De verflauwing der grenzen

Rede bij de overdracht van het rectoraat aan de Vrije Universiteit op 20 October 1892 gehouden

door Dr. A. Kuyper

Amsterdam (J.A. Wormser) 1892

a



Hoogeerzame Heeren Directeuren onzer Vereeniging,

Hoogachtbare Heeren Curatoren deer Hoogeschool,

Hooggeleerde Heeren Hoogleeraren,

Zeergeleerde Heeren Doctoren in onderscheidene wetenschappen,

Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,

WelEdele Heeren Studenten,

En voorts gij allen, die van wat naam of rang ook herwaarts opkwaamt, om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren,

Zeer geachte en zeer gewenschte toehoorders,


Ook onze oostelijke naburen bezitten thans hun Multatuli in Nietzsche. Een schrijver, die bij Douwes Dekker niet achterstaat noch in het wegsleepende van zijn aphoristischen stijl, noch in de stoutheid zijner conceptiën, noch in het driest-radicale van zijn ongeloof, en die hem in diepte van opvatting en systematische denkkracht zeer verre overtreft. Beider levenspositie verklaart dit. Multatuli was Indisch ambtenaar, Nietzsche te Bazel hoogleeraar in de philosophie 1). Maar overigens vertoont ook beider succes een gelijksoortig karakter; want vooral voor „de aankomende jongelingschap” werd Nietzsche in Duitschland de opgaande zon; ten deele vroeger reeds, maar vooral na het uitkomen van zijn werk: Also sprach Zarathustra 2). Men verslindt, men citeert, men bewierookt hem. Heine en Feuerbach hebben afgedaan; Schopenhauer verveelt; alles is thans Nietzsche geworden. — Nu is ook deze Duitsche Multatuli natuurlijk volstrekt geen vriend van de toongevende kringen op wetenschappelijk en staatkundig gebied. Veeleer steekt hij even dapper den draak met Duitschland’s professoren en staatslieden, met zijn kunstaanbidders en Mammondienaars, als met de kalot |6| van den priester en het koord van den asceet 3). In de periode, die we thans doorleven, bespeurt hij niets van vooruitgang; vrij sterk zelfs klaagt hij over achteruitgang; en zijn lang niet malsch oordeel luidt, „dat de moderne beschaving al meer daalt; steeds dunner, gestadig zwakker, al middelmatiger is geworden” 4). Maar toch, hoe schamper hij ook het Liberalisme gispt en hekelt, zijn haat heeft hij voor den Christus bewaard. En dat niet enkel voor den Christus van het dogma, om, gelijk Strauss en Renan, aan den Christus van de Bergrede zijn hulde te bieden; want juist die Bergrede stuit hém het meest tegen de borst. Immers toen het „zalig zijn de armen”, het „zalig zijn de zachtmoedigen”, het „zalig zijn ze die treuren”, langs het strand van Genesareth’s meer weerklonk, brak, zoo ge Nietzsche gelooven wilt, in dat wilde roepen „der Sklavenaufstand der Moral” los, en gaf deze Rabbi van Nazareth slechts lucht, aan „de opgekropte wraakzucht”, die de Joden, te midden van hun onmacht, bewoog, om „mit den Zähnen des abgründlichsten Hasses”, al wat geweldig en hoog op aarde was, onder den voet te halen 5). Tegenover het Lam dat de zonde der wereld wegneemt, stelt Nietzsche dan ook zijn dier-symbolen; symbolen van roofdieren, uitroepend: „Wohlan, du solltest meine Thiere sehen, meinen Adler und meine Schlange6); om straks het symbool van het lam, onfijn, in dezer voege door de grooten der aarde te laten bespotten: „Wir sind Ihnen nicht so gram, Ihr, gute Lämmer; wir lieben sie sogar; denn nichts ist schmeckhafter als ein zartes Lamm” 7). En wel erkent hij dat de Christus bijna twee duizend jaren heeft geheerscht, maar om, met demonische satire, het verval van zijn macht te belachen in het beeld van een Christus, die, door de menschen verlaten, naar de grazige weide gevlucht is, en nu, door een kudde tamme koeien omringd, zijn spreuk uitloeit: „Zoo gij u niet bekeert en wordt als deze koeien, kunt gij in het Koninkrijk der hemelen niet ingaan” 8).

Desniettemin heeft ook deze hater van den Christus zijn Messias-ideaal; alleen maar de Messias, waarop hij hoopt, is de Antichrist; een soort Uebermensch, gelijk hij hem noemt, die in alles het tegenbeeld van den Christus zal zijn. „Und |7| dieser Antichrist, dieser Besieger Gottes”, die aan de aarde haar doel, aan de menschheid haar hope zal teruggeven, „er muss einst kommen9). Alzoo een persoonlijke Antichrist, in levenden lijve, over God en zijn Messias triomfeerend; en de komst van dit menschelijk monster wordt niet afgebeden, maar ingeroepen, ja, uit de verte met handgeklap als de dageraad van den eeuwigen morgen begroet. Is het niet ontzettend, zulk een rauwen kreet uit de diepte op te vangen als echo op wat de Schrift ons van den Antichrist profeteert? Slechts in één opzicht hapert de parallel. Wat theïstisch bij den apostel geopenbaard is, doemt voor Nietzsche pantheïstisch op, in den weg der Evolutie. Naar de Schrift zal de Antichrist een mensch, „de mensch der zonde”, een geweldig dwingeland op aarde zijn; maar voor Nietzsche wordt deze Antichrist „ein Uebermensch”, geëvolueerd uit den gewonen mensch, die zelf weer uit een Untermensch ontkiemd is 10). Zijn verschijning zal vrucht zijn van wat sinds eeuwen tegen God strijdt. Immers wat men tot dusver „de boozen” noemde zijn niets dan de „Cyclopische Architecten der Humanität” 11). God alleen, en zijn Christus, stond dusver aan de evolutie van dit hooger wezensoort in den weg. Maar nu heeft dit uit. „Nun aber starb dieser Gott. Ihr, höhere Menschen, dieser Gott war ihr gröszte Gefahr. Seid er aber im Grabe liegt, — nun erst kommt der grosze Mittag, nun erst wird der höhere Mensch . . . Herr12).

M.H. in een tragisch-profetisch oogenblik ontgleden eens aan de pen van Nietzsche deze woorden: „Aber denke über dich selbst nach, Zarathustra. Du selber, wahrlich, auch du könntest wohl an Ueberfluss von Weisheit ein Esel werden” 13). En nu . . . sinds drie lange jaren is Nietzsche waanzinnig geworden, ongeneeslijk waanzinnig, en kwijnt hij geestelijk en lichamelijk weg in een staat beneden het menschelijke. Of hier een oordeel Gods in ligt? Ik beslis het niet; maar wat ik wel doen mag is, u op Nietzsche’s verschijning wijzen, als op de noodzakelijke consequentie van den pantheïstischen storm, die den levensstroom onzer eeuw voortstuwt. Wie eenmaal goed en kwaad, door Evolutie, genetisch saamverbindt; alleen |8| aan wat werd, d.i. aan de macht, het diadeem der eere op het voorhoofd drukt; en in den roes van een altoos doorgaand proces zichzelven bedwelmt; die moet wel uitkomen, waar Nietzsche uitkwam. In Nietzsche komt niet één enkel element naar de oppervlakte, dat niet bij wettige genealogie uit de praemissen van Schelling en Hegel gegenereerd is. Zou het dan niet argeloos zijn, indien wij, die ons onderwonden hebben, den naam des Heeren te belijden, op zoo ontzettend teeken des tijds geen acht sloegen, en niet opmerkten, hoe de ontknooping al naderbij komt? Onze strijd moet thans principieel gevoerd. Een pijlschot uit de verte treft niet meer. Voor het spelend schermutselen onzer apologeten snijdt de tegenstelling tusschen den grondtoon der Christelijke religie en den grondtoon onzer eeuw te diep in het leven in. Wordt de werking van het pantheïstisch gif niet gestuit, dan moet er een zeer snelle afloop der wateren komen. Vandaar de roeping der Christenheid, om, in de hoogere denkwereld vooral, zonder sparen tegen dit kwaad op te treden. En al biedt nu een rede, als ik thans voor u uit ga spreken, geen ruimte voor dit pleit in al zijn omvang, toch wraakt ge daarom mijn pogen niet, zoo ik althans op ééne der vele werkingen van dit gif uw aandacht ga vestigen; ik bedoel op de duidelijke neiging die alle Pantheïsme, en zoo ook de pantheïstische stemming van onzen tijd verraadt, om op elk gebied des levens de grenslijnen steeds meer te doen verflauwen, en niet te rusten, eer ze, in onze voorstelling althans, zijn uitgewischt.

Met een Hebreeuwsch woord draagt God in de Heilige Schrift het praedicaat van Hammabdîl, omdat Hij het is, die eerst tusschen Zichzelven en het creatuur, en diensvolgens over heel het erf van het creatuurlijke, lijnen trok. Lijnen van ordinantie; lijnen van begrenzing; lijnen van onderscheiding; lijnen van scheiding; lijnen van tegenstelling 14). Juist deze lijnen poogt nu het Pantheïsme te doen verbleeken. Onderscheiding kent het nog, maar geen scheiding mag ooit reëel zijn. ~+< 6" B< blijft de tooverspreuk 15). En wijl hiermeê nu voor den Christen de hoogste inzet op het spel is gezet, scheen mij deze Verflauwing der grenzen eene opzettelijke bespreking |9| overwaardig. Ik ga u daarbij aantoonen, eerst, dat inderdaad de geest onzer eeuw hiertoe neigt; dan, wat gevaren dit na zich dreigt te sleepen; ten slotte, wat weerstand hier te bieden valt.

*

Ik wensch niet gerangschikt te worden onder hen, die van het Pantheïsme, onder elken vorm, enkel kwaad spreken. Reeds om het scherp geteekend verschil tusschen onze eeuw en de eeuw, die haar voorafging, mag ik dit niet. Toen deftig-koud Deïsme; een Rationalisme, dat den geest verdorren deed; allerwegen conventioneele gemaaktheid; een samenleving als in de wachtkamer van een lijkenhuis; onbezield en gespeend aan alle ideaal. En daarvoor thans in plaats een eeuw vol gloed en veerkracht; een koken en gisten van alle elementen der saamleving; een alles aandurven met een krachtsontwikkeling die u verbaast. Stond mij dan ook de keus tusschen het bevroren Deïsme, dat u ten slotte het bloed in de aderen uwer ziel doet verstijven, en het smeltend Pantheïsme, dat temidden eener tropische weelde u iets van zijn eigen wellust in de ziel doet trillen, er zou geen aarzeling voor mij mogelijk zijn 16). In Indië zou ik Buddhist zijn geweest, allicht de Vedanta hebben geprezen 17). In China had ik het stelsel van Lao-tsé boven dat van Kong-tsé verkoren 18). En in Japan keerde ik mij van het officieele Shintoïsme af, om het lijden der verdrukte Buddha-priesters te deelen 19). Want vergeet niet, de diepste trek in het Pantheïsme is een valsche liefde, het zij zoo, een liefde die de gestelde grenzen overschrijdt, maar ook onder dien valschen, dien ongerechtigen vorm, is het dan toch uit den drang der liefde geboren. Het stoot niet af, maar trekt aan. Vereenigen en niet scheiden is zijn toeleg. Noem het geestelijk overspel, maar dan toch overspel uit toeneiging, uit heimwee, uit den pathos der sympathie. Immers alle Pantheïsme is als godsdienstig Pantheïsme geboren; eerst daarna is het in een philosophisch stelsel gekristalliseerd; en eerst bij zijn ontaardende doorwerking richt het zijn practische verwoesting in het leven aan 20). De ziel zoekt haar God, en als ze nu het licht |10| der Openbaring mist, en bij de schemering der Rede Hem niet kan uitvinden, wordt ze in, haar liefdesdrang onstuimig, onbescheiden tot het oneerbiedige toe, en wil naar God, tot aan, tot in zijn verborgen wezen doordringen, ja rust niet tot ze in Hem zich verloor of onbewust Hem in zichzelven deed opgaan. Die trek, die drang is één bij alle volk en onder alle hemelstreek, en of ge den Hindu in verscheurend heimwee hoort schreien naar zijn Nirvâna, den Gnostiek zich in zijn Syzygiën ziet verlustigen 21), of Böhme theosophisch, Madame de Guyon quiëtistisch 22), en straks Schelling in philosophischen trant 23), hun Pantheïsme Christelijk ziet tinten, het is al één stuwen van de ziel, om met onstuimigen aandrang zich in de diepte van het wezen Gods te verzinken. Nog eens, geestelijk overspel, maar in het gloeien van een tragischen hartstocht, die u weldadig aandoet boven het koude egoïsme, waarmeê de matter of fact-man God misschien nog staan laat, maar om Hem niet anders uit te trekken dan pro memorie. Ook in onze eeuw was het dan ook opmerkelijk, hoe de Réveil der Christelijke religie in Schleiermacher de hand van het Pantheïsme gekust heeft 24), en met name door Schelling zich verleiden liet, om (mits de thëistische naam gered bleef), met volle teugen uit den schuimenden pantheïstischen beker te drinken 25). Het vrome gemoed ijsde van de rationalistische kilheid; het schrok terug voor de conventioneele mechaniek onzer supranaturalisten. Eerst door Schelling bekwam het zijn mysteriën, zijn heilige Drievuldigheid, zijn Vleeschwording, tot zelfs zijn Wederopstanding des vleesches terug 26).

En toch, hoe welig dit Pantheïsme, als het gras der prairieën, ook opschoot, onder dat gras school een giftige adder. Immers wat in de tente der vromen nog zijn correctief door de vroomheid zelve ontving, verloor dit correctief, toen het schitteren ging op den katheder onzer wijsgeeren. Zeer spoedig toch drong toen het philosophisch Pantheïsme het religieuse element terug. Reeds bij Hegel is alle religieus motief in dialectiek ondergegaan, en na hem heeft de geest onzer eeuw zich van de pantheïstische tooverformule meester gemaakt, om van God, en allen band, die Godes was, ontslagen, de wereld die bestond |11| op te smelten, en in nieuwen vorm om te gieten, een iegelijk naar den lust van zijn hart 27).

Drie motieven tegelijk drongen onze eeuw in die richting. Haar overstroomend krachisgevoel, haar overspannen besef van ’s menschen waardij, en haar indringen in den rijkdom der natuur. In vergelijking met de eeuw die voorafging gevoelt deze eeuw zich als een Titan, die onder alles den stoeren schouder zet, den hemel bestormt, en niet kan rusten, eer ze al wat bestaat, omschiep in nieuwen, d.i. in modernen vorm 28). Uit dat overstelpend gevoel van kracht is haar zonen het overprikkeld en overspannen besef toegekomen van de waardij des menschen. De mensch de Alpha en de mensch de Omega in haar gedachte. Een Anthropotheïsme gelijk hetwel genoemd is; een aanbidding van den idealen mensch eerst, straks van het menschelijk Ik, hoe cynisch diep dat brutale Ik ook beneden het menschelijke gezonken was. Een Egotheïsme tot in zijn stuitendste consequentie 29). En die mensch heeft zich toen, met zijn overmacht, in zijn overprikkeld zelfbesef, op de weerlooze natuur geworpen, en hij heeft ze overmeesterd, en haar in weelderigen stoet met zich gevoerd achter de zegekar zijner wetenschap en de zegekar zijner zinlijkheid 30). En neem nu deze drie motieven saâm, dat gevoel van oneindige kracht, dat zelfbesef van hooge waardij, en dat huwelijk dat ’s menschen geest met den geest der natuur aanging; en immers, ook al zwijg ik van meer satanische of van lagere drijfveeren, reeds hierdoor is de pantheïstische grondtoon van den geest onzer eeuw volkomen verklaard. Het was dan ook niet te stout gesproken, toen men het Pantheïsme, al naar de sympathieën golden, als „Favoritsystem” onzer eeuw prees 31), of vloekte als „die Radikalhaeresie” die thans den kop opsteekt 32); of ook toen een Engelsch pantheïst in victorie uitriep, dat op de honderd denkende koppen, die in onze dagen bloeien, minstens negentig verklaarde of verkapte pantheïsten zijn 33).

Vat dit intusschen niet zóó op, als wilde ik u in den waan brengen, dat het philosophisch Pantheïsme ook thans nog in de scholen der wijsbegeerte den schepter zwaait. Zoo ge Italië uitzondert, is eer het tegendeel waar 34). Hegel is |12| reeds lang onttroond, en met zijn onttroning is de welige bloei van het systematisch Pantheïsme tot stilstand gekomen. De wijsbegeerte ziet haar gehoorzalen verlaten. Allerwegen zucht men onder haar „Abgelebtheit”, haar inzinking, haar geestelijke impotentie 35). Nu men zelf niet meer philosopheert, overstelpt men, gelijk Erdmann terecht klaagt, de markt met Philosophie-Geschichte 36). Spencer heeft over zee het Agnosticisme d.i. de onmacht om tot hoogere kennis te komen, zelf reeds tot systeem verheven 37). De zoolang vergeten Herbart geldt nu reeds als in wijsheid boven Hegel uitgaande 38). De Nieuw-kantianen gaan op Kant terug 39), een enkele tot op Leibnitz. En als om te toonen, hoe men een zeer onpoëtischen naam kan dragen, en toch op het geniale in den dichtergeest zich blind kan staren, heeft de Weener hoogleeraar Knauer, in breed betoog, Robert Hamerling geproclameerd tot den grootsten aller wijsgeeren, door wien de sluitsteen in den gevel van haar paleis was ingezet 40).

Hiermeê echter zijn aan het „ewig verschlindende, ewig wiederkäuende Ungeheuer”, gelijk Goethe het Pantheïsme noemt 41), de tanden nog niet uitgebroken. Toen onlangs de socialisten, het verbod van Roest ten spijt, hun electorale meeting op den Loosduinschen weg doorzetten, hadden ze op een bord bij den ingang, dit woord van Opzoomer geplakt: „Ieder burger heeft, als lid des volks, mede deel in de souvereiniteit.” Noem dit nu een misbruik, zoo ge wilt, van het professorale woord, maar erken voor het minst, dat zóó steeds de loop van het principieele woord is. Het gaat uit van den katheder, maar als het in de zalen der wijsgeeren reeds lang herroepen of ook gewogen én te licht is bevonden, blijft het nog lange jaren hangen in de lagere sferen; oefent zijn invloed op de speciale wetenschappen; heerscht in onze handboeken; doet opgeld in onze romanliteratuur; schittert als klatergoud in de dagbladpers; vervalscht de bezieling onzer dichters; kleurt door Schlagwörter den conversatietoon; en woelt in de kringen der middelmatigheid, of van wat de Duitschers het „Philisterthum” noemen, de zoo machtige publieke opinie geheel om 42). Zoo, om een enkel voorbeeld te noemen, heeft wel |13| Darwin zelf, op Broca’s en op von Nägeli’s inspraak, bij de laatste uitgave van zijn Descent of man en Origin of species, de ongenoegzaamheid van zijn selectie-theorie toegegeven 43); maar, zonder dat de second-hand wetenschap, in handboek en op burgerscholen, daarom ophield, de geknakte selectie-theorie nog steeds als den steen der wijzen te eeren.

Dat het Pantheïsme philosophisch op den katheder verslagen is, beteekent dus niets, practisch werkt het daarom niet minder krachtig na, én in de speciale studiën, én in het werkelijke leven 44). Een hoogleeraar, die thans nog het stelsel van Hegel als zoodanig bepleitte, zou niet op de hoogte van zijn tijd zijn; en nog scherper dan Hegel zou hem de ironie van den dichter treffen, toen hij persifieerend zong:

Da redet er von Gott in uns,
der niemals transcendent ist,
und alle Hörer wundern sich
dass Gott ein Deutscher Student ist 45).

Of, acht ge het kiescher, dat ik, zelf hoogleeraar, den spot liever op het professoraat overbrenge, hoort dan Goethes bekenden kwinkslag uit zijn Xeniën:

Wass soll mir euer Hohn
über das All und Eine,
Der Professor ist ja eine Person
Aber Gott ist keine 46).

Maar de doodende werking dezer ironie redt u niet. Voor den éénen professoralen kop toch, dien ge dit monster op den katheder afsloegt, komen in de diepere lagen der maatschappij honderd andere, even giftige koppen, uit. En dan krijgt ge juist, wat Maret zoo terecht dubbel gevaarlijk noemt, afgeleide theorieën, en toepassing van die theorieën, waarbij de principiën verzwegen, zoo niet toegedekt, wat zeg ik, vaak door wie schrijft of spreekt of handelt, van verre zelfs niet worden vermoed 47). Bij wijze van voorbeeld, noem ik slechts de aanbidding van den Fortschritt, het dwepen met den Vooruitgang. In wat versnelden pas men zich ook vooruit spoede, |14| nooit verademing, nimmer ruste, een leven zonder sabbat. Geen overzien, noch inbezitneming, veel minder genieting van het verworvene. Bij geen punt van den weg aankomen, dan om ijlings van dit punt weer af te gaan. Iets van den sausenden Galop in den „Todtenritt” uit Bürgers Leonore 48). Der ewige Jude, nu niet uit angst die jaagt, maar uit een hartstocht die zuigt en trekt. Altoos voort en verder, altoos vooruit gesneld, een Excelsior dat nimmer mag eindigen 49). En nu, is het te sterk, gesproken, zoo ik beweer, dat er op de duizend van hen, die in dezen jagenden stoet van den Vooruitgang meê aanbeenen wat ze maar kunnen, geen twee zijn, die ook maar iets merken of speuren van den genetischen samenhang, waarin deze koortsachtige Fortschritt met het proces onzer pantheïsten staat 50)? Het BV<J" Õgà 6" @Û*¥< :X<g4, nu niet meer als thesis gesteld 51), maar als levensleus opgenomen, totdat ten leste dat gemis aan een eeuwigen sabbat op God zelf wordt overgedragen, en ook Hij naar Schulers geestige opmerking in „ein veritabler Fortschritts-Gott” is omgetooverd 52).

*

Doch genoeg hiervan M.H. Niet van het Pantheïsme in het algemeen, slechts van ééne zijner uitwerkingen zou ik handelen. Zelfs bij een begripsbepaling van dezen ongrijpbaren Proteus houd ik u daarom niet op 53), en trek thans al mijn betoog op dit ééne punt samen, dat het Pantheïsme, ook nu weer, de onderscheidingen verflauwt, de grenslijnen verbleeken doet, en de neiging verraadt om alle tegenstelling uit te wisschen. Met opzet zei ik: Ook nu weer, omdat deze neiging aan het beginsel zelf van het Pantheïsme haar drijfkracht ontleent 54). Ge ziet dit aan het religieuse Pantheïsme, dat bang voor een God „van verre”, zelfs met een God „van nabij” geen vrede neemt, maar hier reeds door het gebeds-mysterie in Gods wezen poogt in te dringen, en eens voor eeuwig zóó lang in Gods wezen wil terugvloeien, tot alle grens tusschen God en de ziel verdwenen zij. Gij speurt dit aan het practisch Pantheïsme, dat, rusteloos nivelleerend, zóó lang al wat hooger uitgroeide, neerbuigt eerst, en dan besnoeit en af kapt, tot ten |15| leste alle onderscheid tusschen den Ceder en den Hysop ophoudt te bestaan 55). Maar het sterkst ontwaart ge dit bij het wijsgeerig Pantheïsme, dat principieel en stelselmatig alle thesis en anti-thesis in de synthesis versmelt, en door de bekoring van het denkbeeld der identiteit, u al wat ongelijk scheen, als gelijksoortig, ja, ten slotte als eenswezend, verklaart 56).

Dit komt daar vandaan, dat deze wijsbegeerte zich niet bezighoudt met wat werkelijk bestaat, maar met het beeld, dat ze van dit bestaande in den spiegel van haar denken opving, of juister nog, zich zelve formeerde. Reeds Kant gaf hiertoe den stoot, door de stelling te proclameeren, dat het wezenlijk bestaande ons ontsnapt, en dat althans de vorm en afmeting van het waargenomene uit ons zelven komt 57). Daarop kwam Fichte, die beter vond, met wat ons toch ontsnapt dan ook maar niet te rekenen, en staande hield, dat wat beeld scheen, door ons zelf ingebeeld, en alzoo het eenige werkelijke is 58). Tot eindelijk door Hegel al wat aanzijn had in de puur logische formule wierd omgezet, en na de vernietiging van de zaak, en het beeld der zaak, alleen het denkbeeld ervan overbleef. Zoo verplaatst ons deze philosophie steeds consequenter uit de reëele levende wereld, naar een afgetrokken denkwereld;, en daarin heeft ze natuurlijk met de onderscheidingen en tegenstellingen van het leven vrij spel. Dan toch heb ik niet langer met de levende personen te doen, maar met studiekoppen, die ik zelf ontwierp. En natuurlijk op die crayon-portretten kan ik dan allerlei rimpels en lijnen verflauwen en wegtooveren, die er op het levende gelaat nimmer meer uitgaan.

Schept zoo het Pantheïsme zich de mogelijkheid, om aan de klem der reëel bestaande onderscheidingen te ontkomen, de denkwet zelve dwingt haar om van die mogelijkheid een steeds kwistiger gebruik te maken. Uw denken toch noopt U, de verschijnselen die ge waarneemt, in vaste orde saam tevoegen. Uit zijn aard dringt het denken naar systeem 59). Wie denkt, zoekt in het bijzondere het algemeene, om uit de wet van het algemeene het bijzondere te verklaren. Alle dualisme |16| gaat lijnrecht tegen de eischen van uw denken in. En dan eerst wanneer alles, zonder uitzondering, onder één begrip is saamgevat, kan uw denken rusten op zijn lauweren. Rekent ge nu met de werkelijkheid en eert ge haar bestaanswet, dan stuit ge slag op slag met uw denken op wat weerbarstig zich tegen uw generaliseering verzet. Maar leeft ge, gelijk de pantheïst doet, niet in de reëele wereld, maar in een galerij van door u zelf geteekende portretten, natuurlijk dan is er geen weerstand, dan duldt ge geen weerbarstig verzet van uw pastelstift, en doezelt kortweg alle lijnen weg, die zóóals ze geteekend stonden, niet passen in uw stelsel.

Gij vergeeft mij M.H. dit misschien te dor betoog, maar ik mocht u dit niet sparen, zou uitkomen, door wat innerlijken drang der noodzakelijkheid, het Pantheïsme naar de uitwissching van alle grenslijnen gedreven wordt. Er mogen, om het grammatische beeld van Spinoza te nemen, nog declinatie- en conjugatievormen overblijven, die in tijd en wijze, in personen en naamvallen uiteenloopen, maar alle deze vormen zijn slechts wijzigingen van het ééne zich zelf gelijk blijvende stamwoord 60). Of, gelijk een Duitsch wijsgeer het uitdrukte: „Was immer als verschieden oder unterschieden uns vor Augen tritt, es ist, so sehr auch unserem Bewusstsein es sich als nicht identisch aufdrängt, dennoch in seinem Wesen ein und das selbe, und weiter nichts als eine Erscheinungsweise, Bildung, Ausgestaltung, Entwickelung, Veränderung, Aeusserung, Offenbarung und Form der einen Substanz, die allein existirt” 61).

Aan de verhouding, die men zich tusschen God en de wereld denkt, komt dit terstond en principiëel uit. De kerk van Christus liet sinds eeuwen tegen elk openbaar of krypto-Pantheïsme haar slagboom vallen, door plechtig in den aanhef harer Geloofsartikelen te belijden: „Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde”; en door terecht in de derde eeuw de eerste verzwakking van het Scheppingsbegrip, en de eerste poging om de wereld mede-eeuwig te maken, in Origenes te treffen met haar ban 62). Tusschen God en de wereld ligt de scherpste grenslijn; die lijn, met wier wegneming alle overige grenslijnen tot |17| schaduwlijnen verflauwd worden. Immers alle onderscheid in ons bewustzijn, ja, het vermogen zelf van ons bewustzijn, óm te onderscheiden, wortelt ten leste in deze primordiale tegenstelling. Denk u haar weg, en het wordt nacht; een nacht bij wier schaduwachtige donkerheid alles aan uw horizont zich in één vaal grauw voor u oplost. En toch, juist deze wortel-tegenstelling, moeder aller creatuurlijke tegenstelling, begint elk pantheïst met te loochenen. Zóó als ge de Heilige Schrift openslaat, komt de pantheïst aanstonds reeds bij den solemneelen aanhef van Genesis één met Gods heilige openbaring in botsing. Neen, niet in den beginne, want een begin was er niet; niet geschapen, want de wereld is eeuwig; en niet hemel en aarde, want uw Jenseits is een droombeeld 63). De drie diepst uitgesneden grondlijnen onzer onderscheiding alzoo met één streek uitgewischt of verflauwd; ja weggenomen alle grens tusschen God en de wereld, tusschen tijd en eeuwigheid, tusschen wat hier is en wat ginds. En toch met de opheffing dier tegenstellingen moet het Pantheïsme wel beginnen. Het kan niet anders. Want immers, zoolang de geschiedenis nog loopt, heeft ook ons denken het pad vrij, maar bij het punt waar de geschiedenis begon, en evenzoo bij het punt, waar ze eens eindigt, stuit het. Daar vindt het voor zich en achter zich een peilloozen afgrond, waarover geen sprong te wagen, veel min een brug te spannen is, en daarom moet het dat begin, en moet het dat einde, tot wat prijs ook, wegcijferen. God en de wereld, ze kunnen voor den pantheïst niet als twee eigen substantiën bestaan.

*

Doch ik begrijp, wat ge mij zult tegenwerpen. Immers gij zult mij herinneren aan wat ik straks zelf beleed, dat namelijk in de hoogere wetenschappelijke kringen thans een gansch andere wind waait; dat in die betere kringen, mét het Materialisme, ook het Pantheïsme reeds lang ter deure is uitgewezen; en dat men, zijn non liquet over den oorsprong, den grond en het doel der dingen openhartig uitsprekend, er zich tevreden meê stelt, om de verschijnselen der natuurlijke en der |18| geestelijke wereld nauwkeuriger te onderzoeken, en voorts van poëzie te leven met zijn hart. En dit is ook zoo; maar hield daarom ook het Evolutiebeginsel, of de Descendenztheorie, gelijk onze Duitschers het noemen, reeds op het Credo onzer huidige wetenschap te zijn? En wat nu is deze Evolutie-theorie anders dan de toepassing van het pantheïstische proces ob het empirisch onderzoek der verschijnselen? Ook hier het natura saltus non facit 64). Ook hier de verklaring van al wat verschijnt uit een verschijnsel dat voorafging. En ook hier, waar het mij in de eerste plaats om te doen is, bij de geestelijke en natuurlijke verschijnselen beide, alle wezenlijk soortverschil, alle zelfstandige oorsprong, alle dieper wezensonderscheid, zoo in beider sfeer op zich zelf, als tusschen die beide sferen onderling, geloochend, en alzoo feitelijk uitgestreken alle lijn, die grens maakt, of wilt ge omgeworpen alle grenspaal, die het rijksgebied verdeelt 65). Von Hartmann overdreef niet, toen hij de Descendenz-theorie verhief, als „die für unsere Zeit unbedingt richtige und im Sturme die Geister für sich gewinnende Seite der Darwinismus” 66); of, gelijk een Engelsch geleerde het uitdrukte: „Science, amongst us, is at its highest, when it interpretes all orders of phenomena as differently conditioned modes of one kind of uniformity” 67). Al heeft toch Darwin zelf moeten toegeven, dat zijn selectie-theorie ontoereikend was, om de morphologische soortverschillen te verklaren, daarom viel de Evolutie-theorie nog niet 68). Wat Darwin mechanisch verklaarde, kon ook dynamisch, desnoods zelfs teleologisch worden opgevat, als een spontaan proces in den Kosmos, waartoe de aandrift uit de eerste kiem werkt, of, waarvoor het motief uitgaat van de teleologische heel het proces beheerschende idée. Zelfs kan men, waarom niet? Darwinist zijn, en toch als Darwin zelf, in eerbied zijn knie voor zekeren „God” buigen 69). God schiep dan die, heel den Kosmos potentieel in zich besluitende, dynamis, of ook God was het die aan den Kosmos het doelwit van zijn ontwikkelings-proces voorschreef. Ja, zóó plooibaar is dit stelsel, dat ge zelfs meer dan één Hertbartiaan, tegen zijn eigen beginsel in, met het Darwinisme heulen ziet. |19|

Dit nu liet zich nog begrijpen, indien Darwin er, met behulp der fossiele ontdekkingen in geslaagd ware, van de plant af tot den mensch toe, alle trappen van overgang in specimina, die, als schakels van één keten in elkander grepen, u voor te leggen. Doch ge weet, dit is niet zoo. Het blijft niet alleen een zoeken naar de missing link, maar ook al gaat men in een periode van 300.000 jaren terug, waarvoor men beweert in de fossiele wereld het zekere bewijs te bezitten, dan vindt men wel sporen van soorten, die verdwenen zijn, en ook wel afwijkende formatiën, maar de specimina van de soorten, die thans nog bestaan, gelijken in skelet bijna sprekend op het skelet van onze dieren. Eerlijk als hij is, erkent Darwin dan zelf ook, dat het bewijs nog verre van volledig is geleverd; nog onvolledig op natuurlijk gebied, en laat ons er bijvoegen, nog op niet één punt draaglijk voor het geestelijk gebied; maar, voegt hij er telkens bij, dit schokt daarom mijn geloof aan de Evolutie-theorie niet 70). Hieruit volgt dus dat we niet met een dwingende, bondig bewezen stelling, maar met een door hoogst gebrekkige inductie gesteunde hypothese te doen hebben, wier algemeene toejuiching haar grond vindt, niet in onomstootelijke feiten, veel min in volledig bewijs, maar in een algemeene stemming der geesten; wijl immers Darwins theorie aan ons geleerd en beschaafd publiek juist zulk een solutie van het wereldprobleem voorlegt, als beantwoordt aan zijn heimelijkste sympathieën. En als we nu weten, dat de grondtoon onzer eeuw pantheistisch is, en dat in de Evolutie-theorie een der rijkste gedachten van het Pantheïsme, die van het altoos doorgaand proces, in haren meest boeienden vorm optreedt, is het dan te veel gewaagd, zoo ik in de Descendenz-theorie juist als hoofdmotief de drijfkracht van het Pantheïsme terugvind?

Of, om nog dieper in het eigenlijke motief in te dringen, in de Evolutie-theorie schuilt evenals in het Pantheïsme ’s menschen zucht om van God af te komen. Niettegenstaande zijn practische Vernunft dreef deze zucht Kant zelfs, van wien Baader terecht schreef: „Grundfehler seiner Philosophie ist, dass ihr . . . der Mensch autonom, spontan ist; er habe die Vernunft von sich; daher macht sie den Mensch zu Gott und |20| wird pantheistisch” 71). En Feuerbach sprak slechts de consequentie van dit stelsel en daarin de diepste gedachte onzer eeuw uit, toen hij sprak: „Gott war mein erster Gedanke; die Vernunft mein zweiter, der Mensch mein dritter und letzter Gedanke. Das subject der Gottheit is die Vernunft, aber das Subject der Vernunft ist der Mensch72). Büchner, zelf een verklaard Athëist, komt er dan ook rondweg voor uit, dat Darwin’s theorie, in nog veel sterker zin, dan die van Lamarck, als puur atheïstisch is te beschouwen 73). Een verklaring, die ik volmondig beaam. Want wat baat het u, of ge de causaliteitswet al ongestoord kunt laten doorwerken tot op het eerste nevelgas, tot op de eerste cel of kiem, zoo ge voor die cel of kiem toch weer schepping, achter die cel of kiem toch weer de onverklaarde actie van een scheppend God moet erkennen, en dus toch met uw denken weer stoot op diezelfde klip, om welke te ontgaan heel uw theorie was uitgedacht? Laat het dus al waar zijn, dat de „Mozes der modernen Freigeister,” gelijk Feuerbach Spinoza noemt, noch zelf noch door zijn epigonen, ons in het beloofde land der philosophische ruste gebracht heeft, en dat het bankroet der pantheïstische philosophie zich niet langer laat verbergen, toch werkt in de Evolutie-theorie de schadelijke drijfkracht van het Pantheïsme op de meest verleidelijke wijze na, overmits al haar kracht er op gericht is, om het niet bestaan van scheidende grenzen op alle terrein onzer kennis staande te houden. Valentinus, de zinrijkste der Gnostieken, schoof de Evolutie achter de schepping naar den #bh@H terug, maar had voor het gevaar dat hierin voor de uitwissching der grenzen school ten minste nog zulk een open oog, dat hij uit den !ÛJ@BVJTD plotseling een God in den vorm van den Horos of Horkos, d.i. als Grens laat optreden, om de ordening van al het bestaande in stand te houden 74). En metterdaad, deze gedachte, hoe zonderling ook ingekleed, is als poëtisch beeld volkomen juist. Met de handhaving of uitwissching der grenzen staat of valt het geloof in den levenden God. Hij is het, die de grenzen schiep. Hij is zelf de principieele grens voor al zijn schepsel, en de uitwissching der grenzen is in den grond met de |21| uitwissching van de Godsidee één. Al is het dus nog zoo waar, dat de moderne Philosophie „mit dem Zweifel anfing und jetzt mit der Verzweifelung geëndet ist” 75), heel deze pantheïstische stroom heeft een giftig slib op den oever achtergelaten, en het is juist in Darwin’s Evolutie-theorie dat dit slib zijn kracht openbaart.

Naar waarheid mag dan, ook gezegd, dat, bij alle overig verschil in denkwijze, deze Evolutie-theorie het „formulier van eenigheid” is, dat op dit oogenblik alle priesters der moderne wetenschap in hun geseculariseerden tempel vereenigt. Nog zijn er wel enkele suffers die tegenpruttelen, maar dat zijn oude mannekens, „welche sich unfähig fühlen, gelijk von Hartmann zegt, noch einmal um zu lernen”, doch die reeds lang „auf dem Aussterbe-etat stehn, und daher den Siegeslauf der neuen Wahrheit, nicht hemmen können” 76). Ze is het modesysteem geworden, deze Evolutie-theorie, en niet alleen de Darwins en Haeckels, de Spencers en Nägeli’s, maar evengoed onze theologen, onze psychologen, onze moralisten dwepen er meê. Zelfs een aanhanger van Lotse, gelijk mijn geleerde ambtgenoot Dr. De la Saussaye, aan de stadsunivetsiteit, immers is, schreef nog niet zoo lang geleden: „Nirgends ist eine bestimmte Grenze zwischen dem natürlichen und dem geistigen Gebiete deutlich nach zu weisen, oder eine Verscheinung unvermischt einer dieser Spheren zuzusprechen” 77). Maar wat practisch bovenal zorge baart, ook onder onze juristen, die door God bestelde grenswachters van den ~?D@H, wint deze bedenkelijke theorie al meer veld, iets wat ik in het voorbeeld van den genialen, nu onlangs overleden Ihering, als in memoriam, u moge aantoonen. In eerbied voor Ihering’s talent wensch ik voor niemand onder te doen, maar dat ook Ihering evolutionist is, in den meest stelligen zin van het woord, mag niet verbloemd worden 78). Zelf geen natuurkundige, zegt hij zich over het Darwinisme niet te willen uitlaten, maar wel stellig verklaart hij dat de resultaten waartoe hij zijns inziens bij zijne rechtsstudiën gekomen in „sie auf meinen Gebiete im vollsten Masse bestätigen” 79). De idee van het recht is hem een eeuwig worden, want „Alles was entstcht, ist werth dass es zu Grunde geht” 80). En dit eeuwige proces gaat met noodzakelijkheid door evolutie; een evolutie die in de |22| dierenwereld reeds begint, want, zoo schrijft hij: „Mit detselben Nothwendigkeit, mit der sich nach der Darwinschen Theorie die eine Thierart aus der andern entwickelt, erzeugt sich aus dem einem Rechtszweck der andere” 81). En dan voegt hij er geheel in pantheïstischen toon bij: „Das Recht kennt ebenso wenig Sprünge wie die Natur, erst muss, das Vorhergehende dasein, bevor das Höhere, natuurlijk door Evolutie, nachfolgen kann” 82). God loochent hij daarom wel niet, zelfs leidt hij het Zweck dat hem alles verklaart, in zijn voorrede, uit een bewusten God af 83). Maar gelijk bij alle evolutionistische theïsten, zoo is dit ook bij hem niets dan een X voor die hem onbekende grootheid, van wier gezag hij zich in elk concreet geval ontslaat. Het rechtsgevoel is, volgens Ihering niet ingeschapen, maar eerst door de Evolutie van het recht „in uns erzeugt.” 84). De Christelijke Ethica, die nog aan eeuwige beginselen vasthoudt, wordt juist om dit vasthouden aan het absolute, door hem veroordeeld 85). En waar hij nu, en terecht, protesteert tegen de scheiding die het recht van zijn zedelijke basis afrukt, en hij dies zelf de wording van het zedelijk leven naspeurt, wordt hem ook dat zedelijk leven, uit het Zweck gegenereerd; ook hier dus weer het proces van eindelooze wording. En als ge hem nu vraagt, wie het subject van dit Zweck is, wie het alzoo stelt en het realiseert, dan wordt feitelijk het Theïsme weer geheel prijsgegeven, en betuigt hij: „Gott ist nicht der Zwecksubject des Sittlichen; Zwecksubject des Sittlichen ist die Gesellschaft86). Want natuurlijk, of daarna nog van God in gnostieken zin als van „ein letzter Grund des Sittlichen” gerept wordt, bij deze opvatting is althans het Christelijk terrein reeds geheel verlaten 87). Het ideaal van den man wordt er in gezocht, „dat hij zelf zijn eigen doel zij”; en al het andere gering achte, zoodra het den euvelen moed toont, hem in dien heiligen tempel aan te randen 88). Michaël Kohlhaas, die, in von Kleist’s stoute novelle, zijn zwaard tegen de maatschappij trekt, wordt geloofd 89). En waar óns geleerd is: „Lijd liever ongelijk”, en Christus in zijn Bergrede uitriep: „Zoo iemand u den rok wil nemen, laat hem ook den mantel”, daar wraakt Ihering dit als apathie, als |23| verstomping en verslapping van het rechtsgevoel, en prikkelt hij den éénen burger tegen den anderen, om ook in het privaatrecht nooit of nimmer iets over zijn kant te laten gaan. Ja, niet alleen ons Christelijk systeem, maar zelfs Herbart’s stelsel, die het recht, nog altoos meer Christelijk, uit aesthetischen dorst naar vrede laat geboren worden 90), gaat, zoo Ihering’s theorie zegeviert, in den juridischen ban. Niet zalig zijn ze dan die vrede maken, maar zalig een iegelijk die als een kemphaan voor zijn recht opstuift. En waar zóó een heros als Ihering leeraart, gis daar zelf wat ons van de mindere goden wacht.

*

Zal ik nu M.H. één voor één, bij elke eertijds erkende grens u aantoonen, hoever haar verflauwing, onder den invloed én van deze pantheïstische neiging én van de Evolutieleer, die thans haar Credo werd, reeds gevorderd is? Maar gij gevoelt dan zou ik geheel het terrein der kosmische verschijnselen, en het schier nog breeder veld der wetenschappen, met u doorkruisen moeten. Dat behoeft dan ook niet. Er is ook hier een ex ungue leonem, en voor het betoog, dat ik voer, is het volkomen toereikend zoo ik de hoofdlijnen, die verflauwd werden, voor u aanstip, en ten slotte, omdat ik als theoloog spreek, iets langer bij de grensverflauwing op theologisch gebied halt maak. Nu begint uiteraard alle grensverflauwing in onze beseffen en begrippen. Reëele grenzen, b.v. die tusschen man en vrouw, laten zich nu eenmaal niet uitwisschen. Ook voor de Philosophie toch geldt de regel van het Engelsche Parlement, dat „it can do every thing, except making a man a woman” 91). En al heeft dan ook een schitterend geleerde ten onzent, wiens wegsleepend woord ook mij steeds boeide, eens stoutweg de profetie gewaagd, dat, evenals de demonische Eros der onnatuur, zoo ook de van God ingeschapen Eros tusschen man en vrouw, haar toorts eens blusschen zou, hij houde mij ten goede, dat ik noch onder mijn eigen tijdgenooten, noch onder het jongere geslacht, dat mij op mijn colleges pleegt te bezielen, ooit schijn of schaduw van de uitslijting dezer natuurlijke liefde ontdekt heb 92). Neen, aan de grenzen, die |24| in het reëele leven, onafhankelijk van ons denken, bestaan, valt geen verwikken of verwegen. Water verzoent ge nimmer met vuur. Er kan dus van een uitwisschen der grenzen alleen in onze voorstelling, in onze beseffen, in onze begrippen sprake zijn; maar het is dan ook van die begrippen, dat Thilo niet te sterk klaagt, dat de nieuwere zienswijze „endlich alle Begriffe in ein einzigen Knäuel des absoluten Ich in einander wirrte” 93). Toch ging ook dit niet voetstoots. Veeleer stond de majesteit der Logica met haar onveranderlijke denkwetten aan deze amalgameering in den weg, en eerst moest dus aan de logische grenzen geweld aangedaan, zou de verflauwing der overige grenzen gelukken. Daarmeê begon het onzalig proces dan ook. Hegel zag helder in, dat zijn Identiteit-systeem voor de gewone Logica niet bestaan kon, en daarom ontzag hij zich niet, de Logica zelve aan te randen, en met name aan het Principium exclusi tertii medii de pees door te snijden 94). Eerst zoo kreeg hij de baan voor zijn cavalcade van identieke begrippen vrij. Maar toen liet hij ze dan ook twee aan twee, arm in arm, voorbij zijn denkenden geest defileeren: Het Iets met het Niets; het Diesseits met het Jenseits; het Eindige met het Oneindige; het Ideale met het Reëele; het Zijn met het Denken; het Object met het Subject, de Differenz met de Indifferenz; de Vrijheid met de Noodzakelijkheid; het denkbeeldige Licht met de denkbeeldige Duisternis.

Maar natuurlijk, bij deze abstractiën bleef het niet. Om de toepassing van het identiteitsbegrip op het leven was het hem, en al zijn geestverwanten, te doen. En toen eerst begon de zaak ernstig te worden. Want toen viel ook de grens tusschen God en de wereld, die om de formule van oud-Hellas te gebruiken, hoogstens 6"Jz ¦B\<@4"<, maar noch 6"J PD`<@<, noch 6"Jz @ÛF\"< mocht verstaan 95). Zoo werd God naar de niet onjuiste formule van Dr. Mayer, „degradirt zur Weltpotenz” 96), en erger nog voor zijn bewuste leven opgelost in ons menschelijk leven. Zoo viel ook de grens tusschen God en den mensch weg, met het overwicht aan ’s menschen zijde. De grens tusschen mensch en mensch moest toen wel volgen. Als golven in den oceaan rezen we op, om in dien oceaan weer te weg te vloeien. Als het blad aan den boom liepen we uit, om straks |25| in onze verdorring voor het nieuwe lenteblad plaats te maken; het nb88" JV :g< Jz–:g<@H PV:"*4H PXg4 van Homerus, nu niet chronologisch, maar essentieel opgevat 97). Toen kwamen de geestelijke grenzen aan de beurt. Ook tusschen ons physisch en ons psychisch leven moest alle grens wegvallen. De waarheid werd aan de dwaling uitgehuwd. Stirner dorst zelfs van den „Heldenmuth der Lüge” te spreken 98). Maar ook Goed en Kwaad, Zonde en Heiligheid moesten hun veete beslechten. Wat is goed? „Jeder ist nur was er sein kann” 99). Nero en Jezus zijn slechts onderscheidene openbaringen van een zelfde goddelijke drijfkracht. De oude Parsen waren nog zoo dom niet, toen ze, naast Ormuzd, ook aan Ahriman met zijn Dews goddelijke eere boden, want ja het is zoo, wat gij Satan noemt is slechts een andere naam voor den Heilige Israëls 100). En als gij in uw menschelijke maatschappij veel edels omhoog, maar ook omlaag veel weerzinwekkends vindt, dan doet het oude beeld van Böhme dienst, om u te zeggen, dat zoo ook in uw eigen organisme veel edels in uw schedel, maar ook veel weerzinwekkends in uw ingewand huist, en dat toch zonder dat ingewand de hersenen er niet zijn zouden 101).

En op die wijs gaat de verflauwing der grenzen dan rusteloos door, niet alleen in de identificeering van Kracht en Stof, maar ook practisch door Macht en Recht te vereenzelvigen; toerekenbaarheid in deerniswekkend atavisme op te lossen 102); eigendom en diefstal te verwarren; de tegenstelling tusschen Overheid en Onderdaan te verzwakken, beiden opgaande in het ééne Staatsbegrip 103). In dien alvoorzienden Staat moet dan, gelijk zelfs Rothe wil, ook de Kerk van Christus verdwijnen. Er mag geen verschil tusschen stad en dorp meer zijn; al wat men kent zijh gemeenten. De liefde voor het vaderland moet zich door kosmospolitischen zin verbleeken laten. De grens van het huwelijk zag men liefst in het stelsel van vrije liefde verflauwen. Er mag geen verschil van standen, geen verschil in levensvorm, geen verschil in nationale kleedij meer zijn. Eenvormigheid blijft de vloek, dien ons moderne leven willens en wetens indrinkt 104). Op muzikaal terrein heeft eerst Beethoven deze pantheïstische stemming onzer eeuw |26| opgevangen en door zijn C mol en negende symphonie aan duizend en nogmaals duizend harten „eingetönt”, en heeft na hem Wagner zelfs de grens tusschen de wereld der tonen en de wereld der gedachte opzettelijk verbroken 105). Zekere stilisten ten onzent neigen er al meer toe, om den inktpot met het palet te verwarren. Ja er vormt zich reeds een kring, die ook de grens tusschen taal en taal liefst zag uitgewischt, en die de wereld ideaal zou vinden, als ze bevolkt was met veertienhonderd millioenen, van de Noorder- tot de Zuiderpool, niet anders sprekend dan het ééne heilige Volapük.

Doch genoeg reeds M.H. — Van de theorie die den mensch van den Chimpanzee laat afstammen, zweeg ik met opzet; dit thema is, vergeef mij het woord, te afgezaagd. Alleen ontga het uw aandacht niet, hoe de N.R. Courant onlangs reeds van den orang-oetang uit de Diergaarde meldde, dat hij niet doodgegaan, niet gestorven, neen, maar overleden was 106); en let er ook op hoe het woordenboek der apentaal nu reeds vier woorden telt, behoorlijk in een phonograaf opgevangen, als om Max Müller te ontwapenen, die nog steeds juist in de menschelijke taal de grenslijn tusschen mensch en dier getrokken zag 107). Maar, gelijk gezegd, over deze schier banaal geworden theorie spreek ik niet verder. Eigenlijk toch bedoelt men, dat alles verwant en alle levensuiting één is, en of de steen valt, het water klettert, de leeuwerik klapwiekt en zijn morgenlied zingt, of de mensch denkt, dicht en in het gebed neerknielt 108), het moet alles één zijn; altemaal gevoelsprikkeling en spontane levensuiting van den onbekenden absoluten Geest. Maar wel vraag ik nog een oogenblik uwe aandacht voor het stuk der Religie, want hier natuurlijk bestond voor de verflauwing der grenzen de sterkste prikkel. Onze Christelijke religie toch trok een nieuwe en zeer diepe grenslijn, die tusschen het profane en het heilige gebied, en juist daar ging de geest van secularisatie, schier hoonend en smadend, tegen in. Aan Theologie als een eigen wetenschap kon geen plaats meer worden ingeruimd; voor haar metaphysisch deel was ze identisch met de Philosophie; en voorts ging ze op in letterkundige, geschiedkundige en ethnologische studiën 109). |27| Zoo viel vanzelf de grens tusschen God en de afgoden, want ook het Animisme en Fetichisme stond als religie met onze Christelijke religie onder één hoofd 110). In dat organisch verband nu kon de religie voor wat haar oorsprong, wezen en idee aangaat, slechts uit de religieuse verschijnselen gekend, en zoo ontstond die nieuwgeboren „godsdienstwetenschap”, die de Theologie al meer verdringt. Niet om de kennisse van het object der religie is het thans meer te doen; maar alleen om de kennisse van de gewaarwordingen, voorstellingen en uitingen, waartoe het subject door het religieus gevoel gedreven wordt. En hiermeê natuurlijk viel alle principiëel onderscheid op het stuk der religie, viel elke grens tusschen ketterij en belijdenis weg, en moest wel met onbeperkte lenigheid ook in de kerk, om Synodaal te spreken, nagisten, wat gistte in de van Christus vervreemde maatschappij 111). En toen, och, waarom is het niet anders geweest, hebben, op Schleiermachers voetspoor, de anders zoo aantrekkelijke „Vermittelungs-theologen”, in hun ethische, theosophische en apocalyptische schakeering, heil gezocht, niet in den toon van het „Ze zullen ons niet hebben” van Da Costa, maar in de onzalige Vermittelung, waardoor de tegenstander vooruit reeds gewonnen spel kreeg. Ik zeg dit niet, alsof ik hun veelszins schitterenden arbeid niet waardeerde; noch ook, als begreep ik het goede van hun intentie niet; veel min, als zocht ik iemand hunner persoonlijk te krenken; maar hun standpunt was nu eenmaal onhoudbaar. Ze waren pot de terre, en zouden nu met pot de fer uit wandelen gaan; en natuurlijk toen hebben niet zij den tijdgeest voor Christus gewonnen, maar heeft de tijdgeest hen al meer van het belijdende Christendom vervreemd. Schleiermacher was nu eenmaal pantheïst en subjectivist 112). Hij bracht het religieus Pantheïsme uit den kring der Hernhutters meê 113), en vond het philosophisch-Pantheïsme aan Duitschland’s toenmalige universiteiten. Reeds terstond in zijn stelling, dat God niet, zonder de wereld denkbaar is, kwam dit uit. Welnu, diezelfde stelling is, gelijk de hoogleeraar Bavinck haarfijn aanwees, ook ten onzent door wijlen den Groningschen hoogleeraar De la Saussaye |28| bepleit 114); en sinds is ook van onze kansels nagesproken en op onze persen nagedrukt, al wat de Martensens, de Rothe’s, de Keerl’s, en Hoffmann’s in Duitschland hadden uitgedacht, om op allerlei wijs, ook binnen het erf der Christelijke religie, de oude palen te verzetten. Door de waarheid te ethiseeren viel de grens, die de zedelijke levensuiting van het leven der gedachte scheidt; en moest de Dogmatiek straks haar eerstgeboorterecht aan de „beschrijving van het zedelijk leven” afstaan. Een „unirte Kirche” zonder confessioneele tucht, werd ook hier te lande het ideaal. Even stroef tegen den Calvinist als sympathetisch jegens den Moderne te zijn, gold als hooger levenstoon. En toen sloop allengs allerlei vreemde leering in. De Christus zou ook, buiten zondeval, toch zijn gekomen, want Christus was het natuurlijk ideaal, waarop het proces van ons menschelijk geslacht was aangelegd 115). In dien Christus zelven was niet God de Zoon vleesch geworden, maar in hem was de menschelijke natuur tot een hoogere Godmenschelijke natuur opgeklommen 116). Als mensch kon Jezus niet enkel man zijn geweest, en zoo hernieuwde men de sage der androgynen 117). Ziel en lichaam bleven niet twee, maar gingen op in de vermenging van het Geistleibliche 118). Het mysterie der Drieëenheid wierd toegejubeld, maar omgetooverd in den zin der nieuwere wijsbegeerte. De verzoening lag niet daarin, dat het Lam Gods voor onze zonden stierf, maar in het uitschieten aan den stam van ons geslacht van zijn ideale loot 119). De Schrift was geen product meer van opzettelijke openbaring, maar vrucht van Israëls organische ontwikkeling, onder hoogere beademing, en voorts in verband met wat aan andere volken ten deel viel 120). De rechtvaardiging door het geloof ging bijna geheel onder in het aankweeken van een hemelsche heiligheid 121). Ja, zelfs tusschen dit en het volgend leven werd de absolute grens weggenomen; de bekeering kon ook na den dood komen; en er zijn er onder deze theologen geweest, die ook aan de overzij van het graf het voortbestaan eener sacramenteele kerk predikten, bestemd om het heiliginggproces, dat hier onvoltooid bleef, ginds te voleinden 122).

Wat nu gluurt bij dit alles anders door de reten, dan |29| nawerking van wat Schleiermacher uitspon, en naast hem veel gevaarlijker nog Schelling met zijn schitterend gouddraad borduurde. Het is het omgieten der vormen, het uitwisschen der lijnen, het hullen van de Christelijke essentie in een modern-philosophisch gewaad. En hierbij nu ging de waarheid te loor. Niet alleen die objectieve waarheid, die in het erts van onze belijdenis staat gebeiteld, maar ook die innerlijke waarheid waarmeê op die belijdenis het Amen uit ons hart weêrklinkt. Het werd al één spraakverwarring. Eén chaos van onheldere zwevendheden. En toen voleindde Schelling in deze mannen, wat Kant met zijn „statutarische Religion,” begonnen had, door hun, gelijk Scholten het uitsprak, de kunst te inspireeren, om, „nieuwe en vreemde denkbeelden onder oud-kerkelijke namen, als de uitspraken der aloude rechtzinnigheid” te doen uitventen 123).

Laat het nu zijn, ik neem het aan, dat ze hierbij den drenkeling in den philosophischen stroom zijn nagesprongen met het doel, om er hem uit te trekken; maar dan is ook hun toch het tragisch lot overkomen, dat die drenkeling hen omklemd en in de diepte heeft neêrgetrokken, en dat niet zij den drenkeling hebben gered. Waarlijk ik dweep met Ritschl niet, maar, na de chaotische would-be theologie, die achter hem ligt, is er in Ritschl’s klaarheid toch verademing. Van hem weet ge althans, dat hij met de oude metaphysica heeft gebroken. Maar toch, ook met Ritschl, dolen we al verder af. Letterlijk niet ééne grens is er, die op religieus gebied nog onverzwakt en onverflauwd het oude spoor teekent. Vroomheid, ja, maar vooral vrije, zeer vrije vroomheid moet het zijn, een vroomheid, zooals men die ten slotte ook in het dier meent te vinden. Want ja, met name bij onze huishonden acht meer dan één geleerde reeds heusche sporen van religie, een eerste begin van „vroomheid”, ontdekt te hebben 124). Een bizariteit, die u bijna de vraag naar de lippen zou dringen, of het ook reeds uitgemaakt is, of ze onder de polytheïsten of monotheïsten zijn te rangschikken. Een vraag voor wier beantwoording (wijl immers, de Islam nu uitgezonderd, monogamie zich liefst met monotheïsme verzelschapt) een spotter u allicht verwees naar de analogie van hun lagere |30| liefde; wijl immers de evolutie van de polygamie naar het monogame door onze poedels en doggen nog altoos niet is volbracht.

*

II.

Voorzoover het bestek eener rede gedoogt, acht ik, M.H., thans mijn uitgangspunt bewezen te hebben, het feit namelijk, dat de pantheïstische richting onzer eeuw, en de Evolutieleer, als haar wettige dochter, nu reeds in niet geringe mate de grenzen verflauwd heeft, en er principieel toe leidt om ze uit te wisschen. Alsnu toegekomen aan mijn tweede vraag: met welke gevaren ons deze verflauwing der grenzen bedreigt, zij het mij allereerst vergund de les der historie te doen spreken. Er heeft zich toch, én aan den Ganges én ten deele in het Hemelsche rijk, eeuwenlang en op breede schaal, een menschelijk samenleven onder soortgelijke invloeden ontwikkeld; en ook daarna heeft het Gnosticisme en Mysticisme kleinere levenskringen met dien zelfden geest geïnspireerd. Hierin nu ligt voor ons een baken in zee, want immers een wrak is het niet zoo onjuiste beeld voor wat deze maatschappijen en kringen ons vertoonen. In het schoone rijk van Indië woont een der rijkst begaafde volkeren, diep van geest, machtig in aantal, te midden eener weelderige natuur; een volk, dat in niets voor onze Westersche natiën behoeft onder te doen, misschien ons kon overtreffen. En toch dat volk slaapt, het heeft sinds lang geen historie meer, en eerst heeft de Islam, toen de Mongool, en nu laatstelijk Engeland, met haast geen macht, dat koninklijke volk overwonnen. Met wat ongetemde energie een Keshoub Chander Sen ook, nu onlangs, op zoo meesterlijke wijze, zijn propaganda organiseerde, om den matten geest van zijn volk uit die doodelijke sluimering op te wekken, toch bezweek ook hij ten leste 125), en nog altoos blijft het menschelijk ideaal van den Hindu de Yoghui uit de Sacontala, een verwilderde heremiet, met een slangenhuid als gordel om de lendenen, het naakte overdekt lijf met borstelige haren, onbeweeglijk naar de zon |31| starend, terwijl de wilde struiken zich om hem vlechten, en een vogel zonder zang het sombere nest bouwt op zijne heilige schouders 126). En wat wierd er in China van Lao-tse’s prachtige phantasieën? Sir Balfour, die het Taöisme als ooggetuige kennen leerde, klaagt in zijn South Place Institute lecture, dat het Taöisme wegzonk in „een laag en verachtelijk bijgeloof, een religie in den slechtsten en laagsten zin van het woord, a hocus pocus and imposture” 127). En toen hij in de provincie Khiang-hsi den Chang Fien Shih of hoogepriester van deze sekte bezocht, wees zijn heiligheid hem in zijn prachtig paleis op een kamer vol met rakken, en die rakken vol met kruiken, wel toegekurkt en verzegeld, waarin hij door zijn toovermacht honderden booze geesten had opgesloten 128). Tot wat menschelijke zelfverlaging en gruwelijke zedeloosheid de Valentijnen en Ophieten onder de Gnostieken vervallen zijn, behoeft niet meer aangetoond 129). Wat zedelijke verwoesting ditzelfde mystieke Pantheïsme onder de Begharden en consorten, en ook hier te lande onder de Naaktloopers en antinomiaansche sekten heeft aangericht, is u allen uit de historie bekend 130). Het liep alles uit op de „Rehabilitation des Fleisches”, gelijk Hundeshagen dit drijven noemt. Aller stelsel is, quod Deus formaliter est, omne id quod est. Zoo valt de grens tusschen goed en kwaad weg. „Der Wille Gottes disponirt uns, und hätte der Mensch auch tausend Todtsünde begangen, falls er dazu disponirt gewesen, so darf er eben nicht wünschen sie nicht begangen zu haben” 131). De les der historie is dus afschrikwekkend genoeg. Feuerbach schreef eens: „Der ewige, übersinnliche Tod ist Gott”; en metterdaad het schijnt hier álles in den nationalen en zedelijken dood onder te gaan. Maar natuurlijk ik moet dit schrikbeeld, althans in zijn groote trekken, nader voor u ontleden. Laat mij het doen mogen in de drievoudige gradatie van ons persoonlijk, ons kerkelijk en ons staatkundig bestaan.

Een denker, die zich op de verleidelijke wateren van dezen stroom meê had laten afdrijven, legt, in de voorrede op zijne vertaling van een van Herbart’s werken, dit veelzeggend getuigenis af. Ik liet er mij door meeslepen, „want het beloofde |32| mij kalme zielsruste; en wat gaf het mij? Een gevoel van krachteloosheid en loomheid. Toen heb ik mij tot Herbart gewend en de veerkracht wedergevonden, die mij begon te begeven” 132). En dit versta ik, want als de grens tusschen God en de wereld wegvalt, en ge dies in de heilige Drievuldigheid niet meer de volheid van het rijkste persoonlijk leven kunt aanbidden, wordt hiermeê vanzelf de veerkracht van uw eigen persoonlijk bestaan geknakt. Alleen wie met God als met zijn heiligen Vriend kan omgaan, verdiept de trekken van zijn eigen wezen, en Herbart heeft het zoo schoon gezegd: „Dieses Freundes nicht mehr zu bedürfen, hiesse einer Einsamkeit vertraut sein wie sie nur der Egoïsmus mitten in der Gesellschaft einführt, um die Wohnungen der Mensche zur Wüste zu machen” 133). Er kan zich geen krachtig karakter vormen, waar de graveerstift, die de lijnen in het erts moest drijven, uit de hand wordt gelegd voor den doezelaar, die alle lijnen oplost. Karakter eischt beslistheid van overtuiging, gepaard aan energie van den wil; een besef van roeping, met het geloof dat ge in die roeping slagen zult, verbonden; en nu, juist deze factoren onzer persoonlijkheid beginnen hun dienst te weigeren, waar alle vastheid van lijnen in onze levensopvatting wegsmelt, en ge in geen waarheid die ge kent, in geen wet die uw wil regeert en in geen God die u roept en voor die roeping alle banen effent, meer gelooft. Onder den weg waarop ge loopt borrelt al meer het kwelwater op en de plasregen giet zijn stroomen neder, om den eerst zoo vasten kiezelbodem los te weeken tot één modderbrij, waarin het loopen waggelen wordt en glijden. Vandaar die klacht, nooit algemeener dan in onze dagen, over schaarschte aan karakter, aan de indrukwekkende persoonlijkheid, aan den man van ijzeren wil. In trouwe, ge behoeft geen laudator temporis acti te zijn, om als ge de koppen van nu, met de koppen van Rembrandt’s doek, vergelijkt, bedroefd te staan over onze fletsheid, ons gemis aan kracht van uitdrukking, onze minderheid in manlijke kracht.

Neen, ik zie niet laatdunkend op het Agnosticisme. neer, en als ik Tyndall vol eerbied hoor uitroepen: „Staande voor de macht die uit het heelal op mij aandringt, durf ik niet anders dan |33| in dichterlijken zin van een Hij, van een Geest, of zelfs van een Oorzaak te reppen. Its mystery overshadows me, but it remains a mystery” 134); dan roert zelfs die agnostieke eerbied mij dieper dan, het opdreunen van den Kantiaanschen deun van God, Deugd en Onsterfelijkheid. Maar vergeet niet, het gaat hier om de helderheid van ons menschelijk bewustzijn; de klaarheid van ons denken wordt beneveld. Reeds nu noemt men science, in Engeland, alleen het aflezen van wat men mat of woog of telde. Bene docet qui bene distinguit is de regel van tucht, waaraan ons denken, om bondig te zijn, zich niet mág onttrekken, en hier wordt het een „Bene docet qui omnia bene permiscet135). Voor dat amalgameerende denken moest dan ook, gelijk ik straks reeds opmerkte, door Hegel een nieuwe Logica worden uitgevonden 136). En natuurlijk bij die onhelderheid van denken wijkt vanzelf ook de beslistheid van overtuiging. In het kleed der bescheidenheid hult zich wat in den grond niets dan aarzeling en onzekerheid is, tot eindelijk de dorst naar weten in een „liebäugen” met het niet-weten overslaat, en eerst Du Bois Reymond zijn Ignorabimus 137), en straks Spencer zijn agnostisch axioma uitroept 138). En zoo nu gaat niet enkel de Philosophie kwijnen, en krimpt de horizont van de wetenschap almeer in, maar maakt ook practisch in het leven het scepticisme zich weer meester van ons menschelijk hart, trekt er gestadig een al dichter nevel over de helderheid van ons inzicht, en wordt ten slotte die vonk van heilige geestdrift gebluscht, die alleen bij hooge luchten, onder het blauw azuur, in ons kan gloren.

Sport is uitnemend, M.H., en ook mij heeft het gestreeld, toen onlangs onze batters en bowlers, met roem overladen, uit Engeland wederkeerden, maar toch boven dat dwepen met sport zou het mij gaan, als ik in onze opkomende jongelingschap gloed voor de eere onzer historie, bezieling voor het vaderland, geestdrift voor een heilige overtuiging ontwaarde, voor wat lieflijk, rein is en schoon. Maar, helaas, ook hier weer treedt de verflauwing der grenzen u hinderend in den weg, niet het minst in de sfeer van het zedelijk leven. Zonde wierd reeds een te sterk woord; heilig is door „braaf”, |34| „braaf” door „fatsoenlijk”, „fatsoenlijk” door „net”, een woord niet aan u, maar aan uw kleed ontleend, vervangen. En hoe kon dit anders, waar de stoutste denkers onzer eeuw goed en kwaad herleid hebben tot een gradueel verschil; de wet voor het zedelijk leven autonoom door het subject laten geven; aldus alle zedelijk begrip van zijn absoluut karakter wordt beroofd; het aesthetische ten koste van het ethische wordt verheven; en de leer dat ook het zinlijk leven zijn eischen moet vervuld zien, van de daken gepredikt wordt 139). Staat de grens tusschen waarheid en leugen nog vast? Is nog uit te maken wat eerlijk is? Wat is nog recht, zoo niet het droit du plus fort? Wie scheidt roof van eigendom? Bovenal waar ligt de grens, die schuld van noodlot, toerekenbaarheid van onweerstaanbare neiging afscheidt? Maar immers Buckle heeft het statistisch aangetoond, er moeten elk jaar zóóveel echtbreuken, zóóveel verwondingen, zóóveel moorden met den dolk, zóóveel andere met het pistool en zóóveel weer door verworging plaats hebben 140). Dat is alles het ééne, heel het rad des levens rusteloos omwentelende proces, waardoor het van de realiteit naar het ideaal gaat. En hoe verwondert ge u dan nog, dat zeker min eervol bekend accijns al hooger oploopt; de veile vrouw steeds schaamteloozer om zich grijpt; en onze eens spreekwoordelijke oud-Hollandsche soliditeit zich op de wereldmarkt begraaft in de legende. Israël zong eens: Ik heb lief, want de Heere hoort mij; onze eeuw bazelt van altruïsme, omdat het ik te zwak is, om hartgrondig egoïstisch te zijn 141). En waar dan de noumena zich in de oneindige verte terugtrekken en op al onmetelijker afstand terugdeinzen achter de altoos wiegelende Phenomena, en er geen Pontifex meer opstaat, die u dezen afstand overbrugt, noch een Curtius die zich in die klove werpt, daar spreekt men dan ja nog van poëzie, van een poëzie die met haar duizende gestalten dit oneindig ledig overzweven zal, maar vergeet dat juist alle poëzie, om haar symbolen te vinden, van de tegenstelling tusschen het geestelijke en natuurlijke moet uitgaan. Zie dan ook maar wie thans op den Parnassus de zetels innemen, waarop eens een Vondel blonk, een Bilderdijk schitterde en waarbij neergeknield een Da Costa |35| wegzonk in aanbidding. Juist tegenover dat mystiek poëtische geldt het wat Herbart schreef: „Es muss der Begriff von Gott als den Vater der Menschen festgehalten werden. Ein bloss theoretischer Begriff ist ohne Werth. Eine blosse Idee ohne Trost.” 142) En daarom ik smaad onze eeuw niet, M.H., God heeft haar zoo nameloos veel gegeven, ze is in zooveel opzichten groot boven haar voorgangster. Ook zijn er nog veel lieve menschen, veel beminnelijke menschen, lieden die geen fluweel meer dragen, maar u telkens aan fluweel denken doen. Edoch, wat ik mis, het zijn de krachtige figuren, de groote mannen, de starren van eerste grootte. Hoe zijn die starren, met name in Leiden, niet de ééne na de andere uitgedoofd. Wie is Caprivi bij Von Bismarck vergeleken? Als Gladstone sterft, wie zal na hem optreden? Helaas, de dynamische verzwakking is niet langer te loochenen. Epigonen hebben de heroën vervangen. En aan de voeten dier epigonen verdringt zich een levenszatte schare, bij wie de onbezieldheid uit het doffe, matte oog spreekt. Zie maar hoe de verveling u aangrijnst; hoe de zelfmoord lokt; hoe het getal der waanzinnigen zich steeds uitzet. En als ge u dan denkt, hoe die eeuw begonnen is, met den mensch op een voetstuk, hoog zoo als nooit, te plaatsen, en ze straks bij haar uitgang, den mensch zoo levensmoede achterlaat, treedt ze dan niet voor u, die eeuw, in het beeld van den knaap, die zijn blauwpurperen zeepbel, o, zoo glinsterend opblies, tot hij te sterk blies, en heel de prachtige, zeepbel weer saamkromp tot één onooglijken drop?

*

Zulk een periode van geestelijke atrophie heeft Europa reeds twee malen gekend; eerst onder het Romeinsche Keizerrijk; en nogmaals toen de Middeneeuwen ten einde liepen; maar toen heeft beide malen de Kerk van Christus den geraakte bij de hand, gegrepen, en opgericht dat hij weer liep en de levensveer als in hem opsprong. Zoo rijst dan vanzelf de vraag: Zal de Kerk van Christus hiertoe ook nu weer in staat blijken? En is er dan geen oorzaak voor klimmende bezorgdheid, als ge ziet hoe het juist die Kerk van Christus is, die, door dit |36| verflauwen en straks uitwisschen der grenzen, innerlijk al meer tot ontbinding overgaat, en uitwendig in steeds enger band wordt gekneld? Immers zoo er één is, die principieel tegen het denkbeeld zelf van Evolutie protesteert, dan is Hij het wel, die van den Vader der lichten is afgedaald, om als God in het vleesch zich te openbaren. Hij is het Wonder. Bethlehem slaat breuke in de genealogie der menschheid. Het „Immanuël verrees”, doorbreekt de natuurorde. En als straks de Kerk van Christus de wereld ingaat, is, niet van die wereld te zijn, het haar ingedrukte kenmerk. Ipso facto staat dus de Kerk van Christus tegen den eenheidsdroom van het pantheïstisch proces over, en ontkent ze, dat er ooit redding door Evolutie kan komen voor een in zonde verloren geslacht. Dit is haar aard, haar natuur. Bij prijsgeving van die antithese boet ze haar karakter in. Ze moet dualistisch tegenover de onherboren wereld staan. En zoodra de grenslijn verbleekt, die haar van het natuurlijk leven afscheidt, houdt ze op Kerk van Christus te wezen. Doch natuurlijk juist hiertegen kant zich de pantheïstische neiging onzer eeuw, en kant zich niet minder fel het beginsel zelf van Evolutie aan. Die ergernis van het Kruis moet weggenomen, of het Pantheïsme kan niet zegevieren; die dwaasheid van Golgotha moet opgeheven, of de Evolutietheorie kan niet bestaan. Vandaar het roepen van een Duitsch wijsgeer, „dass wo die Bildung durchbricht, es keine Kirche mehr geben kann” 143). Vandaar Hegel’s uitspraak, dat de Staat „als gegenwärtige Göttliche Wille” de Kerk aan zijn doeleinden dienstbaar moet maken, tot ze eindelijk in den Staat zich oplosse 144). Vandaar dat Rothe, zelf theoloog, zijn theologische eere wegwierp en verraad aan de Kerk pleegde, door haar naderende verdwijning en haar opgaan in den Staat te profeteeren 145). En vandaar niet minder die koele vastberadenheid, waarmeê de toongevende Juristen in Duitschland reeds de slavenketen smeden, waaraan de Kerk moet worden vastgelegd. Uit een kring van bijna dertig juridische hoogleeraren, waaronder ook Ihering, ging reeds het geroep op, dat de Protestantsche Kerk „eine rein weltliche Organisation ist”, of sterker nog, „dass die rechtlich verfasste Kirche im |37| Sinne des heutigen Kirchenrechts” niets is, dan „ein Theil der Welt146). Zoo ziet ge, waarheen dat uitwisschen der grenzen ons leiden gaat, en ge verwondert er u niet meer over, als een ander jurist, Professor Zorn, schrijven durft, dat de Kerk van Christus niets dan een Religions-Verein is, en dat de tegenwoordige verhouding tusschen Staat en Kerk „ruht auf dem Prinzipe der Souveränität des Staaten, welcher auch die Kirche untergeordnet ist” 147). En nog zou dit niets zijn, indien althans in den boezem der kerken de wacht aan de grenzen nog op haar post stond. Maar ook hiervan, ge weet het, is het tegendeel waar. Als er zijn die nog voor de grenzen opkomen, zet men juist hen over de grenzen 148). Alle grens van Belijdenis wordt door de openlijk geproclameerde leervrijheid uitgewischt. De Kerk moet op een wereldsch genootschap als de ééne druppel water op den anderen gelijken. Al viel ook een volk in zijn massa van den Christus af, toch moeten het „volkskerken” heeten. Zelfs wie aan geen Vader in de hemelen meer gelooft, mag zijn philosophie den volke als Evangelie verkondigen. En waar ge nog hope bleeft koesteren, dat althans de „geloovige” godgeleerden tegen zoo stuitenden misstand reageeren zouden, ziet ge de Vermittelungs-theologen van alle gading de confessioneele grens opzettelijk uitvlakken, en steeds ruimer scheut van hun philosophischen wijn in het zuivere levensvocht mengen, als om tot in het hart van onze Christelijke mysteriën zelf de diepe grenslijn uit te wisschen, die Gods heilige Openbaring van onze verduisterde Rede scheidt.

*

Ook van die zijde valt dus op geen steun tegen wat Hermann „die geistige Zerrüttung” onzer eeuw noemt, te rekenen 149). Noch onwrikbare beginselen van zedelijkheid, noch een diep ingeprente zielsovertuiging, noch vaststaande algemeene begrippen kunnen aan ons volk van zijn kerkelijke leiders meer toekomen, zoolang een geestelijk Tohoe Wa Bohoe 150) in den kring dezer leidslieden het geprezen ideaal blijft. En toch juist |38| dat hergeven aan ons, geslacht van een vast uitgangspunt, van een religieus en zedelijk *ÎH :@4 B@Ø FJä 151), ware ook met het oog op de sociale stormen, die onze politieke metereologen als naderend voorspellen, nog de eenige reddingsplank die ons kon worden toegestoken. Herstel, om concreet te spreken, het geloof aan een laatste oordeel; en zoolang dit geloof nog stand houdt, kunt ge de gedurige rechtskrenking op aarde, krenking niet alleen door den overtreder, maar krenking ook door de wet en door den rechter, getroost aanzien, wijl uw eigen rechtsbesef dan rusten blijft in het recht uws Gods, waarover Hij zelf eens als wreker zal opstaan 152). Maar ga nu in op de halve leugen van den pantheïst, alsof „die Weltgeschichte das Weltgericht” ware, en ge moet wel uw rechtsbegrip seculariseeren; d.w.z. dat ge geen ander recht meer erkent, dan hetwelk, onder gestadige wisseling, de Overheid schept en handhaaft, en ge alzoo door dit vlottend rechtsbegrip, wijl immers het jus constitutum nimmer tot ruste komt, de majesteit zelve van het recht, in het oog van hen die er onder leven zullen, vernietigt. Dat is dan ook geschied. Von Stahl zelf sluit het recht op binnen de grenzen onzer menschelijke huishouding, en heeft er geen oog voor hoe het recht, primordiaal zelfs, in de religie optreedt en hoe alle ethisch recht juist in dit religieuse recht van God op zijn creatuur wortelt 153). Alles gevolg van Kant’s slechts ten deele juiste poging, om het recht als schild der vrijheid op te heffen, of van Fichte om het uit den strijd tusschen de twee Ikken te laten opkomen. Reeds bij Hegel is het recht dan ook tot een zedelijkheid van lager orde vernederd. Volgens Ihering wordt het uit een „Zwecktrieb der Gesellschaft” geboren 154). Darwinistisch wordt het dan door anderen weer ineengezet, als mechanisch product van historische en uitwendige factoren; terwijl de latere Herbartianen er de kruik olie in zien, die de zeeman, om het gevaar voor schip en manschap te bezweren, over de kokende golven uitgiet 155). Maar hoe eindeloos deze voorstellingen over den oorsprong van het recht ook wisselen, dit blijft aan alle gemeen dat aan het recht eerst door den Staat, als orgaan der Maatschappij, de volle sanctie wordt opgedrukt. Jammer slechts dat, |39| Von Stahl nu uitgezonderd, voor geen dezer mannen de Staatsmacht zelf een constant begrip is. Nu eens toch drijft de macht van deze, dan van gene partij boven. Napoleon vervangen door de Bourbons, Bourbon voor Orleans bezweken, om zelf weder voor den derden Napoleon te wijken, aldus wordt de reeks van hen die zich beurtelings van het gezag in den Staat, omdat ze tijdelijk de sterkeren zijn, meester maken. Alzoo in den Staat heerscht wie feitelijk de macht in handen krijgt, en in dien sterkere, die recht en wet stelt, viert weldra het recht van den sterkere, nu niet alleen de facto, maar ook theoretisch zijn bedenkelijken triomf. Hiermeê nu valt vanzelf de grens weg, die de Overheid als van God verordende macht en het Volk als de door God onder die macht geplaatste maatschappij, vaneen scheidt. Beide immers gaan op in den éénen algenoegzamen Staat. Die Staat schuift zelf in de plaats van God 156). De Staat wordt de hoogste macht, en tegelijk de bron waaruit het recht vloeit. Er is niet meer een Overheidsmacht om der zonde wille, maar een Staat als het hoogste ideaal van menschelijke samenleving 157). Een Staat voor wiens apotheose een ieder de knie te buigen, bij wiens gratie een ieder te leven, aan wiens woord zich een iegelijk te onderwerpen heeft. En na aldus de grens tusschen Overheid en Volk, de grens tusschen de Overheid en Hem wiens dienaresse zij is, en zoo ook de grens tusschen het recht als Goddelijke ordinantie en het recht als magistraal gebod vernietigd te hebben 158), blijft er niets dan de ééne alvoorziende Staat over, waarin alle menschelijke energie haar ideale ontplooiing zoekt.

En hierin nu M.H. schuilt een dubbel, zeer ernstig gevaar. Want al heeft men de grens tusschen de Macht die heerscht en het Volk dat te gehoorzamen heeft, ook nog zoo welsprekend weggeredeneerd, die tweeheid bestaat toch. Een tweeheid, waaruit met noodzakelijkheid een tweeërlei streven voortkomt. Eenerzijds het streven van den Staat, om zijn heerschappij over het volk steeds verder uit te breiden; en anderzijds van het volk om zich zelf van dien Staat meester te maken. Zoo komt van den éénen kant het absolutisme weer om den |40| hoek gluren, en grijnst anderzijds de anarchie u tegen. Zoo, vraagt men nu reeds of het constitutioneele Staatsrecht zijn tijd niet heeft gehad en of het parlementaire stelsel zich zelf niet overleefde, om straks op de puinhoopen van onze burgervrijheid de heerschappij van Schleiermachers Virtuosen te vestigen, d.w.z. van wie geleerd is of geniaal 159). Een dacapo van onze aloude Pegenten-miserie, nú in het wetenschappelijk gewaad.

Maar natuurlijk daar kant het volk zich tegenaan. De grenzen zijn immers vernietigd; waarom dan nog wat hoog is geëerd en wat laag staat onmondig gehouden? Is niet rijk en arm een tegenstelling, die, waar álle grenzen vallen, op stuitende wijze uw onvolprezen harmonie verstoort? Waarom zal ik nog langer gehoorzamen, als het gezag geen steunpunt meer in de conscientie, het recht geen grondslag meer in eeuwige beginselen vindt? Uit den Staat komt immers de macht op, welnu wij zijn het volk; wij, de millioenen, maken den Staat uit; aan ons dan de macht, de macht ook om het recht te herscheppen, en dat recht zullen we u in zulk een vorm decreteeren, dat aan alle lust onzer zinnen worde voldaan. En wat nu zult ge, o, machtigen der aarde, wat, o, lofzingers op de Staatsapotheose tegen dezen rauwen kreet van het Nihilisme overstellen? De conscientie? Maar gij hebt ze ontwricht. De zedelijke begrippen? Maar ge hebt ze vlottend gemaakt. Den schrik van het oordeel? Maar ge lacht er zelven om. De majesteit der wet? Maar ge hebt ze ontheiligd. Den invloed der Kerk? Maar ge hebt dien vernietigd. Neen, niets, niets blijft u ten slotte over, dan uw macht. Op actueele, feitelijke macht staat heel uw gebouw opgetrokken. En nu, met uw macht kunt ge nog lang tegenworstelen, want uw legers zijn thans sterker dan ooit, en schriklijk is de vernieling die ze kunnen aanrichten. Maar wee u, als ten slotte in die legers zelf het gif binnensluipt, de kanker doorvreet. Dan is het uit. Dan werpt het door uzelf gewapende volk, eer de zon over dien dag der wrake is ondergegaan, met één slag heel uw betooverende macht ter neder, en hoonend zal het u, na u verpletterd te hebben, nog toeroepen: Er zijn immers geen grenzen meer! Het is al Evolutie geworden. Wat anders was het wat wij ook tot stand |41| brachten dan een moment, dat niet uit kon blijven, in uw pantheïstisch proces!

M.H. Max Müller heeft eens de Nirvâna van den Yoghui geteekend in het beeld van een lamp die wierd uitgeblazen 160). Welnu, naar zulk een sociaal Nirvâna, zie ik, zoo niets de verzwakking der grenzen stuit, ook de volkeren van Europa zich heenbewegen. Als in uw lichaam de grens tusschen uw aderweefsel en het vleesch uwer spieren verstoord werd, volgt met een •<"(6Z, die door niets is af te wenden, de ontbinding van het lijk.

*

III.

M.H. Noch het onoordeelkundig wapenen der Moblo’s noch Gambetta’s wild geroep, dat geen duimbreed, van den grond en geen steen van de veste mocht afgestaan, heeft voor nu twintig jaren het Fransche volk gered. Door de mazen van het ijzeren net, dat Von Moltke om Frankrijk spande, was niet door te sluipen; en te Frankfort, in de oude keizerstad, heeft de Galliër gecapituleerd. Daarom echter was Frankrijk nog niet weg. En toen het eindelijk wijs werd, zich aan Pruisen’s voorbeeld na den slag bij Jena, spiegelde, en, zijn chauvinisme met geweld bedwingend, zich op tucht en innerlijk krachtsherstel toelei, bleek het al spoedig nog zulk een veerkracht in zijn nationaal bestaan te bezitten, dat Duitschland’s keizer nu reeds onrustig werd, en 90.000 man per jaar meer vroeg, om gedekt te zijn op zijn grenzen. Ligt hierin ook voor ons niet een les, nu ik (het verflauwen der grenzen bewezen en het gevaar dat hieruit dreigt, aangetoond zijnde) thans sta voor mijn slotvraag. Wat hier weerstand biedt.

Want in waarheid, de toestand der geloovige Christenheid is op dit oogenblik niet zoo ongelijk aan dien van Frankrijk na Sedan en Gravelotte. De aanval, dien we te doorstaan hadden, is op niet één punt zegevierend afgeslagen. Veste na veste is prijsgegeven. Verraad is slag op slag in eigen boezem gepleegd. En vreugdedronken profeteert de vijand reeds den komenden dag van onzen volkomen |42| ondergang 161). En hierin heeft hij gelijk; want ook ik schaam mij over de lafheid en het gemis aan beleid, waarmeê, én in het laatste der vorige én in deze eeuw, de strijd van Christelijke zijde tegen het ongeloof is opgenomen; en zoo er één ding in staat was, om mij te sterken in mijn geloof, dat één Meerder dan wij zijn, voor zijn volk heeft gestreden, dan is het wel het verrassende feit, dat, niettegenstaande zoo laakbaren weerstand, onze kracht toch niet afnam, maar intensief stellig wies.

Van de blague zwijg ik. Van de holle phrase, waarmeê domme zelfgenoegzaamheid een oogenblik waande, een Strauss te kunnen afmaken, een Darwin te ontwapenen, een Kuenen buiten gevecht te stellen, is, God zij lof, de laatste nagalm onder ons weggestorven. Dat waren de smadelijke bulletins van het prinsje, dat bij Weissembourg de kogels had opgeraapt. Een hooghartig geroep van mannen, die toonden hun vijand, noch in zijn ernst, noch in zijn machtige wapenrusting te kennen. En zooals het altijd gaat met laffe, domme hoogheid, van de tien die toen zoo schetterend protesteerden, doen thans misschien acht met de ongeloofsbeweging meê.

Neen, als ik gewaag van geboden weerstand, dan denk ik daarbij zelfs aan dat machteloos gekef niet, maar heb ik het oog op de drieërlei ernstige poging, die is aangewend, om de bedreigde positie te redden, en waarbij men optrok onder het devies van den Verweerder, van den Makelaar, of met als veldteeken op zijn schild het Amphibie.

In de rol van den Verweerder heeft eerst een reeks van mannen het apologetisch beproefd. Zoo dikwijls een schans of buitenwerk wierd aangevallen, trok men er ijlings heen, om elk schot van den vijand met een schot uit eigen vuurmond te beantwoorden. Waar ook de vijand zich vertoonde, sloop men hem in loopgraven na; hoe dikwijls men ook met bebloeden kop huiswaarts keerde, toch hield men vol; en met een taai geduld, dat eerbied afdwong, ging het altoos lans tegen lans gekruist, kling op kling geslagen, soms dolk tegen dolk gewet. Maar hoe men ook van zich afsloeg, het hielp niets; want achter het ééne heirleger van bedenkingen, dat hoogstens een oogenblik wierd opgehouden, kwam aanstonds |43| een ander heirleger van nog zwaarder critische grieven opdoemen. En inmiddels liet men door den vijand het plan van den veldtocht bepalen; geraakte daardoor noodwendig in hopelooze verwarring; en werd zoo ten slotte van zijn basis van operatie afgesneden. Och, ge kent het droef verloop van dien apologetischen weerstand. Plattelands-schutterij die tegen de Pruisische garde wilde optrekken. En vandaar eindelooze concessiën, en nogmaals concessiën, tot ten leste den dappersten held het vuur in het oog dof werd, en de moed aan het matte hart, gegriefd door teleurstelling, ontzonk.

Geen wonder dan ook M.H. dat, met dit droeve schouwspel voor oogen, onze Vermittelungs-theologen zich meer door den rol van den Makelaar, (of van den Mittelsmann, gelijk onze Duitsche naburen zeggen,) voelden aangetrokken. Al te argeloos hadden zich onze apologeten in den ongelijken strijd gewaagd; zij met dieper blik, milder zin en rijper philosophische studie, zagen terecht het doellooze van zulk onhandig strijdvoeren in, en wierpen het toen, irenisch als hun aard was, liever op een geestelijk onderhandelen. Zoo togen ze, de witte vlag van den parlementair voorop, het veld in; lieten bij het naderen van den vijand hun trompetter het Pax vobiscum blazen 162); en beduidden al spoedig aan de mannen der moderne levensbeschouwing, dat zij voor het moderne leven, o, zoo warme sympathie en van de nachtschool, o zoo hartgrondigen afkeer koesterden; ja, dat hun niets liever, dat het hun een eere zou zijn, met de Modernen saam op te trekken, mits de naam van Christus maar in hun banier mocht prijken en de top van hun standaard gesierd bleef met het Kruis. En op dat beding zijn toen natuurlijk de onderhandelingen uitnemend gevlot. „Modern-orthodox”, een echt pantheïstische saamkoppeling 163), zou de naam van het nieuwe hulpkorps wezen. En zoo zag men toen de helden, die ons geloof zouden redden, al spoedig sappeursdienst voor den Tijdgeest verrichten, met de opruiming van „orthodoxe hinderdissen”, bij den gemeenen man, vooral ten plattelande, en voorts bij veel „Freules”, belast.

Edoch, of het onder den druk van de Genestet was, wie zal het zeggen, maar al spoedig hield ook die positie van den |44| middenman op te bekoren; en toen zag men ten slotte de mannen optrekken met in hun schild het Amphibie. Jacobi was er ook nog geweest, een loochenaar met zijn verstand, maar met zijn hart belijder. En als men nu dit gevoelsdualisme van Jacobi 164), nog met het philosophische monadisme van Herbart 165) en de Erkenntnisztheorie van Lotze 166) stutte, wat stond men dan veilig; wat bewoog men zich dan vrij; en hoe naar hartelust kon men dan met de critiek op de jacht gaan, en toch nog met het vrome vroüwke bidden. Dat was het. Hoofd en hart, denken en willen moest gescheiden; het Werth-urtheil was de tooverleus, die uit elke klem u redden kon. En zoo is toen het geslacht dier geestelijke amphibieën opgekomen, die, o, zoo dartel onderdoken in de diepte der moderne wateren; en dan toch weer tegen den oever opkropen, om meê te grazen in de malsche klaver van het vrome Christenland. Maar natuurlijk, ook hier kon geen verweer in schuilen. Een principieel dualisme levert geen stelsel. En bovendien onze Christelijke religie is nu eenmaal een geopenbaarde, historische godsdienst, en die deswege u op elk punt van den weg onverbiddelijk plaatst voor begrippen, die om ontleding roepen, en voor feiten, waaraan ge een plaats moet inschikken in uw kosmos 167).

Hoe hoog ik dan ook de intentie dezer drie categorieën van strijders waardeer, en hoeveel ik ook zelf aan hun detailstudie dank weet, ik kon mij niet in hun gelederen laten inlijven. Niet bij de Apologeten, omdat geen pleidooi u baat, waar de Rede partij en rechter tevens is 168). Niet bij de Mittelsmänner, omdat ze hun kracht uitputten in een monstrueus huwelijk, en wat hybridisch is niet pleegt voort te telen 169). Maar ook evenmin bij onze geestelijke Dualisten, omdat Logos en Ethos saam slechts over één bewustzijn beschikken, en al zulke geestelijke boedelscheiding op hypertrophie van het hoofd uitloopt, gepaard met atrophie van het hart 170).

*

Steeds is, waar verzet doeltreffend bleek, dan ook een geheel andere en veel veiliger weg ingeslagen. God roept Abraham |45| uit Ur; scheidt Israël van de volken af; en werpt aldus in het leven zelf een dam op tegen den vloed van het Paganisme. Christus komt en vormt in dat Israël een eigen levenskring, die door afscheiding van de wereld tot overwinning op den geest dier wereld wordt bekwaamd. En ook in de 16e eeuw is het nogmaals een zich terugtrekken op eigen gecreëerd terrein, om in dien eigen levenskring de kracht te herwinnen, en aldus niet door theorie of phrase, maar door een levensfeit en door levensdaden zich te sterken, voor de worsteling, die komt. Juist datzelfde dus waartoe Von Stein na Jena Pruisen opriep, en wat aan Frankrijk thans zijn kracht herschonk. Ik bedoel met het oog op onzen strijd, dat zij die nog geloof hebben en het gevaar van de verflauwing der grenzen inzien, beginnen moeten met een grens om hun eigen kring te trekken; binnen in dien kring een eigen leven moeten ontwikkelen; van dit aldus gevormde leven zich rekenschap hebben te geven; en alzoo eerst opwassen kunnen voor den strijd, die eenmaal aanvaard moet.

Dit is de eenige methode, die zoo dikwijls ze consequent werd toegepast, de vuurproef doorstond; waarvan ook Rome nooit afweek; en die ook nu de eenig rationeele zal blijken. Hoe toch is het Pantheïsme, hoe is de Evolutie tot zulk een ongekende macht opgeklommen? Toch niet door Kant of Hegel, door Darwin of Haeckel, alsof ooit één man den geest zijns tijds kon omzetten, tenzij hij zelf het kind van zijn tijd was 171). Neen, de stemming der gemoederen, de toon der ziele, de zin van het hart, heel het leven in zijn diepste roerselen was, op het laatst der vorige eeuw, tegen de grenzen, die God gesteld heeft, in verzet gekomen; het Pantheïsme zat in de lucht; en wat Hegel en Darwin, als kinderen van hun eeuw deden, was slechts de geboorte van het monstrum bevorderen, dat onze eeuw reeds lang in haar schoot droeg. En daarom baat het u niet, of ge al in woordenstrijd uw kracht uitput. Tegenover zoo machtige levensbeweging kan alleen de beweging van een antithetisch leven met hoop op goed gevolg worden overgesteld. Tegenover hen die de grenzen in het leven en in het bewustzijn verflauwen, moet gij zelf een |46| leven met scherp geteekende karaktertrekken overstellen; tegenover de wiegelende zwevendheden van het Pantheïsme de klare, heldere uitspraak van een oprecht omhelsde belijdenis; en zoo ook tegenover de verheffing van het woord der wereld, de absolute autoriteit van de Schrift. Aldus eerst krijgt ge weer een eigen basis van operatie, en ontstaat er een realiteit, die reeds als zoodanig invloed op uw omgeving uitoefent. Zoo alleen wordt vanzelf in uw front eene versterkte linie opgeworpen, die het u mogelijk maakt het leveren van den slag uit te stellen, tot ge u stil en rustig ontwikkeld, uw wapenen gewet en uw gelederen geoefend hebt. En ook, op die wijs alleen herleeft die heilige kameraadschap, dat vertrouwen op eigen zaak, en die geestdrift voor de kleuren van uw schitterend vaandel, die immers de kracht van elk leger verdubbelen.

Dat dit stelsel bange offers vergt, verheel ik u niet. Het dwingt u te breken met veel dat u aantrok. Het snijdt den vaak boeienden omgang met nobeler Heidenen voor u af. Er moet kras voor betaald worden. En ook, wat nog veel zwaarder weegt, het berokkent u, zoo ge cordaat zijt, allerlei familieongelegenheid, en bemoeilijkt zeer het vinden van een levenspositie voor uzelf en voor uw kinderen 172). Maar met de Schrift voor mij, zeg ik, dit offer moet gebracht. „Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” En ook de Christus is niet gekomen, om in pantheïstischen zin vrede te brengen, maar om de menschen tweedrachtig te maken, d.i. juist om een grens, die niemand uitwischt, te trekken tusschen wie den zoom van zijn kleed aangrijpt en wie hem verwerpt. Van exclusivisme moogt ge dit stelsel dus nimmer betichten. Daaraan staat schuldig wie eigendunkelijk een valsche grens trekt, en alzoo scheidt wat bijeen hoort. Maar nooit zal dit verwijt het door mij aanbevolen stelsel treffen, omdat juist waar de grens door uw diepste levensovertuiging bepaald wordt, het loketsysteem geoordeeld ligt en alle valsche scheidsmuur valt 173). Met een lichtschuw zich opsluiten in eigen kring heeft dit stelsel evenmin iets gemeen. Den Calvinist kon het Doopersche schuilen „met een boekske in een hoekske” nimmer bekoren. Bovendien, het wonen in een eigen huis sluit een |47| uitgaan op alle pad des levens, in het minst niet buiten. En ik zei er immers bij, achter onze linie wenschen we ons beter dan dusver te wapenen, om straks gereed te zijn voor den strijd.

Slechts van ééne pretentie, het is zoo, kan geen onzer daarbij afstand doen; ge moet het in ons dragen, dat we gelooven. Gelijk gij óns steekt, door uzelven als de Verlichten en Beschaafden aan te dienen, en zoo ons in den hoek van het „niet-denkend deel der natie”, terugdringt, moet gij het gedoogen, dat wij u prikkelen zoo dikwijls wij ons zelven als „geloovigen” van u, als het „niet-geloovend deel der natie” onderscheiden. Maar juist daar gaat de strijd dan ook om. Het is de bewaking van die grens, waarvoor wij heel het resultaat van ons leven op het spel zetten. Gij loochent den val in zonde, voor ons staat die val vast; en daarom juist kunt gij geen grens erkennen, die door het indalen van genade getrokken wordt, terwijl voor ons die overgang geen mindere is dan in het leven uit den dood.

Ik moet er meer bijvoegen. Ons is door Gods Woord geleerd, dat de zonde niet alleen den wil bedierf en den zin vervalschte, maar ook het verstand verduisterd heeft; en dus ook omgekeerd, dat de Palingenesie 174) niet enkel den wil ombuigt en den zin omzet, maar ook een eigen lichtstraal doet vallen in ons bewustzijn. Wie gelooft, ontvangt niet alleen een anderen indruk van het leven, maar wordt ook anders aangedaan in de wereld der gedachte. Een verschil dat ik u niet beter dan in Augustinus’ beroemd Interrogatorium weet te vertolken. Augustinus was eerst zelf pantheïst geweest, en had het zich toen niet anders kunnen voorstellen, of in de ~K80 175) zelf school God. Maar toen de Geest hem aangreep, en van den Jezus patibilis der Manichaeën 176) zijn zielsoog op den Man van Smarte richtte, toen ving hij met datzelfde oor, waarmeê hij eens de lichtdeeltjes in blad en stengel hoorde knappen 177), deze gansch andere sprake der schepping op: Toen, zoo schrijft hij in zijn Confessiones, „ondervroeg ik nogmaals de aarde, en zij antwoordde mij: Ik ben uw God niet, en al wat op de aarde uitsproot gaf een echo op dat ootmoedig belijden. Ik ondervroeg de zee en de afgronden en de gedrochten die zich in de kolken verschuilen; |48| maar ook hun stemme sprak: Wij zijn uw God niet, zoek Hem boven ons. Ik ondervroeg de winden, die om mij loeiden, maar heel de lucht met al het vogelenheir antwoordde: De philosophie dwaalt, wij zijn uw God niet. Ook ondervroeg ik de zon, de maan en alle schitterende sterren, maar ook zij hernamen: Niet in ons moet ge uw God zoeken. En toen sprak ik tot alle schepsel, dat mijn zinnen omgaf: Gij zegt: Wij zijn uw God niet, maar zeg mij dan iets van mijn God. En daarop riepen ze alle saâm met een groote stemme: Hij is het die ons geschapen heeft.” 178)

Plechtig en prachtig, M.H. Augustinus was nu een andere, en daarom hoorde hij anders en dacht hij ook anders. De stemme Gods hoorde hij toen tot zich komen in de Schrift. En ook daarin gevoelt ónze levenskring zich met Monica’s grooten zoon eenstemmig. Ook wij buigen voor dat Woord ons neder, en dies trekt ook die Schrift een grenslijn tusschen ons die achter onze linie kampeeren en u die er buiten leeft. En nu is mij vaak gezegd: Dat kunt gij niet meenen. Nog wel het vrome vrouwke, doch niet de man van wetenschap. En wie zijn fatsoen te grabbel wierp, riep mij na: „Ge meent niet wat ge zegt. Ge zijt een bedrieger”. Natuurlijk wie niet dom is, moet het met u eens zijn, of anders verdenkt gij onze oprechtheid 179). Dat liedeke kennen we vanouds. Maar dit stemt ge dan toch toe: Geloof in de Schrift kan nimmer resultaat van critiek wezen. Dan toch had tot dusver nog nooit iemand kunnen gelooven; de critiek immers is nog altoos niet gereed. En ook, hoe zou dan ooit de Schrift geloof bij de eenvoudige vromen kunnen wekken, die immers van critiek niets verstaan? Al is het dan ook volkomen juist, dat bij de Schrift tal van bezwaren en bedenkingen rijzen, die ook voor mij nog allerminst geëffend zijn, toch houdt mij dit niet op en stoort het mij niet, omdat ik sta op een ander standpunt. Geen minder dan Kant wraakte in 1794 „die Keckheit der Kraftgenies”, die zich aan deze norma van het geloof reeds ontwassen waanden, en voegde er toen deze hoogst ernstige woorden aan toe: „Als ooit de Schrift, die we nu hebben, haar gezag verloor,zou er nimmer weer een soortgelijk gezag kunnen opkomen, want een wonder |49| als dat van het Schriftgezag kan zich niet herhalen; eenvoudig, wijl het ondergaan van het geloof aan de Schrift, dat zoo eeuwenlang stand hield, vooruit reeds aan elk nieuw opkomend gezag het geloof zou ontnemen” 180). Van dat woord heb ik voor jaren reeds, toen ik het las, de diepe waarheid gevoeld. In de Schrift staat een ceder voor u van geestelijke autoriteit, die achttien eeuwen lang zijn wortelen uitschoot in den levensbodem van ons menschelijk bewustzijn, en in zijn schaduw is het religieus en zedelijk leven der menschheid zoo on noemelijk geklommen in waardij. Houw nu dien ceder om, en nog een wijle zal het groen aan zijn omgehouwen stam nabotten, maar wie, wie geeft ons straks een anderen ceder, wie aan de kinderen onzes volks een schaduw aan den zijne gelijk terug? Dit, dit is het, waarom ik, niet als resultaat van geleerdheid, maar met de naïeveteit van het kindeke, weer in stil geloof, voor die Schrift ben neergebogen, voor die Schrift geijverd heb, en nu jubel in mijn ziel en God dank, als ik het geloof in die Schrift weer zie wassen. Ge weet, ik ben niet conservatief, maar dit ja is nu mijn conservatisme: Ik tracht het looverdak van dien ceder voor ons volk te redden, dat het straks niet schaduwloos nederzitte in de dorre, de verzengende woestenij. Zóóals mijn Heiland aan Mozes en de Profeten geloofde, zoo en niet anders wensch ook ik aan de Schrift te gelooven. Want immers wie in zake de Schrift den Christus van dwaling beschuldigt, randt hiermeê het mysterie zelf aan, waarop heel Christus’ kerk gegrond staat, loochenende dat Hij zijn zou onze Heere, maar ook onze God 181).

*

De strekking van het stelsel, dat ik bepleit, doorziet ge dus. Een eigen levenskring, op den grondslag der Palingenesie, en een eigen levensbeschouwing, dank zij het licht, dat de Heilige Geest op den kandelaar der Schriftuur ontsteekt. Allerminst dus een lijdelijke groep van vrome mystieken, maar een eigen beginsel ook voor onze hoogere kennis; uit dit beginsel een eigen overtuiging afgeleid; en van die overtuiging de toepassing gezocht op al het rijke volle leven. Vandaar dat we niet kunnen stilzitten, maar onze overtuiging ook bij onze kinderen en |50| kindskinderen hebben voort te planten, en dies een eigen Christelijke opvoeding in het huisgezin hebben te steunen door een eigen Christelijke School. Ja, zelfs hiermeê kunnen we niet volstaan, want een groep in het volk, hoe vroom ook, staat machteloos en ongewapend, als ze niet ook mannen uit haar eigen midden kweekt, die in de hoogere sferen van het menschelijk bewustzijn zijn ingedrongen en zich met mannenmoed in het debat over de hoogere belangen der menschheid kunnen mengen. Zoo riep de Christelijke Lagere school straks om eigen Gymnasia, en mocht de kring der geloovigen zich evenmin aan de stichting ook van een eigen Universiteit onttrekken. Want immers nooit ten volle ontloken is uw menschelijk leven, zoolang ge dat leven ook niet voor uw denkend bewustzijn, d.i. wetenschappelijk, hebt verklaard.

En nu is het zeer zeker volkomen waar, dat zij die gelooven niet allen tot eenzelfde belijdenis kwamen, en dat, waar die eenheid van belijdenis ontbreekt, uiteraard samenwerking voor de toepassing van dit stelsel is uitgesloten. Het stelsel zelf brengt veeleer mede, dat niet alleen wij Calvinisten onzen eigen kring vormen, maar dat elke andere nationale groep van belijders desgelijks doe. Met name de principieele grens, die onze belijdenis van die van Rome scheidt, mag geen oogenblik worden prijsgegeven. Maar het hoofddoel, dat door ons stelsel beoogd wordt, kan hierbij geen schade lijden. Immers ook bij het zich vormen van twee of meer kringen, blijft ge toch uw positie in het leven zelf innemen; vormt ge een macht in de werkelijkheid; en juist in die realiteit vindt uw beginsel, een toebereide aarde, waaruit het de levenssappen naar zich toe trekt. Bij elk ander stelsel van verweer is er een strijd van meeningen, een worsteling met afgetrokken begrippen, een kamp die in de phrase beslist wordt, en waarbij men zich gemakzuchtig aan den veel pijnlijker levensstrijd onttrekt door het opheffen van de pantheïstische leugen, dat „de waarheid wel voor zichzelve zal strijden”, of ook „dat er niets gemaakt mag, maar dat alles moet groeien182). Fraaie theorieën, alsof er naar dien leugenachtigen maatstaf ooit een Israël in Kanaän, ooit een Christus in Bethiehem, ooit een Calvinisme in Nederland zou zijn gekomen. |51|

Dit ware zelf de grenzen uitwisschen, en bood daarom aan de verflauwing der grenzen geen weerstand. Gelukt het u daarentegen, om midden in uw land of volk twee of meer machtige levenskringen te vormen, die ten slotte elk ook hun eigen wetenschappelijke ontwikkeling erlangen, en in wier midden het vast geloof, dat God den hemel en de aarde heeft geschapen, alle pantheïstisch philosopheem, het „geboren uit de maagd Maria” alle stelsel van Evolutie uitbant; een kring waarin Gods Woord het gezag is waarvoor ieder buigt, en waarin, krachtens dat Woord, alle door God ingesteld gezag, alle hoog gebod, alle heilige ordinantie geëerbiedigd wordt, dan M.H., is de weerstand er; werkt hij spontaan, heel uw volk ten zegen; en doet hij zich vanzelf in kerk, in staat en maatschappij gelden door de realiteit van uw optreden en door het feit van uw bestaan. Of om het in één enkele gedachte saâm te vatten: Waar Pantheïsme en Evolutie saâm het roekeloos pleit bestonden, om ons door de verflauwing der grenzen naar de onklaarheid, straks door de uitwissching der grenzen naar den chaos terug te leiden, daar valt slechts één weerstand te bieden, maar dan ook een weerstand, die zich de profetie van triomf uit heel de historie hoort toefluisteren: Dit, dat ge scherp en beslist de grens tusschen uw levenskring en dien der Evolutie trekt en afpaalt, en binnen in dien kring, uit ontzag voor de majesteit des Heeren, élke grens, die Hij verordineerd heeft, eerbiedigt.


M.H. „In ’t isolement uw kracht” was de gulden spreuk, even kort als kernachtig, die onze eenige Groen van Prinsterer, eer hij wegstierf, aan de „issus de Calvin” tot lijfspreuk vermaakte. Van zijn dankbaren leerling hebt ge in dit uur voor dit zinrijk devies het zakelijk pleidooi beluisterd. Moge die zinspreuk er voor uw besef door gewonnen hebben aan beteekenis, aan bekoring en aan overtuigende kracht.

En bekroop u dan soms de vrees, of onder deze leus en met dit stelsel niet aan het Pantheïsme de poëzie, niet aan de Evolutie de eenheid van den Kosmos wierd prijs gegeven, hoor hier dan, hoe uit de tente der vromen aan alle einden der aarde ééne stemme opgaat, om al wat leeft en adem heeft, al wat denkt, en niet |52| denkt, in een geheel andere, in de eenheid van den jubel, te doen samensmelten, als de oude harpenaar hun voorzingt van een God „die aan de creaturen een orde gesteld heeft, een orde, die geen schepsel zal overtreden” 183), om nu, bij het geklank der cymbalen, dit hooge lied te doen uitgaan:

„Looft Hem, gij hemelen, en gij wateren die boven de hemelen zijt.

Looft den Heere, gij aarde, gij walvisschen en alle afgronden.

Looft Hem, gij bergen en alle heuvelen.

Gij wild gedierte en alle vee.

Gij vruchtboomen en gij cederboomen.

Gij koningen der aarde en alle volken.

Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen.

Dat zij allen den Name des Heeren loven!

Want Hij heeft den hoorn zijns volks verhoogd, den roem aller zijner gunstgenooten, des volks dat nabij Hem is.


Hallelujah!” 184)
*

Annalen

Voorlezing van de Annales Academiae pleegt den overgang te vormen van de rectorale redevoering tot de overdracht van het Rectoraat. Alsnu derhalve tot die voorlezing overgaande, veroorloof ik mij intusschen u mijn noot aan den voet der bladzijde te sparen, wijl daarin niets dan de statistische gegevens over promotiën, examina enz. zijn opgenomen 1). Slechts zij het mij vergund, uit die statistiek dit ééne punt te releveeren, dat het getal onzer studenten thans tot bijna honderd klom, en dat ik, op heden voor de derde maal als Rector aftredende, een grooter getal nieuwe kweekelingen in mocht schrijven, dan tot dusver ooit door een mijner geachte ambtgenooten of door mij werd geboekt. En hetgeen, voor wie op het innerlijk verband meer dan op het cijfer let, nog grooter oorzaak van verheuging biedt, is wel dat ons Academisch leven dezen cursus zoo geheel normaal en zonder stoornis verliep, dat er nauwelijks eenige moeilijkheid rees, en met een fervet opus alle arbeid rustig doorging. |54|

Juist die rustige gang echter, geeft mij ruimte en aanleiding, om, nu het koperen feest onzer Hoogeschool aanstaande is, een blik terug te werpen op het tijdperk van twaalf jaren, dat thans achter ons ligt, en kortelijk de vraag te stellen, in hoeverre de verwachtingen, waarmeê Op 20 October 1880 onze stichting optrad, geacht kunnen worden vervuld te zijn. En dan zij allereerst onze dank aan den Heere onzen God uitgesproken, daarvoor dat Hij den toeleg van onze tegenstanders niet deed gelukken, maar, zij het ook onder zwaren strijd, toch onze stichting in stand hield. Hij was het, die der vrije Universiteit een plaats in het hart van zijn Volk gaf; die veler beurs voor ons ontsloot; de onderwijskrachten, gelijk onze weinig ideale eeuw zegt, spaarde; en ons in klimmend aantal jonge mannen zond, die aan ónze leiding boven die der andere Universiteiten voorkeur gaven.

Maar hoe hoog gestemd die dank ook zij, toch voegt ons bij inkeering in ons zelven, de ootmoedige betuiging, dat we voor nu twaalf jaren, de moeilijkheden waarvoor we zouden te staan komen, onderschat hebben. We hadden niet op de sympathie van alle belijders des Heeren gerekend, maar toch wie had bij broeders, die met ons in het Kruis van Christus roemen, zóóveel bitterheid, zooveel onedele felheid, zoo soms zondigen haat mogelijk geacht? De mannen, met wie we uittogen op onzen weg, waren weinigen, maar op die weinigen rekenden we dan althans met ongeschokt vertrouwen; en, helaas, ook hierin werden we bij meer dan één, tot in ons College van Curatoren en Hoogleeraren, beschaamd. Zeker, het getal onzer katheders is uitgebreid, maar staat die kleine uitbreiding ook maar eenigszins in verhouding tot den geestlijken nood van ons land en volk? En toch wat het zwaarste bij mij weegt, is nog iets anders. De taak die we in 1880 ondernamen was geen mindere, dan om een hoogere, een wetenschappelijke ontwikkeling te geven aan hetgeen in onze Calvinistische kringen als in- en uitwendige realiteit geldt. Die taak nu stelden we ons niet licht voor, maar toch dat zij zoo zwaar zou blijken, is destijds door geen onzer vermoed. Veel sterker dan we aanvankelijk gisten, wreekte zich al spoedig |55| het gemis aan een eigen wetenschappelijke opleiding, die verband met ons beginsel hield. De studiën die we zelven in Leiden of elders volbracht hadden, gaven ons daarvoor letterlijk niets. En dat alles moest nu ingehaald in jaren, die voor het receptieve zich reeds minder leenen, en dat te midden van soms overstelpende ambtsbezigheid. Ook de gaping die in de historie tusschen de laatste wetenschappelijke levensteekenen van het Calvinisme én onzen tijd lag, bleek veel breeder, dan we gedacht hadden; en toch ook met de historie die daar tusschen lag en met den voortgang in de ontwikkeling van het menschelijk bewustzijn, behoorde gerekend te worden. En hieruit nu juist ontstond zoo ongelooflijke moeilijkheid omdat we den historischen draad niet mochten laten glippen, en toch bij de Calvinistische geleerden uit vroeger dagen zoo telkens vruchteloos het antwoord zochten, op de vragen die onze eeuw ons voorlegt. Daarbij kwam, dat we onderling in elke faculteit, en evenzoo de faculteiten als zoodanig, op elkander moesten aanwerken, en dienden te letten op het verband. Zou toch waarlijk uit den wortel van eenzelfde beginsel heel onze wetenschappelijke voorstelling opkomen, dan mochten de vragen die aan alle studiën gemeen zijn, niet door den één zus, door den ander zóó, beantwoord worden; maar was overeenstemming in inzicht eisch. Juist dit echter deed ons almeer de noodzakelijkheid inzien, om uit ons eigen vak, al meer af te dalen naar die algemeene, encyclopaedische vraagstukken, die voor alle vakken dezelfde zijn en aller studiën beheerschen. Zoo gevoelt ge, hoe wat eerst slechts het optrekken van een nieuwen gevel scheen, al spoedig bleek uit te loopen op het leggen van een nieuw fundament, ja op een heien onder dat fundament van nieuwe palen. Dit nu hield ons op; zoodat we lang nog niet zoover zijn, als we naar onze verwachtingen van vóór twaalf jaren, hadden moeten wezen; en dit is het, wat ons én om het gebrekkige van ons toenmalig inzicht, én om den tragen gang dien daardoor het werk nam, beschaamt.

En toch, vraagt gij mij nu van achteren, of ik het dan anders, zou gewild hebben, en of een lichtere opvatting van onze taak mij verkieslijk zou zijn geweest, dan antwoord ik in zoo |56| beslist mogelijken zin ontkennend. Want dit durf ik, zonder vrees van grootspraak getuigen, we zijn, dank zij juist dien zwaarderen arbeid, in die twaalf jaren zooveel rijker en rijper geworden, dat ik nu, met een klaarheid van inzicht, als toen niet mogelijk was, het welslagen van ons pogen durf profeteeren. We zullen als Calvinisten aan God en zijn Woord blijven vasthouden, en toch ons verheugen mogen in een helder wetenschappelijk bewustzijn, waarin ons beginsel voor elke wetenschap tot zijn recht komt. Mag ik dan ook den indruk, waaronder ik vóór twaalf jaren mijn Souvereniteit in eigen kring uitsprak, vergelijken met den indruk, waaronder ik thans in uw midden getuig, dan zou ik zeggen: De stemming is ernstiger geworden; we overzien nu het terrein beter; tegen de moeielijkheden, die op dat terrein zich voordoen, staan we nuchterder en kalmer over; en, gevoelen we thans veel sterker dan destijds de kleinheid onzer krachten voor zulk een reuzentaak, ook onder dat opzien leeft er nu toch in ons hart een meer gegrond en overtuigd vertrouwen op de hulpe van Hem, die ons riep.

*

Moge deze eenvoudige blootlegging van den toestand ook u niet onwelkom wezen, Hooggeachte heeren Directeuren, die immers niet anders met ons bedoelt, dan om door den schijn tot het wezen door te dringen. Onze beminde Voorzitter zal het in de Staats-commissie voor de Zuiderzee, het ordinaris lid Van der Hoop zal het als Gedeputeerde van Gelderlands Staten, elk op zijn eigen terrein wel ondervinden, hoe ongelooflijk moeielijk soms de verwikkeling der strijdende momenten kan zijn, en dies zult ge het ook in uw Hoogleeraren dragen kunnen, dat de gaven niet altoos met het ambt bleken te komen, en dat deswege meer tijd voor de afwerking van hun taak gevorderd wordt, dan ook gij allicht hadt vermoed. Zij het mij vergund, in naam van den Senaat u dank te zeggen voor wat gij ook dezen cursus voor onze stichting waart, en ons aan te bevelen in uw zoo hoog gewaardeerde gunste. Een aanbeveling die ik ook uitbreid tot de heeren plaatsvervangende |57| Directeuren, inzonderheid tot den heer Seret, wiens liefde voor ons volk en voor onze heilige beginselen reeds van zoo lange jaren dagteekent, en die door zijn optreden ook in eigen kring, ons opnieuw een bewijs geeft van zijn warme toewijding.

Zelven mannen van wetenschap, zult gij, Hooggeachte heeren Curatoren, allicht nog beter dan onze heeren Directeuren de pijnlijke gewaarwording hebben verstaan, waarmede ik zooeven in korte trekken het resultaat van twaalfjarigen arbeid schetste. Half werk leveren is nu eenmaal op wetenschappelijk terrein ondoenlijk. Wie in deze wateren visschen wil, moet wat de kenners noemen, diep liggen. Juist daarom verstaan wij het dan ook, dat gij liever het getal onzer katheders nog niet uitbreidt, zoolang de bodem daarvoor nog niet geëffend is, en liever met ons onzen God aanroept in den gebede, of Hij, die alleen de geesten schept, ook ons, als zijn tijd zal gekomen zijn, met mannen van vast geloof en diepen zin verrijke. Den heer Heemskerk, die thans voor het eerst in openbare zitting in uw midden verscheen, moge ik daarom een hartelijk welkom toeroepen, en hem evenzeer als u allen de verzekering bieden, dat de Senaat zich gelukkig gevoelt door heeren Directeuren onder zoo sympathiek College geplaatst te zijn; een sympathiek karakter dat door uw laatste aanvulling stellig in niet geringe mate won.

Van de drie Faculteiten had ongetwijfeld de faculteit, waartoe ik zelf behoor, het minst te klagen, wijl op ons erf nog verreweg het meeste was voorbereid; en ook lag in het groot aantal kweekelingen dat onze lessen bezocht, voor die lessen zelve een niet geringe bezieling. Zij het mij vergund, met dank aan God hierbij te voegen, dat de volkomen eenstemmigheid van inzicht, waarin ik mij steeds met u, mijne naaste ambtgenooten, Rutgers en Geesink, in die faculteit verheugen mocht, ook mij persoonlijk den arbeid steeds geer heeft verlicht. De Juridische faculteit had veel zwaarder taak, door de schuld onzer vroegere Calvinistische juristen, die, hoe zuiver ze ook veelal in de practijk liepen, toch voor de wetenschappelijke fundeering van hunne studiën maar al te veel aan u, mijne geachte ambtgenooten, te doen overlieten. Ook drukt uw faculteit nog steeds een onrecht |58| door de Overheid begaan, doordien ze den toegang voor uw kweekelingen tot het openbaar terrein zoo veelszins belemmerde. Toch is ook uw roeping zoo schoon en zoo verheffend, want ook in het Recht straalt de majesteit des Heeren uit; en niet het minst door de heiliging van het Recht moet een volk worden behouden. Spare Hij dan nog lang en verveelvuldige Hij u de kracht, om aan ons Christenvolk te geven, wat het nog nimmer bezat: een wetenschappelijk inzicht in het Recht, naar de heilige ordinantiën onzes Heeren. En gij, waarde Woltjer, nog altoos eenling in uw Litterarische faculteit, maar die toch ook zoo met glans de eere van heel een faculteit ophoudt, zeer zeker, de zwaarste taak hebt gij, naardien de afstand waarop uwe studiën van het beginsel verwijderd liggen, nog zooveel grooter is, dan bij de Theologen en Juristen. En toch als een rijk hoofd en een trouw hart de voor het wel gelukken van uw taak geëischte combinatie vormen, dan zal u gelukken wat ge in vertrouwen op uw God ondernaamt. Want juist de dege geleerdheid met een kinderlijk geloof vereenigd is het, wat elk onzer zoo dankbaar in u vereert. Nog gisteren kroonde onze God u met uw eerste promotie.

En nu, Mannenbroeders, wat gunste van, dien God was het, dat we in deze twaalf lange jaren, nog nimmer een geliefd ambtgenoot naar den doodenakker behoefden uit te dragen. Het graf is zoo diep ernstig. o, Blijve de Heere onze God ons nog in lengte van dagen aan elkander gunnen, en binde steeds inniger broederband ons in Christus saam. De tijden zijn zoo dreigend. Wie weet wat bezoeking van Gods hand ons in den nieuwen cursus wachten zal. Maar ook zonder zulk een plage kan de dood, ik herinnerde u straks aan Leiden, zooveel leegte in het universitaire leven slaan. In Leiden stierf ook Matthijs de Vries, een man dien ik immers ook in onzen kring noemen mag, omdat hij meer dan eenig ander hoogleeraar aan heel het vaderland toebehoorde. En ook, waar anderen misschien zwijgen konden, is het mij toch een behoefte, ook in dezen kring een woord van stillen dank aan zijn nagedachtenis te wijden. Want zoo er ooit eenige kracht van mijn taal, eenige bezieling van mijn woord uitging, ik heb het |59| hem te danken. Hij was het die mij meer dan iemand lust voor de wetenschap instortte. Ik heb voor geheel mijn vorming zoo meer dan ik zeggen kan aan dien trouwen vriend te danken. En zoo ik het aandorst, om ook in onzen kring de Nederlandsche taal te onderwijzen, het was omdat De Vries mij voor onze heerlijke moedertaal met een liefde bezield had, die nooit kan wegsterven in mijn hart.

Nog wel niet de dood, maar dan toch doodsgevaren omzweefden dit jaar ook ons Hospitium, toen én de heer Regent én Mevrouw de Directrice, door zeer ernstige krankheid bezocht werden. Zoo veel had het niet gescheeld, of beiden waren van ons weggenomen. En daarom vervult het ons met dank en blijdséhap, dat God ons gebed verhoorde, en beiden nog gespaard heeft. Moge het u, geachte ambtgenoot De Hartog, en met u aan Mevrouw de Directrice, gegund worden, spoedig de oude kracht te herwinnen, en worde onder uw beider leiding het Hospitium steeds meer wat het zijn moet: Een huis waar mannen gevormd worden voor den dienst der wetenschap, maar onder de tucht van de vreeze des Heeren.

En zoo kom ik van onse Hospitium ten slotte vanzelf tot u, heeren Studenten, jonge mannen, die, om Gods wil immers, andere Universiteiten meedt, en aan onze leiding u hebt toevertrouwd. Om dien moed, die reeds nu, maar vooral in de toekomst, veel van u vergt, gevoelen uw Hoogleeraren zich in heilige geestverwantschap nauw aan u verbonden. Wij ouderen in jaren verwarmen ons zoo gaarne het hart aan uw jeugdiger geestdrift. Laat dan die hoogere geestdrift in uw kring nooit gebluscht worden, en, ook als ge straks ons verlaat, u op uw pad door de wereld verzellen. Darwin riep eens zijn jeugdigen volgelingen toe: „Verzwijgt het toch nooit, maar spreekt het overal en in elken kring uit, dat ge Darwinisten zijt” 2). En dit was zielkundig juist gezien, want door een kloek optreden wint men het dubbel voordeel, dat men zelf moediger blijft en anderen wint voor zijn overtuiging. En daarom zeg ik ook tot u, spreekt het voor elkander, spreekt het in elken kring |60| steeds kloek en moedig uit dat ge het nakroost zijt, en zijn wilt, dier Calvinistische vaderen, die in de vreeze Gods zoo wondere kracht ontwikkeld hebben. Maar ik zeg meer. Niet alleen kloek in woorden moet dit beginsel uitgesproken, maar ook in daden, in heel uw levenspositie moet het vertolkt. En daarom dring ik u tot zelfonderzoek, ook in uw Corpsleven. U was daarin de schoone taak voorgesteld, om het gulle vrije studentenleven naar het Calvinistische type te hervormen, te verrijken, te heiligen. En nu, twaalf jaren liggen achter u. Zijt ge geslaagd? Is uw doel bereikt? Ik oordeel niet, ik vraag slechts; maar bij de liefde die ge ons beginsel, bij de de hooge sympathie die ge onze Universiteit toedraagt, bid ik u, rust niet, eer ge ook uw studiën en uw studentenleven aan die hoogere roeping doet beantwoorden. Ons volk zal er u om liefhebben en de gunste onzes Gods zal er u voor kronen.

*

En nu mijn laatste taak, de overdracht van het Rectoraat. Naar rangorde hadt gij zelf hier moeten staan, mijn geachte ambtgenoot en hooggeachte vriend Lohman. Nu verzocht ge mij voor te gaan; en hieraan dank ik de anders zoo zeldzame gelegenheid, om openlijk getuigenis af te leggen van den hoogen prijs waarop ik uw bezit, als een gave Gods, én ter wille van ons volk, én om mijzelven, waardeer. In u is zoo niets van een pantheïst. Alle grenzen zijn bij u zoo scherp geteekend. Gij weet, Schopenhauer koos ten titel van zijn hoofdwerk: Die Welt als Wille und Vorstellung, de wil als kracht voorop. Mij dunkt, had hij u gekend, uw beeld zou hem onder het schrijven gedurig voor den geest hebben gezweefd. Want dát is het wat bij uw persoon zoo telkens tot dank en tot bewondering stemt, dat in geheel uw optreden zich rusteloos die doorzettende wilskracht openbaart, die u zelven voor geen offer terug deed deinzen, die uw woord in het debat tot zulk een machtig wapen maakt, en die een persoonlijke kracht van u doet uitgaan, in welken kring ge ook optreedt. Daardoor blijft het spoor zoo diep ingedrukt dat ge op uw pad achterlaat en schijnt het vaak, of de identiteit van een kracht die soms wel moet afstooten, en toch tegelijk zoo |61| sterk aantrekt, in u verpersoonlijkt is. Op u blijft het oog van ons Calvinistisch volk gericht, op u staat de hope gebouwd voor onze politieke toekomst. Schenke uw God, die u aan dat volk verbond, u dan licht en kracht, om het te leiden naar een gelukkiger toekomst. En nu, hoe zou wie een geheel Departement met zooveel eere bestuurd heeft, een zoo kleinen kring als onze School niet veilig sturen kunnen. Zoo draag ik dan mijn rectorale waardigheid op u, Hoogwelgeboren, Hooggeleerde De Savornin Lohman over. Salve Rector, iterumque Salve! Zij uw Rectoraat een glanspunt in ons Academisch leven, en berge het in zijn schoot de vervulling van de bede waarmede ik eindig: Dat ze in stand blijve, dat ze bloeie, dat ze groeie, onze stichting! Of, om het naar ouden trant in het Latijn uit te roepen:


Vivat,

Floreat,

Crescat,

Academia.




Ik heb gezegd.

*



Aanteekeningen

1. Friedrich Nietzsche was van 1869-1879 eerst buitengewoon, en toen gewoon hoogleeraar in de Philosophie te Bazel. In 1879 werd hij door een zwaar zenuwlijden aangegrepen, ten gevolge waarvan hij tot 1889 meest non-actief was, met behoud van zijn traktement.

2. De titel is: Fr. Nietzsche, Also sprach Zarathustra. Ein Buch für Alle und Keine, in vier deelen, waarvan het laatste deel pas in 1891, twee jaren na zijn verwijdering uit de maatschappij, door anderen is uitgegeven. Het manuscript is van 1885.

3. Over den verbazenden opgang, dien Nietzsche al meer onder het jonge Duitschland maakt, zie men wat Dr Hugo Kaatz schrijft: „Als Friedrich Nietzsch vor drei Jahren dem Wahnsinn verfiel, nachdem er in einer groszen Reihe von Werken seine Geistesschätze niedergelegt hatte, war er ein unbekannter Denker, in dessen Einsamkeit kaum ein Laut herübertönte, kaum eine Kunde, dasz man da drauszen anfing, sich über die neu emporsprieszenden Geistessaat zu verwundern. Denn überall begann sie jetzt zu Tage zu treten. Bald ward eine der scharf geschliffenen Poincten Nietzsches zum Motto einer modernen Tragödie gewählt, bald eine seiner prägnanten Wendungen dem ständigen Sprachgebrauche einverleibt. Dann versuchte hie und da ein kleiner Essai, in kurzen Strichen ein Bild dieser neuen Weltanschauung zu entwerfen, und heute kann man von den Fachzeitschriften abgesehen, kaum einen Aufsatz lesen, welcher das philosophische Gebiet auch nur streift, ohne dem Namen Nietzsche’s zu begegnen.” Die Weltanschauung Nietzsche’s, Dresden und Leipzig 1892. II. Vorrede V u. VI. Zelfs in Frankrijk trok deze schrijver zoozeer de aandacht, dat de Figaro aan Nietzsches toenemenden invloed een premier-Paris van een zijner beste redacteuren wijdde. Zijn voornaamste werken zijn: Morgenröthe, Genealogie der Moral, Menschliches Allzumenschliches, Fröhliche Wissenschaft, Jenseits von Gut und Böse, en Also sprach Zarathustra. |66|

4. Zie Dr. Hugo Kaatz, Die Weltanschauung Nietzsche’s. I. p. 76: „Es ist mehrfach gezeigt worden — die Menschen der „modernen Ideen” werden das allerdings nicht zugeben wollen — dasz die moderne Cultur unaufhaltsam abwärts geht, ins „Dünnere, Schwächlichere, Mittelmäszigere”. Es wäre aber grundfalsch, hierbei von „Corruption”, von „Entartung” zu reden. Die Begriffe, „Corruption,” „Décadenz” sind nicht culturfeindlich, sondern cultur fördernd, ebenso wie das Böse culturfördernd ist.”

5. Zie Dr. Kaatz. o.l. I. p. 23: „Die Juden sind es gewesen, die gegen die aristokratische Werthgleichung (gut = vornehm = mächtig = schön = glücklich = gottgeliebt) mit einer furchteinflöszenden Folgerichtigkeit die Umkehrung gewagt und mit den Zähnen des abgründlichsten Hasses (des Hasses der Ohnmacht) festgehalten haben, nämlich „die Elenden sind allein die Guten, die Armen, Ohnmächtigen, Niedrigen sind allein die Guten, die Leidenden, Entbehrenden, Kranken, Hässlichen sind auch die einzig Frommen, die einzig Gottseligen, für sie allein giebt es Seligkeit, — dagegen ihr, ihr Vornehmen und Gewaltigen, ihr seid in alle Ewigkeit die Bösen, die Grausamen, die Lüsternen, die Unersättlichen, die Gottlosen, ihr werdet auch ewig die Unseligen, Verfluchten und Verdammten sein.” Mit dieser Werthumkehrung beginnt der Sklavenaufstand in der Moral, jener Aufstand, welcher eine zweitausendjährige Geschichte, hinter sich hat und der uns heute nur deshalb aus den Augen gerückt ist, weil er — siegreich gewesen ist . . . Der Sklavenaufstand in der Moral beginnt damit, dasz das Ressentiment selbst schöpferisch wird und Werbe gebiert: das Ressentiment solcher Wesens, denen die eigentliche Reaktion, die der That versagt ist, die sich nur durch eine imaginäre Räche schadlos halten.” Cf. Nietzsche, Die Genealogie der Moral. Lpz. 1892. p. 25.

6. Zie Also sprach Zarathustra. IV. p. 54.

7. Dr. Kaatz. o.l. I. p. 29.

8. Also sprach Zarathustra. IV. p. 50. De Christus wordt hier ingevoerd als „der freiwillige Bettler”, die door Zarathustra te midden zijner koeien betrapt wordt. Eerst had Christus zich tot de menschen gewend. „Aber sie nahmen mich nicht an, sagte der freiwillige Bettler, du weisst es ja. — So gieng ich endlich zu den Thieren und zu diesen Kühen.”

9. Cf. Dr. Kaatz, o.l. I. p. 127: „Die Stunde, wo ihr sagt: „Was liegt an meinem Mitleiden! Ist nicht Mitleid das Kreuz, an das Der genagelt wird, der die Menschen liebt? Aber mein Mitleiden ist keine Kreuzigung.”

Spracht ihr schon so? Schriet ihr schon so? Nicht eure Sünde — eure Genügsamkeit schreit gen Himmel, euer Geiz selbst und eure Sünde schreit gen Himmel! |67|

Wo ist doch der Blitz, der euch mit seiner Zunge lecke? Wo ist der Wahnsinn, mit dem ihr geimpft werden müsztet? Der Uebermensch ist dieser Blitz, der ist dieser Wahnsinn! Der Uebermensch ist der Sinn der Erde. — En p. 122, 3: „Ihr Grundglaube musz eben sein dass die Gesellschaft nicht um der Gesellschafts willen dasein dürfe, sondern nur als Unterbau und Gerast, an dem sich eure ausgesuchte Art Wesen zu ihrer höheren Aufgabe und überhaupt zu eurem höheren Sein empor zu heben vermag: vergleichbar jenen sonnensüchtigen Kletterpflanzen auf Java — man nennt sie Sipo Matador — welche mit ihren Armen einen Eichbaum so lange und oft umklammern, bis sie endlich, hoch über ihm, aber auf ihm gestützt, in freiem Lichte ihre Krone entfalten und ihr Glück zur Schau tragen können. Und irgendwenn, in einer stärkeren Zeit, als diese unsere selbstzweiflerische Gegenwart ist, musz er uns doch kommen, der erlösende Mensch der groszen Liebe und Verachtung, der schöpferische Geist, den seine drängende Kraft aus allem Abseits und Jenseits immer wieder wegtreibt, dessen Einsamkeit vom Volke miszverstanden wird, wie als ob es eine Flucht vor der Wirklichkeit sei —: während sie nur seine Versenkung, Vergrabung, Vertiefung in die Wirklichkeit ist, damit er einst aus ihr, wenn er wieder an’s Licht kommt, die Erlösung dieser Wirklichkeit heimbringe: ihre Erlösung von dem Fluche, den das bisherige Ideal auf sie gelegt hat. Dieser Mensch der Zukunft, der uns ebenso vom bisherigen Ideal erlösen wird, als von dem was aus ihm wachsen muszte, vom groszen Ekel, vom Willen zum Nichts, vom Nihilismus, dieser Glockenschlag des Mittags und der groszen Entscheidung, der den Willen wieder frei macht, der der Erde ihr Ziel und dem Menschen seine Hoffnung zurückgiebt, dieser Antichrist und Antinihilist, dieser Besieger Gottes und des Nichts — er muss einst kommen . . .”

10. Zie Also sprach Zarathustra, IV. p. 130 sqq. en Dr. Kaatz, het hoofdstuk: Der Uebermensch, p. 121 v.v.

11. Dr. Kaatz o.l. I. p. 78. Cf. Nietzsche, Die Fröhliche Wissenschaft Lpz. 1887 p. 153.

12. Also sprach Zarathustra IV. p. 77. Nog een sterker haten van God spreekt uit deze woorden: „Gott is todt; aber so wie die Art der Menschen ist, wird es vielleicht noch jahrtausende lang Höhlen geben, in den man sein Schatten zeigt. Und wir — wir müssen auch noch seine Schatten besiegen. Zie Fröhliche Wissenschaft, p. 137, No. 108.

13. Ibidem. p. 115. Van Dr. Kaatz, te Posen, vernam ik, dat men zijn waanzin voor „unheilbar” hield, en dat hij thans niet meer in een gesticht, maar bij zijne moeder „Frau Pastor. emerit. zu Nauenburg a/S. verpflegt wird.” De Figaro deelde mede, dat zijn waanzin den droeven vorm had aangenomen, waarvan ik sprak. Hij verloor zijn verstand in 1889. |68|

14. Mabdîl is het deelwoord van Habdîl, dat beteekent scheiding maken. Zoo heet het Gen. 1 : 4 dat God „scheiding maakt tusschen het licht en de duisternis”; Gen. 1 : 6, dat Hij „scheiding maakt tusschen wateren en wateren”; Gen. 1 : 14 „tusschen den dag en de nacht.” En zoo ook op geestelijk gebied moet er scheiding zijn „tusschen het heilige en het heilige der heiligen”, Exod. 26 : 33; „tusschen het reine en het onreine”, Lev. 11 : 47; „tusschen goed en kwaad”, 2 Sam. 19 : 35; „tusschen het onheilige en heilige”, Ezech. 22 : 26; 42 : 20 enz.

15. Sommige Duitsche schrijvers noemen daarom het Pantheïsme liever het „All-Ein-sysem”. Zie over dit ~+< 6" B<, Jäsche, Gesch. des Pantheïsmus, Berlin 1826 I, p. 56.

16. Zie over deze aantrekkelijke zijde van het Pantheïsme Dr. Spaeth, Theismus und Pantheismus, Oldenburg, s.a. p. 7, 8: „Wie es eine Vorstellung von Gott giebt, welche ihn als Person setzt, aber in solcher Weltferne, dasz die Welt seiner nicht weiter zu bedürfen scheint und das Herz ihm in Andacht nicht mehr recht nahe kommen kann, so giebt es andererseits auch eine Weltanschauung, welche die Gottheit ganz in die Welt hineinziehen will, aber es so thut, dasz sich dabei ein hoher Grad von religiöser Wärme entwickeln kann, ein Pantheismus, welcher im Gefühl der unfaszbaren Grösze Gottes es erträgt, ihm keine Persönlichkeit beizulegen aber vor allem das „in ihm leben und weben und sind wir” betont.” Ook G.M. Schuler, Der Pantheismus gewürdigt durch Darlegung und Wiederlegung, Würzburg, 1884, p. 52: „Ein solcher seiner und seines Werkes unbewuzster Gott ist der Gott des Schelling’schen Pantheismus, eines Systems, das, als es noch neu war, eine immense Anziehungskraft geäuszert, ja eine Art Rausch hervorgebracht hat, was sich nur durch das poetische Gewand erklären läszt, in welchen dieses neue Evangelium auftrat. War Fichtes Theorie mehr Phantasie als Philosophie, so war die des Schelling mehr Poesie als Philosophie.” En Dr. E. Schmidt, Ueber das Absolute und das Bedingte, Parchim 1833, p. 59: „Unter denjenigen Irrthümern, welche auf der Verwechselung und Vermischung der oft genannten Begriffe beruhen, ist der wichtigste, indem er nicht blosz der gewöhnlichste, sondern auch der verführerischste und gefährlichste ist, der Pantheismus, oder vielmehr, um uns eines weitern und hier passendern Ausdruckes zu bedienen, die All-Eins-Lehre, indem, wie wir sogleich sehen werden, letztere nicht allemal Pantheismus ist, sondern auch in andern Gestalten auftritt.” Over het verband van Pantheïsme en Religie zie Dr. Spaeth l.l. p. 10.

17. Vedanta is de naam van een der Buddhistisch philosophische scholen, die naast de Sankhya den meesten invloed oefende, en welker stelsel wij vooral kennen uit Sankara’s systeem. De Vedanta, hoewel philosophie en geen theologie, sluit zich niettemin nog aan de Veda’s aan. Ten onzent is de |69| philosophie der Vedanta geïntroduceerd door A. Bruining, Bijdrage tot de kennis van de Vedanta, 1871. Hierom, en omdat ze ook overigens de meest bekende is, noemde ik haar, om een concreten naam te hebben. In de South Place Institution lectures van ’88 (ed. 1890) komen, zoo van het Buddhisme als van de Indische philosophie, een tweetal aantrekkelijke lezingen voor van Mrs. Frederica Macdonald; zie pag. 112-141.

18. Kong-tsé, is de naam, die als Confucius meer bekend is. Zijn stelsel mag nauwlijks een religie heeten. Het gaat bijna geheel in plichtsbetrachting op. Lao-tsé daarentegen, de stichter van het Taöisme, die zijn stelsel in de Taö-te-King achterliet, was een mystiek pantheïst, wiens warmte u aantrekt en wiens diepzinnigheid u boeit. Zie over hem A. Rémusat, Mémoire sur la vie et les opinions de Lao-tseu, 1820. M. Balfour schetst het oorspronkelijk schoone, en het latere verval van het Taöisme in zijn South Place Institute lecture (ed. 1890) p. 55.

19. De Japaneezen zelven noemen deze religie Kami no michi. De naam Shinto is de Chineesche term waaronder deze godsdienst het meest bekend is. Zij werd staatsgodsdienst in 1868, doch is zoo ondiep en oppervlakkig, dat ze in puren vormendienst opgaat en zelfs geen moreel beginsel heeft. Dat velen, die de Shinto zijn toegedaan, zich thans ook Christenen noemen, verklaart zich hieruit, dat ze niet het Evangelie, maar het Modernisme voor Christendom aanzien. Zie Mrs. Bishop (Isabella Bird) in de South Place Institute lectures p. 89. Het Buddhisme, dat ook in Japan doordrong, greep veel meer de religieus gestemde gemoederen aan; en ook nu nog zijn de Buddha priesters in Japan de pleitbezorgers van allen vromeren zin. De lagere volksklasse kleeft meest een vermenging van de Shinto met de Buds-do aan, bekend onder den naam van Riso-bu-Sintho. De geleerden zijn meestal de Sju-to toegedaan, een Japansche vorm van Confucius’ stelsel. Cf. J. Reed, Japan, its history; traditions aud religions, London 1880, Deel II.

20. Zie over deze onderscheiding tusschen de verschillende vormen van het Pantheïsme H. Maret, Der Pantheismus in der modernen Gesellschaft, Duitsche vertaling van Widmer, Schaffhausen 1842, p. 92: „Der Pantheismus bietet uns zwei Ansichten dar, die ihrer Wichtigkeit wegen insbesondere zu betrachten sind; denn ohne diese nothwendige Unterscheidung würde in diese unsere Darstellung Verwirrung kommen. Der Pantheismus bietet sich uns unter zwei sehr entscheidenden Formen dar, vorerst unter der Form, des religiösen Lehrbegriffes; dann unter der Form eines philosophischen Lehrbegriffes; dann unter der Form, eines philosophischen Systemes. Die erstere Form des Pantheismus erscheint nur als Entwickelung eines groszen religiösen Irrthums, welche eine der Grundlagen des alten Polytheismus war, und unter dem Namen System der Emanation bekannt ist”. |70|

De Fransche uitgave kon ik niet spoedig genoeg vinden. Vandaar, dat ik mij met de Duitsche vertaling behielp. Over het practisch Pantheïsme vgl. G.M. Schuler o.l. p. 131 v.v.

21. De Nirvâna is een uitdrukking voor het grondelooze niets, waarin de Buddhist wil terugzinken. Zie Max Muller, Essays, Lpz. 1869. I. p. 243-52. Die Bedeutung der Nirvâna. Onder Syzygiën verstonden de Gnostieken, vooral de Valentiniaansche, denkbeeldige huwelijken tusschen de Aeonen, d.i. de geestelijke machten, die in paarsgewijze tegenstelling uit den Urgrund opdoemden.

22. Jacob Böhme (1575-1624) was een innig vroom man, maar die geheel afdoolde op de paden der pantheïstische Theosophie. Zijn werken zijn het eerst door een Nederlander, Hendrik Beets te Amsterdam, uitgegeven. De beste uitgave is die van Scheibler, Lpz. 1831-46 in zes deelen. De werken van Mad. de la Motte Guyon zijn door de Perfectionistische beweging van Pearsall Smith weer in zwang gekomen, gegoten in een Protestantschen vorm. Zie b.v. „A short method of prayer and spiritual Torrents” door A. Marston, London 1875. Een boekske dat verrukkelijk veel schoons vermengt met hoogst bedenkelijke dwaling.

23. Schelling heeft op later leeftijd gebroken met zijn oorspronkelijk stelsel, en is toen tot het Christendom teruggekeerd, maar om ook dit te gieten in een vorm, die meer philosophisch dan religieus was, en juist daardoor nog wel zooveel verwoesting aanrichtte als zijn oorspronkelijk Pantheïsme.

24. Het is volkomen waar, dat Schleiermacher er met nadruk tegen opkomt, dat God en de wereld identisch zijn. Hij neemt ze als correlaat aan. Cf. Schleiermacher, Dialectik, Berlin 1839. ed. Jonas. p. 162 § 219. Maar niettemin zegt hij: „Von der Idee der Welt ist uns eben so wenig das Seyn an sich als das Seyn im Gegensatz gegen Gott gegeben”, p. 165, en evenmin kan er z.i. sprake zijn van een Seyn Gottes ausser der Welt, p. 157. Elders zegt hij: „Gott ist nicht ohne die Welt zu denken; so wie man ihm gleichsam vor der Welt denkt, merkt man, dass man nicht mehr dieselbe Idee hat”, p. 162. In zijn stelling: Der Irrthum ist Sünde aber unvermeidliche, p. 193, komt het zelfde streven uit. Het is op elk punt altoos het accepteeren van de pantheïstische formule, maar onder een, door die acceptatie machteloos, protest. „Es ist also eben so wahr, dass das ganze Seyn stokt, als dass das ganze Seyn in bestandigen Fluss ist”, p. 129. § 196. Dat vooral Schelling hierin nawerkte, erkent ook Th. Ueberweg, Grundriss der Gesch. der Philosophie, 7e ed. Berlin 1888, p. 359: „Die Art, wie Schleiermacher den Gegensatz und die Einheit des Realen und Idealen in Natur und Geist näher bestimmt, ist zu meist durch Schellings Identitätslehre bedingt.” Zie Sch.’s eigen oordeel over het Pantheïsme, dat hij blijkbaar vergoelijkt. Reden über die Religion p. 112. |71|

25. We hebben hier voornamelijk het oog op den Duitschen Réveil. De Engelsche en Zwitsersche Réveil bekreunde zich weinig om theologische constructie van de waarheid, en zocht meer heil in Methodistische nuchterheid. In ons land liepen beide, de methodistische en mystieke stroomingen, naast elkaar. Thans echter is de invloed van den Duitschen Reveil, in zijn Schleiermacheriaanschen vorm, ook in ons land oppermachtig geworden, en werkt ook in Zwitserland (Astié), en Engeland (Maurice) al meer door.

26. Dit alles ging uit van de identiteit van geest en natuur, waarvan Schelling de realiseering zag in het Woord dat vleesch wierd. „Was wäre die Menschwerdung, Gottes ohne die Menschwerdung der Natur? In jener offenbart sich das Geheimnisz der Gottheit, in dieser der Natur. Die höchste Religiosität, die sich in dem christlichen Mysticismus ausdrückte, hielt das Geheimnisz der Natur und das der Menschwerdung für eines und dasselbe. Diese Indentität zu erkennen, ist die Aufgabe der wahren Gnosis, die eins ist mit der Philosophie. Wir sind an dem Punkt, in welchem der historische Charakter der christlichen Religion sich vollendet, und damit die historische Construction des Christenthums. Dieser historische Charakter fordert nicht blosz die Menschwerdung Gottes, die als eine göttliche und ewige That durch die Menschwerdung der Natur hindurchgeht und sich in dem sittlichen Universum der Geschichte rein und ohne Hülle offenbart, sondern den menschgewordenen Gott in realer Erscheinung, in einer wirklichen historischen Person, die in die Weltgeschichte eintritt, vollendend und abschlieszend die alte Religion, begründend und eröffnend die neue, das Weltreich des Geistes. Ohne eine solche Erscheinung kann die christliche Religion selbst nicht historisch werden. Die erste Idee des Christenthums ist daher nothwendig der menschgewordene Gott: Christus als Gipfel und Ende der alten Götterwelt.” Vgl. Kuno Fischer, Geschichte der neueren Philosophie. Heidelberg VI. p. 822,3. Over het dogma S. Trinitatis Zie Schelling, Sämmtliche Werke, Stuttgart 1857. IIb p. 76 v.v. Naast Schelling heeft vooral Von Baader op deze richting invloed geoefend.

27. Maret, Der Pantheismus in der modernen Gesellschaft, Schaffhausen 1848, p. 29, merkt niet ten onrechte op, dat deze pantheïstische neiging ten deele verklaard moet uit het eclecticisme, dat er aan voorafging. In den grond toch stelt het eclecticisme, dat er geen verschil bestaat tusschen de verschillende zienswijzen, dat geen grens ze scheidt, dat aller uitgangspunt identisch is, en bereidt aldus op de identiteitsphilosophie en haar practiscbe toepassing voor. „Der Eclecticismus strebt nothwendig zum Pantheismus, ja er ist nicht anders, als ein verstellter Pantheismus”, p. 30. Zie over de verbreiding van deze pantheïstische neiging Schuler o.l. p. 8. Bosen, Das Christenthum und die Einsprüche seiner Gegner, Freiburg 1861, p. 192, spreekt van den „ausserordentlich grossen Einflüsse, den die Verbreitung pantheistischer Anschauungen in allen Kreisen der modernen Cultus gefunden hat.” Eveneens zegt de anonieme |72| schrijver van de General sketch of the History of Pantheism, Londen 1879. II. p. 263: „In the present day Pantheism, either conscious or unconscious, shares but with a very large majority — with Agnosticism the best intellects of the day”. Vooral in een Engelschman is deze opmerking van gewicht. Vgl. ook Jäsche, Geschichte des Pantheismus, I, p. 1-52.

28. Dit hooge zelfbewustzijn ontwaakte na de smadelijke toestanden in de tweede helft der vorige eeuw, eenerzijds door de „hauts faits et gestes” van de Fransche Revolutie en de actie die tegen haar in het leven werd geroepen, en anderzijds door den materieelen vooruitgang in de tweede helft dezer eeuw. Toch mag ook hierbij niet miskend, dat aan onze negentiende eeuw zeldzame gaven zijn geschonken, iets wat bij den Tijdgeest gemeenlijk evenals bij de Virtuosen van ons geslacht prikkelt tot zelfverheffing. Dat dit in de 16e eeuw anders was, lag aan het religieus karakter van de toenmalige actie. Maar juist die ontbreekt thans geheel.

29. Vgl. Romang, o.l. p. 28: „Das Eigenthümliche des gegenwärtigen Bildungszustandes wird, unsern frühern Andeutungen gemäsz, wohl darin erkannt werden müssen, dasz durchgängiger als nie dasz Bewusztsein über die kindlich gemüthliche Stufe zu einer nüchternen Verständigkeit übergegangen, dabei aber die Gesinnung egoistisch geworden ist, das Subject sich auf sich selbst zurückzieht, sich selbst zum Princip alles Erkennens und Thuns, zum Mittelpunkt aller Dinge machen möchte, und demnach ihm nichts mehr eine rechte Bedeutung behält, als das selbst, das Individuum und das die Einzelwesen zusammen befassende Allgemeine”. Zie ook Feuerbach II. p. 410. Ook Dr. Baumann, Geschichte der Philosophie nach Ideen, Gehalt und Beweisen. Gotha 1890. p. 342.

30. Het verband tusschen de zinnelijkheid en onze toenemende macht over de natuur is onmiskenbaar; niet alleen in zooverre deze macht de weelde voedt en aan de genotzucht voldoening schenkt; maar ook doordien in het denken de natuur eene grooter plaats inneemt. Men weet dan ook hoe het zinnelijke bij Feuerbach tot principe verheven is, en hoever de school reikt, die alle weerstand bieden aan het zinlijke, als ascetische verminking bestrijdt. Dr. Schaden, Ueber d. Gegensatz des Theistischen und Pantheistischen Standpunkts, Erlangen 1848, zegt dan ook terecht: „Bei Feuerbach ist die Sinnlichkeit die Identität von Seyn und Denken”. p. 117.

31. Schuler o.l. p. 71.

32. Ibidem. Vorrede p. 1.

33. Zie de aanhaling onder nº. 27. De schrijver van de |73| General Sketch of the History of Pantheism is zelf beslist phantheïst, en is een der weinigen die hiervoor uitkomen en er hun eere in stellen.

34. Met name is door Mariano, d’Ercole, Spaventa en Ragnisco het Hegelianisme gepropageerd. Zie Ueberweg, o.l. II. p. 533. Schuler p. 31. noot.

35. De erkentenis hiervan, en de klacht hierover is zoo algemeen, dat er wel oorzaak voor de Philosophie is, om niet te hoog te roemen op wat ze ons, na al wat ze wegbrak, ter woning aanbood. Niet alleen ootdeelt Nietzsche zoo ongunstig (zie Dr. Kaatz o.l. I p. 77); maar ook Erdmann, Grundriss der Gesch. der Philosophie Berlin 1870. II. p. 840, klaagt over de „Philosophische Abgelebtheit” van onzen tijd, en troost zich dan met het uitzicht, dat de Geschichte der Philosophie misschien weer een nieuw philosophisch leven wekken kan. Hij schrijft toch: „Worüber philosophirt wird, ist im Grunde gleichgültig, darum hat zu allen Zeiten die Philosophie das zum Object genommen, was gerade die Zeit am meisten interessirte, die Natur,den Staat, das Dogma, u.s.w. Warum also nicht jetzt die Geschichte der Philosophie? Dass aber diese jetzt nicht anders als philosophisch pflegt behandelt zu werden, ward bereits am Schluss des § 13 bemerkt. Der Klage gegenüber also, dass nicht mehr philosophirt, sondern nur Geschichte der Philosophie getrieben werde, aus Philosophen Historiker geworden seyen, liesse sich geltend machen, dass die Philosophiehistoriker selbst zu philosophiren pflegen, und so vielleicht auch hier dieselbe Lanze, welche verletzte, auch Heilung bringen kann.” Thilo, Kurze fragm. Gesch. der neuern Philosophie. 2e ed. Göthen 1881, herinnert niet ten onrechte aan het woord van Herbart: „Dürfen wir uns preisgeben der lächerlichen Einbildung, was der neueste, der jüngste Lehrer, der zuletzt aüfgetretene Schriftsteller vortragen, das sei das Wahre, denn die Zeit ist im beständigen Fortschreiten! Wie? Diese Zeit wäre im Fortschreiten, wohl gar in einern sicheren Fortschreiten alles Wissens und Denkens nach allen Seiten; diese Zeit welche an allen Irrthümern der Vergängenheit leidet, welche matt und schwach geworden ist über den Ungestüm, welchen früherhin die streitenden Meinungen haben ausbrechen lassen!” II. p. 434. Cf. het beeld van het nachtlicht, bij Schuler o.l. p. 84.

36. Vgl. Erdmann o.l. II. p. 839: „Wie sehr das philosophische Interesse gegen das historische zurücktritt, beweist vor Allem die Thatsache, dass soviele philosophische Köpfe sich ausschliesslich in diesern Gebiete bekannt gemacht haben. Die Namen und Werke derselben sind um so weniger hier anzuführen, als sie theils zum § 13, theils an den gehörigen Orten in vorliegender Schrift genannt worden sind. Mancher derselben hat ausser historischen Arbeiten über die Philosophie auch rein philosophische Arbeiten geliefert, sie sind aber über jenen entweder fast ganz ignorirt, wie dies bei Sigwart, Zeller der Fall ist, oder doch weit gegen die historischen Arbeiten |74| zurück gestellt worden, was hinsichtlich Ritter’s und Prantl’s Niemand leugnen wird.” En bij de lezers, zoo merkt hij op, grijpt hetzelfde plaats: „Und wie die Autoren ungern aus dem historischen Theil in den eigentlich philosophischen hineinzutreten scheinen, ganz so scheint uns eine ganz gleiche Abneigung der Leser zu begegnen. Mancher dieser Philosophen weiss nicht, dass es Bibliotheken gibt, in welchen der kritisch-historische Theil seines Werkes ganz zerlesen, der speculative nicht aufgeschnitten ist, und die Meisten müssen darauf gefasst sein, dass man den historischen Bestandtheil mit Interesse, darum auch so, dass man das därin Gesagte behält, den speculativen bloss aus pflichtgefühl und darum ohne nachhaltige Wirkung liest.” p. 839.

37. Spencers hoofdwerk is A system of synthetic philosophy, van 1862-79 uitgekomen, geheel geschoeid op de leest der Evolutie-theorie. Agnosticisme is een naam, die ook aan andere verwante systemen gegeven wordt; maar Spencer is toch de man die het stoutst de mogelijkheid van metaphysische kennis geloochend heeft. De ware zijde van dit Agnosticisme is, dat het een grens voor onze menschelijke kennis erkent. Zie ook C. v. Nägeli, Mechanisch-physiologische Theorie der Abstammungslehre, München 1884. p. 555 v.v. Die Schranken der naturwissenschaftlichen Erkenntnisse.

38. Herbart, die formeel zich aan Kant aansloot, gaf het Monisme prijs, en stond daardoor, zoolang Hegels invloed duurde, in de schaduw. Sinds echter Hegels invloed tanen ging, kwam Herbart steeds meer in trek. Beneke bewoog zich geheel op zijn voetspoor. Cf. Ueberweg o.l. II. p. 443. „Anfangs sehr isolirt hat Herbart später einen zahlreichen Kreis von Schülern gefunden, und namentlich in Oesterreich giebt es noch viele Anhänger von ihm.” Vooral Von Trendelenburg staat scherp tegen hem over. Lotze, daarentegen, hoewel geen Herbartiaan, staat toch sterk onder zijn invloed. En in het algemeen kan gezegd, dat de Neukantianen, meer uit Kant, over Herbart, verder pogen te komen, dan in de lijn Fichte-Schelling-Hegel.

39. Op theologisch gebied is het Nieuw-Kantianisme vooral door Ritschl en zijn school vertegenwoordigd. Zie G.Ch. Bern. Pünjer, Gesch. der Christ. Religionsphilosophie. Brunswijk 1883. II. p. 300 en 340 v.v. en Ueberweg. o.l. II. p. 464.

40. Zie Vincenz Knauer, die Hauptprobleme der Philosophie von Thales bis Hamerling. Wien und Leipzig 1892. Aan Hamerling alleen wijdt Knauer een vierde gedeelte van zijn boek, en conclusie is „dass mit Robert Hamerling die Entwickelung und Lösung der philosophiscben Probleme vorläufig ihren Abschluss erreicht hat” p. 408. Ook Hamerling is evenals Herbart Monadist.

41. Goethe, Leiden des jungen Werthers, 1e boek, brief van 18 Augustus. Ed. Stuttgart. 1868. Goethe, Sämmtliche Werke. VII. p. 43. |75|

42. Het sterkst komt dit uit bij Schelling, die wel in latere jaren aan het Pantheïsme den rug toekeerde, maar de macht miste, al redde hij zichzelf ook, om het opschieten van het booze zaad, dat hij in vroeger jaren had uitgestrooid, te beletten. Hoe het Pantheïsme, na op den katheder verlaten te zijn, in de lagere sferen voortleeft, merkt ook Maret o.l. op, als hij zegt, p. 213: „Von ihren Principien aus legen die Pantheisten den Grund neuer Systeme, in Bezug auf die Philosophie der Geschichte, und theilen dieselbe allmählig denkenden Köpfen mit; man findet diese Systeme in der Litteratur, in den Romanen, in Zeitschriften und bis zum Bereich der Politik. Wir haben schon bemerkt, dasz diese Theorien allzeit getrennt von ihren Prinzipien vorkommen, und da ist der Punkt, wo die Gefährlichkeit derselben eintritt. Würde der Pantheismus in seiner Nacktkeit hervortreten, hätlte er eine grosze Zahl der Geister gegen sich. Aber man verdeckt und verkleidet ihn; man läszt ihn von Auszen nur im Glanze sehen; man stellt die Theorien leicht verständlich dar, so dasz sie die Quellen zur Erlernung aller Dinge darzubiethen scheinen. Viele unvorsichtige Menschen lassen sich einnehmen durch solche trügerische Lockspeisen”.

43. Bedoeld is: v. Nägeli, Mechanisch physiologische Theorie der Abstammungslehre. München 1884; Eimer, Die Entstehung der Arten auf Grund vom Vererben erworbener Eigenschaften nach den Gesetzen des organischen Wachsens; en Wigand, Der Darwinismus und die Naturforschung Newtons en Cuviers. Brunsw. 1874/75. Vooral v. Nägeli toonde onweerlegbaar aan, dat door de sexueele selectie wel physiologische, maar geen morphologische veranderingen konden tot stand komen. 2e ed. II. 236-50. Ook Brown en Broca hadden soortgelijke bedenking geopperd. Hiervan nu zegt Darwin zelf in de 2e ed. van zijn: The origin of species, Londen 1878. p. 171: „There is much force in the above objection”, en voorts: „In the earlier editions of this work I underrated, as it now seems probable, the frequency and importance of modificatians due to spontaneous variability. But it is impossible to attribute to this cause the innumerable structures, which are so well adapted to the habits of life of each species. I can no more believe in this than that the well-adapted form of a race horse or grey hound, which before the principle of selection by man was well understood, excited so much surprise in the minds of the older naturalists, can thus be explained”. En evenzoo, in de 2e ed. (27e duizend) van zijn Descent of Man. Londen 189o.: „But I now admit, after reading the essay by Nägeli on plants, and the remarks by various authors with respect to animals, more especially those recently made by Professor Broca, that in the earlier editions of my „Origin of Species” I perhaps attributed too much to the action of natural selection or the survival of the fittest”. Zie ook Von Hartmann, Philosophie des Unbewussten, Leipz. 1889. III. 333 v.v.

44. Vooral op de speciale studiën houde men het oog gevestigd. Vele |76| theologen, juristen, historici enz. zijn geen philosofen van professie; maar moeten toch zekere philosophische gegevens hebben om verder te komen. En nu vindt men tegenwoordig bijna op het terrein van alle deze speciale studiën het Theïsme verlaten en het Pantheïsme ingehaald. In de populaire handboeken gaat dit dan nog wilder toe.

45. S. Brunner, Keilschrifen. Regensb. 1856. G. Schuler o.l. p. 34.

46. Goethe, Zahme Xeniën. VI. Der Pantheist. Zie Sämmtl. W. ed. Stuttgart 1868. XIII. p. 99. Er volgt op:

Es lehrt ein grosser Physicus
Mit seinen Schulverwandten
Nil luce obscurantius
Ja wohl! für Obscuranten.

47. Maret. o.l. p. 213.

48. Gedoeld wordt op de bekende woorden uit Bürgers Leonore

Und immer weiter, hopp hopp hopp
Gings fort im sausenden Galopp.
Dass Ross und Reiter schnoben
Und Kiess und Funken stoben.

49. Met opzet wees ik op Longfellows Excelsior, omdat dit prachtige gedicht, keer op keer, geheel tegen de bedoeling van den schrijver misbruikt wordt, in den zin van een pantheïstischen Fortschritt. De jongeling van Longfellow wil de Alpen op, stijgt, tegen alle raadgeving in, al hooger, en vindt in een ijskloof den dood. En nu wijst het laatste Excelsior (zie Ed. Lond. 1889. p. 91) naar den hemel.

„There is the twilight cold and gray
Lifeless, but beautiful, he lay
And from the sky, serene and far,
A voice fell, like a . . . star,
Excelsior!”

50. De „Fortschritt”, de Vooruitgang, die thans Schlagwort en modeterm wierd, is niet langer een levensspreuk, die bezielt en verheft, om ons uit te drijven naar het ideaal; maar feitelijk niet anders dan de practische formule voor de eeuwige onrust, die het denkbeeld van het pantheïstisch proces in het gemoed veroorzaakt. Vandaar dat dit roepen van vooruitgang geen kracht meer oefent, om ons verder te brengen, maar wel het pessimisme voedt, door ons alle tevredenheid met wat we bezitten, uit het hart te bannen.

51. BV<J" Õgà 6" @Û*¥< :X<g4 beteekent: Alles is steeds bezig te worden en het is nooit. |77|

52. Schuler. o.l. p. 71. De naam Fortschritts-gott is natuurlijk een zinspeling op den „wordenden” God van het Pantheïsme; een voorstelling, waar ook de nu pas overleden Renan in deelde. Zie Revue des deux mondes 1863. p. 773.

53. De bekende uitdrukking van C.J. Kraus. De moeilijkheid van een definitie schuilt in tweeërlei: 1º. dat bijna geen enkel pantheïst weten wil, dat hij het is; en 2º. dat het Pantheïsme, krachtens zijn natuur, zoovele variatiën toelaat, en als begrip zoo principieel onbegrensd is, dat men nooit inductief tot een begripsbepaling komen kan. Herder ontkende zelfs dat Spinoza pantheïst was. Cf. Dr. E. Schmidt, o.l. p. 61. Zie ook Maret, o.l. p. 29; Dr. Mayer, o.l. p. 81; Schuler, o.l. p. 9; Hodge, System. Theology, Londen 1878. I. p. 299; en vooral Jäsche, I. p. 52-107. Vandaar tevens de moeielijkheid, om uit te maken of de godsdienstige voorstellingen der oude Egyptenaren, Babyloniërs enz., metterdaad pantheïstisch waren. Cf. Dr. Chantepie de la Saussaye, Lehrbuch der Religionsgeschichte. Freib. 1887. I. p. 275. Ook staat de schematische indeeling van het Pantheïsme nog verre van vast. Zie B. Ulrici in Herzog, Real Enc. der Theol. in voce en Romang, o.l. p. 26. Het lag niet op mijn weg, hierop in te gaan, daar niet het Pantheïsme, maar de Verflauwing der grenzen mijn onderwerp is, en juist in het uitwisschen der grenzen door mij de nota characteristica van alle Pantheïsme gezien wordt.

54. Dat de wezenlijk onderscheidende karaktertrek, van het Pantheïsme in niets anders dan in de uitwissching der grenzen schuilt, is niet alleen mijn opinie. Ook Dr. Schmidt, o.l. p. 62, zegt: „Diejenige Ansicht nun, von der wir reden, und deren Bestreitung wir uns vorgesetzt haben, ist die welche das Vorhandensein eines absoluten Gegensatzes oder Dualismus, einer absoluten Verschiedenheit in der Natur der Dinge läugnet. Der Gegensatz mag sein, welchen man immer will, der zwischen Gott und Welt, zwischen Sein und Denken, Idealem und Realem, Geist und Materie, Ich und Nicht-Ich, Subjekt und Objekt, u.s.w.; so hat es in Beziehung auf einen jeden Ansichten gegeben, welche denselben für blosz relativ, nicht für absolut erklärten; und behaupten, dasz jede beiden Entgegengesetzten doch nur eine Einheit ausmachten, und wenn auch, in der Erscheinung und äuszerlich getrennt, doch „in ihren Grunde uud Wesen” nur Eins seien. Solche Ansichten kann man unstreitig mit vollem Rechte durch den allgemeinen Namen der All-Eins-Lehre, auch wohl, wie man eine Art derselben in unserer Zeit genannt hat, der Identitätslehre bezeichnen.” Cf. General Sketch of Panth. II. p. 280; Schuler, o.l. p. 9 en 21; Froschhammer, Einleitung in die Philosophie, München 1858. p. 417.

55. Het geroep om „gelijkheid”, waar feitelijk in de natuur en ook onder menschen, het geestelijk zoowel als het lichamelijk bestaan geheel ongelijk is, en de uit dit geroep voortkomende neiging tot nivelleering, was in de Fransche |78| revolutie slechts de practische uiting van de geestesdispositie, die op wijsgeerig gebied tot het Pantheïsme, Panlogisme en Pankosmisme leidde. Cf. Schuler, o.l. p. 131 sq. en Romang, o.l. p. 33.

56. Cf. Thilo. o.l. II. p. 427; Maret, o.l. p. 205: „Wir haben gesehen, mit welchem Eifer der Pantheismus die Einheit der Substanz und des Seins verfolget. Aber die Einheit des Seins kann nur als Identität der Dinge begriffen werden. Wenn alles Eines ist, ist alles identisch. Demzufolge ist die glorreichste Eroberung des Pantheismus, die ihm so werthe Formel A. A., durch welche er die allgemeine Identität der Dinge, das Ziel aller seiner Anstrengungen, ausdrückt.” Cf. Biedermann, Kirche der Gegenwart, 1847. p. 231; en Schaden, o.l. p. 143.

57. Al ontkende Kant toch niet, dat ook de Noumena bestonden, toch wierd z.i. het beeld onzer waarneming uitsluitend subjectief geformeerd. Want, ook al bleef hierbij de vraag open, op wat wijs er van de noumena uit zekere Anregung op ons uitging, toch was het niet deze prikkel, maar het prisma van het subject, waardoor het beeld tot stand kwam.

58. De behoefte om het zijn met het denken te dekken kon niet haar volle bevrediging erlangen, zoolang nog de noumena, zij het ook slechts pro memorie uitgetrokken, het denken bleven tarten, en de Practische Vernunft naast de reine Vernunft op schoot. Het doel kon dus eerst bereikt, door óf van de twee termen subject en object, gelijk Fichte deed, het object te schrappen, óf, gelijk Hegel het nog sterker waagde, object en subject beide in het logisch denkproces te laten opgaan.

59. Cf. Maret, o.l. p. 205: „Unterdessen besteht der menschliche Geist nur durch derlei Unterscheidungen. Erkennen, heiszt unterscheiden; Verhältnisse aufstellen, heiszt Unterschiede festsetzen; einen Gegenstand nennen, heiszt ihn als von allen andern Gegenständen verschieden bezeichnen; eine Idee haben, heiszt eine besondere Existenz sich vorstellen; wir können einzig unter solchen Bedingungen denken, reden, handelen. Die Intelligenz, die Gesellschaft, das Leben lassen sich ohne dieselben nicht begreifen.” Niet gaarne stel ik tegen de verwarrende denkgymnastiek van het Pantheïsme d.i. het „Panlogisme” het gezond verstand over; wijl op dit „gezond verstand” thans zoo vaak door de lage gemeenheid beslag wordt gelegd, om de ideale wereld te loochenen, en te lachen met elk mysterie. Maar niettemin is het volkomen juist, dat de identiteitsgedachte, waarin het denken zijn triomf wil vieren, het denken zelf ontzenuwt, door het te berooven van zijn klaarheid en nuchterheid. Want zeer zeker zoekt alle denken de algemeenheid, maar . . . ze heeft aan deze eenheid niets zoo het bijzondere onder deze denkoperatie te loor gaat. Dan wordt het een eenheid door opsmelting, en is het resultaat een vermenging, die alle denken tart. |79|

60. Cf. Schuler, o.l. p. 12.

61. Schuler, o.l. p. 12.

62. Origenes’ overtuiging, dat de wereld eeuwig was, slaat niet op de aarde, gelijk ze nu is, maar bedoelde dat men zich God ook in de eeuwigheid terug niet zonder een wereld kon denken. Zie BgD •DPä<, III, 5, 3. De kerkelijke veroordeeling van Origenes, hoe hard ze ook schijne bij een man van zoo uitnemende gaven en innige vroomheid, mocht toch niet uitblijven. Het Pantheïsme mocht zelfs in zijn Origenistischen vorm niet in de kerk toegelaten, wilde ze haar wereldroeping vervullen. En juist de uitnemendheid van Origenes’ persoon maakte zijn haeretischen invloed des te bedenkelijker.

63. Cf. Biedermann, Freie Theologie, p. 208: „Die freie Theologie musz als das Erste und Letzte das festhalten, dasz alle Gestaltungen, alles was überhaupt auf irgend eine Weise für den Menschen ist, aus dem Schosze des menschlichen Wesens selbst hervorgeht, dasz der Himmel, mit welchem Worte der Mensch seine Heimat seine Schwerpunkt, seine Seligkeit, seine Ewigkeit bezeichnet, wo sein Gott ist, von wo aus er sich ihm offenbart, wohin er ihn erhebt, nicht über, sondern in dem wirklichen Leben auf Erden zu suchen ist.”, Bekend is ook het slot van Strauss, Glaubenslehre: „Das Jenseits ist in allen der Eine, in sein Gestalt als Zukünftiges aber der letzte Feind, welchen die speculative Kritik zu bekämpfen, wo möglich zu überwinden hat.” § 106, p. 739.

64. De natuur doet geen sprongen. Onder Evolutie- of Descendenztheorie verstaat men het stelsel, volgens hetwelk alle verschijnselen, zoo in het somatische als psychische leven, zonder schepping der soorten, zich uit een eenvoudige nevelvlek, cel of kiem ontwikkeld hebben. De nevel-hypothese toch van Laplace, al zocht ze meer het ontstaan der hemelbollen te verklaren, berust op dezelfde gedachte, die in de Evolutie-theorie heerscht. Het Hylozoïsme ligt op dezelfde lijn. Lamarck in zijn Zoölogie philosophique ging van dezelfde hypothese uit. Het bekende anonieme werk: The vestiges of creation, zocht dezelfde gedachte uit te spinnen. Zelfs kan men zeggen dat Charles Darwin veel minder ver ging, en zelfs nog minstens drie of vier oorspronkelijke typen stelt. Darwin, Origin of species, e.d. l. p. 424. Toch is Darwins hoofddenkbeeld thans ook door hen aangenomen, die evenals Owen, Von Hartmann, Nägeli en anderen zijn Selectie-theorie verwerpen. Doch dit is slechts een verschil in modaliteit. Wat Darwin mechanisch, door zijn Selectie-theorie verklaart, verklaren zij uit de ingeschapen of eeuwig inwonende potenz.

65. Deze twee behoort men wel te onderscheiden. Het is toch geheel iets anders, of ik de somatische en psychische verschijnselen, elk op zich zelf, als een afzonderlijke genetische reeks neem, of wel, dat ik ook tusschen deze beide |80| reeksen het principieel verschil ophef, en dus ook de psychische verschijnselen, ’tzij dan mechanisch of organisch, uit een gemeenschappelijk BDäJ@< verklaar.

66. Von Hartmann, Phil. des Unbewussten, Leipz., 1889. III. 46.

67. Gen. sketch of Pantheism. Lond. 1879. II. p. 263.

68. Dit blijkt reeds uit Von Hartmann zelf, die hoe kras hij ook tegen de Selectie-theorie in verzet komt, toch met de Evolutie-theorie dweept. Ook Nietzsche, die terecht opmerkt hoe Darwin in zijn theorie, dat het sterkere het zwakkere verdringt, voorbijzag dat „die Schwächeren Geist haben, und dadurch oft mehr Macht”, bestrijdt de Decendenz-theorie allerminst. Zie Kaatz o.l. I. p. 89. De Evolutie-theorie is wetenschappelijk alleen te bestrijden door op het ongenoegzame van hare bewijzen nadruk te leggen, en te erkennen, wat van Christelijke zijde ook nimmer betwist is, dat elke voorafgaande formatie in de scala der schepping, wel terdege praeformatie is voor de volgende hoogere formatie. Bovendien moet dankbaar erkend, dat de onderzoekingen ten behoeve van deze theorie ruime winste voor onze kennis leverden, en ons hergaven, wat te veel te loor ging, het besef van de eenheid der natuur, en ons meeleven met haar als aan ons verwant.

69. Dat Darwin zelf nog aan een God gelooft (zie Origin of Species, p. 421, 2) en in zekeren zin de schepping vasthoudt, zegt niets. Maar het feit mag daarom niet worden voorbijgezien, dat tal van Theïsten zich meenen te kunnen handhaven door de evolutie-theorie in dier voege te accepteeren, dat God zelf de potenz voor geheel deze rijke organische ontwikkeling, en dat wel teleologisch, dat is, met het oog op het eindresultaat, in het oorspronkelijke creatuur, of ook in de eeuwige kiem van al het gewordene heeft ingelegd. Dit echter komt geheel neer op de atheïstische theorie van Murphy en Owen, alleen met dit verschil, dat bij deze Theïsten nog God heet, wat Murphy natuur noemt, Zie Murphy, Habit and intelligence, in their connection with the Laws of matter and force, London 1869 I. p. 348.

70. Darwin geeft zelf toe, dat hij op verre na niet in staat is, het feitelijk bewijs voor zijn theorie anders, dan bij zeer gebrekkige inductie, te leveren. Van de lange scala, die volgens zijn theorie, de laagste plant genealogisch met den mensch moet verbinden, is niet de helft, niet een vierde, niet een duizendste der sporten aanwijsbaar; en de theorie moet zich dus behelpen met de conclusie uit betrekkelijk zeer weinige verschijnselen tot alle die er geweest zijn, maar te loor gingen. Hij zegt er van: „I can answer these questions and objections only on the supposition that the geological record is far more imperfect than most geologists believe. The number of specimens in all our museums is absolutely as nothing compared with the countless |81| generations of countless species which have certainly existed. The parentform of any two or more species would not be in all its characters directly intermediate between its modified offspring, any more than the rockpigeon is directly intermediate in cropand tail between its descendants, the pouter and fantail pigeons. We should not be able to recognise a species as the parent of another and modefied species, if we were to examine the two ever so closely, unless we possessed most of the intermediate links; and owning to the imperfection of the geological record, we have no just right to expect to find so many links.” Origin of Species, p. 408. Even onbevredigend is nog het vraagstuk der hybridische dieren opgelost; want wel poogt Darwin deze moeilijkheid op te lossen, maar hij eindigt toch met ook hier zijn onkunde te belijden: „He who is able to explain why an elephant and others are uncapable for heeding, when kept under confinement, will be able to explain the primary cause of hybrids being so generally sterile”. Ibidem p. 252. Vandaar dat hij op elk punt van zijn bewijs, zich bepalen moest tot een „most probable”, en een „I believe”. Zoo zegt bij op blz.424: „I believe that animals are descended from almost only four or five progenitors, and plants from an equal or lesser number.”

71. Zie Dr. Baumann, Gesch. der Philosophie nach Ideën, Gehalt und Beweisen, Gotha 1890, p. 342.

72. L. Feuerbach, Sämmtl. Werke. II. 410.

73. L. Büchner, Sechs Vorlesungen über die Darwinsche Theorie, 2de ed. Leipz. 1868. p. 125. Cf. Hodge, o.l. p. 17.

74. Deze ~?D@H heeft volgens Valentinus twee energiën, de ééne *4@D4FJ46Z, om de grenzen naar buiten in stand te houden, en de andere ©*D"FJ46Z, om van binnen in elk wezen de harmonie te bewaren. En deze ~?D@H was noodig, omdat de E@n\" tot den !ÛJ@BVJTD wilde doordringen. Een diep opgevatte teekening van het gevaar der pantheïstische philosophie. Zie G. Heinrici, Die Valentinianische Gnosis. Berlin 1871; Kurtz, Lehrbuch der Kirchengeschichte. Lpz. 1880. I. p. 75.

75. Kosmos IV. p. 356. Cf. Schuler, o.l. p. 114.

76. Von Hartmann, o.l. III p. 46. Zie voor de Evolutieleer in zake de religie A. Réville, Prolégomènes de l’hist. des religions. Paris 1886. p. 92 v.v. en Jaeger, Die Darwinsche Theorie und ihre Stellung zur Moral und Religion, Stuttgart, p. 112 v.v. (Jaeger is zelf Darwinist).

77. Dr. Chantepie de la Saussaye Jr. o.l. p. 9. Wat hij hier uitspreekt geldt van alle grenzen. Van warm en koud, van licht en duisternis, van wit |82| en zwart. Maar al is het ons niet gegeven het juiste punt aan te geven, waar de grenslijn loopt, toch volgt hieruit geenszins dat de grens niet bestaat. Zoodra we slechts een aantal schreden links of rechts zijn gegaan van de streek, waar de grens liggen moet, weet ons bewustzijn onmiddellijk, dat de tegenstelling tusschen licht en duisternis enz. wel terdege bestaat en zeer reëel is. Reeds de oude Realisten hebben dit terecht tegenover de Nominalisten verdedigd.

78. Von Ihering koos ik hier met opzet uit, omdat Ihering er meer dan eenig ander jurist in geslaagd is, zich populair te maken, en zonder second hand wetenschap te bieden, toch zeer verre buiten den juridischen kring lezers vond. Dit geldt natuurlijk niet van zijn Geist des Römischen Rechts, maar wel van zijn Der Kampf ums Recht, in negentien talen, en ook in de onze vertaald (door Mr. G.A. van Hamel, ed. Leid. 1874), en zijn Das Trinkgeld, Brunswijk 1881; ten deele ook van zijn Die Jurisprudenz des täglichen Lebens, Jena 1870.

79. Von Ihering, Der Zweck im Recht, Leipzig 1877. I. Vorrede XI: „Mag letzteres arbeiten ganz so, wie die extremste Linke des Darwinismus es lehrt, unerbittlich zermalmend, was sich nicht halten kann im Kampf des Daseins, mit der monere beginnend und ohne weitern Schöpfungsakt alles aus sich gebärend, von einer Stufe zur andern fortschreitend bis zum Menschen — wenn ich den Felsblock in Bewegung setze auf dem Gipfel des Berges, dasz er hinab falle ins Thal, war es nicht der Zweck, der das Causalitätsgezetz erst in Bewegung gesetzt hat? Wenn die Ursache von allem Anfang an durch den Zweck so gestaltet worden ist, dass sie fort und fort sich bewegend eins aus dem anderen erzeugt und schliesslich anlangt bei dein Punkt den der Zweck voraus gesehen und gewollt, ist es der Zweck oder die Ursache, welche die ganze Bewegung regiert? Wenn vor dem Geiste des Bildhauers die Statue steht, die er schaffen will, und Jahre vergehen, bis die Hand nacht Gesetzen der Mechanik d.h. nach dem Causalitätsgesetz sie vollendet hat, ist sie ein Werk der Hand oder des Geistes? Ich denke doch der Hand im Dienste des Geistes.”

80. Von Ihering, De strijd om het recht, vert. Van Hamel, Leid. 1874. p. 9, 10: „Een concreet recht, dat, omdat het eenmaal ontstaan is, aanspraak zoude willen maken op een eindeloos voortbestaan, is een kind dat de hand opheft tegen zijn eigen moeder. Het bespot de idee van het recht, terwijl het er zich op beroept, want de idee van het recht is een eeuwig worden, en hetgeen geworden is moet voor het nieuwe worden wijken, want

. . . Alles, was entsteht,

Ist werth, dass es zu Grunde geht.

81. Der Zweck im Recht. I. Vorrede XII.

82. Ib. p. XIII. |83|

83. Ib. p. X en XI: „Oder deutlicher gesprochen: die Annahme eines Zweckes in der Welt, was für mich, der ich beschränkt genug bin mir den Zweck nicht ohne einen bewussten Willen denken zu können, gleichbedeutend ist mit der Annahme von Gott — also die Annahme eines von Gott gesetzten Zweckes in der Welt oder des göttlichen Zweckgedankens, verträgt sich nach meinem Dafürhalten volkommen mit der Statuirung des strengsten Causalitätsgesetzes.”

84. Ib. p. XIII: „Nicht das Rechtsgefühl hat das Recht erzeugt, sondern das Recht das Rechtsgefühl, — das Recht kennt nur eine Quelle, den Zweck.”

85. Ibidem. II. p. 122: „Von dieser psychologischen und eben darum nothwendigerweise ungeschichtlichen Theorie der Ethik ist eine andere zu unterscheiden, welche die Bedeutung der Geschichte für die Theorie des Sittlichen in beschränkter Weise anerkennt; es ist die christlich-theologische. Zu der Natur als Quelle der sittlichen Erkenntniss, die auch sie nicht bestreitet, gesellt sich für sie noch die positiv-göttliche Offenbarung durch das Christenthum hinzu. Damit ist der Geschichte der Zutritt gewährt, aber nicht der volle freie, wie sie ihn begehren kann, sondern nur ein höchst beschränkter. Die Thüre für sie wird nur gëöffnet, um sich sofort wieder zu schliessen, mit dem einen Akt der Offenbarung hat die Geschichte sich für die theologische Ethik wenigstens die protestantische, vollständig erschöpft, nur die Katholische Kirche hat sich in dem göttlichen Lehramt das sie sich zuspricht, die Möglichkeit einer historischen Fortbildung des Sittlichen gewahrt. Aber in Bezug auf den entscheidenden Punkt, mit dem die Geschichte principiell negirt ist, die Beanspruchung des absoluten Charakters der, sei es durch einmalige oder fortgesetzte göttliche Offenbarung der Menschheit zur Kunden kommenden, sittlichen Wahrheiten stimmt auch die katholische Lehre mit den übrigen christlichen Confessionen überein. Keine auf dem Grunde dieser Lehre erbaute Ethik kann einräumen, dass eine der Wahrheiten, d ie sie als solche lehrt, diesen Charakter jemals einbüssen könne, oder dass das Gegentheil derselben jemals Wahrheit gewesen sei. Der Massstab der Wahrheit ist einmal ein absoluter; was nicht Wahrheit ist, kann nur Irrthum sein, — um diesen Satz dreht sich der ganze Gegensatz der geschichtlichen und ungeschichtlichen Theorie des Sittlichen.”

86. Ibidem. II. p. 137: „Gott ist, wie bereits oben bemerkt, nicht Zwecksubject des Sittlichen.” Ook is niet het individu Zweck-subject, maar alleen die Gesellschaft, p. 152: „Die individualistisch-teleologische Theorie der Ethik ist unhaltbar, Zwecksubject des Sittlichen kann nicht das Individuum als solches sein. Es bleibt mithin, da jedenfalls der Mensch es ist, nur der Mensch als Glied der Gemeinschaft übrig, d.h. die Gesellschaft ist Zwecksubject des Sittlichen.” |84|

87. Ibidem. II. p. 91: „Damit ist jedoch die Beziehung des Sittlichen zu Gott in keiner Weise negirt: wir werden ihr seiner Zeit gerecht werden. Aber Gott zum Zwecksubject des Sittlichen machen, ist ein Gedanke, der mit der Vorstellung, die wir mit einem höchsten Wesen verbinden, schlechterdings nicht verträglich erscheint”; en p. 137: „Auch ich erkenne Gott als letzten Grund alles Sittlichen an.” Dit is dan zoo bedoeld, dat alles, ook die „Gesellschaft,” er naar Gods plan komt, en dat uit deze „Gesellschaft,” de zedelijkheid en het recht geboren wordt.

88. Strijd om het regt. p. 69. Zie noot 84, P. 22. Zie over Michaël Kohlhaas p. 64 v.v. Ook het duël en de Corsikaansche vendetta neemt hij tot op zekere hoogte in bescherming, p. 65, 6.

89. Ibidem p. 53 v.v.

90. Cf. Flügel, Die Probleme der Philosophie, Cöthen 1888. p. 240. Over Iherings bestrijding van Herbarts stelsel, zie Geyer und Fienemann, in Zeitschr. für exact. Phil. XI. p. 262.

91. Er zijn drieërlei onderscheidingen: 1º. die, onafhankelijk van ons denken, in het object bestaan, zooals het onderscheid tusschen man en vrouw; 2º. die enkel in ons denken bestaan, zooals de onderscheiding van reëel en ideëel, subject en object enz.; en 3º. dezulke, die wel geestelijk van aard zijn, maar toch door onze menschelijke daad, een bestand ook buiten ons krijgen, zooals die tusschen jus constitutum en jus constituendum.

92. Dr. A. Pierson, Eene Levensbeschouwing. Haarlem 1875. II, 268, 9. Bedoeling van Pierson is dat hierdoor allengs ook „het onderscheid tusschen man en vrouw verdwijne.”

93. Thilo, o.l. II. p. 427.

94. Zie over den strijd, die hierover gevoerd is: Ueberweg, System der Logik. Bonn 1874 4e ed. p. 219 v.v.; H. Ulrici, System der Logik. Leipz. 1852, p. 123-133; Dr J.H. Loewe, Lehrbuch der Logik, p. 55 v.v.; Wundt, Erkenntnisslehre. Stuttgart 1880. I p. 508. En wat Hegel zelf aangaat, zijn Wissenschaft der Logik, I. 2 p. 66. Vollständ. Ausg. Berlin 1841. Deel IV. p. 64 enz., en Encyclopaedie § 119. Hoezeer Hegel ook op andere punten aan de logica geweld aandeed, is bekend. Zie Trendelenburg, Logische Untersuchungen. Lpz. 1862. 2e ed. II. p. 201, 261, al.

95. Dit beteekent, dat de wereld niet mocht gedacht, als jonger dan God, noch als wezenlijk iets anders dan God, maar alleen, als voor ons besef van God onderscheiden. |85|

96. Dr. MAYER, o.l. p. 41: Ein solcher Gott degradire sich zur Weltpotenz und löse sich durchaus in die Welt auf.

97. Zie Homeri, Ilias. IV. p. 147.

Nb88" J :X< Jz –<g:@H P":•V4H PXg4s –88" *X hzà80
J08gh`TF" nbg4s §"D@H *z ¦B4(\(<gJ"4 òD0q
òH •<*Dä< (g<gZ º :g< nbg4s º *z•B@8Z(g4

Reeds hieruit ziet men, dat deze woorden van Homerus zeer ten onrechte in pantheïstischen zin worden aangehaald.

98. Stirner. Der Einzelne und sein Eigenthum. p. 402. Zie Romang, o.l. p. 7.

99. Cf. Feuerbach, Wesen des Christenthums, p. 230.

100. Rozenkranz ontzag zich niet in zijn Encyclopaedie p. 51 te schrijven: „Die dritte Consequenz ist die, dass Gott der Sohn auch als identisch gesetzt ist mit dem Subject, in welchem die religiöse Vorstellung den Ursprung des Bösen anschaut.” Dus Christus identisch met Satan. Cf Hodge. Syst. Theology I. p. 307. Zie ook Spinoza, Opera, Hagae Comitum 1882. I. p. 75, Hegel, Werke, VI. 76, Nietzsche (zie Kaatz, l.l. p. 78. Cf. H. Spencer, The data of ethics. Londen 1879, zijn 15e hoofdst. over absolute ethics and relative ethics. p. 258 vv., en B. Sickwich, The methods of ethics. 2e ed. Lond. 1877. p. 136 v.v. Cousin, Cours de l’hist. de la Phil. moderne. Paris 1847, 2e série. Tome II. p. 89.

101. De werken van Böhme had ik niet te mijner beschikking. Het citaat is genomen uit Romang, o.l. 107.

102. Vooral de Italiaansche Criminalisten drijven dit beginsel ver; doch ook in meer dan één cause célèbre in Frankrijk liet het zich reeds gelden. Cf. Van Swinderen, Esq. du droit pénal actuel, Groningen 1891, die in deel I, p. 1-24, een overzicht van de onderscheidene theorieën van het strafrecht geeft.

103. Zoodra de grens, en dus ook de tegenstelling tusschen Overheid en onderdaan wordt opgeheven, en beide begrippen worden opgelost in het Staatsbegrip, moet alle macht en gezag wel uit het volk, dat den Staat uitmaakt, opkomen, en is alzoo in beginsel de volkssouvereiniteit aanvaard. Cf. Romang, o.l. p. 30. Dr. Maijer, o.l. p. 118.

104. Zie Dr. A. Kuyper, Eenvormigheid de vloek van het moderne leven, Amsterdam, 1870.

105. Het klinkt misschien vreemd, Beethoven te hooren qualificeeren als den muzikalen apostel van het Pantheïsme; wijl bekend is, dat hij in later dagen meer tot het positieve Christendom naderde. Daarom zij opgemerkt, dat juist het absoluut karakter aan zijn belijdenis ontbrak. Louis Nohl zegt hierover |86| in zijn Beethoven’s Brevier Leipz. 1870, p. 56: „Wir erkennen also, das Christliche ist ihm eine Erscheinungsform des Ewigen wie alles Grosze der Menschheit vor und nach demselben, und keineswegs ist er gesinnt, in dem Wesen und den Lehren dieser Religion die ganze Fähigkeit des Menschen und Thätigkeit des Ewigen beschlossen zu sehen und in dem liebenden Opfer seiner selbst den einzigen Weg zu erkennen, dem Leben Heil und Frieden abzugewinnen. Vielmehr werden wir als einen Grundzug seines Wesens erkennen, dasz dem Leben einzig mit dem Leben beizukommen sei und nicht mit dem Tode, und dieses tiefe Ahnungsgefühl mag es gewesen sein, was ihn stets und noch zu allerletzt den Alten wieder zuführte, die diesen sein menschlichen Lebenssinn zuerst in seiner ganzen Schönheit repräsentirten und für das gesammte Geschlecht fruchtbar gemacht haben.” Voor het overige behoeft men slechts de prachtige analyse te lezen, die Richard Wagner van de C. Mol symphonie, de A Dur symphonie (door hem die Apotheose des Tanzes genoemd) en de negende Symphonie in haar onderling verband geeft, om mijn qualificatie volkomen te rechtvaardigen. Cf. Rich. Wagner, Das Kunstwerk der Zukunft, Leipzig 1850, p. 85 v.v. Zie ook Fr. Brendel, Gesch. der Musik, Lpz, 1852, p. 348: „In Beethoven ist der Bruch ausgesprochen. Er ist niedergefabren zur Hölle, die ganze Scala weltlicher Vermittelungen hindurch, aber Beethoven steht zugleich der Hoheit früherer, kirchlicher Anschauung am nächsten, denn schon ist in ihm der Kreis vom Himmel zur Erde zurück zum Himmel durchlaufen, und er hat zuletzt noch prophetisch ausgesprochen, wonach das Jahrhundert ringt, ein Himmelreieh auf der Erde.” Zelfs laat Brendel p. 349 doorschemeren, hoe reeds in Beethoven de reflectie den sterksten invloed verkreeg: „Beethoven zeigte schon früh Hang zur Speculation, zum Denken über die Kunst, Hang zur Grübelei, zur Opposition, überhaupt ein überwiegend bewusstes Schaffen. Bei ihm tritt, namentlich in seiner späteren Epoche, Reflexion sehr entschieden hervor. Was aber den poetischen Gehalter seiner Werke betrifft, so ist er derjenige, welcher die bei Mozart von technischen Schranken noch gebundene und unter das Gesetz verständig-logischer Ausarbeitung gestellte Instrumentalmusik mehr und mehr emancipirte. Er ist am wenigsten Musiker im engeren und beschränkteren Sinne; er nähert die Tonkunst einer höheren Geisteswelt und befähigt dieselbe in der reinen Instrumentalmusik mit möglichster Bestimmtheit poetische Seelenzustände auszusprechen.” Toch bedoel ik niet, dat Beethoven door zijn scheppingen opzettelijke pantheïstische ideeën poogde te propageeren. Veeleer ontvangt men den indruk, dat de pantheïstische Stimmungen van zijn tijd, diep in zijn gemoed drongen, en dat het aan die Stimmungen was, dat hij klank en toon schonk door zijn Symphoniën. En is dit zoo, dan kan het niet anders, of zijn muzikale scheppingen wekten gelijke Stimmungen in anderer gemoed. Wagner daarentegen gaat verder. Bij hem is overleg en toeleg, en daardoor een verflauwen van de grenzen die de wereld der reflectie en de wereld der tonen vaneen scheidt. Van hem vooral geldt wat Ambros, die Grenzen der Musik und der Poesie, Lpz. 1885, |87| Voorrede p. V schrijft: „Die Tonsetzer wollen ihren grossen aussermusikalischen IdeenReichthum in die Musik hineintragen.” Men behoeft slechts Wagners uiteenzetting van beginselen en zijn program van de Kunst der Zukunft te lezen, om zich te overtuigen, dat ik niet te sterk sprak. Cf. Wagner, o.l. p. 9, en p. 183 v.v. Vooral zoo men Mozart met de beide genoemde maestro’s vergelijkt, spreekt het verschil sterk. Zie Al. Oulibicheff, Mozart’s Leben, Stuttgart, 1847. Vooral de inleiding, en zijn analyse van de Don Juan, III. p. 85 v.v. Zelfs Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung, Lpz. 1891. II. p. 512 v.v., protesteert in zijn schets Zur Metaphysik der Musik, ten ernstigste tegen deze amalgameering. Zoo zegt hij p. 512: „So gewisz die Musik, weit entfernt eine blosze Nachhülfe der Poesie zu sein, eine selbstständige Kunst, ja die mächtigste unter allen ist und daher ihre Zwecke ganz aus eigenen Mitteln erreicht; so gewisz bedarf sie nicht der Worte des Gesanges, oder der Handlung einer Oper. Die Musik als solche kennt allein die Töne, nicht aber die Ursachen, welche diese hervorbringen. Demnach ist für sie auch die vox humana ursprünglich und wesentlich nichts Anderers, als ein modificirter Ton, eben wie der eines Instruments, und hat, wie jeder andere, die eigenthümlichen Vortheile und Nachtheile, welche eine Folge des ihn hervorbringenden Instruments sind.”

106. Er stond letterlijk in de N. Rott. Cour. van 25 September 1892, Eerste blad A: „De fraaie orang-outang, die gedurende eenige maanden tot de merkwaardigheden van onze Diergaarde behoorde, is overleden.” Zelfs de Amsterdammer veranderde dit in gestorven.

107. Gelijk men weet, maakt Dr. Garner hier studie van, en hij doet het op vernuftige wijze. Alleen maar hij schijnt geen flauw begrip te hebben van wat een taal is, en in de meening te verkeeren, dat de signalen van een trompet of stoomfluit, en in het algemeen, alle klanken die iets in het geheugen terugroepen of op een bepaald object doelen, reeds als woorden zijn op te vatten, en wel als woorden die een taal vormen.

108. Dit is letterlijk zoo beweerd door Haeckel, Natürliche Schöpfungsgeschichte, Berlin 1875. Zie Eng. vertal. Vol. I, p. 22, 3.

109. Dezelfde energie waarmeê de anti-christelijke neiging onzer eeuw zich tegen al datgene keert, waardoor het Christelijke iets anders dan het natuurlijke wil wezen, openbaart zich ook in den afkeer tegen de Theologie. „Die neuere Philosophie — Feuerbach komt er openlijk voor uit — ist die Auflösung der Theologie, nicht nur in der Vernunft, sondern auch im Herzen, kurz im ganzen wirklichen Wesen des Menschen.” Feuerbach, Grunds. der Philosophie der Zukunft, § 53. |88|

110. Zoolang men het woord religie bezigt, laat het zich tot op zekere hoogte nog hooren, dat men ook van de religie derChineezen, Babyloniërs enz. spreekt; maar het gaat niet aan, het Nederlandsche woord Gods-dienst in dien zin te bezigen, dat alleen dan gebruikt mag, als er sprake is van dienst van den waren God. Doch ook zelfs religie kan geen naam voor het algemeen begrip zijn, overmits religie op den band van de ziel met God ziet, en hiervan, hoe breed men de zaak ook opvatte, meest in de verte geen sprake is. De Schrift noemt dien band, zelfs waar hij is, hoererij in tegenstelling met het mysterie des huwelijks; en het stuitende der nieuwe methode is juist, dat zij in zake de religie de getrouwde vrouw met de Hetaire en de bijzit op één lijn stelt, slechts gradueel onderscheiden.

111. Deze uitdrukking „dat in de kerk moet nagisten, wat gist in het volk,” waarvan de pantheïstische tint kwalijk te loochenen valt, komt voor in het schrijven der Synod. Commissie, dat strekte om het verzoek om cassatie door den Kerkeraad van Amsterdam bij haar ingediend tegen de uitspraak in appèl van het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland, te wijzen van de hand. Een noodlottig besluit, tengevolge waarvan OP 4 januari 1886 het Conflict uitbrak.

112. Cf. Schleiermacher, Dialektik, Berlin 1839. p. 328: Da wir das Absolute als Fundament alles Denkens setzen, so mussen wir annehmen, die Idee der Gottheit sei in allem. Eben so sind wir in Streit mit denen, welche Gott von der Welt trennen. Zie over Schleiermachers standpunt, Pfleiderer, Religionsphilosophie. Berlin 1878. p. 74 v.v.

113. Zie B. de Moor, Comment. in Comp. I. à Marck. Leiden 1761. Tom I. p. 614 alibi. A. Kulerkamp. Entthus. der Hernhutters, en het Gezangboek der Hernhutters beoordeeld, Amst. 1740. Dat metterdaad de oorspronkelijke Hernhutters van pantheïstische of wil men, pan-christistische denkbeelden uitgingen, lijdt geen tegenspraak, en onze toenmalige theologen hebben zich terecht met beslistheid hiertegen gesteld; ook al mag niet verheeld, dat ze tekort schoten in waardeering van de warme vroomheid, die zich ook onder zulk religieus Pantheïsme verbergen kan. Gelukkig voor de Hernhutters, hebben de meesten die pantheïstische denkbeelden laten varen, om alleen de aloude vroomheid te koesteren. Maar niettemin moet er toch op gewezen, dat Schleiermacher niet alleen van philosophische, maar ook van religieuse zijde uit den pantheïstischen hoek kwam.

114. Dr. H. Bavinck, de Theol. van Prof. Dr. Chantepie de la Saussaye, Bijdrage tot de kennis der Ethische Theologie. Leiden. D. Donner 1884 p. 26 v.v. Zie over dit vraagstuk D. Stöckl, Lehrbuch der Philosoohie, Mainz 1868. p. 689 v.v.

115. Cf. Martensen, Die Christl. Dogmalik. Berlin 1856. p. 240: „Steht |89| denn der Erlöser der Welt vor uns in einem ewigen Verhältnisz zum Vater und zu der Menschheit; hat seine Persönlichkeit nicht blosz geschichtliche, nicht blosz religiöse und ethische, sondern metaphysische Bedeutung, so kann seine Offenbarung auch nicht durch die Sünde allein bestimmt sein, da ja diese nicht nach einer metaphysischen Nothwendigkeit hineingekommen ist; denn er kann nur Erlöser werden, weil es sein ewiges Begriff ist, der Mittler zu sein. Sollen wir meinen, das Herrlichste in der Welt sei nur durch die Sünde erreicht, so dasz, werin die Sünde nicht wäre, im Menschengeschlechte kein Platz sein würde für die Herrlichkeit des Eingebornen?”

116. Martensen, o.l. p. 224.

117. Zie over Adams onderstelde geslachtloosheid Prof. J.H. Gunning, Blikken in de Openbaring, Amst. 1868. III. p. 234; op blz. 273 wordt met terugslag hierop van, den Christus gezegd: „In zijn eigenlijk wezen, was Hij meer dan man. In Hem is het manlijk en vrouwlijk wezen.”

118. Ook dit Geist-leiblich is eene metterdaad pantheïstische versmelting van wat wel door Goddelijke unio vereenigd wordt, maar daarom nooit mag opgevat als opgegaan in een hoogere eenheid. Cf. Ulrici, Gott und der Mensch. Lpz. 1866. I. p. 363 v.v. en Preyer, die Seele der Kinder. Lpz. 1890. p. 137 v.v.

119. Zie Martensen, o.l. p. 101: „Als das Ich, das aus seinem ursprünglichen Naturgrunde sich zur Selbstoffenbarung erschlieszt und seine Fülle in die Beschaulichkeit des ausgeprägten Gedankens hineinführt, ist Gott der ewige Vater. Indem Gott auf das himmlische Weltbild, das aus seiner Naturtiefe emporsteigt, hinblickt, begegnet ihm da hindurch sein eigenes Wesensbild, sein eignes Ich in einer zweiten Subsistenz. p. 103: Vom Vater und vom Sohne gehet der Geist aus als die dritte Hypostase, welche den nothwendigen Gedankeninhalt in einen freien Willensinhalt verklärt, das ewige Ideenreich zu einem Reiche innerer Schöpfungen, freier Conceptionen ausformt; en p. 104: Es sind also drei ewige Bewusztseinsakte; aber in jedem dieser Akte ist das ganze göttliche Ich. Die eine Hypostase ist nur durch die zwei andern. Hier ist kein zeitliches Zuerst oder Zuletzt. Die ganze Trinität steht in einem gegenwärtigen Nun, drei ewige Flammen in dem Einen Licht.” De afleiding van de Verzoening uit de verschijning van den Christus in plaats van uit Golgotha, werd hier te lande, zooveel ik weet, geintroduceerd door Prof. Valeton in zijn inaugureele oratie.

120. Hiermeê is niet ontkend, dat de Ethischen nog altoos zekere buitengemeene inwerking van den Heiligen Geest in Israëls groote profeten en zangers aannemen, maar 1º. is deze inwerking slechts gradueel van wat elders plaats greep onderscheiden; en 2º. geldt hun deze inwerking wel voor |90| hetgeen in het binnenste van Israëls profeten omging, maar niet voor den bewusten vorm, waarin deze zielsbewegingen zich uitten, en alzoo niet voor de H. Schrift.

121. De leer der rechtvaardigmaking is uit de Ethische prediking nagenoeg geheel verdwenen. Zelfs Da Costa in zijn strijd met Kohlbrügge, zag het gevaar dat hieruit geboren wordt niet helder in. Voor zoover er nog van rechtvaardigmaking gesproken wordt, geldt dit ons bewustzijn omtrent onze betrekking tot God, en niet meer een rechtsverhouding. Natuurlijk moest de pantheïstische neiging hier wel toe leiden. Het recht trekt grenzen, en juist daarom moet het recht tot een lageren vorm van het ethische leven verlaagd. Zie Martensen, o.l. p. 368: „Die Rechtfertigung beruht also nicht darauf, dasz der Sünder seiner unmittelbaren Wirklichkeit nach in einen Heiligen und Gerechten verwandelt wird: ebensowenig beruht sie aber darauf, dasz Gott nur auf äuszere Weise den Menschen für gerecht erklart, ohne dasz in dem Sein des Menschen ein Neues gegründet wird. Sie beruht darauf, dasz das Individuum durch Christum in das wahre Grundverhaltnisz gesetzt ist, und darum von Gott als gerecht angeschaut werden kann.”

122. Zie de eschatologische werken van Oertel, Güder, Lütkemüller, e.a.

123. Dr. J.H. Scholten, Geschied. der Godsdienst en Wijsbegeerte, Leiden 1859. p. 196.

124. Reeds Baco en Bruno hebben dit denkbeeld van „vroomheid” bij de dieren geopperd. Zie Dr. W. Lander Lindsay, Journal of mental science, 1871. p. 43. Thans ging Dr. Braubach hierin het verst, zie Religion, Moral, cet. der Darwinischen Artlehre 1869. p. 53, geciteerd door Darwin, Descent of man. p. 96. Darwin zelf spreekt nog alleen van „Some distant approach to such a state mind” p. 96. Cf. Dr. De la Saussaye, o.l. II. p. 10. Zie hiertegen Lotze, Microcosmos, Lpz. 1885. II. p. 142.

125. Babou Keshoub Chander Sen (1838-1884) is de bekende reformator, die aan de Brahmo Somadj van Ram Mohonu Roy een nieuwe ontwikkeling schonk in een bijna theïstisch stelsel, gepropageerd door de Bâratbarsya Somadj. Toch zonk hij allengs ongemerkt weer in de pantheïstische strooming terug, en zag al zijn kracht breken door het beginsellooze huwelijk van zijn dochter Srimati Souniti met den Maharadja Nripender Naraïn. Cf. Charles Byse, Au Bengale, un Réformateur religieux et social. Lausanne Paris 1892. Zie over het Pantheïsme in zijn Nieuwe bedeeling p. 136, 161, 227. al. Over de Indische toestanden in het algemeen Windischmann, Die Philosophie im Fortgang der Weltgeschichte, Bonn. 1832. Deel 2 en 3.

126. Cf. Maret, o.l. p. 197. |91|

127. South Place Instit. lectures. a.l. p. 55.

128. Ibidem p. 71.

129. Cf. J.N. GRuber, die Ophiten, Würzburg 1864. Nog verder gingen in zedeloosheid de beslist antinomiaansche sekten der Nicolaieten, Karpocratianen en Prodicianen. De laatsten waren naaktloopers.

130. De valsch-mystieke richting, die in de 16e eeuw het Amsterdamsch schandaal in het leven riep, stierf nooit geheel uit. Vooral door het Spinozisme werd deze mystiek-pantheïstisch-antinomiaansche richting weer gewekt. In de ergerlijke tooneelen der Latter day saints in Zuid-Afrika en Brazilië viel hiervan nog onlangs een spoor op te merken. En ook ten plattelande vindt men hier en daar nog kringen, waarin onder boeking van alle zonde op den ouden Adam, in vloeken, drinken en allerlei hoererij geen kwaad gezien wordt, zoo men maar gelooft. Zie over de sekten die hier te lande onder den invloed van het Spinozisme opleefden, W. Wybrandt, Archief voor Ned. Kerkgesch. 1885. I. p. 51. v.v., en de daar vermelde literatuur. Over de Hattemisten zie Dr. W.C. van Manen, Ibidem I. p. 273 v.v. en De Gids 1885. III. p. 357. Dr. Van Manen ontkent, dat Pontiaan van Hattem Spionozist was en poogt hem te rehabiliteeren. Sepp viel hem hierin bij. Zie Dr. Chr. Sepp. Het Staatstoezicht op de Godsd. Letterkunde. Leiden 1891. p. 110. Opmerkelijk is het dat ook Shelly, de pantheïstische poëet bij uitnemendheid de grenzen der zedelijkheid zoo weinig eerbiedigde. Zie over hem Hunt, An Essay on Pantheisme Lond. 1866, p. 303, en De Gids, October 1892.

131. Romang. o.l. p. 160; en Hundeshagen o.l. p. 94.

132. Zie D. Burger, als vertaler van Ihering’s Kampf ums Recht [sic!], in het Voorbericht van den vertaler p. I.

133. Herbart, Philos. Geschriften, ed. Gustav. Hartenstein. Leipz. 1842. III. p. 169.

134. Tyndall, Fragments of science, p. 336, Cf. Gen. sketch of the hist. of Panth, o.l. II. p. 312.

135. „Die wel onderscheidt, leert wel”, wordt nu: „Hij is het geleerdst, die het best de kunst verstaat om alles dooreen te mengen.”

136. Zie Hegel, Wissenschaft der Logik, 3 Bd., zijnde deel 3, 4 en 5 van de Volständige Ausgabe. Berlin 1841. |92|

137. Dit Ignorabimus is uit zijn bekende rede van 1872, gehouden in de Academie der Wissenschaften te Berlijn, bij de viering van Leibnitz’s gedenkfeest. Niet ten onrechte zegt Schuler van dit Ignorantisme: „Lieber denn für Gott, erklärt man sich für Bankerott”. Schuler, o.l. p. 115. Zie ook over Du Boys-Reymond’s rede Von Nägeli, o.l. p. 560.

138. Dat niet alleen Spencer’s stelsel het principiëele Agnosticisme huldigt, is boven reeds opgemerkt, maar onder de Agnostici is Spencer nu eenmaalde meest bekende, en de consequentste. Zie Ueberweg Heinze, Gesch. der Philosophie. III. p. 517, 522.

139. Wat Feuerbach hierover schreef vond het eerst ingang bij onze artsen, die voor een niet zoo gering deel, het voldoen aan den sexueelen natuurdrang voor noodzakelijk verklaarden; toen bij de staatslieden, die de gereglementeerde prostitutie invoerden; en thans door een uitgebreide scabreuse literatuur, die in humoristische blaadjes en pornographische romans, vooral in Frankrijk en België, maar ook reeds ten onzent de Venus vaga oproept. Het stelsel der vrije liefde beoogt gelijk doel, en de Malthusiaansche theorie werkt, al is ze op een ander doel gericht, hetzelfde kwaad in de hand.

140. Henry Th. Buckle, History of the Civilisation in England. Lpz. 1865. I. p. 9 v.v. p. 23 v.v.

141. Altruïsme is de koud-philosopische naam voor liefde, in tegenstelling met Egoïsme. Cf. Romang, die zeer terecht opmerkt, hoe, niettegenstaande het dwepen met dat Altruïsme, toch die „Gesinnung, die Sitte tief egoistisch ist”. o.l. p. 28. Cf. Nietzsche, Morgenröthe, Lpz. 1887. p. 112.

142. Herbart, phil. Geschriften. Lpz. 1842. III p. 171. Cf. over den pantheïstischen vorm van uitdrukking in de poëzie, Hunt, Essay on Pantheisme, p. 289.

143. Zie Vischer, Gervinus und die Deutsch-Katholiken, in Schweglers Jahrb. 1845.

144. Hegel Philosophie des Rechts. Berlin 1832. Vollst. Ausgabe. Tom. VIII. p. 346 v.v.

145. R. Rothe, Theologische Ethik, § 1170-1177. 2e ed. Wittenberg 1869. II p. 461.

146. Dr. R. Sohm, Kirchenrecht. 1892, Bd. I. p. 6o8: „Die Kirche des Urchristentums (Ekklesia) ist eine rein geistliche, die Katholische Kirche ein geistlich-weltliche, die evangelische Kirche im Rechtsinn, wie sie heute vor uns stcht, eine rein Weltliche Organisation”. Blz. 609: „Nach der Anschauung |93| der Aufkläring ist die Kirche Christi unsichtbar und nur unsichtbar: es giebt keine sichtbare Kirche Christi, die durch das Wort regiert werden könnte. Was sichtbar ist, das ist weltlich, ein Erzeugnis des menschlichen Willens, und nothwendig ein Gegenstand des rechtlichen Regiments. Dieser Kirchenbegriff der Aufkläring führt noch heute in den kirchlichen Organisation die Herrschaft . . . Die rechtlich verfasste sichtbare Kirche im Sinn des heutigen Kirchenrechts ist als solche nicht die Kirche Christi, sondern ein Theil der Welt. Sie ist kein geistliches Reich, kein Reich Gottes, sondern ein weltlich gearteter Verein . . . Die Kirche Christi lebt noch heute. Sie ist unzerstörlich. Aber sie lebt nur in den Versammlungen der Einzelgemeinden um Wort und Sakrament. Die organisirte Gesammtheit, welche den Namen „Kirche” übernommen hat, is keine Versammlung um das Wort Gottes mehr ist nur noch eine Organisation der Rechts- und Zwangverwaltung, ist keine Kirche mehr. Die Ausbildung eines rechtlichen Kirchenregiments hat das Wesen der Kirche aufgehoben”. Dit werk behoort tot de serie: Systematischer Handbuch des Deutschen Rechtswissenschaft. van K. Binding en 33 andere professoren, waaronder Ihering, Mommsen e.a.

147. Dr. Ph. Zorn, Lehrb. des Kirchenrechts. Stuttgart 1888. p. 5: „Demgemäss kann die juristische Grundlage des Kirchenrechts, überhaupt nicht der Begriff Kirche, sondern nur der weitere Begriff Religionsverein sein”; en p. 7: „Das heutige Verhältnis von Staat und Kirche beruht auf dem Prinzipe der Souveränität des Staates, welcher auch die Kirche untergeordent ist. Der Staat erzeugt durch seine Gesetzgebung bindendes Kirchenrecht, soweit er kraft seiner Souveränität die Rechtsverhältnisse der Kirchen und Religionsgesellschaften selbst zu ordnen für geboten erachtet: staatliches Kirchenrecht. Im übrigen aber gewährt er den Kirchen- und Religionsvereinen heute in weitern Umfange die Freiheit autonomischer Rechtserzeugung nach Maszgabe der allgemeinen Rechtsgrundsätze über die Autonomie, also in’s besondere im Rahmen der Staatsgesetzgebung. Die Autonomie hat für das Kirchenrecht eine höhere Bedeutung als für irgend eine andere Rechtsdisziplin: die Hauptmasse des Kirchenrechtes beruht dermalen auf der juristischen Grundlage der Autonomie”. Ook dit werk is een deel van een enc. uitgave, A. von Kirchenheim, Handb. des Oeffentlichen Rechts. Stuttgart. Verlag von Ferd. von Enke. Band III.

148. Dit doelt op het feit, dat én in 1834 én in 1886 juist zij die de Belijdenis der Gereformeerde Kerken vasthielden, door het Synod. Bestuur van de Ned. Herv. Kerk, over de kerkelijke grenzen zijn gejaagd.

149. Hermann, in Unsere Zeit, 1881. p. 439.

150. Tohoe wa Bohoe is de Hebreeuwsche uitdrukking voor het „woest en ledig” van Gen. 1 : 2. |94|

151. „Geef mij een plek waar ik den voet kan zetten”, bedoeld als de noodzakelijkheid, om een vast uitgangspunt voor zijn levensbeschouwing te hebben.

152. Op deze hoogernstige beteekenis van het geloof aan een laatste oordeel voor de instandhouding van het rechtsbesef wordt veel te weinig gelet. Heft men dit eindoordeel op, dan blijft negen tienden van de rechtsschending ongewroken, en wordt eo ipso de majesteit van het recht voor ons besef verdonkerd.

153. Von Stahl, Die Philosophie des Rechts, Heidelberg 1870. II. p. 192: „Das Ebenbild Gottes im Menschen zu erhalten ist nun blosz die Sache Gottes durch seine Gebote und seine innere Macht im Gewissen, und der freien Erfülluhg des Menschen. Aber die Weltordnung Gottes im Menschengeschlecht soll zugleich auch die menschliche Gemeinschaft selbst erhalten durch eine menschliche Ordnung, die sie aufrichtet und der sie alle Einzelnen mit äuszerer Macht unterwirft, und diese Ordnung ist — das Recht.” Met Stahl moeten wij, Calvinisten, altoos uiterst voorzichtig zijn; want wel oefent hij op Hegel’s Dialectiek scherpe critiek, maar om toch daarna Hegel’s „materielle Leistung” zeer hoog te schatten; cf Bd. I. p. 414-521. En wel erkent hij, dat de ordening, waarop het recht rust, van God is, maar toch zoo, dat het recht van God op den mensch buiten de rechtssfeer valt, en de mensch „die Gottähnliche Stellung des Gesetzgebers und Richters einnimmt”, II. p. 193. Dit punt nu is van het uiterste gewicht, omdat de hoogste majesteit van het recht juist daarin ligt, dat God zelf als Souverein alle recht in zich zelven fundeert, en allereerst ten opzichte van zijn eigen majesteit gelden laat. Voor ons, Calvinisten, die van de souvereiniteit Gods uitgaan, is en blijft recht niets anders dan de Goddelijke wil, dat een ieder aan elk ander, tegenover wien hij als persoon staat, al datgene geve, wat hem van zijnentwege toekomt. Dus allereerst dat God al datgene van zijn creatuur ontvange, wat Hem als Schepper toekomt. Maar dan geldt datzelfde evenzoo van onze verhouding tegenover alle andere subjecten of vereenigingen van subjecten. Alzoo komt geheel onze praestatie van hetgeen we aan en voor anderen zijn en doen moeten onder de Rechtsformule. Wat nu te praesteeren zij, vloeit uit Goddelijke ordinantie voort. En voor wat nu aangaat het saamleven in Kerk, Staat en Vereeniging, neemt deze rechtsbepaling onder menschen dien concreten vorm aan, die door de in die kringen geldende souvereiniteit wordt vastgesteld.

154. Zie voor Ihering zijn Das Zweck im Recht; voor Hegel zijn Philosophie des Rechts, Vollst. Ausgabe. Band VIII; voor Kant zijn Rechtslehre. Sämmtliche Werke. Lpz. 1838, deel IX; voor Fichte zijn System der Rechtslehre. Nachgel. Werke. Bonn 1834, deel II, en zijn Grundlage des Naturrechts. Sämmtl. Werke. Berlin 1845. Bd. III. 1-384; en voor Schelling, Neue Deduktion des Naturrechts. Sämmtliche Werke. Stuttg. 1856. Bd. I. 1.

155. Cf. Flügel, o.l. p. 240. Cf. Dr. Baumann, Die Staatslehre des H. Thomas von Aquino. Lpz. 1873. p. 114.

156. Volgens Hegel heeft de Staat een ziel; woont in den Staat een geest; en deze geest is niet anders dan de in den mensch zich bewust wordende God zelf. Vandaar de Staats-apotheose.

157. Calvijn, en alle onze Gereformeerden, kennen geen Overheid dan om der zonde wil. Zie over de vraag, of dan buiten, zonde geen behoefte ontstaan zou aan zekere ordening van het menschelijk samenleven, de Heraut van 16 October 1892, 1e bladzijde.

158. In de instandhouding van deze drie grenzen: 1º. tusschen Overheid en Volk; 2º. tusschen God en de Overheid; 3º. tusschen het recht Gods en het recht dat de Overheid instelt, schuilt de veerkracht van het Calvinistisch staatsrecht.

159. Bij Schleiermacher, en de meeste zijner geestverwanten, heerscht steeds dit aristocratisch begrip van „Virtuosen” op elk levensgebied. Een aan de kunst ontleende term, die voor de vrijheden en rechten van het volk als geheel genomen, uiterst gevaarlijk is, en het Christelijk Pruisen maar al te zeer in de armen van het Junkerthum en de Universiteitsprofessoren heeft geworpen. Ook te Leiden vond deze Virtuosen-theorie maar al te zeer ingang.

160. Max Muller, o.l. p. 242.

161. Zoo Darnal op het atheïstisch congres in 1880 te Brussel gehouden, waar hij uitriep: Sous peu Dieu sera attaqué par tout le monde et défendu par personne. Zie Schuler, o.l. p. 2.

162. „Pax vobiscum”, hier in den zin van het irenisch vredeliedeke genomen.

163. Modern-orthodox is evenals „geistleiblich” een zeer pantheïstisch woord. Orthodoxie toch is een concreet-historisch begrip, dat bepaald wordt naar den objectieven maatstaf der geldende Confessie. De voorvoeging modern daarentegen beduidt, dat men zelf van die Confessie maakt wat men meent te moeten gelooven, en alzoo de woorden der Confessie opvat in subjectief-modernen zin.

164. Jacobi nam het gevoel en geweten als bron van kennis aan.

165. Herbart heeft dit met Jacobi gemeen, dat ook hij het Monisme verbreekt en er, stouter dan Jacobi, het Monadisme voor in de plaats stelt.

166. Lotze vindt zijn Dualisme door te onderscheiden tusschen die Welt der Werthe en die Welt der Gestalten. Zie Mikrokosmos, Lpz. 1884. I. p. 447, en zijn Grundzüge der Psychologie, Leipzig 1881, p. 27 en 87 v.v. Zie ook Von Hartenstein, Herbart’s Lehrb. zur Psychologie, Hamb. 1887, p. 15 v.v.

167. Dit juist toont het onhoudbare van wat deze dualistische theologen |96| willen. Hun stelsel zou opgaan indien het Christendom geen aan feiten gebondene historische religie ware. Nu daarentegen moeten ze er wel toe komen, om historisch de feiten te laten glippen, en per saldo van het Christendom niets over te houden, dan de zedelijke krachten en ideeën, maar die, na vernietiging van de Heilige Schrift, en de naturaliseering der heilige historie, geheel gewijzigd worden naar hun subjectieve opvatting.

168. Deze apologeten waren nooit gereed zoolang de tegenpartij zich niet gewonnen gaf; en dit deed de tegenpartij natuurlijk nooit, eenvoudig wijl ze dit krachtens haar naturalistisch uitgangspunt niet kon en niet mocht.

169. Dit hybridisch karakter is de zwakheid van geheel de Vermittelungstheologie, die maakt dat ze steeds meer, tegen haar eigen wensch en bedoeling, naar de linkerzij wordt opgedrongen. Wie haar standpunt in zake de Heilige Schrift van voor twintig jaren met dat van nu vergelijkt, ziet dit terstond in. Letterlijk alles heeft ze, het ééne voor, het andere na, prijsgegeven. En hoe weinig het dusgenaamd „geloof der gemeente” haar redt, heeft niemand duidelijker dan nog onlangs Prof. Gunning te Leiden ondervonden.

170. Dit is natuurlijk niet van deze mannen persoonlijk gezegd, maar van de uitwerking van het stelsel op het kerkelijk publiek.

171. Mannen, die, gelijk Socrates, niet uit hun tijd, maar hun tijd vooruit zijn, drinken den gifbeker; mannen, die, gelijk, Hegel, het product van hun tijd zijn, worden geapotheoseerd. Het Kruis van Golgotha en Hebreën XI zijn hier beslissend. Zie, over de Vergöttlichung van Hegel Goethe, Satyros, 4e acte:

Satyros:Vernehmt, wie im Unding
Alles durch ein ander ging;
Im verschlosznen Hasz die Elemente tosend,
Und Kraft an Kräften widrig von sich stoszend,
Ohne Feindsband, ohne Freundsband,
Ohne Zerstören, ohne Vermehren.
Das Volk:Lehr’ uns, wir hören!
Satyros:Wie im Unding das Urding erquoll,
Lichtsmacht durch die Nacht scholl,
Durchdrang die Tiefen der Wesen all,
Dasz aufkeimte Begehrungschwall
Und die Elemente sich erschlossen,
Mit Hunger in einander sich ergossen,
Alldurchdringend, alldurchdrungen.
Hermes:Des Mannes Geist ist von Göttern entsprungen.
Satyros:Wie sich Hasz und Lieb gebar
Und das All nur ein Ganzes war, |97|
Und das Ganze klang
In lebend wirkendem Ebengesang,
Sich thäte Kraft in Kraft, verzehren,
Sich thäte Kraft in Kraft vermehren,
Und auf und ab sich rollend ging
Das all und ein und ewig Ding,
Immer verändert, immer beständig.
Das Volk:Er ist ein Gott.

Cf. Schuler o.l. p. 84.

172. Hierover denke men niet te licht. Er wordt soms meer voor de Kerk betaald, dan de gezamenlijke belastingen bedragen; en onze Vrije Universiteit heeft leden met f 25 contributie, ook onder lieden die geen f 1000 ’s jaars inkomen hebben. En toch de familieongelegenheid en de ongelegenheid voor onze kinderen is nog veel banger.

173. Hierop leg ik vollen nadruk. Heel wat valsche grenzen waren getrokken, die ik in het minste niet verdedig, maar in wier uitwissching ik mij hartelijk verblijd. Op elk gebied moet het worden: Uiteengaan van wat niet samenhoort, en saamvoegen van wat door eenheid van beginsel is verbonden; beide in Kerk en Staat.

174. Palingenesie beteekent Wedergeboorte. Toch bezigde ik met opzet het Grieksche woord, overmits dit in de Schrift én voor de persoonlijke wedergeboorte én voor de herschepping van hemel en aarde wordt gebezigd. Zie Matth. 19 : 28 (kosmisch) en Petr. 3 : 5 (psychisch).

175. Hyle is de naam die gegeven wordt aan de oorspronkelijke stof, waaruit het geschapene dan zal zijn voortgekomen.

176. Augustinus was eerst jaren lang Manichaeër geweest. Van 374-384. Cf. Dr. A. Dorner, Augustinus, sein theolog. System. Berlin. 1873. p. 28 v.v.

177. Onder Jezus patibilis verstonden de Manichaeën den lichtstroom die van den Urmensch in de Hyle verzonken was, en nu als goddelijk element, ja, als goddelijk leven, in planten en gewassen school. Vandaar dat zij de planten, waar dit licht in school, ijverig opzochten, en opaten, om alzoo goddelijk leven in zich op te nemen. Zie Kurtz, Kirchengesch. Lpz. 1880. I. p. 91.

178. Augustini, Confessiones. X. 6. Ed. Plant. 1576. Vol. I. p. 170b: „Et quid est hoc? Interrogavi terram, & dixit: Non sum, & quaecunque in eadem sunt, idem confessa sunt. Interrogavi mare & abyssos, & reptilia animarum vivarum, & responderunt: Non sumus deus tuus, quaere super nos. Interrogavi auras flabiles & inquit universus äer cum incolis suis: Fallitur |98| Anaximenes, non sum Deus tuus. Interrogavi, caelum, solem, lunam, stellas; neqtie nos sumus Deus quem quaeris inquiunt. Et dixi omnibus iis quae circumstant fores carnis meae: Dixistis mihi de Deo meo quod vos non estis, dicite mihi de illo aliquid. Et voce magna: Ipse fecit nos. Cf. Augustini, Opera, ed Bened., Bassani 1807. I p. 205.

179. Ook Romang klaagt er over, dat men hem nahield: „Sie glauben nicht, was Sie sagen. Dazu sind Sie zu gebildet.” Romang o.l. p. 14. Nietzsche, die, wijl ook hij tegen den tijdgeest opponeerde, even onbarmhartig door satire en spot achtervolgd werd, zegt hiervan, niet ten onrechte: „Drittens pflegt man gleichsam zur Entschädigung für den Tadel des Aberglaubens und der Erschlaffung, solchen Zeiten der Corruption nachzusagen, dasz sie milder seien, und dasz jetst die Grausamkeit, gegen die ältere gläubigete und stärkere Zeit gerechnet, sehr in Abnahme komme. Aber hiervon kann nur soviel zugegeben werden, das jetzt die Grausamkeit sich verfeinert, und dasz ihre älteren Formen von nun an wider den Geschmack geben; aber die Verwundung und Folterung durch Wort und Blick erreicht in Zeiten der Corruption ihre höchste Ausbildung.” Kaatz o.l. p. 81. Ik wensch hier dit bij te voegen. Toen ik onlangs, diep in het hart geroerd, van de begrafenis van mijn jongsten lieveling terugkeerde, vond ik thuis een brief van een vroegeren Academiekennis, waarin mij zoo scherp en grof mogelijk werd toegebeten, dat ik onoprecht, een bedrieger en misleider was, en niets kon meenen van wat ik beleed. En waarom maakte nu dit schrijven zoo diepen indruk op me? Omdat ik juist in dat ernstige levensoogenblik, bij het graf, mijzelven nogmaals had afgevraagd, of het nu alles realiteit was, wat ik voor God en menschen beleed, en tot roem van Gods genade zeggen mocht, dat ik in onze heerlijke belijdenis de volkomen ruste voor mijn hart gevonden had. Dat bange graf zelf was mij een Amen op wat ik in den geloove had omhelsd. Vergelijk hierbij A. Boegner, Quelques Réflexions sur l’autorité en matière de foi. Paris 1892. p. 32: C’est pourquoi, après ces long débats sur l’autorité, la meilleure conclusion sera peut-être de pratiquer, mieux encore que par le passé, la soumission à cette autorité, par la foi qui obéit en même temps qu’elle se confie. A cette condition, mais à cette condition seulement, les discussions de ces deux dernières années auront été vraiment fécondes. Car mieux vaut une heure d’obéissancé vraie et de confiance enfantine en la Parole de Dieu, que cent heures passées à prouver l’autorité; mieux vaut une seule des paroles de Dieu revue avec confiance dans un coeur droit et mise en pratique dans la vie que la plus belle étude sur la nature de fa foi et sur l’organisme des Ecritures.

Lève-toi done, épée de l’Eternel, glaive, de l’Esprit, sainte Parole de notre Dieu! Tu n’as rien perdu de ta vertu: c’est nous qui, à force d’étudier les détails de ta structure, avons peut-être désappris l’art de s’employer aux saints combats. Reviens se placer dans nos mains défaillantes, et qu’après avoir tourné |99| contre nous-mêmes sa pointe, nous sachions faire briller aux yeux du monde l’éclair de ta lampe, et fait sentir aux âmes aux âmes perdues qui nous apellent, aux âmes sauvées qui réclament la pleine santé, le tranchant de ton fer qui blesse et qui guérit! Zie ook Dr. J. Woltjer, Gezag en Wetenschap, Amsterdam. 1892. p. 28.

180. Kant. Der Streit der Facultäten, Sämmtliche Werke. Lpz. 1838. Vol. X. p. 323.

181. Dat Christus met opzicht tot de Schriftuur des Ouden Verbonds juist in dezelfde overtuiging stond, als thans door onze Calvinisten, op grond van zijn getuigenis, ten opzichte van heel de Schrift wordt beleden, valt kwalijk tegen te spreken. Zegt men nu, dat dit wel zoo is, maar dat Christus hierin slechts een Rabb. traditie volgde, dan van tweeën één, dan deed hij dit, hoewel hij wist dat deze traditie onwaarheid behelsde, of wel omdat hij dit niet wist. In het eerste geval was dit opzettelijke volksmisleiding, in het tweede geval, dwaling in het heiligste. Beide met de belijdenis van zijn Godheid volstrekt onvereenigbaar.

182. Zij men toch ook in Gereformeerde kringen tegen deze Schlagwörter op zijn hoede. Beide gezegden zijn pantheïstisch en onwaar. Het is onwaar dat God het alzóó besteld heeft, dat de waarheid zich zelve zal handhaven. De apostel zelf drong aan op het afsnijden van ketters door oefening van tucht. En het is even onwaar, dat er niets gemaakt wordt, en dat al wat uit God is organisch groeit. Noch Abrams roeping, noch Israëls uittocht uit Egypte, noch de Reformatie zijn vanzelf gegroeid, maar tot stand gekomen door feiten, die het proces eer verstoorden.

183. Zie Psalm 148 : 6: „Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.”

184. Psalm 148 : 7-14. Gelijk men weet is het schoone Kerklied Benedicite, uit het Common Prayerbook, niets dan een variatie op dezen psalm.




1. Dezen cursus werden door den Rector ingeschreven twee en twintig alumni. In 1880 was dit 16; in 1881 was het 15; in 1882 was het 11; in 1883 was het 15; in 1884 was het 9; in 1885 was het 7; in 1886 was het 20; in 1887 was het 12; in 1888 was het 18; in 1889 was het 13; in 1890 was het 17; en nu in 1891/2 was het 22. Na aftrek van het cijfer dergenen die de Vrije Universiteit verlieten, is thans het getal 97, als 73 voor de Theologie, 8 voor de Theologie en Rechten, 3 voor Theologie en Rechten, 7 voor de Rechten, en 6 voor de Letteren.

Er hadden twee promotiën plaats, beide op 19 October 1892, en wel van den heer F.F.C. Fischer in de Letteren, na verdediging van zijn specimen de Deo Aeschyleo, en van den heer A.G. Honig in de Godgeleerdheid, na verdediging van zijne dissertatie over Alexander Comrie.

Examens werden met goed gevolg afgelegd in de Theologische faculteit, 6 voor den graad van Candidaat, en 1 voor het eerste gedeelte van het Doctoraal; in de Rechtsgeleerde faculteit 3 voor den graad van Candidaat; en in de Letterkundige faculteit 2 voor het eerste gedeelte van het Doctoraal, 1 Candidaatsexamen, 3 propaedeutische voor de Theologie, en 4 propaedeutische voor de Rechten.

2. Descent of man, p. 423.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001