De positie van Nederland

Opstel uit het Duitsche Weekblad „Die Woche” van 23 Dec. 1916

vertaald door H.S.S. K.



J.H. Kok — 1917 — Kampen

a



[noot pag. 3] N.B. In Die Woche, het bekende Duitsche weekblad, vatte de redactie het plan op, om uit Neutrale landen een stem te doen uitgaan, die de positie aangaf, waarin men zich ten opzichte van den wereldoorlog meende te moeten plaatsen. Een artikel over Noorwegen opende deze reeks. En toen daarop de redactie zich tot Dr. Kuyper wendde, om in gelijken geest de neutrale positie van Nederland uiteen te zetten, verklaarde deze zich bereid aan dit verzoek te voldoen. Het artikel dat hij daartoe inzond, werd opgenomen in Die Woche van 23 December. Sinds echter drong men er van onderscheidene zijden op aan, dit artikel ten onzent vertaald te zien verschijnen. Hieraan wordt hiermede voldaan. Vanzelf verloor het door de vertaling. Een vertaling geeft nooit wat het origineel bnod. Die Woche gaf voor de vertaling haar toestemming. Krankheid is oorzaak, dat de schrijver van het origineel niet in elk opzicht voor de juistheid der vertaling in het Nederlandsch kan instaan.




De positie, die Nederland, als neutrale staat te midden van den wereldoorlog inneemt, wordt beheerscht door tweeërlei vraagstuk; het ééne terugziende op ’t verleden, het tweede doelende op de toekomst.

De eerste vraag komt hierop neder, of Nederland, historisch-geographisch, sterkere „Seelenverwandtschaft” van zich doet uitgaan naar de Westersche of naar de Oostersche Mogendheden; en de tweede plaatst ons voor de gis, welke uitkomst van den huidigen oorlog, bij eind-vrede, voor Nederland het minst bedenkelijke karakter zal dragen.

Wat nu het eerste probleem aanbelangt, zijn de historische en geographische aanrakingspunten, die ons land met de Westelijke Mogendheden steeds gehad heeft, veel talrijker en gewichtiger, dan men zich dit in Duitschland veelal voorstelt. Het stamoord van ons Koninklijk Huis is het stedeke |4| Orange, dat nog steeds zijn naam met eere draagt in het Frarische Departement Vaucluse. Want wel is het Huis van Oranje reeds in 1530, door huwelijk, met het Duitsche geslacht van de Nassau-Dillenburgers in gemeenschap getreden, maar toch bleef de naam van Oranje, alle eeuwen sinds dien, de leidende geslachtsnaam van het Vorstelijk Huis, terwijl Nassau steeds de ondergeschikte en bijkomende naam bleef. Het groote Bourgondische Huis, dat door het Lotharingsche straks in het Oostenrijksch-Spaansche Huis overging, en de heerschappij over onze 17 provinciën ’t eerst aan zich trok, was van Westersche herkomst, en in de Zuidelijke Nederlanden bleven de Waalsche gewesten tot heden toe onder één hoofd met de Vlaamsche gewesten verbonden.

In verband hiermede zij op een tweede nog ingrijpender element gewezen. Het Calvinisme, de machtige geestelijke actie, die onze voorvaderen in hun strijd op dood of leven tot hun groote victorie voerde, was herkomstig uit het Franschsprekende Genève; de stichter, Calvijn, zelfs uit Noyon geboortig. Na den Bartholomeusnacht kwamen Fransche „Réfugiés” in grooten getale als vluchtelingen naar Amsterdam en andere Hollandsche steden; hetzelfde deden vroeger reeds, in 1576, na de Pacificatie van Gent, een menigte Fransch-sprekende Walen. Nu nog vindt men in talrijke Hollandsche steden Waalsche en Fransche kerken; bij de Waalsche kerk van Amsterdam zijn niet minder dan drie predikanten aangesteld. Wel is waar kwam de Heidelbergsche Catechismus uit Duitschland tot ons, maar onze Belijdenis gaf ons Guido de Brès — zoo wordt de naam oorspronkelijk geschreven — in de Fransche taal. Vandaar dat bijna alle kerkelijke uitdrukkingen tot in de 18e eeuw toe Romaansch waren. Men sprak van Konfessie, van Katechismus, van Religie, van Katechisatie, van Synode, van Klassis, van Konsistorie, van Reformatie, en noemde |5| den predikant Dominee. Reeds de oude Roomsch-Katholieke kerk was hierin voorgegaan, en de herkomst onzer Reformatie uit Genève deed het aantal vreemde woorden nog toenemen.

Maar ook in de stadhuis-taal der regeering was nog uit den Bourgondischen tijd het Romaansche element overheerschend gebleven. Men kan in oude actestukken erop rekenen, op iedere drie woorden gewoonlijk twee Romaansche te vinden. Dit Romaansche overwicht danken wij, zooals gezegd is, aan de regeering van het Bourgondische huis. Maar dit Romaansche overwicht heeft, behalve de politieke aangelegenheden en de kerkelijke traditie, nog een derde oorzaak, nl. de Universitaire studiën, waarbij tot, aan het einde der 18e eeuw steeds in alle faculteiten het Latijn voertaal was. 1)

Eerst aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw is er sprake van een tegenstroom van Duitschen invloed op onze taal. Luther heeft hier in Holland niet veel onmiddelijken invloed gehad; nog heden ten dage tellen de verschillende Luthersche kerken niet veel meer dan |6| 100.000 leden. Krachtiger Duitsche invloed ging van de Piëtisten uit. Niet lang daarna kwam de philosophie van Kant, en de in het teeken dezer philosophie staande poëzie van Schiller en Goethe, het Romaansche element te onzent terugdringen en voor Duitsch geestesleven den weg banen.

Desniettemin bleef nog zeer lang het onderwijs in de Fransche taal voor den middenstand het kenmerk eener „beschaafde” opvoeding, terwijl het aanleeren der Duitsche taal van ondergeschikt belang werd geacht. Men schreef en drukte, ook sinds de 18e eeuw, niet veel anders dan in Latijnsch schrift. Nog heden ten dage zijn er betrekkelijk weinig Hollanders, die het z.g. „Duitsche schrift” lezen kunnen.

Op beter voet van vertrouwelijkheid voelde men zich met het Neder- of Platduitsch; „Nederduitsch” was zelfs de officieele betiteling onzer taal. De groote Bijbelvertaling, die onder den naam van „Statenbijbel” bekend is, en een zeer grooten invloed op ons spraakgebruik heeft uitgeoefend, werd aangekondigd onder den titel: „Nederduitsche vertaling.” De uitdrukking „Nederlandsch” is van betrekkelijk jongeren datum.

Met Oost-Friesland, vooral met Emden, dat langen tijd onzen vluchtelingen een toevluchtsoord voor Spaansche vervolging was, bleven wij in duurzame betrekking. In Emden werd zelfs een onzer Synoden gehouden, een andere in Wezel. De vijanschap echter, waarmede de aartsbisschoppen van Munster en Keulen tegen ons optraden, hield nog tot diep in de 18e eeuw de Westfaalsche grenzen grootendeels voor ons gesloten.

Geweldig was reeds in den aanvang der 18e eeuw de aantrekkingskracht van Parijs, dat nog heden ten dage voor de dames onzer hoogere kringen een soort wereldsch Mekka is. Berlijn kon toen nog niet met Frankrijks hoofdstad wedijveren, en ook Londen bood nog weinig aantrekkelijks. |7|

Weliswaar werkte de veroveringsoorlog, dien Frankrijk onder Lodelijk XIV tegen ons voerde, en de meedoogenlooze vervolging der Calvinisten in Frankrijk, bij het grootste deel van ons volk den invloed uit Parijs krachtig tegen. Maar later, toen bij de Réfugiés hun vaderlandsliefde weer bovenkwam, en toen verder na de uitbarsting der Fransche Revolutie de grootere meerderheid onzer burgerlijke bevolking, de regeering der aristocratische regentenfamiliën moede, zich bijna als één man, met de revolutionaire beweging uit Parijs solidair verklaarde, was het mogelijk, dat het wereldhistorisch oogenblik intrad, waarop de Sansculotten in Holland met gejubel ontvangen werden. De Prins van Oranje vluchtte naar Londen, en wat toen in Holland als regeering optrad, was niets dan een nabootsing op kleine schaal van het in Frankrijk tot heerschappij gekomene Jacobinisme.

Voor dezen kwaden roes heeft Holland boete gedaan, toen het in 1813 ten opzichte van Napoleon’s tyrannie en zijn plundermetbode schoon schip maakte. Aan de overdrijvingen, waaraan de Fransche overheersching van vreemde natiën zich schuldig maakte, is het te danken, dat eindelijk, na het Weener Congres, in Holland een helderder en meer bewuste nationale geest opwaakte, en de drang algemeen werd, om het nationaal karakter, ook in de vormen van het Staatkundig leven, weer in eere te herstellen.

Wat Duitschland in de toekomst voor ons te beteekenen zou hebben, daarvan had Blücher’s legeraanvoering bij Waterloo ons een duidelijk voorteeken gegeven. Maar ook de hooge kultuur, die op het gebied van het werk des vredes zich in Duitschland ontwikkelde, oefende een zeer sterke aantrekkingskracht uit op onze hoogerstaande bevolking. Het onbetwiste meesterschap der Duitschersin de heilige toonkunst betooverde ons. De philosophische spankracht van den Duitschen geest wekte in alle |8| wetenschappelijke kringen bewondering. Vele jonge Hollanders gingen naar Duitsche Universiteiten, een nog grooter aantal studeerde aan de voortreffelijke inrichtingen der technische en handelshoogeschoten. Men bespeurde het steeds meer, dat de geestelijke leiding, die van Parijs en Londen uitging, gaandeweg te Berlijn een krachtige mededingster begon te krijgen. Duitsche geleerden traden aan onze Universiteiten als Professoren op, Hollanders van naam werden aan Duitsche Hoogescholen beroepen.

Helaas kon Holland niet meer, als in de 16e en 17e eeuw, een leidende plaats innemen; daarvoor zijn de Europeesche machtsverhoudingen te veel van de bevolkingscijfers afhankelijk. Ook wij werden, of wij het wilden of niet, door den grooten stroom van het Europeesche wereldgebeuren meegevoerd, en zoo bevestigde zich meer en meer de indruk, dat ook bij ons de nieuwe stroom van het hoogere leven voortaan ook mede [door] Duitschlands diepere bronnen zou gevoed worden.

Van een identificeering der wereldbeschouwingen, zooals die aan gene zijde van den Rijn en bij ons den toon aangeven, kon echter nooit sprake zijn. In Duitschland zelf had de Hoogduitsche taalgeest den Nederduitschen teruggedrongen en zijn stempel op de geheele levensopvatting gezet. Het Hoogduitsche beginsel had, door strenge unificatie, de verschillende lagen der bevolking in elkander gedrukt; in de Nederduitsche levensopvatting heerschte en heerscht nog steeds meer de individualiseerende drang naar zich steeds uitbreidende beweging. Aangezien dit individualisme in geen land ter wereld meer op de spits gedreven is dan in Holland, met zijn gescheiden polders, met zijn afzonderlijke woningen voor ieder gezin, zijn hoogstontwikkeld huiselijk leven en zijn particularisme, dat iedere stadswijk tot een afzonderlijk volksdeel stempelt, -— zoo ware het voor ons land een daad van |9| zelfvernietiging geweest, als wij ons angstvallig beschermd, eigenaardig leven hadden op zijde gezet en een nabootsing van Duitsch leven, Duitsche denkwijze, en Duitsche strenge organisatie overgenomen hadden.

De streng-systematische levenswijze, het in de ziel ingesmede harnas dwingt ons, tot Duitschiands krachtspraestatie met bewondering op te zien. Zij harmonieert echter niet met onze aangeboren volksnatuur. Wie ons dat mooie systeem door dwang zou willen opdringen, maakt zich tot onzen tegenstander. Wij wonen aan den oever der zee, en ons leven is de scheepvaart, zooals de dichter het zoo schoon uitdrukte: „De welvaart van dit land, die komt van ’t varen”.

Scheepvaart en handel vormen het volkskarakter voor de vrijheid; vandaar dat West-Europa zoo lang de grootste bekoring op ons kon uitoefenen. De pelgrimsvaders zijn uit Delft naar Amerika overgestoken. In Amerika is het Calvinisme tot zijn hoogste openbaring gekomen. En zoo verklaart het zich, dat wij nog altijd voor ons nationale leven op conformiteit met onzen nationalen oorsprong aandringen.

Voor ééne vergissing wachte men zich echter. Het eigenaardige zelfbewustzijn van ons volk heeft toch nooit een sterke voorliefde voor de westelijke Mogendheden als Staten doen ontstaan. De liefde van ons volk heeft Engeland nooit bezeten. Toegegeven moet worden, dat in zeer kleine aristocratische kringen, in den Haag nog meer dan in Amsterdam en Rotterdam, de Engelsche taal, zede en kleeding ten deele toonaangevend zijn; niet te loochenen is ook het feit, dat de Zendingsactie gaarne Engelands voorbeeld navolgde; niemand zal kunnen betwisten dat de lezing van Engelsche romans in Tauchnitz-editie een tijdverslindende gewoonte is geworden. De tegenstelling in de internationale politiek woog echter zwaarder. Sedert |10| Cromwell’s dagen, voelt ons volk die tegenstelling; en terecht voelt het zich het slachtoffer van de buitensporiglieden der Engelsche Koloniale politiek. Het verlies van de Kaap en van Ceylon, de Boerenoorlog en het martelaarschap van Paul Krüiger, en nu weer de sluiting onzer havens, de aanhouding onzer Koloniale brievenmalen, de „zwarte lijsten”, die onze kooplui buiten den internationalen handel moeten sluiten, en nog veel meer, doet opnieuw de tragische herinnering in ons opleven, dat wij van ons hoogtepunt, waarop wij eenmaal gestaan hebben, door Engeland zijn afgeduwd. Liefde voor Engeland als Staat heeft liet Nederlandsche volk na het einde der 16e eeuw in zijn breedere lagen nooit gekend.

En niet anders staat ons volk tegenover Frankrijk. Men behoeft slechts de namen van Lodewijk XIV en Napoleon te noemen, om in Holland de geschiedenis als aanklaagster van Frankrijk op te roepen. Natuurlijk zijn ook hier uitzonderingen. Het werkelijk groote in Frankrijk en Engeland is ook in Holland steeds geëerd en bewonderd, nog afgezien van het feit, dat er natuurlijk bij ons nog vele heeren en dames zijn, die zonder hun winter-uitstapje naar de groote Parijsche opera’s en magazijnen zich geen volkomen geluk op aarde kunnen indenken. Maar deze uitzonderingen overschrijden haar enge grenzen slechts zelden. Neemt men echter het Nederlandsche volk in zijn geheel, dan staat het ingesloten in de altijd harde lijnen van een gezond, nationaal egoïsme.

Afgedaald uit de sferen van onze vroegere grootheid, stellen wij in ons kleine land niet zoozeer een hoog, dan wel een rustig leven op prijs, bezield door het ernstige, streven, ook nu nog in onze verengde verhoudingen, zooals onze Koningin in een Troonrede zeide, waar ’t ons mogelijk is, iets groots te presteeren. Aansluiting aan internationale alliantiën is ons geen behoefte. Al zouden |11| wij ook willen vergeten, wat Lodewijk XIV en Napoleon, wat Engelands machtshonger ons aangedaan heeft, dan blijft toch dit ééne feit in onze herinnering leven, dat Duitschland ons nooit op ernstige wijze bemoeilijkt, ons nooit door oorlog gekrenkt heeft, maar omgekeerd zelfs eenmaal het voor het Huis van Oranje met de wapenen opnam, en door Blücher, met Wellington’s hulp, bij Waterloo ons van Napoleon verloste. Onze vaderlandsche geschiedenis bevat eert bundel bladzijden, waarop Frankrijks en Engelands oorlogen tegen de Republiek der zeven provinciën zwart op wit voor ons liggen, en het mag niet verheeld worden, dat onze verhouding tot Duitschland ons nooit zulke jammeren heeft opgeleverd.

Zoo vinden wij zoowel bij onze westelijke als bij onze oostelijke naburen dingen, die ons aantrekken, maar ook dingen, die ons scheiden; de grondtoon voor de positie die wij innemen, wordt nog altijd bepaald door het ras, waartoe wij behooren. Wij, Hollanders, zijn niet van Romaanschen, maar van Germaanschen stam, en blijven in den Germaanschen stam altijd een West-europeesche variatie.

Als wij al het voorgaande in ’t kort samenvatten, kunnen wij zeggen, dat wij tegenover de Romanen staan als Germanen, tegenover de Hoogduitschen als Nederduitschen, en wel als het eenige tot volkomen politieke ontwikkeling geraakte Nederduitsche volk, tot West-Europa behoorend, meer de zee dan het land toegewend.


Is zoo en niet anders onze geneologische, geografische en historische positie, dan staan wij nu voor de tweede en meer actueele vraag: Welke afloop van den tegenwoordigen oorlog voor Holland het meest te vreezen ware. En dan is de eerste waarschuwing, waarmede men tot ons komt, deze: dat wij ons toch in acht moeten nemen voor het Pangermanisme, dat — zooals men beweert — ook |12| onze vrijheid en onze nationale zelfstandigheid gewetenloos bedreigt. Men kent en noemt ons met naam en toenaam de geleerden en politieke leiders, die pangermanisme drijven. Niet ver van onze grenzen verschijnt dagelijks het dagblad, welks redactie ons tot terugkeer, in de alomvattende Germaansche familie uitnoodigt, en, ook afgezien van dit meer bijzondere drijven, kennen wij het pan-isme, dat zich bijna overal als pan-amerikanisme, pan-hellenisme, pan-romanisme of pan-slavisme en zoo ook als pan-germanisme aankondigt. Het is licht te verstaan, hoe de nationaliteitsgedachte, iets sterker aangeschroefd, hare rust zoekt in rasseneenheid en daarom de storing, die de geschiedenis in den natuurlijken samenhang te weeg bracht, op zijde zet, om de verloren eenheid terug te winnen. Uit zulk een idealistisch streven kan men echter, aan de hand der geschiedenis, nooit tot de realiteit afdalen, zonder reeds in den beginne van de ijdelheid van zulke phantastische gedachten overtuigd te worden.

Frankrijk, Spanje en Italië zijn Romaansche landen; wie echter denkt zich ook maar de mogelijkheid in, dat deze drie staten zich ooit in één grooten staat zouden kunnen oplossen. De Slaven wonen van Archangel tot Sofia. Maar wie speurt ook hier niet weer, hoe taalverschil, kerkelijke scheiding en historische herinnering Russen, Polen en Bulgaren scheiden. Eenmaal is er een reusachtig Romeinsch keizerrijk geweest. In dit rijk woonden niet alleen Romanen, maar ook volken en stammen uit drie werelddeelen, van allerlei ras. En nu is het zeer begrijpelijk, dat de dwepende gedachte aan een alomvattende eenheid bijna overal de meest intensieve nationale geesten zal verleiden; maar de geschiedenis heeft al zulk streven en pogen zonder uitzondering veroordeeld, om zich in phantasieën te verloopen. Bij nog zeer laag staande kultuur bindt de nauwe genealogische samenhang |13| nog veelal de volkeren saam. Hoe meer echter de twijgen aan den stam zich vertakken, des te duidelijker dringen de eigenaardigheden der variaties naar zelfstandigheid. Wij, Hollanders, zijn over dit pangermanistisch streven volkomen zonder zorg. Wij weten, dat onze nationale eigenaardigheiden eer te sterk dan te zwak zijn uitgegroeid. Wie het een oogenblik zou wagen, ons te annexeeren, zou weldra slechts één vraag kennen: hoe snel hij ons weder kwijt zou raken. Onze onverteerbaarheid zou hem meer schaden, dan ons opslokken hem voordeel gebracht had. Onze nationale natuur is te intensief Hollandsch, dan dat wij ook maar het geringste van het pan-germanisme te vreezen zouden hebben.

Ook van een binnenzwermen van Duitschers in Holland is geen sprake. Volgens opgave van den Gotha-almanak van 1915 zijn er in ons land 37.534 inwoners van Duitsche nationaliteit, terwijl men in Duitschland niet minder dan 144.195 Nederlanders telt.

De politiek-internationale vraag dient dan ook heel anders gesteld te worden. Voor ons is de hoofdvraag, van welken kant — van ’t Oosten of van ’t Westen — het meeste gevaar dreigt voor Hollands nationale zelfstandigheid en voor het bezit van onze koloniën. En stelt men de vraag zoo, dan is het niet te loochenen, dat altijd het meeste en groots te gevaar dreigt van die mogendheid, die er naar streeft, nog eenmaal de gedachte van het wereldrijk te verwezenlijken.

Krachtens Genesis XI : 1-9 is dit streven het eerst in het Babylonische rijk tot openbaring gekomen en onvoorwaardelijk veroordeeld. Er komt eenmaal eene de geheele wereld omvattende monarchie, maar alleen door de wederkomst van den Heere Jezus Christus. Iedere poging, om reeds nu in ’t leven te roepen, wat eerst dàn komen kan en zal, moet ten slotte op mislukking uitloopen. De |14| stichting en instandhouding van zulk een wereldrijk hebben eerst de Assyriërs en Babyloniërs, toen de Perzen, daarna nog eens de Grieken onder Alexander den Grooten en ten slotte de Romeinen beproefd. Napoleon heeft later nog eens voor korten tijd de poging gewaagd dit opzet na te volgen, maar zijn rijk heeft niet kunnen bestaan. Lees slechts Gibbon’s „History of the decline and fall of the Roman empire2) en ge zult inzien, waarom zelfs het oppermachtige Romeinsche wereldrijk niet stand heeft kunnen houden.

Vraagt men nu, of ook thans een rijk naar de wereldheerschappij streeft, dan is er slechts één antwoord mogelijk, nl. dat in de 19e eeuw niet op het continent van Europa, maar op de uitgestrektheid van den Oceaan zulk een wereldrijk feitelijk reeds ontstond, dat zich noemt: The British Empire. Sedert Trafalgar is de Engelsche vloot beheerscheresse der wereldzee geworden. Nu omvat het water echter niet minder dan 71.7 procent van de geheele oppervlakte der aarde, terwijl aan het vaste land van de vijf werelddeelen slechts 25.3 procent overblijft. En neemt men de bevolking van de aarde, dan vindt men, dat die in haar geheel in ’t jaar 1900 1587 millioen beliep, en dat daarvan niet minder dan 425 millioen, verstrooid over de vijf werelddeelen, dus weinig minder dan 1/3, tot het Britsche wereldrijk behooren. Zulk een wereldrijk van zoodanigen omvang te land en ter zee heeft in vroeger eeuwen nooit bestaan.

En buiten Groot-Brittanje is er thans niet één staat in heel de wereld, die men met dit British Empire zou |15| kunnen vergelijken. Rusland, China, of welk ander land men ook noeme, alles moet voor zulk een reuzenmacht te land en ter zee de vlag strijken. Reeds daarom komt het mij voor, dat de wensch naar verdere vergrooting van deze geweldige macht bij geen der kleine natiën kan opkomen. Tenslotte zouden ze bijna allen door deze wereldmacht worden opgeslokt. En daar komt nog bij, dat vooral Holland hier alles te vreezen heeft. Reeds zijn wij door de Engelsche wereldmacht teruggedrongen, en dit niet alleen als staat, maar ten deele ook in ons stamverband. Men heeft ons gedwongen, onze prachtige kolonie aan Kaap de Goede Hoop op te geven, en in den Boerenoorlog heeft men een poging gewaagd, ook onze nationale belangen aan de Kaap te vernietigen.

De heerschappij van Groot Brittanje’s marine is in ’t begin van deze eeuw zóó absoluut overwegend, dat, in geval van oorlog met Engeland, geen enkel oorlogsschip uit Holland naar onze koloniën zou kunnen gaan en weldra alle gemeenschap met Java zou zijn afgesneden. Sedert nu Engeland met Japan in verbond getreden is, mag zonder overdrijving gezegd worden, dat in het Oosten het gevaar voor de Nederlanden verdubbeld is. En staat de zaak zoo, wie zou dan in Holland nog wenschen, dat dit alles-beheerschende wereldrijk nog vergroot en in zijn kracht nogmaals aanmerkelijk versterkt zou worden!

Veeleer moet het ons toespreken, als het anderen Mogendheden gelukt, op den grooten Oceaan een tegenwicht tot stand te brengen en daardoor ook onze toekomst te verhelderen. Voor ons bewoog zich in Augustus 1914 de evenaar slechts tusschen Engeland en Duitschland.

Hoe heldhaftig ook Frankrijk den strijd nogmaals aangebonden heeft, ieder kenner van den toestand weet, dat Frankrijk in de 19e eeuw door de afneming zijner bevolking in zijn nationale energie veel te veel verzwakt is, |16| dan dat het de rol, die het onder den eersten Napoleon speelde, ooit weder op zich zou kunnen nemen. Het is, niet in staat geweest, de hooge positie uit zijn verleden te handhaven. Aan zichzelf overgelaten, zoude Frankrijk geen invloed meer buiten zijn grenzen kunnen uitoefenen. Met Rusland staat de zaak zoo, dat zijn bevolking ieder jaar met 3½ millioen toeneemt, en dat het, ingeval het in zijn moreele voortplantingskracht volhardt, reeds na een eeuw gansch Europa zou kunnen overweldigen. Thans lijdt het nog onder de onrijpheid zijner jeugd, maar wie kan zeggen, wat Europa van Rusland te duchten heeft, als de machtigste Slavische staat tot volle manlijke rijpheid zal gekomen zijn? Veel wonderschoons schuilt nog in dit volk, en de „mir” blijft een buitengemeen mooie dorpsinrichting. Alleen, het Slavische element poogt de Germaansche volken steeds meer terug te dringen. Ik mag daarom niet wenschen, dat dit voortdringen der Slaven in Europa te snel van stapel loope. En dan bergt Rusland in zijn schoot nog altijd geheel andere stammen en in zijn bodem schatten, en bovendien heeft het een overweldigend rijke natuur; waarbij dan nog komt, dat het overmachtige Azië, dat eeuwen lang als dood was, nu door Japan ten leven gewekt is, en ook in ons eigen Indie door den Sarêkat Islâm een geheel nieuwe toekomst tegengaat.

Bij zulk een stand van zaken kan het voor Holland niet gewenscht zijn, dat de Centrale mogendheden, met wie wij verwant zijn, en wier lot ook ons lot beheerscht, ook maar een duimbreedte terug gedrongen worden. Natuurlijk zouden wij in hunne vernedering deelen. Als ik mij deswege bij het begin van den oorlog voor pro-Duitsch verklaarde, dan werd hiermede voor mij slechts dit ééne uitgesproken, dat een herhaalde stijging der Britsche wereldmacht mij voor den geheelen gang der wereldgeschiedenis uiterst bedenkelijk voorkwam, omdat Engelands wereldheerschappij |17| dan nog hechter zou bevestigd worden en daardoor vooral voor Holland een verzwakking van de Centrale mogendheden en een belangrijke toename van Engelands macht te water en te land beteekenen zou; iets wat in den tegenwoordigen toestand voor ons kleine Holland met zijne rijke koloniën een misschien niet meer te keeren gevaar zou kunnen oproepen.

Holland behoort tot de neutralen en zal, natuurlijk, zoo ’t maar eenigszins mogelijk is, tot aan het herstel van den vrede in zijn neutraliteit volharden. Aan onze regeering is aller dank verpand, dat zij onze positie in het Europeesche conflict zoo uitstekend begrepen en zoo talentvol verdedigd heeft. Nationale neutraliteit sluit echter geenszins uit, dat de bevolking hare stemming en sympathieën tot uiting brengt. Niemand heeft deze neutraliteit ergens zoo begrepen, dat persoonlijke partijkiezing contrabande ware, in Amerika niet en in Zwitserland niet. Ook ons in Holland moet daarom die vrijheid gegund blijven; en ook, als men het ons niet toestond, zouden wij het recht nemen, om met al wat in den oorlog geschiedt, mee te leven en voor het eindresultaat onze wenschen te koesteren. Men moet daarom goed begrijpen, dat ook mijne overtuiging, dat eene herhaalde vergrooting van de Britsche macht te water ons onheil zou kunnen brengen, in niets een krenking van onze politieke neutraliteit bedoelt. Alleen blijft het mijn zeer ernstige wensch, en is het mijn innigst gebed, dat, als de vrede terugkeert, onze positie in de wereld, zoowel in Europa als in Azië, niet achteruit gegaan zijn.

En vraagt men ten slotte, of de vredesbeweging ons geen hope biedt, dat met het eindigen van dezen oorlog eene Pax aeterna intreedt, dan belet reeds Christus’ besliste uitspraak mij, dit voor mogelijk te houden. Voor de bestendigheid van den vrede heb ik steeds geijverd. |18| Ik was voorzitter van de vredesbeweging, die zich in den Haag gevormd had. Ik blijf, voor en na, voor de vredesbeweging werkzaam. Carnegie is mij een vriend. En juist, omdat wij thans aan oorlogsgevaar zijn blootgesteld, kan nooit te sterk de neiging tot het pacifisme gevoed worden. Alleen, van alle bewapening te water en te land afzien en slechts het vredeslied uitjubelen, is geen praktische politiek. De verhoudingen op de wereld kunnen niet altijddurend zóó blijven, als zij op een gegeven oogenblik zijn. Het eene volk verliest, het andere volk wint, aan cultuur, aan levenskracht, aan hoogere bekwaamheid en macht.

Dit moest in ’t praktische leven in wrijving en krachtsmeting overgaan. In Den Haag bezitten wij thans het Vredespaleis, en onder de hoogheid onzer Koningin houdt nu in Hare residentie het arbritage-hof zitting. Zoo is Holland vanzelf er op aangewezen, door zijne centrale positie in de vredesbeweging, den oorlog, waar hij dreigt, te verhoeden, en, wat voor alle volken de taak van iederen dag is, de duurzaamheid van den vrede na te jagen. Alleen, vroeger of later komt het toch weder tot een botsing. Dat weet iedere groote mogendheid, en daarom betaamt het ook ons, rekening te houden met datgene, wat de toekomst ons brengen kan.

Vredestoestanden zijn heerlijk, en ook Holland zal niet nalaten, ze te voorschijn te roepen en te bestendigen. Ook nu gaat de roep van mijn gansche vaderland daarnaar uit. Maar wij zijn een te oud volk, dan dat wij ons nog aan een gekunstelde illusie zouden mogen overgeven. En hoe klaar en helder ook van het vredesfirmament de zon ons bestralen moge, ook wij weten het, dat heldere zonneschijn heden, voor morgen de donkere wolkenmassa met den bliksemstraal uit het donker, niet buitensluit.




1. Onze taal werd dan ook door Romaansche woorden letterlijk overstroomd. Kerkelijk sprak men van dogmatiek, van diaconie, van ministerie der predikanten, van organist, enz. In wetenschappelijke kringen gebruikt men woorden als universiteit, seminarie, faculteit, examen, college, dispuut, promotie, rector, candidaat, pedel. Voorts sprak men van chirurgie, medicijn, apotheek, ambulance. In regeeringskringen van finantiën, minister, secretaris, referendaris, departement, marine, justitie, petitie, notaris, loterij; van politie, van kanton, arrondissement, provincie, En ook in ’t burgerlijke leven wemelt het van woorden als taille, korset, mantel, parapluie, parasol, ceintuur, voile, gordijn, fauteuil, chaise-longue, canapé, kabinet, porte-brisée, piano, secretaire, bibliotheek, vigelante, buffet, en voorts van fruit, van dessert, menu, cotelet, van boeuf en rollade. En zoo zou ik kunnen voortgaan, bijna eindeloos, met immer meer vreemde Romaansche woorden, zonder dat het mogelijk zou zijn, hier ook maar een dozijn Duitsche, bij ons ingeburgerde woorden tegenover te stellen.

2. N.B. Dit werk van Gibbon is in 1787 voltooid en in 1788 in zes deelen te Londen verschenen. De jongste Engelsche uitgave is van Bury, in zeven deelen. Te Leipzig verscheen 1805-1807 een Duitsche vertaling in 12 deelen; een tweede vertaling, die in 1837 verscheen, beleefde reeds vier drukken, waarvan de laatste in 1862/63 verscheen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004