Vliegend Blad

I-III

Amsterdam (Koninklijke Nederlandse Stoomdrukkerij) 1880


IIIIII

I.

Eleutheropolis, 7 Juli 1880.


Wat er van die Vrije Universiteit aan is, lieve vriend? Indien ge geduld hebt, om een wat langen brief te lezen, zal ik u daar eens precies van op de hoogte helpen.

Een Universiteit noemt men tegenwoordig, wat de menschen vroeger een Akademie noemden, en wat in nog duidelijker Hollandsch genoemd wordt een Hoogeschool. Er zijn scholen voor onze kinderen, die noemt men lagere scholen. Er zijn middelbare scholen, voor de jongelui die hoogerop in de wereld moeten. En zoo zijn er eindelijk ook hooge-scholen voor de studenten, die domin of doctor, advocaat of onderwijzer op gymnasin moeten worden.

Zoo’n Universiteit is dus een inrichting, waar alle wetenschappen en kunsten beoefend en onderwezen worden, en waar men de menschen opleidt, die in hooge posten van Staat en Kerk op zullen treden, om herders der volken en leidslieden der natin te zijn. Dus, zooals ge ziet, een heel gewichtige zaak.

Nu hebben we in ons land al vier zulke Universiteiten: te Leiden, te Utrecht, te Groningen en te Amsterdam. Dat zijn groote inrichtingen. Die hebben een groote menigte hoogleeraren. Die zijn voorzien van prachtige museums. En die kosten schrikkelijk veel geld. Net als de openbare kinderscholen. Maar dat hindert niet, denken die heeren, want dat wordt toch alles betaald uit de staatskas, of uit de stadskas van Amsterdam.

En nu zou men zoo wel zeggen kunnen: „Eilieve, als er al vier zijn, waarom moet er dan in ons kleine landje nog een vijfde bijkomen?” Maar die dat zegt, begrijpt er niets van.

Want wat is het geval?

Er zijn, vooral in Friesland, heel wat dorpjes, waar men het met n kinderschool best af kon, maar er toch een tweede, |2| en, als er ook Roomschen zijn, nog een derde bij heeft gebouwd, zonder dat iemand ooit gezegd heeft: „Eilieve, als men het met n af kan, waarom dan een nieuwe school gebouwd?”

Want, weet ge, dt begrepen de menschen heel best, dat er die tweede school bij moest komen, doodeenvoudig omdat in die Staatsschool de Heere Jezus geen Koning meer was.

En precies zoo nu is het met die Vrije Universiteit.

Als aan de Rijks-Universiteiten de levende God nog in eere werd gehouden en de Heere Jezus en zijn Woord nog den toon aangaf, och, dan was het niets; dan zou men het met die Staatshoogescholen best doen kunnen, en zou het geld vermorsen zijn, om er nog een vijfde, vrije, Universiteit bij te gaan bouwen.

Maar, lieve vriend! heb je er wel eens over nagedacht, hoe heel anders het daarme staat?

Ge kunt de posten, ambten en betrekkingen in het land niet beter vergelijken dan bij het aderenweefsel in een menschelijk lichaam. Op dezelfde manier als in ons lichaam langs en door de aderen het levensbloed zich heen beweegt, zoo zijn al die overheden, machten en invloedrijke betrekkingen de kanalen, waar het levensbloed der natie door heen gaat. Nu begrijpt ge toch, als iemand op de plek, waar uw aderen hun voeding uit ontvangen, vergif in plaats van goed voedsel aanbracht, dat dan het heele lichaam te gronde zou gericht worden. En zoo immers moet nu ook de natie wel ten verderve gaan, indien op de Hoogeschool, van waar uit al de vertakkingen van het aderenweefsel onzes volks uitgaan, in plaats van Christi geest, een tinctuur, die van Jezus aftrekt, in het levensbloed wordt gedruppeld.

En dat dit geschiedt, dat is toch zoo klaar als de dag. Daar valt toch niet tegen te spreken.

We hebben nu aan al onze vier Academies sam zoowat een goede honderd en vijftig hoogleeraren. En weet ge hoevelen er nu onder die honderd en vijftig zijn, die de oude Waarheid naar Gods Woord belijden? Allen samgenomen, en er zelfs bijgerekend wat er wezenlijk niet eens meer bij hoort . . . op zijn allerhoogst dertien. En om het nu nog eens sterker uittedrukken: laat nu de godgeleerde mannen er eens af, en weet dan wel, dat er van die dertien nog tien wegvallen, zoodat er voor al de overige faculteiten aan vier |3| academin, d.i. dus voor zestien faculteiten, net drie mannen overschieten, die nog bij de orthodoxen zich aansluiten, t.w. de H.H. de Geer, Gratama en Valeton van Groningen.

Onder al die andere professoren zijn er nu nog wel een paar, die er nog zoo wat op staan, om niet alles weg te werpen. Maar als ge hutje en mutje samen neemt, dan kunt ge er toch vast van op aan, dat er minstens honderd twintig op de honderd vijftig zijn, die onzen lieven Heiland voor niets hooger dan voor een braaf mensch houden; die meenen dat ze uit de hoogte op onzen goeden Bijbel mogen nerzien; en die in al hun boeken en bij al hun onderwijs vlak tegen het volk Gods en den dienst des Heeren ingaan.

Zie dan ook maar eens, wat er van komt.

Een doctor te vinden, die nog zijn knien voor Jezus buigt, is al een heele witte raaf. Hoe onze advocaten en overheidspersonen er over denken, moet ge Zondags in de hooge kerkbanken maar eens zien. Op al onze gymnasien sam zijn misschien nog hoogstens een tiental mannen, die tegen den stroom opworstelen. En als ge bij ingenieurs, scheikundigen en dat slag menschen komt, dan merkt ge al heel gauw, dat ze met hun vrouwen en kinderen totaal en volslagen zich van alles wat nog op God en zijn dienst betrekking heeft, hebben afgewend.

En reken nu toch eens na, waar dat op uit moet loopen!

Die professoren, dat weet ieder, hebben op de studenten een overwegenden invloed. In Leiden, onder Scholten, werden negentig van de honderd studenten modern, en in Utrecht onder Oosterzee worden negentig van de honderd in allerlei graden orthodox.

Al dat zwetsen, dat, de jongelui zoo zelfstandig zonden wezen, is dan ook niets dan praatjes.

Voor enkele heel fiksche jongelui gaat dat door. Maar niet voor de groote hoop. Die worden wat hun professors van ze maken. En zoo ziet men dan ook, dat de jongelui, die van deze ongeloovige hoogescholen af komen, hetzij dan als doctors of als advocaten, bijna tot op n toe, allen even ongeloovig piepen als de ouden (ik bedoel de professors) zingen.

En wordt dit nu toch niet langzamerhand een schrikkelijke toestand?

Voor ons goede geld vier groote Universiteiten onderhonden, die twee, drie ton ’s jaars elk kosten, en dan te moeten |4| zien, hoe de ergste godloochenaars daar de eerste viool spelen, en al onze jongelui, de bloem der natie, waar naderhand alle posten me bezet moeten worden, aldus overgeleverd worden, aan een stelselmatige ondermijning van hun Christelijk geloof, en ze te zien bewerken in een totaal onchristelijken geest, die hun conscientie voor Gods Woord toeschroeit?

Want weet nu wel, dat al die jonge mannen, naderhand als een stroom over heel het land uitgaan, om als burgemeester of notaris, als Minister of Kamerlid, als docter of advocaat, op alle manier in het dagelijksche leven ons arme volk van zijn God af te trekken en het Koningschap te ontzeggen aan Jezus onzen Heer!

En nu zou ik u toch willen vragen, lieve vriend, als de zaken z staan, mogen we dat dan na zoo maar gaan laten?

Zouden we verantwoord zijn voor den Heere onzen God, indien we dat maar zoo lijdelijk aanzagen, hoe men ons volk aftrekt van Zijn dienst en eere?

En heeft onze Heiland, heeft onze dierbare Jezus dat aan ons verdiend, dat we Hem op zoo brutale manier het hart van ons volk ontstelen laten?

„O, mijn volk, wat heb Ik u gedaan, dat ge Mij de eerekroon, die de Vader Mij reikte, ten tweedemale voor een doornenkroon wilt uitruilen?” liet een oud Kerklied den Heiland klagen.

Lieve vriend, laat ons eens ernstig worden. O, het is mij soms te moede, of ik den Heere op denzelfden toon over ons arme Nederland hoor klagen!

En als die Vrije Universiteit op die klacht van den Heiland nu eens een antwoord der verootmoediging en der hope zocht te geven, zou ze dan nog wel zoo heel kwaad zijn?

Ik denk, al wie den Heiland liefheeft, moest haar dan liever steunen met alle macht en alle toewijding.

Een volgende week meer hierover.

Nu kan ik niet langer.

Lieve vriend, laat ons bidden voor ons arme volk, dat het geen Icabod worden moge!

Gij weet hoe ik teeken:


Een man van het drievoudig snoer.


*


II.

Eleutheropolis, 21 Juli 1880.


Vriendlief, ik kom een week te laat met mijn tweeden brief, en, wat nog erger is, ik zal zelfs in dezen brief niet alles kunnen afpraten. Mag ik daarom rekenen op uwe inschikkelijkheid? Ik vat maar aanstonds de draad wer op, waar ik die voor veertien dagen liggen liet.

Niet dat ik me in Bronsvelds geschil ga mengen. Zijn antwoord op Kuypers Bede loopt over allerlei ditjes en datjes, maar glijdt over de hoofdquaestie, die voor ons arme volk in het spel is, met een ijskoud hart heen.

Er worden heel wat vreemde boeken te pas en te onpas in aangehaald, maar de groote vraag, die mij altijd op het harte weegt, namelijk: wat moet er gebeuren om de herders en leidslieden van ons volk aan dien verderfelijken invloed van de hoogere Staatsscholen te ontrukken en wer terug te brengen tot den Christus? daarover spreekt deze altijd scherpe man geen woord.

Hem te antwoorden, laat ik dus, als het noodig is, stil aan Kuyper zelf over, en kom maar dadelijk wer op de Vrije Universiteit zelve.

Waarom, zoo vraagt ge me, moet dat nu een Vrije Universiteit heeten? Waarom moet dat vrije er bij? Was Universiteit niet genoeg, ja, niet zelfs reeds te veel? En zou het niet eenvoudiger en stiller bij den weg zijn geweest, indien de mannen, die met die zaak bezig zijn, hun inrichtingje eenvoudig genoemd hadden: b.v. een Athenaeum of een Illustre School, zooals ze vroeger in Deventer en Amsterdam hadden?

Welnu, lieve vriend, ook daarop wil ik u wt graag antwoorden en ik ben zelfs blij, dat ge mij die vragen voorlegt; want ze worden toch zoo van alle kant in ’t oor gefluisterd, dat ze te bespreken nog maar het best is. Komt men er ook u dan soms wer me op het lijf, laat dan die lastige bedillers maar gerust mijn brief lezen.

En om nu maar eerst op dat „vrije” te komen, zeg eens, lieve vriend, heb je dan niet al voor jaren gehoord, datin alle couranten, op allerlei soort van vergaderingen, en door mannen |2| van de meest uiteenloopende richting, altijd van de Christelijke school als van een Vrije school gesproken werd?

Wat de stad of het rijk bouwde, dat noemde men Staatsscholen, en wat particuliere Christenen op het touw zetten, dat heette dan ter onderscheiding: de Vrije school. Krek eveneens als men in den oorlog tegenover Staatstroepen spreekt van een vrijcorps, dat door particulieren is aangeworven, zoo begrepen ook onze Christelijke onderwijzers van de vrije school tegenover de openbare school te moeten gewagen.

En nu, ik vraag u toch, als nu niemand ter wereld er iets in vindt, dat de kinderschool in dien zin een vrije heet, waarom zou de studentenschool dan ook niet genoemd mogen worden een Vrije Universiteit?

Let er toch wel op, vriendlief, dat een school een school blijft en dat het in hoofdzaak precies even zoo toegaat met een lagere als met een hoogere school; en als ik zeggen zal wat ik meen, dan is niets me zoo onverklaarbaar, als dat er menschen zijn kunnen, die het vuur uit hun sloffen loopen om de lagere vrije school in eere te houden, en die niets dan gal spuwen of den Gallio spelen, als er sprake is van de hoogere vrije school.

Hoe is zoo iets toch mogelijk?

Zit er dan geen consekwentie bij de menschen meer in, dat ze zoo vierkant zichzelf kunnen tegenspreken?

Wie heeft het ooit goed kunnen praten, dat men eerst tot den Staat zou zeggen: „Hoor eens, Staat! schoolmeesteren mag je niet. Voor het leeren van een boerenkind ben je onbekwaam”; — en dan wer, als het op hooger onderwijs aankwam, tot dienzelfden Staat zou gaan zeggen: „Van de lagere school afblijven! Maar de hoogere school, daar is de Staat wel terdege berekend voor! Dat gaat best!”

Begrijp jij zulke menschen?

Ik niet.

Dat is met twee pannetjes bakken; meten met twee maten; geven en nemen tegelijk.

Daar pas ik voor.

Neen, neen, hoor eens, vriend! We moeten kiezen of deelen.

De Staat kan wl schoolmeester zijn of kan het niet. En nu we eenmaal met ons driemaal honderdduizend aan den Koning gezegd hebben: „De Staat kan het niet!” nu moet dat ook zoo blijven. Een man een man, een woord een woord. Ook het hooger onderwijs moet Koning Jezus dienen, en om het daartoe te doen strekken, is de godsdienstlooze Staat onmachtig, onbekwaam.

En, weet ge, als ik zoo van die menschen hoor, die zeggen: Van de lagere school moet de Staat afblijven, maar de hoogere |3| die mag hij voor mijn part houden, zooals nu Bronsveld wer komt vertellen, dan heeft dat er voor mij heel veel van alsof een moeder, die een kind van zeven en een jongen van achttien jaar beiden ziek had liggen, tot een slechten doctor zei: „Hoor eens, doctor, mijn kind van zeven jaar, daar moet je van afblijven. Om dat te behandelen, ben je onbekwaam. Maar dien jongen van achttien jaar, probeer daar je kunsten maar op. Die komt er niet op aan!”

En nu moet ge niet zeggen: „Maar er is dan toch nog verschil tusschen zoo'n dorpsschool en zoo’n hoogeschool!” Want, kerel, dat weet ik ook wel. Heel veel verschil zelfs. Maar om het nu maar eens ronduit te zeggen: een verschil, dat het voor de hoogere school juist nog veel erger maakt in plaats van beter.

Laat me je maar eens op drie principale punten wijzen.

Vooreerst bestaat er bij de lagere scholen nog een klein waarborgje, dat er niet publiekweg tegen God en zijn Gezalfde zal worden uitgevaren. Want het heet immers, dat men andersdenkenden niet mag ergeren.

Maar op de hoogere school is er die waarborg volstrekt niet. Daar mag ieder professor zeggen wat hem goeddunkt. En de arme studenten moeten er maar aan gewaagd.

Ten tweede weet je ook wel, dat de Staat op de lagere school geen bepaald onderwijs in den godsdienst laat geven. Maar op de hoogere school is ook dat heel anders. Want daar stelt de Staat juist mannen, om den godsdienst te onderwijzen, naar eigen goeddunken aan.

En daar komt dan nog ten derde bij, dat ik altijd geloof, dat er (ik zeg niet voor hun zielen maar) voor het land heel wat meer me bedorven wordt, als al die invloedrijke personen van doctors, burgemeesters, enz. naderhand vijandig tegenover Gods volk staan, dan dat hier en daar ongeloof gezaaid wordt onder de arbeidslui. Ook dat laatste is wel heel schrikkelijk. Maar, wat dunkt je zelf, vriendlief, doet een verkeerde burgemeester op een dorp niet meer kwaad, dan een verkeerde boerenarbeider?

Ge ziet dus wel, dat ik met heel mijn hart toegeef, dat er een heel verschil tusschen zoo'n lagere en zoo’n hoogere school is; maar ge ziet nu k wel, dat dit verschil er juist toe leidt om te zeggen: „Ook al mocht de Staat de lagere school wel in pacht hebben, hem de hoogere school als een soort van monopolie te geven, mag nooit.”

Zoo’n academie, die niets geen waarborg oplevert voor neutraal blijven van den professor; waar de dingen van den godsdienst wel degelijk, en breed ook, moeten behandeld worden; en waar de invloedrijkste personen van steden en dorpen vandaan |4| moeten komen, lieve schepsel, hoe komt men er toch toe, om van zoo’n school te zeggen: „Och, dat doet er niet toe of die voor of tegen Koning Jezus werkt. Dat is maar voor de geleerde lui!”

Neen, mijn lieve vriend, zoo mag ik voor God niet spreken. En wil ik je eens wat zeggen: Als de vrienden het maar eens hadden kunnen worden, om er dat leelijke woord „Gereformeerd” af te laten, dan zou je eens gezien hebben, hoe al die halve mannen wat warm me hadden gedaan.

Ze hebben het zelf verklapt.

In dat „Gereformeerde” zit het eiereten. Maar juist daarom is het dan ook zoo leelijk, dat ze anders praten als ze het meenen.

Zie het aan onze Christelijke onderwijzers maar. Die begrijpen de zaak best goed en doen bijna overal met wat een ijver me.

En wat je nu zegt van die Universiteit, och, lieve vriend, wil ik je eens wat zeggen: Voor zooveel ik die mannen ken, die de zaak op touw hebben gezet, begrijpen ze zelf beter dan iemand, dat het nog heel wat scheelt eer het een Universiteit naar behooren zijn zal, en zouden ze zelf, o zoo graag, een stiller naampje gekozen hebben.

Maar hoor eens, kerel. Als een heer, die een bosch heeft, een eikenlaan wil aanleggen, dan poot hij kleine stekken of trekt ze van eikels. En dan weet die man ook wel, dat zoo’n klein eikeltje eigenlijk nog niets heeft van een zwaren, taaien eikenboom. Dat spreekt van zelf! Dat begrijpt een kind ook wel. Maar als iemand nu eens zeggen ging: „Dt eiken! dat zijn maar stekjes. Die mag je geen eiken, die moet je anders noemen!” — dan ja, zoudt ge toch ook zeggen, denk ik: „Ja, lieve vriend, maar klein of niet klein, een eik moet nu eenmaal een eik heeten!”

En zoo nu is het ook met deze Universiteit.

Even een eikel in den grond! Nog niets meer.

Op zijn best een stekje.

Maar gepoot onder Gods zaligen hemel, opdat Die het stekje groeien en gedijen doe!

Begrijp je het nu?

Op uw andere vragen zal ik u later wel eens antwoorden, en hebt ge nog meer op het hart, zeg het gerust. En hoor je anderen er tegen redeneeren, schrijf me dat ook maar eens.

Heilbiddend,


Uw trouwe vriend,


De man van het drievoudig snoer.


*


III.

Eleutheropolis, 13 Augustus 1880.


Bijzonder groot genoegen, lieve Vriend, hebt ge me gedaan door eens terug te schrijven, en flinkweg te zeggen, wat U in mijn schrijven nog niet duidelijk was of er niet bij U in wilde.

Vooral wat ge over professor Gunning van Amsterdam schreeft, was me wezenlijk een pak van het hart. Want een ander vriend had er me ook al opmerkzaam op gemaakt, dat ik Gunning bij abuis had vergeten op te noemen onder de Christusbelijders, en ik wist heusch niet, hoe die fout te herstellen. En zie, nu komt ge me daartoe zoo ongezocht gelegenheid geven, door uw voor de hand liggende vraag: „Of er, behalve de professoren de Geer van Utrecht, en Valeton en Gratama te Groningen, toch niet nog een enkel hoogleeraar te Amsterdam veel ter kerke kwam en met de goede zaken medeed?”

Natuurlijk haast ik mij, U daarin volkomen gelijk te geven. Ook professor Gunning te Amsterdam behoort tot die weinigen in den lande, die met moed en energie voor de belijdenis van Jezus uitkomen, en hij is zelfs een man, die meer dan eens toonde, zijn naam en tijd en geld voor de dingen van Gods Koninkrijk over te hebben.

De weglating van zijn naam was dan ook niets, dan een pure vergissing, alleen daaruit voortkomende, dat ik een oogenblik alleen aan de drie Rijks-universiteiten had gedacht. Laat die fout hierme dus hersteld zijn. En, wilt ge, laat me ten overvloede er dan nog den naam van den hoogleeraar Brill te Utrecht bijnoemen, die wel nooit op Christelijke vergaderingen zich vertoonde en zich nooit aansloot, maar toch Bijbellezingen uitgaf, die alleszins van goede intentie blijk gaven.

Och, ik had misschien beter gedaan met heet maar geen namen te noemen! Aan de zaak als zaak doet het toch niets af. Want een feit is en blijft het; en dat feit kan niemand tegenspreken; dat er op de anderhalf honderd professoren, die Staat en stad ten onzent betalen, minstens een honderd twintig zijn, die overal en op alle manier toonen, dat ze niets, van een belijdenis van Gods Woord weten willen. Daarme is natuurlijk niets over die menschen ’er hart gezegd. Dat zal God oordeelen. Maar bij een professor heb ik wel ter dege te maken met wat hij leeraart, met wat hij in zijn geschriften en op |2| zijn colleges belijdt. En dat nu is volstrekt geen geheim. Daarvan kan elk lezer en hoorder zich overtuigen, en daarvan mag en moet dus wel wezenlijk-worden uitgesproken, of dat belijden voor Jezus roept of tegen Jezus ingaat.

Vooral bij leeraren aan hoogescholen moet ge daarme rekenen, meer zelfs nog dan bij de onderwijzers op de lagere school. Want, vergeet niet, vriendlief, dat er bij de lagere school dan altijd nog een soort waarborg is, dat de onderwijzers „de gevoelens van andersdenkenden niet krenken mogen”; terwijl het bij een professor heel en alleen op zijn eigen overtuiging aankomt. Als een professor aan een Staatsuniversiteit toch goedvindt, de jongelui b.v. te vertellen, dat zelfs de zondeloosheid van Jezus slechts een fabel is, dan kan ons arme volk daar niets tegen doen.

Uw andere opmerking doet me nog meer genoegen. Ge vraagt me namelijk, of ik wel zoo zeker weet, dat de meeste heeren tegen de Vrije Universiteit alleen drom zoo fel te werk gaan, omdat ze „op Gereformeerden grondslag” rust? Of ik wel recht had, te zeggen, dat de heeren, die er publiek tegen schrijven, met hun hoofdbezwaar niet voor den dag durven komen? En of het toch niet beter was, zulke dingen maar blauw blauw te laten?

Ook dat toch zit zoo eenvoudig in mkaar, dat het haast de moeite niet waard is, er een halven brief aan te verspillen.

Ge moet namelijk weten, dat in den eersten beginne maar heel weinig predikanten met hart en ziel instemming voor de zaak betuigden, en dat verreweg de meesten, de n kleine, de andere groote en andere, weer overgroote bezwaren ertegen hadden.

Snuffelt ge nu de brieven zoo eens door, die over al deze bezwaren rekenschap geven, dan is het toch heusch opmerkelijk, dat bijna allen over dat „Gereformeerd” vielen, en dat verreweg de meesten, die er bij slot van rekening tegen gingen staan, over dat „Gereformeerd” juist maar niet konden heenkomen.

Ik moet er u bij zeggen, dat, als ik er zoo in kringen van lieden, die wat invloed hebben, eens over spreken hoor, dat arme woord „Gereformeerd” bijna altijd het gelag moet betalen.

En wilt we nog meer bewijs, welnu, lees dan eens wat Dr. Bronsveld zich in zijn voorlaatste Kroniek liet ontvallen, toen hij ongeveer het volgende zei: Ik ben volstrekt niet inconsequent met vr de vrije lagere school en tegen de vrije hoogere school te zijn; want ik ben op het oogenblik nog wel voor de vrije lagere school; maar weet wel, dat ik van den dag af, dat men ook de lagere school Gereformeerd wou maken, er onmiddellijk voor zou passen.

Nu heeft een goed verstaander in den regel maar een half woord noodig. En indien dit niet meer dan een half woord is, begrijp ik er niets meer van.

Dan schrijft ge ook nog, van een onbekende een wonderlijken |3| brief te hebben ontvangen, waarin op tamelijk kruieniersachtige wijs wordt uitgerekend, wat finantieel buitenkansje het voor de heeren Hoedemaker en Rutgers was, dat ze aan die Vrije Universiteit een aanstelling kregen; en waarin voorts over een pedel Kloppers, en zoo meer, wordt gesproken.

Ook daar nog een woordje over.

De man, die u dat schreef, is blijkbaar volstrekt niet op de hoogte, en komt in zijne onwetendheid het karakter van eerbare mannen te na op een wijze, waar hij zelf van achteren spijt van zal hebben.

Vooreerst toch moet ge weten, dat al lang geleden een heel ander tot pedel benoemd is, en dat de heer Kloppers volstrekt geen pedel-diensten doen zal, maar amanuensis, d.i. zooveel als gesalarieerd secretaris der Vereeniging is geworden; wat men vroeger noemde Academiae notarius.

En ten andere moet ik u van dat finantieel praatje zeggen dat die jonge man, die u dat schreef, blijkbaar niet weet dat b.v. Dr. Rutgers wel een vol traktement ontvangt, maar ’s jaars hiervan f 2000 aan de Vereeniging cadeau doet.

Precies b.v. als onze zalige Groen van Prinsterer, die als Kamerlid zich natuurlijk ook zijn tractement liet uitbetalen, maar er zooveel als hem goeddacht van teruggaf.

Weet men nu, dat Dr. Rutgers als predikant, met de vacatuurgelden er bij, minstens drie duizend gulden inkomen had; en nu feitelijk, om het pensioen, nog minder trekt; daargelaten nog wat hij als inschrijver voor de zaak gaf; dan zal die man, die het karakter van een man als Dr. Rutgers in een hatelijk daglicht wo plaatsen, toch van achteren zelf inzien, dat hij te ver ging; en gij, lieve Vriend, zult me toestemmen, dat ge bij het geschrijf van een man, die er zoo niemendal van toont te weten, u heusch niet hoeft op te houden. Want ook van Dr. Hoedemaker zou ik u wel kunnen aantoonen, dat ook hij van gelijke condities blijft. Maar waartoe al die kiesche zaken publiek besproken?

Bedroevend vind ik vooral ook wat die man, naar uw zeggen, schreef over het Godsbestuur. Naar zijn voorgeven moest men de beslissing, of een student vr of tegen Jezus zou kiezen, maar aan de werking van den Heiligen Geest overlaten. De hoogeschool deed daar niets toe. Te Leiden onder Scholten kon God de Heere een mensch even goed in het hart grijpen, als te Utrecht onder Van Oosterzee. Zoo had dus Prins Willem de jongelui maar naar Leuven moeten zenden!

Zie, daar hebt ge nu dat nare valsch-Gereformeerde weer waar onze vaderen altijd zoo tegen gewaarschuwd hebben. „Werp u zelven maar van de tinne nederwaarts; want God zal wel zijn engelen zenden, om te zorgen dat ge uw voet aan geen steen stoot.”

Jezus antwoordt daar eenvoudig op: „Gij zult den Heere |4| uwen God niet verzoeken!” En daar hielden onze vaderen het bij. En ik hoop, lieve vriend, dat ook uw hart daar bij mag vallen.

O, zeker! als er niet anders is; als het moet; als het niet anders kan; dn vertrouwt een geloovig ouder, dat God zijn zoon ook te Leiden wel bij zijn Woord zal kunnen houden; en de uitkomst toont, dat God de Heere meer dan eens het gebed van zulke ouders verhoort.

Maar dat weet ge ook wel, mijn vriend: een goed Gereformeerde gaat op dien grond dan eerst bouwen, als hij eerst den weg der middelen heeft afgeloopen.

Zoo heeft Groen, zoo heeft Heldring, zoo hebben dusver al onze mannen gedaan.

Ze hebben volstrekt niet gezegd: Och, laat die tobbers van kinderen maar in die slechte omgeving, God kan in een slecht huis iemand even goed bekeeren als in een vroom gezin; maar ze hebben Talitha-Kumi gesticht, om die verwaarloosde kinderen een betere opvoeding te schenken. Ze hebben niet gezegd: „Laat die kinderen maar op de godsdienstelooze Staatsschool. Een kind bekeeren is toch Gods werk.” Neen, maar ze hebben aparte scholen gesticht, om in gehoorzaamheid aan God aan de vorming van onze natie te arbeiden.

En zoo, nu ook zou het heel ongereformeerd zijn, om te zeggen: „Och, die Rijkshoogescholen zijn goed genoeg; want of die jongelui voor of tegen Jezus zullen kiezen, hangt toch alleen van den Heere af;” en zullen we dn alleen trouw aan Gods Woord worden bevonden, indien we een Godzaligen opleidingskring voor onze jongelui geopend hebben, waarin ieder vallen moet voor het Woord van Jezus: Zonder Mij kunt gij niets doen! en waar men in den naam van Jezus om den zegen Gods durft bidden.

En wat ge ten slotte zegt, dat de tegenstand zoo van alle kanten toeneemt, och, lieve vriend, zijt ge dan een vreemdeling in Jeremia 20 geworden, of denkt ge dat de Pashurs de wereld uit zijn?

De Hervormers klaagden er k altijd over, dat alle golven en baren tegen hen aanbruisten.

Groen heeft het precies evenzoo ondervonden. Van zijn vrienden niet het minst!

Wat hebben ze nog in onze eeuw aan mannen als Brummelkamp en Kohlbrugge niet gedaan?

Maak u daar dus, heusch, maar niet ongerust over!

Haast zou ik zeggen: veel tegenstand is nog zoo kwaad niet. „Hoe meer ze verdrukt werden, hoe meer ze wiessen,” is een troostwoordje, aan Gods volk niet onbekend.

Tot weerzien, den Herder der zielen bevolen door


Uw vriend,


De man van het drievoudig snoer.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001