II. Het verweer.

Wat mij alzoo te bewijzen valt, is: dat de hoogleeraren Walaeus, Polyander, Thysius en Rivet de onderteekening der Dordtsche formule niet geweigerd hebben, uit hoofde zij het standpunt der Dordtsche Synode ten deze afkeurden, maar om redenen die met dat standpunt niets te maken hadden.

Strikt genomen kan ik dit van Rivet niet even stellig bewijzen. Maar wijl de vier professoren in geheel deze zaak „de commun accord” en collegialiter gehandeld hebben, ja, zich opzettelijk verbonden, als faculteitsleden „nooit anders dan met aller medeweten en instemming te handelen”, 1) zal mijn bewijs, indien het ten opzichte van de drie overigen kan geleverd worden, uiteraard ook voor Rivet volkomen afdoende zijn. En daar Walaeus, blijkens zijn brieven, in geheel deze zaak als tolk en woordvoerder der faculteit is opgetreden, 2) zal ik verder kortheidshalve het viertaal eenvoudig aanduiden door: Walaeus c.s.


1. De definitieve stemme.

Als eerste verweermiddel hiervoor nu beroep ik mij op het feit: dat Walaeus c.s. zelven, als stemhebbende leden der Synode, zonder protest, tot de opstelling en uitvaardiging der Dordtsche onderteekeningsformule hebben medegewerkt.


Dit reeds vroeger door mij aangevoerde feit trachtte Dr. Van Toorenenbergen te ontzenuwen door de opmerking, dat de hoogleeraren op de Dordtsche Synode „alleen een adviseerende stem hadden.” |16|

Hij schrijft desaangaande:

Nog heb ik iets te zeggen bij mijn beweren, dat het formulier in kwestie niet door de Professoren Polyander, Thysius en Walaeus mede was vastgesteld. Ik bedoel met dit beweren, dat zij geene concludeerende stem in de „approbatie” van het Formulier hebben gehad, terwijl van hunne adviezen in dezen niets bekend is. De Professoren in de Synode hadden in de Kerkzaken slechts eene adviseerende stem. Dit blijkt duidelijk b.v. in de behandeling van het voorstel tot eene nieuwe Bijbeloverzetting. In de 7de zitting hebben zij na de buitenlandsche Godgeleerden, evenals dezen, hun gevoelen over de noodzakelijkheid van het te ondernemen werk gezegd, en in de 8ste zitting is door de afgevaardigden der Nederlandsche Kerken (Pastores en Seniores) geadviseerd en gestemd. In de 156ste zitting (Post-acta) zijn de artikelen der Kerken-ordening in de substantie van alle de Gedeputeerden, Predikanten en Ouderlingen, van iedere provincie „geapprobeerd.” Dat zoo ook geschied is bij de „approbatie” van het Formulier van onderteekening meen ik te mogen aannemen. Doch ik herhaal hier nog eens: de hoofdzaak, waarom het mij te doen is, is dat in 1620 de professoren te Leiden het door de Synode van Dordrecht vastgestelde onderteekenings-formulier hebben ter zijde gelegd en vervangen door eene „eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring.” 3)

Hiervan nu is, met Dr. Van Toorenenbergens welnemen, blijkens het onwraakbaarst getuigenis der historie, vlak het omgekeerde waar.

Dr. Van Toorenenbergen beweert, dat de hoogleeraren te Dordt in de kerkzaken slechts adviseerende, geen definitieve stem hadden.

Zie nu hier daarentegen, wat de documenten desaangaande melden:


1. „Dat sy (namelijk de theologische professoren) in alle Synoden-Nationaal sonder tegenspreken van eenighe kercke van de heeren Staten syn gheëvoceert, om in de selve, neffens andere leden des Synodi, niet alleen advijs maar ook definitieve stemme te hebben: so wel in de saecken der Leere, als der ordre, ende van particuliere feyten, en wat tot de selve Synode meer behoort.” Aldus de Staten van Holland in 1623. 4)


2. „In synodis nationalibus pari plane cum caeteris suffragii jure intersunt professores.” Aldus Walaeus zélf in 1623. 5) |17|


3. Was reeds op het Haagsche convent in 1607 expresselijk overeengekomen, dat de hoogleeraren op de Synode „definitieve stemmen zouden hebben.” 6)


En 4. schrijft een geconfijt lid der Dordtsche Synode: „De suffragio decisivo Professorum in Synodo Dordracenâ anno 1618, verissimum est quod dicitur.” 7)


Hiermeê is de zaak natuurlijk uitgemaakt en beslist, en blijkt alzoo ten duidelijkste, dat de geachte schrijver een hoogst zonderling anachronisme beging, toen hij „de adviseerende stemmen der Theologische professoren,” uit latere reglementen overbracht naar de Synode van Dordt.

Een vergissing, te onbegrijpelijker, wijl de kundige onderzoeker niet slechts terloops dit gevoelen in zijn pleidooi inlaschte, maar er een hoofdpunt van debat van maakte, dat hem bij mijzelf reeds „berouw” deed veronderstellen, en uit de details van de Dordtsche acten, gelijk hij zich inbeeldde, op afdoende wijze door hem bewezen werd.

Hij meende namelijk in de Acta Synodalia, in het verbaal der 7e en 8e zitting, gelezen te hebben, dat de uitheemsche theologen en de professoren wel advies over de Bijbelvertaling uitbrachten, maar dat alleen de Synodale deputaten er over mochten stemmen.

Dit kón intusschen blijkens de bovenaangehaalde documenten er niet staan, en staat er dan ook niet.

Er staat, volkomen juist: 1. dat men eerst geadviseerd heeft. En wel eerst de theologi magnae Brittaniae; toen de professoren (Cl. D.D. professores sententiam quoque suam prolixe exposuerunt); en daarna de provinciale deputaten (Pastores et Seniores Ecclesiarum Belgicarum suam quoque sententiam dixerunt). En 2. dat men daarna gestemd heeft, zonder dat er, van wie wel of wie niet gestemd hebben, ook maar eenige melding geschiedt (fuit consentientibus omnium suffragiis judicatum). Reeds de vertaling der Acten in den dusgenaamden „Vaderlandschen Procureur” had Dr. Van Toorenenbergen dan ook kunnen toonen, dat de bedoeling der Latijnsche woorden min juist door hem was gevat. 8)

En schier nog ondoeltreffender is zijn beroep op de post-acta der 156e zitting, waar wel zeker staat: dat de kerkorde van den jare 1586 in substantie „door alle de gedeputeerde predikanten en ouderlingen |18| goedgekeurd werd,” maar zóó dat deze op zichzelf bevreemdende bijvoeging kennelijk alleen werd ingelascht, om officiëel te constateeren, dat geen enkele provincie geopponeerd had. Immers, juist toen de post-acta uit werden gegeven, tobden de kerkelijken bitter en bitter met de Staten van onderscheidene provinciën om de kerkorde geapprobeerd te krijgen. En wijl men terecht vreesde, dat dit aan de legale sanctie dezer kerkorde later afbreuk zou doen, poogde men daarom de provinciale Staten althans in moreelen zin te binden, en teekende deswege met opzet in de acten aan, dat „alle synodale deputaten vóór hadden gestemd”.

Blijkbaar vormt Dr. Van Toorenenbergen zich dan ook van de mechaniek der Dordtsche Synode een voorstelling, die door de historische gegevens weêrsproken wordt en geheel in strijd is met de wijze van procedeeren, die oudtijds in vergaderingen placht gevolgd te worden.

T.w. de Synode als zoodanig vormde een corpus (lichaam) met membra (leden). 9) Waar nu dat corpus wettig zitting hield werd „Synode gehouden,” en konden dus ter Synode ook anderen verschijnen; maar die, als geen membra zijnde en dus buiten het corpus staande, dan ook elk synodaal recht van medebeslissing misten. Zoo verschenen ter Synode: 1. de delegaten der Hoog Mogende Heeren Staten Generaal, die geheel buiten het corpus Synodi stonden, 10) en dus wel eigener autoriteit decreten 11) uitvaardigden, maar geen het minste zeggenschap hadden in de judicia Synodi (besluiten), 12) ten opzichte waarvan zij zich met consilia (adviezen) 13) moesten vergenoegen; 2. de geciteerde Remonstranten; 14) en 3. predikanten, doctoren of gemeenteleden, die der Synode iets wilden aanzeggen. 15)

Het corpus Synodi zelf was verdeeld in twee groepen: de Exteri (Uitheemsche) 16) en de Provinciales (Nederlandsche) 17) genoemd.

Elk dezer groepen bestond uit Collegia (Colleges) 18), waarvan de „Exteri” er acht en de „Provinciales” er tien vormden.

Onder deze tien collegia der „Provinciales” nu behoorde ook het collegium professorum Belgicorum, 19) die wel terdege als membra (leden), 20) en dus stemhebbend, ook blijkens de acten, waren toegelaten.

Voor de wijze van stemmen was, gelijk mij uit de Resolutiën der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal bleek, uitdrukkelijk, tegen den zin van Holland in, bepaald, dat men stemmen zou in de bekende orde van: eerst |19| het Moderamen; 21) dan de Exteri; 22) en daarna de Provinciales, 23) met de professoren voorop; 24) en wel, niet hoofdelijk, maar als college, tenzij het ondoenlijk bleek, het college als zoodanig tot een advies te doen komen. 25)

Het denkbeeld om iemand lid van een college te doen zijn en toch van zijn stem te berooven, voorzooveel hij meê tot de deelen van het organisme behoort, is dan ook een innerlijke contradictie, tegen wier insluiping eertijds nog een te gezond rechtsbesef bij onze vaderen waakte, en die eerst later regel werd.

Ook op de particuliere Synoden kwamen wel deputaten voor de correspondentie met andere Synoden, die slechts adviseerden, maar tot het corpus van zulk een Synode behoorden deze dan ook niet. 26)

Er is derhalve geen de minste quaestie van, of ook toen, den 25 Mei 1618, in de 175e zitting der Dordtsche Synode het onderteekeningsformulier voor de Theologische professoren is vastgesteld, hebben de aanwezig zijnde professoren het recht gehad, daartoe mede te werken, zoowel door het uitbrengen van advies, als door definitieve stemming.


Dat nu voorts de heeren Walaeus, Polyander en Thysius metterdaad in deze zitting aanwezig waren, en dus ook hebben gestemd, weten we met zekerheid uit de acten der Synode van Zuid-Holland, die in 1623 te Brielle gehouden werd, en waarin „goed gevonden is, conjunctim de professoren te vermanen, om aan de goede intentie der Synodus (Nationalis) te voldoen, en niet langer te weigeren het formulier, ten overstaan zelfs van de professoren dezer Provincie daar vastgesteld, te onderteekenen”. 27)

En mocht men, nog aarzelend, nader bescheid wenschen over de beteekenis in die dagen aan de woorden „ten overstaan van (praesentibus)” gehecht, dan heeft men slechts bl. 301 van de Dordtsche acten op te slaan, waar we lezen: „Hanc quoque esse Ill. D.D. Ordinum voluntatem, ut confessio . . . praesentibus Theologis exteris relegeretur et examinaretur.” 28) Een |20| zinsneê, die nu niet beteekent, dat de Nederlandsche gedeputeerden het alleen zouden doen en de uitheemsche bij het werk toezien, maar wel terdege zeggen wil, dat de uitheemsche Theologen, „ten wier overstaan de examinatie geschiedde”, zelven hieraan, en wel in de eerste plaats, zouden meêdoen. Gelijk bewezen wordt door wat er onmiddellijk in de Acta Synodi op volgt: „Utque a singulis Synodi membris, tam Exteris tam Provincialibus, libere declararetur,” 29) enz. Immers hieruit volgt, dat ook het onderteekeningsformulier, hetwelk „presentibus professoribus huius provinciae” is opgesteld en aangenomen, „tam a professoribus ipsis quam a caeteris huiusce Synodi membris concepta fuit atque approbata.” 30)


Is hiermeê alzoo voldingend bewezen, dat de heeren Walaeus c.s. present waren in de Synodale zitting, waarin de onderteekeninsformule is vastgesteld, 31) en niet slechts aan de discussie, maar ook aan de stemming er over hebben deelgenomen, dan zou aan onzen geachten bestrijder ter verdediging van zijn bedreigde stelling nog slechts ééne uitvlucht overblijven, t.w. de gissing dat de professoren tegen hadden gestemd.


Ook dien laatsten uitweg echter zijn we verplicht hem af te snijden, en dat wel op de volgende vijf gronden:

1. Overmits Walaeus c.s., meer nog dan Gomarus, de ziel, de tolk en de theologische pleitbezorger der Synode waren, 32) is het reeds op zichzelf volstrekt onwaarschijnlijk, dat men in eene aangelegenheid, hén speciaal betreffende, tegen hun uitgedrukten wil, een zaak zou hebben doorgezet, waarbij men voor de uitvoering geheel en al van hun vrijwillige medewerking zou afhangen.

2. In de Acta Synodi, zoomin in de geschrevene 33) als in de |21| gedrukte, wordt ook maar met een enkel woordeke van professorale oppositie ten deze melding gemaakt. Iets wat, indien er oppositie geweest ware, niet zou kunnen; daar de redactie en uitgave van deze Acta Synodi was opgedragen aan een Commissie van zeven leden, waarin én Walaeus, én Polyander, én Thysius zelf persoonlijk zitting hadden. 34)

3. In de uitvoerige polemiek, die over deze zaak gevoerd is, heeft men zich van den kant der professoren nooit op eenig vroeger door hen ter Synode ingediend verzet tegen deze formule beroepen.

4. De Synode van Den Briel zou, als drangreden tot onderteekening, niet hebben kúnnen aanvoeren, dat de formule „praesentibus professoribus” óp- en vastgesteld was, indien de professoren zich tegen de invoering hadden verzet. Dit beroep der Brielsche Synode toch heeft alleen zin bij de onderstelling, dat de professoren vóór hadden gestemd, en is door de faculteit niet weêrsproken.

5. Op de ter Synode gevoerde oppositie en verzwijging daarvan in de Synodale acten, heeft men zich van Staatsche zij in deze quaestie wel terdege beroepen.

„Hier valt nu alleen dispute, oft de professoren der Theologie oft eenighe uyt haer gesonden, niet en behooren in de Synoden particulier te verschijnen, waervan ooc dispute is gevallen in de leste Synodi Nationael van Dordrecht, ende is hetselve van den meesten deel des Synodi goet ghevonden: hoewel daer naer, deur de haesticheyt, de acte niet soo generael ende dudelick daer en van is ghestelt: waer van de Praeses ende andere genoechsaem kennisse heeft.” 35)

Blijkt hieruit alzoo dat men zeer wel er op bedacht was, om op grond van ter Synode gevoerde oppositie tegen haar besluiten te reageeren; en evenmin tegen een beroep van de Acta op de leden der Synode opzag; dan spreekt het toch wel vanzelf, dat geen man met gezonde zinnen verzuimd zou hebben, om in weerwil van het zwijgen der Acta, desniettemin van deze professorale oppositie, indien ze bestaan had, melding te maken; wijl toch door dit snijdend argument eens voorgoed alle kracht van het tegenbetoog gebroken ware geweest.

Een niet te berde brengen toch van zulk een argument, is in gevallen als het onderhavige, een zoogoed als mathematisch bewijs van het niet bestaan er van, zoodra kan aangetoond, gelijk door ons geschied is, dat men er door de tegenpartij opmerkzaam op was gemaakt, en blijkens het verhandelde in een ander punt, zelf op het hierin gelegen verweermiddel, stel het hád bestaan, verdacht was. |22|

Zoo heb ik dan, zoo streng en strikt mogelijk, bewezen: 1. dat Walaeus c.s. ook in deze zaak niet slechts recht van advies maar ook definitieve stem hadden; 2. dat Walaeus c.s. toen de formule werd vastgesteld ter Synodale zitting aanwezig waren; en 3. dat door hen geen de minste oppositie tegen de formule gevoerd is. Quod erat demonstrandum.

Zelfs zou ik, hoewel ik in dit opzicht niet verder dan een gissing kom, het vermoeden durven wagen, dat niemand anders dan Walaeus zelf de formule met eigen hand heeft opgesteld. 36)

En dat wel, overmits men de formule in extenso opnam onder zijn brieven; de „stylus nervosus” van Walaeus, gelijk zijn biograaf het noemt, 37) uit elken regel spreekt; kieschheid vorderde, dat men de concipieering van dit stuk aan een hoogleeraar opdroeg; en Walaeus, gelijk men weet, zitting had in de geheime Commissie, die, onder Bogermans leiding, de zaken der Synode praepareerde. 38)

Doch deze ver van gewaagde gissing latende voor wat ze is, weten we dan nu althans met volkomen zekerheid, dat de heeren Walaeus, Thysius en Polyander, als stemhebbende leden, zonder zweem van protest, tot de approbatie der Dordtsche onderteekeningsformule hebben medegewerkt.


*

2. „In omnibus” en „vaste revisie”!

Natuurlijk is, welbezien, door het voorafgaande reeds elk middel van aanval aan Dr. Van Toorenenbergen uit de hand geslagen, en zou ik hier reeds dit opstel eindigen kunnen. Immers, een formule, die ik zelf meê hielp vaststellen, kan ik later om alle denkbare redenen verwerpen, dan alleen nooit om het daarin uitgedrukte standpunt.

Wijl het echter in sommige gevallen zijn nut kan hebben, de ongegrondheid van een tegen uw standpunt gekeerden aanval zoo van alle zijden in het licht te stellen, dat heel de historie op uw hand komt, laat ik het hier niet bij, maar zal ik mijn bewijs verveelvuldigen.

En dan diene als tweede verweermiddel: dat het standpunt, waarvoor Dr. Van Toorenenbergen de autoriteit van den naam dezer hoogleeraren |23| inroept, en waaruit hij hun weigering verklaren wil, door deze hoogleeraren niet ingenomen, maar bestreden is.

Ter aantooning hiervan bepaal ik mij tot de twee cardinale punten: t.w.: vooreerst of men de artikelen der confessie per omnia (in omnibus) óf wel slechts quoad substantiam heeft te belijden; en ten andere of de aanvaarding van de belijdenis te Dordt, al dan niet, alleen plaats had met beding van „vrije revisie op elke komende nationale Synode”.

Dit leert Dr. Van Toorenenbergen.

Vooral op die bijvoeging: „in omnibus” of „per omnia” mikte hij steeds zijn pijlen, en wijl nu in de faculteitsformule dit per omnia metterdaad niet voorkomt, achtte hij zich gerechtigd, om zich ook op de heeren Walaeus c.s. als bestrijders van deze „enge”, en als mét hem voorstanders van een „ruimere” formule, te beroepen.

Doch ook hierbij ruilde hij phantasie in voor werkelijkheid, gelijk met volkomen zekerheid blijkt uit de volgende drie feiten:


1. dat de heeren Walaeus c.s. hun schrijven aan de lasthebbers van de Zuid-Hollandsche Synode aanvingen met deze verklaring: „dat sy de leere in de voorschreven formulieren begrepen in alles houden Gods Woort conform te wesen”. 39) Daar is dus het in omnibus wel terdege!


2. dat door de heeren Walaeus c.s. zelven voor de Doctoren in de Theologie een onderteekeningsformule is opgesteld, waarin het „in omnibus” evenzeer voorkomt: „Ego sancte coram Deo profiteor, me agnoscere doctrinam, quae in Ecclesiis ex Verbo Dei reformatis publice docetur, orthodoxam esse scriptisque Propheticis et Apostolicis Conformem, atque ita in ea acquiescere ut in omnibus quae ratione doctrinae Confessioni ecclesiarum belgicarum . . . conveniunt.” 40) Daar is het in omnibus dus nog eens!

Wel merkt Dr. Van Toorenenbergen tegen dit laatste op:

„Dat dezelfde Professoren, die de Synodale onderteekeningsformule ter zijde legden, haar negen jaren later voor de Doctoren in de Theologie verplichtend stelden, is alleszins natuurlijk, daar zij voor de predikanten, die konden gepromoveerd worden, geen aanleiding mochten te weeg brengen, om zich tegen hunne verbintenis als Dienaren der Kerk op eene minder stricte als Doctoren te beroepen. Het Doctoraat was ook als een dienst in de kerk opgenomen. Zie Art. II der Kerkorde.” 41) |24|

Maar ook dit houdt, voor wie doordenkt, in drieërlei opzicht al even weinig steek.

Vooreerst toch is met „Doctoren” in de Kerkorde niet een soort van „wetenschappelijke” titel, maar zijn de „professoren en leeraars (profeten) in de Theologie” bedoeld, 42) die men in den dienst der kerk wilde opnemen en deswege aan de hoogheid der Synode onderwierp. Terwijl omgekeerd de Doctoren, voor wie Walaeus deze formule ontwierp, niets dan „wetenschappelijk gegradueerden” waren, die als zoodanig nog niets hoegenaamd met den dienst der kerk uitstaande hadden.

Ten andere, is het logisch volstrekt onjuist gedacht, alsof een formule bij de kerkelijke autoriteit bezworen, ooit iets van haar kracht verliezen kon, door het later bezweren van een andere formule bij een civiele, militaire of academische autoriteit. Mine non tollit majus!

En wat ten derde alles afdoet: het doel heiligt de middelen niet. En door in éénzelfde polemiek eerst van Walaeus c.s. te schrijven, dat het niet-onderteekenen van de Dordtsche formule voor hen een quaestie van „eerlijkheid” was, en daarna te beweren, dat zij om bijredenen aan anderen oplegden, wat ze voor zichzelven uit beginsel afsloegen, heeft Dr. Van Toorenenbergen een vlek op het karakter dezer mannen gespat, waarvan ik mij beijver, hun goeden naam weêr pro virili te zuiveren.


En 3. het andere punt, waarop ik doelde, betreft „de aanvaarding van de Confessie, niet dan onder beding van „vrije revisie op elke komende Synode nationaal;” en kan kortaf weêrlegd met deze bondige, maar óverduidelijke uitspraak van onze vier hoogleeraren zelven in hun Censure: „En wat de leste conditie raeckt, dat hetghene in sodanige Synoden bestemt is, altijt ghelaten worde onderworpen aan vrije revisie, sulckx vloeit uit dezelve (onzuivere) fonteyne. Want waerlick, dat eens als waarachtig in clare, heilsame ende nootwendighe leerstukken uit Gods Woord is gestelt, dat moet altijd als waerachtig, standvastig ende seecker blijven.” 43)


*

3. „Tot teeckenen bereydt.”

Derde verweermiddel zij: dat in geheel dit geschil van den kant der professoren elk verschil in standpunt ten aanzien der onderteekeningsformulieren als zoodanig volstrekt is uitgesloten. |25|

Hierbij konden we volstaan met een eenvoudige verwijzing naar de stukken, overmits Dr. Van Toorenenbergen wel niet in gebreke zal blijven, het publiek nader in te lichten, indien er metterdaad iets van dien aard in die stukken voorkomen mocht. Door hem, niet door mij is ten deze bewijs te leveren. Maar ook hem zal, bij de poging daartoe, blijken, dat er in al de desbetreffende documenten nergens, ook niet maar met een enkele lettergreep sprake is, hetzij van een beroep op de conscientie, hetzij van de libertas Christiana, hetzij van de autoriteit des Woords tegenover de Confessie, noch ook van recht tot revisie. Kortom dat van alle quaestiën die met het vraagstuk van een stationaire of mobiele leervoorstelling samenhangen, geen enkel punt of onderdeel door Walaeus c.s. wordt aangevoerd; komende alle geschil bij hen uitsluitend neêr op de tegenstelling van subjectie der Academie aan de Staten, of subjectie van de Academie aan de Synode; een antithese die alleen door het invoeren van correspondentie kon uit den weg geruimd. 44)

Toch wil ik ook hier, daar niet elk lezer tijd en lust heeft, om zelf de stukken in te zien, liever de maat vol meten, dan louter te redeneeren e silentio. Daarom wijs ik er ten overvloede nog met een enkel woord op:

1. dat de professoren der overige academiën en illustre scholen in die dagen, wel terdege de Dordtsche formule onderteekend hebben; 45) en dat wel zonder dat er ooit tusschen hen en de Leidsche Theologen, gelijk thans tusschen Dr. Van Toorenenbergen en mij, van verschil in standpunt sprake viel, maar veeleer, na het beslechten te Dordt van Maccovius’ geschil, steeds van harmonie en saâmwerking, zelfs tusschen Sibrandus Lubbertus en Walaeus gebleken is. 46)

2. dat te Dordt onder de leden der Synode slechts van één enkel, door allen ingenomen standpunt opzichtens de formulierquaestie, én tegenover de Remonstranten, én bij de kerkorde, én bij de revisie, 47) én in het verbaal aan |26| de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal, 48) sprake is geweest, en dat voorts Walaeus c.s. onder de meest actieve leden der Synode hebben behoord, die toon en richting voor den arbeid der Synode aangaven, alle stukken van haar uitgegaan voor zooveel noodig zonder aarzeling onderteekenden, 49) en onder het geslacht van Dordt zelf voor de zuiverste uitdrukking van den geest der Synode doorgingen. Reden waarom door niemand, zonder stringent bewijs, van deze mannen beweerd mag, dat zij in zoo ernstig geschil, als waarom Dr. Van Toorenenbergen nog heden ten dage en terecht alle kans op saâmwerking als afgesneden beschouwt, tegen Dordt zouden hebben overgestaan.

En 3., wat de deur tamelijk wel dicht doet, dat Walaeus c.s. zich bereid hadden verklaard, de formule zelfs „met de subjectie aan de Synode particularis te teekenen”, indien hun zitting op die Synode verleend werd.

Reeds in de Synode van Gorcum toch werd anno 1622 gerapporteerd: „dat de professoren al te zamen sich tot de onderteykeninghe bereyt ende willigh hadden verclaert”, indien de zaak met de Staten maar op orde kwam. 50) En toen nu de gecommitteerden van de Brielsche Synode (1623) weder op de Haagsche Synode in 1624 rapporteerden, verklaarden ook in dit rapport de heeren Walaeus c.s., dat zij de onderteekening „soo langhe” moesten weigeren, als „sy niet als leden des Synodi wierden erkent”. 51 Een zegswijs, waarin natuurlijk lag opgesloten, dat ze, wierd aan die voorwaarde voldaan, in de onderteekening wel terdege zouden hebben toegestemd, gelijk dit ons bleek uit de nadere rapportage van H.H. gecommitteerden: „dat de professoren geene swarigheydt souden maken in de onderteyckeninghe, inghevalle men haerEd. ende W. de voorseyde correspondentie maer toeliete.” 52)

Nu moet toch dunkt mij, niet slechts elk lezer, maar ook Dr. Van Toorenenbergen zelf, onmiddellijk gevoelen, dat Walaeus c.s., mannen zonder eer of karakter zouden geweest zijn, indien ze, om der consciëntie wille tegen de |27| formule in verzet gekomen, de laagheid hadden begaan, dit consciëntiebezwaar voor een zetel in de Synode veil te bieden.

Wie uit overtuiging, wijl „er een beginsel in steekt,” en dus om der consciëntie wille eens afsloeg een formule te teekenen, die men hem voorlei, mag ter wille van geen „correspondentie met welke Synode dan ook” over zijn consciëntie-bezwaar heen werken, gelijk onze ouden het noemden, maar moet (gelijk Dr. Van Toorenenbergen hiervan zelf een zoo uitnemend voorbeeld biedt) tegen blijven staan en volharden in dien tegenstand, totdat men hém ten believe die formule zal hebben gewijzigd.


*

4. Subjectie aan de synode!

Als vierde verweermiddel diene: dat door de weigerende partij ten duidelijkste is te kennen gegeven, dat de reden van hun weigering in geheel iets anders dan in het bedoelde verschil in standpunt school.

Ook te dezen opzichte spreken de documenten zoo helder en overtuigend dat overschrijven bewijzen is.

T.w. in hun eerste antwoord aan de Z.-Holl. Synode beijveren de HH. Walaeus c.s. zich om met den breedsten omhaal van woorden toch vooral zeer duidelijk te doen uitkomen, dat hun weigering haar oorzaak niet heeft in eenig verschil van standpunt:

„Dat sy de Leere inde voorgeschreven formuliere begrepen, in alles Gods woort houden conform, ende derhalven geresolveert syn de selve Leere voor te staan, ende by alle gelegentheyt te doceren, mitsgaders de contrarie van die te wederleggen, ghelyck sy oock tot dien eynde alreede (boven de approbatie daer van voor desen tyt tot verscheyden reysen gedaen) de selve formulieren in een boeck doen binden hebben ende met sulcke schriftelicke beloften als boven gheroert, tot onderhoudinghe van de suverheyt der Leere, ende eenstemmicheyt met de Kercke van dese Provincien, hebben onderteeckent. Met voorder intentie van alle degene die haer voortaen in de professie voorseyt ofte Theologische Faculteyt souden byghevoegt worden, de selve formulieren te laten onderteeckenen. Twelck boeck ende onderteeckeninghe in de Archivis van hare Faculteyt sal worden bewaert, om een yder, die sulck soude wettelic versoecken, daer van contentement te doen.” 53)

En na aldus zich van suspicie gezuiverd te hebben, komen ze alsnu tot aanwijzing van het eenig beletsel, dat hen in de onderteekening verhindert; |28| en dat ze alsnu, gelijk we op blz. 13 reeds aanduidden, verklaren gelegen te zijn in de subjectie van de faculteit aan de Z.-Holl. Synode:

„Doch wat aengaet de voorder subjectie aende particuliere Synoden van Suyt ofte Noordhollant van haere personen ende Professie; Antwoordden, dat sy daarvan niet en connen teghenwoordichlyck disponeren, ghemerckt de Mog. Heeren Staten van Hollant, contrarie acte daervan te vooren hebben ghegeven, aende Heeren Curateuren deser Academie, ende den Heeren Burgemeesters deser Stde, die de selve aen den Professoren van de Theologische faculteyt is ter handt ghestelt, om hun selven naer den inhout van dien te reguleren.” 54)

Nogmaals en schier nog duidelijker wordt dit als het eigenlijk en eenig punt in geschil aangeduid door den opsteller van het Concept van Correspondentie; in wiens stuk het heet:

Hier valt nu alleen dispute, oft de Professoren der Theologie oft eenighe uyt haer ghesonden, niet en behooren in de Synoden particulier te verschynen; waervan oock dispute is gevallen in de leste Synode Nationael van Dordrecht, ende is het selve vanden meesten deel des Synodi goet ghevonden: hoewel daer naer deur de haesticheyt, de acte niet soo generael ende dudelick daer van en is ghestelt: waer van den Praeses ende andere genoechsaem kennisse heeft.” 55)

Gelijk we ten overvloede tot geheel dezelfde conclusie komen, door nogmaals de Acta Synodi Hagensis te raadplegen. Immers, wilden de professoren, gelijk boven bewezen is, wél teekenen indien deze subjectie aan de Synode hun door toelating van twee hunner op de Synodale vergaderingen mogelijk werd gemaakt, dan volgt hieruit ook op strikt logische wijze, dat alleen in deze subjectio sub Synodo het beslissend motief van hun weigering lag. 56)


*

5. Verbodt ende interdictie!

Maar hoe afdoende, en als bewijsmacht reeds overdadig dit viertal verweermiddelen ook zijn moge, toch heb ik het argument, dat voor Dr. Van Toorenenbergens redeneering naar ieder zien zal, het doodelijkst is, voor het slot bewaard. Hierin namelijk bestaande, dat de HH. Walaeus c.s. de |29| onderteekening der formule niet geweigerd hebben, omdat ze niet teekenen wilden, maar overmits het hun verboden was door hunne superieuren.

Kan ik dit aantoonen, dan blijft er van den aanval natuurlijk niets over.

Immers hetgeen iemand laat, omdat zijn superieur het hem belet, heeft met zijn eigen wil volstrekt niets uitstaande, en raakt dus noch zijn beginsel noch het standpunt waarop hij staat. Wel het standpunt van dien superieur, maar nooit het zijne, kan dan in zulk een weigering uitkomen. Door het feit zelf van „het verbod” wordt hij persoonlijk van alle verantwoordelijkheid ontslagen.

Kan derhalve bewezen worden, dat zoo ook in casu de HH. Walaeus c.s. zelven openlijk erkend hebben en er voor zijn uitgekomen, dat hun weigering voortsproot uit een verbod van hooger hand, uit een last die hun geworden, uit een interdictie die hun opgelegd was, dan is Dr. Van Toorenenbergens poging om in hun niet-teekenen een verzet hunnerzijds, krachtens een, aan Bogermans fractie vijandig, beginsel, te zien, hiermeê eo ipso onherroepelijk geoordeeld.

En toch is niets lichter.

Slechts neme men inzage van deze vier documenten:


En wel 1. van de verklaring door de HH. Walaeus c.s. mondeling aan de gecommitteerden der Zuid-Hollandsche Synode gegeven, in dezer voege ter Synodale vergadering gerapporteerd:

„Dat de Professoren tot antwoord hadden gegeven: „Dat se immediatelick stonden onder de heeren Curatoren van de Academie; item dat hun door sekere missive van de Ed. Mog. Heeren Staten was gheinterdiceert ende verbooden soodanighe onderteeckeninghe te doen; met welcke interdictie sy sich excuseerden.”” 57)

2. de verklaring door de HH. Walaeus c.s. schriftelijk aan den Leidschen kerkeraad ingezonden en onder de brieven van Walaeus bewaard:

„Dat sy daer van niet en connen teghenwoordichleyk disponeren, ghemerckt de Mog. Heeren Staten van Hollant, contrarie acte daer van te vooren hebben ghegeven aen de Heeren Curateuren deser Academie, ende den Heeren Burgemeesters deser Stede, die de selve aen den Professoren van de Theologische faculteyt is ter handt ghestelt, om hun selven naer den inhout van dien te reguleren, tot dat op de correspondentie van de selve Theologische faculteyt met de respective Synoden, onder goetvinden der voorsz. Mog. Heeren Staten, nader sy gelet: achtervolghens de ordre van de acte ende de praeëminentiën ende coustumen van alle andere Academiën, so wel onder Princen ende Republycken staende, als onder de Kercken van Vrancryck, jae ooc selfs de Kerckenordeninghe deser Provincie, wanneer de Synoden inde Steden daer de Academien syn, werde gehouden”. 58) |30|

3. de verklaring door de HH. Walaeus c.s. eveneens schriftelijk ingediend bij de Synode van den Briel in 1623:

„Etsi vero nos omnes pristina nostra quiete & Academia functione facile contenti simus nec quicquam juris amplius in Synodis hujus Provinciae expetamus aut affectemus, quam antecessores nostri antehac semper sunt usi, quemadmodum Ecclesias quoque nullas alias authoritatem in Academiam expetere speramus, nisi ut veritas & par Ecclesiae in tuto collocetur; tamen quia Nobiliss. DD. Hollandiae & Westphrisiae Ordinibus visum fuit, de strictiore quadam inter utrasque hujus Provinciae Synodos & Academiam hanc, recenter conjunctione, rescriptum mittere, & vobis, rev. D. fratres, in Synodo vestra congregatis idem negotium quoque sincere promovendum visum fuit, ut Deputati vestri nobis testati sunt; quia rem hanc utrinque sincere agi confidimus, nos libenter hac in parte judiciis vestris & D.D. Ordinum placitis non obnitemur” 59).

en 4. de verklaring hunnerzijds ingekomen op de Gorcumsche Synode van 1622, en die aldus luidt:

„Dat de Ed. Mog. Heeren Staten van Hollant en Westfriesland den Professoren voorsz. hadden ter hant gestelt sekere andere acte om hun naar den inhoud van dien te reguleren”. 60)

Reeds op grond hiervan valt dus elke twijfel weg.

Immers, Walaeus c.s. waren blijkens het eigen uitwijzen van deze documenten, niet vrij. Ze zeggen zelven dat ze „over de subjectie aan de Synode voor het tegenwoordige niet konden disponeren”; dat niet zij, maar de Staten de onderteekening aan zekere conditie verbonden, (etsi nos — Ordinum placitis); dat hun een andere acte gegeven was, „om hen naar den inhoud van dien te reguleren”; en om elke tegenspraak af te snijden, „dat de onderteekeninghe hun door de Staten gheinterdiceert en verboden was, in een expresselijk daartoe gezonden missive”.

En kan nu, zoo vragen we in ernst, geheel de stelling, door Dr. Van Toorenenbergen ten deze ingenomen, op meer volslagene en volstrekter de zaak concludeerende wijze omver geworpen worden, dan het door de stellige uitspraak van deze onwraakbare documenten geschiedt?

*

Zoo bleek dan, bij voorloopige resumtie, op grond van een streng historisch bewijs, waarbij stiptelijk de bronnen zijn aangegeven, nu reeds, dat de heeren Walaeus c.s., van wie Dr. Van Toorenenbergen weet te verhalen, dat ze de onderteekening van het formulier der Dordtsche Synode, ter oorzake van verschil van standpunt en dus eerlijkheidshalve, weigerden: |31|

1. zelven op de Synode van Dordt tot de opstelling en uitvaardiging van dit formulier hebben meêgewerkt.

2. het standpunt dat tegen het beginsel van dit formulier overstaat niet beleden, maar bestreden.

3. bij hun weigering van geen afwijkend standpunt met een woord melding maken, maar veeleer tot onderteekening zich bereid verklaarden.

4. verklaard hadden, dat alleen de subjectie aan de Synode provinciaal in den weg stond;

en 5. uitdrukkelijk hebben uitgesproken, dat ze om geen andere reden weigerden te teekenen, dan wijl hun dit door de Staten verboden was.

*

En hiermeê zou ik den onverhoedschen aanval van Dr. Van Toorenenbergen op zijn Gereformeerde landgenooten, dan ook als afgeslagen en mijn verweer als ten einde gebracht kunnen beschouwen, indien een eenigszins nauwkeurig relaas van dit academisch incident, dat ter toelichting van het voorafgaande, en ter aantooning van het onhistorische in heel Dr. Van Toorenenbergens voorstelling, volstrekt onmisbaar is, ons dusver niet ontbrak.

Nu immers moet ik wel beproeven, dit zelf te leveren en geef daarom, te meer daar de quaestie opnieuw actueel wierd; ook al ontbreken mij nog een drietal documenten, die ik vruchteloos zocht op te sporen; 61) kortelijk wat ik vond.

Door niets toch kan ik duidelijker doen uitkomen, hoe volstrekt Dr. Van Toorenenbergen in dit geding onbevoegd was en het recht miste, om anderen op de vingers te komen tikken, en te hunnen laste van „gemis aan bewijskracht” en „groote woorden” te spreken, dan door aan de hand der feiten in het licht te stellen, dat hij zelfs van verre geen vermoeden had van wat er al zoo achter deze quaestie school en in den loop der gebeurtenissen te haren opzichte voorviel.




1. „Decreverunt et observarunt continuo, neminem judicium de religionis controversia, Ecclesiae regimine, sive casu conscientiae, seorsim, sed nonnisi una cum collegis suis, daturum. Walaei vita, in Opera Omnia. p. 27*.

2. „Plerumque tamen voluere Collegae, ut a Walaeo scripta consignarentur, quod ut in loquendo ita et in scribendo maxime nervosus esset.” Ib. p. 31*.

Alsook het schrijven van de faculteit aan de Zuid-Hollandsche Synode in 1623 „nomine facultatis” door Ant. Walaeus gericht. Cf. Zijn brieven. Op. Omnia. p. 423,4.

3. Heraut van 19 Januari 1879.

4. Walaei Opera, p. 423a. Deze uitspraak komt voor in een Concept van Correspondentie, dat op last der Staten van Holland ontworpen, en door de faculteit aan de Synode van Zuid-Holland (1623) is ingediend. Het staat ook afgedrukt in Kerk. Arch. VII, p. 153. Classiek is in dit stuk nog in 1623 het Remonstrantsche beroep op de Politieke Kerkelijke Wetten (Art. 31) van 1591, dat zich alleen door zijn oorsprong uit den Statenkring verklaren laat. Het is stellig niet van Walaeus. Cf. p. 58.

5. Aldus schrijft Walaeus zelf: Opera omnia, p. 424, en wel in een verband, waarin opzettelijk van de tegenstelling tusschen adviseerend en concludeerend stemrecht sprake is. „De professoren stemmen in alles gelijkop met de leden!”

6. Voetius, Pol. Eccl., Tom. IV. p. 197.

7. Ibid. Cf. De Moor, Comment. à Marck. V, 546. „Daarover dat de professoren te Dordt in alles gelijkop stemden, kan geen twijfel bestaan.”

8. Korte historie van de Syn. nat. door den Proc. van de vad. kerk, 1776. p. 13.

9. Acta Synodi, p. 197, 203, 241, 301.

10. Acta Synodi, p. 58.

11. Acta Synodi, p. 59, 81.

12. Acta Synodi, p. 19, 196, 290.

43. Acta Synodi, p. 196.

14. Acta Synodi, p. 16.

15. Acta Synodi, p. 15. Art. 8.

16. Acta Synodi, p. 95, 301.

17. Acta Synodi, p. 95, 301.

18. Acta Synodi, p. 240.

19. Acta Synodi, p. 241.

20. Acta Synodi, p. 23.

21. Acta Synodi, p. 192, 196.

22. Acta Synodi, p. 192, 196.

23. Acta Synodi, p. 192, 196, 81.

24. Acta Synodi, p. 20, 61.

25. Resolutiën Stat. Gen. dd. 15 November 1618. Acta Synodi, p. 317.

26. Onderscheiding tusschen meêstemmen over leerzaken en niet over kerkrechtelijke geschillen, werd wel in 1629 voorgesteld, als eenig overblijvende uitweg, maar werd ook toen, zeer consequent, door de Synode te Schoonhoven in 1630 verworpen. Kopie Rijksarchief fol. 310 verso. Art. 28. Den voorslag vindt men Act. Syn. Goud. 1629. fol. 294. Art. 75.

27. Kerk. Arch. VII. 159. In de veel juister kopie, die het Rijksarchief bezit, staat het woord „nationaal” er bij, en wordt met name op de Groninger professoren gewezen, als die geteekend hadden zonder eenige difficulteit. Fo. 152.

28. Ook wilden de Staten dat de Confessie ten overstaan van de uitheemsche Theologen zou onderzocht worden.

29. „Dat de uitheemsche evengoed als de Provinciale afgevaardigden zouden meêdoen!”

30. „Zoo door de hoogleeraren als door de overige leden ontworpen en aangenomen is.”

31. Walaeus was uit Den Haag, van zijn dienst bij Oldenbarnevelds uitgang, reeds terug. Oldenbarneveld was den 12den Mei onthoofd. Den 26sten Mei werd de formule vastgesteld. En reeds den 13den was Walaeus naar Dordt teruggekeerd. „In sequenti a supplicio die Walaeus Dordracum reversus est et usque ad May finem Synodi negotiis vacavit. Walaei. Opera omnia vita ipsius. p. 26a. Reeds op 22 Mei vinden we hem dan ook in de Post-acta vermeld, zie Wilten, p. 133; Thysius wordt op 13 Mei genoemd, p. 116, en Polyander op 24 Mei, p. 136.

32. Ook Bogerman eerde hem en koos hem in de vaste Commissie, die bij Bogerman aan huis vooruit den gang der Synode regelde. Cf. Polyandri Oratio funebris. p. 2b.

33. Deze zijn expresselijk in het Synodaal archief door mij nagezien.

34. Niet oorspronkelijk, maar later ingekozen, gelijk blijkt uit Walaeus, biographie.

35. Walaei, Opera omnia, II, p. 423.

36. De Commissie der deputaten van Gelderland, Zuyd-Hollant, Zeelandt en Groningen, was alleen belast met het opstellen van het formulier voor de Kerckedienaren. Cf. Post-Acta, Sessie. 162 Ip. 125.

37. Walaei, Opera omnia, Vita ipsius. p. 31b.

38. Polyandri, Orat. fun., W a.l. p. 2b.

39. Walaei, Opera omnia, II, p. 422.

40. N.C. Kist, Kerk. Arch. IX. p. 494.

41. Heraut van 19 Januari 1879.

42. Ut in Ecclesia Pastores praesint, in Scholâ Doctores. Spanheim, Opera, II, col. 1356. Cf. Maresius, Syst. Theol. l. XV. 55. Burmann, de min. novi Test. ordin. et extra ord. 137.

43. Walaei c.s. Censure ofte oordeel. Leiden, 1627. p. 428.

44. Over de „libertas academiae” spreek ik later. Zie p. 72 vv. Dat ze toch secundair ook daarop aandrongen, blijkt uit deze woorden: Speramus quoque omnibus fratribus reliquis, Academiae quoque hujus dignitatem et libertatem, quae ei ad exemplar aliarum Academiarum semper competivit, curae quoque fore ac cordi, ut tanto majori cum fructu labor noster inter Theologiae studiosos et ministerii candidatos occupari etiam deinceps possit. Walaei, Opera omnia, II. p. 424.

45. Kerk. Archief IX. p. 492.

46. Walaei, Opera omnia, II. p. 420. Het uitlaten van de stukken over Maccovius uit de publieke acta der Synode is hiervan een treffend bewijs. Zie Kerk. Archief III, 506, in de prachtige studie van den hoogleeraar Kist over Maccovius’ Twistzaak.

47. Wel viel bij de vaststelling van den tekst der confessie eenig geschil; maar dit betrof niet de revisie. Deze was afgeloopen in de 146e sessie. Cf. Voetius. Pol. eccl. IV. p. 52 vv. et De Moor, Comment. perp. in à Marck, V. p. 373.

48. Het authentieke stuk over de revisie is door mij in het Rijksarchief teruggevonden en afgedrukt in De Heraut. Zie de reeks artikelen over de revisie. Ook het authentieke verbaal is nog in het Rijksarchief voorhanden. Daarop kom ik bij de quaestie der subjectie terug.

49. „Boven de approbatie daarvan voor dezen tijt tot verscheyden reysen gedaen;” schrijven Walaeus c.s. aan de gecommitteerden der Z.-Hollandsche Synode. Cf. Walaei Opera II p. 422. Waaruit dus blijkt, dat zij niet alleen op de Synode onder de Canones hun hand hebben gezet, maar nog meermalen de Dordtsche formule onderteekenden. Immers men vergete niet, dat Walaeus en Thysius destijds ook nog pastoren waren, te Middelburg de een en te Harderwijk de ander.

50. Act. Syn. Gorc. Kopie Rijksarchief p. 137a.

51. Act. Syn. Hag. 1624. Art. 9. Kopie Rijksarchief. p. 167.

52. Ibidem p. 168.

53. Walaei, Opera omnia, II. p. 422.

54. Ibidem.

55. Walaei, Opera omnia, II. p. 423.

56. Acta Syn. Hag. ai. 1624. Art. 9. fol. 168.

57. Copie Act. Syn. Hag. p. 167. Rijksarchief. De tekst door Kist medegedeeld, is ook bij dit citaat onjuist en onvolledig.

58. Walaei, Opera omnia II. p. 422.

59. Ibidem. p. 424.

60. Acta Syn. Gorc. Kopie Rijksarchief art. II. p. 137a.

61. Ik bedoel 1. het verbaal van Dr. Daniël Heinsius, de abactis der delegaten te Dordt, dat wel onder de secrete stukken van het Rijksarchief geregistreerd staat, maar uit het pakket, waarin het zich bevinden moest, spoorloos is verdwenen; 2. den brief door Curatoren aan de Theologische faculteit geschreven, die in het faculteitsarchief ontbreekt; en 3. de missive van de Staten in 1624 aan de Curatoren gezonden, die in de Resolutiën der Staten van Holland niet voorkomt, en evenmin onder de stukken uit dien tijd op het Rijksarchief aanwezig is.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000