Bijlage D.

De dusver gewisselde processtukken.

1. In de Gereformeerde Brieven, opgenomen in de Stemmen voor Waarheid en Vrede A. 1878. Dec. p. 639, deed een anonymus, zekere T.n., onverhoeds op het standpunt der Gereformeerden en de Statuten van de door hen beoogde Hoogeschool, dezen aanval:

Gereformeerde Brieven. Pag. 639.

Voldoet aan dien eisch van onze consciëntie de „Grondslag der Vereeniging voor H. Onderwijs,” die „allereerst eene Theologische Faculteit te Amsterdam” wil stichten, zooals wij dien leerden kennen uit de Heraut van 27 Oct. ll? Wat dunkt u? „De Vereeniging wordt geplaatst op den grondslag der Gereformeerde beginselen en met name, voor zooveel het onderwijs in de Heilige Godgeleerdheid betreft, op de drie formulieren van eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Synode Nationaal van Dordrecht voor de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn vastgesteld, in maniere als door gemelde Synode Nationaal, blijkens haar eigen handelingen en haar acte, het gezag van deze formulieren is bedoeld.”

Daarin „steekt een beginsel” zegt de Heraut. Gewis. Het beginsel namelijk van eene onderwerping aan eene stationaire leervoorstelling, zooals die met „de Gereformeerde beginselen” moeilijk te vereenigen schijnt. Het aangehaalde Artikel spreekt van „de bedoelingen der Synode van Dordrecht”, edoch, daar wij niet naar geheime Synodale Acten, die ons onbekend hadden kunnen blijven, maar alleen naar de openbare handelingen der Vergadering worden verwezen, zoo moeten wij aannemen, dat ook nu nog in de nieuwe Amsterdamsche faculteit ieder hoogleeraar zal hebben te verklaren, „in goede consciëntie voor God te gevoelen en te gelooven, dat alle Articulen en Stukken der Leer” in de Formulieren „in alles met Gods Woord overeenkomen” en dat hem verboden zal zijn „tegen de Leere der drie formulieren verscheydene consideratiën ofte gevoelens voor te stellen, openlijk noch heymelick.” Vanzelf vervalt, dat hij daarop eerst het goedachten van de kerkelijke overheid zal moeten verkrijgen!

De professoren te Leiden in 1620 waren mannen, die eenigen eerbied van het nageslacht verdienen: Johannes Polyander, Andreas Rivet, Antonius Walaeus, Antonius Thysius. Zij hebben geen vrijheid gevonden en ook niet van Curatoren kunnen verkrijgen, om de door de Synode geëischte verbintenis te onderteekenen, maar hebben zich bepaald tot eene onderteekening van de verklaring, dat zij „de leer, in de genoemde Schriften vervat, als rechtzinnig en met de Heilige Schrift overeenstemmende erkenden en haar daarom wilden leeren en verdedigen.” Deze verklaring is sedert dien tijd in de Leidsche faculteit steeds gevorderd van de in haar optredende hoogleeraren: de verbintenis, door de Synode opgelegd, is daar nooit aangenomen. De reden was deze: daar de hoogleeraren geen zitting hadden in de Provinciale Synode, aan welke zij zich moesten onderwerpen, achtten de genoemde achtbare mannen, in overeenstemming met Curatoren, den band, waaraan zij gelegd werden, onbetamelijk. Doch dit daargelaten, verzuime men niet op te merken, dat inderdaad bij de Leidsche faculteit het door de Synode „blijkens hare acte” bepaalde werd vervangen door eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring. Daarin steekt ook een beginsel.

Ik treed thans niet dieper in de geschiedenis van het Dordsche onderteekenings-formulier, maar ik zou wel willen vragen, hoe het met de echt „Gereformeerde beginselen” in overeenstemming te brengen zij, dat eene verbintenis van dien aard voor de eeuwen zou kunnen gelden. Daarbij wordt mijns erachtens aan het kerkelijk dogmatisch onderwijs een gezag verleend, gelijk door de Gereformeerde Kerk alleen aan Gods Woord wordt toegekend. Want „men mag,” naar een grondartikel van onze Belijdenis, „geener menschen schriften, |104| hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte bij de waarheid (want de waarheid is bovenal), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de Conciliën.”

2. Een kort resumé van dezen uitval werd door een insgelijks anonymen inzender in de Haarlemsche Courant van 30 December 1878 geplaatst.

3. Tegen dit resumé kwam ik op, en, meenende een onkundig dilettant voor mij te hebben, althans van verre niet vermoedend, dat achter dit gesloten vizier Dr. Van Toorenenbergen school, zond ik aan de Haarlemsche Courant dit protest:

Aan de Redactie der Haarlemsche Courant.


Mijne Heeren!

In een tweede bericht over de pogingen, van orthodoxe zij aangewend om de opleiding van de leeraren der Ned. Herv. Kerk op beteren voet te brengen, wijst uw correspondent op het feit, dat in 1621 de toenmalige Leidsche hoogleeraren in de theologie, de heeren Polyander, Walaeus, Rivet en Thysius, geweigerd hebben het onderteekeningsformulier der Dordtsche Synode met hun naam te bekrachtigen; en zoekt daaruit af te leiden, dat deze heeren tegen een onderteekening van formulieren, anders dan in substantie, om der consciëntie wille, protesteerden.

Althans hij verwijst, onder instemming, naar een desbetreffend vertoog van den heer T.n. in de Stemmen voor Waarheid en Vrede, waarin deze deductie zelfs breed is uitgewerkt.

Tegen deze erroneuse voorstelling nu, acht ik mij verplicht, ter handhaving van de waarheid der historie, de aandacht van uwe lezers kortelijk op deze drie feiten te wijzen:

1. Dat drie van deze heeren, en wel de heeren Polyander, Thysius en Walaeus, zelven op de Synode te Dordrecht tegenwoordig waren; aan het opstellen der vijf artikels hebben medegewerkt; en de drie formulieren zonder beding of voorbehoud hadden onderteekend.

2. Dat deze vier heeren op 25 Juni 1622 in hun qualiteit van hoogleeraren nogmaals onderteekend hebben, a. de Belijdenis van Guido de Bres; b. de Fransche Confessie, die „te Dordt in 1619 was overzien”; c. den Heidelbergschen Catechismus, en d. de vijf Canones; onder bijvoeging: „ut hac ratione omnibus in posterum, ubi opus erit, innotescat, nos doctrinam scriptis illis comprehensam, pro orthodoxa sacrisque litteris consentanea agnoscere: ac proinde tum publice, tum privatim, docere ac tueri velle” (Cf. Arch. Kerk. Gesch. IX p. 489).

En ten 3e dat uw correspondent blijkbaar den historischen zin mist, om te rekenen met het notoire feit, dat de weigering van onderteekening alleen en uitsluitend geschiedde omdat de anti-Calvinistische Curatoren en Staten van Holland niet wilden toestaan, dat hun hoogleeraren een acte van subjectie aan de Synode zouden teekenen, en hun dit verboden hadden. De Staten van Holland namelijk wilden niet gedoogen, dat hun professoren teekenden, tenzij de Synode hun in ruil zittingsrecht ter Synode inwilligde.

Dat dit zoo was, blijkt toch authentiek uit de acte der Hollandsche Synode van 1624, waarop door deputaten bericht werd: „door professoren is ons geantwoord, dat zij in immidiatelick stonden onder de Curatores Academiae; en dat hun door zekere missive van de Ed. Mog. Heeren Staten verboden was zulk een onderteekening te doen, zoolang zij niet als leden der Synodus erkend werden” (cf. Arch. v. Kerk. Gesch. p. 487).

Hieruit blijkt alzoo onwederlegbaar, dat de schrijver van de Gereformeerde Brieven in de Stemmen voor Waarheid en Vrede niet op de hoogte van de toedracht der zaak was, en dat uw correspondent, door zich bij die „brieven” aan te sluiten, uw publiek, onwetens, geheel bezijden de waarheid heeft ingelicht.

Met de inlassching van deze rectificatie zult gij ten zeerste verplichten

Uw Dw. Dien.

Dr. A. Kuyper.

Het werd geplaatst in het nummer van 6 Januari 1879.


4. In De Heraut van 12 Januari dit stukske opnemend, voegde ik er bij:

Hier is nog meer aan toe te voegen.

Namelijk:

1. dat de theologische professoren der overige toen bestaande scholen wel terdege, wijl deze onder geen Staten-verbod stonden, de Synodale formule geteekend hebben;

2. dat de heeren Polyander, Thysius, Walaeus en Rivet zich tot onderteekening bereid hadden verklaard, mits hun zitting in de Hollandsche Synode werd verleend. Wat ze natuurlijk niet hadden kunnen doen, indien ze er consciëntiebezwaar tegen hadden;

3. dat op 25 Mei 1619 bedoeld onderteekeningsformulier, waarvan T.n. in de Stemmen |105| beweert, dat de heeren Thysius, Walaeus en Polyander het om der consciëntie wil afsloegen, door en met het eigen toedoen dezer heeren is tot stand gekomen en goedgekeurd;

4. dat de subjectie aan de Synode, die ze weigerden, in het allerminst niet betrof en niet kon betreffen hun al of niet erkennen van het recht der Synode, om ter laatster instantie in zake van belijdenis te beslissen, wijl deze heeren zelven in de Synode dit hooge recht tegenover de Remonstranten hadden helpen uitoefenen; en aldus uitsluitend ziet op op subjectie „van den lasthebber aan zijn lastgever en aansteller.”

en 5. dat indien T.n. er op drukt, dat toch het „per omnia1) in de nu onderteekende formule is weggebleven, dit zóó weinig bewijst dat deze heeren tegen het per omnia bezwaar hadden dat veeleer deze zelfde heeren in de onderteekeningsformule die ze zelven voor de Doctoren in de Theologie opstelden; en die door alle Doctores Theologiae en dus door schier alle Hoogleeraren in de godgeleerdheid aan de Leidsche Hoogeschool onderteekend is; wel terdege dit per omnia (in allen deele) inlaschten.

Daarin toch heet het: „Ik betuig plechtiglijk voor God, hiermeê te erkennen, dat de leer die in de Gereformeerde kerken en aan de Leidsche academie onderwezen wordt, rechtzinnig en overeenkomstig den Woorde Gods is, en derhalve mij in dier voege bj deze leer neder te leggen, dat ik wetende wat ik doe en met een goede consciëntie „voor alle deelen” (in omnibus) die de leer raken, verklaar, mijn zegel te hechten aan de Nederlandsche Confessie enz.; en met name aan de Canones, die door de Dordtsche Synode over eenige in geschil gekomen artikelen uit de Heilige Schrift ontworpen en vastgesteld zijn.”

Met een waarlijk verpletterende overmacht van bewijs blijkt dus hier ook weêr, door wat onjuiste voorstelling der Geschiedenis men van zekere zijde, onbewust en door onkunde, zich zelven en het publiek op het dwaalspoor helpt, zoodra de eere der Gereformeerden in het spel komt.

Was nu zulk een voorstelling nog ingelascht in een polemiek of terloops geschreven stukje, we zouden het hebben laten loopen.

Maar nu er met opzet een opstel aan wordt gewijd, en deze T.n. al de allures aanneemt van een „man van historiën” te zijn, nu diende toch even met de stukken er bij aangewezen, dat de redacteur van de Stemmen voor Waarheid en Vrede wel zal doen, met uiterst voorzichtig in de keuze zijner medewerkers te zijn, voorzoover deze zich een enkel maal wagen op het altijd gladde ijs der wetenschap.

In welke twee stukken gelijk men ziet, bijna de geheele casus-positie juist zóó was aangegeven, als ze nu à posteriori ook bleek te zijn.


5. Tegen dit protest nu verscheen een tegenbetoog in de Haarlemsche Courant 14 Januari, waaronder een ieder met verbazing de handteekening van Dr. J.J. van Toorenenbergen las.

Er stond in:

Om den indruk van het door mij beweerde bij de min kundigen onder uwe lezers niet te doen verloren gaan, moet ik van u eene kleine ruimte in uwe kolommen vergen voor de volgende opmerkingen naar aanleiding van het geschrevene door Dr. A. Kuyper in uw no. van den 6den dezer. Wat ZEd. heeft ingebracht tegen mijn beweren omtrent de onderteekeningsformule, in de Synode van 1619 voor de theologische professoren vastgesteld, is òf niets ter zake doende, òf geheel onjuist. Dat de drie genoemde Leidsche professoren de Leerregels in de Synode en de drie Formulieren later hebben onderteekend, is door mij betwist noch betwijfeld. Het is de vraag, of zij medegewerkt hebben aan de vaststelling van het door hen ter zijde gelegde formulier van onderteekening, waarbij de verhouding van het academisch onderwijs tot de Symbolische Schriften bepaald werd. Dit zal Dr. K. niet kunnen bewijzen, omdat het tegendeel zeker is.

Wat voorts hun verzet tegen de onderteekening van dit formulier betreft; het mag niet worden afgeleid uit een gefingeerd antagonisme tegen de Synode bij de Staten van Holland en de curatoren der Hoogeschool. Door dat te doen heeft Dr. K. een anachronisme begaan, hetwelk hem waarschijnlijk reeds zal hebben berouwd. Immers waren de Staten van Holland na het veranderen van de wet in die provincie, hetwelk in 1618 had plaats gehad, niet meer dezelfden van vroeger, onder het ministerie Oldenbarnevelt. De „nieuwe Staten” hadden terstond en onvoorwaardelijk in de Synode bewilligd. Alleen de stem van Gouda bleef den Remonstranten nog gunstig. — Met de curatoren van ’s Lands Hoogeschool was het evenzoo gesteld. Het collegie was na de veroordeeling der Remonstranten „Gereformeerd” geworden in dubbelen zin. De heeren van Mathenes en van der Mijle hadden plaats gemaakt voor de heeren van Wassenaar Pauw en van den Honaart. Hoe die „nieuwe |106| curatoren” gezind waren, is aan Vossius en Barlaeus gebleken. Ieder kan het nalezen bij Wagenaar (X. bl. 388, vg.), die de Resolutiën van Holland getrouw heeft gebruikt. Genoeg: het was gewis niet om de door Dr. K. willekeurig aangenomen reden, dat de „nieuwe Staten” en hunne curatoren de onderteekening niet toelieten. Het was (of men het hebben wil, of niet) omdat zij de hoogleeraren niet wegens iedere „verschydene consideratie” wilden gedaagd zien voor de Provinciale Synode. Toen ik mijn „Brief” in de Stemmen voor Waarheid en Vrede schreef, wilde ik niet treden in de beweegreden voor het verzet, hetwelk de onderteekeningsformule vond. Men leest daar: „Dit daargelaten, verzuime men niet op te merken, dat bij de Leidsche Faculteit in 1620 het door de Synode „blijkens hare acte” bepaalde werd vervangen door eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring.” Ik voeg er nu nog bij, dat dit geschiedde onder de leiding van warme voorstanders dier Synode. Hierom was en blijft het mij te doen, omdat daarin „het beginsel steekt”, waarvoor ik opkom.

Dr. J.J. van Toorenenbergen.

6. Dit tegenbetoog, met verzoek om opneming aan De Heraut toezendend, schreef deze geleerde er bij:

Een paar regelen, naar aanleiding van het in uw laatste No. door Dr. K. aan zijne argumenten toegevoegde, mogen mij hierbij nog vergund zijn.

De toon van dit laatste is hooger dan de bewijskracht, en het voornaamste is in het bovenstaande reeds beantwoord.

Dat dezelfde Professoren, die de Synodale onderteekeningsformule ter zijde legden, haar negen jaren later voor de Doctoren in de Theologie verplichtend stelden, is alleszins natuurlijk, daar zij voor de predikanten, die konden gepromoveerd worden, geen aanleiding mochten te weeg brengen, om zich tegen hunne verbintenis als Dienaren der Kerk op eene minder stricte als Doctoren te beroepen. Het Doctoraat was ook als een dienst in de kerk opgenomen. Zie Art. II der Kerkorde.

Nog heb ik iets te zeggen bij mijn beweren, dat het formulier van onderteekening in kwestie niet door de Professoren Polyander, Thysius en Walaeus mede was vastgesteld. Ik bedoel met dit beweren, dat zij geene concludeerende stem in de approbatie van het Formulier hebben gehad, terwijl van hunne adviezen in dezen niets bekend is. De Professoren in de Synode hadden in de Kerkzaken slechts eene adviseerende stem. Dit blijkt duidelijk b.v. in de behandeling van het voorstel tot eene nieuwe Bijbeloverzetting. In de 7de zitting hebben zij na de buitenlandsche Godgeleerden, evenals dezen, hun gevoelen over de noodzakelijkheid van het te ondernemen werk gezegd, en in de 8ste zitting is door de afgevaardigden der Nederlandsche Kerken (Pastores en Seniores) geadviseerd en gestemd. In de 156ste zitting (Post-acta) zijn de artikelen der Kerken-ordening in de substantie van alle de Gedeputeerden, Predikanten en Ouderlingen, van iedere provincie „geapprobeerd.” Dat zoo ook geschied is bij de „approbatie” van het Formulier van onderteekening meen ik te mogen aannemen. Doch ik herhaal hier nog eens: de hoofdzaak, waarom het mij te doen is, is dat in 1620 de professoren te Leiden het door de Synode van Dordrecht vastgestelde onderteekenings-formulier hebben ter zijde gelegd en vervangen door eene „eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring.”

Met de bede, dat welhaast dergelijke punten, bepaaldelijk tusschen Dr. K., aan wiens historischen zin en wetenschap ik gaarne nog altijd hulde doe, en mij weder zonde groote woorden en zonder bitterheid zullen kunnen besproken worden, noem ik mij

UEd. Dw. Dienaar,

Dr. J.J. van Toorenenbergen.

Het werd geplaatst in De Heraut van 19 Januari 1879.


7. Inmiddels was door mij reeds in de Haarlemsche Courant gedupliceerd met belofte om later in een afzonderlijk geschrift op dit ééne punt Dr. Van Toorenenbergen „eens uit den zadel te lichten”:

WelEdele Heeren!


Uit een particulier schrijven van Dr. J.J. van Toorenenbergen, gisteren door mij ontvangen, bleek mij tweeërlei: 1. dat een antwoord op mijn vroeger ingezonden stuk van zijne hand in uw geacht blad aan mijn opmerkzaamheid ontsnapt was; en 2. dat ZEd. zich thans openbaart als den anoniemen steller van de Gereformeerde Brieven.

Vergun mij daarom, op beleefd verzoek, nog het volgende in uw kolommen te mogen zeggen.

Dat Dr. Van Toorenenbergen schrijver dezer brieven was, wist ik niet. Eer was mij, bij opzettelijk onderzoek, verzekering gegeven van het tegendeel. Had ik dan ook geweten, wat ik nu weet, ik zou mij wel gewacht hebben van „onkunde” te spreken bij een man, die in kennis onzer historiën reeds vergrijsd was, eer ik aan deze studiën begon. |107|

Immers zijn superioriteit ten deze blijkt ook nu weêr in zijn meesterlijke dupliek.

Alleen toch een man van zijn talent, kennis en gevatheid was in staat nog met zulk een apparaat van geleerdheid een aftocht te dekken, waarbij het verlies van dien slag allerminst door hem ontveinsd wordt.

Stak er dan ook maar het minste in voor een geleerde, als dezen Rotterdamschen doctor, om een enkel maal „bewijs van feilbaarheid” te leveren, ik zou, na zijn heusch wederwoord mij van elken verderen lansstoot onthouden hebben.

Nu echter het quandoque dormicat bonus Homerus mij gelooven doet, dat de gevestigde naam van dezen gevierden schrijver er uitmuntend wel tegen kan, dat een jonger strijdgenoot hem eens een enkel maal uit het zaâl komt lichten, hoop ik elders dit niet onbelangrijk steekspel met dezen ridder van blazoen voort te zetten.

Voor uw publiek zal het genoeg zijn op te merken, dat Dr. J.J. van Toorenenbergen mij zelf toegeeft, dat de heeren Walaeus c.s. de onderteekening afsloegen, wijl die hun door hun superieuren verboden was.

En voor dat eene afdoende wapen, hang ik voorshands alle overig wapentuig aan den wand! Geloof mij, hoogachtend en onder belofte van U in dit geschil niet weêr te zullen mengen,


Den Haag, 15 Januari 1879.

Uw Dw. Dienaar,

Dr. A. Kuyper.

8. Ook dit stuk van dupliek werd in De Heraut van 19 Januari opgenomen, met deze bijvoeging:

Natuurlijk neemt ook onze redactie hiermeê elk woord terug, dat, tegen den anoniemen bestrijder der Gereformeerde eere volkomen op zijne plaats, tegenover een man van wetenschappen als Dr. Van Toorenenbergen, eenvoudig ongepast zou zijn.

Zoo intusschen terug, dat we ons tegelijk er over beklagen, dat zulk een Doctor van historiën goed kon vinden, met bedekt blazoen ons aan te vallen.

Niet aan ons dan ook, die ons naar recht van wapeneer verweerden, maar aan hem, die zich derwijs bloot gaf, sta het voor hem krenkende van deze vergissing ter verantwoording.

Waar Dr. Van Toorenenbergen met name in het krijt treedt, zullen we tot den einde toe hem eeren met het saluut van onze hulde en onze hoogachting.

Maar sluit hij zijn vizier en maakt hij zich opzettelijk onkenbaar, dan blijve voor zijn rekening wat er van komt.

En hierbij bleef de zaak voorloopig rusten tot ik ze nu weer heb opgevat!




1. In alle stukken.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000