De Hedendaagsche Schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de Gemeente des levenden Gods

Rede bij het overdragen van het rectoraat der Vrije Universiteit gehouden den 20sten October 1881

door Dr. A. Kuyper

Amsterdam (J.H. Kruyt) 1881



Hoogachtbare Heeren Directeuren onzer Vereeniging,

Hooggeachte Heeren Curatoren onzer Universiteit,

Hooggeleerde Heeren Hoogleeraren der onderscheidene faculteiten,

ZeerGeleerde Heeren, Doctoren van verschillende wetenschappen,

Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,

WelEdele Heeren Studenten,

En voorts gij allen die van wat naam of rang ook herwaarts opkwaamt om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren,

Zeer geachte en zeer gewenschte toehoorders!



Naar oud gebruik zal het ook aan onze Universiteit ten regel gelden, dat bij de overdracht van het rectoraat een rede worde uitgesproken; liefst door elk rector uit zijn eigen vak. Aan dien regel wensch ook ik mij te onderwerpen, en zoo ga dan aan de annales academici en de begroeting van den nieuwen rector ditmaal een rede vooraf over: De hedendaagsche Schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. Diep ben ik doordrongen van het gewicht der taak, door die keuze van onderwerp op mij gelegd; ik gevoel wat eisch van bescheidenheid tot mij komt, nu ik het waag van zoo gevierde en zoo talentvolle vakgenooten, veelal verre mijn meerdeen, te verschillen; meer moed dan mijn eigen hart opgeeft weet ik noodig te hebben, waar ik den arm zoo forsch, zoo driest tegen den stroom der gangbare meeningen in durf slaan; maar mag ik anders, waar de nood der Gemeente mij spreken tot geloofsplicht stelt? ik voeg er bij, verwacht gij het anders, waar toch meer dan één op een antwoord dezerzijds over dit hoofdpunt in den strijd der geesten reeds sinds maanden drong? Welnu het is nu eenmaal onze overtuiging; een overtuiging die we met een ernstig beroep op uw welwillend oordeel, maar toch ook zonder zweem van onvastheid uitspreken; dat de hedendaagsche Schriftcritiek dáárom zoo verderfelijk is voor de Gemeente des levenden Gods, overmits ze haar theologie opheft, haar Bijbel wegrooft, en haar vrijheid in Christus vernietigt. Mag ik voor de ontwikkeling dier drie stellingen dan uw aandacht vragen als ik u ga aantoonen hoe de critiek der H. Schrift, gelijk die heden |6| ten dage aan schier alle Protestantsche universiteiten van Europa’s vasteland gedreven wordt,

moet uitloopen op een doodbloeden der theologie;

niet kan doorgaan zonder aan de Gemeente haar Heilige Schrifture te ontrooven; en

eindigen zal met haar weerloos over te leveren in de armen van het ondraaglijkst, wijl intellectuëel, clericalisme.

Hij, voor wiens eere ik mij diep ootmoedig buig en voor den welstand van Wiens gemeente ik opkom, zij daarbij de bezieler van mijn woord en de oordeelaar mijner gedachten; en zoo sta dan ook bij deze plechtigheid onze hulpe in den naam des Heeren Heeren, den Rotssteen onzer sterkte en onzes levens Kracht!


I.

De hedendaagsche Schriftcritiek rukt de deelen der theologie uit hun verband; schendt haar karakter; en stelt er iets dat geen theologie is voor in plaats, — dus luidt de drievuldige klacht waarin ik het eerste deel mijner rede afhandel, de stelling betoogend, dat de hedendaagsche Schriftcritiek uit moet loopen op vernietiging van de theologie.

Godgeleerdheid is een wetenschap, die ook al biedt ze analogie met de wijsbegeerte en de zielkunde, toch daarin, naar beginsel, van alle overige wetenschappen onderscheiden is, dat ze zich verdiept in de kennis, niet van het creatuur, maar van den Creator; dus van een God, die juist als Schepper niet in het kader van het creatuurlijke vallen kán. Het voorwerp waarop zij zich richt is God. Niet God en nog iets, met Hem gecoördineerd; maar God alleen, en onder Hem het schepsel slechts voor zóóver meegerekend, als het, òf de kennisse Gods instrumenteel openbaart, óf wel die kennisse, Gode tot glorie, in zich opneemt. In de anthropologie is de mensch het centrum en komt de Almachtige slechts als verklaring van het godsdienstig besef in aanmerking; maar in de theologie is het centrum God zelf en mag er van den mensch nooit anders sprake zijn, dan voor zoover God hem gebruikt om Zijns zelfs wil. — Voorts in alle andere wetenschap is het de mensch, die waarnemend en denkend zijn object doorzoekt en het dus onderwerpt aan zich, maar in de theologie is het object zelf actief; staat niet open, maar geeft zich te zien; laat zich niet doorzoeken, maar openbaart zich; en gebruikt den denkenden mensch slechts als instrument om de kennis van zijn Wezen te doen schitteren. De belijdenis dus van God, den |7| Heiligen Geest, óók als Ò 1g`8@(@H, Ecclesiae Doctor; ?Û*gÂH (D @Ç*g< J J@Ø 1g@Øs gÆ :¬ JÎ B<gØ:" J@Ø 1g@Øs JÎ (D B<gØ:" ¦DgL<” J BV<J"s 6" J $"h0 J@Ø 1g@Ø 1); en alle echte theologie is alzoo in haar wezen één schoon gebouw, dat door alle eeuwen en onder alle natiën naar één vast bestek wordt opgetrokken door dien Spiritus architectonicus, dien wij, ons noemende theologen, slechts als opperlieden ten dienste staan. — En eindelijk de theologie is niet als andere wetenschappen geboren uit het motief van den nood of uit de drift naar weten, maar uit drang van den Heiligen Geest. God bedoelt iets met ons theologie te schenken. Hij wil dat de kennis van zijn Wezen er door bij ons inga; in de voren van ons gemoed gezonken, ontkieme; en ontkiemd, vrucht drage tot Zijns naams eer. Een stellige (positieve), wetenschap dus, waarin zoowel voorwerp als doel, niet eerst gezocht worden, maar vooruit gesteld (posita) zijn; in oorsprong, ontwikkelingskracht en richting bepaald door eenzelfde beginsel: den Zichzelf openbarenden God. Naar Thomas’ uitspraak: „a Deo docetur Deum docet, ad Deum ducit;” of liever met de woorden van een vaderlandsch godgeleerde: „Een theoloog is Ò JV J@Ø 1g@Ø ¦6 1g@Ø ¦<fB4@< 1g@Ø gÆH *@>< 1g@Ø 8X(T<.

Wil men dus ook in de godgeleerdheid onderscheiden tusschen studievakken, die haar hart raken en studievakken die een ondergeschikte plaats innemen, dan beslist bij die schifting in hoofd- en nevenvakken de kortere of verdere afstand waarop die vakken van dit theologische centrum liggen. Haar hart is derhalve de dogmatiek en het verst naar den omtrek liggen de critisch-letterkundige studiën, met in vaste constellatie de uitlegkunde, de practische godgeleerdheid en de kerkhistorie om het centrum heen. Juiste verhouding eischt alzoo dat de krachten der beste theologen en de beste krachten van de meeste theologen zich aan dien centralen, geestelijken arbeid toewijden, en dat slechts een deel dier kracht en een evenredig gering deel van dien tijd, besteed worde aan het bloot letterkundige. Zóó ligt het normale verband der deelen gelijk het door het wezen zelf der theologie, krachtens haar beginsel, encyclopaedisch bepaald wordt. Maar juist dit verband nu rukt de hedendaagsche Schriftstudie geheel uiteen; keert deze in de oeconomie der godgeleerdheid liggende orde om; maakt het ondergeschikte hoofdzaak; onttrekt voor wat in den omtrek ligt de schoonste krachten, knapste koppen en beste uren aan de centrale studie der Theologie, en is alzoo oorzaak dat er een monsterachtig hydrocephaal, het kind met het waterhoofd, uit worde. Of wilt ge edeler beeld, spreek dan bij den aangerechten disch van een lijnwaad waarin alle draden geteld zijn en op dat lijnwaad van gouden drinkschalen, waarvan men elk vlekje en elk |8| krasje op het zorgvuldigst heeft opgeteekend, doch waarin, tot terging van de aanzittende gasten, de perelende wijn ontbreekt.

Mag dit nu gedoogd? Zie, vooral naar de pleitbezorgers van deze vivisectie der schrift ons telkens herhalen, is de kennisse Gods óók uit het rijke leven van de natuur en van den mensch. De theologie handelt dientengevolge ook van de Schepping. Maar wat zoudt ge nu oordeelen van den Godgeleerde die aan de creatie toegekomen, deswege zonder zelfbeheersching eerst het beste van zijn krachten verspillen ging aan een breed opgezette geologie? De theologie stelt een Incarnatie des Woords; zullen daarom onze theologen, eer ze aan de Christologie toekomen, zich vooraf verdiepen moeten in breede physiologische en gynaecologische studiën over ’s menschen ontvangenis en embryonisch bestaan? Ook de menschelijke persoonlijkheid trekt door haar diorama; is daarom theoloog de man die tijd en kracht in anatomische, pathologische en physiologische studiën verteert? Zal men geheel den strijd over het materialisme, chemisch en geologisch, microscopisch en dialectisch achter zich moeten hebben, eer men als theoloog met de ziel als bestaande mag rekenen? De Theologie belijdt een wederopstanding des vleesches; moet ze daarom, eer ze in haar hope geniet, chemisch de grens opsporen die het nutritieve in ons lichaam van het organisch substraat onderscheidt? Of, om niet meer te noemen, van een catastrophe gewaagt de theologie die ons het eind der dingen zal brengen; is ze nu daarom geoordeeld door spectraalanalyse eerst de bestanddeelen aller bollen te ontleden, eer ze van een branden der elementen bij de wederkomst des Heeren spreken mag? Zou zulk een opvatting van studie ooit den Theoloog vormen? Kon, mocht, wie daar schier in opging, zich ook maar theoloog van professie noemen? Ware dat een studie die nog door het theologisch beginsel beheerscht wierd? Zou het aangaan nog van theologie ook maar te gewagen, waar bijna alles wat eerst ná deze elementaire analyse volgen kon, reeds uit tijdsgebrek moest verwaarloosd? En indien niet, gaat het dan wel aan nog van Theologie te spreken, waar, ik zeg niet de Schrift, dat ware kostelijk, neen maar de inleiding in die Schrift hart en hoofd geheel inneemt; waar men over die Schrift veel, maar uit en door die Schrift, o zoo weinig verneemt; ja, waar leeraars, met den titel van theologen tot de gemeente komen, die geheel vreemd aan haar geestesleven, onbekend met haar taal, schier ingaande tegen haar heiligst streven, dit pijnlijk ledig voor hun eerebewustzijn pogen aan te vullen, met wat over en tegen dien Bijbel verhandeld is als letterkundig substraat 2)?

Hierbij komt, dat het eenzijdig richten van het oog op deze microscopische analyse, het oog voor de heilige synthese bederft. Een scheikundige |9| pleegt geen dichter zijn. Zoo blijft het orgaan voor de eigenlijk theologische studiën onontwikkeld. Ze verliezen hun gewijd karakter; worden dor; en wat erger nog is, ze prikkelen tot hoogheid in steê van ootmoet te kweeken. Want in ernst, niets is nu reeds gewoner dan jeugdige theologen, wier studie nauwlijks aanving, wier kennis van taal en oudheid er op zijn best even mee door kan, en die van hoogere acribie nog hun eerste proeve moeten leveren, vaak glimlachend over de Schrift te hooren heenvallen met wat hun oppervlakkigheid slechts napraatte zonder dat hun beperktheid het begreep.

Gevolg hiervan is dan ook dat het grooter deel van den theologischen akker braak blijft liggen; dat het eigenlijk theologisch zintuig afstompt; en dat de meeste zich noemende theologen hun studie reeds voor gesloten verklaren, als het portaal dat uit den Voorhof naar het Sanctuarium der Sancta theologia voert, nog op hun doorgang wacht.

Al geef ik dus voetstoots toe, dat de voorhof er óók moet zijn, en uit dien hoofde ook deze studiën hun betrekkelijk recht mogen en moeten doen gelden; zoo protesteer ik nochtans tegen den waan, alsof men door deze studiën eerst, en reeds, theoloog wierd; moet ik er op staan, dat deze elementaire studiën weer binnen hun rechtmatig perk worden teruggedrongen; en mag niemand onzer zich langer de atrophie der hoogere godgeleerdheid verhelen, die, uit de hypertrophie dezer lagere studiën, met droeve noodzakelijkheid ontstond.

*

Immers en dit was mijn tweede klacht, zulk een onevenredige uitwas pleegt ongemerkt in een constitutioneel gebrek over te gaan, en zoo is ook door de hedendaagsche Schriftcritiek de theologie niet slechts gerukt uit haar verband, maar ook vervalscht in haar karakter. Dit kon niet anders. Indien wij niet met heldere bewustheid den gang onzer studiën regelen naar het beginsel onzer wetenschap, dan beheerscht die gang van studiën ons, en onderwerpt ons onbewust aan de macht van dat ander beginsel, waaruit de drang tot deze afwijking in den studiegang geboren werd. Geen toeval drukte op de Schriftstudie zijn hedendaagsch stempel. Veeleer was het een algemeene gesteldheid der geesten die in alle landen van Europa schier gelijktijdig, bijna gelijkluidende vermoedens tegen de Schrift rijzen deed. De Schleiermachers en Robertson Smith’s, de Kuenens en Colenso’s 3) zijn slechts de zuiverste tolken op Schriftgebied van den geest, die als reformator der eens heerschende begrippen, geheel het menschelijk bewustzijn op elk levensterrein heeft omgezet; wilt ge, de revolutie in de theologie, gelijk we de revolutie in de staatkunde, in |10| de sociale en huiselijke verhoudingen reeds hebben doorleefd. — Encyclopaedisch sprak zich dit het scherpst uit in den eisch, dat de locus de S. Scriptura uit den gevel der dogmatiek zou worden weggenomen om geplaatst te worden in het transept van de Media gratiae 4). Immers te zeggen dat dit slechts een verplaatsing gold, gaat niet aan. Om twee redenen niet. — Vooreerst zijn de media gratiae in de dogmatiek ambtelijk bedoeld, en is het dus niet de leer van de Schrift, maar van de praedicatio Verbi, die onder deze rubriek naast de Sacramentsbediening optreedt; en even ongerijmd als het dus zijn zou, indien iemand onder de locus de Sacramento geheel de Christologie en de Soteriologie wilde thuisbrengen, even onhoudbaar is de voorslag, om de locus de S. Scriptura te laten insmelten in wat de dogmatiek te verhandelen heeft over de prediking des Woords. — En ten andere kan dit niet om nog ernstiger bedenking. Door namelijk de locus de S. Scriptura uit den ingang der Dogmatiek weg te nemen, heeft met name de ethische richting het principium zelf der theologie van natuur doen veranderen. Steeds hebben onze vaderen volgehouden, dat de Schrift niet één der bronnen, maar het principium van onze Godskennis was. De bron der Godskennis, zoo zeiden ze, en terecht, is alleen Gods eigen zelfbewustzijn; kan alleen bij den Creator, niet in iets creatuurlijks schuilen; en bestaat dus uitsluitend in de theologia archetypa; terwijl het principium onzer Godskennis, d.i. het beginsel, de organische aanvang, de kiem, waar alle Godskennis naar heur deelen uit opspruit, en waarin dus potentiëel alle schat der Theologie besloten ligt, niet is de traditie, niet het Christelijk bewustzijn, ook niet het ons ingeplante hooger leven, maar eeniglijk de Heilige Schriftuur. In strijd waarmee nu de hedendaagsche Schriftstudie met name de ethische richting tot de tweevoudige dwaling heeft verleid, vooreerst om de eigenlijke bron der Godskennis in het ingeplante leven te zoeken, en ten anderen, wat er uit voortvloeit, om die Godskennis, voor zooveel ze dan bewust zál worden, uit het onbewuste gemoedsmysterie te laten opdoemen; beide philosophische denkbeelden, die uit Fichte de één, uit Schelling de andere, door Schleiermachers reuzengeest op theologisch gebied, in eigenaardige omhulling, geïmporteerd zijn. Dit nu randt principiëel het werk van den Heiligen Geest aan, wiens taak het juist is, om bewuste Godskennis, in een vorm bij ons menschelijk bewustzijn passend, aan, in en door de Kerk te openbaren. „De weg, de waarheid en het leven” is in Christus, maar uit dien Christus neemt de Heilige Geest het, „om het u te verkondigen;” te verkondigen niet door conscientie-indrukken, of gevoelsstooten, of ook door inoculeering van een levenslymphe; maar te |11| verkondigen door het Woord, d.i. door uitspraak van het zelfbewustzijn Gods, vertolkt in den vorm van ons menschelijk bewustzijn. En ten anderen, deze dwaling keert even principiëel Gods ordinantiën om, die analoog zijn zoo voor het rijk der natuur als der genade. Immers, gelijk we de reeks hebben van een „gewaarwording”, uit die gewaarwording een „gedachte” en uit die gedachte het „woord”, zoo is er ook de reeks van een „kiem”, een „aire”, een „graankorrel”, of wilt ge, de reeks van „brandstof”, „walm” en „vlam”. Waarmeê zaait ge nu? En waarmeê ontsteekt ge vuur? Zaait ge soms met kiemen, of legt ge vuur aan met walm? Neen, zeg ik u, maar om het leven der halm te wekken, is eerst de volkomen rijpe graankorrel, om vuur te ontsteken, de heldere vonk of vlam noodig. En zoo nu ook is het Gods ordinantië in het geestelijke, niet aan te vangen met een onbewuste gewaarwording, maar eerst het heldere bewuste Woord tot u te laten komen, opdat uit dat Woord eerst de gewaarwording ontkieme, uit die gewaarwording de gedachte rijpe, en zoo ten leste een eigen woord in u uit het Woord geboren worde. Bij al het lofwaardig pogen om de belijdenis der gemeente vast te houden, heeft derhalve de ethische richting, onder den druk van hetzelfde wijsgeerige revolutiebeginsel, waaraan de hedendaagsche Schriftstudie haar aandrift ontleende, metterdaad het gelaat der theologie geheel veranderd. Want wel belijdt ze met ons een zich zelf bewusten God, en dus ook een cognitio Dei archetypa, maar de kennisse, die wij van dien levenden God erlangen, is in haar stelsel zoo weinig meer ectypisch, d.i. door afdruk van Godes zelfbewustzijn ontstaan, dat ze veeleer uit het gemoedsleven der openbaringsorganen door langzaam proces wordt gewonnen. Zoo moest deze richting er wel toe komen om God den Heiligen Geest en den „familiegeest der gemeente” als gelijkluidend te nemen, en door de identificeering van de anders zoo onderscheiden begrippen van leven, kracht en woord, een babylonische spraakverwarring in te voeren, die alle begrippen dooreen werpt, alle term zwevend maakt, en, naar roomschen trant 5), weer een voortgaande levensopenbaring in de gemeente liet opduiken, die eerst nog naast de Schrift plaats nam, maar nu reeds bij mannen als Rothe het Schriftgezag verdrong 6).

*

Bij Rothe, Von der Goltz, Frank en Räbiger 7) vindt ge dan ook den geleidelijken overgang van geloovige ethischen tot de moderne ethischen. Dusver eerbiedigden onze ethischen het lwxl Hdq ¤b lydbm 8) nog en beleden, zij het ook in weerwil van hun uitgangspunt, nog altijd een absolute |12| klove tusschen het heilige en het onheilige. Maar, en hiermede kom ik tot mijn derde klacht, de hedendaagsche Schriftstudie heeft bij de modernen uit ditzelfde beginsel een nog veel wranger vrucht geteeld, en voor de reeds uit haar voegen gelichte en sterk ontaarde theologie eenvoudig een geheel andere nieuwe wetenschap in de plaats geschoven. Is er geen theologia ectypa, d.i. geen waarheidsmededeeling in een voor ons bewustzijn gereeden vorm, dan zoo spraken deze consequente mannen, dan ook aan u geen recht, om de in ú opkomende gewaarwordingen principiëel hooger dan de onze te schatten: niet specifiek, hoogstens in graad van ontwikkeling verschillen ze; óók in het godsdienstig leven is er een Darwinistisch proces! En zoo viel dan de scheidsmuur die lwxl Hdq ¤b stond; de klove tusschen profaan en heilig werd gedempt; de afgoderijen werden nu de godsdiensten der volken; en met de heilige boeken der andere volken, ook de heilige boeken van Israël aan den toetssteen van alle profane litteratuur gekeurd. Naar vierderlei tente der wetenschap ging toen de groep onzer theologen uiteen. Er was een wetenschap der philologie, welnu háár priesters zouden voortaan ook van de Semitische letterkunde nota nemen. Er is een wetenschap der volkenkunde; als onderdeel dier wetenschap zou nu de wetenschap der godsdiensten optreden. Er was een wetenschap der psychologie, onder háár auspiciën zou men het godsdienstig gevoel onderzoeken. En eindelijk, er was een wetenschap der wijsbegeerte, en zij zou voortaan ook den last ontvangen, om een wijsbegeerte te leveren van den godsdienst. Zoo ontstond naast en tegenover de heilige godgeleerdheid, een geheel andere, geheel afzonderlijke wetenschap, niet meer van God, maar van den godsdienst. En het was die fonkelnieuwe „wetenschap van den godsdienst”, die, en hierin ligt voor de gemeente van Christus het grievende, de droeve oneerlijkheid bestond, van zich onder den ouden naam van „Godgeleerdheid” aan te dienen, en, de eerst achteruitgezette Sancta Theologia ganschelijk van het erf der Staatsfaculteit verjagend, alsnu zichzelve gedragen ging als eenig rechtmatige bewoonster ja, bezitster, van het oude heilige huis. Onze klacht tegen u, die, als onze broederen en met den naam van Jezus op de lippen, tot deze omwenteling van het bestaande hebt medegewerkt, is dus niet slechts dat ge de theologie hebt verminkt en gedoogd hebt dat ze vervalscht werd; neen maar veel meer dat ge der Sancta Theologia, door prijsgeving van de dogmatiek en de practicale godgeleerdheid, het hart en de hersenen liet uitlichten, om ze als ziellooze mummie, met specerijen gebalsemd, weg te zien bergen in den modernen sarcophaag 9).

Ziet, broederen, in den naam des Heeren, dit stuit, dit ergert ons in u, dat ge met uw gedoogen de profane wetenschap van den godsdienst |13| op den troon der Sancta Theologia hebt laten klimmen, en haar nu zelf als willige priesters de offerande van uw heerlijke talenten, ja als gedienstige koorknapen den wierook uwer hulde biedt. Want daar lijdt de gemeente des levenden Gods onder. Immers al kunt ge haar wezen niet vernietigen, haar welwezen schaden kunt ge zeer goed. En dat doet ge. Want aan die gemeente op aarde komt naar ’s Heeren ordinantie een theologie toe. Ze kan daar niet buiten. Waar ze die mist, moet ze kwijnen gaan. Ze behoeft een theologie om den fijner zin van Gods Woord te verstaan; een theologie om de afbuiging van de lijn der dwaling te ontdekken; een theologie om de geneeskunde der ziel niet in geestelijke kwakzalverij te doen verloopen; een theologie om het redelijke te toonen van haar geloof en dat geloof als apologeet te bepleiten. Een theologie dus, om innerlijk gesterkt, om voor dwaling bewaard te worden en om zedelijk vertrouwen in te boezemen, ook aan den denkenden geest. Om het kort te zeggen, een theologie, die niet specifiek, slechts gradueel van de godskennis der gemeente zelve verschillend, niet buiten de gemeente staat, maar, in dienst van den Heiligen Geest, met haar bloeit op eenzelfden wortel; die aangesloten aan haar verleden, den schat van vroeger denken overleidt in de bedding onzer dagen; en die krachtens dien oorsprong leeraars vormt, die niet als hooge vreemdelingen boven de gemeente zweven, maar in haar midden verkeeren als haar geestelijke edellieden, die slechts in zuiverder en in fijner vormen schitterend doen wat ze zelve tot in haar <ZB4@4 doorleeft. — En dat nu onthoudt ge aan de gemeente, o, gij vivisectoren! Door uw hedendaagsche Schriftstudie zijt gij de oorzaak dat de gemeente dat niet krijgt. Ge biedt haar een wetenschap, maar die niet past op haar belijden, en ge zendt haar leeraars, maar die, hoe zeer geleerd en weleerwaard ook, als ze anders mannen van ernst zijn, met beschaamdheid des aangezichts, hun onwetendheid aangaande de dingen des geestes belijden moeten, en in steê van voedsel aan de gemeente te brengen, eer nog gevoed en verwarmd worden moeten door haar. En zoo is het dan geen wonder, dat de krankheden in de gemeente hand over hand toenemen, dat de secten voortwoekeren, dat de practijk op de leer niet volgt, en dat „kudde en herder” elkaâr wantrouwend, in steê van saâm in Jezus’ glorie te genieten, geërgerd tegenover elkander staan. Zelfs de maatschappij, ja het vaderland lijdt daar schade door, M.H., want een geestelijke kring die in het moeras, in steê van in den helderen waterkom zijn beeld vindt, dampt onvermijdelijk giftige gassen uit, die den nationalen geest bederven. Met aan de gemeente haar theologie te ontrooven, berooft ge haar van die wondere denkkracht, die ons, Calvinisten, eeuwenlang tot een onoverwinnelijken burcht in het midden des lands deed zijn; en |14| door haar zwevende ethische ideeën te bieden voor het voedend brood der practicale godgeleerdheid, ondermijnt ge tucht en orde, en hebt ge het zedelijk rechtsbesef verzwakt.

En daarom ten behoeve dier miskende, van haar theologie beroofde gemeente, hebben wij, naar de kleine mate onzer kracht in deez’ nieuwe hoogeschool weer een stekje van den ouden stam geplant, met de bede, of God ’t mocht doen groeien. Ons bedrijf was dus niet, om een iets betere naast een minder goede theologie te plaatsen, maar om, waar geen theologie meer was, in hoe gebrekkigen vorm dan ook, weer theologie te planten. Want, prent het u toch diep in, er is aan de Staatshoogescholen geen theologie meer. Die is er weg! Een wetenschap van den godsdienst is er voor in de plaats getreden, een wetenschap van geheel ander kaliber, maar die de Staat thans, stellig minder eerlijk, ter misleiding van de gemeente Gods, nog onder de oude firma drijft. Vandaar ons geloof aan onze toekomst, wat stormen ons ook nog boven het hoofd hangen; maar vandaar dan ook de bittere tegenstand waarop we het meest bij onze broederen afstuitten. Immers niets prikkelt zoo rusteloos, als het niet durven breken met wat u een verzoeking wierd. En een verzoeking ja dat zijn die Staatsfaculteiten. Een verzoeking voor alle Christenbroeders, die nog niet volkomen verloochend zijn aan de hulde der officieele wetenschappelijke wereld. Een verzoeking voor Christen-ouders, die voor hun zoons, hoe innig ze ook voor hen bidden, toch liefst het maatschappelijk veiligst wegje kiezen 10). En een verzoeking niet minder voor onze jonge mannen, die bedienaren van den Woorde Gods willen worden. Want ge weet het, naar de kerk loopt uit die „faculteit zonder theologie” een pad dat geheel geëffend is. Maar hier, waar de Sancta Theologia weer in eere hersteld wierd, omringt u, schijnbaar zonder uitweg, een muur.


II.

Na de encyclopaedische volgt de dogmatische zijde van ons vraagstuk, want de Schriftcritiek, gelijk die hedendaags gedreven wordt, dus luidde mijn tweede beweren, onthoudt niet slechts aan de gemeente haar theologie, maar ontrooft haar, erger nog, haar Bijbel.

Wanneer heeft de gemeente een Bijbel en wanneer niet? M.H. gunt mij, eenvoudig als een daglooner, van zoo heilige materie te spreken, want de Heilige Schriftuur is een goddelijk kleinood aan daglooner en hoogleeraar gemeen. En dan verheel ik niet, maar spreek het uit, voor ons Gereformeerde Christenen is de Bijbel ons het Woord en de Schrifture onzes Gods. Wanneer ik alleen of met de mijnen die Heilige Schriftuur lees, dan |15| spreekt niet Mozes noch Joannes tot mij, maar de Heere mijn God. Hij is het die mij dan aller dingen wording en der menschen ontzettenden val verhaalt. God die mij met stille majesteit vertelt, hoe Hij dien gevallen mensch weer heil heeft beschikt. Ik hoor Hem zelven dan verhalen van de wonderen die Hij wrocht ter verlossing en van het volk dat Hij uitverkoor; en, toen dat volk Hem tergde, hoe Hij dat volk toen sloeg in zijn toorn, en gelouterd weer terugbracht, al zoekende den Zoon zijner liefde. En tusschen dat heilig geschiedverhaal in hoor ik den Heiligen Geest, in de psalmodie, zingen voor mijn geestesoor, dat de diepten mijner eigen ziel ontsloten worden; in de profetie mij herzeggen wat Hij Israëls zieners in de ziel fluisterde; en mij zelf de ziel verkwikken door een vergezicht zoo bezielend, zoo schoon. Tot dan op het blad des Nieuwen Testaments die God, weer zelf, mij den Verwachte, der vaderen Wensch, uitbrengt: de plek toont waar de kribbe stond; het spoor mij van zijn voetstap wijst; en op Golgotha zelf zien laat, hoe de Zoon zijner eenige liefde ook voor mij, arme doemeling, den dood stierf aan het kruis. En eindelijk, dan is het diezelfde God de Heilige Geest die mij als voorleest wat Hij door Jezus’ Apostelen omtrent den schat van dat Kruis verkondigen liet, om in de Apocalyps met een verrukkelijk Hosannah uit den hemel der hemelen, de praelectuur van zoo heilig drama te besluiten. Noemt gij dit nu een schier kinderachtig geloof, waaraan uw meerdere wijsheid ontgroeid is, ik kan het niet gebeteren. Zoo is mij nu eenmaal mijn Bijbel en zóó alleen was ze in de voorgaande eeuwen, en is ze nog, de Schriftuur van de gemeente des levenden Gods. De auteurs moeten voor ons wegvallen, God zelf moet in haar verhalen, zingen, profeteren, manen, troosten, jubelen voor ons zielsoor. Op die majesteit des Heeren Heeren en op haar alleen komt het aan. Heeft daarom de Schrift gesproken, dan is alle tegenspraak uit; getuigt zij, dan wijkt de laatste twijfel; zelfs het in nood of radeloosheid opslaan van die Schrift om van Godswege beslissing te vragen, dunkt mij volstrekt niet ongeoorloofd, eer een lieflijk gebruik. Zoo sta ik waar Augustinus stond en waar Comrie in zijn voetstappen tredend uitriep: „als ik de Schrift lees luister ik naar wat God mij toespreekt, en als ik bid, luistert God naar wat ik stamel.”

Niet dat de gemeente daarom in dat Boek als „boek” iets zoekt. Een „vis supernaturalis sacrae scripturae inhaerens”, 11) gelijk de Luthersche faculteiten tegenover Rathmann leerden, en sommigen helaas ook onder ons weer drijven, is voor den Calvinist ondenkbaar. Met zijn heilig boek is het als met het diepe water in den diamant. Zoolang die kostelijke steen in den donker op uw tafel ligt, is die prachtige diamant van een waardeloos glas nauwlijks te onderscheiden. Eerst met de instraling van het licht komt haar waardij. |16| En zoo nu ook is de Schrift dan eerst de Heilige Schrift, wanneer de Heilige Geest zijn schijnsel uitzendt, en het alzoo God zelf, God altegenwoordig is, die in en door dat boek spreekt tot mijn ziel. Ware het beeld niet te onheilig, ik zou zeggen, gelijk de telephoon, een toespreken uit de verte is, zoo ook is mij dat boek der Testamenten. Treed ik met die Schriftuur in verbinding, en werkt de Heilige Geest uitstralend, dan is de ziel mij aan mijn God en mijn God aan mijn ziel aangebonden, en het toespreken van den Eeuwige vangt aan. Alle denkbeeld van iets toevalligs in die Schrift is dus uitgesloten. Ze ontstond niet vanzelf, maar werd te weeg gebracht naar een vast bestek. Reeds in Gods eeuwig decreet lag het oorspronkelijk waarvan de Schrift die wij ontvingen slechts de ongave afdruk is. „Van ouds, zingt de psalmist, heb ik geweten van uw getuigenissen, dat Gij ze van eeuwigheid gegrond hebt.” 12) De bodem waarin ze zich ontwikkelen zou, werd opzettelijk bereid; in de kiem waaruit ze op zou groeien lag het protoplasma van haar vollen luister. Een 8\h@H .ä< 13) is ze, vast als de steen en toch bruisend van leven. Die haar schreven schreven haar niet om huns zelfs wil, maar om de gemeente Gods waarvoor ze bestemd was; @ÛP ©"LJ@ÃHs º:Ã< *¥ *406`<@L< "ÛJV, 14) d.i. voor de gemeente Gods aller eeuwen; opdat na het ophouden der buitengewone bedeelingen, God Almachtig in den hoogsten vorm, d.i. in dien van het bewuste woord, met onbedrieglijke zekerheid tot en door zijn gemeente zou kunnen spreken. En nu, het is zoo, M.H. geen definitie gaf ik daarmee, hoogstens een reflex uit de eigen ziel, om u den indruk van het Schriftmysterie weer te kaatsen. Want een mysterie is het Schriftgeheimenis, even wonderbaar en ondoorgrondelijk als de schepping in den aanvang, de vleeschwording in het midden der eeuwen en de eindcatastrophe die nog toeft. Wonderbaar, niet om dat boek zelf, maar omdat het ook hier is: God aan het eindige rakende, en de golfslag van het eeuwige gebroken op wat elk wezensbestand mist.

*

Vraagt ge nu, met wat naam de gemeente des levenden Gods dit wondere feit en dus het ontstaan der Schriftuur pleegt te noemen, dan luidt het antwoord: „inspiratie, theopneustie, ingeving des Heiligen Geestes.” Uiteraard geldt het bij deze Schrifttheopneustie een eenigzins ander vraagstuk dan bij die andere inspiratie, die enkel voertuig der Openbaring was. Dit wordt niet gezegd, om een moeilijkheid te ontloopen. Gul gesproken toch, M.H., behoor óók ik nog tot die achterlijken, die staan in de onwrikbare overtuiging, dat God zelf de steenen tafelen der wet beschreef, zelf met hoorbare stem van den Sinai sprak, in theophaniën verscheen, engelen zond om zondaren te troosten, |17| en als wondere Werker voor, aan en in Israël van wondere dingen, ook in het feit der profetie wel waarlijk aan menschen voorzeggen liet, wat Hij, God Almachtig, over menschen dacht en met de kinderen der menschen bedoelde. Dat ik al wat op de Openbaring betrekking heeft uit mijn betoog weglaat, geschiedt dus allerminst uit schroom; alleen ter bevordering van helderheid. Immers die openbaring had er kunnen wezen en had nóg kunnen voortgaan, zonder dat er ooit een theopneuste Schrift gekomen ware. Stel u die revelatie uitgewerkt in haar verloop voor, zonder meer, dan is er van die Schrift nog niets; dan moet die Schrift er nog komen 15); komen door een opzettelijk bestel; door een bestel dat dus ook het middel insloot waardoor die Schrift gewrocht en geformeerd zou worden, en dat wondere middel nu heet op de lippen der gemeente: de theopneustie. Het is denkbaar, al beweer ik het niet, dat er oudtijds nog andere machtige wonderen plaats grepen, die niet geboekt zijn; het is zeker dat er aangrijpende profetische redenen zijn gehouden, waarvan de Schrift ons niets meldt; het staat vast dat Jezus veel sprak en deed, waarvan ons niets bericht werd; ook dat de apostelen spraken, schreven wat niet tot osn kwam; maar dit alles, van hoe kostelijke waardij ook voor Israël en de eerste gemeente, raakt de Schrift als Schriftuur der Gemeente Gods niet. Immers de Schrift geeft uit die openbaring alleen datgene en slechts zooveel als door God bestemd was, om in het blijvend organisme van het bewuste woord voor de kerk aller eeuwen bewaard te worden. Wat er in kwam en wat er uit wegbleef, regelde geen toeval, maar vaste keuze Gods, en die keuze richtte zich naar den zielsnood van Gods uitverkorenen en de behoefte der gemeente van Christus, van eeuwig gekend en daarom van vóór alle eeuwen bevredigd. Een mysterie der liefde en der vertroosting M.H. alleen dan te verklaren, indien elk en een iegelijk schrijver, aan wien de onschatbare genade en eere te beurt viel, om een grooter of kleiner deel van die Schrifture te boek te stellen, bij dat schrijven niet zijn eigen meester was, maar dienst deed als instrument des Heiligen Geestes, en door dien Heiligen Geest alzóó bewrocht en gericht werd, dat de rolle schrifts, die, nadat stift of veder wegviel, voor hem lag, even gelijke vastheid aanbood, als ware ze door rechtstreeks goddelijke schepping ontstaan.

*

Maar hoe dit nu opgevat? Wil dit nu zeggen, dat de Heilige Geest evengoed Abiram als Mozes, even veilig Saul als David, even denkbaar Judas Iscarioth als Johannes voor dien wonderen arbeid had kunnen bezigen? Zoo heeft men het voorgesteld M.H., en dwingt men mij, nu het zij zoo, dan stel ik ook hierin Gods mogendheid geen perk. God kan ook uit steenen Abraham kinderen verwekken; en Bileamsprofetie, Saul onder de profeten, |18| de verlossingsideê op Caiaphas’ lippen, ze toonen toch immers, dat de Heilige Geest desnoods ook deze macht wel waarlijk bezit. Maar een andere vraag is, of de Heilige Geest op zulk een magische wijs de Theopneustie heeft willen werken, en dán luidt het antwoord ontkennend. Integendeel dan blijkt de theopneustie veeleer hierin te bestaan, dat de Heilige Geest tijdelijk aan ’s menschen geest de rechtstreeksche beschikking over de bewerktuiging van zijn „geest, ziel en lichaam” ontnam; die alsdan van binnen uit zelf overnam; en wel zoo overnam dat, al naar gelang de mensch geestelijk gesteld was, de H. Geest in en door ’s menschen geest werkte, of wel ’s menschen geest geheel terugdrong. Mag ik een oogenblik ’s menschen sensorium het raderwerk en zijn geest de spil er van noemen, dan lag hierin het mysterie, dat de H. Geest in de Theopneustie, óf die aanwezige spil omdreef naar zijn welgevallen, óf wel die spil er uitlichtte en zelf verving. Vergelijk Daniël aan den Hiddekel met den man van Tarsen, en de onderscheiding die ik bedoel, zal u klaar zijn. Geen gebeuzel over den onderscheiden stijl der schrijvers of het eigen karakter van hun gedachtenkring en wat dies meer zij, behoeft ons dus op te houden. Door het telkens bezigen van een ander werktuig moet de uitkomst wel verschillend zijn. En ook dat niet bij geval, want de Heilige Geest koos niet pas op het gegeven oogenblik zijn instrument voor dit heerlijk werk, maar had er reeds in de generatie der geslachten, bij de vorming van hart en hersenen, in de wijze van opvoeding, door de leiding van levenslot, en meest ook door innerlijke genade zulk een instrument voor geschapen en op bereid.

Om geschiedenis te verhalen nam de Heilige Geest dus meest een instrument, waar de heugenis der zaken in aanwezig was, en in wiens geestelijke peripherie, als ik zoo zeggen mag, de schriftrollen en documenten en alle vereischte gegevens gevonden werden. Om psalmen voor de gemeente des levenden Gods te zingen nam de Heilige Geest geen prozaïschen letterzifter maar een dichterlijken geest, die zelf diep geschud, geschokt, vertreden was en zich heroisch opboog in den Geest. En zoo ook voor de apostolische gnosis koos de Heilige Geest niet een Thomas, maar een Paulus, niet een Thaddeüs, maar een Simon Bar-Iona, niet een Andreas die van verre stond, maar een Johannes, die aanleî in Jezus’ schoot. Het eenige waarop het aankomt is dus maar de vraag der psychische analyse, of de menschelijke persoon er op aangelegd wierd, om, zooals hij is, met alle kennis die hij in zich draagt, aan een anderen geest tot orgaan te dienen. En dat nu staat reeds door de bezetenheid vast. Een vreemde geest kan spreken door den bezetene. Het Evangelie zegt het ons stellig, en zelf heb ik dat dubbel spreken in den door waanzin bezetene gehoord. Is nu onze geest wel genaakbaar voor booze geesten, waarom ook dan |19| niet voor goede, en indien voor goede, waarom dan ook niet voor den Heiligen Geest? Het „est Deus in nobis, agitante calescimus illo”; alle geniaal talent; alle echte poëzie en kunstzin; ook alle mantiek, toont toch dat een andere geest iets in den onzen doen kan. Zelfs zijn er onder menschen soms geesten, die anderer geest zoo geheel in hun macht boeien en onvrij maken, dat ze hen letterlijk als een doublure gebruiken van hun eigen wezen, of, sterker nog, hun eigen geest in heel een menschengroep verduizendvoudigen. Denk aan een Napoleon bij Austerlitz. Is het niet de ééne geest van dien korten man daar, die heel de phalanx zijner veldheeren, die al die duizenden ruiteren als één machtig raderwerk doet wentelen om de spil van zijn wil. En indien nu op elk dezer terreinen, bij analogie, de mogelijkheid blijkt, om ’s menschen psychisch en physisch wezen, door het indringen van een anderen geest in zijn geest, aan den wil van dien anderen geest dienstbaar te maken, waarom dan toch de mogelijkheid betwist, dat God de Heilige Geest ditzelfde doe in goddelijken, d.i. absoluten zin. De Heilige Geest, zegt Jezus, zal „indachtig maken;” is dat niet een intellectueel vermogen, het geheugen, rechtstreeks in zijn dienst nemen? En zou diezelfde Heilige Geest dan ook niet even licht en zeker nieuwe, en welbewuste gedachten in ’s menschen geest kunnen indragen? Gij zelf kunt toch immers zeer wel bewuste gedachten, die u eigen, maar aan een ander vreemd zijn, in dien anderen overbrengen? Daartoe spreekt ge. Maar wat nu is „spreken” anders dan een voortplanting van de gedachte uit uw ziel in de trilling der luchtgolven? en wat zijn die stem, die trilling der golven anders dan een geleiddraad, om die uit uw ziel komende gedachten op de gehoorzenuw van den toegesprokene te brengen? en wat is die gehoorzenuw weer anders dan een geleiddraad, om die uit uw ziel komende gedachte af te drukken op des anderen geest? Uw motorische zenuwen, die de spier van uw spraakorgaan in gang brachten, de luchtgolven die door die spieren in trilling wierden gezet, de sensorische gehoorzenuwen van den ander die door die trilling wierden aangedaan en ze voortplantten naar zijn geest, zijn dus altegader niets dan geleiders, die ge bezigt om den indruk van uw eigen geest over te drukken in den geest des anderen, teneinde alzoo in hem dezelfde klare bewuste afgeronde gedachte te doen opkomen, die eerst alleen in u was en nu pas in hem kwam. En waarom zou ook de Heilige Geest die aan deze tusschenschakels, aan deze geleiders van zenuwen, luchtgolven en spieren toch niet gebonden is, waarom zou God de Heilige Geest dan niet rechtstreeks vermogen, wat gij reeds middellijk kunt, en, ingaande in u, volkomen bewuste, nieuwe, afgeronde gedachten uit Zichzelf in uwen geest kunnen overplanten? Ik neem dus de schrijvers als geheel instrumenteel in den dienst van den Heiligen Geest, |20| met al wat ze reeds wisten, met geheel het resultaat van hun voorafgaande vorming, tot met hun omgeving en actestukken, en beweer, dat de Heilige Geest dezen geheelen persoon, met al wat tot hem hoorde, gebruikt heeft om in en door hem te herinneren, te schiften, te louteren, te denken, te schrijven; maar ook daarnevens, dat de Heilige Geest, zonder tusschenkomst van motorische of sensorische zenuwen, en dus ook zonder de buiging van spraakspieren, of de trilling van den luchtgolf wel terdege nieuwe bewuste heldere gedachten aan hen meedeelde. Ontkennen, dat God ook hoorbaar sprak, doe ik daarmeê geenszins, op Sinaï en op den Thabor greep dit zeer stellig plaats. Maar bij de inspiratie der Schrift komt dit niet in aanmerking, dat was ingeving door indringing van den Geest in het centrum van de persoonlijkheid der schrijvers, en een absoluut onderwerpen van wat aan en in hen was aan de souvereiniteit van den Heiligen Geest.

De rationalistische uitvlucht om „Schrift” en „Woord Gods” te scheiden, is evenals het hedendaagsche protest tegen de inspiratie der woorden, hiermeê vanzelf geoordeeld. De Schrift is Gods Woord én als geheel én in zijne deelen. Synthetisch, omdat het bestek voor en de inhoud van de Heilige Schrift in haar organische samenvatting God tot auteur heeft en der gemeente geschonken is als afschaduwing van de vleeschwording des Woords. Maar óók, de Schrift is Gods Woord analytisch d.i. in elk zijner deelen; niet omdat elk dezer deelen een nieuwe gedachte Gods onder goddelijken vorm tot ons brengt, maar omdat zoowel de eigen gedachten Gods, als de gedachten der menschen en zelfs die van Satan, voor zoover de Schrift ze ons boekstaaft, ja, elk lied en elk verhaal des Bijbels, zelfs van wat de goddeloozen tegen God Almachtig bestaan dorsten, ons hier niet met de onzekerheid van het menschelijke, maar onder het onfeilbaar credentiaal van het goddelijke, d.i. van het woord des Heiligen Geestes, wordt voorgelegd. De jongse dogmatici in Duitschland geven het denkbeeld van een inspiratie die wel de gedachten, maar niet de woorden zou aangaan, dan ook al weer op. Reeds Rothe getuigde: „Ueberhaupt sind worte und gedanke unzertrennbar.” „Es giebt keine gedanke ohne worte; sie können nicht anders als in den worten und mittelst der worte concipirt und festgehalten werden” 16). Zelfs modernen ontkennen dit niet langer. Het was dan ook puure „gedankenlosigkeit” 17), gelijk Rothe het noemde, om voor een inspiratie der „gedachten”, maar tegen de inspiratie der „woorden” te ijveren. Wie dat doet is geen denker, laat staan een psycholoog. Neen, zoo dikwijls de Heilige Geest in een menschelijke persoonlijkheid indrong, om hem als instrument voor het opstellen van een rolle der Schrift te bezigen, kon Hij zijn doel niet bereiken, tenzij óf de reeds in hem voorhandene óf de nieuwe hem ingegevene gedachten, eerst indrongen in zijn |21| menschelijk bewustzijn. In ons bewustzijn nu kan een gedachte niet indringen, of ze trekt van zelf het kleed van voorstellingen en begrippen aan. En wederom uit dit bewustzijn kunnen ze niet op het papier komen, of ze moeten in den vorm uitgaan van woorden en woordvoegingen. Ging het zóó toe, dat de Heilige Geest alleen maar de gedachten ingaf, om voorts den mensch zelf die gedachte te laten uitdrukken, dan ging natuurlijk weer alle zekerheid te loor. Maar neen, de werking van den Heiligen Geest was niet ten halve, ze ging door; en gelijk Hij in de geest des menschen wist in te dringen, zoo beheerschte Hij ook zijn bewustzijn, en bracht den overgang van de gedachten in begrippen, en uit die begrippen in woorden ten einde toe tot stand; en toen eerst toen zijn gedachte op de rolle perkament terneder stond eschreven, rustte de Heilige Geest van dit zijn heerlijk werk en zag Hij dat het goed was. Een inspiratie van woorden alzoo, niet mechanisch door influisteren aan het vleeschelijk oor, maar organisch door tevoorschijnroeping der woorden uit ’s menschen eigen bewustzijn, d.i. door gebruikmaking van al zulke woorden als in het geestelijk sensorium van den schrijver voorhanden waren. Gelijk dus het kind van God getuigt: „Absoluut werkt God alle goede dingen (daad, woord of intentie) in mijne persoonlijkheid in, en evenwel werk ik alle ding zelf, wandelende in de werken die God voor mij bereid heeft”, zoo kon ook de Schriftauteur getuigen: „Absoluut inspireert de Heilige Geest mij elke gedachte en elk woord, en nochtans schrijf ik elk woord zelf, ingaande in de woorden die God voor zijn gemeente bereid heeft”. Ook van den vorm der Schrift geldt dus: @Û6 ¦< *4*"6J@ÃH •<hDTB4<¬H F@n\"H 8@(@4H •88z ¦< *4*"6J@ÃH (\@L B<gb:"J@Hs B<gL:"J46@ÃH B<gL:"J46" F×(6D\<@<JgH d.i. een door den Geest mij ingeboezemde inhoud teruggegeven in door den Geest uit mij naar buiten gedrongen woorden. En het resultaat is derhalve, dat er, daargelaten de vraag of de schrijvers het beseften of dat ze ’t niet merkten, door hen als instrument een boek of lied of brief op schrift kwam, die in zijn oorspronkelijken vorm, d.i. als autographon, de onfeilbare autoriteit in zich droeg van gewrocht te zijn door den Heiligen Geest 18).

*

En dat nu is het M.H. waarop het voor de gemeente des levenden Gods aankomt. In de theorie over de ingeving moge men dolen, de woorden waarin men haar omschrijft, mogen kwalijk gekozen zijn; alles niets, zoolang het feit dier ingeving maar onaangetast en haar resultaat onwankelbaar blijft. De goddelijke vastheid tegenover het onzekere van al ’s menschen peinzen, dat en dat principaallijk is het wat de Heilige Schrifture heilig, d.i. tot een bijbel voor de gemeente des |22| Heeren maakt. De vraag die zich met het oog op de hedendaagsche Schriftstudie voordoet, is dus niet, of ze wellicht andere hypothesen over het mysterie der Schriftingeving doet aankleven, noch ook of ze het oordeel over de Schrift in litterarisch opzicht wijzigt, maar alleen en uitsluitend, of ze ons zúlk een Schriftingeving behouden laat, wier resultaat ons voor geheel haar inhoud onverzwakten waarborg biedt van goddelijke gewisheid.

Ten opzichte der moderne richting nu mag die vraag nauwlijks een vraag meer heeten. Eenparig toch bestrijden alle modernen zonder onderscheid zulk een Schriftbeschouwing als vrucht van bijgeloof en stellen er hun eere in, het der gemeente in te prenten dat zulk een Heilige Schrifure nooit anders dan in de verbeelding der lichtgeloovigen bestond. Over hen dus kortheidshalve geen woord. Maar mogen we daarom óók zwijgen over hen, die hun tente in het midden, tusschen de modernen en ons opsloegen en in wier banier het ethisch symbool u tegenwuift? 19) Immers bij deze geleerden, M.H.! doet zich het zonderlinge verschijnsel voor, dat ze, naar den indruk der gemeente, niet minder beslist dan de modernen, de Heilige Schrifture als boek van goddelijke autoriteit opheffen, en nochtans persoonlijk u in de sterkste bewoordingen en onder de dierste verzekeringen betuigen, dat ook maar een tittel of iota aan Gods Woord te krenken, hun tot schuld zou zijn voor hun God. Bij het bespreken van hún denkbeelden voegt dus meer dan gewone omzichtigheid. Op de uitspraak van hun zelfbewustzijn zult ge kwalijk af kunnen gaan, maar meer in ’t bijzonder hun uitspraak omtrent de deelen der Schrift hebben te toetsen. Wat zij, ten onrechte met de Schrift willen, dat ge u niet houden zult aan wat de Schrift van zich zelve zegt, maar aan hetgeen wij in haar samenstelling waarnemen, dat nu juist zal als eenig veilige gids ons door het labyrinth hunner studiën kunnen helpen. Van een labyrinth spreek ik, M.H.! Want in trouwe, met hoeveel toegeeflijkheid, met wat broederzin ge hun arbeid ook beoordeelen moogt, de klacht is niet te onderdrukken, dat de schrijvers dezer richting, door onvastheid van begripsbepaling, én onderling én van zich zelf in hen onderscheidene, ja soms tot in hun zelfde boeken, derwijs verschillen, en de voorstelling verwarren, dat ethisch van richting en toch helder te zijn schier nimmer zich paart.

Om mij streng bij het punt in quaestie te houden, laat ik derhalve de vraag, of de ethischen in hun algemeen uitgangspunt nog op de basis des geloofs staan, buiten het geding, en bepaal mij uitsluitend tot de bewering, dat ze, wat het bijzonder punt der Schriftinspiratie betreft, geheel loopen op de lijn der modernen. Want wel erkennen de ethischen op het stuk der Openbaring nog veel van wat de modernen loochenen, |23| en wijken ze dáárin zelfs principieel van de modernen af, dat deze elke interventie van den levenden God in het eens gewordene ontkennen, terwijl de meeste ethischen zulk een persoonlijk optreden van God in de geschiedenis, door manifestatie en revelatie, door regeneratie en illuminatie nog wel terdege aannemen; maar dit alles raakt de Schriftinspiratie niet. Of b.v. Jesaia bij zijn profetieën, die hij op de pleinen van Jeruzalem uitsprak, metterdaad door den Heiligen Geest bewerkt is, doet tot de Schriftquestie niets toe of af. Bij de schriftquaestie is het alleen maar de vraag, of de persoon die het boek genaamd Jesaia schreef, bij dat te boek stellen alzoo door den Geest geïnspireerd werd, dat hij voortbracht een zeker en onfeilbaar product. Immers het zijn twee geheel verschillende questiën, of Mozes en de Profeten, of de Evangelisten en Apostelen, als openbaringsorganen, in hun ambtelijke werkzaamheid door den Geest geleid en bezield werden, dan wel of de personen die onze Bijbelboeken schreven, bij dat schrijven zelf in absoluten zin geïnspireerd wierden. Zeer wel kan men het eerste toegeven, dat toch het tweede pertinent ontkend wordt; — en dat nu juist is het wat door de ethischen geschiedt. Zij gelooven nog wel met ons aan een van Godswege, door rechtstreeksche interventie gewerkte, openbaring; ze nemen onder de elementen van die openbaring ook zekere werking van God op den geest van profeten en apostelen aan, en willen dus met u belijden, dat een Jesaia, een Joannes mannen „vol des Heiligen Geestes” waren, in heel hun persoonlijkheid, bij al hun ambtelijk werk. Maar kom ik nu van die openbaringssfeer op de vervaardiging van de Schrift als Schrift, op het te boekstellen niet enkel van wat Paulus en Joannes zelf schreven, maar van al de boeken, ook historische boeken, die voor ons liggen, en vraag ik alsnu, of bij die acte van schrijven een specifiek eigenaardige en absoluut zekere inspiratie intrad, dan ontkennen ze dit met beslistheid en loochenen alzoo de eigenlijke Schriftinspiratie geheel.

Wordt nu hiermee hun iets toegedicht dat niet wettig te hunnen laste komt? Dat make Rothe uit M.H. Rothe, de geniaalste, betrekkelijk helderste en meest gevierde onder de bezadigde schrijvers dezer richting, en aan wiens gedachtengang door latere dogmatici uit hun midden geen enkel nieuw element is toegevoegd. Een man op wien ik mij te liever beroep, omdat hij zelf verklaart: „de opinie die ik hier neerschreef, is niets anders dan wat, of ze er voor uitkomen of het stilhouden, gedacht en beleden wordt onder alle geloovige theologen” 20); omdat hij er ridderlijk tegen opkomt, dat de ethischen hun eigenlijke bedoeling nog langer voor het volk maskeeren zullen 21); en niet minder overmits Rothe ook hier te lande de denkbeelden vooral der jongere ethischen over de Schrift heeft beheerscht en bezield. |24|

Welnu, Rothe komt er eerlijk en rond voor uit: „Man trägt kein bedenken unsere neuere vorstellung von der sache mit demselben namen „Inspiration der Heilige Schrift” zu benennen, mit dem die altkirchliche sich so lange bezeichnet hat, und hält sich berechtigt ihn fort und fort im munde zu führen. Diess ist nun aber nicht wohl gethan; denn es muss zu einer verwirrung der begriffe führen. In wahrheit ist unsere ansicht etwas toto genere anderes als die kirchliche Inspirationslehre” 22). Zoo hoort ge het van zijn eigen lippen: „etwas toto genere anderes”, en hij schroomt dus ook niet ten slotte tot deze ernstige conclusie te komen: „Der bibel, wie ihr Bild aus der voranstehenden auseinandersetzung sich herausstellt, ist freilich eine andere als die welche der orthodoxe Theolog und der einfache gläubige Christ sich denkt, wenn er das heilige Buch in andächtiger Ehrfurcht in die Hand nimmt.” 23).

En welke dan nu volgens Rothe de betere, en ethische voorstelling is? Ze stamt uit Schleiermacher, M.H.! den genialen wijsgeer, meer dan theoloog, die voor nu een halve eeuw, ter onzaliger ure het fataal beginsel geponeerd heeft, tegen welks prikkel heel het heir der Vermittlungstheologen vruchteloos de verzenen insloeg, en waardoor de ethische richting in heel haar noodlottigen ontwikkelingsgang werd en wordt beheerscht; uit Schleiermacher, volgens wiens onder inspiratie niets anders te verstaan zij dan „die Wirksamkeit des gemeingeistes in dem wille des einzelnen zur hervorbringung eines bestimmten werks,” 24) zoodat men „den act der abfassung eines heiligen Buches und die ihr vorangehende und zum grunde liegende gedankenerzeugung in der seele des Schriftstellers nicht als ein act göttlicher offenbarung ansehen darf.” 25) Dienovereenkomstig komt dan ook Rothes voorstelling hierop neer: Er is een gemeente van Christus. In deze gemeente werkt een hooger leven dan daarbuiten. Dit hoogere dankt ze aan den Heiligen Geest die in haar midden zijn tente koos en het gezonken zondige leven tot een „godmenschelijk” leven verheft. Deze gemeente bestaat organisch. Haar edeler organen, de apostelen, bezaten derhalve dien „gemeingeist” in bijzondere mate, en het is onder die constellatie, dat de verlichting die zij deelachtig werden, gradueel hooger stond dan die der gewone gemeenteleden. En wat nu in den meest praegnanten zin deze illuminatie tot inspiratie deed worden, was het feit, dat God een enkel maal in hun ziel door nieuwe aanraking het leven verhoogde, daardoor het Godsbewustzijn verhelderde, en dat zij alsnu uit dit verhelderd Godsbewustzijn, rijke, nieuwe gedachten wisten voort te brengen 26). Resultaat hiervan is dan ook voor Rothe, dat er van onfeilbaarheid der Schrift geen sprake kan wezen 27); dat wel de meeste |25| schrijvers, maar nooit de Schrift zelve geïnspireerd is te noemen 28); dat de inspiratie der schrijvers onderling weer sterk in graad verschilt 29); en dat derhalve de verklaring, door de apostelen van het schriftwoord des Ouden Verbonds gegeven, hem vaak onjuist is 30); dat hun voorstelling van de Christelijke waarheid niet per se normatief voor ons is te achten 31); en dat, waar ik vooral nadruk op leg, zelfs het beeld ons van den Christus gegeven, op zichzelf geen waarborg van getrouwheid bezit 32). Rothe geeft dan ook het scheppingsverhaal en het verhaal van den val geheel prijs 33); ziet in de geschiedboeken niets dan oorkonden, die van fouten wemelen 34); en houdt uit zijn Bijbel, indien men de slotsom opmaakt, weinig anders over, dan dat, zij het ook op gebrekkige wijze, het resultaat der voorafgaande geestelijke openbaring in die boeken tot ons is gekomen, en, onder de critiek des geloofs, door ons daaruit kan worden opgemaakt 35). Voor de Kerk onzer dagen staat daarom, zoo zeggen de ethischen, naast en boven het geschreven Woord de levende Godsopenbaring, die nog evenals in vroeger dagen voortwerkt, zoodat, om met Dorner te spreken, „die Heilige Schrift dem glauben in dem was ihn constituirt und wovon ihn göttliche gewissheit beiwohnt, nicht wiedersprechen darf” 36).

*

Mijn critiek op deze ethische voorstelling, M.H.! geef ik u ter bekorting in deze drie opmerkingen:

Grondfout in deze voorstelling is mij de bewering, dat „de waarheid steeds een ethisch karakter draagt”; wat zeer zeker geldt van haar centralen oorsprong in God, en evenzeer van haar uitwerking op onze personen; maar volstrekt niet doorgaat noch van haar historische openbaarwording, noch van haar organen. O, zeer zeker, wie eerst uit de waarheid wegschrapt al wat niet ethisch is, vervolgens „waarheid” omzet in een „zien van het Koninkrijk Gods”, en alsdan het woord citeert: „Wie niet wedergeboren is, kan het Koninkrijk Gods niet zien”, zulk een kan zeer licht zoo onjuiste stelling mainteneeren. Maar overmits „waarheid” niet den wil, maar het bewustzijn tot sensorium heeft, komen we ten ernstigste tegen deze verminking van de waarheid en deze uitwissching van de grenslijnen tusschen zoo specifiek onderscheiden begrippen op. Het thelematische en noëtische leven vormen wel terdege twee afzonderlijke sferen, wier dooreenmenging geheel onze voorstelling troebel maakt en al ons denken verwart 37).

Fout is dus ook hun daaruit afgeleide voorstelling, alsof de „inspiratie” aan „wedergeboorte” gebonden ware. Ook dit is het ethiseeren van een andersoortig begrip, waardoor men hetgeen schoon geordend en onderscheiden is, weer chaötisch versmelt. Wat uit en op de |26| regeneratie volgt, is de illuminatie, de verlichting, die aan elk kind Gods ten deel valt, maar die, naar reeds Bileams voorbeeld uitwijst, dan ook specifiek van de inspiratie verschilt.

Fout is dus ook niet minder hun voorstelling, alsof de nieuwe elementen der openbaring, die de Schriften der Profeten en Apostelen ons bieden, op waren geklommen uit den bodem van hun door goddelijke aanraking verhoogd ethisch gemoedsleven. Immers ook al ware het mogelijk, de zonde uit hen weg te denken, dan nog zou omgekeerd het leven door het Woord gewekt worden; daar toch Jezus niet zegt: „Dit is u kennen, dat ze eeuwig leven hebben”, maar omgekeerd „dit is het eeuwige leven, dat ze u kennen”; — door het Woord is de schepping, door het zaad des Woords de herschepping onzer ziel. Doch nu bovendien de zonde de harmonie in hen bleef verstoren, moet de afscheiding tusschen het ethische en aletheische in de openbaringsorganen nog zooveel te sterker worden vastgehouden 38). Of is het niet zoo? Zeer begenadigde zielen verstaan soms zoo ongelooflijk weinig, en in anderen, die, o zoo veel verstaan, is de mate van genade soms zoo schaamteloos onmerkbaar. Och, den ethischen overkomt hier wat Rome overkwam, toen ze om een onfeilbaren Christus te bezitten, een buiten zonde ontvangen Maria eischten; want op gelijke wijs loochenen ook zij immers der Schrifture onfeilbare gedachte, omdat ethisch in de ziel harer schrijvers de onzondige moeder van zoo onfeilbare gedachte ontbrak. Wel bezien is hun „theanthropisch” d.i. „godmenschelijk” leven dan ook niets anders dan een uit dezelfde gronddwaling gesproten verwarring van begrippen. Een „godmenschelijk” leven toch, dat zich door tinctuur, gelijk de theosophen droomden, of, wilt ge, atoomsgewijs, aan de verlosten zou mededeelen, is een door en door ongereformeerde, eer dan nog, om de communicatio idiomatum, pseudo-luthersche stelling, op niets minder dan een confusio naturarum, d.i. een pantheïstische vermenging van goddelijk en menschelijk gegrond! 39)

En fout is eindelijk evenzeer de vervalsching, die ze dusdoende in de belijdenis van den Heiligen Geest indragen. Eensdeels doordien ze den persoonlijken Heiligen Geest voortdurend voor identisch nemen met zijn bezielende reflex in de gemeente, Hem noemend haar familiegeest. En ten anderen, doordien men den Heiligen Geest tot het ethische terrein, (het terrein van wet en norma, wil en oordeel) beperkend, Hem den eeretitel van Verkondiger der diepten Gods, d.i., van Meedeeler en Ingever van bewuste gedachten, feitelijk betwist.

Mijn tweede opmerking geldt evenzeer een verwarring, nu niet in twee verschillende sferen, maar van wel te onderscheiden ontwikkelingsperioden in eenzelfde sfeer. |27|

De eerste gemeente, zegt men, ontving het leven zonder het geschreven Woord, atqui ergo bestaat het buiten de Schriftuur ook voor ons 40). Een besluit, dat dáárom gewraakt dient, overmits de embryonische toestand juist hierin specifiek van den exuterinalen verschilt, dat het embryo rechtstreeks het voedend moederbloed in zich trekt, terwijl de volwassen persoon zich het voedsel zelf moet bereiden. Een specifiek onderscheid, hetwelk zich ook aldus laat formuleeren, dat de inspiratie produceerde, terwijl de illuminatie slechts reproduceeren kan: reden waarom de gemeente niet kan buiten een Schriftuur, waarin ze het te reproduceeren beeld in zuivere trekken voor zich vindt. Al ontkennen we dus niet, dat in de volwassen persoon door mond en neus en oor, ja door de poriën van de huid het ozon uit den dampkring in kan dringen, en zoo ook de gemeente des Heeren door haar geestelijke poriën drinkt uit den geestelijken dampkring, toch weigeren we dit geestelijke ozon met den naam van Woord Gods te bestempelen, zoo waarlijk elk hongerige u aan zou grijnzen, dien ge, als hij u naliep om brood, den geeuwhonger met atmosferische ozon woudt stillen 41).

Mijn derde opmerking is, dat de ethische richting aldus een theorie uitstalt, die wel verleidelijk schittert, maar in gebreke blijft te verklaren wat ze verklaren moet.

Immers Rothe zelf erkent, dat de apostelen des Heeren, wij voegen er bij, de Heer zelf, niet de inspiratie der Ethischen, maar de door ons bepleitte, hebben beaamd 42). Hij geeft toe, dat de gemeente aller eeuwen, onder Oud en Nieuw Verbond, niet een opdoemen der waarheid uit het onbewuste ethisch leven, maar wel terdege een meêdeeling van bewuste waarheid geleerd heeft; toe ook, dat hetgeen de geloovige Christen gevoelt bij het pieuse lezen van de Schrift, niet door zijne, maar alleen door de orthodoxe theorie, wordt gedekt 43). Hij geeft dus toe, dat niet de Schrift met deze theorie tot de ethischen komt, doch dat de ethischen deze theorie in den voorhof der Schrift indragen. Maar dan, ieder tast het, is er ook niets verklaard, en slechts een nieuw denkbeeldig iets naast het te verklaren object neêrgelegd. Als Jesaia, om een voorbeeld uit honderd te nemen, aan Hizkia nog vijftien jaren levens aanzegt, is het duidelijk, dat dit cijfer van XV uit geen ethischen levensbodem kan opdoemen. Zoodat de ethischen reeds door dit ééne feit voor de pijnlijke keus komen te staan, om óf hun theorie voor ongenoegzaam te verklaren, óf, erger nog, Jesaia, juist één der hoogste openbaringsorganen, te verkleinen tot een zeer onethisch horoscooptrekker of geestelijk zeer laag staand imposteur 44).

Mijn laatste opmerking eindelijk is, dat de ethischen, om uit zoo gebrekkige praemissen dan toch een bruikbare conclusie te trekken, |28| zelven ten slotte optreden als veroordeelaars van hun eigen theorie.

Wat toch beweert Rothe? Dit, dat de Profeten en Apostelen geen „irrthumslose” kennis der waarheid konden bezitten, overmits ze ethisch onvolkomen waren; maar desniettemin durft hij staande houden, dat (risum teneatis amici) hij, Rothe en zijn ethische vrienden, (die ethisch dan toch nog wel onder de Apostelen staan zullen) zelf daarom zeer wel, met deze gebrekkige kennis in handen, tot een „irrthumsfreie kenntnis der wahrheit” geraken kunnen 45). Aan de theorie, die er toe noopte, om de onfeilbaarheid der Apostelen prijs te geven, keert Rothe dus met een „travestissement à vue”, den rug toe, zoodra het hem zelf en zijn geestverwanten geldt. Dan toch wordt met thelematische onvolkomenheid noëtische juistheid weer zeer wel bestaanbaar geacht, en herneemt het gewone spraakgebruik der minder „unbewusste” lieden ook bij de ethische geleerden weer zijn oorspronkelijk recht.

Hoezeer we het dus ook in de ethische godgeleerden waardeeren, dat ze met bei hun handen inworstelen tegen de onweêrstaanbare drijfkracht van het beginsel, dat, als een slang in den boezem door hen gekoesterd, hun geloof naar den hartader steekt, toch mag hun stelsel, wat dit stuk der theopneustie aangaat, niet zachter gekarakteriseerd worden, dan als een onklare vermenging van philosophische theorieën met gnostieke aspiratiën, gedekt door den inhoud van een geloofsbewustzijn, dat bij Rome thuis hoort en niet bij ons 46); en moet alzoo worden aangeklaagd van door dit driedubbel motief te leiden tot volstrekte vernietiging van de inspiratie der Heilige Schrift. Van die Schriftinspiratie heeft Rothe zelf gezegd: „Sit ut sit aut non sit,” 47) en de moderne Lipsius sprak het nog klaarder uit, dat elke poging om met prijsgeving van het oude dogma de inspiratie te redden, op niets dan zelfbedrog of op misleiding van anderen uitliep 48). En daarom, hoe men ons deswege dan ook bij het corpus virorum obscurorum indeele, en het kerkelijk dogma door de „automaten-parodie” 49) belachelijk zoeke te maken, wij blijven onvervaard, wij blijven onverbiddelijk aan de oude onverzwakte Theopneustie vasthouden; in onzen historischen eenvoud, of wilt ge in onze schoolsche achterlijkheid, ja waarlijk nog geloovend, dat een ambassadeur, ook al bleef hij ethisch onvolkomen, zeer wel zonder feit kan overbrengen wat hem zijn souverein inspireert 50).

*

Maar schuilt dan, zoo hoor ik u tegenwerpen, in de hedendaagsche Schriftstudie voor u metterdaad niets, niets wezenlijks? Is ze u dan niets dan het struikelen over stroospieren en het zich vermeien in critische haarkloverij? Hoordet ook gij dan niet van den steeds aanwassenden stroom van hoogst ernstige bedenkingen, die tegen de oud-kerkelijke |29| voorstelling werden ingebracht? Raakten deze gravamina, die aan óns wetenschappelijk besef, onzes ondanks, instemming afdwongen, dan ook uw wetenschappelijke consciëntie nooit? En indien wel, hoe rijmt ge dan uw schoone belijdenis met de bedenkingen waarop ge stuit?

Ook hierover een woord M.H., al is het naar den aard dezer plechtigheid een woord niet in bijzonderheden afdalend, maar zich houdend aan beginsel en motief.

En dan begin ik met op den voorgrond te stellen, dat m.i. de reuzenarbeid door de critici onzer dagen aan de Schrift besteed volstrekt niet verloren is. Eer ben ik vast overtuigd dat ook de buitensporigheden der radicaalste Schrift-anatomen, van achteren bezien, onder Gods genadige beschikking, een vrucht ten goede zullen afwerpen. Of hoe zou het ooit onbelangrijk, ooit doelloos kunnen zijn, zoover beginsel en eerbied gedoogen, het ontstaan der Heilige Schrift in haar wordingsproces te bespieden, en naden aan te wijzen waar de stukken van het schitterend kleed zoo keurig ineen zijn geweven, en beter dan het ons duver gelukte den kring in welks midden, de auteur door wien, en den tijd waarin een boek der Schrift ontstaan is, zoo al niet wiskunstig zeker vast te stellen, dan toch bij gissing te ramen. Zoo weinig zelfs beoog ik een stuiten van die studiën dat ik deze vivisectorische uitspattingen en physiologische onkieschheden zoomin bij het corpus Scripturae als bij het corpus humanum autoritair zou willen verbieden. Maar al verbiedt men in den kring der medische wetenschappen zulk een vivisectie en physiologische schending van het eerbaarheidsgevoel niet bij de wet, is daarom de edeler medicus niet in zijn recht, die krachtens het beginsel zelf zijner wetenschap, d.i. in naam van het humaan karakter dat haar, als den homo tot object hebbend, toekomt, én tegen deze schandelijke wreedheden, én tegen deze niet minder schandelijke onkieschheden als onbetamelijk en ongeoorloofd protesteert. Of is er dan niets van aan, dat de mensch in zijn lichamelijke verschijning zelfs ophoudt de eere waardig zijn, om voorwerp voor een afzonderlijke wetenschap op te leveren, als hij, het dier mishandelend, zelf bestiaal geworden, zich tot weinig beter dan een corpus vile verlaagt? En hebben wij dan geen recht, om ook bij het corpus Scripturae, zoo tegen de gevoelloosheid der vivisectoren als tegen de stuitende onheiligheden der Schriftphysiologen, in verzet te komen; niet in weerwil, maar juist in naam van onze wetenschap; én overmits door hun bedrijf het beginsel zelf der theologie geschonden wordt, én omdat een bedelaarsdeken, gelijk zij van de Schrifture maken, de moeite van het wetenschappelijk onderzoek niet meer loont.

Zie de fijnste "ÆFh0F4H loof ik op critisch terrein, maar gelijk onze |30| zenuwen en hersenen, zoo kan ook het critisch zintuig aan hyperaesthesie gaan lijden, dat het valsch moet, en niet anders dan valsch kan waarnemen; aldus in dien onharmonischen toestand gerakend, dat elk geluid scheller, elke aanraking stuitender, elke oneffenheid grover wordt voor haar besef. Zulk een hyperaesthesie wordt dan een macht over den lijder, waarvan door eigen verzet er tegen de onweêrstaanbare drang nog slechts verhoogd wordt. En daarom niet een ieder die zich aanmeldt moet gehoord, noch op den gis af met alle critiek gerekend worden, maar naar het beginsel zelf der theologie dient eerst uitgemaakt, of ge voor u hebt een normalen waarnemer, dan wel zulk een, die abnormaal overprikkeld, niet juist meer critiseeren kan.

Eindelijk, de Heilige Schriftuur veroordeelt de wereld en den geest die in haar heerscht. Niets dan natuurlijker dan dat die geest der wereld, vooral nu hij zoo machtig zijn stemme ophief als in deze eeuw, het op een afbreken van het Schriftgezag toelegt. Of zij moet voor de Schrift óf de Schrift moet voor haar bukken, en het kan alzoo niet anders, of de geest die de wereld inspireert moet tegen den Geest die de Schrift inspireerde, wel onverbiddelijk krijg voeren. De antithese die beide vormen is diametraal. En overmits nu ook wij, Schriftonderzoekers, van dien geest der wereld hebben ingedronken, kon het gevaar ontstaan dat onze Schriftcritiek een tendentieus karakter aannam, en alzoo onze studie der Schrift, onder den schijn van haar te eeren, strekking ging tot ondermijning van haar gezag. Een vermoeden reeds door dit ééne feit tot waarschijnlijkheid verheven, dat mannen die niets meer aan de Schrift hechten en er nauwelijks iets meer van gelooven, er toch nog het beste van hun leven aan wijden en het uitnemendste van hun kracht 51).

Er dient alzoo én wat de straallengte van het beginsel betreft, én wat de aesthesie van den onderzoeker aangaat, én voor wat beslist over de strekking van het onderzoek, door het beginsel zelf der theologie gewaakt tegen verbastering van haar wetenschappelijk, haar heilig karakter.

Wat ik bepleit is dus geen conservatisme.

Deed is dat, ik kon mij de taak veel gemakkelijker maken, door Reuss tegen Kuenen, tegen Reuss Schultz, en tegen Schultz de Collaboratoren aan Lange’s Bibelwerk uit te spelen, om ten slotte slechts zooveel ter eigener verantwoording te nemen, als zelfs door den nog meest conservatieve aan de eischen der critiek geofferd werd. Maar wat zou dit baten? Conservatisme is niets dan een afdingen uit nevenconsideratieën op theorieën, wier geldigheid men zelf eert, en op beginselen aan wier verspreiding men zelf zijn krachten dienstbaar stelt. Daar steekt geen kracht in. Daarvan warsch, waag ik het daarom |31| niet aan conservatistische velleïteit, maar aan de Encyclopaedie zelve onzer wetenschap te vragen: wat hier gedoogd en wat hier afgesneden wordt, door het eigen beginsel der theologie? En geeft men nu, wat deze principieele quaestie aangaat toe, dat de theologie, gelijk ik in den aanvang mijner rede betoogde, als niet het creatuurlijke, maar den Creator tot object hebbende, in lijnrechte tegenstelling met alle overige wetenschappen, niet waarneemt, maar gewaar wordt, en dat dus in de theologische wetenschap niet de geest van het subject, maar de geest van het object de actieve onderzoeker is, zoo volgt hieruit rechtstreeks, dat alle studie, die blijkens haar resultaat, ophield instrument in den dienst van God den Heiligen Geest te zijn, eo ipso buiten de grenzen valt van het theologisch erf. Een stelling, uiteraard volstrekt krachteloos, en ook niet bedoeld tegenover hen, die, na reeds voor jaren de theologie, d.i. de „wetenschap van God”, te hebben ingebalsemd, de wetenschap van den „godsdienst” tot koninginne uitriepen, maar die ik in vollen omvang, die ik met klem tegenover een ieder handhaaf, die nog met mij zegt priester te willen zijn in den tempel der godgeleerdheid.

Zoolang we theologen willen zijn en blijven, mogen we nooit anders dan onder en in dienst van God den Heiligen Geest, als onzen eenigen •DP4JX6JT< de muren van het gebouw onzer wetenschap doen rijzen. Zoo, om dit beginsel nu veiligheidshalve eerst eens op een ander deel dezer wetenschap toe te passen, zijn we, als godgeleerden, verplicht én Martensen, den vermittlungstheoloog, 52), én Van der Goltz, den volbloed ethische, hun 7g4J@bD(4" 53) op het terrein der ethiek op te zeggen, den één indien hij schending van den eed, den anderen omdat hij de schending van het gebod der eerlijkheid in hooggeplaatste personen (op Von Bismarck werd gedoeld) verschoonde en goedsprak 54). Beider resultaat mist het merk des Heiligen Geestes, en is dus eo ipso als contrabande af te wijzen aan de theologische grenzen, waar het lemmer van den cherub schittert en de „Spiritus Creator” als omnium solus doctor wordt geëerd.

Leggen we nu geheel dienzelfden maatstaf ook bij de studie der Heilige Schrift aan, ziehier dan de leidende gedachten, waarbij we uitkomen.

Allereerst dat als feilgaand onderzoek is af te wijzen elke studie, naar wier uitkomst het heilige in den leugenvorm op zou treden en door het schandelijk verzinsel van het „vroom bedrog” den Heiligen Geest in tegenspraak zou brengen met zijn diepst eigen karakter. Voor te wenden b.v. dat de Heilige Geest in boeken, die men zelf voor canoniek erkent, mythen als geschiedenis voorstelt en ons een vaticinium ex eventu onder leugenachtigen vorm als profetie voorlegt, is aan dien Geest iets ongerijmds toedichten, iets dat indruischt tegen zijn eer. |32|

In de tweede plaats, en hierbij sta ik iets langer stil, moet evenzeer als feilgaande afgewezen elke studie, wier resultaat in strijd is met hetgeen de Heilige Geest zelf in die Schrift aangaande die Schrift beweert.

De Heilige Schrift, niemand die het loochent, treedt op ons toe met een absoluut beginsel. Ze beweert namelijk dat alle F@n\" 55) der wereld :TD\" 56) is; dat alleen de Geest, die uit haar zelve spreekt, als kenner van het wezenlijke bestand der dingen, u F@n\" leeren kan; en dat uit dien hoofde aan dien Geest elke creatuurljke geest zich bij zijn denken, spreken en doen, nu en eeuwig heeft te onderwerpen. Dit stelt u voor een absoluut dilemma: een keuze zonder uitweg. Want ge moet haar, óf dit beginsel betwisten, maar om dan ook in de F@n\" der wereld terug te vallen; óf wel ge moet haar dit beginsel vlakaf gewonnen geven, maar dan ook in heel uw studie dit beginsel laten heerschen. Met hen nu die het eerste lid van dit dilemma kiezen, handelen we hier niet verder; voor hen toch bestaan er zelfs geen (D"n"\ meer. Maar hun die de betere keuze deden en dit absoluut Schriftbeginsel van heeler harte en met vreugde beamen, hun wagen we het met ernste te vragen: Wat is dan nu in de aldus optredende Heilige Schrifture de pretentie die ze bij u indient opzichtens zichzelve als Schrift?

En hier nu gaat ónze weg en die der Ethischen onherroepelijk uitéén. Immers, daaraan toegekomen, dan zeggen de Ethischen: Dit moet ge opmaken uit de feiten zooals ze in die Schrift voor u treden; en vindt ge daar dus werkelijk feilen, dan toont dit eo ipso dat de Schrift niet praetendeert onfeilbaar te zijn. Maar dit nu juist ontken ik, dat juist geredeneerd is en ik wraak die methode, op deze twee m.i. beslissende gronden: vooreerst dewijl men, om recht tot zulk een oordeel te hebben, in het bezit der authographa zelf zou moeten zijn; nu toch kon in het zonder feil geschrevene eerst daarna de feil geslopen zijn; en ten andere omdat de zelfuitspraak van den Heiligen Geest over zijn eigen werk zeer verre in autoriteit gaat boven het oordeel, dat, gij, feilbaar mensch, u, op grond van dit werk des Geestes vormt. Reeds in een kind zou het aanmatigend, zou het oneerbiedig zijn zoo het uit zijns vaders doen tegen de bewuste zelfuitspraak van zijn vader concludeerde; en hoe vermeet gij u dan op het zelfbewustzijn dier Schrift critiek te oefenen met niets anders tot maatstaf dan wat gij waant in die Schrift te zien?

En daarom, M.H., wat die Schrift praetendeert te zijn, dat vraag ik noch aan Rothe noch aan Räbiger, maar aan de hoogste tolken van het Schriftorganisme zelf, d.i. aan den Christus en aan zijn gezalfd Apostolaat. En indien nu die Christus en zijn Apostelen klaarlijk getuigen, dat de Schrift des ouden Verbonds wel terdeeg geïnspireerd, en door |33| die inspiratie tot zelfs in het enkele woord toe bindend van autoriteit is 57); of ook, om een enkel detailpunt te nemen, indien de Zone Gods mij met opgeheven vinger toeroept: „Aldus en aldus heeft Daniël de profeet gesproken, mijne jongeren merkt daarop!” dan zou ik door nochtans, gelijk de ethischen, in contra te besluiten, meenen het recht op den naam van theoloog te verbeuren, en mij zelven te beschouwen als in flagranten strijd met het eigen beginsel mijner wetenschap geraakt, doordien ik den Heiligen Geest in de zelfbewuste uitspraak van zijn absolute tolken weersprak.

In de derde plaats, M.H., dient als aan de theologie vreemdsoortig, afgewezen elke studie van de Heilige Schrift, die zich beheerschen laat door een valschelijk ingeslopen philosophisch beginsel, dat kennelijk tegen het beginsel van den Heiligen Geest reageert. En vooral deze canon verklaart ons veel.

Let slechts op vierderlei:

1º. Onmiskenbaar wordt de geheele Schriftstudie, vooral die des Ouden Testaments, op dit oogenblik beheerscht door de vraag, of er een val van heilig tot onheilig plaats greep, dan wel of men allengs tot het ware en heilige uit het lagere opklom. Die vraag keert in drie stadiën terug: Eerst bij Adam; daarna bij Israël in de woestijn; en eindelijk bij de eerste Christelijke gemeente. En omdat men nu die vraag ontkennend beantwoordt, zal de hamartogenie in Genesis drie product zijn van phantasie; de edeler deelen van de thorah niet bij Mozes, maar aan het eind der Israëlietische ontwikkeling liggen; en het Christelijk gemeentebewustzijn eerst rijpen van lieverleê. Is hier nu, zoo vraag ik, een tendens merkbaar, of is ze dat niet? En als ik nu weet, dat het wegcijferen van den val thans het principe aller wijsbegeerte is; dat het denkbeeld van zulk een val de hoovaardij van den menschelijken geest het diepst beleedigt; en juist daarin de Heilige Geest de F@n\" der wereld oordeelt, dat Hij in een schenken van heiligheden aan Adam, in een schenken van heiligheden aan Mozes en in een schenken van heiligheden op den Pinksterdag Gods majesteit, en in een telkens daarop gevolgde ontzinking daaraan ons diep bederf toont, is het dan niet de onnoozelheid zelve, voor ons theologen, om slippedragers van een Schriftstudie te worden, die juist op elk dezer drie punten de Schrift saeculariseert?

2º. Een accoord met den Heiligen Geest zoekend, dringt de geest der wereld telkens en telkens weêr naar Synergisme, om door accentueering van ’s menschen werkzaamheid Gods inwerking niet slechts te beperken, maar vooral op te heffen in haar absoluutheid. En zoo nu ook is er in de hedendaagsche Schriftstudie een neiging woelend, om tegen de souvereiniteit der inspiratie denzelfden strijd aan te binden, dien |34| Arminius tegen de souvereiniteit der genade streed. Immers het loochenen der profetie waarop anders berust het dan op een loochenen van Gods onwrikbaar decreet? Wat is het humaniseeren der inspiratie anders dan een nogmaals ingaan tegen een gratia, die als irresistibilis, nooit feilt in haar doel?

3º. De F@n\" der wereld poogt steeds het rechtstreeksche werk Gods in de geschiedenis tot al kleiner afmetingen te herleiden en kan niet rusten eer de factor „God” ganschelijk daaruit verdween. Zoo moest dus ook de Schrift, die juist tegen dit uitwisschen van Gods Naam haar getuigenis in de schaal legt, wel zoolang gedistilleerd, tot de schepping in een Darwinistische evolutie overging; het wonder wegschool; de inspiratie in een onmerkbare aanraking van een dés onbewuste ziel herleid wierd; en ten slotte de auctor humanus derwijs eenzijdig op den voorgrond trad, dat ten leste voor den Auctor primarius geen hooger eere bleef dan als reclame dienst te doen bij het volk dat nog gelooft.

En 4º. de F@n\" der wereld was er steeds, en is er bovenal in onze dagen op uit, om de afgoderijen der natien die God niet kennen, als zeer eerzame godsdienstvormen onder éénzelfde categorie met den godsdienst van Jezus saâm te brengen. Haar wijsgeerig beginsel, dat er geen scheidsmuur tusschen heilig en profaan is, dwong en dwingt daartoe. Maar ook dit moest natuurlijk geheel de Schriftstudie, vooral des Ouden Testaments, omverwerpen. Immers reeds die enkele naamsomzetting om voortaan „godsdienst” te noemen, wat niets dan godtergende afgoderij was, is een critiek op dat Oud-Verbond, waardoor heel haar wereldbeschouwing geoordeeld ligt. En zoo kwam men er dan toe, om, heel anders dan de Schrift het leert, ook Israëls godsdienstige ontwikkeling met die der heidenen uit eenzelfden wortel te laten opschieten, en ten slotte zelfs de edeler afgodische volken te laten meêwerken aan de constitueering van wat Israël, wat zeg ik, van wat Jezus beleed!

Zoo ziet ge dus M.H.! hoe deze onweêrstaanbare geestesdrang van de philosophie onzer eeuw, om langs alle paden den „Deus-homo” in den „Homo-deus” om te zetten, er met ijzeren consequentie toe moest leiden, om óf heel de Schriftuur met minachting weg te werpen, óf, waar piëteit hiervan afhield, zóólang de legkaart dier Schrift uit een te nemen en weêr anders in elkaâr te leggen, tot ten leste óók die Schrift, vlak tegen haar beginsel in, die valse hypothese van de F@n\" J@Ø 6`F:@L met haar zegel had gewaarmerkt. Maar zoo tast ge dan ook niet minder hoe elk theoloog zijn adelbrief verscheurt, die, in steê van dit ruwe uitbladeren van deze kostelijkste aller rozen van Saron met hand en tand tegen te gaan, zelf óf laf óf onnadenkend genoeg is, om zich door dit humaniseeren der Schrift zelf te laten meêsleepen en het te vergoêlijken bij het gemeen. |35|

Dat er nu na aftrek van dit alles, ook zoo op menig punt nog ernstige bedenkingen tegen de absoluutheid der Schriftinspiratie overblijven, wordt dezerzijds noch ontkend noch verbloemd, M.H., ook al ziet ieder in, tot wat zeer kleine afmetingen die berg van onoverkomelijke bezwaren nu reeds wegslonk.

Dit neemt ondertussen niet weg, dat de wetenschappelijke theoloog ook over de dan nog blijvende bedenkingen volstrekt niet onnadenkend heen mag treden, maar ook die onbewimpeld onder de oogen heeft te zien, mits daarbij op vierderlei lettend:

En wel vooreerst hierop dat een deel van deze bezwaren voortvloeit uit het onloochenbaar feit, dat niet de gave autographa, maar een ongave tekst, dus een tekst met feilen, voor ons ligt.

Voorts, dat de boekstaving door den Heiligen Geest van het geïnspireerde niets gemeen heeft met het protocolliseeren van een notarieel proces-verbaal 58), maar dat de onderscheidene gebeurtenissen en waarheden, ja dezelfde gebeurtenissen en waarheden in haar veelzijdige beteekenis, door den oppersten Kunstenaar met een afwisseling van coloriet en veelzijdigheid van opvatting op het doek zijn gebracht, die wel den bijzienden kabbalist den blik verwart, maar den op een afstand blijvenden kenner verrukt door heerlijke harmoniën.

Dan ten derde, dat de apologetiek wel terdege de roeping blijft behouden, om de ¦<"<J4@n"<0 der Heilige Schrift in hun wezenlijke, zij ’t ook bedekte, harmonie te doen uitkomen. Loci paralleli dus, niet in den trant der weggestorven Supranaturalisten, och, die hadden geen theologie meer, neen, maar in den geest der Juniussen en Voetiussen; een geestelijke, geen kleingeestige Harmonistica; niet een erbarmelijk „geknutsel”, maar een logisch opklaren van ons voorstellingsvermogen door te letten op het B`Jgp BäHp ßBÎ J\<@Hp en 6"J J\p 59).

En eindelijk, indien er ook dan M.H.! nog schijnbare –8LJ", nog cruces interpretum, in de Heilige Schrifture mochten overblijven, waarvoor niet ik, dat toch beteekent nies, neen, doch waarvoor alle belijdende theologen saâm stonden, dan aarzel ik geen oogenblik hier, ten aanhoore van geheel de wetenschappelijke wereld te verklaren, dat ik, gesteld tusschen de keus, om óf, met Gods eenvoudig volk, belijdende mijn onwetendheid, onbevredigd ook van dit vraagstuk weg te gaan, óf wel met de geleerde ethische broederen uit wetenschappelijke consequentie de onfeilbaarheid der Schrift te verwerpen, beslist het eerste kies en van het laatste met heel mijn ziel terugdeins.

Want om met Rothe en de zijnen te zeggen: er zijn in de Schrift mythen 60); het scheppingsverhaal is vrome phantasie 61); phantasie ook de geschiedenis van den val 62); de profetieën zijn producten van een hooger |36| gespannen geestelijk leven 63); de getuigenissen van Christus en zijn apostelen omtrent het Oud Verbond missen normatieve kracht 64); evenmin normatief en bindend is de apostolische voorstelling der waarheid 65); niet vast betrouwbaar zelfs het beeld dat ze ons van den Christus malen 66), — en dan toch plechtig te verzekeren, dat heel de Schrift van Gen. 1 : 1 tot Openb. 21 : 21 hun Gods Woord is, zie M.H., dat is mij meer dan ik aan kan; dat is mij te kras; dit lijkt mij wonderwel op een protestatio actui contraria, die ik aanhoor, maar die alle vat op mij mist. En als ik dan bovendien bespeur dat in deze „geloovige” kringen de moderniseerende Vivisectoren veel, en daarentegen orthodoxe handhavers der inspiratie, ik zeg niet mannen als Gausen, neen maar ook als Hodge en Philippi, ja zelfs als Beck en Mehring, 67) nauwelijks gekend zijn, in ernst, dan vervult zorg mij voor de toekomst; dan meen ik een afloop als van snelle wateren te hooren ruischen; en voel ik „ijver Gods” over mij komen, om een dusgenaamd „Woord Gods”, maar dat toch feilbaar zou wezen, af te weren als een contradictio in terminis, die vastheid van beginsel voor halfheden uitruilt, en steeds achteruitloopend, zich, met het aangezicht naar den Christus gekeerd, al verder van dien „Christus naar de Schriften” verwijdert.

En mocht nu iemand ten slotte mij nog tegen werpen, dat ik, aldus oordeelend, immers zelf niet vrij uitga, daar ook ik, wel niet in de autographa, maar dan toch in de ons ten dienste staande teksten zelf het bestaan van feilen erken, dan, zij het mij vergund M.H.! u ook deze laatste bedenking uit de ziel te nemen, door de immers eenvoudige wedervraag, of, als gij een drinkschaal in de hand hieldt van zuiveren goude, maar aan den rand geschaafd, en ik had een gansch gave schaal maar van goud dat niet echt was, of ge ook dan nog zeggen zoudt: „mij al om ’t even, ’k ruil willig voor uw imitatie mijn gouden drinkschaal uit!” 68).


III.

Veel, te veel, M.H.! heb ik met mijn tweede deel van uw aandacht gevergd; vange daarom mijn laatste deel aan met de verzekering, dat het zeer snel verloopt. De hedendaagsche Schriftcritiek, zoo toonde ik u aan, berooft de gemeente van haar theologie, en ontrooft haar heur Bijbel; wat mij nu nog te bewijzen rest, is, dat ze ook het recht der gemeente op vrijheid in Christus aanrandt, of wilt ge, haar in de armen werpt van het ergerlijkst, wijl intellectueel, clericalisme. |37|

Een gejaagde, een ongetrooste en door onweder voortgedrevene ziel, M.H.! heeft angst, en dorst naar zekerheid. In het hart van zulk een aangegrepene des Heeren, ook al is het een eenvoudige daglooner, zijn de heiligheden des Almachtigen ingedaald, en daarom woelen onder uit den bodem zijns gemoeds de diepten der hel tegen die heiligheden in; zoo ontstaat er een worsteling als van reuzenmachten in zijn binnenste; en dat benauwt hem; daar komt hij niet doorheen; daar bezwijkt hij onder, tenzij de Ontfermer zich zijner ontfermt en hem alsnu vastzet op den Rotssteen van zijn Woord. Eerst als hij op dat Woord staat, gaat er in zijn ziel vreugdeolie voor treurigheid druipen, begint het gewaad des lofs voor een benauwden geest te blinken, en komt er een uitjubelen voor den Heere van vrij gemaakt te zijn uit de banden; óók uit die beklemmende banden, van steeds te moeten leunen en steunen op den mensch van stof. Want om tot waarachtigen vrede, om tot een onwrikbaar geloof, om tot volle krachtsontplooiing te komen, moet onze ziel in het diepst der diepten, ja, waarlijk M.H. van alle mensch verlaten, alleen afhangen van God Almachtig zelf. Onmiddellijk van God zelf zijn zielsbestand te hebben, dat is het, wat eerst onverwinlijk maakt, tot fierheid stemt en ons onszelf doet overtreffen. Daarin school het geheim van de kracht, waardoor het Calvinisme eens de wereld verbaasde. Dat vormt karakters, staalt den wil met veerkracht, en maakt den mensch, den burger, den belijder van Jezus waarlijk vrij.

Maar hoe prent nu de Heere deze muurvaste zekerheid, met en zonder menschelijke tusschenkomst, aan de reeks zijner uitverkorenen, en door hen aan de gemeente in?

Zie vooral die vraag scherp onder de oogen, M.H.! want metterdaad er is veel, zeer veel, waardoor de Schrift, gelijk die der gemeente in onze dagen, en vooral den leek ten dienste staat, in zichzelve in vastheid te kort schiet. Vooreerst toch gingen, zoover we weten, alle autographa van de boeken der Heilige Schrift te loor en staan ter onzer beschikking dus niets dan ongave handschriften. Ten andere is het aantal boeken, dat tot het Nieuwe Testament behoort, nooit rechtstreeks absoluut en onfeilbaar vastgesteld; zelfs in de dagen der Hervorming is over de canoniciteit van meer dan één boek heftig gestreden. En ten derde, wat de gewone leek krijgen kan, is nooit meer dan een vertaling van het oorspronkelijke, zonder dat het merk van onfeilbaarheid ooit aan eenige vertaling kleeft. Stond de gemeente dus scripturair op Deïstisch standpunt, als hadde de Heilige Geest, na eens het Woord geschapen te hebben, nu voorts die Schrift aan zichzelve overgelaten, dan ging al het profijt der inspiratie weer voor de God zoekende zielen te loor. Maar dat nu juist is niet zoo. Alle Deïsme verfoeiend, vat de Gemeente de |38| verhouding van den Heiligen Geest tot de Schrift op in den zin van een rijk bezielend Theïsme, en vooral onze Gereformeerde kerk, ook daarin de Luthersche zusterkerk door meerdere zuiverheid overtreffend, hield steeds staande, dat het Woord nooit op zich zelf iets is, en nooit anders dan als instrument van den Heiligen Geest kracht werkt, en dus ook, den gang der eeuwen door, nooit door dien Heiligen Geest is verlaten. De Heilige Geest, zoo belijdt ze, heeft eerst door de Openbaring de stof gereed gemaakt, waaruit het kleed der Schrift zou worden geweven. Toen die stof gereed lag heeft de Heilige Geest de enkele stukken der Schrift in rang van tijdsorde geïnspireerd. Voorts heeft de Heilige Geest de aldus gereed gekomen boeken onder zijn leiding door het instrument der kerk verzameld. Al verder heeft de Heilige Geest gewaakt over den tekst van het Woord dat Hij geïnspireerd had. Niet minder heeft de Heilige Geest de vertalingen bestraald waarin dat Woord tot de volken zou komen. Diezelfde Heilige Geest heeft voorts door ambtelijke prediking zelf dat Woord uitgelegd, en het met geloof vermengd voor de geroepenen ten leven. En bij niet één enkele van Gods uitverkorenen heeft die Heilige Geest gerust, eer het Woord, voor eeuwen eens onfeilbaar ingegeven, even onfeilbaar in die enkele ziel vrucht droeg, als ware het alleen voor die ziel geïnspireerd.

Dit doel bereikt de Heilige Geest langs twee wegen, als „fides humana” en „fides divina” scherp te onderscheiden. Die „fides humana”; toch fides, en dus evenzeer van God uitgaande; is het rusten van de gemeente in de autoriteit van ’s Geestes werk door het kerkelijk organisme, doelende op den Canon, op de vaststelling van den tekst, op de vertaling en de uitlegging der boeken. Daarom over elk dezer vier een kort woord.

Welke boeken den Canon vormden staat in zich zelf even ontwijfelbaar vast, als het vast staat voor den anatoom welke ledematen er al, welk niet, tot een normaal menschelijk lichaam hooren. De Schrift is een organisme. Niets kan er bij. Niets er af. Ze is volmaakt in de voltalligheid en geheelheid harer deelen. De vraag echter, of de kerk op elk gegeven oogenblik den vereischten anatomischen tact bezit, om met vaste hand over elk Schriftdeel of ook over elk als praetendent optredend boek te beslissen, moet ontkennend beantwoord. Die zekerheid gaat op en neer met het rijzen en dalen van den stroom des geestelijken levens in haar midden. Maar wel verre van den leek daardoor onvrij te maken, heeft de Heilige Geest de Schriftdeelen zóó aangelegd, dat de deelen, waar het leven aanhangt nimmer betwijfeld zijn, en dat in de nooit betwijfelde boeken reeds op zich zelf de volle stroom der waarheid ruischt; en voorts leidde de Heilige Geest met zoo wisse hand ook dit Canonisch werk, dat veel meer de gulheid der erkenning van verreweg de meeste |39| boeken dan de duurzame betwijfeling van zeer enkele ons verbaast 69).

Wat den tekst der Heilige Schrift aangaat, moet hetzelfde beleden. Een officieele tekst is er voor het Nieuwe Testament in de grondtaal niet, en de textus receptus is zeer zeker ontsierd door feilen. Toch belijden we ook daarvan, dat die tekst niet aan het toeval overgegeven, maar door den Geest zelf bewaakt is met teedere zorge. Men mag niet aannemen, M.H.! dat, toen eindelijk in Gods bestel het groote oogenblik gekomen was, waarop voor nu vier eeuwen door de drukpers het Woord van God eerst zijn ontzettenden loop zou beginnen, de toen, onder Gods beschikking gekozen tekst, een onverschillige, een der ongaafste, een schier hopeloos droef bedorvene zou geweest zijn; en beleden moet veeleer, dat aan dien tekst om zijn eminente historische beteekenis een eigenaardige voorrang toekomt. Aan de hand van andere handschriften mag en moet de textus receptus, dus wel zeker gezuiverd, maar nooit behoeft die tekst, ontdaan van zijn geestelijke voorkeur en als per se verwerpelijk, voor oudere getuigen te wijken. Ik voor mij althans heb nooit den logischen klem van het argument gevoeld, dat een handschrift der 4de eeuw eo ipso juister het autographon zou weêrgeven, dan een manuscript wel van jongen oorsprong, maar misschien volgende een ouder en daardoor zuiverder tekst.

Ook over de Vertalingen ging de leiding des Geestes, zij het ook allerminst in absolute mate. Uitsluitend in die vertalingen, en niet in het oorspronkelijke, let daar wel op, bestaat op dit oogenblik het Woord voor de duizenden die dorsten naar den levenden God en die buiten dat Woord den levenden God nooit zullen vinden. Zelfs letterkundigen getuigen dan ook dat én Luthers vertaling, én onze gereformeerde Statenbijbel, beide zoo verrassende producten van geheiligd genie zijn, dat buiten hooger bezielen haar verschijning zich nauwlijks verklaren laat. Zulke vertalingen door de kerk, als pilaar en vastigheid der waarheid, in de bloeiperiode van haar geestelijk leven aan de gemeente geboden, zijn daarom voor de gemeente de Bijbel 70); wel voor theologen steeds appellabel aan den grondtekst, en nooit in zichzelf als autoriteit te beschouwen, maar toch van zúlk een waardij en zúlk een geestelijke beteekenis, dat onder ’s Geestes leiding de leek volkomen vrij uitgaat, die aan deze vertaling, en niet aan een tekst die hem vreemd bleef, zich in de consciëntie bond.

En wat nu eindelijk de uitlegging der Schrift aangaat, zoo is ook daarbij de Heilige Geest én de ware exegeet én bij verschil de Supremus Judex. Een rechtspraak die de Geest uitoefent door het spoor der waarheid in de belijdenis der gemeente af te teekenen; in dat spoor de prediking en de studie der Schrift te drijven; en zelfs bij het |40| instrumenteel gebruik des Woords, de zielen aan dien vasten gang te wennen.


En toch, M.H., hoezeer door deze providentie des Heiligen Geestes ook een fides humana in de gemeente kan gewekt worden, toch is ook daarmeê het werk van den Heiligen Geest nog niet voleind.

Immers die fides humana kan nooit absolute zekerheid geven, en een onwedergeborene, reeds Calvijn erkende het, overtuigt ge van de Theopneustie der Schriften, mits hij een doordenkend mensch zij, dan ook nooit. De half sluimerende massa kunt ge door kerk-autoriteit in dien band houden, nooit de zelfstandige, denkende geesten. Niet, als zou voor rijk en arm een onderscheiden regel gelden, maar omdat, gelijk Twesten zeer juist opmerkt: „het absoluut geloof aan het goddelijke der Schrift nooit anders dan op rechtstreeks goddelijk getuigenis kan rusten” 71). Immers, kon ooit de menschelijke rede het goddelijke bewijzen, dan zou die rede boven het goddelijke komen te staan, en zoo eo ipso het goddelijk karakter van het goddelijk Woord zijn vernietigd.

Aan de fides humana, hoezeer steunend op het theïstisch zonder ophouden bezig zijn van den Heiligen Geest met het Woord, hebben onze vaderen dan ook nooit hooger waarde toegekend, dan van een voorbereidend en begeleidend werk, en hun eigenlijk kracht, hun wezenlijke sterkte heeft nooit in iets anders gescholen dan in het Testimonium Spiritus Sancti, d.i. het rechtstreeksch getuigenis van den Heiligen Geest. Getuigenis van den Heiligen Geest, niet opgevat in Lutherschen zin, als van een „Spiritus Sanctus in ipsa scriptura loquens et testificans72), en veel minder nog in den matten zin onzer hedendaagsche theologen, als een samenstemmen van het reflex des Geestes in ons met het reflex van den Geest in de Schrift; neen, maar een Getuigenis van den Heiligen Geest, daardoor ontstaande, dat, gelijk Calvijn zegt, diezelfde God de Heilige Geest, die voor eeuwen door den mond der Apostelen en Profeten sprak, in mijn hart indaalt en door een supranatureel getuigenis mij de onwraakbare verzekering geeft: Deze Schrift, dit goddelijk Woord heb ik God-zelf geïnspireerd 73).

En daar nu zit het in, M.H.! Wie dát getuigenis ontving, die staat als een muur. Wie dat nog mist, golft nog als een baar der zee. En elke poging van den mensch, om dit getuigenis des Geestes door eigen betoog te vervangen, is zondig, doet aan de eere Gods te kort en treft toch nimmer doel. Dit getuigenis ontvangen alle kinderen Gods te zijner tijd, zoo stellig, dat zelfs de ethische theologen die ten leven kwamen, na heel het repertorium hunner negatiën te hebben afgespeeld, toch weer tot de gemeente moesten komen met, zij het ook op gebrekkige |41| wijs, te belijden: „En zie, het is toch het Woord van onzen God!” En daarom, het is dit getuigenis van den Heiligen Geest, dat alle clericalisme de tanden uit den mond breekt; na wegneming van alle tusschenschakels de ziel rechtstreeks aan God bindt; en juist daardoor elk leek met dat onschatbaar recht van geestelijke vrijheid toebedeelt, waaruit kloeke heldenmoed, onplooibaarheid van karakter, echte vrijheidszin geboren wordt. Vervulling van de jubelende Godspraak, dat niet meer de man tot zijn broeder zeggen zou: „Ken de Heere!” want dat zij Hem allen zelf kennen zullen, van hun kleinste af tot hun grootste toe. Wilt ge, zeg dan, de heilige, goddelijke, eenig waarachtige gelijkheid, die den diepzinnigsten geleerde naast de eenvoudigste huismoeder voor dat Woord doet nederknielen met een volstrekt gelijksoortige, onwrikbare vastheid in het hart.

Maar zie, en daar gaat nu mijn klachte over, ook aan dien schoon geordenden toestand komt nu de nieuwere Schriftstudie geheel afbreuk doen. Door haar toch komt alles op losse schroeven; laat elk stuk der Schrift uit zijn voegen los; en wordt de arme gemeente wil- en weerloos overgeleverd in de handen der mannen van de Semitische en Classieke studie. Van de vertaling blijft natuurlijk niets meer over, en zóólang wordt door jeugdige predikers, die van de oorspronkelijke talen nauwlijks het allerelementairste kennen, onder beroep op den grondtekst, hun idee voor die vertaling in plaats geschoven, tot een eenvoudige leek wel denken moet: „Ai mij, wat heb ik toch aan zoo ellendige vertaling, kon ik zélf maar Grieksch en Hebreeuwsch!” Maar ook dan, misleide, waart ge er nog niet, want hoor maar, op alle variatiën vertelt men u, dat ook die grondtekst wanhopend bedorven is, zoo zelfs, dat de handschriften geen genoegzame uitkomst aanbieden, en slag op slag de conjectuur-operatie moet gewaagd 74); en o, toppunt van verwaandheid waaraan ik, meedrijvende met dien stroom, mijzelven meê bezondigde, dan ziet ge jonge mannen kersversch van de academie komen, die zichzelven heusch al rijp en gerechtigd achtend, om hun studiemoedwil in het conjecturen maken zelfs aan die Heilige Schriftuur te koelen. En bleef het daar nog bij. Maar ach, dan moet de arme gemeente het bovendien nog hooren, dat dit verhaal een mythe is, dat ander uit het Parsisme tot ons is gekomen. Dan moet ze vernemen, dat Mozes’ boeken, niet slechts wat redactie, maar ook wat den inhoud betreft, van veel later oorsprong zijn. Het zich laten gezeggen, dat het bericht van schepping en val maar heilige phantasiën zijn, dat Daniël een vroom bedrog is, ja zelfs dat het woord der Apostelen niet normatief kan zijn, noch voor onze belijdenis, noch zelfs voor het beeld, dat we ons vormen van den Heer. En dat alles moet ze dan aanhooren, terwijl diezelfde heeren, als ’t op de belijdenis gaat, haar toeroepen: „Neen, niet de formulieren, maar Gods Woord, |42| zoo alleen, is het Gereformeerd belijden!”; om als men dan vraagt: „dus de Schrift!”; tot antwoord te ontvangen: „neen maar, Gods Woord in die Schrift;” en als ze dan verder onderzoekt: „dus wat daar als Gods Woord in staat?” wederom te moeten hooren: „neen, ook dat niet, dat noemden de profeten wel overdrachtelijk zoo, maar het was eigenlijk product van hun eigen gedachten!” En zie, M.H.! daar nu komt de gemeente Gods, diep beleedigd, met al den diepen vrijheidsdorst en al de blanke oprechtheid van heur trouw, toornende met heiligen toorn, tegen op. Daar lijdt ze onder als onder een spotten met den ernst van haar hart, als onder een spelen met haar zielsnooden. Dat krenkt haar als de beleediging van een hoonend clericalisme. Daar gaat ze in den naam des Heeren tegen in!

Want wel weet ik dat de Heilige Geest ook zoo nog den wedergeborene een innerlijk vast getuigenis geven kán en geeft, maar zelfs bij de wedergeborenen verzwakt dit toch het historisch bewustzijn; — en bovendien, behalve de wedergeborenen en verlosten, zijn er toch ook nog andeen, zijn er ook nog onze kinderen in de gemeente, en het doet haar het bloed naar het aangezicht vliegen als ze merkt hoe deernisloos en onvergeeflijk onbarmhartig die vivisectoren der Heilige Schrifture met de zielen onzer kinderen omgaan.

Want natuurlijk, waar het zoo met de Schrift komt te staan als zij het ons zeggen, daar wordt een gewoon exemplaar van de statenvertaling een schier waardeloos boek; daar is de „dominé” op het dorp de eenige die het uit zijn boeken zeggen kan; daar wordt de oriëntalist en graecus de ziener onzer dagen, wien geheel Israël ondervragen moet; ja, daar wordt de specialist in inleidingsstudiën de Hoogepriester, eener nieuwgeboren kerk, voor wiens orakel de verbaasde schare zich buigt.

Voeg nu hierbij, dat meê tengevolge van deze alles onvastmakende critiek, elk nieuwkomend prediker weêr telkens andere dingen in dezelfde gemeente komt verkondigen; ook dat men dezen theïstisch aldoorgaanden arbeid van den Heiligen Geest verzwijgt; ja bovenal dat zelfs het Testimonium Spiritus Sancti, op gelijke wijs als de inspiratie óf in Lutherschen trant verzwakt, óf in Fichteaanschen zin gesubjectiveerd wordt, en ik vraag u in ernst M.H., is het te veel gezegd, is het te kras gesproken, als ik deze vivisectie, die men op de Schrift dorst toepassen; na ze ten toon te hebben gesteld als het bederf onzer theologie en de vernietiger des Bijbels; nu ten leste niet minder ernstig brandmerk als leidende tot clericalisme; en deswege als vrijgeboren zoon van een volk, dat zich met het Testimonium Spiritus Sancti van Spanje vrijvocht, tegen dit schenden van het gemeenterecht en dit krenken van der leeken vrijheid protesteer. |43|

En zoo ben ik dan aan het einde van mijne taak gekomen, M.H., en zoo ligt mijn drieledig protest tegen de hedendaagsche Schriftcritiek dan beteekend. Niet dit heb ik gewraakt dat men buiten, maar dat men op het erf der gemeente, niet dit afgekeurd dat men als Semietische philologen, maar dat men als Christengodgeleerden in den tempel zelf der Sancta Theologia, met zoo weinig kiesche hand, zoo roekeloos, zoo zonder sparen de Heilige Schrift gekorven, in haar deelen losgeplozen, en toen naar philosophische hypothesen haar organisme gemodelleerd heeft. Zoo ik meen, met logische gestrengheid heb ik én de encyclopaedische én de dogmatische én de gemeenterechtelijke verwoesting u getoond, die door dit critisch vandalisme wordt aangericht; en daartegenover, om den schijn van geestelijke lafheid niet te beloopen, u cordaat en onverholen mijn eigen belijdenis van de Heilige Schriftuur uiteengezet. Ik deed dit in het stille bewustzijn, dat ik, zonder blinddoek of vingeren voor de oogen, de critiek in het aangezicht zie; niets vergoêlijk noch goedpraat; en met volkomen eerlijke wetenschappelijke consciëntie nochtans onwrikbaar vast sta in de belijdenis van de ingeving van den Geest. Dit zal, ik ben er op voorbereid, verbazing wekken bij den één, bitterheid bij den ander, maar waarom zou mij het recht tot spreken worden betwist, waar het reeds zóó ver kwam, dat zelfs de verstgaande schriftanatomen meê door belijders van Jezus worden bewierookt. God de Heere schonk mij nu eenmaal den moed van mijn overtuiging, en al moge die overtuiging dan ook onzen modernen Grieken een volslagen :TD\" dunken en voor ons ethisch Israël een prikkelend F6V<*"8@< zijn, ik blijf er mij aan vastklemmen, gelijk al Gods lieve volk nu achttien eeuwen ze omhelsd heeft, als )L<"4H J@Ø 1g@Ø, een kracht van God ons gegeven, niet tot streeling van onzen hoogmoed, maar tot vastzetting van ons heil.

En neem ik hiermeê afscheid zoo van mijne moderne als ethische opponenten, dan roep ik den modernen onder onze critici toe: „Bij u is, al doolt ge mijns inziens, nogtans de strenge consequentie; de Schrift een schrift als andere boeken, geheel menschelijk ontstaan; maar dan ook geen inspiratie meer, geen sprake meer van uitverkorenen die om zekerheid roepen, en heel de Sancta Theologia gemetamorphoseerd in de wetenschap der religie”. Tot de ethischen daarentegen; omdat ze ’s Heeren heiligen naam belijden, nog steeds mijn broederen; tot hen zeg ik: „Smelt af het wijsgeerig alliage van het zuivere goud dat in de kern van uw geloof nog schuilt. Laat het uit zijn met dat hinken op twee elkaâr uitsluitende beginselen. Kiest weer een vorm die past bij het heerlijk leven, waar immers ook uw ziel in zwelgen wil. Bovenal, hebt deernis, hebt erbarmen met de diep Gekrenkte, omdat ze is de gemeente des levenden |44| Gods!” En vroegen mij de jongeren onder hen, of ze hun inzicht dan verkrachten, hun wetenschappelijk geweten dan geweld aan moeten doen, dan luidt mijn antwoord: „Dat nooit. Iets tegen de consciëntie te doen is nimmer veilig! En geen consciëntiebezwaar mag ooit overwonnen heeten alvorens het werkelijk overwonnen is. Maar wilt ge geweld aandoen, wilt ge tegen iets uw kracht zetten, doet dan, in naam des Heeren bid ik het u, doet dan terdege geweld aan de hoogheid van ons menschelijk denken, werpt eer nog uw critiek op de Schrift dan die Schrift zelve in den smeltkroes, en houdt op als theologen, houdt op als herders der kudde, ooit iets anders, ooit iets hoogers te willen zijn dan o, zoo weinig wetende, maar des te rijker gezalfde instrumenten van den Heiligen Geest! |45|


*

Annales Academici.


De lotgevallen onzer hoogeschool leveren nog geen breed verhaal M.H. De geschiedenis van een enkel jaar uit het eerste kinderleven eener stichting, is zelden rijk.

Toch is er iets.

Met dank aan God en menschen mogen we hier uitspreken, dat de eerst zoo felle inspraak op het recht van ons optreden thans schier geheel verstomde. Immers door van het wetenschappelijk terrein naar de markt der strandbewoonsters over te loopen, geeft uw betwister in de schatting der tot meêoordeelen bevoegde, u onbetwist gewonnen spel. Schier van elke autoriteit en van elken kring van beteekenis ondervonden we dan ook reeds dit eerste jaar een bejegening, gelijk te beurt valt aan elke stichting van normale existentie, en uitsluitend bij enkele irenische predikanten stuitten we nog af, niet op een principiëel weerstand bieden, maar op een prikkelbaarheid der geraakte conscientie, die lucht zocht door aan alle hoeken der straten te roepen: „o, die Vrije Universiteit!”. Bestand kreeg deze spijt nog slechts in den Frieschen kring, van de „Vrienden der Waarheid”, die, door onzen Voorzitter-Curator in schooner dagen opgericht, om „de zaak des Heeren” te dienen, nu helaas, reeds ver genoeg zijn eigen standaard wegwierp, om ’s Heeren zaak in den lande, tevens de zaak van burger- en conscientie-vrijheid, in het vrije Friesland tegen te staan.

Het College van heeren Directeuren en Curatoren onderging geene verandering, doordien de aftredende leden, tot aller vreugde, een hernieuwde benoeming met hernieuwing van hun genegenheid aannamen. Maar verandering kwam wel in het College van gewestelijke Directeuren en gij gedoogt het in mij dat ik hier eershalve en met dank, meer nog met rouw der ziele, onzen afgestorven broeder Sanders gedenk, een jaar geleden op den Stichtingsdag nog als een der Hoofdstichters in ons midden, en nu reeds van ons gegaan, ons slechts de heugenis latend van zijn mildheid, zijn beslistheid, zijn trouw! Vergelde God Almachtig aan |46| Mevrouw zijne weduwe en aan zijn vele zonen en dochteren de liefde die hij ons bewees, en blijve zoolang deze Hoogeschool op onze erve staan zal, de naam van Sanders met dien van onzen Hovy (dien God nog vele decenniën spare) als die van de pleegvaders onzer stichting in aller hart gegrift.

Uit het College van hoogleeraren stierf niemand weg, en zels werd het ons gegund het aantal van vijf op zes te zien uitgroeien; nu reeds schoone aanwinste, en nog blijder profetie van wat de Heere onze God ons in de toekomst schenken moge.

Het aantal studenten, reeds daags na de opening grooter dan eens Leidens aanvang was, klom bij het intreden van den nieuwen cursus nog aanmerkelijk, zoodat ik het Album Civium met reeds zestien namen aan mijn opvolger overhandigen kan. Een getal niet zoo klein, eer bevredigend te noemen, indien ge overweegt, dat in Leiden, Groningen en hier aan de Stads-faculteit soms 5 à 6 theologen, en minder, aankwamen, terwijl aan onze theologische faculteit dit jaar 7 studenten enkel voor de Theologie werden ingeschreven; overweegt niet minder wat ginds aantrekt en hier afstoot; en overweegt eindelijk, dat alleen ónze Universiteit de eere geniet om elken morgen het opschrift van Dante’s Inferno met nachtelijk krijt op zijn portalen gekrast te zien.

Organisch begon er aan het voor een jaar geplante stekje reeds ontkieming te komen, door het constitueeren van twee faculteiten, de theologische en de litterarische, die voor het afnemen van examen mandaat ontvingen. Dit echter bracht onze school voor een gewichtige beslissing, die hier kortelijk vermeld dient.

Naar den regel, dat men niet knutselend maken kan, wat uit eigen levensdrang moet groeien, hadden de stichters onzer school het onbeslist gelaten, of de propaedeutische studiën bij ons, als vanouds, aan de hoogeschool zouden komen, dan wel, gelijk de nieuwe wet op het Hooger onderwijs dit voor de Staatsscholen verordende, zouden afvloeien naar de Gymnasia. Onze Staat volgde hierin het Duitsch model. Wij echter, door den drang der dingen tot beslissing genoopt, hebben na rijp beraad in tegenovergestelden zin gekozen en geoordeeld, dat in onze Nederlandsche toestanden zulk een hybridisch gymnasiaal onderwijs niet wenschelijk was. We hielden ons overtuigd, dat de hoogste klassen van het gymnasium de schoolkiel ontgroeien en alzoo den schooltucht krenken zouden, terwijl omgekeerd door dit terstond overgaan tot de vaklessen bij het komen aan de academie, de propaedeuse, die den echten studiegeest ontwikkelt, schier geheel zou ontbreken. Een gevoelen, waarin we werden gesterkt door de klachten, nu reeds van alle zij uit de gymnasiale wereld opgegaan, en straks, we zijn er zeker van, ook uit de |47| Academiewereld te vernemen. Voor een Hollandsche jongeling is een vijfjarig verblijf aan de academie eer te kort dan te lang te noemen. Dien reeds zoo korten tijd met één of twee jaren in te korten, is een wegnemen van het rustige der studiën. Haast een komen om te gaan!

Intusschen vloeide uit deze veelzeggende beslissing een andere niet minder gewichtige voort. Gold het voor den Staat als regel: een jurist studeert negen jaar, en van die negen zes op het gymnasium en drie aan de hoogeschool, dan zou dit, bleven we diploma van eindexamen eischen, bij ons worden zes jaren op het gymnasium en nog vijf jaren aan de hoogeschool bovendien. Dus elf jaren saâm. Een studieverlenging die, hoe wenschelijk ook op zichzelf, toch de grenzen van het redelijke overschreed. Indien een einddiploma aan de Staatsschool de propaedeuse als afgeloopen beschouwt, ging het toch niet aan, der alsdan volleerden propaedeuticus nogmaals twee jaren in de zelfde studie te laten doorbrengen. Dit ware tijd- en geldverspilling, erger nog bederf van karakter en studie geweest. Zoo zagen we ons dan gedwongen zelf een admissie-examen in te voeren, waarvan de eischen misschien iets te hoog, zeker niet te laag gesteld zijn; en zullen we voortgaan op denzelfden weg eerlang ons misschien genoopt zien overgangsbewijzen uit de 5e naar 6e klasse van het gymnasium als diploma te erkennen, overmits ook zoo nog voor het ééne jaar minder „twee jaar meer” in de plaats treedt.

Ver van de Staatsruif, „in ons eigen weidje grazend,” mochten we uiteraard geen voorkeur aan Staatsgymnasiën boven vrije gymnasiën geven. Dit gaf aanleiding tot een contractuëele regeling met het gymnasium te Zetten, waarbij dit op voet van gelijkheid met overige gymnasiën trad, en evenzoo tot een voorloopig erkennen van het Kaapsche matriculation-diploma, waarvan het examen-programma ons was voorgelegd.

Last not least, is ook de standaard voor het propaedeutisch examen zoo van toekomstige theologen als juristen vastgesteld; de omvang bepaald voor het candidaats- en doctoraal examen in de godgeleerdheid; en aan Z.M. regeering is mededeeling geschied van een ampliatie van ons Schoolreglement, waarbij het recht tot verleenen van doctorale graden aan den Senaat is toegekend.


En voorts wat de regeling onzer uitwendige aangelegenheden betreft, laat mij liever dan die breedte te omschrijven, u daarvoor rechtstreeks danken mogen, Hooggeachte Heeren Directeuren, zeer gewenschte broederen! Nog slechts één jaar bestiert Ge ons en toch reeds dat eerste jaar geschiedde veel. Dank zij Uw zorgen en de uitnemende welwillendheid onzer Schotsche broederen, is én dit groot auditorium voor onze openbare samenkomsten én het klein auditorium voor de gewone lessen, ons afgestaan en |48| ingericht naar onzen wensch. Voor het hospitium van studenten werd onder Uw beleid reeds een goede somme gouds door de mildheid van enkele broederen saamgebracht. Voor meer dan één student én door Uw bestel én door de vriendelijke zorg, nu niet van de Friesche maar van de Nederlandsche Vereeniging van Vrienden der Waarheid, een klein aantal studiebeurzen beschikbaar gesteld. Onze kleine boekenrij vraagt reeds voor een volgend jaar om meerdere plaatsruimte. Een pensioenfonds voor hoogleeraren is tot stand gekomen. En hoe klein Uw middelen ook nog waren, toch was er reeds het eerste jaar een niet onaanzienlijke groei. Houde die in gelijke mate aan, en geve Hij, wiens het goud en het zilver is, U in den nieuwen cursus zonder zorge, ons zoo te verzorgen, dat voortaan onbezorgd ons aan de studie te wijden, onze lust en onze eere zij!


Niet minder aan U onze dank, Hooggeachte Heeren Curatoren, viri spectatissimi, meer nog amicissimi, want ja zoo mag ik U noemen U die niet onze meesters maar onze broederen hebt willen zijn en bij veel rechtsoverschrijding in den nog ongeregelden toestand met schier Mozaïsche lankmoedigheid toezaagt. Tot U zou ik over de venandi ars spreken willen, nu Ge er zoo zeldzaam in slaagdet om als venatores expertissimi in onze litterarische faculteit den man in te dragen, van wien niet dit het heerlijkst is, dat oud-Latiums studie hem het hoofd schier verlatijnde; maar veel meer nog dat die Latijnsche kop in stille harmonie zich met een hart ontwikkelde, dat niet naar Nicodemustrant het kruis van verre een groet gunt, maar ingegroeid in ons gereformeerd belijden, zich innig één voelt met het eenvoudigst volk van God. Geeft van zulk een bedrevenheid in de ars venatoria ons nog vaak, kan het zijn, spoedig meerdere proeven, en gingen oudtijds de venatores voor goed geluk eerst in het sacellum van Diana knielen, Gij, waarde broederen, kent hooger heil dan goede kansen; ervaart dan ook bij uw toekomende keuzen even kennelijk den zegen van Uw God.


Minder ruim van hart, Hooggeachte ambtgenooten! kom ik tot U. Immers al de last van een bij ongeregelden toestand nog zeer discretionair rectoraat, is, verzwaard met het onrustige vaak uit tijdsgebrek geboren, vooral op u neergekomen. Bij alle gebrek deed ik het zooals ik het deed, en het scheepje is met Gods hulp dan toch zee blijven bouwen. Vergeeft mij dan het vaak min vormelijke, en laat u mijn dank zijn én voor Uw meêwerken én voor Uw inschikken. Vooral Gij mijn Ambtgenooten maaktet het rectoraat mij licht! Komt sluiten we dan ook voor den nieuwen cursus ons hartelijk aaneen. Er moet streng, veel, diep door ons gestudeerd worden, met een studie die al onzen tijd, die al onze kracht, die al de |49| energie van ons hart in pand neemt. Gereformeerde leer zonder gereformeerde praktijk vloekt, en daarin juist blonk eens de eere onzer vaderen dat hun praktijk niet op de methodistische buitenposten, maar in het hart der veste schitteren mocht; voor ieder op zijn eigen erf. Zij er daarom in klimmende mate consciëntie óók in onze studiën. Sta onze school als in den Voorhof des Heeren, en storte Hij, in wiens naam en voor wiens eere we optraden, in toenemende mate over ons uit dien Geest „der genade en der gebeden”, die Christus zelf wonen doet in de stichting, die Hij ons schonk.


Voor U mijn laatste woord, Heeren studenten aan deze Hoogeschool, o, Moge ze U, zoo al niet de officiëele school der Hillels en Gamaliëls, dan beter nog een profetenschool van Ramah zijn. Gij houdt, met uw nog jeugdig hart, niet van de bedekte phrase, maar van openheid niet waar, en daarom niet van U allen hoofd voor hoofd loof ik de beginselvastheid en prijs ik de energie en den moed, om tot ons te komen. Ik weet er zijn er ook onder U, jonge mannen zooals ze tot David in de spelonk van Adullam kwamen, en van wie Samuël schreef: „tot hem vergaderde alle man die benauwd was, en wiens ziele bitterlijk was bedroefd”. Maar toch dat is uitzondering, en als corps, als geheel, geef ik U wel terdege de eere, van U te hebben durven uitzonderen; van heel uw persoon en heel uw toekomst tot inzet te hebben gesteld; en warsch van karakterbedervende gemakzucht het wilde steile bergpad gekozen te hebben, waar anderen in een zachtverend staatsierijtuig voortwiegelden langs het glad geplaveide pad. Wat ik een jaar geleden niet kon, wat toen a solemnitate absonum zou geweest zijn, doe ik daarom nu, en roep in aller naam bij deze openbare plechtigheid U een diepgevoeld, een welgemeend, een hartelijk welkom toe. Over karakterschaarschte heeft men voor jaren aan een naburige Universiteit geklaagd, terwijl men voortgaat door valsche verhouding er de karakters te ontzenuwen. Laten wij er niet over klagen, maar er naar staan, of het met Gods hulpe ons gelukken mocht, als andere Curtii met onze eigene personen die smartelijke gaping te dempen. Maar dan ook Uw taak niet te licht geacht. Gij heeren studenten aan onze hoogeschool moet uitblinken, of er zal ganschelijk geen glans aan U izjn. Gij moet nog iets anders dan de dictaten van buiten leeren, op straffe van door eigen schuld uw studie doelloos te maken. Bovenal in U moet meer dan een schijn van godsvrucht worden gevonden. Gij kunt de branding, die U wacht niet doorkomen, dan met een God, die Uw God wierd door het geloof. Aan Uw overtuiging, we zeggen het U telkens en herhalen het ook hier openlijk, doet niemand onzer geweld aan. Al wilde een zoon uit Israël, ja van den Islam, bij onze lessen komen, de toegang sta open, de studie blijft vrij. Meer nog, „oudemannetjes-vroomheid” |50| zouden we zelfs eer in U verfoeien dan die aan te moedigen. Voor den jongeling is de bloesem des levens, de doornen zjn voor den man. Maar wat we wel van U vragen, wat we U smeeken bij de eere van onze stichting, ontvliedt wat U wereldsch zou maken, mijdt wat Uw eerbaar zelfbesef zou krenken, weest edele, weest hooggevoelende jongelingen, bluscht het vuur van heiligen zin niet in Uw borst. Helaas, dat we het niet verzwijgen mogen, reeds één uit uw kring leed schipbreuk en is door den Senaat met consilium abeundi gerelegeerd. o, Laat dan toch die eerste schipbreuk voor U die bleeft en voor U die kwaamt een baken in zee worden. Heel het vaderland ziet op U, het volk des Heeren hoopt op U; stelt zoo schoone verwachting niet te leur!


Daartoe mogen ze U zijn opgedragen, Heere onze God! U opgedragen met onze leeraren en verzorgeren, ja, met heel onze stichting. U opgedragen ook voor den jaarkring, die zich thans weer in Uw gunste ontsluit. Neem het zondige uit ons weg, en wat er was, verzoen het. Drup op ons met den dauw Uwer heiligheden. En bovenal bind ons met heel onze zielen, bind ons met heel onze Stichting, aan dat Boek der boeken, aan dat Woord, dat Ge uw Gemeente schonkt, opdat alzoo ook uit deze school U, o, Vader, Zoon en Heilige Geest, Drieëenig God der Verbonden, toekome de lof, de glorie en de dankzegging. Amen.

*

En alsnu komende tot het doel dat ons in deze plechtige ure samenbracht, zoo leg ik dan in dit oogenblik M.H. de rectorale waardigheid neder en draag die, ingevolge het besluit van Heeren Directeuren, over op mijn ambtgenoot den Hooggeleerden Heer Frederik Lodewijk Rutgers, Doctor en gewoon hoogleeraar in de heilige godgeleerdheid, dien ik mitsdien als Rector onzer school proclameer.

Zelf dus geen Rector meer, geniet ik ook zoo toch het voorrecht U, nieuw opgetreden rector, eer dan iemand en in aller naam, den groet van mijn hulde te brengen. Wat in mijn hart voor U leeft, is te teeder om het U hier te zeggen, maar dit ééne getuigen mag ik dan toch, dat ge meer dan een gekozen, dat ge een geboren Rector zijt; voor Rector in de wieg gelegd; ja, vroeg men mij een rectorstype, ik wees op U als archetypisch model. Orden Gij dan met uw schoon geordenden en daarom alles om u ordenenden geest, wat uw minder gedisciplineerde voorganger nog ordeloos achterliet. Groeie onder Uw rectoraat de kring onzer leeraren en het getal onzer kweekelingen. Worde als we over jaar en dag hier weer saâm komen, niet één uit de onzen gemist. En terwijl ik hiermede onze stichting, onze studie en onze personen aan de genade van God Drieëenig opdraag, eindig ik met der ouden spreuk ook over onze school uit te roepen: Vivat Crescat Floreat Academia!


Ik heb gezegd.



Aanteekeningen.


In de hier volgende aanteekeningen, die slechts zeer enkele punten verduidelijken, wordt allerminst bedoeld het veelomvattend onderwerp ’tzij dialectisch, ’tzij met het oog op de litteratuur, toe te lichten. Dit zou meer dan een boekdeel eischen, en kan eerst dan gegeven worden, als de hier in schets gebrachte denkbeelden in een volledige Encyclopaedie en in een afzonderlijk tractaat over de Locus de S. Scriptura worden uitgewerkt. Critiek op ons standpunt stelle men dus, indien meer dan oppervlakkige bespreking bedoeld wordt, tot later uit. Men zal het billijk vinden, dat we eerst op het College geheel deze materie doorwerken, eer ze gepubliceerd worde. Wat deze redevoering bedoelt, is dan ook niets anders dan in algemeene trekken ons standpunt aan te duiden. Er zijn er, die met ernst ons een soortgelijk program van Schriftbeschouwing vroegen. Op het gevaar af van misverstaan te worden, is daarom aan dit verlangen voldaan.


1. „Alzoo weet ook niemand wat in God is dan de Geest Gods; want de Geest doorzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.” [1 Korintiërs 2 : 11.10]

2. Hierbij is allerminst uit het oog verloren, dat de Schriftuur van de natuur dáárin verschilt, dat 1º. bijna uitsluitend de theologie de Schrift in den kring van haar onderzoek trekt, en 2º. dat ze als een speciaal product eigenaardige eischen brengt van specialer studie. In het verder verloop deze rede (p. 9 enz.) blijkt dan ook, dat o.i. de historisch-critische inleidingsstudiën wel terdege moeten behouden blijven; slechts tegen de valsche proportiën, waarin men haar drijft, kwam ik op.

3. Slechts bij uitzondering wordt hier de naam van Dr. Kuenen genoemd; overmits hém niet te noemen, die feitelijk toch aan het hoofd der radicaalste bestrijders van het Oude Testament in heel Europa staat, een miskenning ware van zijne eminente positie. Voor het overige daarentegen zijn alleen buitenlandsche geleerden genoemd, teneinde in ons kitteloorig |54| landje elk personeel karakter aan deze redevoering te ontnemen. Om het beginsel, niet om personen was het mij te doen. En dat beginsel wordt op volkomen gelijksoortige wijze beleden door de geleerden buitenaf en de geleerden ten onzent. Ook al verzweeg ik dus de Nederlandsche geleerden, mijn doel werd toch evengoed bereikt. Hierbij zij tevens opgemerkt, dat de onderscheiding tusschen oudere en jongere ethischen, hoezeer ook in bespreking voor het groote publiek noodig, hier weg moest en kon vallen; 1º. overmits alleen de beginselen getoetst werden, die voor beide scholen één zijn; en 2º. omdat de oudere school wel verre van openlijk tegen de jongere op te treden, én in persoonlijke relatie én door sociale en kerkelijke aaneensluiting, de jongere school met het gezag van haar naam dekt.

4. Een voorslag ook ten onzent door de HH. Dr. J.H. Gunning Jr. en den hoogleeraar Dr. D.P. Chantepie de la Saussaye overgenomen. Zie Het ethische beginsel in de Theologie p. 33 vv.

5. Hierbij lette men met name op het niet genoeg opgemerkte feit, hoe uit de Schleiermachersche school een geheele reeks van Roomsche theologen is voortgekomen. Schleiermachers uitgangspunt verraadt dan ook veel sterker verwantschap met Romes grondbeginsel dan met het beginsel der Reformatie.

6. Rothe, zur Dogmatik, ed. 1862 (de tweede editie van ’69 is een letterlijke afdruk) p. 290.

7. Cf. Rothe, in o.l.; Von der Goltz, Die Christl. Grundwahrheiten, Gotha 1873, p. 83 v.v.; Frank, Syst. der Chr. Gewissheit, Erlangen 1870, en Syst. der Chr. Wahrheit, Erlangen 1878. II p. 235 v.v.; Räbiger, Theologik od. Enc. der Theologie, Leipz. 1880. S. 240.

8. Ezechiël 42 : 20: „Om onderscheid te maken tusschen het heilige en onheilige.”

9. Niet genoeg kan er nadruk op gelegd, dat in onze tegenwoordige wet op het Hooger Onderwijs de moderne encyclopaedie geheel getriomfeerd heeft; dat in het oorspronkelijke ontwerp eerlijk weg: Wetenschap van den godsdienst stond; en dat, naar ik op grond van persoonlijk verkeer in de Kamer getuigen kan, uitsluitend de vrees voor het opkomend Calvinisme, er de radicalen toe verleid heeft, om in plaats van dien eerlijken naam den gestolen naam van Theologie weer in de wet te schrijven. En door het schild van zulk een oneerlijke en onedele praktijk achten vele onzer Christenbroeders zich nu gedekt. Erger nog: ze hebben deze dingen wetend en ervoor gewaarschuwd, nochtans zulk een onwaardigen toestand schier als een gunst van de radicalen afgebedeld. De adressen liggen nóg in het archief der Tweede Kamer gedeponeerd. |55|

10. Men denke hier vooral ook aan den schat van beurzen, die door de vroomheid onzer gereformeerde vaderen gesticht zijn, en thans door de machthebbenden ter bestrijding van het gereformeerde leven worden misbruikt. Zelfs beurzen, speciaal voor Voetianen bestemd, reikt men thans uit aan jonge mannen van wie zelfs Coccejus met schrik zou zijn teruggedeinsd.

11. Dit raakt de vraag, of in de Heilige Schrift, zonder dadelijke inwerking van den Heiligen Geest op elk gegeven oogenblik, een mystiek, bovennatuurlijk vermogen inwoont. De Lutherschen door Rathmanns felle tegenspraak, ter wille van hun sacramentsleer, tot verweer gedrongen, hielden dit staande; de gereformeerden loochenen dit. Cf. Baieri, Compend. Theol. Positivae, Francof. 1739, p. 108 v.v.

12. Psalm 119 : 152.

13. „Een levende steen”.

14. 1 Petr. 1 : 12: „Dat zij niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen.”

15. Hiermeê is volstrekt niet ontkend, dat de deelen der Schrift in hun successievelijk ontstaan zelve een integreerend deel der openbaring vormden; maar is slechts ter verduidelijking van de tegenstelling geheel het proces van de Schriftgenesis geabstraheerd van de genesis der Openbaring.

16. Rothe, o.l. p. 237.

17. Rothe, o.l. p. 237.

18. Ook de impulsus ad scribendum is hiermeê in den striktsten zin vastgehouden. Zoodra men toch bij het te boek stellen van den Schriftinhoud eene opzettelijke werkzaamheid van den Heiligen Geest belijdt, die begint waar dit te boek stellen begint, geschorst wordt waar dit te boek stellen wordt afgebroken, en die eerst ophoudt als dit te boek stellen is afgeloopen, — is deze impulsus in al zijn stadiën beleden.

19. De school der „Vermittelungstheologen,” ten onzent met zooveel talent door een onzer uitnemendste hoogleeraren vertegenwoordigd, blijve hier onbesproken. Deels omdat deze theologen tot geen eigen principe opzichtens de Schriftinspiratie gekomen zijn en dus geen front tot aanval opleveren. Deels ook omdat ze, slechts gradueel van de Ethischen verschillend, in de hoofdquaestiën met hen onder eenzelfde critiek komen. Natuurlijk zou het ons persoonlijk veel aangenamer wezen den indruk te laten voortbestaan alsof deze grijze apologeet en zijne talentvolle volgelingen principiëel in dezen strijd aan ónze zijde en tegen de Ethischen overstonden. Het doet zelfs zeer, zulk een illusie niet te mogen sparen. Maar mag er op heilig gebied getransigeerd om der personen wil? En indien niet, welnu lees dan deze stelling uit den bekende Dogmatiek (2de ed. I. p. 286): „De |56| Theopneustie der gewijde schrijvers moet in den regel niet als oogenblikkelijke hulp, uitsluitend tot het schrijven, opgevat worden, maar als natuurlijk gevolg hunner persoonlijke leiding door den Heiligen Geest, die geheel hun denken en werken, en dus ook hun schrijven bestuurde”, — en zeg ons, of we de waarheid niet verkrachten zouden, indien we ontkenden, dat reeds hiermeê geheel het ethisch beginsel bij de Schriftinspiratie was binnengeloodsd. Bovendien de schrijver van deze Dogmatiek staat in deze niet alleen, en al zijn geestverwanten in Duitschland nemen ten deze even zwakke positie tegenover de Ethischen in als hij. Cf. Tholuck, Die Inspirationslehre, Zeitschr. für Chr. Wissensch. 1850. p. 346. Ebrard, Dogmatik I. 32. Martensen, Chr. Dogm. p. 32, 315. Lange, Dogm. I. p. 345, Olshausen, Bibl. Komm. Königsb. 1853. I. p. 28. Thomasius, Christi Person und Werk, III. a.p. 449. Luthardt, Comp. d. Dogm., Lpz, 1866. p. 239 enz.

20. „Ich habe ja hier im Wesentlichen nichts anderes ausgesprochen, als was die allgemeine Ueberzeugung unserer modernen „gläubigen,” deutschen Theologen ist.” Rothe, o.l. p. 349.

21. „Man liebt es noch, sich so viel wie möglich an die alten kirchlich dogmatischen Lehrbestimmungen und Ausdrücksweisen anzulehnen, weil meine Absicht dahin geht, mich mit diesen möglichst klar aus einander zu setzen.” Rothe, o.l. p. 349.

22. Rothe, o.l. 250.

23. Rothe, o.l. p. 344. Die Bibel, wie ihr Bild aus der voranstehenden Auseinandersetzung sich herausstellt, ist freilich eine andere als die, welche der orthodoxe Theolog und der einfache gläubige Christ sich denkt, wenn er das heilige Buch in andächtiger Ehrfurcht in die Hand nimmt. Wat hij er dan op volgen laat: aber die Herzensstellung des an die göttliche Offenbarung Gläubigen zur Bibel, das behaupte ich kühn, ist auf dem hier beschriebenen Standpuncte um kein Haar eine andere als die des orthodoxesten „Schriftgläubigen” (wenn anders er dabei wirklich ein Gläubiger ist); seine Ehrfurcht vor ihr als einem Heiligthum und seine Andacht in ihrem Tempel, sie sind nicht minder aufrichtig, tief und warm als die des kindlich einfältigsten Frommen, der in der heil. Schrift, ohne einen Gedanken daran, dasz es auch nur anders sein könnte, das unmittelbare wörtliche Dictat des heiligen Geistes selbst verehrt”, is bijna letterlijk hetzelfde wat indertijd ook Scholten, ja zelfs een Dr. Zaalberg, beweerde, en mist dus allen klem.

24. Schleiermacher, Der Christl. Glaube, (ed. Reutl. 1828). II. 426.

25. Ibidem. Cf. Walther, Was lehren die neueren orthodox sein wollenden Theologen von der Inspiration? Dresden 1872. p. 5. |57|

26. Cf. Rothe, o.l. 2es Artikel p. 55-121, en 3es Artikel 237-245. Cf. p. 244. „Die Inspiration muss nämlich ihrem Begriffe zufolge, als ein nur momentaner, flüchtig dahin eilender Zustand gedacht werden.”

27. Rothe, o.l. p. 290. „Was unfehlbar ist, ist die aus sich selbst, als einem organisch zusammengehörigen Ganzen, herausgelegte und so durch sich selbst corrigirte oder, wie man auch sagen kann, die aus und in dem Geiste der Schrift selbst verstandene Schrift. Wir besitzen so an der Schrift allerdings einen unfehlbaren und irrthumslosen Bericht über die göttliche Offenbarung, aber nicht so, dasz er uns unmittelbar in die Hand gegeben würde, sondern den Bericht, der uns unmittelbar dargeboten wird, müssen wir uns erst selbst zu einem unfehlbaren und irrthumslosen herstellen — durch nie rastende Schriftforschung, die historische Kritik der heil. Schrift selbst ausdrücklich mit einbegriffen. Denn durch solche Schriftforschung allein läszt jene Correctur der Schrift aus und durch sich selbst sich vollziehen”.

28. Rothe, o.l. 238. Dat desniettemin telkens van de „Infallibilität der Schrift,” u.s.w. gesproken wordt, is niets dan woordenspel. Een Schrift, waaruit ik, feilbaar mensch, eerst, door middel van subjectieve critiek, den in een feilbaar omhulsel verborgen, onfeilbaren inhoud moet opmaken, hield in volstrekten zin op onfeilbaar te zijn, en mag dus ook niet meer met het praedicaat van „onfeilbaar” betiteld. Dit alles behoort tot de „Babylonische spraakverwarring” die door de ethischen is aangericht, en waar we zoo belist mogelijk tegen hebben te protesteeren.

29. Rothe, o.l. p. 249.

30. Rothe, o.l. p. 185. „Die Thatsache selbst, dasz bei den neutestamentlichen Schriftstellern häufig eine Gattung von Auslegung alttestamentlicher Stellen vorkommt, die heutzutage kein sachkundiger Exeget sich gestatten könnte, liegt so offen vor Aller Augen, dasz auch die entschiedensten Vertheidiger der Inspiration der Bibel anerkennen, dasz die Apostel in dieser Hinsich eine „freie Art” des Verfahrens befolgt haben.”

31. Rothe, o.l. p. 295. „Kommt nun der Bibel nur eine relative Unfehlbarkeit zu, so sind wir auch nicht unbedingt durch und an die in ihr enthaltenen religiösen Vorstellungen, als für uns normative, gebunden.” Wel noemt hij desniettemin de Schrift weer telkens normatief. Maar ook dit is woordenspel. Niets meer. Het nemen van een absoluut woord voor een relative betrekking.

32. Rothe, o.l. p. 281. „Weitaus das Wichtigste im N.T. ist für uns natürlich die Darstellung und die Vorstellung, die es von Christo gibt: wie nun, ist sie eine von jedem Irrthum freie? Wir bitten, die Frage nicht misszuverstehen. Wir fragen nämlich niets, — denn darauf kommt es |58| hier gar nicht an, — ob es für uns möglich sei, uns aus dem, was das N.T. von dem Erlöser berichtet, eine völlig irrthumsfreie, d.h. richtige, geschichtliche Anschauung und begriffliche Vorstellung von ihm zu erarbeiten; sondern danach ziehen wir Erkundigung ein, ob das was im N.T. von demselben, es sei über seine Geschichte oder über sein Wesen und sein Werk, geschrieben steht, ein Jedes in dem Sinne verstanden, in welchen es von seinem Verfasser niedergeschrieben wurde, nichts Unrichtiges enthalte. Was nun zuerst das Historische betrifft, so liegt es zu Tage, dasz wir diese Frage nicht bejahen können.”

33. Rothe, o.l. p. 296. „Auf sie ist aber augenscheinlich nicht (direct) zurückzuleiten alles das, was sich gänzlich nicht für inspirirt gibt, überhaupt gar nicht mit dem Anspruch auf eine Abkunft aus der göttlichen Offenbarung austritt, also z.B. die mosaische Kosmogonie und Hamartogenie, die einfachen Geschichtserzählungen der beiden Testamente u.s.w., vor allem aber dasjenige, was dirct von einer Inspiration gar nicht hergeleitet werden kann.”

34. Ibidem.

35. Rothe, o.l. p. 287 en 192. „Von der hier gegebenen Vorstellung von der Irrthumslosigkeit der heil. Schrift musz man nun aber rundheraus aussprechen, dasz diese Infallibilität der Bibel eine völlig andere ist als diejenige, welche unsere altkirchliche Theologie behauptet. Denn diese letztere ist eine unmittelbar in den einzelnen biblischen Stellen und Schriften, wie sie uns vorliegen, gegebene; jene dagegen ist eine erst von uns an der heil. Schrift herzustellende, sie ist erst das Resultat unserer wissenschaftlichen Bearbeitung derselben. Wolltn wir diesz verschweigen, so würde uns gerechterweise der Vorwurf eines unehrlichen Spiels treffen. Diese Differenz unserer Vorstellungsweise von der kirchlich dogmatischen zu verstecken, haben wir ohnehin um so weniger Ursache, da wir uns getrost darauf berufen dürfen, dasz sie dem religiösen Thatbestande, wie die fromme Erfahrung des evangelischen Christen ihn ergibt, genau entspricht.”

36. Dorner, Gesch. der Protestant. Theologie. München 1867, p. 245.

37. Niets is noodiger dan juist het tegenstaan van deze schoonklinkende maar alle helderheid verwarrende „Schlagwörter.” Wie zoo hoort zeggen: „De waarheid draagt een ethisch karakter”, is onwillekeurig geneigd zulk een stelling zonder nader onderzoek door te laten. Immers is er iets van aan; en dat iets breidt men nu ondoordacht op geheel de voorstelling uit. Wil men dus met succes de Schriftwaarheid weer in de plaats brengen van deze philosophische gedachte, dan moet de bijl aan den wortel gelegd, |59| en geheel deze reeks van „identitäts”-voorstellingen zonder sparen bij den grond afgesneden.

38. Hoe sterk ook de ethische richting, en we danken haar daarvoor, het diep bederf der zonde accentueert, toch is in haar philosophische ontleding telkens en telkens de zonde weer buiten rekening gelaten. Dit kon niet anders. De school waaruit ze haar categorieën overnam, was zelfs bij Schelling, onder soms zeer Christelijke vormen, paganistisch, d.i. zonder een tot op den wortel gaand zondebesef. De verwarring van het ethische met het aletheische leven zelfs in zondaren, is van deze inconsequentie der ethische richting één der sterkste proeven. Altijd hetzelfde dualisme tusschen den vorm en den inhoud van hun denken. Nooit concentrisch naar vorm en inhoud uit éénzelfde beginsel afgeleid!

39. Ter eere van de Duitsche ethische geleerden moet hier erkend, dat Rothe o.a. het holle en onjuiste van den term: „godmenschelijk” zeer juist heeft ingezien. Zie Rothe, o.l. p. 271/2. „Unter denjenigen unserer heutigen Theologen welche die Unmöglichkeit, jene alten Anschauungen aufrecht zu erhalten, empfinden, ist es ziemlich allgemein Sitte geworden, um dem richtingen Gesichtspunct für die Betrachtung der heil. Schrift zu bezeichnen, dieselbe ein gottmenschliches Werk zu nennen und zu fordern, dasz man ihr eine göttliche und eine menschliche Seite unterscheide, wiewohl freilich beide sich auf das innigste durchdrängen, so dasz sie in concreto nicht auseinander herausgelöst werden könnten. Ich bedaure, dasz ich mir diese Formel, so viel Bestechendes sie auch auf den ersten Anblick hat, nicht anzueignen weisz. Schon das sollte doch wohl bedenklich gegen sie machen, dasz sie ja zu dem Ende erfunden worden ist, um das, was an der Bibel als unvollkommen, und zwar als menschlich unvollkommen erscheint, zu erklären und zu rechtfertigen. Dazu ist sie nun aber schlechterdings untauglich; denn durch den Begriff des Gottmenschlichen ist ja an dem Menschlichen alles menschlich (d.h. an der Begriff des Menschen gehalten) Unvollkommene ausdrücklich ausgeschlossen. In dem Gedanken des Gottmenschlichen liegt das reine, das absolute Zusammen- und Ineinandersein des Göttlichen und des Menschlichen. In Christo nun ist uns diesz wirklich gegeben, aber auch nur in ihm, und deszhalb ist Er allein der Gottmensch und sein Dasein und Leben allein ein gottmenschliches”. Ten onzent daarentegen gaat in predicatiën en geschriften deze theosophische voorstelling nog maar steeds door. De „theanthropos” is de Christus; Hij alleen. En wie van een zondaar, van een mensch, van een verloste, na wel doorgedacht te hebben, zeggen durft, dat hij ook een „godmenschelijk” leven ontving, begaat daardoor de fout, om óf de waarachtige godheid onzes Heeren Jesu Christi te na te komen, óf wel het „gij zult als God zijn” in theosophische nevelbeelden op te roepen voor den overspannen geest.

40. Zie Rothe, o.l. p. 333. „Dem gegenüber hat die katholische Kirche |60| in der That vermöge ihrer Lehre von der Tradition sich eine gröszere theologische Freiheit gesichert aber freilich auch nur der Kirche, nicht der theologische Wissenschaft, die sie gerade vermöge jener Lehre in eine tiefe und unwürdige Sclaverei, nämlich unter der Hand der Kirche, versetzt. An dem protestantischen Grundsatz selbst liegt die Schuld nicht, wenn durch ihn auch die wohlberechtigte theologische Freiheit oft gefesselt worden ist, sondern lediglich an der unrichtigen Weise, wie man die göttliche Offenbarung dachte, nämlich als unmittelbar religiöse Lehre. Die göttliche Offenbarung ist eben nicht die offenbarungsmäszige, in höchster Potenz die christliche religiöse Lehre. Vermengt und verwechselt man diese beiden, dann freilich verwirrt sich Alles. Die christliche religiöse Lehre hat die heilige Schrift nicht zu ihrer alleinigen Quelle, wohl aber, weil diese für uns die alleinige Erkenntnisquelle der Offenbarung ist, unumgänglich zu ihrer Norm. Aber doch auch wieder nicht zu ihrer alleinigen Norm”.

41. Vooral aan onze Christelijke onderwijzers wordt dit op het hart gebonden. Het zeggen, dat van een onderwijzer een Christelijke atmosfeer moet uitwasemen, en dat deze atmosfeer veel beter dan „dogmatisch gehaspel” de nationale jeugd bewerkt, is zoo algemeen doorgedrongen, dat het niet spoedig genoeg kan gestuit worden. Dat modernen zoo spreken is volkomen begrijpelijk, maar hoe kan men dit toch een paedagogisch beginsel noemen voor een specifiek Christelijke school?

42. Rothe, o.l. p. 183. Was das alte Testament angeht, kann sich also unsere kirchlich-dogmatische Inspirationslehre in der That auf die Auctorität zwar nicht des Erlösers selbst — denn er verhällt sich zu ihr völlig neutral, — wohl aber der Apostel berufen. Allein welches dogmatische Gewicht hat nun diese Thatsache? Mit jener Inspirationsvorstellung der Apostel, das kann doch Niemand in Abrede stellen, steht im innigsten ursächlichen Zusammenhange die eigenthümliche Art der Exegese, welche sie auf eine uns oft sehr befremdende Weise an den alttestamentlichen Texten ausüben, und die Bedeutung, die wir der ersteren beizulegen haben, bestimmt sich daher nothwendig nach Maszgabe unserer Würdigung der letzteren. Halten wir die apostolische Behandlung der alttestamentischen Schrift für eine objectiv berechtigte und folglich für eine richtige Auslegung, nun ja, so darf uns auch die apostolische Inspirationslehre feststehen; vermögen wir dagegen jenes nicht, so werden wir unmöglich zu dieser Vertrauen fassen können, denn auch hier gilt das „an ihren Früchten sollt ihr sie erkennen”.

43. Ibidem p. 344.

44. Dit is niet te sterk gesproken. Van tweeën één toch. Jesaia heeft dit cijfer XV door goddelijke mededeeling ontvangen óf het geraden. Een derde is er niet. Neem nu het eerste aan, dan ligt heel de hypothese der Vermittelungs-theologen omver. Of wel, stel het laatste, stel dat hij een |61| gis deed en dat het toevallig zoo uitkwam, is ze dan niet verachtelijk een schriftuur, die u daarin Gods majesteit wil doen aanbidden?

45. Rothe, o.l. p. 286, „Der wahre Stand der Sache ist mithin dieser: die Verkündigung keines einzelnen Apostels ist schlechthin irrthumslos, aber die Gesammtverkündigung der Apostel (die apostolische Verkündigung in diesem Sinne) enthällt vollständig die Bedingungen eines schlechthin irrthumslosen Verständnisses Christi.

46. Opmerkelijk is het, dat ook de meeste Roomsche dogmatici over de inspiratie zwakker oordeelen dan de gereformeerden. In 1588 verklaarde de theologische faculteit van Douai en Leuven zich nog voor het strenge inspiratie-begrip, maar sinds week dit. Thans reeds staan de meeste roomsche dogmatici op het standpunt van Pfaff: revelatio in ignotis; directio in cognitis; permissio in suis admiscendis. Cf. Bergier, Dict. de Théol. in voce inspiration. Staudenmaier, Encyclopaedie p. 344/7. Iets conservatiever Gousset, Théol. dogmatique, p. 9. Brux. 1848.

47. Rothe, o.l. p. 250.

48. Lipsius, Lehrbuch der Ev.-prot. Dogmatik, Braunschw. 1876, p. 142, 3. Cf. Rothe, o.l. p. 146.

49. Niets is gewoner dan dat men begint met een parodie van de orthodoxe voorstelling te leveren, om dan voorts zegevierend te bestrijden wat niemand verdedigt. Cf. Schenkel, Der Christl. Dogmatik. I. p. 272, Rothe, o.l. p. 131 en 133. Coleridge, Confessions of an inquiring Spirit, in Works, Harpers N.-York. 1853. V. p. 612.

50. De beperktheid van een toch reeds veel te lange rede gedoogde niet nog opzettelijk het standpunt derzulken te bespreken, die, gedreven altijd weer van Schleiermacher, het uitgangspunt van hun geloofsbewustzijn in den Christus nemen; slechts onder de critiek van zijn beeld, gelijk zij dit zelven construeeren, de apostolische litteratuur aanvaarden; en evenzoo rugwaarts gaande, eerst aan de hand van Christus komen tot bepaling van de waardij des Ouden Verbonds. Hier zij over dit standpunt slechts het volgende opgemerkt: Om van den Christus uit te gaan, dient men dien Christus te kennen. Dien Christus kan men niet anders kennen, dan óf op de wijze der modernen door eigen historische constructie, óf in orthodoxen zin afgaande op de autoriteit der Schrift. Het laatste kunnen de voorstanders dezer methode niet doen; want immers in hun gedachtengang zijn ze nog aan geen Schrift toe; het gaat nog af op hun eigen zielservaring van den Heer; dus op onbewuste gewaarwording; en aan zulk een autoritaire Schrift te ontkomen, is juist het doel van hun hypothese. Met de modernen meêgaan willen ze daarentegen ook niet, omdat er dan van den historischen Christus letterlijk niets overblijft. Zoo kunnen ze dus |62| nergens staan. En wat voor een standpunt wordt uitgegeven, blijkt van naderbij bezien, weinig hooger waarde te hebben dan van gebrekkig doorgedachte phantasie.

51. Voor geleerden die er hun eere in stellen te verklaren, dat de boeken der H. Schrift h.i. geen hoogere waardij hebben, dan die van historische oorkonden betreffende twee belangrijke phasen in de godsdienstige ontwikkeling der menschheid, ontbreekt elk motief tot zoo diepgaanden en rusteloozen arbeid aan die Schrift, tenzij; en dat verklaart hun volharding en energie dan ook volkomen; hun Schriftcritiek dienst doet om de onhoudbaar gewordene orthodoxe wereld- en levensbeschouwing af te breken, en die door de modern-revolutionaire te vervangen.

52. Een felle strijd is hierover, na het gebeurde met Sleeswijk-Holstein en Hanover gevoerd in de dagbladen; met name in de Hamburger Curier. Wij laten natuurlijk hier onbeslist, of men Martensen wellicht mis had verstaan; wat althans zijn advocaten beweerden.

53. Vrijwillige dienstprestatie

54. Von der Goltz, Die Sittliche Werthschätzung politischer Charactere, Gotha, 1872.

55. F@n\" beteekent: wijsheid.

56. :TD\" beteekent: dwaasheid.

57. De tegenwerping, dat toch tal van citaten niet woordelijk door Jezus en de Apostelen zijn aangehaald, brengt wel onze tegenstanders in verlegenheid; niet ons. Immers, indien dezelfde Heilige Geest, die de Schrift des O.V. ingaf, dit vrije citeeren leidde, is die Heilige Geest zelf ten waarborg, dat door de vrijheid in het citeeren nooit de zin of de bedoeling leed.

58. In een notariëel actestuk mag geen woord, geen lettergreep, geen letter uitgelaten, veranderd of bijgevoegd zonder een renvooi op den kant. Lees ik dus b.v. bij den éénen Evangelist: „Zalig zijn de armen”, en bij den ander: „Zalig zijn de armen van geest”, dan is hiermeê reeds de notariëele opteekening gevallen. En vind ik dan bovendien, dat deze variatie van uitdrukking zelfs in de „Wet der tien geboden”, ja, tot in het „Onze Vader” voorkomt, wat blijft er dan over van een gewoon proces-verbaal? Maar ook, waar dan ruste te vinden, tenzij ge belijdt, dat de Heilige Geest beide teksten inspireerde, en u aldus zelf den waarborg biedt, dat het verschil tusschen beide redactiën slechts de voorstelling voller maakt en niets aan het wezen deert.

59. „Wanneer, hoe, door wien en met het oog waarop iets gezegd of gedaan werd?” |63|

60. Rothe, o.l. p. 296.

61. Ibidem.

62. Ibidem.

63. Ibidem, p. 170.

64. Ibidem, p. 183.

65. Ibidem, p. 295.

66. Ibidem, p. 281.

67. Natuurlijk zijn hier alleen feilen bedoeld die later in den eerst feilloozen tekst inkwamen. — Bij het opgraven van antieke beelden blijkt hetzelfde. Een beeld van echt antieke kunst, al komt het met gebroken arm en kop uit het puin, is van eminente waardij, terwijl een nagemaakte Apollo, hoe gaaf ook, maar van niet-absoluut kunstgezag, weggaat voor een appel en een ei. En daarin nu zit het verschil tusschen de ethischen en ons. Wij zeggen: Heel de Bijbel is echt, en van absoluut gezag, doch in de handschriften hier en daar onzuiver geworden; terwijl de ethischen zeggen: De Bijbel heeft nooit, in niet één van zijn deelen, ooit absolute zuiverheid gehad.

68. Hodge, in zijn prachtig werk, Systematic Theology, drie deelen. London en Edinburg. 1878; Philippi in zijn streng-Luthersche Kirchliche Glaubenslehre, in 8 deelen, 2de ed. Stuttgart 1864; Beck, Einl. in das System der Christl. Lehre; en Mehring, Zur Revision des Inspirationsbegriffes, in „Zeitschr. für die ges. Luth. Theologie u. K.” 1862. I. p. 1 vv.

69. Dit hangt aan den organischen groei der Schrift. Reeds in de Thorah was heel de Schriftinhoud potentiëel gegeven, en zelfs reeds in de Paradijsopenbaring school potentiâ heel het Evangelie. Het is een uitgroeien in telkens breeder peripherie, maar steeds uit denzelfden wortel, zoodat al valt ook tijdelijk één dier buitenkringen weg, toch het wezen onverkort blijft.

70. Dit is, geloof ik, onweerlegbaar. Onder de ruim twee millioen Protestanten in Nederland, zijn er misschien twee duizend, allen saamgenomen, die Hebreeuwsch en Grieksch verstaan. Onder deze twee duizend zijn er geen tweehonderd, die diep genoeg in de studie dier talen zijn doorgedrongen, om te kunnen vergen, dat men hechte aan het gezag van hun woord. En onder deze tweehonderd zult ge er met moeite twintig vinden, die aan hun taalkennis genoegzame kennis van de oudheid, van het Christelijk geloof, en vooral bevindelijke kennis van het Christelijk leven paren, om hen suo marte als verbetaars van onze Statenvertaling te laten optreden. Resultaat is dus, dat men twee millioen |64| zielen overhoudt, die niet anders dan de Statenvertaling hebben; een 1800 halfweters, die dobberen tusschen grondtekst en vertaling in; en misschien een paar honderd mannen in gansch Nederland die zeggen kunnen: ik lees geen vertaling meer, ik lees het origineel. Op dien grond nu noem ik het deels zondige pedanterie, deels schuldige onbarmhartigheid, om de nobele volksvertaling derwijs als dit geschiedt te discrediteeren. Nooit, dit staat vast, heeft eenige vertaling absoluut gezag. Steeds blijft elke vertaling en ook de onze herzienbaar. En komen we eerlang tot een geestelijke Synode, welnu, laat dan ook de Statenvertaling herzien worden! Hoe zuiverder ze wordt, hoe beter! Maar zoolang het volk niet anders heeft en de Heilige Geest nog niets zuiverders voor de schare der geloovigen beschikt heeft, kom ik er tegen op, dat men de zielen onvast make, en komt het mij preferent voor de zielen aan deze, zij het ook, nog gebrekkige vertaling te binden, dan ze te binden aan de gedurig wisselende individueele opinie van dezen hoogleeraar en dien dominé, tot van catechiseermeesters toe, over wat h.i. de eigenlijke grondtekst ons te zeggen heeft.

71. Von Twesten, Dogm. I. p. 431.

72. Gerhard. II. 39.

73. Calvini, Instit. relig. chr. I. VII. 4. „Idem ergo spiritus qui per os prophetarum loquutus est, in corda nostra penetret necesse est, ut persuadeat fideliter protulisse, quod divinitus erat mandatum”.

74. Hiermeê is niet gezegd, dat in absoluten zin elke gissing zij uit te sluiten. Slechts dit sta vast, dat het niet aangaat den keurig bewaarden tekst der Heilige Schrift nog langer te mishandelen, als had men een op zijn Tertulliaansch mishandelden tekst voor zich.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001