III. Historische toelichting.

1. Vroeger tobben

Den 30 Juni van den jare 1605 vervoegde zich te Leiden bij Doctor Arminius een Commissie van zes predikanten, bestaande uit drie Deputaten van de Zuid-Hollandsche en drie van de Noord-Hollandsche particuliere Synode. De reden van hun onverwachte komst lag in de disputatie die den 7den Februari des vorigen jaars door Dr. Arminius in het klein auditorium over de Praedestinatie was gehouden, en waartegen zijn ambtgenoot Dr. Gomarus, den 14en October in dezelfde zaal was opgekomen, „als subverteerende de leer der saligheydt en de handtreyckende aan de Jesuyten en Socinianen”. 1) Door dit geschil toch kwam de kerk onverhoeds voor een dusver nog steeds onopgelost vraagstuk te staan: t.w. „Welke gedragslijn de kerk heeft te volgen, indien het Theologisch onderwijs der Academie de zuiverheid der prediking en dus het karakter der kerk bedreigt?” Niet alleen toch was de verhouding tussen kerk en Theologische school dusver ongeregeld, maar zelfs was door de Gereformeerde kerk nog nimmer duidelijk het standpunt aangewezen, dat zij meende, in normale toestanden, ten opzichte van de „Academiën en Illustre scholen” te moeten innemen.

Het dusver in deze quaestie gehandelde kwam neêr op dit weinige: 1. had men op de Kruissynode te Wezen in 1568 bepaald dat de kerk zelve „Collegiën zou onderhouden voor de drie talen, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch”, maar wijl in art. 4 van de resolutiën dezer Synode, desniettemin onderscheidenlijk van „Professiën in de Theologie,” gewag wordt gemaakt, zijn |33| hiermeê waarschijnlijk slechts een soort „gymnasia” bedoeld; 2) 2. is te Emden in 1571, vooral op Marnix’ initiatief, die van uit Heidelberg deze zaak georganiseerd had, wel een Commissie benoemd om voor beurzen te zorgen, maar liet men het denkbeeld van een eigen school voorshands nog varen; 3) 3. hadden de Staten van Holland en West-Friesland in het Ontwerp der kerkelijke wetten van 1576 de aanstelling van en het toezicht op de professoren zichzelven voorbehouden; 4) 4. heeft de kerk op de nationale Synode in 1578 bepaald, dat de studenten in de Theologie ten deele onder het toezicht der kerk zouden komen; de Theologische professoren de belijdenis onderteekenen; zonder aanstelling als prediker niet op den kansel konden komen; en zitting in Classis en Synode zouden hebben, zoo deze kerkelijke vergaderingen in de Academiestad gehouden wierden; 5) 5. is door de daarop volgende nationale Synode van 1581 nader bepaald, dat de gemeenten, nevens de Academiën der Staten, ook zelven „Professeurs in de Theologie” zouden aanstellen; waarom dan ook het ambt van Doctor weêr onder de kerkelijke diensten wordt opgenomen; 6) en werd voorts door dezelfde Synode onderteekening van de Belijdenis des geloofs van de Theologische en in votis ook van de overige hoogleeraren gevorderd; 7) aan de Theologische professoren recht tot censuur over boeken gegeven, op gelijken voet met de Synode; 8) bepaald dat hun diploma de studenten van verdere examens ontslaan zou; 9) en dat ze, als gasten op de kerkelijke vergadering, geen decisieve stem in voorkomende zaken zullen hebben; 10) en 6. is te ’s Gravenhage op de nationale Synode van 1586 ingediend: „dat principalycke acht genomen worde op de Hoogescholen ten einde over dezelve gestelt worden Curatoren en Bezorgers die de Religie toegedaen syn, dat oock ghenoegzame ende bequame Godvreezende Professors |34| bizonder in de Theologie verordend worden; 11) wierden zoo „Doctoren als Professoren in den dienst der Kerk opgenomen;” 12) edoch niet „geëvoceerd ter nationale Synode”; 13) ook aan de professoren de onderteekening van de Confessie opgelegd; 14) en hun recht van boekenapprobatie gehandhaafd. 15) Terwijl in merkelijke afwijking hiervan in het Concept der kerkelijke wetten voor Holland van Staatsche zij in 1583 ontworpen, bepaald was, dat de professoren van Leiden zelfs de eerste plaats op de provinciale Synode zouden innemen, 16) en dat aan hen de censuur over alle Theologische boeken zou staan; 17) bepalingen, die schier letterlijk in Oldenbarnevelds stokpaardje: „het ontwerp van 1591” herhaald zijn. 18)

Waaruit blijkt dat het hoofdpunt in geschil, voor zoover het zich dusver tusschen het standpunt der Politieken en der Kerkelijken geopenbaard had, uitsluitend over de vraag liep: of de Theologische professoren al of niet in den dienst der kerk zouden worden opgenomen, diensvolgens eenerzijds aan de censuur der kerk onderworpen zijn, maar dan ook recht van zitting op de provinciale Synode zouden hebben? Te dezen opzichte toch maintineerden de Staten dat de professoren in hun dienst en niet in dien der kerk waren; als mannen van wetenschap zelfs boven de kerk stonden in zake de leer rakende; en als de „Theologen der hooge Overheid” jure suo stem in het Synodaal kapittel hadden. Geheel anders dan de Gereformeerde kerk, die aan de Theologie wel een zelfstandige positie, maar niet dan in den dienst der kerk wilde vergunnen, en dienstvolgens de Theologische professoren aan de censuur en inspectie der kerk wilde onderwerpen, om hun voorts slechts op die Synodes recht van stem te geven, die heel de kerk omvatten, d.i. op de Synode-nationaal. Het uitnoodigen ter vergadering als de Synode particulier te Leiden werd gehouden, gold een formeele beleefdheid, geen beginsel van kerkrecht.

Dit, dusver op theoretisch terrein gebleven verschil, nam nu echter plotseling een zeer ernstige, wijl practische en pijnlijke wending, toen de kerk zich verplicht achtte haar recht tegenover Arminius’ kerkbederf te laten gelden. Nu toch bevond men zichzelf in verlegenheid, hoe de zaak aan te vatten, en miste men, erger nog, elk middel van bedwang, toen Dr. Arminius zich achter de souvereiniteit der Staten en de autoriteit van der Staten Curatoren |35| verschool. Immers, aan de bovengenoemde Deputatie der beide Hollandsche Synoden werd, op zijn standpunt volkomen correct, door Arminius geantwoord: „dat hij zoodanige conferentie niet mocht aangaan, dan met weten en verlof, ja door bevel van de HH. Curateuren der Academie, onder dewelke hij stond.” 19) Een uitvlucht, die de deputaten natuurlijk schaakmat zette.

Van dien kant niet kunnende vorderen, wierpen de Kerkelijken het daarom, na rijp beraad en nieuw overleg, toen over een anderen boeg en zonden den kerkeraad van Leiden in het vuur; hierbij van de niet onaannemelijke onderstelling uitgaande, dat, afgezien van het souvereiniteits-geschil, de professoren in elk geval leden van de Leidsche gemeente waren en dus als zoodanig aan de kerk van Leiden „geestelijk subject.” Maar natuurlijk vorderde men met dit, destijds ook al scherp weêrsproken, beweren nog veel minder, en toen Arminius, die met de Synodale deputaten wel korte metten had gemaakt, dan ook den 26sten Augustus de Leidsche Commissie aan zijn deur hoorde aanbellen, lag zijn antwoord reeds gereed en zei hij hun kortaf en hooghartig: „dat hij sonder consent en voorkennis van Curatoren niet eens met hen spreken wilde,” 20) hen tevens verwijzend naar de „hooge Magistraat als wesende overhoofde van de universiteit en kerke alhier.” 21)

Maar zoo kon de kerk het toch niet laten zitten. Reeds Arminius’ stugge houding tegenover de deputaten, bewoog dan ook de Classis van Dordt de zaak te berde te brengen op de particuliere Synode, die den 30 Augustus 1605 te Rotterdam zou geopend worden, met verzoek dat deze hooge vergadering waken wilde voor de eere en de rust der kerk. Ook hier echter zat men met de zaak bijster verlegen en nam twee besluiten, die wel uiteraard tot niets konden leiden, maar dan toch het standpunt der kerk allengs duidelijker definieerden. Men besloot namelijk: vooreerst, in artikel 24, door de deputaten ordinaris den Curatoren te verzoeken, dat zij de professoren in de Theologie wilden gelasten, hun gevoelen in schrift aan de Synode te overhandigen. Maar ook ten tweede, om als dit niet hielp, één lid uit elke Classe aan de deputaten ordinaris toe te voegen, om, indien de Staten een Synode nationaal weigeren bleven, zelven de zaak af te doen. 22)

Maar verder kwam men ook hiermeê uiteraard niet, want ieder kon op zijn vingers narekenen, gelijk ook uitkwam, dat de Curatoren hiertoe nooit zouden meêwerken, 23) terwijl aan een commissie tot afdoen last te geven, die de feitelijke |36| macht tot bevelen en het oefenen van contrainte mist, uiteraard geen stap verder bracht. En slechts in zoover hebben deze Rotterdamsche besluiten dan ook waarde, als ze aan de zij der kerk voor het minst den ernstigen wil en toeleg openbaarden, om haar geestelijke hoogheid over de professoren met hand en tand vast te houden.

Tot beslissing hierover, nu men eenmaal zoo vierkant en principiëel met ja en neen tegenover elkander stond, kon dit geschil intusschen alleen op een Synode nationaal komen, en wijslijk lieten de deputaten dan ook het formeeren der Commissie van leden der Classis maar achterwege, en drongen liever nogmaals aan op de acte van consent voor het bijeenroepen der nationale Synode. Die acte werd hun den 15 Maart 1606 dan ook verleend, en in de Conventus praeparatorius o.a. bepaald, dat de professoren in de Theologie, met decisieve stem voor alle zaken op deze Synode verschijnen zouden. 24) Dit kon door Holland van Staatsche zij worden toegegeven, omdat het de quaestie van de provinciale souvereiniteit openliet, als behoudende men zich de approbatie der kerkorde tot latere decisie voor; en leverde evenmin van kerkelijke zij bezwaar op, overmits de provinciale Synode er buiten bleef en men aldus in de Generale Staten een steun hoopte te vinden tegenover de Staten van Holland.

Hoe nu door de clausule van de Revisie, waar de Remonstranten zoo stokstijf op stonden, maar de Gereformeerde kerken niet aan wilden, de bijeenkomst der nationale Synode nog twaalf jaren lang vertraagd is, raakt het onderhavig onderwerp niet; en voor mijn tegenwoordig doel is het alleen nog interessant op te merken, dat, toen het nu op het indienen van de gravamina voor de nationale Synode aankwam, Dr. Arminius, en ik zeg nogmaals, op zijn standpunt volkomen juist, wederom een spaak in het wiel stak. Toen namelijk door de Gorcumsche Synode van 1606 ook aan de professoren gevraagd werd, dat ze hun bezwaren tegen de Confessie toch „langs den kerkelijken weg” wilden inzenden, weigerde de looze vos, op wien het schot gemikt was, dood bedaard hier in te treden, en zei: „dat hij op de Synode zelf wel zeggen zou wat hij te zeggen had.” 25) En verklaring, waarbij intusschen wel in het oog dient gehouden, dat de onderteekeningsquaestie er ook nu nog geheel buiten bleef, want alle professoren in de Theologie, en óok Arminius, hadden onder Confessie en Catechismus beide hun naam staan. 26) |37|

Het twistgesprek eindelijk, niet lang daarna (op Donderdag na Pinksteren 1607) te ’s-Gravenhage voor den Hove van den Hoogen Raad, op last der Staten van Holland, geopend, behoeft met het oog op het oogmerk van deze studie, slechts in zooverre vermeld, als de Staten hierdoor, in formeelen zin, nog krasser dan ooit tegenover de kerk positie namen. Door dit zonderling Conventus Hagensis 27) toch onttrokken de Staten de professoren in den meest volstrekten zin aan de censuur der kerk; stelden hen ook confessioneel onder de gewone jurisdictie der Staten; en gunden aan een viertal kerkelijke dienaren slechts een instrumenteele rol. 28) Het stuitende wat in deze eigenmachtige daad der Staten leî, hinderde de kerk dan ook geweldig. Maar wat moeite ze ook deed, om een Synode provinciaal (van N. en Z. Holland) als kamprechter saâm te mogen roepen, het was al aan een doovemans deur geklopt. En, om den knoop door te hakken, werd hun nu zelfs het consent voor de particuliere (d.i. Zuid-Hollandsche) Synode 29) geweigerd, en aldus de zaak op een uiterste gedreven, dat door het bekende Alkmaarsche incident van Laumannus en Venator c.s. nog verergerd, oorzaak werd, dat tot in 1618 élke synodale samenkomst door de Staten van Holland werd belet.


*

2. Een pijl die afketst.

Toen eindelijk in den zomer van 1618 door Maurits’ doortastendheid het verzet, dat tegen de eenheid, het historisch karakter en de zedelijke missie van deze landen in ging, nog juist bij tijds op de Neude te Utrecht gebroken was, liet de tegenstelling tusschen de bovendrijvende en onderliggende partijen, aan scherpe belijndheid weinig te wenschen over. Er was toch een „cardinaal, principiëel en fundamenteel” verschil van levensopvatting in het spel, dat, juist doordien het tot in den wortel stak, zich op elk levensterrein, van Staat en kerk, van Theologie en historie, ja tot in huisgezien en maatschappij openbaren moest.

Wel liep het dispuut ten diepste over de vijf artikelen der Remonstrantie, maar overmits de verhouding, waarin, voor ons bewustzijn, onze |38| ziel tot den levenden God staat, mits men consequent zij, tevens elke andere levensverhouding bepaalt, vloeide ook voor Staats- en kerkrecht uit deze vijf artikelen een scherp afgebakend stel begrippen voort, dat lijnrecht indruischte tegen wat te dien opzichte eisch van de Gereformeerde beginselen was.

Calvinistisch of anti-Calvinistisch beteekende dus in die dagen, (om nu de politiek er kortheidshalve buiten te laten) volstrekt niet alleen, dat men tegen of voor een electio e fide praevisa 30) was, maar minstens evenzeer, of men op kerkrechtelijk gebied het met de relatieve Collateraliteit van Ruardus Acronius, 31) dan wel met de Pietas Ordinum van Hugo de Groot hield; en niets heeft ons dan ook meer bevreemd, dan dat Dr. van Toorenenbergen, wien dit notoire feit natuurlijk van jaren her, eer mijn oor er het eerste gerucht ook maar van opving, overbekend was, deze voor het onderhavig onderzoek alles afdoende omstandigheid zoo geheel over het hoofd heeft kunnen zien.

Immers zoo iets duidelijk is, dan is het wel dit, dat van de twee kerkelijke tegenstellingen dier dagen, t.w. de Theologische en de kerkrechtelijke, bij het professorengeschil niet de eerste, maar uitsluitend de tweede: de kerkrechtelijke, aan de orde was. Wie, op het terrein van dit geschil, Curatoren en Staten anti-Calvinistisch noemt, zegt hiermeê dan ook natuurlijk niets over hun Theologische zienswijze, maar duidt alleen aan, dat ze op kerkrechtelijk terrein de consequentiën van het Calvinistische systeem met bewustheid bestreden.

Nog meen ik derhalve, dat volkomen juist is, wat ik den 6 Januari in de Haarlemsche Courant desaangaande in dezer voege schreef:

En ten derde dat uw correspondent blijkbaar den historischen zin mist, om te rekenen met het notoire feit, dat de weigering van onderteekening alleen en uitsluitend geschiedde omdat de anti-Calvinistische Curatoren en Staten van Holland niet wilden toestaan, dat hun hoogleeraren een acte van subjectie aan de Synode zouden teekenen, en hun dit verboden hadden. De Staten van Holland namelijk wilden niet gedoogen, dat hun professoren teekenden, tenzij de Synode hun in ruil zittingsrecht ter Synode inwilligde.

*

Dit alles is Dr. Van Toorenenbergen echter zoo volkomen ontgaan, dat hij besloot den 13 Januari tegen dit bondig redebeleid dezen pijl van de pees te laten vliegen:

Wat voorts hun verzet tegen de onderteekening van dit formulier betreft: het mag niet worden afgeleid uit een gefingeerd antagonisme tegen de Synode bij de Staten |39| van Holland en de curatoren der Hoogeschool. Door dat te doen heeft Dr. Kuyper een anachronisme begaan, hetwelk hem waarschijnlijk reeds zal hebben berouwd. Immers waren de Staten van Holland na het veranderen van de wet in die provincie, hetwelk in 1618 had plaats gehad, niet meer dezelfden van vroeger, onder het ministerie Oldenbarnevelt. De „nieuwe Staten” hadden terstond en onvoorwaardelijk in de Synode bewilligd. Alleen de stem van Gouda bleef den Remonstranten nog gunstig. — Met de curatoren van ’s Lands Hoogeschool was het evenzoo gesteld. Het collegie was na de veroordeeling der Remonstranten „Gereformeerd” geworden in dubbelen zin.”

Jammer slechts, dat deze pijl op Dr. van Toorenenbergen zelven afketst en hem drie wonden tegelijk toebrengt.

Hij zegt toch: 1. dat de wet in de Hollandsche steden reeds veranderd was, eer de Staten de Synode nationaal toestonden.

Dit nu heeft er niets van. Want vooreerst hebben de Staten van Holland er eigenlijk nooit in bewilligd en is de Synode en vijf-en-twintigsten Augustus 1618 uitgeschreven, zonder Hollands consent. En ten tweede, voor zoover zij dan toestemden, is dit consent tot het houden der nationale Synode door hen den 25 Augustus laat in den middag genomen, 32) terwijl „de wet door Maurits eerst verzet is” den 7 September in Schoonhoven, den 10 September in den Briel, den 15 in Delft, den 5 October in Hoorn, den 8 October in Medemblik, den 10 October in Alkmaar, enz. en eerst den 8 November in den Haag. Hier valt hij dus voor den Almanak.


2. Beweert Dr. Van Toorenenbergen, dat deze in zijn gedachte reeds uit gezuiverde Staten, gul en gaafweg, d.i. onvoorwaardelijk, de Synode toestonden.

Een beweren dat er al even slecht afkomt.

Immers uit de Resolutiën der Staten en de daarin opgenomene schriftelijke adviezen 33) blijkt: ten eerste, dat de Edelen allesbehalve voetstoot aan de Synodalen gewonnen spel gaven, maar én tegen het decisieve recht der Synode, én tegen de souvereine beschikking der Staten-Generaal, én tegen elken maatregel van bedwang tegen de Remonstranten, zóó scherpelijk protesteerden, dat er van loslaten van het oude standpunt schijn noch sprake is. Ten tweede, dat alleen de zes reeds vroeger gereformeerde steden (Dordrecht, Amsterdam, Schiedam, Enkhuizen, Edam en Purmerend) zonder beding, evenals vóór het afdanken der Waardgelders, toegaven. Ten derde, dat Haarlem zich bij het protest der Edelen aansloot; dat Delft staatsgewijze approbatie |40| bedong, dat Leiden de Edelen bijviel; dat Gouda pertinent bleef weigeren; dat Rotterdam zich bij de Edelen aansloot; en dat den Briel zelfs nóg krasser protesteerde. 34)

Het protest zelf van de Edelen, dat alzoo de basis van het besluit werd, is te sprekend om het hier niet af te drukken. Het luidt als volgt:

De Heeren Edelen van Holland en Westvriesland verklaaren op het stuk van de Kerkelijke differentiën, haar verstands altijds geweest te zijn, dat de questiën vervattet in de vijf poincten, zijn van soodanigen natuure dat daar over een Christelijke accommodatie en tollerantie met behoudenisse van Kerkelijke eenigheyd wel kan en behoord gepractiseert te worden; daartoe haare meyninge is geweest dat de Resolutiën voor deesen op deselve materie genoomen, bij provisie souden worden agtervolgt tot dat de humeuren meerder gestilt zijnde, de saake soude zijn gedisponeert tot een nader onpartijdige examinatie; waartoe haar Ed. ook bewilligt hebben dat een Deputatie van Politicque en Kerkelijke Persoonen soude geschieden; hebbende meede daarna geconsenteert in een Provinciale Synode van Holland en Westvriesland, en daar neffens tot meermalen verklaart, gelijk zij alsnog verklaaren, dat in alle andere poincten van Christelijke Leere niet anders sal worden geleert als het gunt over een komt met de Leere der Gereformeerde Kerken, genoomen uyt Godes Woord, ende in deese Landen betuygt door de Nederlandsche Confessie, en den Heydelbergschen Catechismum; ende indien yemand daar jegens deede, dat jeegens den selven geprocedeert soude worden bij Kerkelijke Censuren, ende ook (was het nood) bij publicque authoriteyt; haar Ed. en hebben nooyt afgeslagen het houden van een Nationale Synode der Vereenigde Nederlanden, soo wanneer het selve wettelijk na regten van den Lande, en tot sulken eynde als voorsz. is soude worden geconvoceert; maar hadden seer gaarne gesien dat voor het accordeeren van het Nationale Synode beproeft ware geweest, wat zeegen God Almachtig soude willen geven over de besoigne van een Provinciaal Synode, dan bemerkende dat bij de andere Provinciën, en ook eenige Steeden van Holland en Westvriesland seer werd geinsisteert op het Nationaal Synode;

Soo is ’t, dat haar Ed., om haar Bondegenooten en Meede-Leeden, soo veel moogelijk is, te gemoet te gaan, verklaaren voor eerst te houden voor seeker en ongetwijffelt, dat hoewel de Leeden van Holland ende Westvriesland de waare Gereformeerde Religie gemeen hebben met de voorschreeve Geunieerde Provinciën, als ook met andere Rijken en Landen, dat nogtans de publicque dispositie en authoriteyt over Kerkelijke saaken, de Staaten van elke Provincie bijsonderlijk is competeerende, en dat de selve authoriteyt bij de Generaliteyt niet mag gebruikt worden als bij eenpaarig consent van alle de Provinciën; verklaaren insgelijks te verstaan dat de decisie of definitie over de voorsz. vijf poincten (als raakende alle de Gereformeerde Kerken) insonderheyd de gemoederen in deese Landen ten beyden zijden soo seer zijn gepreoccupeert, niet behoord te geschieden bij een Nationale Synode, maar wel dat in deselve Synode behoord gearbeyd te worden om de saake te brengen tot soodanigen accommodatie, die met Godes Woord bestaen, en oversulks met goede Conscientie aangenoomen soude moogen worden; En indien het selve tot onderling contentement niet soude konnen geschieden (als nogtans werd verhoopt) maar dat daar over soude eenige decisie worden vereyscht, dat in sulken geval een Generaal Synode van de Gereformeerde Kerken soude behooren geconsenteert te worden, om aangaande de voorsz. questiën te verklaaren wat te houden is, voor fundamenteel of niet; en over hetgeen |41| hetwelk niet fundamenteel soude worden bevonden, te stellen een Reglement van Christelijke Accommodatie; verstaan daarenbooven dat geen Acten of besluyt van Particuliere of Nationale Synode, de Landen of Ingezeetenen van Holland en Westvriesland en sullen verbinden sonder expres Consent en Approbatie van de Staaten derselver landen, daar toe wettelijken beschreven; verstaan meede dat tot beleyd van het Nationaal Synode de Staaten van Holland en Westvriesland sullen moogen deputeeren eenige Politicque Persoonen, ten minsten dubbel getal jegens de andere Provinciën ten aansien van de grootheyd van de Provincie van Holland en Westvriesland, ende derselver sonderlinge interest in de saake; en dat deselve Gedeputeerden niet bij representatie, maar hoofdelijk sullen besoigneren; Laatstelijk verstaan haar Ed. niet eenige veranderinge toe te staan van hetgeene bij alle Handelingen en Tractaten is goedgevonden; te weeten dat in Holland en Westvriesland een yeder particulier in sijn gevoelen ende Religie vrij sal blijven, en dat men niemand ter saake van de Religie sal moogen agterhaalen, onderzoeken of eenige molestatie aandoen, en waare hij hem andere ordre vrijwillig onderwerpe, onder welke verklaaringe en bespreken, ende anders niet, haare Edele te vreeden zijn te bewilligen in het houden van de voorschreeve Nationale Synode 35).

Vergelijk nu met dit scherp protest eens Dr. Van Toorenenbergens „onvoorwaardelijk!

En toch zelfs het eenvoudige nalezen van Wagenaar, op wiens autoriteit zich Dr. Van Toorenenbergen nogal beroept, had hem dan toch kunnen vrijwaren voor de verdrietelijkheid, die het hem nu geven moet, op zoo haast onbegrijpelijke aaneenrijging van fouten, bij een volstrekt niet controvers punt van zeer bekende historiën, betrapt te zijn.

Wagenaar toch schreef wel niet heel, maar dan toch half eerlijk:

Doch dit alles was voor het afdanken der Waardgelderen, gebeurd. Terstond daarna, gaven de meeste leden van Holland den moed op, om het houden der Nationaale Sinode te beletten. De raadpleegingen op dit stuk werden, met nieuwen ernst, hervat. De Edelen en alle de steden, op Gouda na, bewilligden in de Sinode, op den vijfentwintigsten van Oogstmaand: doch met eenige bepaalingen, die meest hierop uitliepen, dat de zaaken, aldaar, tot bijlegging, niet tot beslissing, zouden moeten beleid worden, en dat de handelingen der Sinode van geene kragt zouden zijn, dan nadat ze, staatswijze, waren goedgekeurd. Men handelde nog over dit stuk, tot op den negenentwintigsten, en de gevoelens waren toen zo na tot één gebragt, dat men, zoo de Advokaat, naderhand, verklaard heeft, binnen drie uuren, ten volle, in de Sinode bewilligd zou hebben; wanneer een ongemeen voorval de raadpleegingen van Holland, voor eene poos, geheellijk stremde 36).

Vooral de aanhef van dit stuk had Dr. Van Toorenenbergen nog kunnen waarschuwen. Het was het „afdanken der Waardgelders”, vooral in Leiden, den 23en Augustus, waardoor de Staten den moed verloren en de zaak opgaven. |42|

En 3. zegt Dr. Van Toorenenbergen, dat er in 1620 van anti-Calvinistische gezindheid bij deze toen metterdaad uitgezuiverde Staten geen sprake kon zijn.

Blijkbaar bedoelt de geachte schrijver hiermeê, dat ze geen Remonstranten meer waren in de leer, en in zooverre is zijn beweren onberispelijk. Maar was zijn pen minder vluchtig over het papier gegleden, dan zou hij toch hebben ingezien, dat van het theologisch antagonisme in de professorenquaestie volstrekt geen oogenblik sprake was, want dat men, na Dordt, over de Formulieren van Eenigheid eenparig oordeelde, zoo aan den kant der Curatoren en Staten, als aan dien der Synodalen. Maar dat het hier in het spel zijnde antagonisme uitsluitend de kerkrechtelijke quaestie gold, waarin de Staten van Holland, zoomin voor als na het verzetten der Wet door Prins Maurits, ooit tot de Gereformeerde zienswijze zijn toegetreden.

Vindt men anti-Calvinistisch hiervoor nu een te kras woord, welnu, laat men dan mijnentwege zeggen, dat de Staten en Curatoren zich ook in 1620 en volgende jaren met hand en tand tegen de Calvinistische opvatting van de kerkrechtelijke quaestie verzet hebben. Over de keus tusschen anti-Calvinistisch en niet-Calvinistisch val ik niet. Mits Dr. Van Toorenenbergen zijn zonderlinge vergissing maar inzie en alsnu toestemme dat de Staten van Holland en West-Friesland, die 1. het jus patronatus niet prijs wilden geven, 2. de kerkorde niet wilden goedkeuren, 37) en 3. tot het weêr bijeenroepen van een volgende nationale Synode hardnekkig weigerden meê te werken, — vlak ingingen tegen al wat ten deze eisch van het Gereformeerde, Calvinistische, te Dordt beleden, beginsel was.


*

3. Stand van het geschil.

Kort en kernachtig heeft Huig de Groot het verschil dat op kerkrechtelijk terrein, of wil men in canonicis, de geesten destijds in ons vaderland scheidde, saâmgevat in de korte formule: de synodis judicat magistratus, waartegen de Gereformeerden dan hun in synodis, en zelfs dat nog getemperd, als beginsel van kerkelijke autonomie overstelden. 38) |43|

Een tegenstelling, waarvan de termen, nader uitgewerkt, ongeveer in dezer voege tegenover elkaâr komen te staan.

Naar luid der Remonstranten is van Godswege aan de Overheid alle gezag en alle macht opgedragen in Staat en kerk beî. Voor wat de belangen van den godsdienst aangaat, kwijt zij zich van dien plicht door middel van de kerk. Evenals elk ander instrument waarvan zij zich ter voltooiing van haar taak bedient, als b.v.: het leger, de vloot, de rechterlijke macht, enz. blijft ook die kerk aan haar ondergeschikt. 39) Weshalve zij bevoegd en gehouden is: 1. te bepalen welke leer die kerk prediken, 2. aan welke kerkorde zij zich houden zal, 3. wie haar dienen zullen als ministri, 40) en 4 op wat wijs uitgebroken geschillen te beslechten zijn.

Wel gaf de Remonstrant toe dat alles naar den Woord Gods moest toegaan, maar de vraag: wie over den zin van dat Woord te beslissen had? beantwoordden Uytenbogaert en Hugo de Groot c.s. met te zeggen: „de magistraat zelf.” En op de tegenwerping: „Ast peritus non est magistratus, sacras litteras non didicit41) repliceerde De Groot boudweg, in zichzelf blijkbaar het toonbeeld van den waren magistraat erkennend: Debet eas discere; debet peritus esse; excitandus est a vobis in hoc studio! 42)

Een systeem, dat nog scherper geteekend lag in dit heldere woord van de Pietas Ordinum, toen De Groot schreef: „De sua religione iudex est unusquisque; de Ecclesia (sub cruce) fide ipsa Ecclesia statuit; at de fide Ecclesiae quae publica est nemo jus statuendi habet, praeter eum cujus omnia publica sunt in manu ac potestate”. 43) Alleen zoo, aldus oordeelde Oldenbarneveld, kon de eenheid van den Staat gehandhaafd worden en ontzeilde men de klip van de „Rempublicam bicipitem,” 44) destijds meest befaamd en belasterd als gemeenebestelijke „evenhoogheid” of naar de juristen te zeggen plachten: de absolute collateraliteyt. 45)

Waartegenover alsnu de Calvinisten vooral bij monde van Sybrandus Lubbertus en de beide Acroniussen, een gemengd stelsel verdedigden, dat |44| ze toelichtten met dit beeld: „Neemt exempel van een schip dat zijn stierman heeft, en daar een Capiteyn met soldaten in is, die vaart om teghen sijn vijant te strijden. In dit Schip heeft de Stierman sijn regieringhe ende ghebiedt, onderscheyden van des Capiteyns regieringhe ende ghebiedt. De Capiteyn heeft sijn regieringhe ende ghebiedt nderscheyden van des Stiermans regieringhe ende ghebiedt. Nochtans moeten beyde de Stierman en de Capiteyn, onder malkanders ghebiedt staan, en over malkanderen ghebieden en regieren. De Capiteyn moet onder des Stiermans regieringhe ende ghebiedt staan, zoo vele het stieren van ’t schip belanght, dat het aan gheen strant, zantclippe, stoote, of te andersins op ’t droghe ghezeilt worde. Want des Capiteyns en aller soldaten welvaren hangt daar aen. De Stierman moet wederom den Capiteyn daerin gehoorsaem wesen, ende onder sijn ghebiedt staan, dat hij het Schip nerghens dan na den vyant stiere, teghen welcken de Capiteyn met sijn Soldaten ten strijde gaet, ende dat hij ’t schip, als zij omtrent den vyant gekomen zijn, den slach beginnen zal, ende volbrocht moet worden, alsoo regiere, datter in ’t stieren niet versuymt ofte ghedaan worde, daer door de victorie teghen den vyandt verhindert, ofte andersins om den slach te verliezen, oorsake ghegheven worde. Deze onderlinghe onderdanichheyt, ende goedtwillighe onderwerpinghe, is niet alleen onbaerlyc, maer zo nootzakelyc, dat zonder deselve niets goets aen wederzyde uitghericht kan worden.

„Alsoo nu ist ooc met de Regierders der Politiën ende der ghemeynten gheleghen. Want de ghene die de Ghemeynte Gods ende de Politie regieren, zijn ghelijc die t’ samen in een schip varen, (want zij zijn beyde eender Ghemeynten lidtmaten) ende onder malkeners regieringhe ghestelt, ende daarom na ghelegentheydt der zaken, malkander ghehoorsaem wesen moeten, zullen alle dinghen wel gaen, ende aen wedersijde een ghewenscht eynde getroffen worden”. 46)

Hun stelsel was derhalve: Kerk en Staat zijn twee afzonderlijke maar in elkander geschoven levenskringen. Wat nu betrekking heeft op de uitwendige aangelegenheden van het gemeenebest, en dus ook der kerk, bezorgt de politieke Overheid; maar alwat de geestelijke aangelegenheid van de kerk en dus ook van het gemeenebest, raakt, staat ter competentie van de „ecclesiastieke Overheid.” Alzoo heeft de magistraat macht om den kerkendienaar te richten, maar ook de kerk macht om de magistraatspersonen voor zich te citeeren en te straffen met censuur. En wat voorts de |45| vaststelling der leer, de instelling der kerkorde en de kerkelijke jurisdictie betreft, in deze alle is de kerk autonoom, de kerk de handelende en gezaghebbende macht, en komt den Magistraat geen andere bevoegdheid toe dan van medewerking, approbatie en executie.

Wel stemden ook de Calvinisten toe, dat de Overheid niet blindelings, maar naar eigen oordeel uit Godes Woord geput, bij het verleenen of weigeren van die „medewerking, approbatie en executie” te werk moest gaan, 47) en voorzagen ze dus uitnemend wél dat een op elkaâr stooten van de tanden dezer beide raderen alleszins denkbaar was, maar verre van hierdoor afgeschrikt te worden, beleden ze veeleer dat het aan God den Heere, naar zijn gunst, en niet aan de Overheid hing, om dien Magistraat „facilem et officiosum” voor zijn kerk te maken, of haar dien te stellen tot wederpartijder. 48)

Hierin echter stonden de Calvinisten vierkant en lijnrecht tegen de Remonstranten over, dat, terwijl De Groot leerde: „Bij verschil beslist de Magistraat,” de Gereformeerden in alle geestelijk en kerkelijk geding de eindbeslissing reserveerden aan de kerk: „Rogatur, cui finale judicium in controversiis fidei competat? Magistratui ne an Pastorum Synodis an utrisque? Hoc obiter hic dicimus: etiam Magistratus in his suis mandatis posse errare, et Pastores a Deo esse vocatos, ut omnibus, ac inter eos etiam Magistratibus, veritatem proponant”. 49) Een alles afdoende verklaring, die we daarom het liefst met een woord van Walaeus citeerden, opdat Dr. Van Toorenenbergen en zijn geestverwanten duidelijk zouden inzien, hoe beslist Walaeus ook in het kerkrechtelijk geding aan den kant der Acroniussen en tegenover Uytenbogaert stond. 50) |46|

Past men deze beide stelsels nu op de verhouding van kerk en Academie toe, dan vindt men van Remonstrantsche zij een voorstelling, die zich resumeeren laat in de zes volgende punten: 1 de stichting, instandhouding, regeling en inspectie der Academie behoort geheel en uitsluitend aan den Magistraat; 2 de Theologische faculteit is een college door de Overheid ingesteld, a. om predikanten te vormen, en b. om de Overheid van in- en voorlichting te dienen in geestelijke zaken; 3 ter handhaving van wat de Overheid oordeelt den waren godsdienst te zijn, verplicht de Overheid de Theologische professoren tot onderteekening van door haar goedgekeurde formulen; 4 censuur over de professoren oefent de Overheid door haar Curatoren; niet de kerk; 5 tot de kerk staat de faculteit in geen andere betrekking, dan de Overheid zelve, d.i. autonoom en voorrang hebbende; en 6 aan de kerk kan nooit macht over de professoren gegeven dan bij overeenkomst, door correspondentie, en tegen equivalent.

Tegenover welke voorstelling de denkbeelden der Gereformeerden zich dan in dezer voege laten saâmvatten: 1 De Academie, hetzij door de Overheid, hetzij door de kerk, of ook als vrije corporatie gesticht, maakt „deel uit van den dienst der kerk”; 2 met name de Theologische professoren bekleeden als Doctoren een kerkelijk ambt; 3 ze zijn deswege in zaken de leer aangaande, als eminente kerkleden subject aan den kerkeraad van de Academiestad, en als corporatie aan de Synode der provincie, met appél op de Synode nationaal; 4 ze onderteekenen de formulieren van eenigheid niet ten behoeve der Overheid maar op last der kerk; 5 ze genieten de libertas academica en nemen in doctrinaire aangelegenheden, b.v. boekencensuur, een positie in als b.v. de classen hadden; en 6 ze hebben jure suo zitting in de Synoden die de aangelegenheden der gansche kerk behandelen, t.w. in de Synode nationaal en generaal. |47|

Voor Holland, en speciaal voor Leiden, waar de kerk geen eigen Academie meer krijgen kon, geen vrije school gevonden werd, en alleen de Overheidsschool bestond, kwam het geschil tusschen kerk en Magistraat, of wil men tusschen Calvinist en Remonstrant, dus feitelijke neêr op deze drie vragen: 1 Heeft de kerk het recht om de Theologische professoren voor zich te ontbieden en als aan haar subject ter verantwoording te roepen? 2 Zal de onderteekening der formulieren ten genoegen van de kerk of van den Magistraat plaats hebben? en 3 zullen de professoren in de Theologie zitting hebben alleen in de Synoden van heel het land of ook in de Synoden der enkele provincie?

En om nu duidelijkheidshalve het laatste punt, van zitting hebben namelijk in de Synoden nationaal of provinciaal, nog scherper te accentueeren, zij ten slotte nog aangewezen, wat er achter dit dilemma voor politiek en kerkelijk geheim stak.

Teweten de Remonstranten waren vooral destijds prat en tuk als nooit op de in zichzelf afgesloten souvereiniteit van de enkele provinciën. Holland was hun een staat, een rijkje, een land op zichzelf. Dientengevolge eischten ze dat ook de Gereformeerde kerk van Holland en West-Friesland als een kerk op zichzelf zou beschouwd worden, die derhalve in eigen boezem recht van beslissing had over de leer. En in dit systeem nu sprak het vanzelf, dat dus óók de Theologische professoren, die bij zaken de landskerk rakend stem in het kapittel hadden, dienden te zitten in de provinciale Synoden.

Maar van dit provinciaal geknutsel wilden nu juist de Gereformeerden op kerkelijk terrein niets hoegenaamd weten. God de Heere had de kerken van deze landen, en niet de kerken van een enkel gewest, in den smeltkroes van het martelaarschap tot ééne geestelijke eenheid saâmgesmolten. Er was één nationale kerkeenheid evengoed als één kerkelijke nationaliteit in deze landen tot stand gekomen. Dat verbrokkelen in gewesten was dus de historie, was Gods daden, was de roeping dezer kerken in het aangezicht slaan. En ook uit dien hoofde betwistten en ontzeiden ze dan ook pertinent aan alle provinciale Synoden het recht, om op de zaken die de gansche kerk aangingen te resolveeren. Dat stond niet aan hen, maar uitsluitend aan de Synode nationaal of nog liever generaal, met alle Gereformeerde kerken saâm. En overmits nu de Theologische faculteit steeds de kerk in haar geheel en nooit een deel der kerk dient, of wil men, wijl het Doctoraat een generaal en geen locaal ambt was, zoo konden en mochten ze dus ook niet toestaan, dat de professoren als membra corporis „ex lege” zitting kregen in eenige Synode provinciaal.

Metterdaad lagen dus in de vraag: Zitting voor de professoren in de Synoden provinciaal of nationaal? de polen der beide stelsels diametraal en onverzoenlijk tegen elkander over. |48|

Wie „nationaal” zei was Calvinist; en Anti-Calvinist wie voor het „provinciaal” partij koos.

„Nationaal” of „Provinciaal” was werkelijk Shibbôleth!


*

4. Praeparatoir.

De „Suyt-hollandsche Synode” die in den jare 1618 den 6en November haar zittingen te Delft aanving, droeg uitsluitend het karakter van een „Synode praeparatoir” voor het groote Gereformeerde Concilie, dat reeds den 13en November daaraanvolgende; dus juist een week later; te Dordrecht door den heer Martinus Gregory, „der Beiden rechten Doctor en Raadordinair in het Hof van Gelder”, in naam der Generale Staten geopend werd. „Praeparatoir”, niet slechts om de deputaten te benoemen en de gravamina in gereedheid te brengen, maar ook om voor de kerkrechtelijke punten de beslissing der Synode te vergemakkelijken. 51)

Onder meer nu dat op deze kerkelijke samenkomst gepraepareerd werd, behoorde ook en vooral het voorloopig vaststellen van een Concept, ter regeling van de betrekking, die van nu voortaan tusschen kerk en Academie, naar de wenschen der Calvinisten, ontstaan moest.

Niet toch om den put te dempen, nu het kalf verdronken was, maar om te voorkomen dat het er weêr inviel, moest partij getrokken van het zeldzaam gelukkige oogenblik, om dezen Achilleshiel van onze kerken in de toekomst, zoo men hoopte, onkwetsbaar te maken.

En dat oogenblik wàs gunstig.

Reeds dertien jaren had de kerk getobd, om met de Universiteit van Leiden, wier overgroote heel onzen kerkstaat in rep en roer had gebracht, tot een definitief accoord te komen; maar eerst was dit op Arminius’ hardnekkig zwijgen, en toen hij wegviel, op den verklaarden onwil der Staten van Holland afgestuit, die na 1608 met tyrannieke wilkeur (op het drijven van Oldenbarneveld, die maar aldoor op invoering der wettten van 1591 drong) elke bijeenkomst der Zuid-Hollandsche Synode tien jaren lang hadden tegengestaan en verboden.

Nu daarentegen was de Theologische faculteit ingekrompen op Episcopius, die in zak en assche zat, en Polyander, die op hun hand was, en stond |49| men, met de Synode-nationaal in het gezicht, voor het fait-accompli, dat de „wet in Holland allerwege verzet was”, en zoowel de tegenstand der Edelen door ampliatie van hun corps, als die der steden door het veranderen der Besturen gebroken was. 52)

Geen wonder dus, dat de Kerkelijken, ziende hoe alles hun meêliep, in den roes hunner vreugde, zich aan soortgelijke illusiën ten opzichte van de Staten van Holland overgaven, als Dr. Van Toorenenbergen zich zelfs nog na twee eeuwen, ten laste liet komen, en zich ja waarlijk inbeeldden, dat de Edel-Mogenden, ook op de kerkrechtelijke punten alsnu van den ouden Anti-Calvinistischen zuurdeesem gezuiverd waren.

Hoedanig ze hiermeê nu buiten den waard rekenden, zal later in bijzonderheden blijken. Thans wil ik slechts aantoonen, hoe gansch naievelijk de geen kwaad vermoedende Synode praeparatoir zich aan zoo schoone droomen overgaf, wier verwerkelijking onze kerken nooit zouden beleven.

Er was namelijk ter Synode ingediend het navolgende gravamen, dat als N. 3 onder de gravamina dezer Synode voorkomt:

„Alsoo de eerste swaricheyt over de leere uyt de academie van Leyden is gesprooten, dat de Syn: hierop alsoo wil letten dat in den toecomenden Syn. Nat. hierin mooge versien werden, opdat beyde in de academie ende in de theologische collegien niet dan de ware gereformeerde leere gehanthavet ende de studenten daerinne behoorlyck geoeffent werden, ende dat insonderheit geleth werde op de persoonen van de professoren in de theologie ende regenten in de voorsz. collegien, offt oock niet behoort beraemt te werden een ordonnantie naer d’welcke voortaen de professoren der theologie ende der Hebreeusche sprake mitsgaders de regenten van de voorsz. collegien sullen verkooren ende beroepen werden; item off niet onder ’t getal van de opsienders van de voorsz. collegien eenige kerckelycke persoonen behooren gestelt te werden”. 53)

Hierop nu werd, blijkens art. 15 der Acten, genomen de hieronderstaande resolutie:

„Aengaende het derde gravamen van in toecomende tijden voor te comen die swaricheyt die nu in de Leere is gevallen dewelcke eerst uyt de academie van Leyden is gesprooten, is om daertoe te comen goetgevonden vier persoonen uyt dese vergaderingh te belasten een seecker ordre te beramen, aengaende de professoren in de theologie, ende de Hebreeuse spraecke de regenten der collegien ende de Studenten theologiae, item de opsienders der collegien, welcke ordre in desen Syn: goetgevonden synde, eerst gecommuniceert sal werden met de Ed. Mog. heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslant om daernaer met voorweten haerer Ed. Mog. als oock haere Ed. Mog. approbatie, den Gedep. van Gelderlant, Vrieslant ende |50| Groenigerlant die op den Syn: Nat: sullen verschynen door onse Gecommitteerde voorhouden ende indien sy het noodich vinden, den Syn: Nationaal voor te dragen, volgens alle twelcke oock een soodanige ontwerpene ordre den Ed. Mog. heeren Staaten voornoemt met een remonstrantie vertoont is”. 54)

Merk hierin op het sans gêne, waarmeê men meende de zaak te kunnen op touw zetten; en het schier onbepaald vertrouwen, dat men oordeelde op Hollands Staten te kunnen stellen; maar hoe toch desniettemin de gevoeligheid van Holland op het Shibbôleth van „Nationaal” of „Provinciaal” werd ontzien. Kon men met Holland alleen klaar komen, dan zou men namelijk de Dordtsche Synode slechts registreeren laten wat geschied was. En geen wonder, dat men een slinger om den arm hield, want rechts van den Praeses zaten de H.H. Mr. Nicolaas Cromhout, Raad Ordinaris van den Hove, en Jacob van der Paau, der Delvenaren Burgemeester. Dit stemde voorzichtig. Doortasten meende men te kunnen, maar prikkelen wilde men toch niet.

De arbeid der Commissie, die bij deze Resolutie benoemd werd, had tot resultaat een opstel, ten titel voerende: „Poincten aengaende de Universiteyten, by de Synodus van Delft A. 1618, van Suyd-Hollant aen de Ed. Mog. Heeren Staten van Hollant en Westvrieslant overgelevert” en was van dezen inhoud:

I. Dat tot opzicht ende regeringe van de universiteyten ofte illustre scholen sodanighe curateurs moghen gestelt worden, die lidmaten zijn van de gereformeerde kercke, notoirlyck staende int gevoelen van de aengenomene gereformeerde leere.

II. Dat de beroepingen der professoren der H. theologie niet en geschiede dan met advys des Synodi, ofte so de beroepinge niet en soude tot den Synodum connen uytgestelt worden, der gedeputeerden uyt elcke classe tot dien eynde beneffens de gedeputeerde des Synodi te beschrijven. Dat desgelycks ook werde geprocedeert in de beroepinge van de regenten ende subregenten der theologische collegien.

III. Dat in de beroepinge van de professoren niet alleen in de faculteyt van de H. theologie, maar oock in de andere faculteyten, ende namentlyck in de Grieksche ende Hebreusche tale, gelyck ook in de philosophie, insonderheyt geleth moghe worden, dat sulcke mannen werden beroepen, die niet alleen van weghen hare geleertheyt ende verstant uytstekende ende vermaert zyn, maer oock Godsaligh ende stichtigh van leven, ende bekent notoirlyck te staen int gevoelen van de aengenomene leere deser gereformeerde kercken, ende die noyt rechtveerdich nadencken van onsuyver gevoelen in de leere hebben gegeven.

IV. Dat de professoren van alle faculteyten om sulcks te betonen gehouden werden in ’t aenvangen van haren dienst de formulieren van eenicheyt in de leere te onderteckenen.

V. Dat de professoren in de philosophie ende talen geen poincten der christelycke leere in hare lessens sullen moghen verhandelen, ofte daer van disputeren, sonder ’tselve eerst met de professoren der H. theologie gecommuniceert ende van deselve goetgekeurt te wesen.

VI. Dat den professoren der H. theologie niet toegelaten en werde, noch |51| geoorlooft sy eenich hooftstuck der leere, hoedanich ’tselve soude moghen wesen problematice te disputeren, opentlyck in twyffel te trecken, ofte disputandi causa daervan anders te leeren, als in de gereformeerde kercken hier te lande geleert wort.

VII. Dat de professoren der H. theologie ende de regenten van de theologische collegien gehouden werden van hare leere aen de Synoden rekenschap te geven, wanneer de Synoden tselve van haer souden moghen begeren, ende dat sy in desen het oordeel der Synodi haer sullen moeten onderwerpen.

VIII. Dat de Alunni Ecclesiarum, die tot dienst van de kercke opgetrocken worden, so in de collegien als andersints, dickwils van de professoren der H. theologie ten overstaan van de Gedeputeerde des Synodi moghen worden geëxamineert. 55)

Klaar en duidelijk spreekt hier het Calvinistische standpunt. De kerk zal mede aandeel hebben in de benoeming der Theologische professoren. Ten genoegen der kerk zullen Curatoren en hoogleeraren aan de kerkleer gebonden zijn. Problematiek tegen die leer te disputeeren zal verboden wezen. Eindelijk, hoogleeraren zoowel als studenten zouden aan de Synodale jurisdictie onderworpen worden, maar . . . van het fijne puntje, waar het op aankwam, van zittingsrecht der professoren in de provinciale Synode, geen woord!

Zoo was het aas uitgehangen. De haak was onzichtbaar gehouden. Maar . . . de Staten beten niet!


*

5. Onder de beschreven vaderen!

Op de Synode generaal en nationaal zijn de „Professores Belgici”, gelijk ons boven bleek, naar eisch der Gereformeerde beginselen, als stemhebbend College toegelaten en met eere en onderscheiding bejegend. Zoozeer zelfs was men op hun aanwezigheid gesteld, dat expresselijk naar Friesland om het deputeeren van professor S. Lubbertus geschreven werd. 56) Men maakte er geen geheim van, dat men, bij de weêrlegging der Remonstranten, vooral op hen rekende. 57) In alle gewichtige commissies werd een hunner opgenomen. 58) En met name Walaeus, Polyander en Thysius waren, veel meer dan Gomarus en Lubbertus, de gewilde raadslieden der beschreven |52| Vaderen 59). Slechts op één punt beperkte men hun invloed. Teweten men koos ze niet in het moderamen, en wel overmits de professoren zelven feitelijk nog niet onder de hoogheid der kerk waren gebracht. 60)

Maar dat overigens aan zekere antipathie van Walaeus tegen de Synode van verre niet te denken viel, en hij omgekeerd veeleer in aller schatting de ziel der Vergadering was, staat vast voor wie weet, op wat wijs de Amsterdamsche Burgemeesters soms vaste koeriers op den Haag lieten loopen, om alles met Walaeus af te spreken; hoe het Amsterdamsche Consistorie bij het beramen der Synode op zijn advies afging; en vooral hoe Prins Maurits in die hoogernstige dagen soms halve nachten met Walaeus in gesprek was; zoodat zijn biograaaf naar waarheid zegging kon, „dat Walaeus meer dan iemand het bijeenkomen van deze glansrijke Synode heeft bewerkt.” 61)

Ter sprake nu kwamen de Academische aangelegenheden op deze Synode reeds in de achttiende zitting, toen de Zeeuwen, natuurlijk onder Walaeus’ inspiratie, 62) een gravamen indienden over de opleiding der Theologische studenten, waarbij o.a. voor de kerk bedongen werd: 1. bepaling van den studietijd op 5 à 6 jaren; 2. recht op beoordeeling der „voorstellen”; en 3. „Pastorum in illos inspectio singularis”. 63) Dit voorstel nu nam de Synode, zonder eenige de minste inspraak van de kant der professoren, aan. 64)

Maar de eigenlijke „question brulante” der Academiën kwam toch eerst aan de orde, toen de „Suyt-hollandici,” den 2en Januari 1619; dus nog in het bijzijn der Uitheemsche Theologen; hun gravamina indienden „ad reformationem academiarum spectantia”. 65)

Terstond begreep de geheele Synode dan ook, dat het bij dit voorstel een „res maximi momenti” 66) gold, en besloot derhalve het, nog hangende de discussie over de Canones, onverwijld collegiaal te maken, opdat men te gelegener tijd dit heete hangijzer, oznder zich de vingers te branden, profijtelijk hanteeren mocht. D.w.z. geraken mocht tot zoodanige afdoende „institutio |53| et gubernatio Academiarum,” als waarborg kon opleveren „ne qua nova ex iis in posterum nasceretur calamitas, qualis hactenus maximo cum Ecclesiae damno exorta esset;” en „staat én kerk beide” alzoo voortaan veilig mochten zijn. 67)

Wat dit voorstel inhield, bleek ons boven reeds.

Intusschen het sliep tot op den 18 Mei, toen het tamelijk terloops, in de 163e zitting aan de orde kwam.

Wel was reeds bij de vaststelling der kerkorde sprake geweest van de positie der Theologische professoren en dienaangaande beslist: a. dat ze in den dienst der kerk naar rang op de pastores volgen zouden (Art. 2); b. dat hun in dien dienst de verdediging der kerkleer was opgedragen (Art. 18); c. dat zij de formulieren onderteekenen zouden (Art. 53); en d. dat ze „Librorum visitatores” zouden blijven (Art. 55); — maar over de netelige punten van de subjectie aan de kerkelijke censuur en het mede-aanstellingsrecht der kerk, zweeg men bij de behandeling der kerkorde geheel, om ze eerst op te nemen bij de discussie over het voorstel adhoc.

Hieraan nu toe gekomen, deed men wel een stouten stap, maar die helaas even spoedig berouwde.

Men stelde namelijk een Concept-reglement voor de Academiën vast dat, uit tien articulen bestaande, nog een stap verder ging, dan het Zuid-Hollandsche voorstel en van dezen inhoud was:

In die provinciën daer de universiteyten of hooge schoolen zijn, sullen de Heeren Staten van deselve provincien versoght werden, dat se in de bestellinge van deselve schoolen gelieven te letten op dese navolgende Articulen:

I. Dat over de opsicht ende de regeeringe van de academien gesteldt werden geleerde mannen, leden der Gereformeerde kercke, waervan men verseeckert is, dat se de leere, van het begin der reformatie by ons aengenomen, zijn toegedaen.

II. Dat de Curatoren der academien niet altijdt blyven, maer alle drie of vier jaren veranderen, soo dat jaerlijcks in de plaetse van eenige die afgaen, anderen succederen.

III. Dat behalven de politycken persoonen, oock een predikant of twee dese sorge en opsight werde aenbevolen, om naeuwer toesight te hebben op de Theologische faculteyt.

IV. Dat tot de possessie der Theologie niemandt beroepen werde, dan met toestemminge des Synodi, ende desselfs gedeputeerden, welcke het vrystaen sal, uyt yeder classis eenige predikanten byeen te roepen, om over dese beroepinge met malkanderen te beraetslaen, soo mogelyck deselve tot het naestkomende Synodus niet en konden uytgestelt worden. Ende ware te wenschen dat desen voet oock gehouden wierde in de beroepinge van den regent en onderregent van het Theologische Collegie.

V. Dat in de beroepinge der professoren niet alleen der Theologie, maer oock der andere faculteyten, en wel meest der Hebreeuwsche, pag. 127, en Grieksche |54| talen, alsoock der philosophie, goede sorgen werde gedragen, dat geene andere beroepen en werden, dan die uytmunten in geleertheyt ende verstant, ende die vermaert zyn aen welcker Godtsaligheyt en vromigheyt des levens niet getwyffelt werdt. En die haer vasthouden aen de van oudts gereformeerde leere, en noyt rechtveerdige reden tot suspicie van onsuyverheyt in de leere gegeven hebben.

VI. Dat alle professoren van yeder faculteyt en konst, tot betuyginge van hare overeenstemminge in de reghtsinnige leere, in den aanvangh van hare bedienige de formulieren van eenigheyt, de belydenis en catechismus deser kercken onderteeckenen.

VII. Dat het den professoren der philosophie en talen niet toegelaten werde in hare lessen of disputatien, theologische materien of geschillen te verhandelen, voor dat se de saeck met de Theologische faculteyt gecommuniceert, ende verlof daertoe verkregen hebben.

VIII. Dat de professoren der Theologie verboden werde nieuwe gevoelens voor te stellen, strydigh tegens die in de kercke aengenomen; ende niet toegelaten problematice eenige scrupulen tegen de aengenomen leere lightvaerdelyck te moveren.

IX. Of niet geraden zy, dat de professoren der Theologie en de regenten der Theologische collegien in de Synodus verschynen, en aldaer reeckenschap geeven van hare leere, en het oordeel des Synodi zyn onderworpen.

X. Dat de alumni der kercken, soo die in de collegien, als die elders woonen, dickmael geëxamineert worden, en dat in het bywesen der Gedeputeerden des Synodi. 68)

Immers, deze Concept-Resolutie was in twee opzichten nog krasser dan het te Delft beoogde. Er werd toch bovendien geëischt: 1. zitting van minstens één predikant in het Curatorium; 2. aftreding van Curatoren om de 3 à 4 jaar. Bepalingen, die daarom van beteekenis waren, wijl ze inmenging van de kerkelijke autoriteit in het academisch statuut en nu ook in de samenstelling van het college van Curatoren behoogden.

De onderteekeningsformule voor professoren, die kort daarop, den 25 Mei, in de 175e sessie werd vastgesteld, was natuurlijk geheel op de aanneming door de Staten van deze Concept-resolutie gebaseerd, en deed weinig meer dan lichaam en vorm schenken aan wat in dit Concept reeds beworpen was. 69)

En liever dan ons bij dit overbekende formulier op te houden, stappen we dan ook zonder langer verwijl naar het laatste besluit over, dat de Dordtsche Synode in deze materie genomen heeft, en dat, beter dan al het voorgaande, licht op de zaak in quaestie werpt t.w.: de benoeming van gedelegeerden aan hun Hoog Mogenden.

In de slot-zitting van 29 Mei namelijk is door de Synode een Commissie benoemd, bestaande uit de H.H. Bogerman, Rolandus, Faukelius, Hommius en Polyander 70), met last om zich te presenteeren in de vergadering van H. Hoog Mogenden, en de Staten-Generaal bekend te maken, met wat door de Synodalen thans van den kant der Overheid werd verwacht. |55|

Het verbaal van deze Commissie, dat op ongelooflijk slordige en onvertrouwbare wijze in het Placcaatboek is afgedrukt, is in originali door mij teruggevonden in het Rijksarchief, onder de „secrete stukken,” en geeft in verband met mijn onderwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen:

1. dat de Synode de goedkeuring der kerkorde verzocht heeft niet van de Staten-provinciaal, maar van de Staten-generaal, en wel als zijnde de laatste en niet de eerste „onse Christelijcke Hooghe Overheyt in dese landen.” Plaatsing alzoo van de Souvereiniteit, althans in kerkelijke materie, bij de Hoog Mogenden en niet bij de Edel Mogenden.

2. dat de Synode de Staten-Generaal oproept niet om de kerkorde aan de provinciën te „recommandeeren”, maar met hooge hand op te leggen.

3. dat de Synode, terugkomende op haar besluit, van 18 Mei jl., het toen aangenomen concept-reglement weêr varen liet, en terugkeerde tot de „Acht Poincten der Suyt-hollandsche Synode”. 71)

De desbetreffende zinsneden uit het „verbaal” toch luiden aldus:

a. Ende nademael Uwe Hooch Moge. ten besten bekent is, hoeveel de kercken deser landen daeraen gelegen is, dat de scholen, so hoghe als triviale, behoorlijck moghen wesen bestelt, ende de ervarenheyt geleert heeft, wat groote onheylen by gebreecke van dien in de kercken ende landen zyn ontstaen, dat oock bij Uwe Hooch mog. over deselve sodanighe ordre moghe gestelt worden, waerdoor alle misbruycken wechgenomen zynde, de behoorlycke vruchten uyt deselve te beter souden connen becommen worden.

b. Tot welcken eynde aengaende de universiteyten ende illustre scholen de Synodus als vooren versoeckt, dat Uwe Hooch Mogen. gelieven te letten op de poincten in den voorledenen jare bij de Synodus van Suydt Hollandt aen de Ed. Mog. Heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslandt ten selven eynde overgelevert, hierbij gaende, en dat deselve by Uwe Hooch Mog. aen de respectieve provinciën, daer hooghe ofte illustre scholen zijn, gerecommendeert moghen worden.

„Hierbijgaande,” zeggen de stellers, en dit stuk, dat men er dan ook nu nog in vond liggen, was niets dan de letterlijke kopie van de Acten der Delftsche Synode van 1618, die we boven reeds afdrukten.

Blijkbaar hadden de Synodalen dus van de Gedelegeerden reeds te verstaan gekregen, dat ze vooral niet verder moesten gaan, en lieten ze daarom hun latere en verder gaande eischen weêr glippen.

4. dat de Synode de Resolutiën over de Academiën niet door de Hoog Mogenden wil zien vastgesteld, maar slechts ten goede bevolen wil hebben aan de Staten der provincie.

en 5. dat dit stuk geteekend is door heel het moderamen, echter met deze opmerkelijke uitzondering, dat een der Scribae wegblijft en hiervoor |56| in de plaats treedt de Praeses van het College der Nederlandsche Professoren 72): D. Johannes Polyander; die niet „loco scribae” teekent, maar uitdrukkelijk zijn titel vermeldt: S.S. Theologiae Doctor et Professor.

Deze handteekening nu noemden we hoogst opmerkelijk. Want immers, er blijkt ten duidelijkste uit 1.: dat de leiders der Synode met opzet den „doyen d’âge” der hoogleeraren meê lieten teekenen, om hun kans op slagen te verhoogen, doordien nu uitkwam, dat de hoogleeraren er zelven mede bewilligd waren; en 2. dat de hoogleeraren, door zich tot deze medewerking te verleenen, metterdaad toonden er meê bewilligd te zijn. Een omstandigheid zóó merkwaardig, dat indien Dr. Van Toorenenbergens aanval niet reeds van alle kanten af- en op hemzelven teruggeslagen ware, reeds op zichzelf deze ééne onderteekening vernietigend voor zijn geheele voorstelling zou zijn.

Die handteekening van Polyander, als repraesentant en in naam der gezamenlijke professoren optredend, staat toch onder een stuk, waarin de Synode niets minder vraagt dan, „dat aan de Staten van Holland zal worden aanbevolen de subjectie van de professoren aan de Synode provinciaal te gelasten.” Waarmeê dus boven alle bedenking is uitgemaakt dat in den strijd, die later door de Staten van Holland tegen die „subjectie aan de Synode provinciaal,” zoo hardnekkig gevoerd is, Polyander c.s.; tenzij men de eerlijkheid van hun karakter te na dorst te komen; met hun overtuiging niet kunnen gestaan hebben aan de zij van Curatoren.


*

6. De dubbele misgreep.

Pas was de groote kerkvergadering van Dordrecht uiteengegaan, of reeds den 23sten Juli daaraanvolgende kwam de Synode-particulier van Zuijd-Holland bijeen, om, als executrice der Dordtsche nalatenschap, de besluiten der beschreven Vaderen ten uitvoer te leggen.

Nu viel het zoo, dat de toerbeurt juist Leiden, de Academiestad, als „ecclesia synodalis,” aanwees, en daardoor ongezocht de eenigszins overspannen „ecclesiastieken” op een wijze met de hoogleeraren in contact bracht, die van achteren maar al te noodlottig bleek voor de verhouding van Kerk en Wetenschap in deze landen. |57|

Het was de derde Synode die te Leiden daagde. De eerste kwam er saâm in 1592; de tweede in 1600; de derde maal had men Leiden, zeker om het overprikkelde van den toestand, wijselijk overgeslagen, maar thans verviel voor zulk een voorzichtigheidsmaatregel alle oorzaak. Immers nu Episcopius in den rechtsstrijd bezweken was, Bertius en Barlaeus zich nauwlijks vertoonen dorsten, en de vroedschap te Leiden veranderd was, kon men zich in de sleutelstad uitnemend thuis gevoelen en beter dan ooit, zoo dacht men, kans vinden, om de zaak der Academie eens voorgoed, bij maniere van eene huiselijke aangelegenheid, in der minne en naar den zin der kerk te schikken. Een hope, waarop men meende nog vaster te kunnen gaan, nu bij Resolutie van 17 November 1618 ook het Curatorium van Leiden was omgezet, door „committeering in dat College van den Edelen, Gestrengen, Erentfesten ne Welgeleerden Heere Johan van Wassenaer en Duyvenvoirde, Heere van Duivenvoorde, Voorschoten, Sterrenburg enz.”; voorts van „den Gestrengen, Erentfesten en Welgeleerden Heere Adriaen Pauw, Ridder en der Beiden Rechten Doctor;” en eindelijk van „Mr. Rochus van den Honaart, oudste Raad Ordinaris in den Hoogen Rade van Appel van Holland”; 73) alle drie mannen die met Prins Maurits in de politiek gingen en in theologicis het hielden met de Contra-Remonstrantsche partij.

Op deze gunst der tijden wat te sterk vertrouwend, ondernam de Leidsche Synode dan ook aanstonds drieërlei: t.w. ten eerste drong ze bij Curatoren aan op uitzuivering van het Academisch personeel; ten tweede ging ze over tot het citeeren van professoren voor haar vierschaar; en ten derde bewierp ze een Reglement voor de inspectie of visitatie van Leidens Academie door de kerk.

Nu, met het eerste slaagde ze dan ook boven verwachting. Ze kreeg toch ten bescheid: „dat de heeren Curatoren niet alleen op de Theologische faculteyt wilden letten, maar daertoe arbeyden dat de geheele Universiteyt werde gereformeert ende haeren voorigen luyster krijge, dat oock de Heeren Curatores alrede, tot de professie in de Theologie gedelibereert waeren te beroepen, D. Petrum Molinaeum ende D. Antonium Walaeum, ende tot het regentschap in het collegie D. Presidem Festum Hommium ende tot subregent M. Danielem Sinapium.” 74) Geen wonder dan ook dat de Synode „hieraen een groot ghenoegen nam,” en voorts haren gedeputeerden in last gaf: „vorder op dese saecke te letten, ende bij de heeren Curatoren ende bij sijne Princelyke Exellentie aen te houden, dat het geene ’twelck wel begonnen |58| is, in alle andere faculteyten ende professien, insonderheyt van de tale ende philosophie, vorder met alle vlijt ten vollen uytgevoert mocht werden, dewijle aen dese saecke seer veel tot welstant van de kercke Christi gelegen was”. 75)

Maar minder vlotte het reeds, toen de Synode den stouten stap waagde om „Cives academici” voor zich te citeeren.

Bij kalmer stemming zou men zich hiervoor dan ook wel gewacht hebben. Men had dan ingezien, dat men door aleer de „Academische instructie” door de Staten was aangenomen, ook maar even aan de quaestie der souvereiniteit te tornen, alles bederven en verspelen, nooit iets winnen kon. Op die instructie toch kwam alles aan. Had men die „gheautoriseert” kunnen krijgen, dan ware er accoord getroffen, en had men een vast punt van uitgang gehad voor verdere onderhandeling. Maar om, gelijk de Leidsche Synode deed, nog eer de „kerkordre” geapprobeert of de Concept-instructie ook maar in behandeling was gekomen, zelve door eigenmachtige daden de oude gevoeligheid op te wekken, dit kón tot niets anders dan tot een „inwerpen van eigen glazen” leiden en liep dan ook op bittere teleurstelling uit.

De redeneering der Synode was anders op zichzelf onberispelijk: Over de Academie als zoodanig, dit gaf men toe, hebben we in jure condito nog niets te zeggen. Dat matigen we ons dan ook niet aan. Maar vooreerst zijn alle leden der kerk, en dus ook de professoren, voor onze vierschaar „justiciabel,” en ten andere kan niemand ons het recht betwisten, om tegen emeriti-predikanten van Remonstrantsche gevoelens de sententie van Dordt ten uitvoer te leggen.

Op dien grond zou men dan Petrus Bertius, Gerardus Vossius en Casparus Barlaeus het eerst ontbieden. 76) Twee leden der Synode meldden zich daartoe persoonlijk aan hun woningen aan. Maar reeds door den eerste bij wien men aanbelde, werd men dadelijk op tamelijk onzachte manier tegenover de autoriteit der politieken geplaatst, want Dr. P. Bertius antwoordde zeer gevat dat hij „eerst met de heeren Burgemeesteren als Curatoren van de Academie soude spreecken, ende soo dese tegen sijn comparitie niet en hadden, gelijck |59| hij meynde neen, dat hij alsdan verschijnen soude”; 77) Vossius verschool zich achter zijn tijdelijke ambteloosheid: „D. Vossius seyde verwondert te syn, dat hy, die geen predicant en was ende oock van syn regentschap verlaeten, evenwel voor dese vergaederinge werde ontboden, nam in advys off hy comen soude, maer heeft niet sekers willen belooven.” 78) Alleen Barlaeus zag tegen een ontmoeting met de heeren Synodalen in het eerst niet op. 79)

Maar daar bleef het niet bij. Onmiddellijk nadat de Synodale heeren zijn woning hadden verlaten, was Bertius naar het stadhuis gegaan, en had op slimme wijs den Burgemeester Deyman bang weten te maken, dat hij zonder toestemming der Staten geen permissie geven mocht, om een lid der Universiteit voor de Synode te laten dagen. Dit werkte, en reeds ’s middags werd de voorzitter der Synode dan ook bij den Burgemeester geroepen en hem aangezegd, dat „D. Vossius ende D. Bertius noeyt kerckendienaren waren geweest, maer dat se Barlei saecken stelden in discretie van de Syn: mits dat niet verder met hem geprocedeert werde, als tegen een kerckendienaar, laetende het professorschap ongemoeyt, ende dat haere Eerw. het werck der reformatie van de universiteyt bij der hant genomen hadden, dat derhalven bij den Syn: niet en dient gedaen te werden, het welcke haer Eerw. reght soude moogen vercorten, offte haere actien eenigsints prejudicieren, dat haere Eerw. insgelycks beswaert waeren, ’t geene daer inne t’ gehele collegium der curatoren behoorde gekent te werden (gelyck daer was het toelaten van de comparitie der geciteerde op den Syn:, leden synde van de academie tot Leyden) op haer alleen te nemen; dat se oock begeerden van dese tegenwoordige vergaederinge dat men het uitblijven van de voornoemde persoonen niet en wilde achten te syn een hartneckicheyt, maer een raet den geciteerde van de heeren Burgemeesteren gegeven”. 80) Bovendien had men ook Barlaeus omgepraat, die zich nu evenals de anderen op den Senatus academicus beriep.

Hiermeê was de eigenlijke strijd dus uitgebroken. De Synode had een eerste ernstige waarschuwing ontvangen. Maar niets hielp. Ze sloeg den raad van Leidens Burgemeesters, om in uitstel heil te zoeken, in den wind, en door blind vertrouwen op den steun, dien immers én de nieuwe Curatoren én desnoods de nieuwe Staten haar schenken zouden, meende ze zonder sparen te kunnen doortasten en groef alzoo haar eigen kuil steeds dieper.

Ze besloot toch door een deputatie aan heeren Burgemeesters te doen berichten: 1. dat men de zaak doorzette tot breeder „onderrichtinge van de |60| heeren Curateuren, tot naerder kennisse van de geciteerde persoonen, daer anders haere Achtb. schier offte morgen soude mogen clagen, dat noch door Classis noch by Syn: haer eenige onderrichtinge gedaen was off clachte voorgecomen, daerop ja het aennemen offte verlaeten van de voorn. persoonen tot het professorschap diende geleth te werden”; 81) 2. „dat haer Achtb. dat souden gelieven te verstaen, dat de Syn: geensints en daght het reght van de heeren curatoren te vercorten offte te treden in saecken die een vooroordeel souden willen geven in de handelinge van haere Achtbaeren, maer alleen souden verhandelen kerckelijcke saecken”; 82) en voorts 3., om Bertius, Vossius en Barlaeus nogmaals te laten citeeren.

Maar natuurlijk was dat citeeren, nu nog erger dan de eerste maal, aan eens doovemans deur geklopt, en verscholen de verdachte personen zich nu nog „totaallycker” achter het college van Burgemeesters. Barlaeus zelf, die eerst weifelde, gaf nu ten antwoord: „dat hij geen kerckendienaar was, ende dat den heer Burgemeester Deyman hem geraden hadde, dat hy tegen de citatie des Syn: hem zoude daermede behelpen, dat hy een lith was van de univerciteyt”. 83) En nog erger maakten het de Burgemeesters, die achter de schermen de professoren rugsteunden, en tegenover de Synode desniettemin elke stellige uitspraak ontweken; heil zoekende in uitstel en schuilvinkje spelend achter het plenaire college van Curatoren. Zij toch repliceerden, dat zij „den geciteerden niet en hadden verbooden hier te verschijnen, maer alleen vermaent te huys blyven tot naerder adtvijs, dat se oock deselve geensints en begeerden, alle kerckelycke oordeel te onttrecken, maer alleen wensten dat dese saecke van de geciteerde voor desen tijt mochte berusten, ende in handen gegeven werden van de Gedep. des Syn. opdat die naer het scheyden des Syn. over veertien dagen dese saecke mochten by der hant nemen”. 84) Een matiging in den vorm, die de minder diplomatieke Synodalen er geheel in deed loopen, doordien ze nu zelfs een dreigenden toon aansloegen: „dat haere Achtb. schier offte morgen 85) een swaren last op haeren hals souden moogen haelen, indien se de tegenwoordige handelinge verhinderden”, 86) en op eigen risico met de citatie doorgingen; 87) nu alleen |61| op grond, dat de geciteerden lidmaten der kerk waren. Een verhoor dat niet afliep zonder den Politieken Commissaris, Gerardt Leendertze, een van Leidens Burgemeesteren, aanleiding te hebben gegeven tot den veelbeteekenenden wenk, dat „soo jet ghedaen wert by den Synode teghen ’t reght der Academie, men daerteghen soude moghen excipieëren”. 88)

Welnu, die „exceptie” is dan ook niet uitgebleven, want, in weerwil van de reeds vroeger ondervonden tegenwerking, ontzagen de Synodalen zich niet, om, nog eer de kerkordening was „geautoriseert”, en terwijl de Concept-instructie nog niet was ingediend, nu reeds een denkbeeld te verwezenlijken dat nog een stap verder ging, dan de bekende Poincten, en niets minder bedoelde dan een geregelde „inspectie en visitatie” over de Academie de zij der kerk.

Dit besluit toch, was, hoe volkomen juist ook ontworpen, bij de bestaande verhoudingen het uiterste der onvoorzichtigheid en goot slechts olie in het reeds smeulende vuur van verzet.

Ingediend was namelijk dit gravamen: „off het niet goet en ware dat de gedep. van beyde de Syn: in tegenwoordichheyt der heeren Curatoren, jaerlycx visitatie deden tot Leyden, over de professoren in de Theologie ende oock over het collegium Theologicum?” 89)

Hierop nu werd besloten: „dat sulcx tot gerustigheyt der kercken hoog nodich is, ende syne eenige persoonen gedeputeert, om jet te bewerpen van de maniere derselver visitatie, om sulcx den heeren Curatoren der Academie te vertoonen, opdat niet en geschiede sonder haer Achtbare kennissen ende goetvinden”. 90)

Dit Concept of formulier nu hield niets minder in dan het volgende:

De Gedep. van beyde de Syn. jaerlycx visiterende de theologische faculteyt etc., ende sullen by provisie tot naerder last in de voorgemelde visitatie ende instructie haar reguleren. 1. Sy sullen in de voorgemelde visitatie de tyt ende gelegentheit waernemen, op denwelcken sy sullen verstaen dat de heeren Curatores der Academie |62| tot Leyden sullen syn vergadert. 2. Tot Leyden aengecomen synde, sullen eerst de voorsz. Curateurs aenspreecken, ende aen hen haere last ende het eynde van haere ocmste aldaer openen. 3. Sy sullen met alle vlijt ende discretie vernemen, hoe de voornoemde professores ende regenten hen corporteren in de leere ende in leven, ende off se oock de gesonde leere der waerheyt den Studenten inscherpen, ende off een ijgelyk van hen synen dienst getrouwelyck ende met behoorlycke devoir ende neerstigheit volbrenge. 4. Alles wel gevonden hebbende sullen van wege de kercke van Suyt- ende Noorthollant, een ijgelyck van hen voor haere getrouwicheyt ende goet devoir bedancken ende vermaenen, met gelijcke neerstigheyt daer in te willen continueeren. 5. Indien se by d’een offte d’ander in de voorgemelde saecken eenigh mangel offte gebreck vonden, twelck sy verstonden van sulcken gewichte niet te wesen, dattet behoeffde de Curateurs aengegeven te werden, daervan sullen sy d’selve naer gelegentheyt der saecken met alle behoorlycke discretie vermanen, maer fauten van grooten gewichte sullen sy de Curateurs bekent maecken ende aenhouden, dat d’selve met den eersten moogen gebetert worden. 6. Sy sullen vooral mede letten ende acht nemen op de Stndenten in de Theologie, op haere comportementen van leven ende neerstigheyt in haere studien, haere exercitien ende propositen altemet voor sooveel doenlyck is hooren, ende een ijgelijk van hen een spoore geven, om wel te leven ende naerstigh te studeren. 7. Sullen alle jaer een ijder in syn respective Synode van haer wedervaren ook in desen rapport doen. 91)

Een feitelijk zachtkens aan „subjicieeren” alzoo van de Academie aan de kerk, en dat zonder basis in de „Kerkorde” of eenige „den minsten grond in de Instructie”! Alsof men sub- en obreptief, zoo bij verrassing, de Curatoren en Staten eens verschalken kon! In trouwe, men gelooft zijne oogen nauwlijks, indien men zoo iets leest!

Dien stap hebben de Synodalen dan ook duur moeten bekoopen.

Want, toen door de Burgemeesters van Leiden het gebeurde op deze Leidsche Synode in de Curatoren-vergadering werd gebracht, hebben Curatoren dadelijk lont geroken; onverwijld tegen deze Calvinistische logica van het kerkelijke regiment partij getrokken; en bij missive de Staten van Holland expresselijk aangezocht om hen, Curatoren, tot onvoorwaardelijk verzet tegen de particuliere Synode te machtigen.

Het „verbael van deze hare besoigne” is ter tafel gekomen in de Staten-vergadering van 19 December deszelven jaars en luidde voor wat het verzoek aan de Staten aangaat aldus:

Dat haar Edele Mogende niettegenstaande de handelinge en besoigne, in de laatste Synode van Zuydholland tot Leyden gevallen, en het geene daar uit soude moogen geinfereert worden, de Universiteyt, mitsgaders de Professoren ende Lidmaaten van deselve, gelieven te houden in gelijke preeminente ordre, en onder soodanige directie, als die onder de authoriteyt en volgende de beveelen van haar Edele Mogende tot nog toe zijn geweest. 92) |63|

En hierop is door de Staten, zonder dat van iemands tegenspraak blijkt, gheresolveert:

Deesen aangaande, verstaan haar Edele Mogende, de Regeeringe, Bestieringe en Opsigt van de Universiteyt, ende van het Collegie Theologiae, gelaaten sal worden, ende blyven sal by de Heeren Curateurs ende Burgemeesteren der Stadt Leyden, mitsgaders dat de Professoren en Lidmaaten van deselve, behouden sullen haare preëminentien en ordre, onder soodanigen directie, sonder eenige veranderinge, als die onder haar Edele Mogendes authoriteyt en beveelen tot nog toe geweest zijn, onaangezien het geene uit de handelinge ende besoigne in de laatste Synode van Zuydholland, gehouden tot Leyden, anders soude moogen worden geinfereert; waar by haar Edele Mogende niet en verstaan, dat de Heeren Curateurs en Burgemeesteren, in haare bedieninge sullen worden geprejudiceert, en dat sonder goedvinden van deselve, by die van de Synode in de Universiteyt of Collegie Theologiae, niet sal moogen voorgenoomen werden, ten waare namaals uit goede consideratien op de correspondentie, tusschen de Professoren van de Theologische Faculteyt, en van den Regent van het Collegie en de Synoden, eenige ordre werde beraamt, daar na deselve haar alsdan respectivelyk sullen hebben te reguleeren. 93)

Hiermeê was de handschoen aan de Synodalen toegeworpen.

Sonder eenige verandering,” zou en moest alle zaak der Academie, wat de rechten van hoogheid en subjectie aanging, zoo na als vóór Dordt, blijven gelijk het tot dusver geweest was.

Op theologisch gebied had het Calvinisme gezegevierd; maar kerkrechtelijk hielden de anti-Calvinistische gevoelens bij Hollands Staten de hooge hand.

Zoo was de mijn verkeerd gesprongen, de dubbele misgreep openbaar geworden, en toen dan ook den 4en Augustus daaraanvolgende de „Suythollandici” weêr ter Synode, ditmaal binnen Gouda’s muren, saâmkwamen, was de krasse toon merkbaar gezakt.

Men was ontnuchterd.

De illusie viel niet langer te verhelen!

En vooral toen er nu nog de onverwachte weigering om de kerkorde, „gelijk ze daar lag,” te arresteeren, bij kwam, zag de Synoda dan toch eindelijk in, dat in temporiseeren al haar heil school en liet ze dus én de citatie én de visitatie voorloopig varen. 94) |64|

*

7. De stroohalm.

De auspiciën waaronder in 1621 de „Suijt-hollandici” te Rotterdam saâmkwamen, was verre van rozekleurig. Met het onderste uit de kan te willen hebben, had men door Staatsche gevatheid maar al te gevoelig den klep op den neus gekregen. Op schier onherstelbare wijze had men zich in de knoei gewerkt. Alle demonen van „der Staten overhoogheid” waren weêr uit hun Dordtschen slaap opgeroepen. En de kans om de zaken der Leidsche Academie naar den zin der Calvinisten geregeld te krijgen, was voorgoed verspeeld.

Geen veranderinghe van wat aert oock!” — de Staten hadden het wanhopend duidelijk uitgesproken, zou in de relatie van kerk en Academie geduld werden. 95) Om de kerk de loef af te steken, werd zelfs den Curatoren last en bevoegdheid gegeven, om én voor de Academie én voor het Collegie definitieve statuten en reglementen te resumeeren. 96) En als ware het nog niet genoeg, namen de Staten bovendien nog een expresse resolutie , dat elke „acte synodaal, van nu en geener waarde zou zijn zonder hunne approbatie”; 97) drongen ze aan de kerk een wijziging in de kerkorde op, die de Synode niet kón aannemen, wijl dit naar 1591, dat is naar Barnevelds „hobby horse” zou hebben teruggeleid; 98) sloegen ze het verzoek, om een nieuwe Synode nationaal botweg af; zeiden ze aan de Synode de terugbetaling van haar kosten (ad. 1400) op; 99) weigerden de Staten de, door henzelven als noodig erkende, tractementsverbetering tot tijd en wijle de Synode in de kerkorde toeschietelijker zou worden; 100) en stond men, last not least, voor den afloop van het Bestand.

Zoo wist dan de Synode van Rotterdam, dat in de Gravenstad het kwaad ten volle over haar besloten was. Het antagonisme was op het stuk van het Calvinistisch kerkrecht weêr zoo fel als immer uitgebroken, en op een oogenblik dat een historiekenner als Dr. Van Toorenenbergen nog al in de Opregte Haarlemmer ons vertellen komt, 101) dat men zich de Staten van dien tijd heeft voor te stellen als „in alle dingen den Synodalen willig,” was het paroxysme integendeel reeds zoo hinderlijk ver gekomen, dat de Staten zich |65| niet ontzien hadden, de min handige maar eerlijke Calvinisten te treffen „tot in den buik.”

En toen, toen eerst, staken de ontmoedigde Synodalen de hand uit naar „den stroohalm”, naar het eenige dat hun dan nog restte naar de . . . onderteekeningsformule.

Hun resolutie dienaangaande is bekend

„Nadien oock de professoren der H. Theologie, regenten ende subregenten gehouden syn te onderteeckenen, de Nederlantse confessie, catechismum ende Synodale canonis, volgens de formulieren in den laetsten Nat: Syn: gestelt, soo sal oock de kercke van Leyden de professores Theologiae, regenten ende subregenten der academie aldaer, tot eenparige onderteeckeninge als vooren vermaenen.” 102)

Let nu wel op, dat men met het bijltje van die Onderteekeningsformule hakken ging, niet in 1619 te Leiden, maar eerst in 1621 te Rotterdam.

Eilieve, waarom dat?

Ook toen men in 1619 te Leiden saâmkwam, was die formule toch reeds voor maanden gearresteerd; en had ze even veel, of wilt ge, even weinig rechtskracht als in 1621.

Bovendien te Leiden in 1619 heeft men expresselijk en in den breede over de Theologische faculteit gehandeld.

Vooral, men vergaderde in de Academiestad zelve en had de quaestie dus onverwijld, mondeling en persoonlijk met den hoogleeraar Polyander kunnen regelen.

Er moet dan toch een reden geweest zijn, niet waar, waarom men dit voor de hand liggende niet deed, en deed wat niemand gegist had. En ziet Dr. Van Toorenenbergen dan nu niet, hoe, getoetst aan den loop der feiten, zijn voorstelling, ja, letterlijk van alle zijden, volstrekt faliekant uitkomt?

En toch de zaak zat zoo helder in elkaâr.

Te Leiden in 1619 namelijk zou het te berde komen met de onderteekeningsformule de ongerijmdheid zelve zijn geweest. En dat wel eenvoudig, wijl de onderteekeningsformule een uitvloeisel was: 1. van Art. 53 der kerkorde, en 2. van 9 der Concept-instructie voor de Academie. En overmits nu die kerkorde nog niet gearresteerd en die Concept-instructie nog niet in behandeling was, sprak het vanzelf, dat die onderteekeningsformule vooralsnog in de lucht hing en dus voorshands niet kón leiden tot effect.

Zeer terecht begreep men daarom te Leiden, dat het vooropschuiven van de onderteekeningsformule, veel op een spannen van het paard achter den wagen zou geleken hebben, en sloeg dus metterdaad den formeel, eenig |66| goeden weg in, door eerst en vóór alle dingen op het arresteeren van kerkorde en instructie aan te dringen. Immers ware dát gelukt, dan volgde het onderteekeningsformulier vanzelf.

Maar te Rotterdam in 1621 stonden de zaken geheel anders.

Dáár hadden de illusiën reeds uit.

Carrément stond men, in zake de Academie, te Rotterdam reeds tegenover de Staten. En al wat overbleef, was derhalve, van den nood een deugd te maken, en te beproeven of men de Academie misschien ook aan den ketting kon krijgen, door het éénige aanrakingspunt, dat men nog met haar had: t.w. door de principiëele geestessympathie waarin de Synode stond met de nu Calvinistische professoren.

De gedachtengang, die hierbij de Synodalen leidde, is doorschijnend als glas.

Drie der vier professoren, zoo redeneerden ze, zijn te Dordt er bij geweest toen die formule is opgesteld, en hebben er aan meêgewerkt. Ze zijn als echte Calvinisten, niet alleen in dogmaticis, maar evenzeer in canonicis, 103) beslist op onze hand. Wie weet, misschien mochten zij den moed hebben, hun naam onder het stuk te zetten. Zijn zij eenmaal over den dam, dan zullen hun opvolgers wel nakomen. En gelukt dat, dan wordt alzoo door persoonlijke verbintenis van de professoren een rechtstitel voor de Synode geboren, om, mochter er ooit weêr Arminianen komen, ze te dagen voor haar gericht.

En zoo, en niet anders, kwam dan, zoo leukweg, sans rime ni raison, die anders onbegrijpelijke resolutie daar zoo opeens in de acten van 1621 te staan: „dat men de Professoren vragen zou om alsnog te teekenen!

Maar natuurlijk meer dan „een stroohalm” bood dit den Synodalen niet, want Walaeus c.s. zouden toch metterdaad al zeer zonderlinge begrippen van hun verhouding tot hun superieuren moeten gehad hebben, indien ze, buiten Curatoren om, in zoo veelbeteekenende zaak een beslissing hadden durven nemen, die, na de scherpe besluiten der Staten die reeds afgekomen waren, buiten alle kijf tot hun ontzetting zou geleid hebben, en waardoor de kerk dus opnieuw aan de heftigste beroering zou zijn blootgesteld. En bovendien, wat de Synode thans van hen vroeg, was metterdaad ook meer dan men te Dordt bedoeld had. Het was toch gansch iets anders zulk een formule te teekenen, nadat de kerkorde gearresteerd was, en er dus ook rechten bij plichten hun in het kerkelijk verband waren toegekend, dan om, gelijk nu gewenscht werd, te teekenen zonder eenigen den minsten rechtsgrond, en dus c.q. zonder |67| aangewezen weg tot appèl. Dit zou toch, bij de ontstentenis van een Synode nationaal, de faculteit op wezenlijk onbillijke wijs in de macht der provinciale Synode hebben overgeleverd. En natuurlijk, hoe van harte ééns Walaeus c.s. het ook met Dordt en met de onderteekeningsformule waren, en hoe warm ze ook aan de zij der Synode tegenover de Staten stonden, dit was plus royaliste que le roi zijn, en kwam de libertas Academiae te na.

Ze antwoordden deswege uiterst beleefd en voorkomend drieërlei: 1. Dat ze in zaken der leer in alles aan de zijde der Synode stonden, en zelfs, in afwachting van nadere regeling, reeds een onderteekening van de formulieren van eenigheid bij de faculteit hadden ingevoerd. 2. Dat er alzoo tegen onderteekening hunnerzijds geen bezwaar zou bestaan, indien de formule maar niet inhield „subjectie aan de Synode,” waar ze „op het oogenblik niet van konden disponeeren,” en waarvoor ze vooraf de toestemming van Curatoren te vragen hadden, met het oog op de Resolutie der Staten van 19 December 1619. En 3. (zeer secundair): Dat nu alle uitzicht op invoering van de Concept-instructie vervallen was, zóódanige Correspondentie diende in het leven te worden geroepen, die de libertas Academiae intact liet. 104)

Dit viel aan de Gorcumsche Synode van 1622 wel niet meê, maar er zat toch een draad in, waaraan men voort kon spinnen: de Correspondentie. Daarover wilde men dus de Staten, door het intermediair der Theologische faculteit, wel eens aan den tand voelen, en gelastte derhalve den heeren Dibbets en Rippertus Sixtus aan de faculteit te berichten, dat men volgaarne een concept van zoodanige correspondentie van haar ontvangen zou. 105) Bovendien besloot men, wat echter, omdat het naar de Curatoren moest, niet in den brief zou komen: 1. dat men zich voor een eventueele approbatie der kerkorde, alle daarin aan de kerk over de faculteit toegekende rechten voorbehield: „mits dat de Synode verstaet buyten twijffel te syn, dat de professores voorsz. aengaende het stuck der leere het oordeel des Syn: volgens de ordre der kercken subject syn ende behooren te blijven”; 106) en 2. dat |68| alsnog op onderteekening zou worden aangedrongen: „ende aengaende dese haere teeckeninge met d’selve en was de Syn: noch niet vergenoeght, alsoo d’selve niet en was gedaen conform de resolutie des Syn: Nat:, ’twelck de Syn: verstaet noch (niet) te moeten geschieden”. 107)

Dibbets en Sixtus deden over dien brief volle drie maanden. Een natuurlijk gevolg van de pijnlijke verplichting, waaronder men lag, om geheel deze zaak met de „Noort-Hollandici” saâm te doen, wijl de Staten geen gecombineerde Synode provinciaal, en slechts gesplitste particuliere Synoden, wilden vergunnen.

Het aanzoek om een „Concept-correspondentie” is daarop door de heeren Walaeus c.s. overgebriefd aan heeren Curatoren, en door dezen aan de Staten van Holland en West-Friesland, die, in antwoord hierop, langs denzelfden weg het volgende ontwerp aan de Synode van 1623, die in den Briel samenkwam, lieten toekomen:

Alsoo inde leste Nationale Synode van Dordrecht en voor dezen, meermaels voorghevallen is, dat de Kercken eenich gesach over de Professores Theologiae geerne souden hebben, ende ter contrarien de facultas Theologica, haer dese opsicht over hun, met goetvinden ooc der Heeren Curatore, niet en heeft willen toestaen; deur welcke disputen ooc ongemacken tussche de Kercken ende Universiteyt syn gheresen: om alle toecomende jalosien ende ongherieven voor te comen, en op dat de facultas Theologica haer met behoorlik respect tot den meesten dienst der Kercken (daer hier op voornemelic moet ghesien worden) mochte ghebruycken, en nochtans sich selven niet geheel de censure der Kercken ontrecken, wanneer sy in haer ampt, hun soude comen te vergeten: so dunct ons (onder correctie) dat dit advys soude moghen in bedenckinghe genomen worden.

Eerstelick, dat de diensten, die de Heeren Staten tot noch toe boven haer ampt inde Academie de selve Professoren hebben opghelegt, in toecomende deur dit ghesach der Synoden over hun, niet en worden ghepraejudiceert ofte vermindert. Ten anderen, dan oock de Synodale besluyten, van desen haren dienst in verscheyden Synoden gestelt, door particuliere Synoden, Classen ende Concistorien, niet en werden ghebroken.

De diensten die de Heeren Staten, tot voordeel der Kercken, haer voor desen ordinaerlic hebben opgelegt, syn dese navolgende:

1. Dat sy in alle Synoden Nationael sonder tegenspreken van eenighe Kercke van de Heeren Staten syn geevoceert, om inde selve, neffens andere leden des Synode, niet alleen advis, maer ooc definitive stemme te hebben: so wel in de saecken der Leere, als der ordre, ende van particuliere seyten, ende wat de de selve Synoden meer behoort.

2. Dat in extraordinare gevallen van nieuwicheden ofte moeyten inde Leere, de voorsz. Professoren, oft alleen, oft neffens andere gedeputeerde uyt den Kerckendienaren, van de Heeren Staten syn gebruyct gheworden, om kennisse vande selve te nemen, ende den Heeren Staten daer van te adviseren. |69|

3. Dat oock het advys derselver Professoren, over schriften die inde Synode suspect waren, oft andersins revisie van doen hadden, van de Heeren Staten gemeenlyck isgenomen.

Wat nu belangt de lasten, die inde Synodale besluyten, ofte Kerckenordeninghen, haer worden opgeleyt, vinden wy de navolgende:

1. In de Synodo Hagiensi Art. 2 wort geseyt, dat het ampt der Doctoren ofte Professoren inder Theologie, een vande vier ampten is inde Kercke noodich, ende Art. 16 wort het selve ampt verclaert te syn, de H. Schrifture uyt te leggen, ende de suivere Leere tegen de ketterien ende dolingen voor te staan. Welcken Artyckel wort ooc ghevonden in Synode Nat. Middelb. Art. 13 ende inde ghearreseerde van Zeelant. Art. 18.

2. De macht van de Studenten oft Proponenten te examinere, om tot het Praedick-ambt te comen, wordt haer ghegeven, Synodo Hag. Artic. 18. Item Dordrac. Artic. 4 etc. de Articulen luyden aldus:

Geen Proponenten sullen de Ghemeenten openbaerlic vande praedickstoel leeren, dan die wettelic geexamineert ende bequaem gekent syn in de Universiteyt ofte Classe. Synodo Hag. Art. 18.

Soo veel dien aengaet, welcken de Universiteyt tot Leyden, ofte eenighe andere Universiteyt onser Religie, bequaem sal geoordeelt hebben, en sullen van nieus niet geexamineert werden, wel verstaende, soo veel de Leere aengaet, Dordrac. Art. 4. Dit wort in Synodo Politica-Ecclesiastica noch breeder op alle beroepingen geextendeert, Art. 3. Hagae-Com. ghehouden. Anno 1591.

3. De macht om de Boecken, die int licht souden ghegeven moeten werden, te visiteren, wort haer oock bezonderlic in veel Synoden ghegeven. De Canon in Synodo Hag. 49, luyt alsoo:

Niemant van de Gereformeerde Religie sal hem onderstaen eenich boeck ofte schrift van hem oft van eenen anderen gemaect oft overgheset, handelende vande Religie, te laten drucken, oft andersins uyt te gheven, dan ’t selve voor henen doorsien ende goetgekeurt synde van de Dienaren des woorts, syns particulieren Synodi, ofte Professoren der Theologie onser belydenisse. Desen Canon is te vooren ooc gestelt in Synodo Emdana. Art. 51. Dordr. Art. 55 & Middelb. Art. 38.

Hier valt nu alleen dispute, ofte de Professoren der Theologie oft eenighe uyt haer bhesonden, niet en behooren inde Synoden particulier te verschynen, waer van ooc dispute is ghevallen inde Synode Nationael van Dordrecht, ende is het selve vanden meesten deel des Synodi goet ghevonden: hoewel daer naer deur de haesticheyt, de acte niet soo generael ende dudelick daer van is ghestelt: waer van den Praeses ende andere genoechsaem kennisse heeft. De redenen hier van syn oock openbaer.

1. Omdat, als vooren is bewesen, de Synoden Nationael de Doctores Theologiae erkennen voor een van de diensten der Kercke.

2. Omdat haer besonderlick inde Synoden al om wort opgelegt, sorghe te draghen over de suverheyt der Leere ende derhalven ook op de oeffenighe der discipline, beroepinge der Praedicanten, etc. die volgens Gods woort, ende de Leere daer in begrepen, moeten worden verricht.

3. Omdat sy leden syn van de Synoden Nationael, ghelyck boven getoont is, end voorts dat de Synoden Provinciael de executie vande selve besluyten wort bevolen, end de saecken bereyden, die in de Synode Nationael moeten verhandelt werden, soo wel de Leere, als de ordre aengaende.

4. Synodus Dordt. Art. 52 heeft geordineert, dat, so de Classis oft Synodus te samen comt inde plaetse daer de Universiteyt is, de Professores Theologiae sullen mede bycomen, der welcker een uyt den naem van allen stemme sal hebben.

5. De Synodus Politico-Ecclesiastica heeft hier van oock een expres Artyckel Art. 31, die aldus luyt: Inde Synodale vergaderinghe van Hollant ende Westvriesland sulle vergaderen ende stemmen Doctores Theologiae in de Universiteyt van Leyden, |70| met twee Dienaers ende eenen Ouderling by elcke Classe, daer toe te committeren. Ende hoewel dese beroemde Articulen tegensprake hebben gheleden, in sommighe andere dingen; men heeft nochtans noyt gehoort, dat hier op exceptie is gevallen.108)

Door dit stuk kwam met den Haagschen kanselarijvorm en kanselarijstijl, dus ook de oude kanselarijidé weer in het debat opduiken, en het Shibbôleth der Remonstrantsche factie: „Professoren in de provinciale Synode”: werd uit de kerkelijk politieke wetten van 1591 weêr opgediept.

Natuurlijk borst tegen zulk een voorstel de verontwaardiging van alle Classen uit! Het was dan ook tergend voor de Calvinisten. Ze hadden zoo vastelijk gehoopt de Academie onder de kerk te brengen, en nadat de daartoe dienende Concept-instructie hun rauwlings uit de hand was geslagen, komen nu de Staten van hún kant weêr met de oude pretentie voor den dag, om de Synode te brengen onder de Academie, en dat zonder zweem van equivalent.

Uit den Briel ging dan ook het antwoord over Leiden naar den Haag: dat de Synode in zulk een voorslag niet kon treden „dewijle de gepretendeerde comparitie is buyten onse kerckenordenige, ende ’t gebruyck van andere provintien, dewelcke alleen toestaen, soodanige comparitie in casu, wanneer de Syn: in de plaetse daer de Academie is, gehouden wert, waerenboven de broederen niet en connen verstaen de conditien van de voorgeslagen correspondentie voor de kercken dienstigh te wesen, om met de kerckenordenige te accorderen, insonderheyt wanneer gestelt wert, dat de Synode geene maght over de Theologische faculteyt en usurpere, die daer praejudicere, de vrijheyt ende authoriteyt aller gereformeerde academien, van Godtvruchtige princen ende magistraten vergunt”. 109) Maar zeer goed wetende, dat hiermeê bij de Staten de zaak dan ook afgedaan was, liet de Synode de zaak der Correspondentie nu maar verder glippen, en waagde alleen nog een poging, of de professoren persoonlijk niet waren over te halen. Ten behoeve waarvan men hen verwees naar hun eigen medewerking aan het opstellen der formule; naar het voorbeeld der hoogleeraren in de andere provinciën; |71| en vooral naar de hun bekende goede intentiën der Synode van 1619. 110)

Doch ook dit noodschot trof slechts zijdelings.

Walaeus c.s. toch kònden aan dat verlangen niet voldoen. En wie zich daarvan overtuigen wil, leze in de acten en epistolaria en resolutiën dier dagen slechts na, hoe de professoren tobden om hun inkomsten van Curatoren, en Curatoren om hun middelen van de Staten te krijgen. Men hield van Staatsche zij de Academiën o, zoo kort. Aan een openlijke daad van verzet in zulk een ondergeschikte zaak viel dus niet te denken, ook al had Walaeus’ aard er hem toe geprikkeld. Maar ook dit was niet zoo. Reeds in 1615 toch schreef hij zichzelven en anderen den regel voor, dien elk hoogleeraar in zulk een moeilijkheid z.i. te volgen had, toen hij zich in dezer voege uitliet: „Agnoscimus Doctores etiam suis Magistratibus in talibus debere cedere et obedire, idque libere et libenter”. 111)

Wel hadden ze gedaan wat ze konden om hun broeders en geestverwanten in dezen pijnlijken strijd ter wille te zijn, en daarom bij het stuk van de Staten een zeer vriendelijk schrijven met een zeer veracht Concept van correspondentie toegevoegd, neêrkomende op: 1. De Synode te houden in de vacantie; 2. Slechts twee professoren op de Synode toe te laten; en 3. dat zij evenals de Deputaten der andere provinciën buiten het Corpus Synodi zouden blijven; 4. en zich dus „in rebus practicis” met „suffragia deliberativa, zouden contenteeren”. 112)

Maar nu ook dat niet gebaat, en de Synode door haar strakken toon en |72| vroegere Visitatie-plannen bovendien den corporatiegeest der professoren en de tukheid op de libertas academica in andere dan leerzaken, eenigszins geprikkeld had, nu kon er dan ook niet anders dan van een finale weigering sprake zijn, en kwam het hooge woord er eindelijk uit: dat ze nogmaals aan de Staten advies hadden gevraagd, en dat het daarop bekomen antwoord niets minder inhield, dan een „stellig verbod en interdictie.”

Op de Staten-klip stiet men alzoo nu ten derden male.

Eerst in het antwoord aan de Synode van 1622 te Gorcum, waar men geplaatst werd voor de Resolutie der Staten van 19 December 1619. Toen in het ontwerp dat op de Synodus Brielana van 1623 inkwam, en waarbij het stuk zelf van de Staten, het rescriptum D.D. Ordin., werd overgelegd. En nu eindelijk ten derden male op de Haagsche Synode van 1624, toen men als einde van alle tegenspraak ten bescheid ontving: „dat sy Professoren inmediatelyck stonden onder de Heeren Curatoren van de Academie, en dat hun door seeckere missive van de Ed. mog. Heeren Staten was gheïnterdiceert ende verbooden, soodanighe onderteeckeninghe te doen, met welcke interdictie sy sich excuseerden”. 113)

Toch lieten de hoogleeraren het hier niet bij, maar gaven aan de Gedeputeerden der Synode, die met hen besoigneerden, ter verzachting, zeer nadrukkelijk drieërlei te verstaan, wat dan ook ter Synode gerapporteerd is. En wel: 1 dat zij als de correspondentie kon geregeld worden, onmiddellijk de formule teekenen zouden: „dat de Professoren geen swaricheyt souden maeken in de onderteeckeninghe, inghevalle men hun de correspondentie toeliete;” 2 dat zonder zulk een correspondentie de onderteekening, als missende dan, zoolang er geen kerkorde was, elke mogelijkheid van effect, geheel onnoodig zou zijn: „meenden ook de onderteeckeninghe onnoodig te sijn, soolange sy niet voor leden der Synodi werden erkent;” en 3 dat ze heusch ten deze niet tegen broeders uit eerzucht streden, maar dat naar hun vaste overtuiging, dit nog de beste weg was, om de kerk althans eenig equivalent voor de toekomst te geven: „dat sijlieden de correspondentie en comparitie op de Synodale vergaederinge niet en hadden versoght, om haer eyghen selffs wil, als die met haeren staat ende conditie wel tevreden waeren, maer omdat ze meenden, dattet den kercken souden dienstigh ende profijtelyck wesen”. 114) |73|

Duidelijker konden en mochten ze niet spreken, want de Ed. Mog. Gedelegeerden der Staten van Holland zaten onder de toehoorders, en hadden in last zeer scherpelijk bij rapporten van dezen aard toe te luisteren. Maar „à bon entendeur demi mot suffit,” en de raad der hoogleeraren was ook hier zeer zekerlijk de raad der wijzen. Want, beter dan de predikanten vertrouwd met den wind die in de Statenzaal woei, doorzagen Walaeus c.s. uitnemend wel, dat er noch van de kerkorde, noch van de Synode nationaal, ooit iets zou komen, en de Synode dus het wijste zou handelen met „den voet in den stijgbeugel” niet zoo ganschelijk te minachten, die haar in deze Correspondentie wierd aangeboden.

Maar niets hielp. De Synodalen hoopten nog steeds op betere tijden. Een „Synodus-nationaal” zou men van de Staten nog wel verkrijgen kunnen!

En in die hoop werd de Academie-quaestie te ’s-Hage voorshands in ruste begraven en verwezen naar „den naestvolgenden nationalen Synodum,” waarvoor de Staten wel gezorgd hebben dat ze nooit kwam. 115)


*

8. Een compromis zonder sanctie.

Zoo stonden dan ook hier practische zin en onverzettelijke beginselvastheid strak tegenover elkander, zonder dat ik beslissen durf, wat daadwerkelijk voor land en kerk raadzaamst was; óf het denkbeeld der professoren, om van den nood een deugd te maken en eieren voor zijn geld te koopen, óf wel de meening der Synodalen, dat de zuurdeesem van de Pietas Ordinum tot den laatsten korrel moest uitgezuiverd.

Maar dat de Synodalen althans den geest der kerk zuiver hadden vertolkt dat bleek wel op de overtuigendste wijs, toen de Synode van 1630 te Schoonhoven daagde.

In 1629 namelijk had het samenzijn van Synodalen en hoogleeraren te Leiden, tegen alle verwachting in, toch nog tot een voorloopig compromis geleid.

Toen toch den 17 Juli van dat jaar de Synode te Leiden saâmkwam, stelde de Praeses, Dr. Isaäc Junius, voor, dat men naar ouder gewoonte, nu men in de Academiestad vergaderde, de hoogleeraren beleefdelijk, na begroeting, zou uitnoodigen, om ter vergadering eershalve te willen „compareeren en met hun adviezen te dienen”. 116) De heeren Gijsbertus Voetius |74| uit den Haag, Hugo Beyer uit Delft en Henricus Arnoldi uit Rotterdam begaven zich daarop als deputatie naar de faculteitskamer, om hun dit verzoek der Synode over te brengen. En nog denzelfden dag lieten zich daarop én Walaeus, én Polyander, én Rivet, én Thysius, ter vergadering vinden, en bleven de Synode bijwonen tot den 28sten Juli. 117)

Dit nu gaf aanleiding dat men de reeds begraven quaestie nogmaals oprakelde, en het onder dagelijksch en intiemer verkeer metterdaad eens werd over de volgende Modus vivendi:

Modus autem quo id cum minimo incommodo et maximo fructu posse consemus, salvo, meliori judicio hic a nobis proponitur.

I. Ut ex facultate theologica qui mutuis consilijs se juvare possint, singulis synodis particularibus intersint et is locus a Synodo eis asignetur, qui ipsorum vacotioni conveniat.

II. Etsi in Synodis nationalibus eodum plane quo ceteri pastores suffragiorum jure compareant professores et Synodus nat. Dordracener prima art. 52 expresse statuerit ut quando Sijn. eo loco congregatur, ubi academia est, omnes theologiae professores ad eam vocentur et unus ex eis omnium nomine suffragium ferat. Nos tamen libentur arbitrio Synodorum hujus provinc permitimus an nos in Syn. illis comparere malint eo jure et modo quo deputatio aliarum Synodorum ies intersunt.

III. Nempe ita ut nec presidum nec assessorum nec scribarum munere fungantur et quando de regimine ecclesiastico aut vocatione pastorum in hypothesi, item de disciplinae ad certas personas applicatione agitur, deliberative tantum suffragy jus obtineant. Quando vero de doctrina aut ejus explicatione sermo est, aut de disciplinae forma in genere, eodem quo caeteri posteres jure suffragium ferant: quiu puritatis doctrina conservatio us peculiariter commendatur art. 13 Syn. Middelburgensis et art. sestien Syn. Hagiensis.

IV. Quo autem professores muturiora judicia in Syn. afferre possint, omnio consultum existimamus ut gravamina ecclesiarum ante Syn. celebrationem ad ipsorum quoq. coetum transmittantur ut vicissim, si quid forte professionibus, occurat, quod in academia aut ecclesiarum bonum, ecclesys communicandum esse judicabunt, ipsis quoq. integrum sit. illud ad Synodorum deputatos transmittere, ut id dejnde una cum reliquis gravaminibus ipsis etiam classibus ad futuram Synodum preparatorys, aut saltem Synodo communicetur, deniq. ut potestas seu authoritas nulla a Syn. infacultatem nostram usurpetur, quae minuat authoritatem illustrium d.d. ordinum hujus provinciae, aut inspectionem nobilissimorum dominorum Curatorum in eandem facultatem, cum de eorum jure cederi nobis non liceat nec etiam que praejudicet et libertati atque authoritat, quae omnibus academys reformatis a piis principibus et magistratibus semper fuit concessa. In aliis autem in quibus professor theologiae accusari posset. {+JgD@*@>\"H aut justa esset suspicio adversus receptas formulas et judicia Synodorum nationalium, postquam communi consilio tam deputatorum Syn. quam collegarum professorum dirimi non potuerit controversia, quo primum hac via tentandum erit, Synodo librum erit cum tali professore agere et citatum legitime ad doctrinae suae explicoem. adigere, in qua sinon satisfecerit Synodo et collegis, posset Synodus in eum censuram ecclesiasticam exercere et adversus pertinacem implorare illustrium d.d. Ordinum et Curatorum academiae authoritatem, ut in tempore correptus, non possit ecclesias turbare et academiam corrumpere. 118) |75|

Edoch, ook dit was buiten den waard, in casu der kerkelijke Classes, gerekend.

Immers, toen de Kerkelijken niet meer onder den rook der Academie, maar op eigen terrein, de beteekenis en consequentie van zulk een compromis doordachten, was het algemeene oordeel dat men de zaak liever Gode overgeven moest, dan op het Shibbôleth van de „Synode Provinciaal” toe te geven; en wees men derhalve door zijn deputaten ter Synode eenparig het voorgestelde compromis af. 119)

Daarna is de onderteekeningsquaestie nimmermeer ter sprake gekomen. Maar wel vlak daarop aan alle medezeggenschap der Kerk in de leiding der Academische zaken voorgoed de bodem ingeslagen, doordien de Ed. Mog. Heeren, de Staten van Holland en Westvriesland, onder dagteekening van 1 October 1631, vaststelden en octrooieerden: 1. de Wetten en Statuten van de Universiteit van Leiden 120); en 2. een Ordonnantie „op het Bestuyr ende beleyt van het Collegium Theologicum”. 121) Beide welke Statuten op het punt van de leer, o, zoo orthodox, zelfs van veel te „stationaire leervoorstelling” zijn, maar uit kerkrechtelijk oogpunt Oldenbarneveld van vreugd in zijn graf zouden hebben doen omkeeren, indien hij geweten had, hoe het Anti-Calvinisme in dogmaticis ten lande uitgedreven, toch weêr in canonicis tot triomf en eere kwam.


*

9. Waren ze overgeloopen?

Ter velling van een juist oordeel blijft thans echter nog ééne vraag ter behandeling over, t.w.: of de H.H. Walaeus c.s. den strijd voor het medezeggenschap in de Synode Provinciael tegen wil en dank hebben gevoerd, dan wel van harte?

Ook al bleek het laatste, dan zou hiermeê voor Dr. Van Toorenenbergens stelling natuurlijk nog geen schop zand op zijn schansen gewonnen zijn. |76| Hem toch is het om het principiëele verschil van „al of niet een stationaire leervoorstelling” te doen. En of nu de professoren ressorteeren zouden onder de nationale, dan wel onder provinciale Synode, heeft met dit hoofdpunt in quaestie uiteraard niets hoegenaamd van doen.

Maar voor de historie heeft ook dit meer ondergeschikt geschil zeer wel belang. En het dienst, eer we van dit onderwerp afstappen, te zijn uitgemaakt, of en in hoeverre mannen als Walaeus, Polyander en Thysius, die met ziel en zinnen en tiental jaren lang de tolken van het Gereformeerde volk waren geweest en de Dordtsche kerkvergadering bezield hadden, eenmaal op den zetel der eere aangekomen, als handlangers der Staten zich geleend hebben, om het Gereformeerde kerkrecht te verraden?

Om nu aan te toonen, dat dit metterdaad niet zoo is, verzoek ik den lezer kortelijk rekening te willen houden met de volgende feiten:

Ten eerste, vergeet, wie dat waant, dat de Synode van Rotterdam in 1621 de onderteekening der bekende formule af heeft geëischt, niet enkel van de professoren, maar ook van den Regent van het Collegium Theologicum. 122) En, indien men nu weet, dat regent van dit College destijds geen ander was dan D. Festus Hommius, dan willen we toch gevraagd hebben, of men dan ook dezen zeloot soms verdenken zal van desertie in kerkrechtelijke zaken naar het kamp der Remonstranten?

Ten tweede, zij herinnerd aan den Schutterseed. Een quaestio die in 1628 heel „Holland in last” bracht, en waarin de HH. Walaeus c.s., gelijk men weet, zeer tegen den zin der Staten, consult en advies hadden gegeven ten gunste der Calvinisten. En toen nu de Staten goedvonden de Theologische faculteit deswegen een berisping toe te dienen, lag hun het kruipen voor de Staten zoo weinig in den aard, dat ze zich niet ontzagen den Ed. Mogenden in vrij krasse taal te antwoorden: „dat ze dan toch als honden die niet bassen konden over den hekel zouden gehaald zijn, indien ze in zoo ernstig geschil om raad gevraagd, geen hart in het lijf hadden gevonden om te spreken”. 123)

Ten derde, dat de H.H. Walaeus c.s. in de geruchtmakende quaestie van Hornhovius, die door de Generale Staten tegen Utrecht gedreven werd, zelf het initiatief namen, om voor de rechten der kerk op te komen. 124)

Ten vierde, dat Walaeus steeds tegenover de Staten is blijven volhouden, dat de professoren in de Theologie wel terdege ook „in den dienst |77| der kerk” stonden, 125) en dat de vaststelling van het kerkrecht competeerde niet aan de Staten, maar aan de Ecclesiastieken. 126)

Ten vijfde, dat Walaeus in 1615 een gansch boek geschreven heeft: „de munere ministrorum Ecclesiae et inspectione magistratus circa illud”, waarin opzettelijk de denkbeelden van de Pietas Ordinum worden weêrlegd, en dat de daarin uitgesproken stellingen volkomen rijmen met wat aangaande hetzelfde door hem na 1620 onderwerp verdedigd is, én in de Synopsis purioris Theologiae, én in de Censure van de Belijdenisse der Remonstranten; beide werken die door de geheele faculteit, waartoe Walaeus behoorde, aan het kerkelijk publiek dier dagen geschonken zijn.

Ten zesde, dat de professoren zich telkens tot onderteekening van het formulier bereid hebben verklaard, indien dat ééne punt slechts te schikken viel. Iets, wat nooit door de Staten is toegegeven en ook niet toegegeven worden kon.

En ten zevende, dat noch in den aanvang, noch in het verloop, noch na de termineering van deze quaestie ook maar een zweem te bespeuren is van een verkoeling tusschen de faculteit en de Synodalen. Eer integendeel toont de geheele correspondentie, dat men met de professoren steeds op den besten voet stond; blijkt uit het geschil over den Schutterseed, dat de Synodalen de hulp der faculteit inriepen en de faculteit met de Synodalen gemeene zaak maakte; ziet men aan het vriendelijk saâmverkeeren van professoren en Synodalen op de Synode in 1629, dat de harmonie zelfs uitmuntend was; en gaven eindelijk de Synodalen nog bij het graf van Walaeus van hun warme waardeering en ongeveinsde hulde voor dit Lumen Ecclesiae een schitterend blijk, door deputaten der Synode te doen volgen achter zijn lijkstoet. 127)

Neen waarlijk de orthodoxe hoogleeraren dier dagen waren geen handlangers van de canonieke bestrijders der kerk en in al hun syntagmata hebben ze veeleer onbeschroomd en moedig, tot zelfs nog in het begin der 18e eeuw de rechten der Gereformeerde kerk tegen Staatsche velleiteiten verdedigd. Vandaar dan ook dat de hoogleeraren in Friesland, in Groningen en Gelderland, die van hun Staten geen „verbod ofte interdictie” ontvangen hadden, allen wel zeer zeker teekenden, 128) terwijl toch alleen in Groningen, en ook daar nog slechts met „deliberatieve stem” zitting ter provinciale Synode aan de professoren gegund was. Nergens toch werd door de kerk |78| toegestaan, wat Hollands Staten eischten. Niet in Utrecht, waar de hoogleeraren nooit op de Synode geweest zijn. Niet in Friesland, waar men ze nimmer duldde, zelfs niet als hospitanten. Noch ook in Gelderland, waar ze slechts dan, en nog wel als gasten, binnenkwamen, wanneer de Synode haar dagvaart hield te Harderwijk. 129)

Er is dan ook geen de minste quastie van, of de toenmalige Theologische professoren van Leiden stonden met hart en ziel aan den kant der kerk tegenover de Staten; en als het desniettemin in sommige uitdrukkingen van hun correspondentie den schijn heeft, als kwam hun spreken uit den tegenovergestelden hoek, dan vindt dit zijn gereede verklaring in een tweetal omstandigheden, die hier nog terloops vermeld dienen.

De eerste omstandigheid is dat zelfs Bogerman, de kerkelijke heros en banierdrager der Calvinisten op de Dordtsche Synode, van een accoord met de Staten niet afkeerig bleek.

Man van schrander doorzicht als hij was en met den geest der politieken uit zijn tijd zeer wel vertrouwd, begreep deze fiere tolk der Gereformeerden uitnemend, dat een droppel waters in den onvermengden wijn het geoorloofde en eenig mogelijke middel was, om de canonieke quaestie ook maar eenigermate ten genoege der kerk te regelen.

In Friesland nog sterker dan in Holland had hij geleerd wat het was, om onder Staten te staan die in Theologicis Gereformeerd, maar in Canonicis Remonstrantsch waren, en toen hij dan ook, op vereerende wijze, door de Staten van Holland in consult werd geroepen, om den zin der kerkorde wat nader te duiden, zag hij in dien druppel water zeer weinig bedenkelijks en stelde hij de Staten aanvankelijk volkomen gerust. 130)

Van soortgelijke gedragslijn nu waren ook Hommius en de Leidsche professoren niet afkeerig. „In Palibus Magistratui cedere debere Doctorem” was en bleef Walaeus’ systeem. 131) Te Leiden in 1629 was, gelijk boven bleek, zelfs ook de synode voor dat oordeel gewonnen. En Gijsbert Voetius, medelid der Dordtsche Synode en vader van ons kerkrecht, die eveneens in beginsel tegen het medezeggenschap der professoren op de provinciale Synode is, 132) betuigt er openlijk zijn leedwezen over, dat men te Brielle het goede aanbod van de hoogleeraren gewezen heeft van de hand. 133)

Maar behalve dit kwam er toch ook nog iets anders bij. |79|

Door de Dordtsche Synode waren de professoren, „salvo jure appellationis,” onder de provinciale Synode geplaatst, met aanwijzing als hof van appèl van de nationale Synode, waarin ze zelven zitting hadden. Dat stond dan ook in de onderteekeningsformule, en dáár hebben de hoogleeraren niets hoegenaamd op tegen, wijl door zúlk een regeling de dignitas en libertas Academica volstrekt onaangetast bleef.

Maar wat deden nu de „Suyt-Hollandici”?

In afwijking van Dordt namen ze zoolang de kerkorde nog niet geautoriseerd was, hun toevlucht, tot het metterdaad onmogelijke en ondenkbare systeem, om de professoren, als gewone kerkleden eenvoudig onder den Leidschen kerkeraad te zetten, met beroep op hen, provinciale Synode, als vierschaar van appèl.

Dat was dus niet volgens Dordt, maar heel iets anders dan Dordt. En tegen dezen eisch nu, die van het te Dordt beslotene geheel afweek, ja, daartegen hebben Walaeus c.s., en o.i. zeer te recht, de „libertas” en „dignitas” van Leidens Academie, zij het ook zachtelijk en bedektelijk, maar dan toch met eenigen nadruk, tegenover de Synodalen gehandhaafd.

En ook hierin heeft de uitkomst de schranderheid van hun inzicht bewezen. Want bekend immers is het uit de annalen der Utrechtsche Academie tot welk een smaad voor de kerk de toepassing van hetzelfde onhoudbare systeem in de zaak van den proponent Absalon Malecotius in 1667 geleid heeft. En wie weten wil, welke kracht in dit systeem voor de handhaving van de orthodoxie aan onze Academiën schuilt, die raadplege slechts de historie van Leidens Academie van deze tweehonderd jaren en oordeele, of „Leidens Academie door Leidens kerkeraad te laten bewaken!” niet een systeem is, „qui se tue par le ridicule?”

Voor wie slechts eenigermate in den geest dier tijden en vooral in den zin der Staten weet door te dringen, levert geheel het beloop van dit geschil dan ook niet de minste moeielijkheid op.

Op den bodem toch lag de destijds nog bij elke voorkomende quaestie zoo diep gevoelde rechtsvraag naar de „hoogheid” of „overhoogheid” of „souvereiniteit”.

Daarom werden de Statuten voor de Academie vastgesteld door de Staten van Holland, „als de Souverainité in handen hebbende”, 134) gelijk er letterlijk staat; en ging men zelfs zoo ver van in 1631 de Commissie uit den Senaat die de regeering in handen had te betitelen met den naam van „de Staten der Academie”. 135) |80|

De kerk met haar pretentie dat de Theologische professoren „in den dienst der kerk” stonden, moest dus, indien ze elk vergelijk verwierp, met dezen souvereinen titel wel in conflict komen.

De Zwijger was in zijn Octroy van 6 Januari 1574, „de kercken dezer landen” stilzwijgend voorbijgegaan. Dáárin school de bewegende oorzaak ook van deze disputen.

In het Octroy lag de „origo vitii”!

En van toen af waren Staten en kerk natuurlijk tamelijk wel in de positie van den wolf, die te deelen zal hebben met het lam!


*

10. Conclusie.

Zie ik nu goed, dan is met het bovenstaande de onverhoedsche aanval van Dr. Van Toorenenbergen tamelijk wel op alle punten afgeslagen.

Had hij beweerd, dat de professoren in canonieke zaken geen definitieve stemmen hadden, — ik heb met de stukken zelf aangetoond, dat ze wél meê concludeerden.

Had hij hen als getuigen opgeroepen tegen het in omnibus en voor een on-Dordtsche revisie, — ik heb bewezen dat zij vóór het „per omnia” waren, en de vrije revisie afkeurden.

Had hij beweerd dat de Staten en Curatoren reeds vóór 25 Augustus omgezet waren en uit dien hoofde nu in alles met de Calvinisten gingen, — ik heb doen zien, dat de Staten in Augustus nog de ouden waren, en, later omgezet, wel in Theologicis met de Gereformeerden gingen, maar in Canonicis het oude anti-Calvinisme doorzett’en.

Had hij beweerd dat de H.H. Walaeus c.s. niet wilden teekenen, wijl het stuk dat men hun voorlei, „niet eerlijk, niet ruim, niet eenvoudig” genoeg was, — ik heb uit onwraakbare documenten aangetoond: 1. dat ze zelf dit stuk meê opstelden; 2. bereid waren het te teekenen; en 3. het alleen niet teekenden, overmits het hun „verboden was en geinterdiceert.”

Maar bij het pareeren van die lansstooten liet ik het niet. Van geheel het terrein waarop hij had postgevat, moest de aanvaller verjaagd worden; zou er weêr ruste komen op het burchtslot.

En daarom heb ik voet voor voet mijn geduchten tegenstander elke duim breed gronds buiten de omperking van het tournooiveld betwist, en door een breede historische schets doen zien, hoe al wat achter de onderteekeningsquaestie |81| lei door hem voorbijgezien, van de wederzijdsche verhouding dientengevolge een geheel verkeerde voorstelling gemaakt is, en geen de minste rekening is gehouden met het historisch milieu waarin dit geschil bepleit wierd.

En zoo heb ik mijn antagonist dan met „eer van wapenen” gedwongen de poorte van Dordt uit zich weêr naar het tournooiperk van zijn Marnix en de periode van vóór de Arminiaansche twisten terug te keeren, . . . waarheen ik hem heusch niet volgen zal.

Dan toch liep ik gevaar dat mij zelven overkwam, wat hem thans overkomen is, van slecht te bekoopen een uitgaan op avontuur „naar een terrein der historie dat u vreemd bleef”.

Want zie, op het terrein van Marnix is Dr. Van Toorenenbergen onbetwist der meesten meester; met alle wendingen van het terrein vertrouwd; en bedacht op alle onevenheden.

Aan de poorte van dát tournooiperk gekomen, strijk ik dan ook eerbiediglijk voor mijn broeder en wederpartijder de lans, sla aan het gevest, en geef hem het saluut der eere.

Maar van de Dordtsche periode blijve hij dan ook voorshands af. Want dáárin is hij niet thuis. En dáárvan maakt hij zich o, zoo gansch averechtsche voorstellingen, die waarlijk om tot autoriteit te komen, nog eerst het zuiveringsbad van nieuwe studien noodig zouden hebben.

En dat ik nu bij dit mijn verweer tegen dezen „athleet van historiën” met geen haar van mijn hoofd er aan gedacht heb, om hem te sparen, dat zij in niemands oordeel, aan mindere eerbiediginge geweten, maar alleen uit misschien te hoogen dunk van zijn persoon verklaard. Want zie, een recruut of invalide ontziet men; maar een veteraan van de oude garde te willen sparen, dat zou beleediging van zijn krijgseer zijn!

Tegen een „Bayard” tot muurtrekken gedwongen, is treffen waar hij treffen kan, althans voor den pas geblazoenden ridder plicht!

*

En vraagt men dan ten slotte, waarom ik ditmaal de moeite nam, om zoo met omhaal van archief en documentstukken, tegen mijn gewoonte, anticritiek te leveren, — ziehier dan mijn openhartig antwoord.

Toen Dr. Van Toorenenbergen over het punt in geschil begon te schrijven, had hij er blijkbaar nog volstrekt geen studie van gemaakt, maar schreef hij, gelijk ieder onzer telkens doet, afgaande op zijn beste weten.

En toen ik den toen nog anonymen schrijver voor het eerst in de Haarlemsche Courant rescontreerde, was er ook bij mij nog van geen opzettelijke |82| studie sprake geweest, en schreef ook ik, afgaande op den algemeenen indruk, dien ik ontvangen had.

Onze beider opinien waren dus meer het uitvloeisel van de algemeene voorstelling, die we ons van de Dordtsche periode hadden gemaakt, dan vrucht van nauwkeurig onderzoek.

En wijl nu sinds 1870 door mij beweerd wordt, dat Dr. Van Toorenenbergens voorstelling van de Dordtsche periode geen steek houdt, en hij daartegenover staande hield, dat de mijne kant noch wal raakte, — kwam het mij niet onbelangrijk voor, in dit ééne speciale punt nu eens op het nauwkeurigst na te gaan, wiens opinie a posteriori door de stukken gerechtvaardigd werd.

„Ex ungue” kon het dan „leonem” zijn, en gelijk de groote zoöloog, uit één enkele schouderplaat het skelet van den megalosaurus construeerde, kon zoo ook op afdoende wijze voor het publiek, dat in deze quaestiën belang stelt, eens voorgoed worden uitgemaakt, of nu metterdaad Dr. Van Toorenenbergens voorstelling van deze periode, dan wel de mijne, met de feiten overeenkomstig was.

Welnu, na afloop van dat onderzoek durf ik mij vleien, dat meê door Dr. Van Toorenenbergen zelven zal worden toegestemd, dat het bij „die nadere examinatie” mij voorshands meer meêliep dan hem, en dat hij dan ook de revisie, waarmeê hij ten opzichte der formulieren zoo dweept, nu zelf eens zal gaan toepassen op de formuleering van zijn eigen denkbeelden.

Dat er overigens voor Dr. Van Toorenenbergen niets ter wereld insteekt zich in dit ééne opzicht eens totaal vergist te hebben, behoeft onder deskundigen wel nauwlijks herinnerd. Geen man van wetenschap is er, die niet uitnemend overtuigd is, dat hij bij den besten wil en den eerlijksten toeleg niet altijd voor „zonderlinge feilen” veilig is; en althans wat mij zelven betreft, twijfel ik geen oogenblik, of het zou Dr Van Toorenenbergen, wou hij er zich eens toe zetten, waarlijk niet veel moeite kosten, ook mij hier en daar op een „perfect failure” te betrappen.

Dat doet intusschen aan de wederzijdsche waardeering van elkanders persoon en talent niet het minste te kort, en hoe hoog ik Dr. Van Toorenenbergens uitnemende studiën schat, ja van oordeel ben dat hém te kort in eer, en den lande schade is gedaan, toen men hem én te Utrecht én te Groningen voor het Professoraat der historiën voorbijging, behoeft voor wie mijn heusch niet geheime relatiën tot De Standaard kent, toch waarlijk wel geen betoog.

*

|83| En mag ik nu om hiermeê dit verweerschrift te besluiten, Dr. Van Toorenenbergen nog een verzekering geven, die hem zelf zal doen inzien, hoe loos en overtollig eigenlijk heel zijn aanval was, laat ik hem dan zeggen mogen, dat in het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag door mij tegen onderteekening van zulk een formulier door hoogleeraren geadviseerd is; en dat althans het formulier van Dordt daar nooit zal worden aangenomen.

En dit advies gaf ik, niet wijl ik de Vereeniging niet dogmatisch wensch te binden, maar overmits, naar uitwijzen der ervaring, zulk een onderteekening, in wat vorm of maniere ook gedaan, nooit een band is.

Een, ik stem het toe, uiterst droevig feit, voor wie nog aan de kracht van het mannenwoord in iemands handteekening hechtte; maar een feit dat desniettemin door het sluimeren van het bewustzijn bij zulke handelingen van sleur en routine, zóó ver kan gaan, dat men onder de Canones van Dordt, met de verklaring dat ze „den Woorde Gods conform” zijn, in de archieven der Leidsche theologische faculteit, o.a. ook kan vinden de handteekening van Dr. W.A. van Hengel, die in zijn reuzenarbeid aan den „brief aan de Romeinen” besteed, elk denkbeeld van praedestinatie uit dien brief zocht weg te exegetiseeren; alsmede van Dr. N.C. Kist, die in zijn scherpen aanval op Scholtens Determinisme, tegelijk heel Dordt omverwierp.

En toch, want dit is, psychologisch, nog het opmerkelijkst van het geval en bewijst hoe zoo iets subjectief volkomen eerlijk toe kan gaan: De onmogelijkheid om onder zulk een adhaesie aan de Dordtsche Canones zijn handteekening te plaatsen, heeft mijn kundige en schrandere leermeester, Kist, zoo weinig gevoeld, dat hij zelf in facsimile het stuk onder de oogen van het publiek bracht, waarop die onbegrijpelijke handteekening nu tot in lengte van dagen voor een ieder te prijken staat. 136)

En hiermeê neem ik van den lezer oorlof, concludeerende met wat ik aan Dr. Van Toorenenbergens eigen woord als motto ontleende: „Het zal nu wel vaststaan, dat mijn geachte tegenstander alleen daarom zoo schrijven kon, wijl hij de moeite niet nam om de zaak naar eisch te onderzoeken.”




1. Trigland Kerk. Hist. 297a. Leidekker, De eere der Dordtsche Synode, I. p. 5, 6.

2. Act. Syn. Wes. Ed. Hooyer. p. 34. De Doctoren zijn hier als „Propheten” aangeduid. Maar ook van dezen leest men: Van dezen „kan men vooral nu niets sekers beramen, tot dat de tijdt en het verval de saken ’tzelve zal leeren.” p. 38.

3. Act. Syn. Emden. Ed. Delft. 1612. p. 8. art. 37.

4. Ed. Hooyer. p. 125. Art. 36. „Terwijlen hedendaags de Professoren in de Theologie in de plaats der Doctoren zijn, soo hebben wy de selve, geleyck als de Professeurs van andere consten en wetenschappen in onzer nieuwer Universiteyt van Leiden gestelt en sullen sorge dragen, dat de selve volgens de wetten henluyden voorgeschreven, met de heilighe Schrift suyverlick uit te legghen geleerde en waardige Herders formeeren.”

5. Act. Syn. Nat. Dordr. 1578, Ed. Delft 1612. art. 49, 50, 51, 52.

6. Act. Syn. Nat. Middelb. 1581, Ed. Delft 1612. art. 12, 13.

7. Ibid. art. 37.

8. Ibid. art. 38.

9. Ibid. gravamina N. 3.

10. Ibid. gravamina N. 110.

11. Act. Syn. Nat. Hagensis. Ed. Delft 1612. Poinct 33.

12. Ibid. art. 2 en 16.

13. Ibid. art. 44.

14. Ibid. art. 47.

15. Ibid. art. 49.

16. Ed. Hooyer. art. 15.

17. Ed. Hooyer. art. 42.

18. Ed. Hooyer. art. 31 en 40. Wat verder ten aanzien der Academie van Leiden vóór 1618 voorviel, deel ik in Bijlage B mede.

19. Act. Syn. Nat. Dordr. praef. 2. Cf. Brandt, Hist. der Ref. II. p. 58. Leidekker. I. p. 6.

20. Gravamen van Dordrecht op de Synode van Rotterdam. Cf. Trigland. p. 298, en Leidekker. I. p. 6.

21. Ibid.

22. Act. Syn. part. Rotterd. art. 24.

23. Trigland. p. 304.

24. Voetius, Pol. Eccl. IV. 197.

25. Syn. Arch. VI. I. N. 14. Cf. Trigland, p. 411. Brandt, II. p. 67. Leidekker. I. p. 7.

26. Trigland, p. 300a. „Dat hij hem hielt en altijd gehouden hadde aen de confessie en den catechismus, dewelcke hy onderteeckent hadde.” Baudartius I. p. 5. Acta Synodi praef. en Brandt II. p. 58.

27. Van de Haagsche Conferentie, die 10 Maart 1611 geopend werd, wel te onderscheiden.

28. Becius, Helmichius, Utenbogaart en Gerardi.

29. Onder de provinciale Synode verstond men een gecombineerde vergadering van de Synode van „Zuyd- ende Noort-Hollant.” De laatste Zuid-Hollandsche was die van 1608 te Dordrecht.

30. „Verkiezing uit voorgezien geloof.”

31. Ruard. Acronius. Noodwendig vertoogh. A. Gerrits. Delft. 1610. Het geschil kwam aan, gelijk men weet, met Wtenbogaerds „Van het ambt der Overheyt”, en werd zóó zeer zelfs een oogenblik hoofdpunt van den strijd, dat ik dezer dagen niet minder dan 40 stukken enkel over dit Canoniek geschil bijeenbracht.

32. Resol. Staten van Holland. a. 1618. p. 737-40. Uitgesproken wordt de bewilliging slechts obreptief, en wel in de Resolutiën van 31 Aug. p. 758.

33. Resolutiën van 24 Aug. p. 738.

34. Resolutiën Staten van Holland, 1618. p. 744-46.

35. Resolutiën Staten van Holland 1618. p. 738, 9.

36. Wagenaar, Vad. Hist. X. p. 239, 40.

37. Dit betwiste punt heb ik in de Bijlagen met nieuwe documenten toegelicht en kan, gelijk men zien zal, na inzage van de Resolutiën der Staten van Holland, geen oogenblik langer onder de twijfelachtige punten der historie worden gerangschikt.

38. Hugo Grotii, Pietas Ordinum, Jo. Patius. Lugduni Batav. 1613. p. 77. Ego vero addo: Non in synodis tantum, sed et de Synodos judicasse Imperatores.

39. H. Grotii, de imperio humanum potestatum circa sacra, p. 25 vv. ed. 4a 1661.

40. Officium Magistratus circa sacrum ministerius. Hagae Comitii. 1562. Scripsit A.C.E.M.G. p. 34 vv. Cf. Joan Acronius, Van de beroepinge der Predicanten. Middelb. 1615. p. 13 vv.

41. Hugo Grotii, Pietas Ordinum. p. 77. „Maar de overheid kent de Schrift niet!”

42. Ibidem. „Dan moet ze de Schrift maar leeren!”

43. Ibidem. p. 78. „Over mijn geweten ik zelf; over een kruiskerk de kerk; over de openbare kerk de Overheid de baas!”

44. Ibidem. p. 64. „Tweehoofdige Staat!”

45. Uytenbogaert, Van het Ampt en het gezag eener kerkelijke Overheid. Cf. Brand. II, p. 117. Leydekker. I, p. 19. Ruard Acronius, Noodwendig vertoogh. p. 35, et Hugo Grotii, de Imperio summarum potestatum circa sacra. p. 3 vv. p. 69. vv.

46. Ruardi Acronii, Nootwendigh vertoogh. l. c. p. 39. Zie uitvoeriger over deze coördinatie: Walaeus, de munere min. Ecclesiae et de Magistratus inspectione circa illud. II. p. 40a vv.

47. Op dit gewichtige punt lette men wel. Eenvoudig door den Magistraat te doen uitvoeren, wat de kerk besloten had, kwam nooit bij onze vaderen op. Cf. „Ne caecus sit alineae sententiae susceptor et administrer” in Polyandri, Walaei, Thysii et Riveti, Synopsis purioris theologiae. p. 735. 30. „Ut haec omnia observet, necesse est, ut intelligat, quae sit vera fides Christiana, ne in re tanti momenti aliquid ex solo aliorum judicio aut arbitrio, sed ex certa sua scientia et fide stabili suscipiat ac discernat.” Ibidem. p. 759. XLI. Cf. Walaei, Opera omnia II, p. 451b.

48. Walaei, Opera omnia. II. p. 37a. „Hulpvaardig en voorkomend.”

49. Walaei, Opera omnia. II. p. 37b.: „Of de eindbeslissing in kerkelijke geschillen bij de Overheid of bij de kerk berust? Ik zeg: ook de Magistraat kan dwalen, en dan zijn de predikanten van Godswege geroepen, om aan allen, en dus ook aan de Overheidspersonen, Gods waarheid te leeren.”

50. Cf. Sopingii, Apol. respons. ad Bonam fidem Lubberti. Franic. 1616, p. 166. Gers. Bucerus, de gubernatione eccles. Middelb. 1618, p. 317. Smoutii. Eendracht enz. Rotterdam, 1608. praef. C. 11. Aenwyzinghe van onbehoorlycke wijze van doen van Smoutius toeeighenbrief, p. 3. Teghenvertoogh der Amsterdamsche Commissie, p. 54. En vooral |46| leze men Ellardus van Mehen, Tractaat van het recht der Kercke, Harderwyck 1616, p. 12, die de tegenstellingen in dezer voege plastisch voorstelt:


Zie de keerzij van den Titel.

51. Ook Balcanqual getuigt, dat de „Suythollandici,” in beslissende oogenblikken ter Synode den toon aangaven. p. 133.

52. Op 8 November, twee dagen na de opening der Synode, sloeg Prins Maurits de laatste hand aan zijn energiek ondernemen, door de verandering van de vroedschap in Den Haag.

53. Act. Syn. Delf ai. 1618. grav. N. 3. Kopie Rijksarchief. fol. 18.

54. Act. Syn. Delf. ai. 1618. grav. N. 3. Kopie Rijksarchief. fol. 8 verso.

55. Dit stuk heb ik na lang zoeken, door de welwillendheid des heeren Hingmans, ten leste onder de „secrete stucken” van de Hoog Mog. H. Staten-Generaal, op het Rijksarchief, gevonden in een pakket: „Verbael van de H.H. Gedelegeerden ter Synodus.”

56. Sessione. V. Act. Synod. fol. 18 en Sess. XI. Act. Synod. fol. 23.

57. Act. Syn. fol. 17. Sess. IV.

58. Walaei, Opera omnia, vita ipsius p. 21a.

59. Zoo b.v. in de Commissie voor de Canones, de gewichtigste van alle, Dr. Walaeus en Polyander. Sessio CXXVIII. Voor de Confessie, even belangrijk, Dr. Thysius. Sessio CLV. Voor de voor- en narede op de Canones, Dr. Walaeus. Sessio CLXXIV. Voor de Commissie bij de Hoogmogende, Dr. Polyander. Sessio CLXXV, enz. En voorts cf. Balcanqual. p. 325 vv.

60. Walaei Vita, Opera omnia. I. p 27a.

61. Ibidem. p. 26a.

62. Walaeus was destijds professor te Middelburg.

63. Act. Syn. Sess. XVIII. fol. 47. „Bijzonder toezicht van de predikanten.”

64. Ibidem. Sess. XIX. fol. 49.

65. Ibidem. Sess. XLV. fol. 169. „De de reformatie der Academie ten doel hadden.”

66. Ibidem.

67. Ibidem. „Zoodanige regeling van de academie, dat er niet weer, als in Arminius’ dagen, verderf door over heel de kerk en heel het land kwam.”

68. Wilten, Kerk. Plakkaatb. I, p. 126.

69. Postacta. Sess. 164. I. 129.

70. De opgave in de Post-acta laat ten onrechte Rolandus uit.

71. Zie Bijlage C.

72. De opgave in de Postacta is ook hier foutief. De assessor Rolandus is daar weggelaten. Maar zijn handteekening staat wel terdege onder het „verbael.”

73. Resolutiën Staten van Holland, 17 Nov. 1618. p. 858 en 859.

74. Act. Syn. Leid. art. 3. fol. 25 verso. Kopie Rijksarchief.

75. Ibidem.

76. „Also Dr. Petrus Bertius ende Gerardus Vossius, gewesene regenten der collegie theologici, ende Casparus Barlaeus onlanghs subregent desselven collegy met verscheyden boecken ende proceduyren, de kercke des Heeren, soo buyten als binnen lants groote ergernissen gegeven hebben, ende dese tegenwoordige Syn: vergadert is, om volgens de resolutie des Syn: Naetionalis te letten op alle die persoonen, die geduyrende dese swaricheden in leere schryven, ende andere proceduyren haer hebben vergrepen, is goetgevonden, de voorn. persoonen voor dese vergaederinge te ontbieden, om met haer te spreecken off sy gesint souden syn, den kercken van dese dingen satisfactie te doen, ende wederomme met d’ selve te versoenen.” Acta Syn. Leid. 1619. Art. 7. fol. 52.

77. Ibidem.

78. Ibidem.

79. Ibidem.

80. Ibidem. fol. 52 verso.

81. Ibidem.

82. Ibidem.

83. Ibidem.

84. Ibidem.

85. Schier offte morgen d.i. heden of morgen. Cf. Kiliaen in voce: schier.

86. Ibidem.

87. „De Syn. alles overwegende ende daerop lettende dat by de heeren Burgemeesteren haer geen expres verboth gedaen was, om niet in naerder verhandelinge met de Synode te treden, ende dat Vossius geen professor en was, dat de actien ende schrifften Petry Berthy hier judiciabel waren, ende dat geen oppositie gemaeckt |61| wierde om Barleus saecke naerder t’ondersoecken, ende dat dese saecken geheel ecclesiastycq syn, dat se alle drie litmaeten waeren van de gereformeerde kercke, heeft goetgevonden met de voorn. persoonen in voorder handelinge te treden.” Ibidem. fol. 72. Cf. Art. 72, 73, 74. Maar ook deze citatie liep op niets uit. Want wel kwam Bertius, maar slechts om te verklaren dat hij, „alsoo hy een suppoost was van de universiteyt tot Leyden, staende onder de judicature van de heeren Curatoren ende Burgemeesteren, tegen d’welcke hy niet en wiste zich vergrepen te hebben, tot noch by d’selve was opgehouden om niet te verschynen, dat d’selve begeerden dat voor dese reyse de saecke onverhandelt bleeff.” Ibidem. fol. 54 verso. Art. 73.

88. Ibidem. fol. 54 verso.

89. Acta Syn. Leid. art. 82. fol. 61 verso.

90. Ibidem.

91. Ibidem.

92. Resolutiën Staten van Holland. ai. 1619. fol. 1177.

93. Ibidem 1178.

94. „Nopende de visitatie der Theologische faculteyt in de academie van Leyden ende des collegy Theologici daer van gesproocken Art. 82 Syn: Leydensis, is goetgevonden dat men alsnoch tot verhoedinge van disputen daer van sal supercederen. Doch sullen de Gedepe. des Syn: wanneer haer de communicatie met haer Ed. Mo. over ’t stuck der kercken ordre moghte ingewillight syn gedencken op het ernstichste te versoecken, dat d’selve visitatie den kercken soo nodich ende dienstigh tot bescherminge ende voorderinge van Godtsaligheyt moghte werden ingewillight.” Act. Syn. Goud. Art. 93. fol. 100.

95. Resol. Staten Holl. 10 Dec. 1619 fol. 1175.

96. Ibidem. fo. 1176.

97. Ibidem. 21 Aug. 1620. fol. 190.

98. Resol. Staten Holl. 10 Dec. 1619 fol. 1175.

99. Resol. Staten van Holland. 19 en 20 Aug. 1620. fol. 186 en 187.

100. Resol. Staten van Holland. 26 Juni 1621. fol. 462.

101. Dat de hoogleeraar N.C. Kist er evenzeer op dit punt in liep, komt ons voor minder toerekenbaar. De Dordtsche periode was diens fort niet.

102. Acta Syn. Rotterd. Ai. 1621 Art. 61, fol. 125.

103. „In godgeleerde evenzeer als in kerkrechtelijke vraagstukken.”

104. Walaei, Opera omnia, II. p. 422. En Acta Gorc. ai 1622, fol 136 v. Art. 11. Dat ze op de Resolutie der Staten van 19 December 1619 doelen, blijkt: 1. uit de woorden „praeeminente ordre”; en 2. uit de uitdrukking: dat de Staten „contrarie-acte” gegeven hadden. Zie de Resolutie boven p. 55, en het antwoord van Professoren in de Bijlagen. Dat het de bedoeling van professoren was, na regeling der correspondentie wèl te teekenen, blijkt uit het woordeke: donec. Er staat toch „certum quandam formulam conscriptam et provisionaliter subsignatam, donec super correspondentia inter Theologicam Facultatem et utramque hujus Provinciae Synodum certi quid Ecclesiis statuendum visum fuerit.” Epist. Syn. Gorc. ad Fac. Theol. Cf. Kerk Arch. IX. 484.

105. Zie dezen brief bij Kist. Kerk. Arch. IX. 485.

106. Acta Syn. Gorc. Art. 11, fol. 136 verso.

107. Het „nog niet” in de slotwoorden is opmerkelijk. Kist heeft in zijn uitgave: „nog te moeten” (Kerk. Archief VIII. 149). Beide laat zich verklaren. Toch is voor „nog” het meeste te zeggen.

108. Walaei, Opera omnia II. 423. Acta Syn. Briel. Art. 9. fol. 152 en Appendix. Dat dit stuk volstrekt niet, gelijk Kist giste, uit den koker van Waleus c.s. komt maar uit den Haag afkomstig is, blijkt met volkomen zekerheid uit het beroep daarin gedaan op de kerk. polit. Wetten van 1591. Ook uit de Act. Syn. Gorc. 1622. Art. 11. Eveneens uit het stil weglaten van de kerkorde van 1618. En bovendien uit geheel de daarin aangenomen casuspositie. Zich op de kerkorde van 1591 beroepen, dat kón Walaeus niet. Dat zou verraad geweest zijn aan heel zijn verleden! Het bewijs, dat het van de Staten herkomstig is, is dan ook aanwezig. Cf. Walaei, Opera omnia. II. 424. Ordinum rescriptum heet het daar. Bovendien is er een ander schrijven van Walaeus bij!

109. Acta Syn. Briel. Art. 9. fol. 152.

110. „Wert goetgevonden, wederom de heeren professoren te vermaenen, dat haer doch gelieve, de goede intentie van de Syn: Nat: te voldoen, ende niet langer weygeren, het formulier ten overstaen selffs van de professoren deser provintien aldaer gestelt te onderteeckenen, volgens het exempel der professoren van andere provintien, specialyck die van Groeningen, dewelcke noeyt hier over gedifficulteert hebben offte eenige andere comparitie op de Syn: vereyst, dan d’welcke in de kercken ordre uytgedruckt staat.” Ibidem fol. 152.

111. Walaei, Opera omnia. II. 40b. „Een hoogleeraar moet in zulke zaken aan zijn superieuren toegeven.”

112. Walaei, Opera omnia. II. p. 424. Zie Bijlagen.

1. Ut Synodorum descriptio circa illa tempora fere instituatur quae Academicis Lect. quam minimum praejudicii afferant, nempe circa ferias Pentecostales aut Augustales.

2. Ut a facultate nostra saltem duo ex Professoribus Synodo intersint.

3. Etsi vero in Synodis Nationalibus pari plane cum caeteris suffragii jure intersint Professoribus, & eodem jure in particularibus Synodis, quando eo loco ubi Academiae sunt, conveniunt, etiam admittuntur: nos tamen de hac re litem nullam movebimus, si placeat Ecclesiam deputatis ut eo tanti quo aliarum Provinciarum deputati intersint, in rebus practicis suffragia deliberativa habeant: sed hoc totum vestro committimus arbitrio. Quemadmodum etiam locum quem sint occupaturi; ita tamen ut speremus Academiae suas praerogativas ratum iri expectamus.

113. Acta Syn. Hag. 1624. Art. 9. fol. 173.

114. Acta Syn. Hag. 1624. Art. 9. Zie Bijlagen. De uitdrukking: „hen niet verder in te laten” is door den hoogleeraar Kist abusievelijk weêrgegeven door: „zich met hen niet verder in te laten.” De beteekenis is: „hen niet verder dan dusver in het Corpus Synodi in te laten.” Admittere in Synodum. Zie Kiliaen, in voce: inlaeten.

115. Ibidem.

116. Acta Syn. Leid. 1629. Art. 11. fol. 279. Men beriep zich daarbij op de kerkordening van 1578. Art. 52.

117. Acta Syn. Leid. 1629. Art. 11 en Art. 1. fol. 279 en 276.

118. Acta Syn. Leid. 1629. Art. 75. fol. 294 sq. Ook dit punt bleef aan Kist geheel onbekend.

119. Acta Syn. Schoonhov. Ai 1630. Art. 28, fol. 310 verso. „Op de correspondentie van de professoren S.S. theologiae in de academie tot Leyden, ende haer E. comparitie in de Synodale vergaderinge van Suythollandt, die jaerlycx naer ouder gewoonte gehouden wert, is verstaen dat de Syn. alsnoch om reden haer daertoe bewegende niet en can condescenderen in de comparitie voornt., maer vint geraeden volgens den 9en Art. Syn: Brilanae t’selve te laeten berusten dies te meer door dien Art. 9en Syn: Hagensis anno 1624 dit wert gerefereert ad Syn: Nat.”

120. Groot Plakkaatboek. I. fol. 281. No. 2.

121. Ibidem. fol. 293.

122. Acta Syn. Rott. Art. 61. fol. 175.

123. Walaei, Opera omnia. II. 450.

124. Ibidem. fol. 433.

125. Ibidem. II. fol. 49. Coll. II. pag. 449 en II. fol. 55 a en b.

126. Ibidem. fol. 396.

127. Polyandri, Orat. fun. Walaei. 5b.

128. Cf. Kerk. Arch. IX. 492.

129. De Moor, Comm. in à Marck. V. 456.

130. Resolutiën Staten van Holl. 21 Juni 1619. fol. 1006.

131. Walaei, Opera omnia. II. 40b.

132. Voetius, Pol. Eccl. IV. 197.

133. Ibidem.

134. Groot Plakkaatboek. III. 542. No. 3.

135. Ibidem. I. 281. No. 2.

136. Kerk. Archief. IX. 490 verso.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000