De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche Nalatenschap

Verweerschrift

door Dr. A. Kuyper


„Het zij voortaan uitgemaakt, dat men zoo alleen spreken kon, omdat men de moeite niet nam, het naar eisch te onderzoeken.”

Dr. J.J. van Toorenenbergen, De Symbolische Schriften, p. XXV.


Amsterdam, J.H. Kruyt. 1879

a



Tot mijn leedwezen bleef deze Studie langer in de pen, dan oorspronkelijk mijn voornemen was. Een tijdelijke ongesteldheid, die mij het gebruik der rechterhand benam en dus allen schriftelijken arbeid onmogelijk maakte, was hiervan oorzaak. Met die dagen van werkeloosheid in de archiefkamer door te brengen, heb ik getracht dit uitstel in tijd door meerdere grondigheid van onderzoek te vergoeden.

Ten overvloede zij hier nog bijgevoegd, dat ik niet dan hoog noode tegen Dr. Van Toorenenbergen de pen opnam. Persoonlijke betrekking en herinnering van vroegere welwillendheid maakte mij dit al even pijnlijk als de achting, die ik voor zijn wetenschappelijke verdiensten koester. Al wist ik sinds lang dan ook, dat Dr. Van Toorenenbergens inzicht in de Dordtsche periode niet wel verdedigbaar was, en al had ik dit op de Predikantenvereeniging van ’70 reeds onverholen uitgesproken, toch heb ik mij steeds gewacht om publiekelijk deze leemte in zijn verre van alledaagsche studiën aan te toonen. Er bestond, zoo meende ik, geen reden, om den man van positie en jaren deze verdrietelijkheid aan te doen, tenzij hij er zelf toe dwong.

En nu hij mij dan geen andere keus liet, en ik dus tegen wil en dank mij genoodzaakt zag, te toonen dat ik voor de ongeschonden eere van een mij heilig beginsel, moet het, des noods zelfs mijn ongeveinsde achting voor dezen broeder kan laten wijken, heb ik mij dan ten minste toch beijverd, mijn geëerden tegenstander niet ánders te bejegenen, dan ik mij, was ik de aanvaller geweest, zelf het verweer zijnerzijds zou wenschen, d.w.z. „streng wetenschappelijk en zonder beleedigend sparen gracieus!”


den Haag, April 1879.

K.




I. De Aanval.

Polyander, Walaeus, Thysius en Rivet, die, in de periode vlak na de Dordtsche Synode, de Leidsche catheders in de godgeleerdheid bezetten, waren mannen, over wie zeer onderscheidenlijk geoordeeld is.

Vondel noemt ze: „Vier ezels zotter dan de zotheid, die wel aan de blauwe steen, maar niet van de leuterkei gesneden waren”, en ontziet zich niet de Staten van Holland tot hun afzetting aan te prikkelen, in dit ver van fraaie tetrastichon:

„’t Is best die boeven af te danken,
Zij grijpen naar der Staten staf,
Best maakt m’ er verkensdrijvers af,
Gemest met spoeling en met draf." 1)

En met dit oordeel van Roomschen kant rijmt tamelijk wel de opinie der Remonstranten in hun Nulliteyten, waar letterlijk te lezen staat: „Polyander met zijn heymelicke, achterbacsche, redelooze bitterheyt, baetsoeckerie ende albestiericheyt; Walaeus met zijn openbare ende notoire scheurziecte; en Thysius met zijn onwetende onbeschaemtheyt.” 2)

Toch valt hieruit nog bijster weinig over de wezenlijke beteekenis van dit viertal theologen op te maken, overmits de Remonstranten hen tot duchtige wederpartijders hadden, en de Roomschen, in het begin der zeventiende |10| eeuw, bij het Arminianisme zoo volop wol sponnen, dat tijdens Arminius’ professoraat geen Gereformeerde boeken te Leiden schier meer aan de studenten te verkoopen waren, en daarentegen de exegetische geschriften der Jesuïeten uitnemend aftrek vonden; 3) te Weesp b.v. bijna geheel de Magistratuur nog in 1622 paepsch was; 4) ja, in de kerk zelve het bederf reeds weêr derwijs insloop, dat men te Gouda een nieuw Catechismus-opstel invoerde, en een predikant in den ring van Delft zelfs ongemerkt den Heidelberger door den Roomschen Catechismus van Petrus Canisius zocht te vervangen. 5)

Althans gunstiger; zonder daarom nog warm voor hen te worden; oordeelt dan ook J.J. van Toorenenbergen, die, nog onlangs, soberlijk, maar toch met klem van hen schreef: „De professoren te Leiden in 1620 waren mannen, die eenigen eerbied van het nageslacht verdienen!” 6) Een dunk die nog wel aanmerkelijk blijft beneden den bezielden lof en den innigen dank, waarmeê de Gereformeerden dusver de nagedachtenis van dit schitterend viertal in eere hielden, maar die toch van te edele waardeering getuigt, om zonder tegenspraak, in strijd met de historie, nu voorts door dezen zelfden Van Toorenenbergen hun naam aan een streven te laten verbinden, dat door geheel hun bedrijf en verschijning, door hun woord en levensopvatting weêrsproken wordt.

En toch, dit is geschied.

Toen namelijk in het laatst des vorigen jaars door de „Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag”, in artikel 2 van haar Statuten was geschreven, „dat ze het onderwijs in de H. Godgeleerdheid wenschte te doen rusten op de drie formulieren van eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Synode-nationaal van Dordrecht zijn vastgesteld, in maniere als door gemelde Synode blijkens haar eigen handelingen en haar acten het gezag van deze formulieren is bedoeld”, heeft Dr. J.J. van Toorenenbergen zich ongevraagd gedrongen gevoeld, tegen deze bepaling op te treden, en tegen haar het onder Gereformeerden welbevestigd gezag opgeroepen van bovengenoemde hoogleeraren.

Zijn redebeleid bij dezen aanval was als volgt:

De Synode van 1619 heeft een onderteekeningsacte opgesteld, die door de Theologische professoren ten blijke van hunne instemming met de formulieren van eenigheid moest onderschreven worden. Tot onderschrijving van |11| deze acte zijn Walaeus, Polyander, Thysius en Rivet intusschen niet overgegaan, maar wel hebben ze een door henzelven opgestelde acte onderteekend. En overmits nu op de wel door hen onderschrevene acte een schroef minder zit dan op de acte, die ze niet onderschreven, zoo waant Dr. Van Toorenenbergen hieruit op de mogen maken, dat zij de Dordtsche onderteekeningsformule niet genoeg eenvoudig, niet eerlijk en niet ruim vonden; en dat ze derhalve uit dien hoofde de kortere acte, als wél eenvoudig, wél eerlijk en wél ruim, met hun naam onderteekenden.

Dat dit werkelijk Dr. Van Toorenenbergens bedoeling was kan niet beter blijken dan uit de overschrijving van zijn eigen woorden:

Daarin „steekt een beginsel”, zegt de Heraut. Gewis. Het beginsel namelijk van eene onderwerping aan eene stationaire leervoorstelling, zooals die met „de Gereformeerde beginselen” moeielijk te vereenigen schijnt. Het aangehaalde artikel spreekt van „de bedoelingen der Synode van Dordrecht”, edoch, daar wij niet naar geheime Synodale Acten, die ons onbekend hadden kunnen blijven, maar alleen naar de openbare handelingen der Vergadering worden verwezen, zoo moeten wij aannemen, dat ook nu nog in de Amsterdamsche faculteit ieder hoogleeraar zal hebben te verklaren, „in goede consciëntie voor God te gevoelen en te gelooven, dat alle Articulen en Stukken der Leer” in de Formulieren „in alles met Gods Woord overeenkomen” en dat hem verboden zal zijn „tegen de Leere der drie formulieren verscheydene consideratiën ofte gevoelens voor te stellen, openlijk noch heymelick.” Vanzelf vervalt, dat hij daarop eerst het goedachten van de kerkelijke overheid zal moeten verkrijgen!

De professoren te Leiden in 1620 waren mannen, die eenigen eerbied van het nageslacht verdienen: Johannes Polyander, Andreas Rivet, Antonius Walaeus, Antonius Thysius. Zij hebben geen vrijheid gevonden en ook niet van Curatoren kunnen verkrijgen, om de door de Synode geëischte verbintenis te onderteekenen, maar hebben zich bepaald tot eene onderteekening van de verklaring, dat zij „de leer, in de genoemde Schriften vervat, als rechtzinnig en met de Heilige Schrift overeenstemmende erkenden en haar daarom wilden leeren en verdedigen.” Deze verklaring is sedert dien tijd in de Leidsche faculteit steeds gevorderd van de in haar optredende hoogleeraren: de verbintenis, door de Synode opgelegd, is daar nooit aangenomen. De reden was deze: daar de hoogleeraren geen zitting hadden in de Provinciale Synode, aan welke zij zich moesten onderwerpen, achtten de genoemde achtbare mannen, in overeenstemming met Curatoren, den band, waaraan zij gelegd werden, onbetamelijk. Doch dit daargelaten, verzuime men niet op te merken, dat inderdaad bij de Leidsche faculteit het door de Synode „blijkens hare acte” bepaalde werd vervangen door eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring. Daarin steekt ook een beginsel. 7)

Immers, dat Polyander, Walaeus, Thysius en Rivet de Dordtsche formule metterdaad terzijlegden en een andere acte teekenden, is een feit, dat niemand aan Dr. Van Toorenenbergen betwist; en het punt in geschil, waarop het aankomt, is dus alleen maar: of zij de Dordtsche formule ongeteekend lieten, overmits hun consciëntie hen, ter wille van den inhoud, het onderteekenen er van verbood, of wel overmits ze dit om bijoorzaken niet mochten. |12|

Dat ze niet teekenden, staat vast. Maar nu kan dit niet-teekenen óf veroorzaakt zijn doordien ze zelven, om des beginsels wille, op die formule tegen hadden, óf ook doordien zij, hoewel er zelven mede instemmend, van onderteekening weêrhouden werden door bijredenen of door een macht buiten hen.

Weigerden ze, overmits hun consciëntie hen verbood, onder zulk een formule hun naam te zetten, natuurlijk dan staat het hiermeê vast, dat ze feitelijk het standpunt hebben afgekeurd, dat in de Dordtsche acte wordt ingenomen, en dus ook met goed recht door Dr. Van Toorenenbergen mochten geciteerd worden als autoriteiten door wie dat standpunt werd bestreden.

Bleek het daarentegen, dat ze, noch tegen de formule zelve noch tegen het daarin tot uitdrukking gekomen standpunt, persoonlijk bezwaar hadden, maar b.v. van hun superieuren last ontvingen, om de onderteekening te weigeren, dan zou een beroep op hun naam ter bestrijding van dit standpunt blijkbaar niets minder dan ongeoorloofd reconstrueeren der historie zijn, waartegen verweer plicht is voor wie dat bestreden standpunt in beginsel aanvaardt.

Dat nu metterdaad Dr. Van Toorenenbergen niet gemeend noch bedoeld heeft te schrijven: „Ze weigerden te teekenen, wijl ze niet mochten”; maar wel terdege: „Ze weigerden te teekenen wijl ze zelven teekenen voor ongeoorloofd hielden”, spreekt zich op ondubbelzinnige wijs uit in zijn zeer duidelijke woorden: „Zij hebben geen vrijheid gevonden en ook niet van Curatoren kunnen verkrijgen, om de door de Synode geëischte verbintenis te onderteekenen.” Immers „geen vrijheid tot iets vinden,” beteekent in onze goede volkstaal en kán niet anders beteekenen, dan: „Geen vrijheid vinden in zijn overtuiging, in zijn plichtsbesef of in zijn consciëntie”. Blijkt sterker nog uit de, door Dr. Van Toorenenbergen zelf gecursiveerde, woorden, dat de wél door hen geteekende formule „eenvoudig, eerlijk en ruim” was; door welke tegenstelling de niet-geteekende acte noodzakelijk als in der professoren oordeel niet eenvoudig, niet eerlijk en niet ruim gequalificeerd wordt. Blijkt niet minder uit zijn beweren, dat in de weigering dezer professoren „een beginsel steekt”, waarmeê hij zich van harte homogeen verklaart, en dat hij in toepassing op zichzelven met de woorden inleidt: „Voldoet dit (het door hen kwansuis bestreden standpunt) aan den eisch van onze consciëntie?” 8) En blijkt ten slotte op de overtuigendste wijze uit geheel de opzetting van deze polemiek, overmits Dr. Van Toorenenbergen, bijaldien hij de oorzaak der weigering niet bij de professoren zelven had gezocht, maar bij de Staten, dan ook tegenover Dordt de autoriteit van die Staten, en niet het gezag van deze professoren had moeten inroepen. |13|

Hiermeê echter zou de geleerde onderzoeker zijn doel volslagen gemist hebben.

Immers het was er hem om te doen, om aan te toonen, dat dit „eenvoudige, eerlijke, ruime standpunt” (t.w. het standpunt dat hij zelf inneemt) zuiverder Gereformeerd was dan het „min eenvoudige, min eerlijke en min ruime”, dat in navolging van Dordt door mijne vrienden en mij wordt ingenomen. Daarvoor kwam het er dus op aan, autoriteiten van ongerept-Gereformeerden naam tegenover Dordt, en onder het schild van Dordt, tegenover ons te kunnen stellen. En wijl nu de Staten van Holland en West-Friesland voor zulk een Gereformeerden leendienst elken titel misten; maar het viertal van Polyander, Walaeus, Thysius en Rivet ruimschoots en te over elken titel hiervoor bezat; — zoo volgt hieruit dat Dr. Van Toorenenbergens aanval slot noch zin zou hebben, indien men onderstellen ging, dat de oorzaak der weigering door hem niet bij de professoren, maar bij de Staten, was gezocht.

Al viel er dan ook later bij Dr. Van Toorenenbergen zekere kentering te dien opzichte waar te nemen, vast staat thans uit zijn eigen woorden, dat de door hem gestelde casuspositie wel terdege op het beweren neêrkomt: „Het viertal weigerde ter oorzake dat zij het standpunt der Dordtsche onderteekeningsformule afkeurden.” 9)

Vooral het woordeke „eerlijk” is ten deze beslissend. Want van tweeën één: óf het viertal oordeelde dat de Dordtsche formule wel eerlijk was, óf wel het hield die voor on-, min of niet eerlijk.

In het eerste geval nu (dat ze h.i. wel eerlijk was), zou Dr. Van Toorenenbergens qualificatie, om de kortere acte, als „de eerlijke”, van de Dordtsche, die dan óók eerlijk zou zijn, te onderscheiden, zichzelve ongerijmd maken. En bij de tweede onderstelling (van haar mindere eerlijkheid, naar het oordeel van Walaeus c.s.) zou het missen van den moed, om als mannen van eer dan ook eigener autoriteit de onderteekening te weigeren, een ook door Dr. Van Toorenenbergen niet bedoelde smet werpen op hun zedelijk karakter.

Er is derhalve geen twijfel aan, of Dr. Van Toorenenbergen stelt in zijn pleidooi het tweeërlei standpunt, dat onze kerk tegenover haar leer kan innemen, t.w. het objectieve en het subjectieve, tegenover elkander; omschrijft dan het eerste min juist, „als onderwerping aan een stationaire leervoorstelling”; toont verder aan, dat de Gereformeerden zich te Dordt op dit objectieve standpunt plaatsten en dat de huidendaagsche Gereformeerden dit nog doen; |14| maar om nu voorts zelf met beslistheid dit gewraakte standpunt te verwerpen; en, ten betooge dat deze verwerping geen „nieuwigheid” is, een Polyander, Walaeus, Thysius en Rivet tot getuigen op te roepen, als die reeds in de dagen van Dordt zelven, tot evengelijke verwerping overgingen.

Dat ik in deze aanduiding van het geschil ditmaal eenigszins nauwkeuriger te werk ga, houde men mij ten goede. Want reeds op zichzelf is, zonder voorafgaande duidelijke uiteenzetting van het punt, waarover het geschil loopt, geen voor den lezer helder betoog in zoo fijn geschil te leveren. Maar bovendien straalt er in een later stuk van Dr. Van Toorenenbergen, gelijk ik zei, reeds zeker besef door van de mindere verdedigbaarheid der door hem ingenomen stelling, waardoor de zaak zich nu licht verwarren kon, en waarmeê ik toch niet mocht rekenen, doordien er geen zweem of schijn van herroeping bij staat, en het stuk veeleer besloten wordt met een zeer nadrukkelijke handhaving van het eerst door hem geschrevene, onder opzettelijke herhaling van dat „eenvoudig, eerlijk en ruim”. 10) Te meer nu daar Dr. Van Toorenenbergen dit tweede stuk, blijkens zijn eigen woorden, uitdrukkelijk schreef met het doel, „om den indruk van zijn eerste stuk bij zijn kundige lezers door mijn tegenspraak, waarvan ik z.i. wel reeds berouw zal hebben, niet te loor te laten gaan,” ben ik dus in mijn onbetwistbaar recht, door van deze bedekte zwenking geen notitie te nemen, en het geschil met Dr. Van Toorenenbergen onder de oogen te zien, in dien eenigen, principiëelen vorm, waarin het Dr. Van Toorenenbergens aanval wettigt; door hemzelven oorspronkelijk op het tapijt is gebracht; en voor mij de inspanning van het verweer loont.

Bij dat verweer zal ik mij beijveren om ook in Dr. Van Toorenenbergens oog mijn aanspraak op den naam van wetenschappelijk man, dien ik z.i. bijna, door mijn weêrspreken van zijn oordeel, kwijt was, nu niet ganschelijk te verliezen. 11)

De dusver in deze quaestie gewisselde stukken staan in de Haarl. Courant van 6 Januari, in De Heraut van 12 Januari, in de Haarl. Courant van 17 Januari en in De Heraut van den 19 dito. Men vindt ze, opdat de lezer tot eigen oordeel in staat zij, hier achter afgedrukt. 12) Dat ik thans den strijd uit de bladen naar een vlugschrift overbreng, is wijl Dr. Van Toorenenbergen zich van de minkundigen op de deskundigen heeft beroepen, en ik dit objectief historisch debat ook mijnerzijds nu wel eens aan het oordeel van mannen als Fruin, Jorissen, Acquoy, Wijnne enz., die geen godsdienstig weekblad als De Heraut lezen, onderwerpen wil.




1. De Boerencatechismus. Gesprek tusschen boer en student.” Ed. Roelants, Schiedam, I p. 268. Het doelt op de quaestie van den schutterseed, waarbij men het advies der Leidsche faculteit had ingeroepen.

2. Dwinglo, De Nulliteyten des Nationalen Synodi. Enchuizen, 1622, p. 67.

3. Synodaal Archief, VI. 1.

4. Resol. Staten Holl. 5 Jan. 1622, fol. 617.

5. Zie over den invloed van dezen Catechismus ook Acta Syn. Delf. Ai. 1587. Art. 56. Fol. 67. Kopie Rijksarchief, 100 a en b.

6. Stemmen v. W. en Vr. 1878. Dec. Geref. Brieven, p. 640.

7. Stemmen v. W. en Vr., 1878, p. 639.

8. Stemmen v. W. en Vr., l.c. 638.

9. In de al- of niet subjectie aan de Prov. Synode kan het in Dr. Van Toorenenbergens redebeleid uiteraard nog minder schuilen. Dan toch ging elk punt ter vergelijking met de nieuwe Universiteit ganschelijk voor hem te loor, waarvan hij toch zelf schrijft: „Vanzelf vervalt dat hij hierop het goedachten zal moeten verkrijgen van de kerkelijke overheid.” Stemmen v. W. en Vr. p. 638.

10. Heraut van 19 Januari 1879.

11. Zie Haarl. Courant van 16 Januari 1879.

12. Zie Bijlage D.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000