Abraham Kuyper (1837-1920)

„Het Beroep op het Volksgeweten”

Rede

ter opening van de Algemeene Vergadering der

„Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs”,

gehouden te Utrecht, den 18den Mei 1869
Amsterdam (B.H. Blankenberg Jr.) 1869



M.H. Zichtbaar wint bij de mannen onzer richting de overtuiging veld, dat in het beroep op het volksgeweten de kracht van ons streven ligt. Had men bij de eerste schermutseling, door overspannen ijver verleid, niet zelden gemeend in den strijd ook andere wapenen, met hoop op goed gevolg, te kunnen hanteeren; door heilzame teleurstelling geleerd, mogen we ons thans van dien waan genezen achten. Niemand onzer, die thans nog van een enkelen zomer-veldtocht de overwinning wacht. De steun, ons door welwillende bondgenooten geboden, hoe ook gewaardeerd, zal thans niet meer worden overschat. De hoop soms gekoesterd, om door invloed op het staatsbeleid, door verwikkeling der staatkundige vraagstukken, of toevallige groepeering der Staatspartijen, als bij verrassing ons pleit te winnen, hield op een bezielend element in onzen strijd te zijn. Men grijpt al meer den moed, om de werkelijkheid onder de oogen te zien, die ons van langdurige, vemoeiende worsteling profeteert, en op het geloof aan ons beginsel als de eenige kracht ter overwinning wijst. De gedachte ontmoedigt niet meer, dat er nog zooveel geld en kracht en tijd schijnbaar zal moeten verspild worden, eer de grond zal zijn vastgeheid, waarop het fundament van ons gebouw zal rusten. Juist omdat het zelfbedrog der overspanning week, dringt het rustig geloof aan onze zaak meer op den voorgrond. We hebben de begoocheling van |4| den korten weg verloren, maar aan vastheid van richting ongelooflijk gewonnen. En daarom, nu we geen zegepraal meer beoogen van een enkelen dag, nu zijn we niet meer gehaast, nu geeft het geloof ons den tijd, om den langeren weg naar het volksgeweten te zoeken, en droomen we ons geen overwinning meer, eer dat volksgeweten zal zijn ontwaakt.

Maar juist daarom eischt het oogenblik, dat we van dat beroep op het volksgeweten ons rekenschap geven, weten wat die leus ons zegt. Niet zelden toch werd ook dat wapen slechts als een blikken zwaard gehanteerd, gebruikt als een klank, en zonder zelfbewustheid aangewend. En nu, dat moge in den aanvang onvermijdelijk zijn geweest, maar allengs moet het practisch gebruik toch door helder inzicht gewettigd worden, en vooral thans, nu in dat ééne woord, schier al ons streven opgaat, scheen mij deze ure als aangewezen, om het in naam onzer richting uit te spreken, wat we onder het „beroep op het volksgeweten” verstaan.

Gij weet toch, hoe het recht op dat wapen ons door den tegenstander wordt betwist. Wat zeg ik. Hoe dat woordvan volksgeweten op onze lippen gewraakt, ons als oneerlijk misbruik van heilige klanken verweten wordt. Hoe, zoo voert men ons tegen, uw geestdrijvende factie zou de uitdrukking zijn van den nationalen zin, uw kleine groep de nationale kleur bij uitnemendheid dragen, en gij van nationale denkbeelden spreken mogen, waar ge niets anders dan de fantasmagorien van uw dweepziek zelotisme bedoelt. Maar ziet ge dan niet, zoo vraagt men ons, hoe, geheel ons volk zich tegen u keert, de overgroote meerderheid onzer natie uw streven verfoeit, en zich juist vastklemt aan het heilig plechtanker der gemengde school, dat gij uit het oeverzand poogt los te wringen. Wat noemt gij u nationaal, die wat der natie heilig is, verwoest. Neen, wijs niet op de cijfers, die zich soms hier en ginds nog bij de stembus voor u verklaren. Van het wegen dier stemmen ziet ge zelven liefst af, en dat enkele eerzuchtige, enkele |5| verdoolde geesten uitgenomen, al wat beschaafd is en verlicht, al wat zien en oordeelen kan, als in ondoordringbare phalanx tegen u staat, ervaart ge zelf te jammerlijk, dan dat het u door ons behoeft gezegd. In ernst, M.H., men acht ons geen partij, maar scheldt ons een zelotische club, een clique van fanatieke stokebranden, die, misbruikend onzen invloed, misbruikend ons talent, misbruikend ons geldelijk vermogen, de lagere volksklassen opwiegelen, door woelzieke agitatie alleen een bent van gedweeë volgelingen onder de wapenen kunnen houden, en dan nog , wien gruwt het niet! den oneerlijken moed hebben, om die kunstmatige gisting, die opgeschroefde volksbeweging, te sieren met den heiligen naam van nationaal verzet.

En in ernst M.H., zoo we in dien zin van het volksgeweten spraken, ons pleit zou hopeloos staan. Zoo de meerderheid de natie beslissen moet voor het nationaal karakter, zie ik althans van dien eerenaam voor onze Christelijke scholen voor altijd af. Maar juist tegen die oppervlakkige verklaring onzer nationaliteit, juist tegen die vervalsching van het woord „volksgeweten” kom ik op. Of sints wanneer is overmacht een titel van recht, meerderheid in getal bewijs voor waarheid geworden? Moest niet reeds de klank van „geweten” zelve, van zoo overijld een vonnis hebben teruggehouden? Of acht men ook, dat uit de neiging of daad der meeste menschen moet worden opgemaakt, wat de uitspraak van het menschelijk, individuëel geweten verklaart? Mij dacht, met te spreken van „geweten”, bewogen we onsop het, gebied des zedelijken levens, waar al wie Comte nog niet volgen wil, niet ’s menschen neiging maar hooger ordening heerschen ziet. En ook al mag ik dan niet van zonde als van afval spreken, — goed — neem ze als onvolkomenheid, en ook dan nog kunt ge het feit niet weerspreken, dat niet in wat de meesten willen, maar juist in wat de meesten missen, de eisch van het geweten spreekt.

Of zou dit anders worden, waar ons beroep niet tot het |6| individuëele geweten van den enkelen mensch, maar tot het collectieve volksgeweten uitgaat? Neen, ook een volk, mits het geen mengelmoes van onderling vreemde elementen, maar in waarheid een volk zij, is geen aggregaat van individuën, maar één levend wezen, in organischen samenhang, met een eigen zin en aanleg, een eigen karakter en aard. En nu, ten zij ge de onzinnige gedachte dorst bepleiten, dat een organisch geheel van zedelijke wezens, zelf van zedelijken aard ontbloot kon zijn, lijdt het immers geen tegenspraak, dat ook dat volk, als geheel genomen, een plicht te vervullen, een roeping te volbrengen heeft, en dus daarom een geweten bezit, wijl niet eigen wilkeur, maar Hij, uit Wien zijn leven is, dien plicht het gaf. Juist door dat woord „volksgeweten” heffen we ons dus uit de materialistische beschouwing van het leven der volken, tot die hoogere zedelijke orde op, waardoor de woorden van volkszonde en volksdeugd, van volksroeping en volksoordeel hun ontzettende beteekenis terugerlangen. Ook een volk is ons dan een van God geschapen zedelijk wezen, dat van Hem zijn aanleg en talent, van Hem zijn roeping en gebod ontving, en niet slechts in de enkele individuën, maar als volk, als natie, als geheel beschouwd, aan den Rechter van al wat leeft verantwoordelijk is.

In een volk, door geen zonde besmet, zou de volksneiging dus met het volksgeweten steeds samenstemmen, de daad des volks voor den eisch van zijn geweten beslissen. Maar dat het niet alzoo mét de zonde is, wien onzer spelt dat de geschiedenis van het eigen geweten niet? Wien zal ik het nog prediken moeten, dat waar onze aanleg vervalscht, elke kracht verkeerd gebogen en de grondtrek van ons karakter ontheiligd is, onze neiging eer tegen het geweten partij kiest, dan met het geweten stemt? Voor wien zal het nog betoog behoeven, dat in het onreine leven, de stem van het geweten in hooge mate verzwakt, vervalscht, beklemd, zoo maar niet ganschelijk gesmoord werd? Wien, zoo vraag ik, is niet uit eigen droeve |7| ervaring, die inzinking, die verslapping, die slaap des gewetens bekend? Welnu, wat beroept men zich dan op de meerderheid van ons volk, om ons beroep op het volksgeweten te wraken? Mij dacht, dát we minderheid zijn, moest ons op zedelijk gebied eer tot roem dan ten doem wezen, eer onze voorkeur waarschijnlijk, dan ons oordeel onherroepelijk doen zijn.

En daarom, we laten ons door geen pleit op valsche gronden naar de verlaging der volksidé trekken, maar handhaven ons op het verheven zedelijk standpunt, dat bij de beschouwing van het leven der volkeren met het woord van „volksgeweten” is ingenomen. Geef dát prijs, en ge moet om nationaal te zijn de verontreiniging van het volksleven vergoelijken, de vervalsching van het volkskarakter toejuichen, den volkstrots naar de oogen zien, de volkszonden streelen, — maar mét dat woord van volksgeweten, dan behoeft ge niet meê te drijven, want dan is er Een, boven allen, die rechter tusschen ons volk en ons kan zijn. Voor Zijn vierschaar is dan ons volk gedaagd. Het talent door Hem ons volk toebetrouwd wordt door ons beroep op zijn geweten dan opgeeischt, Alleen de van Hem ontvangen roeping zal bij ons pleit dan ten maatstaf zijn, en niet door stemmen-meerderheid, maar door Zijn uitspraak in het volksgeweten, wat nationaal is, worden beslist.

Niet zelden gebeurt het M.H., dat de bergstroom aan den voet der bergen zich in tal van beken splitst. Dan ziet ge soms de breedste takken zijwaarts buigen, wild spartelend door de rotsvallei, en slechts een vergeten beek een weg zich banen, lijnrecht naar het bed des Oceaans. Tot straks, dat kronkelen en dat dartelen moede, de machtiger beken weer de oude speelnoot opzoeken, heur wateren in haar bedding storten, en der mindere hulde brengen, van het juistst den stroomloop te hebben gekend.

Zietdaar dan het beeld van wat u de volkeren der aarde toonen, zoo ge opklimt tot hun oorsprong en ze naspeurt in |8| hun geschiedkundig verloop, en leer het aan Israël allereerst hoe vaak juist een volksminderheid alleen zich der volksroeping bewust bleek te zijn.

Of waar Mozes van den Horeb afgeklommen, het volk dansend vindt om ’t kalf van goud, hun door Aäron opgericht, wát is daar zijn boetprediking anders dan een beroep op het volksgeweten? een dwingen tot erkentenis dat zij de volksroeping verguisd, en hij alleen het zedelijk karakter der natie gehandhaaft heeft?

Als Israël straks, voor Enak’s reuzen beducht, weer hunkert naar Egypten’s vleeschpot, en het hart van vrees zich smelten voelt, vormen dan niet Mozes en Jozua en Kaleb de kleine minderheid, die op het volksgeweten indringend, alleen nationaal zijn, waar geheel het volk zijn roeping vergeet?

Waar Elia op de Karmel het volksgeweten wakker schudt, blijkt daar niet het nationaal besef, bij de volksmassa schier geheel verdoofd, alleen nog in die vijfduizend gesproken te hebben, wier knie niet voor den Baäl boog?

Geheel het optreden der profeten in Israël: Jesaia die voor Achaz treedt op het vollersveld, of Jeremia in het wachthuis opgesloten, wat zeggen ze u anders, dan dat de nationale volksplicht, de zedelijke roeping van Israël, de nationale politiek door vorst en volk gedurig vergeten werd, en slechts door een nauw noembare minderheid werd beseft. En al hun reden, zoo vol gloed en wijding, — licht er hun beroep op het volksgeweten, het terugroepen van Israël naar zijn volksverleden, het dagen van heel, Israël voor een hooger vierschaar uit, en immers al heur kracht vloeit weg en heur samenhang ligt verbroken.

Kent gij Hem niet, die om Zijn beroep op het volksgeweten, als een die de schare verleidde, als een volksberoerder is uitgeworpen? Of begreep die Spruite Davids dan Israël’s nationale roeping niet, omdat het volk in massa zijn volksgeweten toegeschroeid, en om Zijn bloed gevraagd, voor Hem een kruis geëischt had? |9|

Of laat ge die verschijning, om haar geheel eenig karakter liefst buiten spel, welnu, dan wijs ik u ten slotte nog op den man van Tarsen, die om Israël, zijn maagschap naar het vleesch van Christus had willen verbannen zijn, en ik vraag, wat anders dan zijn majestueuse brief aan Rome is, dan een beroep op Israëls volksgeweten, en — de eerlijken onder mijn tegenstanders zullen mijn getuigen zijn: Wie in echten zin toen nationaal in Israël was, de vervolgde apostel, of de mannen der Synagoge, wier handen jeukten naar zijn bloed?

En nu, werpe niemand mij tegen, dat Israël niet als andere natiën was en dus niet voor andere volken beslist. Want, brengt de plaats waar ik tot u spreek van zelf mede, dat ik met Israëls verleden het meest bekendheid onderstellen mag, geheel de geschiedenis der volkeren zou ik voor u kunnen ontrollen, om het u bij elke machtige beweging te doen zien, hoe de nationale plicht, eerst slechts aan enkelen bewust, alleen door een beroep op, door een ontwaken van het volksgeweten, allengs voor het besef der gansche natie opleeft. Immers niet de massa des volks, die zich stille hield, niet de mannen van het geld, die voor hun, schatten, niet de mannen der geleerdheid, die voor hun ruste vreesden, maar Adolf van Nassau, wiens bloed het veld van Heiligerlee heeft ingedronken, maar Willem van Oranje, die in het Zuiden werd teruggeworpen, zij, de mannen der minderheid, hadden de roeping der natie verstaan. Of wilt ge uit later dagen, wat dunkt u, waren dan in het laatst der vorige eeuw zij de nationalen, die tuimelend in hun vrijheidsroes, zich Frankrijk’s republiek in de armen wierpen, of zij, die, hoe ook verguisd en miskend, ja, vervolgd en ten lande uitgeworpen, uit het graf, waar Holland’s volk in wegstierf, dat volk weer poogden op te roepen? En wilt ge ten slotte nog buiten onze grenzen, die waarheid u in feiten zien gestaafd, dan vraag ik een ieder, die weet van deze dingen . . . . Toen Duitschland’s volk, ontzenuwd en van kracht beroofd, boeleerde met Napoleon en het |10| zijner eigen zonen aan Frankrijk’s adelaar drinken liet, opdat hij met te hooger vlucht zijn wieken over ’t arme Duitschland uit zou slaan, wie waren toen nationaal in Duitschen zin, de mannen van het Rhijnverbond, of Schill en Stein, die, door hun spreken tot het volksgeweten, in Leipzig’s bloedbad dien fieren adelaar den kop hebben verplet?


*

Mag ik meenen, dat door deze vluchtige herinnering, het bewijs, aan onze kleine minderheid ontleend, wel iets in kracht kon verloren hebben, toch rijst daarbij een bedenking op, té natuurlijk, dan dat ik ze niet liever zelve uitspreek, dan ze mij door anderen te zien voorgeworpen.

Het feit dat de meerderheid der natie zeer anti-nationaal kan zijn, zal men niet langer loochenen, maar . . . . zal men vragen: ontvalt ons zoo niet elke toetssteen ter keuring van den echten stempel, die het ongeschonden beeld der natie draagt? Nationaal te zijn! . . . . welke richting, welke groep of factie beweert het niet? Zoo de stem des volks dan hier geen stemme Gods kan zijn, hoe dan te richten tusschen u en ons? Zal úw adelbrief echt, de ónze vervalscht zijn, toon ons dan den zegelring, die voor de echtheid van het zegelmerk beslist.

In ernst, zou het antwoord op die vraag zoo moeilijk zijn? Of als ge er eenen vindt, die naar uwe schatting diep gezonken, ver is afgedoold, maar anderen zijn met hem, die hem nu juist een man, nu juist een held achten, nu juist zoo machtig met hem ophebben, zoo flink en ferm als hij aan niets zich stoort, — zeg mij, zijn er dan geen gangen naar dat geweten, geen wegen naar dat hart, om hem zelf te doen beslissen, wáár zijn roeping ligt? in wat gij van hem eischt, of op die nieuwe wegen, waar gij beweert, dat hij aan zich zelf ontzonk, al zingen die anderen in choor, dat hij nu eerst zich zelf geworden is? Zijn er dan geen teedere banden met haar, wie hij zijn oorsprong dankt. Geen lieflijke beelden der jeugd, die ge kunt oproepen. Spreekt dan de herinnering van |11| het verleden niet van oogenblikken, waaraan hij met trots, en van anderen, waaraan hij met afkeer denkt? Zijn er dan geen tooverwoorden, die weer gloed op het dof gelaat zijner ziel, weer vuur in het matte oog doen glinsteren: heilige klanken, die als van zelf natrillen op de snaren van zijn hart? En nu, met dien blik op afkomst en verleden, met die werking op eergevoel en zelfaanklacht, zou de beslechting dan zoo hopeloos zijn van het pleit tusschen hen en u?

En waarom zou het bij het volksgeweten dan anders zijn? die toetssteen ons bij het inzinken van het volksleven verlegen laten? Heb slechts den moed, om met, terzijzetting van elke partijbedoeling, dien zedelijken maatstaf aan het hart uws volks aan te leggen, en van zelf wordt, wat nationaal is of tegen onze volksaard indruist, door de uitspraak van het volksbesef openbaar.

Vraag allereerst uw volk naar zijn oorsprong, en laat niet door een geschiedkundig steekspel, maar door de onmiddelijke uitspraak van het volksbesef beslissen, of het in het hart der middeneeuwen, zoo als abt Brouwers wil, of wel in de revolutie der vorige eeuw, zoo als de radicalen, of eindelijk in de worsteling der Hervormingseeuw, gelijk wij beweren, de gestalte zijner moeder begroet. En zoo het hart des volks dan, bij instinct, ontwijfelbaar met de geschiedenis zelve samenstemt, om elk verschil over oorsprong en geboorte tot zwijgen te brengen, zietdaar dan uw eerste en beste kenmerk, om door vergelijking met de zeer scherpe karaktertrekken van het zich vormend volk, door toetsing aan het nog ongekunsteld, onbedorven volksleven, wat werkelijk nationaal is, van valschen volkszin te schiften.

Wat dan nog onbeslist bleef, beslisse het volksverleden. Ligt ook in de volksgeschiedenis een volksgericht, wijl het leven eens volks van zedelijken aard is, er zullen dan gestalten uit dat verleden voor ons treden, op wier bezit ons volk boogt, die het als dragers van zijn volkszin, als echt nationale |12| typen begroet, maar . . . . ook andere karakters, van wie het zich óf in onverschilligheid afwendt, óf die het als verkankerde vruchten aan den nationalen stam liefst afschudde en vergat. En evenzoo zullen er feiten uit dat verleden tot ons spreken, die het volksgeweten onherroepelijk veroordeelt, die het liefst verbloemen en bedekken zou; — en straks weer andere taféreelen zich voor ons oog ontrollen, waarop ons volk zich in fieren trots verheft, die het met zelfvoldoening nastaart, die het gekend wenscht en vereeuwigd. Welnu, dat besef van zelfvoldoening of zelfverwijt, van trots of schaamte bij het zien op ons verleden door het volksgeweten gewekt, het biedt u een andere, niet minder juiste lijn, die het nationaal karakter kan begrenzen.

Verwant daarmee is, wat ik u ten derde aangaf: de nationale leuzen, die als tooverklanken geestdrift wekken in ’t hart. Spreek binnen onze erven van de beginselen van ’89, en diezelfde klank, die in Frankrijk wonderen werkt en het Fransche hart zichzelf dbet vergeten, wordt door ons volk nauwlijks verstaan, laat ons koud en onverschillig. Zoo heeft elk volk zijn eigen namen, eigen klanken, eigen leuzen, die een toon in ’t hart des volks doen trillen, zijn eigen volkslied waarin het den stroom heeft uitgegoten van zijn nationaal gevoel. En wilt ge weten, of er ook voor ons volk zulke heilige, leuzen bestaan, beluister dan slechts de tooverwoorden, die elke richting om strijd op de lippen neemt, zoo dikwijls ze van volksgeestdrift heil verwacht. En ontleed ze dan die leuzen, vertolk ze die namen, breng die volkszangen in het proza des levens over, en een nieuwen maatstaf zult ge u geboden zien, die voor den aard van het nationaal karakter beslist.

Eindelijk, men vergete de volksbezoekingen niet. Daar is een tijd om te lachen en een tijd om te weenen ook in de geschiedenis der volkeren, en niet meest als de lach zich om de lippen plooit, maar als de ernst des levens het hart in spanning houdt, wordt het krachtigst de stem des gewetens |13| gehoord. En daarom, wilt ge de stem van het volksgeweten beluisteren, niet als ze door het gedruis der vreugde wordt verdoofd, maar als ze in de stilte des lijdens zich luide verheffen kan, vraag dan slechts, wat in oogenblikken van dreigend gevaar, in dagen van verpletterende volksrampen, in tijden van benauwdheid, in het hart des volks is omgegaan? hoe toen het onverbasterd volksgevoel zich geuit, waarheen het in zijn angsten zich gewend heeft? — en wat toen het volksbesef heeft uitgesproken in dagen, toen ons volk ernstig was, verraadt u de echt-nationale sympathiën veel juister dan het diepst wijsgeerig betoog.

Volksoorsprong, volksverleden, volksleuzen, volksbezoeking, zietdaar dan voor het minst een viertal vaste punten, waarop ik u wijzen wilde, om de noodlottige meening te biestrijden, alsof de lijn geheel zwevend zou zijn, die het echt-nationale afscheidt van wat den volksaard miskent. De obiectieve maatstaf, die bij de uitspraak van het volksgeweten het zuivere toongeluid van valsche trillers, den diepen ernstigen grondtoon van ondoordachte uitingen onderscheidt. Het getuigenis van het volksleven zelf, waardoor een einde kan gemaakt aan het onwaardig schouwspel, waarbij de heilige leuzen onzer nationaliteit tot een speelbal der partijen verlaagd worden. De toetssteen eindelijk, die onfeilbaar beslissen kan, of ook onze richting de nationale klanken slechts misbruikt uit partijzucht, of daarom ze op de lippen mag nemen, omdat zij werkelijk de natuurlijke, in niets verbogene richting van het nationale leven is.


*

Want ja, dát spreekt van zelf, aan geen beroep op het volksgeweten zou onze richting zich wagen, zoo ze niet de vaste overtuiging koesterde, van door zijn uitspraak echt-nationaal te worden gekeurd. Men wrake dan die overtuiging als inbeelding onzer eenzijdigheid, of als hoogmoed waartoe ons partijdrift verlokt. Men betwiste ons dan het recht, dien naam met uitsluiting van anderen, voor ons zelven te nemen. Men beantwoorde die bewering, door ons op onze beurt juist van |14| gebrek aan volkszin en liefde voor ons volk te betichten. Geen nood, wie het op het geweten waagt, laat door geen aantijging zich afschrikken. Nu we weten, waaraan de zuivere toon van dat volksgeweten kan getoetst, maakt geen spraakverwarring ons het spoor meer bijster. Of wil men dan toch nog van aanmatiging, van belachelijke ingenomenheid met ons zelven spreken, men erkenne dan voor het minst, dat, welke richting ook de nationale zij, ze alleen ten prijs van haar zelfbewustzijn, de aanklacht van zelfverheffing zou kunnen ontgaan.


En wat we dan aan dat volsgeweten te vragen hebben? M.H. , het heilig belang van het onderwijs bracht ons hier saâm; gunt mij daarom in een vijftal trekken u aan te toonen, wat op dit stuk de eischen onzer richting zijn, die we aan de uitspraak van het volksgeweten onderwerpen.

De staatsschool moet in een land, als thans het onze is, gemengd zijn en daarom óf den godsdienst opzettelijk verwerpen, óf kweekster van een godsdienst worden, die het minimum van positieve belijdenis in den lande, als eigen maximum kiest. Óf godsdienstloos 1) óf Christendom boven belijdenisverschil: dus staat het dilemma. Welnu, met dat feit voor oogen willen we ons volk gevraagd hebben, of het als geheel, als zedelijk wezen genomen, düs zijn godsdienstigen oorsprong verloochenen wil, dat het zijn recht op den naam eener Christelijke natie verbeurt. Door geen wijsgeerig stelsel, veel min door ontleding eener gezochte staatstheorie, maar door het volksgeweten zelf wenschen we de vraag te zien beslissen, of zijn zedelijke |15| roeping dat prijsgeven van den godsdienst voor de volksschool gedoogt. Voor die vierschaar worde het uitgemaakt, of Holland’s volk, dat het meest door den godsdienstigen factoreen natie werd, zóó aan zijn oorsprong ontaard is, zóó zijn verleden kan verloochenen, dat het den godsdienstloozen staat als groot-onderwijzer der jeugd, als opvoeder zijner zonen erkent. Er als men die uitspraak vreezend, dan den anderen term van het dilemma kiezend, van christelijke deugden in zijn wet blijft spreken, en een „godsdienst boven belijdenisverschil” als godsdienst van den Staat octroyeert, wederom niet bij vertoog en sluitreden, maar bij het ontwaakte geweten, bij den gezonden zin onzes volks moet dan een hollandsch antwoord op de vraag gezocht, of dat ingekrompen Christendom werkelijk het Christendom zijner vaderen, dát Christendom is, waardoor ons volk machtig is geworden, en waarvoor het bloed onzes volks heeft gevloeid.

Op de staatsschool moet, bij eene gemengde bevolking als de onze is, de hoofdfactor onzer landshistorie of verzwakt of verzwegen, zoo men niet ergeren wil, wie op een gemengde school voor ergernis veilig moet zijn. Derhalve moet aan dienzelfden rechter van het volksgeweten de zeer ernstige vraag worden voorgelegd, of door het verminken der volksgeschiedenis geen geweld wordt gepleegd aan het nationale leven. Moet de staatsschool weren, wat een deel des volks krenken kon, we wenschen die onvrije, die gebonden school dan voor het vrije volksgeweten te plaatsen, met de snijdende vraag, of niet geheel het volk op ’t diepst gekrenkt wordt, zoo men de schoonste bladzijden wegscheurt uit het boek van zijn verleden. Gevraagd willen we hebben, of dat nog volksgeschiedenis heeten mag, als men wel namen en jaarcijfers, wel feiten en gebeurtenissen noemen mag, maar zorgvuldig den levensgeest verbergen moet, die dat doode geraamte eens heeft bezield. We willen dat het volk zelf beslisse, of het lijdelijk dien zedelijken zelfmoord zal dulden, |16| dat zijn roemruchtig verleden, zijn geschiedenis zoo vol heilige bezieling, verstijve tot een samenschikking van geestelooze factoren, waarin de ader van zijn leven niet meer klopt. En als dan ieder toestemt, dat niet de ontleding der feiten, maar eerst de physiologie der natie, de kronyk tot geschiedenis stempelt, door het volksgeweten willen we dan een volksschool geoordeeld zien, die het nationale levensbloed niet in de volksgeschiedenis kan doen stroomen.

Is de bloei van het huislijk leven steeds Holland’s roem en eere geweest, door Holland’s volk moet dan het pleit beslist worden, of de uitslijting der huislijke eigenaardigheid, en daarmeê de losmaking der huislijke banden, ja ten slotte de uiteenspatting van dat huislijk leven zelf, mag gedoogd. Voelt ieder, dat een school die allen saamvereenigt, zich niet aansluit aan de verscheidenheid van het huislijk leven, geen harmonie daarmeê bewaren, veelmin een kweekplaats van dien huislijken zin zijn kan, door het volksgeweten willen we dan een Staatsschool geoordeeld zien, die het grooter deel van den dag onze kinderen uit onze woningen opeischt, en toch elke familietlrek der geslachten al meer uitwischt, den eigen aard van gezin en levenstrant doet verbleeken, een eenvormige leiding aan allen geeft, en daardoor de vorming van een eigen karakter, en dus de stichting van een eigen huisgezin, dat meer dan nominale waarde bezit, niet bevordert maar belet.

Voorts, aan dat volk, van ouds zoo tuk en fier op het vrije leven zijner burgers, aan dat volk dat nooit dwingelandij heeft geduld, maar voor der burgeren vrijheid zijn burgerbloed vergoten heeft: aan dat volk dat nooit anderen voor zich doen liet, maar steeds zelf deed: aan dat volk van vrije burgers bij uitnemendheid, willen we met beroep op zijn geweten vragen, of het die dooding van zijn levenskracht door de albemoeiing van den Staat mag dulden. Door het geweten van dat burgervolk willen we de vraag beslist zien, of het zich alles, ook het recht op zijn zonen door een bemoeizieken |17| Staat uit de handen laat nemen. En of het dan niet gevoelt, dat de spieren van zijn burgerkracht, door ontwenning aan beweging, verslappen moeten, zoo het, gemakzucht boven plicht verkiezend, althans dát deel zijner eigen werkzaamheid niet terugeischt van den Staat.

Eindelijk, aan Holland’s volk, dat vóór alle andere natiën de leuze van gewetensvrijheid in zijn volksbanier schreef, willen we de ernstige vraag op het geweten binden, of nog langer op zijn erve de vrijheid van geweten voor den minderen burger en voor den arme mag worden verkort? Het is zoo, de mindere burger schrijft geen vlugschrift, den arme onthoudt men op onze kiezers-meetings het woord. Maar het ouderhart heeft sympathiën, het geweten teedere eischen, wier recht, niet mag afgemeten, naar het gebrek waarmeê men worstelt, of de aisance waarin men zich vermeit. En daarom voor mijzelven spreek ik, en meet anderer grief naar eigen overtuiging af. Ik ben ook vader, en dan zeg ik, dat mijn vaderhart lijden, dat men mijn geweten grieven zou, zoo men mij dwong, mijn tweetal zonen, dat God mij gaf, af te staan aan een onderwijs, dat ik krachtens mijn persoonlijk recht, waarvan ik God alleen verantwoording doe, schadelijk acht en verfoei 2). Maar nu, men dwingt mij niet. Vind ik geen school, dan zal ik ze zelf onderwijzen. Ook den rijke dwingt men niet. Die kan het onderwijs naar eigen keus dwingen door zijn geld. Drukt die last den enkele te zwaar, meerderen kunnen zich vereenigen, en men sticht eene bijzondere school. Maar den |18| minderen burger, den arme . . . . voor dien kom ik op, voor dien spreek ik. Hem dwingt men, hem grieft men in ’t ouderhart, hem bindt men het geweten. Of is dan ook niet bij den arme het leven der ouders met dat der kinderen zoozeer saamgeweven, dat het geweten der ouders zelf zich gekwetst moet voelen, bij het onrecht aan de ziel hunner kinderen gepleegd. En als dat dan geschiedt, als de mindere burger, als de arme gedwongen wordt, om, zoo anderer aalmoes hem geen uitweg biedt, óf door eigen daad zijn kind van alle onderwijs te berooven, óf het aan zulk een onderwijs over te geven, waarin, zijns inziens, het ééne noodige ontbreekt, dat wel het hoofd maar niet het hart kan vormen, en daarom strijdt met zijne conscientie, welnu, dan willen we dat Neerland’s volksgeweten uitspraak doe, of het die mishandeling van den minvermogende, die inbreuk op het ouderrecht, die verkorting van gewetensvrijheid, binnen zijn erve duldt.

Godsdienstigheid, prijsstelling op de landshistorie, bloei van het huislijk leven, „selfgovernment” der burgerij en eerbied voor gewetensvrijheid, zietdaar dus een vijftal groote karaktertrekken, waarvan ons dunkt, dat ze in het gelaat onzes volks te diep zijn ingegroefd, om op den duur miskend te kunnen worden. Een vijftal eischen van ons volksleven, die de Staatsschool niet kán bevredigen, en die dan eerst tot hun recht kunnen komen, zoo de gebondenheid der Staatsschool ontbonden, het ontzenuwende protectiestelsel ten lande uitgejaagd en de onbeperkte, volledige vrijheid van onderwijs wordt erkend. Een vijftal levensvragen voor ons volk, die met den volksaard onzer natie onverbrekelijk samenhangen, en die niet door partijgeest gezocht, maar door den nationalen levensdrang in het hart ons ter wille van geheel ons volk naar de lippen worden gedrongen. Welnu, op die vragen, willen we dat Holland’s volk ons zelf een antwoord geve. Zijn antwoord. Een antwoord niet door anderen voorgezegd, maar door het eigen geweten ingefluisterd. Een antwoord niet in de woeling der |19| partijdriften opgevangen, maar met kalmen ernst beraden in het hart. Een gewetens-antwoord dus, van overspanning vrij, en wél gewikt en gewogen voor Hem, aan Wien ook ons volk zijn oorsprong dankt, van wien ook ons volk zijn roeping ontving, en die als Rechter der Natiën ook ons volk eens ter verantwoording roept over zijn zedelijk talent.


*

Met omzichtigheid sprak ik M.H., en wees u met opzet alleen op die trekken van ons volkskarakter, die zóózeer door den polsslag zelf van het nationale levensbloed gevormd zijn, dat ze in elke nieuwe volksformatie de grondtrekken onzer nationaliteit moeten blijven. Veel dat mij op het harte lag, heb ik verzwegen, om alleen die eischen op den voorgrond te plaatsen, waarvan men verwachten mag, dat ze ten slotte door geheel ons volk zullen worden erkend. Van de eigenaardige wenschen, die wij voor ons onderwijs koesteren, werd nog met geen woord gerept. Van de kleur onzer eigen banier liet ik zelfs de flauwste tint niet doorschemeren. Immers, het gold mij dusver niet de vraag, naar het gehalte van onderwijs dat wij zelf voor onze kinderen wenschen, doch naar de gemeenschappelijke basis, waarop het volksonderwijs in zijn vrije schakeeringen, naar den aard van ons volkskarakter moet geplaatst opdat er recht voor allen en vrijheid vooreen ieder zij. Te diep ben ik overtuigd, dat op dit teedere gebied niet aller wenschen kunnen samenstemmen, dan dat ik onzer richting ooit het recht zou geven, haar onderwijs aan anderen op te dringen, of meenen zou, dat een onderwijs, gelijk wij dit voor ons eigen kroost begeeren, voor alle kinderen onzes volks moet worden geëischt. Zal onze strijd dus niet maar om den strijd gaan, en 'hooger doel beöogen, dan het vergiftigen van ons staatkundig leven, het aanblazen der hartstochten en het onderling verbitteren van hen, wier wieg een zelfde erve droeg, |20| men wachte zich dan voor verdere verwarring van de beide zeer onderscheiden deelen der onderwijskwestie, t.w. den voor allen gemeenschappelijken rechtsvorm, en den voor elke richting bijzonderen inhoud, die bij het onderwijs wordt gewenscht.

En waarom ik dus spreek? Waarom ik op onderscheiding dring, en eisch, dat onzerzijds de strijd geheel tot het eerste deel van het vraagstuk beperkt worde? Omdat het feit niet kan geloochend worden, dat onze wenschen niet meer die van allen binnen onze erve zijn, en elke overschrijding van het recht onzer eigen wenschen zich ten slotte tegen die wenschen keeren zou. Omdat elk rechtstreeksch besluit van het oude Holland der vroegere eeuwen tot het Nederland van onze dagen, mij valsch en zonder recht schijnt. Omdat we de oogen niet langer mogen sluiten voor de tastbare waarheid, ons volksleven dat sints ’95 bezig is, een zeer belangrijke gedaantewisseling te ondergaan.

Ik zal u zeggen, wat ik met die transformatie van ons volksleven bedoel.

Toont de geschiedenis ons in de feiten zelf de mogelijkheid, dat eenzelfde volk in den loop der eeuwen, door uitzetting, of inkrimping zijner erve, door wat op eigen bodem of buiten zijne grenzen geschiedt, zijn nationaal karakter zeer merkbaar wijzigen kan, van het volk dézer landen geldt dit bovenal. Zoo moet, wie niet willens blind is, het gewichtig feit erkennen, dat uit de worsteling der Hervormingseeuw een nieuwe vorm voor het nationale leven van Holland’s volk is geboren. Immers omvatte het vóór die eeuw geheel het land, dat zich thans Belgie noemt, ja breidde het tot in Frankrijk’s erve en oostwaarts zelfs op Duitschland’s bodem den omloop zijner grenzen uit, door de worsteling der Reformatie werd een geheel nieuwe staat gevormd, die, vergeleken met het vroegere rijk, tot minder dan de helft inkromp, en waarin het nationale leven zich tot een zevental, niet eenmaal der grootste gewesten, beperkt zag. En waar reeds dit machtig |21| verschil de ontwikkeling van het volksleven een geheel andere richting moest geven, bracht de verandering van godsdienst, de geheel nieuwe verhouding tot het Europeesche statenstelsel, en de ontluiking van weleer verscholen volkskrachten, een zoo volslagen ommekeer in ons volksbestaan te weeg, dat een geheel vernieuwd nationaliteit zich op de puinhoopen van het verledene moest vormen.

Maar nu, hebben wij daarom het volste recht, om onze Roomsche Landgenooten van gebrek aan historischen zin te beschuldigen, zoo ze, alles wat tusschen die Hervormingseeuw en ons ligt, slechts als een tusschenbedrijf beschouwend, van geen transformatie, van geen vernieuwing onzer nationaliteit in den strijd tegen Spanje hooren willen, verblinde ons dan geen gelijksoortig vooroordeel, of ook ons trof hetzelfde verwijt. Eischen we hunnerzijds erkenning van het feit, dat in die eeuw, zoo vol scheppende krachten, een geheel vernieuwde en verjongde natie uit den schoot van ons volk is opgestaan, laat ons dan niet halstarrig zijn op onze beurt, maar worde met heldere bewustheid het onwrikbare feit aanvaard, dat de toen gevormde natie ook thans weer een zeer machtige vervorming ondergaat.

Immers ik heb U slechts vluchtig te wijzen, op de inlijving van het vroegere Generaliteitsland: op de hereeniging met Belgie in den aanvang dezer eeuw: op de ongelooflijke toeneming onzer Catholieke bevolking, die weleer van allen invloed verstoken, nu reeds in aantal en vermogen meer dan een derde deel vormt van den ganschen Staat: op de veel geringere beteekenis die Holland thans heeft voor het Europeesche evenwicht: op den machtigen invloed der revolutionaire staatstheorie en der moderne begrippen, ja, op de geheele metamorphose die schier elke betrekking des levens door de ongelooflijke gisting onzer eeuw ondergaan heeft, — om uzelf tot de erkentenis te nopen, dat ook ons volk, eenmaal in dien smeltkroes geworpen, den ouden vorm van het nationale leven niet |22| behouden kan, en dat een geheel nieuwe volksformatie ook thans de noodzakelijke vrucht van zulk een geweldigen ommekeer moet zijn.

Maar hoe? M.H.! Alsof door nieuwe schepping een geheel nieuwe natie, van ons verleden los, op Holland’s erve moest gevormd worden? O! ik weet het, zoo willen het onze radicalen: nieuw bouwen op het ledig erf waar door alles te sloopen, niets dan ruimte is overgebleven, — maar natuurlijk wie nog met ons aan een volk, als aan een levend wezen, gelooft, wijst dien eisch in naam der geschiedenis, in naam van het onuitdelgbaar volksleven af. Toch is daarmee nog niet genoeg gezegd. Want dit wil abt Brouwers ook niet. Ook hij wil de geschiedenis handhaven, en de nieuwe volksformatie op den wortel van het verleden doen. ontkiemen. Alleen hij neemt dat verleden wat zeer oud. Gij gevoelt, de verleiding daartoe moest den Roomschen priester te machtig zijn. Er ligt een schijn van waarheid in, dat de nieuwe vorm van onzen staat, zoo ge op het aantal Catholieken let, meer op het Holland der Graven, dan op het Holland van Oranje gelijken zal. Er ligt tegenover het drijven van den modernen staat, een wondere kracht en ongelooflijke bekoring, in dat beroep op ons volksverleden. En daarom, het is aan Rome’s volgeling te vergeven, dat hij, door vromen waan verleid, een oogenblik dien zoeten droom dorst droomen. Wij intusschen, min op droomen belust en meer naar werkelijkheid dorstend, zijn nog altijd van meening, dat de nieuwe volksformatie geen product van een eeuwenoud, maar van het jongstverleden zijn moet, en eischen dus, dat de nieuwe kleur die onze nationaliteit zal dragen, uit de elementen, die thans in ons volk aanwezig zijn, door de wrijving des levens zal worden gemengd.

Maar sterker nog dan tegen Rome’s behendige practijk om een drietal eeuwen uit ons volksverleden uit te lichten, protesteert al wat in ons is, tegen het miskennen van |23| geheel ons volksverleden, om een fantasie-staat, van het leven los, naar louter wilkeur te scheppen. Neen, ook bij de machtigste vervorming onzer nationaliteit blijft het steeds hetzelfde volk. De vorm van Holland’s leven moge wisselen, maar Holland’s volk blijft. Zóó was het voor een drietal eeuwen. Want voor den bouw der Vereenigde Republiek, heeft het Nederland van het Bourgondisch Gravenhuis de stof geleverd, en de diepste karaktertrekken van het Holland der middeneeuwen vindt ge, hoe ook gewijzigd, bij het hervormd volk van Utrecht’s Unie terug. En zoo moet het ook thans zijn. De nationale kleur, die de nieuwe volksformatie dragen zal, mag niet naar gril en luim uit de staalkaart der moderne idé’s gekozen, maar moet aan de nationaliteit van het Holland der Hervormingseeuw worden ontleend.

Daarom moet onze strijd heftig en onverholen zijn, tegen de geestdrijverij der revolutionairen. Hun immers zweeft een modelstaat voor oogen, een schepping hunner eigen fantasie, vrucht eener abstracte gedachte, en zonder te letten op onze volksgeschiedenis, zonder waardeering van de verschillende elementen, die thans ons volksbestaan uitmaken, zonder oog voor de werkelijkheid van het leven, misbruiken zij de gemengde school om ons nationaal karakter, van zoo heldere kleur, in een kleurlooze type te doen verbleeken. Het onloochenbare feit, dat de elementen, waaruit ons volk bestaat, in zeer sterke gisting verkeeren en in doodelijken strijd worstelen om den voorrang, wordt door hen aangegrepen, om hun kleurloos type als voor allen aanneembaar, om hun kleurlooze school als de veilige tente aan te prijzen, die allen vrede biedt en rust. En hun bedekte vijandschap tegen de bijzondere school, ze is in den diepsten grond alleen uit het instinctmatig besef te verklaren, dat door de bijzondere school het volksleven zijn eisch zou doen gelden, en een krachtig opwaken van de levenselementen, die in ons volk sluimeren, hün geliefkoosd ideaal, den model-staat der fantasie-natie, voor altijd zou verdagen. |24|

Wij daarentegen eischen voor elk bestanddeel van ons volk volledige vrijheid, onbekrompen recht, om naar zijn getalsterkte en geldelijk vermogen, naar zijn zedelijke kracht en de geestesgave, die het in zich draagt, op de nieuwe volksformatie in te werken. Elk historisch-geworden element van ons volksleven, moet naar luid onzen eisch, in de herboren nationaliteit zijn terug te vinden, hoe ook gewijzigd en beperkt. Ons gereformeerd volk vooraan, maar evenzeer onze Katholieke landgenooten, de mannen van het oude „Nut” zoowel, als het jonge Holland, noem het modern of radicaal, kortom elke groep elke richting, moet kunnen meêbouwen aan het nieuwe huis, waarin Holland’s volk wonen zal. Alleen zóó kan ons volk vervorming van zijn leven ondergaan, zonder voorloopig in zelfmoord te berusten, in afwachting van het nieuwe volksmodel, dat het uit de hand der wijzen onzer eeuw ontvangen zal. Juist omdat we geen vervorming van ons volk naar afgetrokken begrippen willen, maar door de krachten, die in het volksleven zelf woelen, bestrijden we elken dwang, die het uitkomen van eenig deel van het volksleven belet. En daarom, dus beroepen we ons op het volksgeweten, opdat ons volk, niet langer door wijsgeerige theorie misleid, ophoude zonder zelfbewustzijn zulk een gewichtig tijdperk van zijn volksbestaan te doorleven. Op het volksgeweten, in naam en ten behoeve van alle elementen onzes volks, opdat aan elk dier elemen ten de vrije loop gegeven worde, om zijn rechtmatigen invloed op de vervorming onzer natie te doen gelden. Op het volksgeweten eindelijk, opdat, bij de gedaanteverwisseling die ons volk onmiskenbaar ondergaat, de zenuw van ons volksleven niet worde doorgesneden, en die diepe grondtrekken van ons volkskarakter niet verdwijnen, waar zonder Holland’s volk zou ophouden van Hollandschen bloede te zijn.


En dan ja, als we eerst door die ontwaking van het volksgeweten, de gemeenschappelijke basis herwonnen hebben, |25| waarop het leven van alle richtingen zich vrij en onbelemmerd uiten kan, dan komt ons beroep op dat volksgeweten in engeren zin, ter bepleiting van die eigen denkbeelden, die onzer richting heilig zijn. Dan willen we met anderen wedijveren, om door zedelijke kracht voor ons element dien invloed op het nationale leven te herwinnen, die krachtens de laatstvoorgaande nationaliteit van ons volk, ons rechtmatig behoort. Draagt onze richting een banier, die tot op Frankrijk’s omwenteling de banier der gansche natie was, we eischen dan met recht, dat ons beginsel zeer sterk zal zijn uitgesproken in de nieuwe nationaliteit, die zich vormt. Maar we vragen dit niet door dwang, niet door begunstiging noch door oogluiking, neen, zedelijk van aard moet onze invloed zijn, zal de heiligheid van ons beginsel niet worden gedeerd. En daarom wenden we ons dus tot het volksgeweten, opdat ons volk, niet meer als onmondige geleid, maar tot zelfbewustheid ontwaakt, de sympathie voor ons beginsel uitspreke, voor zoover het die draagt in het hart. Door een beroep op dat geweten willen we alle zonen onzes volks om ons vergaderen, wier leven met het onze op eenzelfde wortel bloeit. En al weten we dan, dat onze Roomsche landgenooten lijnrecht tegen ons gekant zullen blijven, dat de moderne mannen in staat en kerk uit beginsel ons beginsel zullen weerstaan, dat het hybridische geestesmengsel der mannen van het oude Nut te zeer bezonken is, om nog schifting te gedogen, nogtans leeft ons de dubbele overtuiging in het hart: Vooreerst, dat ons beroep op het volksgeweten om vrijheid en recht voor elke richting, eens door allen zal gezegend worden, omdat ze allen te goede komt, en voorts, dat zoo men ons de klem maar van den mond durft nemen en ons vrij tot het volksgeweten spreken laat, onze richting de machtigste factor blijken zal der herboren nationaliteit.

Dat men dit niet durft, hoe gaarne men ook den schijn aanneemt van het wèl te durven, is een bewijs dat men ons vreest, en die vrees een ongevraagde hulde aan de kracht die |26| in ons beginsel schuilt. Men onthoudt ons onze vrijheid, omdat de moderne staatsidé te weinig wortel in het volksleven heeft, om zonder bescherming te kunnen leven. Men moet uit zucht naar zelfbehoud den „vrijverklaarden” burger boeien. Men moet om in theorie de „rechten van den mensch” te kunnen handhaven, geweld plegen aan het natuurlijk recht der individuen. Men moet om het „welzijn van den Staat” te bevorderen, dwang uitoefenen op het nationale leven. Want dat speurt het radicalisme aan zijn eigen ijlheid wel, dat ons volk de revolutieleer alleen zoolang herbergt, als ze incognito bij ons vertoeven wil, en alleen daarom de vervreemding van zijn erfpand duldt, wijl het, door schijn misleid, niet aan zelfverweer kan denken.

Aan dien valschen toestand een einde te maken door uitruiling van onze geloofsbrieven met die der revolutieleer, ziet, dat is het wat we dan allereerst met ons beroep op het volksgeweten beoogen. En daarom van het leven onzes volks, dat zich aan de oppervlakte vertoont, beroepen we ons op het leven onzes volk, dat in de diepte der geesten verscholen ligt. Van dat geweten onzes volks willen we het hooren, of dát naar ouden volkstrant is, dat men onze vrijheid aan banden legt en door het decreteeren van een schijnrecht ons deugdelijk recht verkort. Dat volksgeweten doe uitspraak, of dat ooit nationaal kan zijn, dat de vrije uiting der nationale bestanddeelen ter wille van een afgetrokken staatsbegrip worde gesmoord. Ja, door dat volksgeweten willen we het pleit doen beslechten, welke der strijdende richtingen den nationalen toon het best getroffen heeft, welke banier, die aan onze standaard wiegelt of door anderen wordt hoog gehouden, de meest nationale kleuren vertoont. |27|


*

Het „beroep op het volksgeweten” zal dan voortaan ons hoofdwapen in den strijd wezen . . . . en nu gij weet, reeds is dat wapen beproefd, en mag ik er niet bijvoegen, zijn deugdelijkheid gebleken? O! ik begrijp het, omdat ons geloof zoo weinig is, is onzer haast altijd zoo veel. Als door een tooverslag, beelden we ons soms in, dat die ontwaking van het volksgeweten komen moest. En als er dan na jaren strijd, nog zooveel terrein overblijft, dat nog niet werd heroverd, verflauwt vaak onze geestdrift, en sluipt ons moedeloosheid in de ziel.

Maar in ernst, M.H., wie bij ervaring weet hoe langzaam de werking zich openbaart van het zedelijk leven: wie vooral uit de geschiedenis der volkeren leerde, hoe naauwlijks merkbaar het geestelijk leven der volken voortschrijdt, zoolang geen machtige gebeurtenissen het wakker schudden en als grijpen in zijn ingewand: wie i.e.w. niet slechts met beden en met wenschen, maar ook met de geaardheid van het zedelijk, vooral met den aard van het volksleven te raden gaat, — neen, gewisselijk, die zal niet klagen noch jammeren, maar eer lof en aanbidding offeren aan den God onzer Vaderen die ons reeds zúlk een overwinning schonk. O! zie terug op den strijd die achter ons ligt, en als ge dan eerst boete hebt gedaan over de zonde onzer eigenwilligheid en onzer jammerlijke verdeeldheid, verkwik dan ook uw ziele eens aan zoo rijken buit als na zoo korten strijd reeds werd uitgedragen. Of is het dan niet als bij de kinderen Israëls, zoo ook in onze kringen, een wassen onder de verdrukking geweest? Is niet de kleine groep van weleer in menigte uitgebroken, en met verdubbelde slagorde uit den strijd teruggekeerd? Dat wolkje, eens als eens mans hand, is het niet tot een zwangere wolk aangegroeid, wier malsche druppelen op het dorstig land zijn neergedaald? En waar zoovelen reeds opstonden, om onze gelederen te versterken, zijn er daar niet nog meerderen, die ja nog nederliggen, maar toch de oogen reeds ontloken, |28| om straks evenzeer aan onze zijde te zijn? Is niet de doodsche stilte van weleer gebroken? heeft men het laaghartig systeem van ignoreeren niet ten leste moeten opgeven? Is het niet mede eene vrucht van onze werkzaamheid, dat thans elke richting als om strijd zich afslooft, om van haar prijsstelling op godsdienst te getuigen, en, zelfs bij monde van den Israëliet, te protesteeren van haar Christelijken zin. Ja, is het dan weinig, zoo vraag ik, dat de heilige zaak van het bijzonder onderwijs waarvoor we het zwaard hebben aangegord, en die eerst als de onzinnige manie eener lichtschuwe secte met meêlijdend schouderophalen werd bejegend, thans na een strijd van luttel jaren, reeds het vraagstuk, „het question” onzer binnenlandsche staatkunde, het sjibbôleth van alle richtingen, het groote pleit geworden is, dat alleen door een hoofdtreffen kan worden beslist? En blijft men ons dan tegenwerpen, dat het meest de lagere volksklassen zijn, die onze kleuren toewuiven, welnu dan hebben we ons antwoord gereed, dat ook juist aan die lagere volksklassen onze schoolwet het grievendst onrecht pleegt, en dat het verschijnsel wel meer is waargenomen, dat hij, wien het onrecht gold, het best de bestrijding van dat onrecht waardeerde.

Maar toch, is onze voorspoed schier ongekend, wacht daarom niet op den dag des tegenspoeds, om het oog voor eigen feilen te openen! Bleek het telkens weer dat ons diplomatisch gekunstel niets, niets ons kunstmatig overleg, maar de kracht van ons beginsel alles vermocht, strijd dan elk in eigen kring, om door een beroep op het volksgeweten dat beginsel steeds meer al uw kracht te doen zijn en elken zegepraal te wantrouwen, waarin niet die kracht overwin. Niet om met lauweren u te tooien, maar om ten bloede toe te strijden, zijt ge als Christenen geroepen. Wie om het kruis niet meer aan de kroon, om het lijden niet meer aan het verblijden gelooft, heeft de diepte des geloofs nooit verstaan. Dan is het ons om ons-zelven te doen, en misbruiken we de rangen onzes volks om onze eerzucht te |29| bevredigen. Wonderbaar verflaauwt dan onze ijver, zoodra ons levensdoel maar is bereikt. Dan moeten we wel haasten, wijl we geen tijd om te wachten hebben, want ons leven is kort. Maar wie niet zich zelven zoekt, maar heilig de zaak van het volk houdt, en die zaak dienen wil, die vraagt niet, of hij de redding zien, maar of er redding voor zijn volk komen zal, en strijdt in den geloove voort, dat nu reeds in de hand des Heeren die redding van ons volk rust.

Voorts, onze offervaardigheid geve van dat geloof meer getuigenis. Zeer zeker, als er mannen als een Lamping opstaan, die smalen op het klein bedrag, dat in de kas onzer vereeniging vloeit en met zelfbehagen het feit vermelden, dat van liberale zijde uit een geheel kanton van Zwitserland, voor zes jaar lang, ruim 9000 gulden ’s jaars voor een school naar hun systeem was saamgedragen, dan verschrikt men ons in Utrecht niet, waar een enkel man ons van dien wedloop ruimschoots troosten en ons de rust hergeven kan, ons door de lauweren van dat Zwitsersche kanton geroofd. Neen, dan achten we dat laster te zijn, waartoe partijzucht verleidt, om alleen dát bedrag te vermelden, en de sommen schats te verzwijgen, die in steden en in dorpen op het plaatselijk altaar worden geofferd. Maar, als we niet meer voor den vijand staan, om de eer onzer zaak te bepleiten, neen, dan is die gemakkelijke overwinning op het geldconservatisme der liberalen ons niet genoeg. Dan hebben we met een hooger eisch, met den wil van onzen God te rekenen, en wijzen we u zeer ernstig op talenten schats, die nog in de aarde begraven bleven, en waarmee gewoekerd moet voor de eer Zijns naams.

Ja, niet alleen op het geldelijk offer dringen we dan niet ernste aan, maar bovenal bestrijden we dan het beginselloos doen van zoovelen in den lande, die ijverend voor de lagere volksklassen, zelven geen gewetensbezwaar schijnen te kennen, om het eigen kroost te zenden naar scholen die niet Christelijk |30| zijn. Met open vizier gorden we dan den strijd aan tegen hen, die uit ziekelijke eenzijdigheid een soort van kloosterscholen stichten willen, waarin wel preutelende preekers van behagelijke ellende, maar nooit mannen voor het vaderland kunnen gevormd worden. Met gewaagde oprechtheid onderdrukken we dan de vraag niet, of allen die op onze scholen onderwijzen, zóó van den geest van Christus doordrongen zijn, dat geheel hun Ievensuiting een uitgaan van Christelijken invloed, een beademing zij van Christelijken geest.

Bovenal dan roepen we u in naam des Heeren op, om al wat dor en onsmakelijk, wat muf en ziekelijk is, bij ons onderwijs, met onverbiddelijken afkeer te bestrijden. Geloof mij, het baat u niet, of ge het bewijs al zoekt te leveren, hoe men voor een viertal eeuwen met uw begrippen een man vol kracht en leven kon zijn, — maar hoe men in onze eeuw, in huisgezin en maatschappij, in staat en kerk, eerst door deze dingen een leven vol bezieling erlangt, dát is het wat ge de kinderen onzer eeuw moet toonen. Niet de bedompte lucht der graven, maar de frissche geur des levens, lokt tot ingaan in uw tente uit. En nu, die frischheid des levens ze ontkiemt niet dan op de wortel des geloots. Geloof in het hart, zietdaar de eenige balsem, die de wonden ook onzer richting helen kan. Hebt ge geloof, dan wacht ge niet tot anderen met u gaan, maar gaat ge al vast zelf. Is het geloof uw levenskracht, dan dankt ge voor het bezit uwer vijanden, om dat juist hun tegenstand u voor uitglijden bewaart. Alleen dan wanneer het geloof uw beginsel is, hebt ge tot een beroep op het volksgeweten recht, en zal God zelf in dat volksgeweten voor u pleiten. En beklemt ook dan nog soms de vreeze u het hart, als de wolken zich zoo donker samenpakken, en ge voort moet, maar zonder het einde van den weg te kunnen meten, ook dán nog blijft ons het gebed, dán gebeden M.H., gebeden, niet dat uw eigen naam geëerd, maar dat de naam onzes Heeren geheiligd worde: |31| dan gebeden, niet om het koningrijkje van uw eigen invloed, maar om het doorbreken in ons dierbaar vaderland van het Koningrijk onzes Gods! 3)




1. Ik blijf dit woord bezigen, ook na de berisping door dien term bij Dr. Lamping beloopen. Maar ik stem toe, dat „godsdienstloos” geen onschuldig epitheton, maar een diep-ingrijpende beschuldiging is. Een „godsdienstlooze” volksschool, is een sacrilège aan het nationale leven gepleegd. Maar juist daarom gebruik, juist daarom bescherm ik die kwalificatie, om door dat scherpe woord ons volk te doen gevoelen, naar wat afgrond het met die (moreel)-onmogelijke volksschool glijdt.

2. Persoonlijk, voor mijn overtuiging, als belijder van het Evangelie, voel ik mij dan ook gekrenkt, door wat Dr. Lamping op p. 66 zijner brochure over vrees voor rationalisme zegt. Zijn slotwoord: „Sluit de school, dat is het allerveiligst; onderwijs niet, dan zal het onderwijs geen rationalisten kweeken,” voegt niet in de pen van den man, die eer levenskwestie voor de ooren des volks bespreekt. Ik treed thans niet in discussie hierover. Maar dat onderwijs en methode van onderwijs hier twee zijn, weet ook de geachte Schrijver te goed, om voor zulk een partijzuchtige satire verontschuldiging te kunnen vinden. Ter wille van ons volk, ter wille der journalistiek, leide hem een betere genius bij zijn nieuwe, zoo gewichtige taak.

3. Aan mijn toespraak viel het zeldzaam voorrecht ten deel, van gerecenseerd te worden, vóór de uitgave. De Kerkelijke Courant, die dusver stelselmatig ignoreerde, wat ik drukken liet, geeft nu critiek, afgaande op een dagbladverslag. Ik mag van de eerlijkheid der redactie wachten, dat ze zelve haar critiek aan de critiek van het gedrukte stuk zal onderwerpen.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004