelijk gebied is overgebracht;

dat zij echter, als ze die organisatie nemen, niet voor wat |34| ze schijnen wil, maar voor wat ze is, in haar de abdicatie moeten zien van een onwettig kerkbestuur, en dan van de vrijheid die art. 23 schenkt gebruik mogen en moeten maken, om zonder revolutie het weer optrekken van het ingestorte kerkgebouw te beproeven;

dat voorts, zal dit gelukken, het facultatieve van het reglement ontweken moet worden, en ieder dus verplicht is, de gestelde vraag aldus te beantwoorden: ik machtig den kerkeraad niet, maar stem zelf;

dat verder door den stand der partijen de orthodoxe partij, als geroepen om den doorslag te geven, den toestand beheerscht — en dus tot handelen geroepen is;

eindelijk dat ook het belang der partij door het volbrengen van dien plicht krachtig kan bevorderd worden 16).


„Zal daar echter iets van komen” ik zeg het Ds. van Toorenenbergen na „dan moet er bij gelijkgezinden onderling vertrouwen zijn en geneigdheid om samen te werken tegen den gemeenschappelijken vijand. Men moet dan in den broeder geen tegenstander en in den sterkst gekleurden voorvechter niet altijd den besten en standvastigen strijder zien. Men behoort dan voor alles op het noodgetij te letten, dat op de kust staat en in het verzetten der bakens geen prijs geven zien, van wat schip en lading redden kan.”




1. Disc. prononcé dans le Corps législ. Séance du Vendredi 26 Février 1867.

2. Zwinglii Opp. ed. Schuler et Schulthess, de Eucharistia t. III. p. 1. p. 337.

3. Gutachten. Cf. Ritter, Ev. D. der Stadt Francf. a.M. 1726 S. 349.

4. Calv. Opp. Prael. in Micham, Tom. V. 321b.

5. Calv. Inst. Rel. Chr. IV. 3, 13.

6. Lasci Opp. Tom. II. p. 195.

7. Beza Epp. n. 68, p. 241. „Clamitat tyrannidem et oligarchiam invehi in Ecclesiam.”

8. Art. 2 bepaalt dat de gemeente bestaat uit allen die door doop of anderzins tot haar behooren.

9. De tegenwerping, dat de kerkeraad dan nu toch officieel gemachtigd is, klinkt zeker zeer fraai, maar in de practijk doet zulk een specieuse onderscheiding minder af dan niets.

10. Het diaconaat moet almeer van het presbyteriaat worden losgemaakt. De diakenen hebben reeds geen zitting in hoogere kerkelijke besturen: niet in den bijzonderen kerkeraad. Goed, maar de scheiding moet nog verder. Voor het diaconaat worden administratieve bekwaamheden vereischt. Het verkeert dus in een specialen toestand, die bijzondere regeling en voorziening vordert, — maar die daarom niet zooals nu belemmerend op de andere takken van het kerkbestuur mag inwerken.

11. De secretaris van Staat voor binnenl. zaken had het ontworpen. De commissie van kerkelijken die het nazag, was door den koning benoemd. Krachtens koninklijke volmacht is het door den souvereinen vorst uitgevaardigd. Caesaropapie in top dus!

12. Onder anderen bij monde der klassis van Amsterdam.

13. Van onze afgescheidenen zwijg ik. Hun streven verschilde van dat der vrije kerken. De antipathie tegen den monstreusen toestand, waarin we verkeerden, werd bij hen geen beginsel van leven, maar van reactie. Vooral in haar latere consolideering komt dit sterk uit. Ik herinner slechts aan het gebeurde met de Dortsche kerkorde van 1618. De Synode van Utrecht (1837) bracht daar eenige wijzigingen in. Maar vooral in Overijssel deed dit zulk een storm opsteken, dat de Synode van 1840 het besluit van ’37 herroepen moest.

14. Theol. tijdschrift. Maart 1867, p. 230.

15. Zie ik wel, dan begaat Dr. van Bell, Theol. Tijdschr. 1867 II, l.l. evenzeer een fout van methode als Dr. Rauenhoff. R.’s fout was dat hij voor het begrip van kerk maar één verschijningsvorm toeliet: de catholieke. Dát is onwaar. Niet alle notae der cath. kerk zijn notae necessariae der kerk zelve. Ook dit begrip heeft elasticiteit, nuanceering, treedt in meer dan één vorm op en mag dus niet willekeurig tot die ééne vorm beperkt worden. Maar |31| die fout corrigeerende, begaat Dr. v. B. er een andere. Omdat ik op Meerenberg ongelukkigen voor mij zie, wien ik den naam van mensch laat, al kunnen ze niet denken, daarom heb ik nog in het minst geen recht te ontkennen, dat de eigenschap van denken tot het begrip „mensch” hoort. Men voelt waar de fout schuilt. Alleen de normale verschijnselen doen meê, de abnormale mogen niet in aanmerking komen. en dat vergat de geleerde S. toen hij de voorbijgaande, gebrekkige phases onzer kerk uit vroeger perioden, ja, zelfs den allerabnormaalsten van thans, rangschikte onder de verschijningsvormen, waaruit hij het begrip zou opmaken. Of liever het was geen fout van Dr. v. B., maar een fout zijner methode. Wat abnormaal of normaal is dat kan de empirisch-speculatieve methode, gelijk hij die opvat, niet beslissen. Bij begrippen, die in duizenden en tienduizenden van verschijningsvormen optreden, moge die definitie haar schijnbaar gelukken, maar bij begrippen, als die van kerk, die zoo arm aan vormen zijn, laat die methode ons geheel in den steek.

16. Met genoegen zag ik dat de brochure van Ds. Gunning, en het manifest van van Toorenenbergen, Doedes en van Oosterzee c.s. aan de Utrechtsche Gemeente, die onder het afdrukken dezer bladen verschenen, in substantie de vraag in gelijken zin beantwoorden. Mocht de verlammende kracht, die de oude oligarchie, blijkens zoo menige gevallen beslissing, nog in haar stuiptrekkingen blijkt te bezitten, door aller vereenigde poging elders nog bij tijds ontzenuwd worden!




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Zie: Rullmann, Kuyper-Bibliografie I,13-17.

b. Zie: 1Tessalonicenzen 5:6-8.

c. Geen biografische gegevens gevonden.

d. Zie: Jeremia 6:14; 8:11; 1Tessalonicenzen 5:3.

e. Zie: Jesaja 54:13; Johannes 6:45.

f. Zie: 2Samuel 15:4.

g. Zie: Efeziërs 5:13.

h. Zie: Matteüs 25:14-30.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004