Het Modernisme een Fata morgana op Christelijk gebied

Lezing door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, H. de Hoogh & Co. 1871



Zoo het gordijn kon worden weggeschoven, dat de geestenwereld voor onzen blik verbergt, zou zich, ik ben er zeker van, een worsteling zóó heftig, zóó uit de diepte opbruisend, zóó alles meesleurend, aan ons zielsoog ontdekken, dat de verbitterdste kamp die op deze aarde ooit gestreden werd, daarbij vergeleken, eer looze strijd dan felheid scheen. Niet hier, daarboven is de botsing der werkelijke krachten. Heur schok dreunt in onzen strijd slechts na.

Toch is voor ons zwakker geestesleven zelfs die nadreuning reeds bang, kan ze huiveringwekkend zijn! Ziet om u, immers van de vier hoeken des winds stormt ook op u die strijd der geesten aan! Alles gist en kookt om en onder u, de hechtste fundamenten worden gerammeid, de diepste beginselen omgewoeld. Het is schier, of het woest gegil der Fransche revolutie in ’93 nog slechts het wild praeludium is geweest op den forschen strijdmarsch, die nu eerst voor onze ooren zou worden gespeeld.

Ook in zulk een tijdsgewricht zou men nog kunnen wanen, dat terugblijven uit dien strijd beter ware, dan door eigen daar dien aan te wakkeren. Of . . . . staalt verzet niet ’s vijands moed, blaast niet zelfverweer het vuur te feller aan? zoo zou |6| men vragen en dies wachten kunnen, of niet misschien, dank zij dat stille leven, allengs het strijdvuur wierd verdoofd. Wanneer is ze niet beproefd, die tactiek waarmeê nog Gladstone onlangs de republikeinsche woeling minachtte en geworden liet? En zoo veel bespeurdet ge wel: ook ten onzent wordt ze bij den strijd der geesten door niet weinigen en door niet geringen geloofd.

Maar toch, met ongebroken eerbied voor wie uit plichtbesef dus oordeele, spreek ik als mijn overtuiging uit, dat die toeziende tactiek, althans nu, de onze niet meer mág zijn, en liefst met een herinnering uit de „House of Commons” ga ik u zeggen waarom.

Het was den 6den Mei van ’91 een dag, die in de geschiedrollen van Engeland’s Lagerhuis voor altijd gedenkwaardig zal blijven. Ge weet, Fox en Burke, twee coryphaeën onder de grootste staatslieden, waarop Engeland ooit bogen kon, schitterden destijds in al den glans hunner welsprekendheid, en bovenal de hechte vriendschapsband, die het edel tweetal saamverbond, scheen vaste waarborg voor oud-Engeland’s heil. Maar wat gebeurt? Ge herinnert u, de fransche revolutie was destijds ruim een jaar geleden uitgebroken, en Edmund Burke had die geweldige onderstbovenkeering aller dingen aangetast in zijn schitterend pleidooi „Reflections on the Revolution in France”, dat een opgang maakte gelijk geen vlugschrift ooit deed, en waarin de grijze staatsman al den gloed van zijn borst met al de denkkracht van zijn fieren geest had uitgegoten. Voor hem, — hierin loopen alle gangen van zijn heftige Catilinaria uit, — was het fransche revolutiebeginsel een monster des verderfs, dat hij bij de haren greep om het op den harden vloer van Gods Woord en Gods Ordening in wet en feit, te pletter te slaan. Zóó had hij geschreven — en zie, daar staat den 6den Mei Fox, Burke’s evenknie, zijn geestverwant en boezemvriend in het volle parlement van den ministeriëelen zetel op, en ontziet zich niet, voor Burke’s ooren, met klem en nadruk de beginselen dierzelfde revolutie te bepleiten. Dát is Burke te veel. Hij aarzelt geen oogenblik, vraagt het woord, en weerlegt niet slechts Fox’ betoog, maar |7| breekt, breekt openlijk, breekt plotseing, breekt ten aanhooren van heel Engeland den teederen vriendschapsband, die hem straks dertig jaren aan Fox verbonden hield. En of Fox al in tranen uitbarstte, en hem bezwoer, niet met zijn trouwen vriend te breken, Burke bleef onverzettelijk, onverbiddelijk. Waar het beginselen gold, wist hij van geen plooien: „Ik weet wat ik doe,” gaf hij ten antwoord, „ook ik voel, hoe zwaar dit offer valt, maar plicht gebiedt, al breekt mij ’t harte. O! er schuilt iets in die gevloekte fransche omwenteling, dat met haar gif besmet al wat haar adem kan bereiken!1)

Ik zal mij wel wachten, een man als Burke, ook maar de slippen na te dragen. En toch is er iets in zijn kloeke daad en manlijk woord, dat immers ook u vermeestert en medesleept, en ten spijt van het apostolaat des vredes, elken man van karakter déze levensles in het hart grift: Zoodra beginselen veldwinnen die uw diepste overtuiging tegen zijn, dan is strijd u ten plicht, vrede u tot zonde geworden, en moet ge die beginselen, ten koste van den besten vrede, aantasten, voor vriend en vijands oog ze brandmerken met al het vuur van uw geloof.

Welnu, in dien zin dan acht ik, dat ook de strijd tegen het Modernisme, waarin de bestrijding van het Christendom thans haar hechtst systeem schiep, onzerzijds niet meer te mijden is. Dat is wel droef, want onze godsdienst verliest iets van haar geur, zoo we die bepleiten moeten eer we haar genieten, maar ten spijt van dien tegenzin, voegt het ons, ook in dit opzicht, met Burke te belijden: „Such is now the misfortune of our age, that everything is to be discussed, as if the truth of religion were to be always a subject rather of altercation than enjoyment.” 2) Ge kunt niet uit uw tijd loopen, maar moet dien nemen gelijk hij is, en die tijd eischt nu eenmaal dat men òf de vastigheid van zijn geloof zie loswrikken, óf er den strijd voor aanbinde, — en bij zulk een keuze weet immers de besliste in overtuiging zelfs niet wat aarzeling is. |8|

Zoo spreekt het geloof, en de geest van onzen tijd dringt dien eisch aan en prikkelt op zijn beurt tot dit zelfverweer, mits het ernstig zij gemeend. Wel hebben de mannen van het vernis en het pleister zich lang en dapper geweerd om, kunstig en behendiglijk, alle spleet en scheur in ons samenleven te bedekken, maar ze hebben er geen eer meê ingelegd, en ten leste had zelfs de minst ernstige van dat behendig knutselen genoeg. Men wil thans die „doofpottactiek” niet meer. Ze hebben uit, die wittebroodsweken der geestelijke onaandoenlijkheid. We hebben ten leste geleerd, dat die conventioneele vorm een grafzerk is en geen schild. Er is ons weer moed in het bloed, weer gloed in het matte oog gevaren. We durven het weer natuurlijk vinden, dat men zijn tegenstander niets-sparend in het harnas rijdt. Ja, zóóver zijn we reeds, dat men al meer zelfs de sympathie verbeuren zou der wakkere geesten, zoo men thans nog voorgaf, den Christus naar de Schriften te belijden en toch den strijd met het Modernisme meed.

Juist echter om den ernst van dien strijd, mag die bestrijding nooit in minachting kracht zoeken of in verguizing ontaarden. Wie zijn vijand niet waardeert, bestrijd niet hem, maar het schrikbeeld zijner eigen gedachte. Van die strijd wensch ik mij dus te onthouden. Veeleer zal juist waardeering van het modernisme mij den grond voor zijn bestrijding bieden; en die beiden nu, én wat ik in het modernisme waardeer én wat ik in die geestesrichting bestrijd, wist ik u niet korter en niet beter weêr te geven, dan door het Modernisme u voor te stellen als „Fata Morgana op Christelijk gebied.”




Slechts ter verduidelijking van het beeld dat ik tot kenschetsing van mijn wederpartijder koos, ga daarbij een korte toelichting van dien ietwat vreemden naam vooraf.

Una fata” zeggen de Italianen voor wat onze voorouders meest naar fransch idioom „een Fee”, of in beter hollandsch „een |9| Toovergodin” noemden. Onder die gestalten der verbeelding was er ééne, waaraan Italië’s landvolk den naam Morgana gaf, en aan deze Fee nu is het, dat Reggio’s inwoners den naam van „Fata Morgana” ontleenden voor een prachtig luchtverschijnsel, dat door haar scepter, zoo waanden ze, op Reggio’s horizont getooverd werd. 3)

Het verschijnsel zelf mag allerminst verward worden met de bekende luchtspiegeling in de woestijn. De Sâber der Arabieren, die oasen schildert in dorre vlakten, heeft met de Morgana niets gemeen en ontstaat veeleer door tegengestelde werking.

In den sobersten vorm vertoont de Morgana zich op Engeland’s Zuiderkust, rijker reeds op Groenland’s duinen, maar in volle schittering wordt de Morgana slechts op het stille spiegelvlak gezien, dat Sicilië van Italië’s westkust scheidt.

Uit Engeland melden ooggetuigen ons, dat de Fransche kust, die veertien uren gaans van Hastings licht, soms schijnbaar midden op het Kanaal wordt geworpen, zoodat Latham verklaren kon: „Wat uren ver af lag scheen naar ons toegekomen, als stonden we er vlak voor.”

Reeds opmerkelijker is het verhaal van Daniël Stricket, die in 1743 op de ongenaakbare steilte van den Souterfell plotseling een man met een hond een menigte van paarden zag najagen, en toch bij nader onderzoek geen spoor zelfs van een hoefslag in den ganschen omtrek vond. Men weigerde hem dan ook geloof, maar negen maanden later vertoonde zich hetzelfde verschijnsel nogmaals, thans niet slechts aan hem, maar aan een schare van omstanders, en nu zagen allen met ijzingwekkende verbazing, hoe een geheele afdeeling ruitervolk in stevigen draf en met gesloten gelederen van de steilte van den Souterfell nederkwam, en toch . . . ook nu bleek er bij onderzoek geen levend wezen op den Souterfell te zijn geweest.

Nog nader bij de Morgana komt wat Scoresby in Groenland zag: „Langs haar geheele uitgestrektheid, zoo meldt hij, was de onbewoonde kust van Groenland in het gewaad eener oude, |10| eindelooze stad getooid, vol monumenten en naalden, vol burchten en bouwvallen. Steeds doemden nieuwe gebouwen op, om straks van plaats te wisselen met wat reeds was verschenen. Alles bewoog zich. Waar eerst een burcht stond, prijkte straks een cathedraal. En in weerwil van dit vluchtige, waren de beelden niettemin zoo scherp en juist begrensd, dat het niet anders geleek, of men had de stevigste paleizen voor zich.”

Maar toch, gelijk ik zeide, in haar volle pracht wordt de echte Morgana alleen op Reggio’s zeekust genoten, en liefst geef ik u in Minasi’s eigen woorden den indruk terug, door hem tot driemalen toe van het wondere vergezicht opgevangen. Nauwlijks, — zoo ongeveer schrijft hij — was de zon des morgens zoo hoog aan de transen gestegen, dat ze ter halver hoogte haar zenith bereikt had, of op een oogenblik, dat wind noch stroom den zeespiegel rimpelde, doemde plotseling uit de blauwe golven een majestueus en heerlijk schouwspel op, dat zich, eindeloos verveelvoudigd, tot duizelens toe verbreedde voor mijn blik. Eerst dansten daar in verblindenden glans lange reien van marmeren zuilen, met sierlijk kapiteel getooid en overwelfd met de zuiverste bogen. Maar allengs doken deze weg, als om voor machtiger te wijken, en nu stegen uit de diepte de statigste, de weelderigste paleizen op, rustend op arduinen puien, met het zonlicht door de vensters stralend, met torens afgespitst omhoog. Doch ook deze prachtige gevaarten zonken op haar beurt weg, om nu het zeevlak te openen voor een mengeling van groene dreven, lanen van cypres en myrth, die even spoedig zich weer oplosten, om als met een tooverstaf herschapen te worden in wemelende kudden grazend vee op glooiende weiden, die straks weer verdwijnend, ten leste mij een legerstoet voor de oogen speelden, toen ik ruiterij en voetvolk op zag trekken, in vollen wapendos getooid en zich verdiepend in steeds nieuwe gelederen. En dat alles zag ik daar voor mij, zoo klaar of ik het grijpen kon, hel in zijn kleuren, juist in zijn afmetingen, snel en toch statiglijk henenglijdend over de blauw-groene vlakte der zee! 4)




|11| Zegt het mij, heb ik dan geen recht, M.H., om bij zulk een majestueus verschijnsel, als eersten wezenstrek u te wijzen op zijn boeiende pracht.

Maar er is meer. Die Morgana volgt een vaste wet van straalbreking en schept niets nieuws, maar kaatst slechts het bestaande af, want op Sicilië of aan Italië’s westkust staan ze die paleizen, groenen die dreven, grazen die kudden en beweegt zich die heirschaar, die, verbreed en verveelvuldigd, zich op Reggio’s horizont spiegelen.

Eindelijk. De Morgana mist alle werkelijkheid. Wel roepen, die ze zagen, om strijd, dat het moeite inhad de onwerkelijkheid van wat men zag te ontkennen. Maar toch, op de rotssteilte van den Souterfell was wel een ruitergroep gezien, maar geen spoor zelfs van een hoefslag gevonden. En evenzoo. Nauw rees het zonlicht hooger aan den trans en bewoog een uchtendbries de golven, of het laatste spoor zelfs van Morgana’s prachtige schepping verdween.

Schoon was dus de Morgana. De Morgana moest komen. Maar ze mist alle werkelijkheid! Daarom dan noemde ik het Modernisme een „Morgana op Christelijk gebied”, wijl ook het Modernisme mij een verschijnsel is, dat als vergezicht bekoort door zijn verleidelijk schoon; niet naar gril of luim, doch naar vaste wet geboren werd; en toch bij al zijn schittering zich in onwerkelijke gestalten verliest.

Modernisme en Morgana beiden


boeiend schoon,

naar vaste wet verschenen,

edoch, van werkelijkheid ontbloot.


splitse zich zoo dan het drietal trekken waarop ik u wijzen ga. Mag ik daarbij niemand den eisch toedichten, dat ik alleen ter wille der symmetrie het ééne deel van mijn betoog noodeloos rekke of een ander te zeer inkort, laat mij dan voor den eersten trek van gelijkheid slechts een oogenblik, voor den tweeden reeds ietwat |12| langer uw aandacht vragen, om ten slotte het langst te vertoeven bij den laatsten trek, die alles afdoet, bij de beschuldiging, die ik het Modernisme voorleg, deze namelijk: dat het alle werkelijkheid mist.




I.

Vooreerst dan: als de Morgana is ook het Modernisme schoon! Of voelt ge wellicht neiging, om de oprechtheid van dit eerbetoon op mijn lippen te verdenken, vergunt mij dan nogmaals een korte historische herinnering.

In zijn begin, nu vijftien jaren terug, toen het Modernisme, nog nauwelijks met dien naam genoemd, de eerstelingen van zijn geest ten beste gaf, heeft zich in menig vlek het allerzonderlingst verschijnsel voorgedaan, dat de strengst-gereformeerden van den ouden stempel in den prediker van dat Modernisme hún man meenden gevonden te hebben. Gij weet hoe het die steilen in den lande was vergaan! Reeds voorlang meden ze de kerk. Ach, ze konden die oppervlakkige, die zoetvoerige prediking niet verduwen. Daartoe had hun gereformeerde levensopvatting hen te zeer aan het wonen in de diepte en aan het snijden van den ernst gewend. Noch Oudliberaal, noch Groninger, noch half-Confessioneel kon hen voldoen. Al lachte men hen uit, zij bleven volhouden, dat bij zulke spijs de ziel niet leven kan, en zochten, in stille eenzaamheid of in een kring met gelijkgezinden, teerkost voor het hart in die oude, stugge boeken, die de Kerk nog in haar bloeitijd met beteren geest had gevuld. Maar zie, daar gebeurt opeens, wat niemand gedacht had dat meer kon gebeuren. Een nieuw, jeugdig leeraar begon zijn bediening, en nu laat die ongezeggelijke, die onverbeterlijke „woordenzifter” zich weer zondag op zondag in het kerkje der gemeente zien. En dat niet alleen. Maar hij luistert met zoo gespannen aandacht, dat het tintelen van zijn oog, de glimlach |13| der verrassing om zijn lippen en dan weer een fronsen dat teleurstelling spelt, u reeds van verre doet gissen, dat hij in die prediking leeft. Maar hoe? Hij begrijpt dat raadsel niet. Die nieuwe prediker boeit en stoot hem beurtelings af. Toch hoopt hij. Die hoop doet leven. Dat was toch anders dan dat onder bloemen weggoochelen van de diepten des levens. Ze doken wel weer weg, maar toch hij heeft ze weer zien schitteren, die diepgegraven lijnen van een heiliger levensernst. Wie weet? Nog is hij er niet, maar een aanvang toont zich toch, en zou de volheid dan niet komen? O! reeds droomt de goede man den zoeten droom, dat de waarheid Gods weer in der vaderen Kerk door zal breken! En lang, zeer lang duurt het, eer hij het dan nu toch zóó kras en zóó ergerlijk gehoord heeft, dat hij het zijn wijzer vrienden wel moet gewonnen geven: „Gij hadt recht, ik ben misleid geworden,” en door nieuwe teleurstelling verbitterd, sluit hij zich enghartiger dan vroeger nog in zijn oude kwartijnen op. 5)

Vraagt ge, van waar dit pikante verschijnsel? laat mij u dan vooreerst herinneren mogen, — want de dingen verloopen zoo snel, — dat het toen nog maagdelijk Modernisme zich nog geheel verschool in de plooien van het oude Bijbelsch gewaad. Zonder deze verkleeding ware de illusie ondenkbaar geweest. Maar toch er was meer. Ge weet: Van een onvrijen wil en eene voorbeschikking Gods hadden onze vaderen gesproken, Gods souvereine genade op den voorgrond geplaatst en juist in ’s menschen diepste afhankelijkheid het wezen gezocht van den godsdienst. Hoogwijs hadden de dwergtheoloogjes, die daarna opstonden, dit al te maal ijdel gekeuvel gekeurd en de gemeente ontwend er in te leven. Maar zie, daar treden als een nieuwe verschijning die modernen op en zeggen in hun toen nog deterministische phase immers bijna hetzelfde wat oudtijds was geleerd. Begrijpt ge dan niet dat het oud-gereformeerde hart zich verkneukte, toen de vrije wil weer ter kerkdeur werd uitgejaagd en Gods voorbeschikking verheerlijkt. En daar bleef het niet bij. Ook de wedergeboorte kwam terug. De onweerstaanbaarheid der genade maakte onze modernen |14| soms warm. Van de volharding der heiligen zeiden ze dingen die in het hart drongen. Ja zelfs, als ze reeds hun waagstuk over de zonde lieten doorschemeren, was het of de schim der „bovenvaldrijvers” hen nog zeegnend omzweefde. Zeg zelf, was het dan zoo wonder, dat men een oogenblik meenen kon, dat het zijn eigen kleuren waren, die men daar fonkelen zag? zoo wonder, dat de komst van dien nieuwen leeraar eer winst gekeurd werd dan verlies?

Maar houden we ons bij hen niet langer op. Immers, dat het Modernisme werkelijk boeiend schoon is voor den geest, zal wel het best daaruit blijken, dat het de élite onzer keurgeesten, mannen van denkkracht en van levensernst werkelijk geboeid heeft. Denk u slechts, — de dichters alleen uitgezonderd — de mannen van naam op elk gebied van ons vaderlandsch leven, die, wijl ze het grootste zijn, u van zelf het eerst in de gedachte komen, en ge gevoelt immers, uws ondanks, dat schier aller sympathie vóór het Modernisme was, dat aan den glans van hun naam niet weinig glorie ontleent. En vraagt ge ook hier, van waar dit komt? M.H., weet ge, wat men in de moderne omgeving denkt van iemand, die bij het oude blijft en toch geen domme mensch is? Ze houden zulk voor een monomaan, voor een driekwart waanzinnige en verklaren rondweg aan wie het hooren wil, dat ze zulk een zonderling natuurproduct niet begrijpen. Hieruit blijkt dus, dat men in moderne kringen een carricatuur voor het echte Christendom aanziet en nu welbewust verklaart, dat dit „Zerrbild” zich nog met den levensernst rijmen laat, noch past voor de zonen onzer eeuw. En daar hebben ze recht in! Er schuilt geen eeuw zoo donker in het grijs verleden, waarbij dát passen zou! Bij dat stukgestooten en aangelengde Christendom, dat zich onder allerlei étiket voor het positieve uitgaf, kon geen menschengeest, kon geen menschenhart leven, en ik ben er zeker van: als men Athanaas of Augustijn, Calvijn of Luther, à Marck of à Brakel gezegd had: Kies dát Christendom of berust in het Modernisme, — dat ze het Modernisme gekozen hadden, zoo Gods genade hun niet de ontzetting van dit bang dilemma had gespaard. |15|

Vergeten we toch niet, dat de denkende wereld de orthodoxie niet heeft opgezocht in haar eigen legerstede, maar ze alleen kent uit de gestalte waarmeê ze zich op het netvlies der publieke opinie teekent. En hoe vertoonde zich daar het positieve Christendom? Vergelijk de vraagboekjens onzer eeuw eens bij den Heidelbergschen Catechismus, die wortellooze schimmelplantjes bij dien statigen eik, en het antwoord op die vraag is immers gevonden. Wat boven den grond uitsteekt wordt daarin opgesomd: eenerzijds een reeks van zonderlinge feiten, en daarnaast een reeks van zonderlinge zede-eischen, maar van het kunstig organisme, dat, onder den bodem der dingen verborgen, die feiten en die eischen saamverbindt, zag men niets. Natuurlijk daarbij was niet te leven. Het menschenhart is te diep, de raadselen des levens zijn te ontzettend, om weggesuft of weggecijferd te worden. Daarom was de denkende wereld reeds voorlang aan dat vrageboekjens-Christendom gestorven. En toen nu het Modernisme kwam, dat weer den gloed deed blinken van het ideaal, weer ons menschenhart ontleedde, weer naar oorzaak, naar beginsel en naar samenhang vroeg, en den trillenden levensdraad langs de vingeren deed glijden, toen moest het wel boeien, toen moest het wel winnen. Zelfs de weerschijn van een treurwilg in den waterspiegel is duizendwerf schooner, dan de afgekapte eikentronk, die smadelijk geworpen ligt op den weg. [6)] a)

Daar kwam bij, dat het Modernisme vanmeetaf beschenen werd door den zachten glans van het tragisch-weemoedige. Wel zouden ze liever in de oude legertent gebleven zijn, maar ge moest het hooren, Gemeente! dat dit niet mocht. Immers de waarheid ging bovenal en die waarheid was hen te machtig, en zoo gaven ze er de voorkeur aan, om met de waarheid in een woestijn, dan om met de verguizing der waarheid in een Eden te vernachten. Natuurlijk. Dit gaf aan geheel hun optreden iets eerbiedwekkends. Iets van een martelaarskroon zweefde daarbij om hun slapen. Er lag daardoor een waas van weemoed over geheel hun optreden, en het moest wel den indruk van een zeer krachtig geloof maken, dat ze ook bij zulk een schipbreuk toch |16| aan redding geloofden en uit de diepten van zulk een weemoed nog jubelden van de liefde Gods. Om kort te gaan. Hun manlijk breken met het geur- en saploos Christendom dier dagen maakte hun Hollands rondheid, het vragen naar beginselen hun het denken onzer eeuw tot bondgenoot. Door hun tragisch optreden wonnen ze de teederen van hart, door hun weemoed voelde het vrouwenhart zich, zijns ondanks, meeslepen, en als ook hun prediking naar den maatstaf zal gekeurd worden: „Que tout genre est bon, hormis le genre ennuyeux,” dan was de aanvankelijke toeloop bij hun prediking zeker alleszins verklaarbaar.

Eindelijk, het echte Christendom is een levensfeit, dat op het menschenhart past, en alle diepten van dat hart vervullen wil met zijn heiligen inhoud. Echt menschelijk, humanistisch is dat Christendom dus in merg en been. Maar, helaas! dát Christendom van echte teelt was op de markt des levens te loor. Nog lag daar iets, dat men Christendom noemde, maar men had het de wortelvezelen afgesneden, waarmee het zich hechten moest aan ons hart, en in ons hart de bewustheid vereelt, die tot waardeering van het Christendom moest leiden. Nog heugt het u wel! Schier wezenloos zaten we neder op het dorre zand der duinen, en, als voor Reggio’s horizont, breidde niets dan een vaal eentoonig watervlak zich voor het geestesoog uit. Maar ziet . . . . daar doemen de moderne gestalten op, die in het humanistisch kleed met de eischen van het hart weer ernst maken en geen Christendom gedoogen, tenzij het den mensch als mensch heul en adel biede, en nu . . . . ijlings is de doodschheid van het zeevlak weggevaagd, en beelden verrijzen, en een tintelend leven ontplooit zich, en een schitterend paleis schijnt van verre te nooden . . . . Zegt het mij, was het dan zoo wonder, dat gelijk de Morgana door Reggio’s inwoners, zoo het Modernisme door de denkende geesten met handgeklap en geestdrift, ja met een vreugdekreet van bewondering werd begroet!


II.

Boeiend als de aanblik der Morgana bleek dus de indruk van |17| het Modernisme reeds, maar ook hierin, zoo beweerde ik, vertoont het met die luchtspiegeling gelijkheid, dat het naar vaste wet der noodzakelijkheid zich in den geestelijken dampkring vertoonen moest.

Alleen de argelooze eenvoud, die alle geschiedenis in een lotspel versmelt, kan nog meenen, dat slechts gril of moedwil het Modernisme zijn geboorte gaf, en dat, zoo slechts Pierson niet gesproken of Opzoomer gezwegen had, er nooit een Modernisme ten onzent zou zijn ontstaan. Reeds de enkele opmerking, dat het in Noord en Zuid, hier en in gindsche werelddeelen, zich schier gelijktijdig vertoonde, maakt zulk een meening volstrekt onhoudbaar, en het niet minder onloochenbaar feit, dat het schier in eenzelfde decennie alom zijn Apostelen opriep, in Duitschland zijn Strauss, in het Alpenland zijn Baur, zijn Renan te Parijs, zijn Parker in Amerika en aan de Kaap zijn Colenso zag optreden, wijst te gebiedend op een innerlijke noodzakelijkheid, dan dat men door bloot van luim of opzet te droomen, ooit de ketterij van het Modernisme zou kunnen verstaan.

Of dunkt het u wat kras, riekt het u teveel naar den mutserd, dat ik dat woord van „ketterij” zoo stoutweg bezigen dorst? Immers, gij kent Schleiermacher, M.H., en ge weet hoe de coryphaeën der modernen zelven, met de rechtzinnigen ditmaal in bond, om strijd zijn lof gezongen hebben. Welnu, niet ik, maar die Schleiermacher was het, die het woord „ketter” weer in eere bracht en het als onmisbaar begrip in het Christelijk leerstelsel inlaschte. b) Vergunt u mij bovendien te herinneren, dat de Schrift zelve ons in die zegswijs voorgaat, en voor hem, wien dit gezag niets, dat der Heidensche oudheid alles mocht gelden, voor hem voeg ik er bij, dat zeer humane en hoogst fatsoenlijke Philosophen in Italië en Griekenlands hoofdstad, ons het vaderschap van dien ketternaam betwisten. Men vergist zich: niet dat woord is hatelijk, maar gehaat de kwade reuk waarin Rome het bracht, door bij monde van Aquinas het verfoeilijk woord te spreken, dat een ketter „niet slechts door den |18| ban uit de kerk, maar ook door den dood uit het leven moest weggesneden 7).” Neen, niet onze Gereformeerde vaderen, die den ketter niet doodbranden maar „doodpreeken” wilden, doch Rome, dat naar ketterbloed dorstte, al bad het nog schijnheilig om het leven van zijn slachtoffer, Rome alleen is oorzaak geweest, dat eeuwenlang dit onmisbaar woord van „ketterij” in onbruik ging, en onlangs eerst door Schleiermacher, schoongewassen van zijn bloedvlekken, weer aan de Christenheid kon worden getoond.

Zulke ketterijen nu zijn er, en moeten er zijn, want ze ontstaan op Christelijk gebied naar even vaste wet, als de Morgana in den dampkring.

Steeg de zon nog slechts ter halver hoogte, zijn er voorwerpen die weerkaatst kunnen worden, en heeft de dampkring de vereischte gesteldheid, dan moet de Morgana komen en kán ze niet uitblijven aan den boezem der Mamertijnsche zee.

En evenzoo. Is, na een eeuw van geestelijke nacht, het licht der kennis nog slechts halverwege opgegaan, valt het Christendom als object onder de beschijning van dit halve licht, en verkeert de geestelijke dampkring in de vereischte gisting, dan moet de ketterij zich vertoonen en kán ze niet uitblijven in den boezem van Jezus’ kerk. Immers. Gelijk de Morgana niet anders is dan de breking van den zonnestraal in den dampkring daarbuiten, zoo is de ketterij slechts een noodwendige breking van den lichtstraal des Christendoms in den geestelijken dampkring eener eeuw.

Intusschen, zoolang zulk een valsch beweren de grenzen van het wetenschappelijk strijdperk niet overschrijdt, mag het door niemand nog als „ketterij” veroordeeld worden. Dit wordt het eerst dan, als het zich tegen de belijdenis der kerk op het kerkterrein zelf overstelt, dies de conscientiën aan zijn erkenning wil binden en zelf naar heerschappij in den boezem der gemeente dingt. Dan moet men er wel toe komen, om door reconstructie der geschiedenis zijn brieven van adeldom, als bezegeld door den Christus |19| zelf, terug te dateren; dan moet de haeresie, haars ondanks, uit de scholen der geleerden naar den kansel en het bidvertrek dringen, en zichzelve ten slotte den doodsteek geven, door, wat de kerk belijdt, niet slechts min juist, maar onzedelijk en verderfelijk te keuren, als werd men slechts zalig door haar. 8)

In dien zin nu, moet elke eeuw, die een eeuw van opgewekt veerkrachtig leven is, haar eigen vorm van haeresie in Jezus’ kerk doen opkomen, die, door geestelijken strijd alleen verwinbaar, juist bestemd is, haar zedelijke kracht te verhoogen. 9) Intusschen, men versta mij wel. Al beweer ik, dat de ketterijen met den tijdgeest op het innigst samenhangen, ik zeg daarom niet dat ooit eenige ketterij alleen door hem ontstond, of met zijn terugdringing reeds volkomen wierd uitgeroeid. Integendeel. De wortel van elk haeretisch verschijnsel ligt in het menschenhart, elk onzer draagt er de kiem van in zijn eigen binnenste, en reeds daarom is er onder alle ketterijen niet ééne, die er niet steeds is geweest en niet altijd zal blijven. Maar toch onder die alle is er in elke eeuw van opwaking ééne, die juist in den geest dier eeuw den best toebereide akker vindt en het meest door de dán heerschende begrippen wordt gevoed. Daardoor verkrijgt zulk een dwaling dan een centrale beteekenis. Dan is het voor haar de ure, dat ze niet maar ter sluiks, gelijk dusver, voortwoekert, maar zich openlijk tegen Jezus’ gemeente stelt. Ze staat dan in haar hoogtepunt, en kind der eeuw waarin ze optrad, moet ze dus ook uit de straalbreking van het Christendom in den geest dier eeuw worden verklaard.

Dit voert ons van zelf naar het Modernisme terug. Ook dat toch is een ketterij in waren zin, zoo zelfs, dat het haeretisch wezen misschien zijn diepste gedachte juist in deze geestesrichting heeft uitgesproken. Immers, het streven van alle ketterij is, om het Christendom zijn absoluut karakter te rooven en het feit der verzoening al meer uit het centrum des levens te verschuiven naar den omtrek van gedachte, gezindheid en wil. 10) Op zijn zachtst genomen vertoont dus ook het Modernisme met alle ketterij |20| eenzelfden grondtrek, slechts gewijzigd naar den aard onzer eeuw. Ook het Modernisme is niet nieuw. Veeleer heeft het alle eeuwen door in Jezus’ kerk zijn weën doen schrijnen, en zal het blijven nawerken tot op de Toekomst des Heeren. Maar toch, nooit heeft het gelijk thans geheerscht, nooit verkreeg het gelijk nu zijn centrale beteekenis. Wat het is, kón het in onze eeuw eerst worden. Thans staat het in zijn zenith, maar om even onverbiddelijk, met het zwenken der heerschende begrippen om een nieuw gevonden keerpunt, ijlings van de transen neer te dalen, tot het schier onzichtbaar achter de kimmen des levens verdwijnt.




Intusschen. Dit te zeggen is niet genoeg. Eerst dan zal het waar blijken, zoo ik u aantoon, dat het Modernisme inderdaad aan de drie zoo straks gestelde eischen van elke ketterij voldoet.

Eerst zei ik u. De Morgana kan niet komen, tenzij na den nacht de dag weer zij doorgebroken, maar zoo, dat de zon nog slechts ter halver hoogte aan den trans geklommen zij. En gij herinnert u, met het oog op mijn onderwerp, zocht ik dit aldus te vertolken: Zoo dikwijls na eeuwen van geestelijken doodslaap weer het licht der kennis begint op te waken, kan, maar dan ook, moet de ketterij zich vertoonen.

Mij dunkt de geschiedenis geeft voor die wet het bewijst. Ik betoog niet, maar constateer alleen als feit, dat in den loop dezer jaartelling, de vierde, de negende en de zestiende eeuw de groote keerpunten vormen in den gang van Europa’s volkerenleven; en evenzeer mag het zonder betoog worden uitgesproken, dat de zesde tot de achtste, de tiende tot de zestiende en niet minder de eeuwen, die sinds tot aan de onze verliepen, eeuwen van geestelijke dorheid zijn geweest, waarin geen frisscher adem door het hart der volkeren blazen kon. En wat blijkt nu? Immers, dat juist die groote eeuwen de eeuwen zijn geweest van groote ketterij. De vierde eeuw bracht ons den strijd over Triniteit en Vrijen wil; in de negende eeuw gaat het om |21| het Filioque en het Sacrament, en in en door de Hervorming juist ontkiemt de ketterij van Socinus en treedt, na Jan van Leiden, het Remonstrantisme in onzen Arminius op. 11)

Zal nu niemand weerspreken, dat ook aan onze, aan de negentiende eeuw, zulk een eereplaats in de geschiedenis der menschheid is toe te kennen, en kan men reeds nu voorspellen, dat we ook thans, gelijk in de dagen der Hervorming, aan een zoo snijdend keerpunt in het leven der volkeren gekomen zijn, dat de eerste eeuwen die na ons volgen, geheel door onze eeuw zullen beheerscht blijven, — dan volgt reeds hieruit, dat, naar de wet der geschiedenis, een groote ketterij ook in onze eeuw niet uitblijven kón. Ook met deze eeuw is weer een nieuwe dag over ons werelddeel aangebroken. Het licht der kennis is weer opgegaan. Maar toch, het klom nog slechts ter halver hoogte, en zal dan eerst zijn zenith bereikt hebben, als het al zijn stralen zal doen saamvallen in den eenigen Naam onzes Gods. Dat deed het, naar aller uitwijzen, nog niet. De zon onzer eeuw schoof nog niet in het centrum der waarheid, en wierd dus nog niet in de Belijdenis der kerk, maar nog slechts in haeretische straalbreking, en wel in het Modernisme openbaar. 12)

Maar we zagen het. Dit is niet genoeg. Nog een tweede voorwaarde moet vervuld worden. Denk u Sicilië en Italië verlaten, woest en onbewoond, en geen beelden van Morgana zouden zich aan Reggio’s horizont vertoonen. Zullen er zuilenrijen op het stille zeevlak verschijnen, dan moeten die zuilenrijen er ook in den omtrek werkelijk zijn. Ook bij het Modernisme ontstaat dus de vraag, waaraan het den inhoud zijner beelden ontleent en wat het werkelijk bestaande is, dat het afkaatst in zijn spiegelen?

Zonder aarzelen antwoord ik op die vraag: Dat werkelijk bestaande is niets minder dan het Christendom zelf. Vaak is den Modernen voor den voet geworden, dat ze op Heidenschen bodem staan, en zeker hebben zij zelven allerminst recht zich bij dat verwijt verstoord te toonen, dat toch hun studie der |22| godsdienstwetenschappen onverholen voorgeeft een gemeenschappelijke basis met het Paganisme te zoeken. 13) Evenwel, dit verwijt strekt te ver, zoo men waant dat ze in dien zin op heidenschen bodem staan, als of het Modernisme even goed had kunnen komen, ook al ware er nooit een kerk van Christus geweest. Integendeel, Zoo min de weerschijn van den beuk in het stroomvlak trillen kan, zoo die beuk niet feitelijk in den oeverrand zijn wortelen sloeg, zoo zou ook het Modernisme zijn beelden nooit getooverd hebben, zoo er geen Christelijke kerk op het terrein onzer eeuw ware geweest. Wel geef ik toe, dat het nooit op het werkelijk Christendom zijn licht deed vallen en zijn beeld slechts opving in de camera obscura zijner heidensche praemissen. Maar niettemin vindt ge toch ook in zijn lichtbeeld alle lijnen van het Christendom, zij het ook als zwakke schaduwlijnen, terug. Een onzuivere, vaak geheel omgekeerde nagalm van Christelijke toonen klinkt u nog tegen in hun lied. Van elke strooming, waarmeê het rekent, ontspring de bron op het Evangelieblad, en van elke kleur, waarmeê het toovert, vindt ge in de Schrift alleen de zuivere lichttrilling terug. Veilig kan men dus zeggen, dat het, hoezeer ook in Paganistische wegen verloopen, toch in dien zin ongetwijfeld nog tot het Christelijk erf behoort, waarin de looverschaduw niet te scheiden is van het woud dat die schaduwen wierp. Zeer zeker, het bouwt met het Paganisme alleen uit den mensch de waarheid op, maar toch, het heeft, bij het licht van den Christus, diepten in dien mensch ontdekt, die nooit het heidenoog begluurd had. Van daar met beiden zijn verwantschap, van daar ook het verschil. 14)

En nu de laatste vraag: Wat was er in den geestelijken dampkring onzer eeuw, dat dit verschijnsel deed opkomen, of wilt ge: waarom moest de ketterij juist onzer eeuw het zoo schelle Modernisme zijn?

De grondtrek van het karakter onze eeuw is het realisme, haar dorst naar werkelijkheid. Men heeft het dwepen met holle idealen verleerd, en wil vóór alle dingen zien of tasten . . . . en |23| vrij genieten voeg ik er bij. Vier drijfveeren drongen onze eeuw onweerstaanbaar in dat realistisch spoor: het bankroet der Philosophie en de onmacht der Revolutie, de hooge vlucht der Natuurstudie en de doodslaap der Kerk.

Allereerst het bankroet der Philosophie. Gij kent het slot in Gellert’s humoristische fabel over den „Hoed,” eerst met vlakke, toen met opgestreken, straks met omgebogen randen, al verder zwart gedoopt, in het eind gesierd met gouden trenzen, als ten leste de beeldspraak zich zelf ontmastkert in het spottend hekelrijm:

»Und dass ich’s kurz zusammenzieh’,
Es ging dem Hute fast, wie der Philosophie.”

Welnu, in dat scherpe oordeel over alle speculatieve wijsbegeerte gaf onze eeuw zeer ten onrechte den goeden Gellert gelijk. Men had zich star getuurd op de hieroglyphen van Kant’s orakeltaal, zich gebaad in Jacobi’s gevoelsstroomen, een tijd lang met Fichte’s Idealisme van het Ik en Niet-Ik gedweept, men meende een oogenblik in Schelling’s gnosticisme vaster bodem te vinden, en had ten laatste zich vergaapt aan de duizelingwekkende denkgymnastiek, waarbij Hegel als athleet bewonderd wierd, maar om nu ook van den waan, als lag daar het uitgangspunt, voor goed genezen, zich in het concrete leven terug te trekken, en zelfs de zwarte aardkluit, het onoogelijkste ondier, veel schooner te roemen, dan het schitterendst weefsel der gedachten, waarvan het ijle dunne rag uiteenviel bij het minste koeltje, dat zich bewoog. 15)

Voorts de Revolutie. Hierin had men in de dagen der Revolutie recht, dat de geestelijke geledingen van het maatschappelijk en staatkundig leven dringend om hervorming riepen. Het oude huis was uitgewoond, een nieuwe woonstede moest gezocht worden. Een nieuw leven was ontwaakt, dat dus een nieuwen vorm eischte. Toen men echter meende dat slooping van al wat stond voldoende was, om met den tooverscepter de Revolutie-idé |24| fluks een geheel nieuwen vorm uit de rots te slaan, toen bekocht men dien dwazen waan al te bitter met grievende teleurstelling. En toen nu het spierloos geraamte van weleer niet meer voldeed, en het nieuw getooverde als in een luchtverheveling opging, stierf de smaak weg voor de gedachtenwereld van het hooger volksleven, voor den eisch van recht en volksroeping, en, loste alle staatsstudie zich al meer op in het realistisch vraagstuk van kapitaal en arbeid, van omzet en verbruik. 16)

Dan, de Natuurstudie heeft zich in onze eeuw een plaats verworven in ons menschelijk leven, die haar nog steeds was misgund. Ze bereikte in haar vlucht een dusver ongekende hoogte en dwong ons door haar rijke uitkomsten eerbied en bewondering af. Toch doolt wie waant, dat daardoor ónze heerschappij over de natuur is uitgebreid. Integendeel. De gewichtigste onderzoekingen, de machtigste uitvindingen in het rijk van licht en lucht hebben niet óns over de natuur, maar, omgekeerd, de natuur over ons oppermachtig gemaakt. Over haar spreekt men, voor haar is onze liefde, aan haar slooft men zich af. Zij boeit en speelt als meesteresse met hart en zinnen. Ze liet haar krachten ontbinden, maar om juist door die krachten te heerschen in ons menschelijk leven! En nu, zij is de zichtbare, zij is de tastbare, en scherpt dus meê voor het realisme onzen blik. 17)

Eindelijk, de Kerk zelve heeft dat realisme in de hand gewerkt. Eerst was haar waterspiegel gestremd, en toen was de levensstroom haar onder de ijskorst weggevloten. Deftig, maar zinledig was haar taal. Weidsch, maar onbezield haar leven. Haar binnentreden, was het of ge uw levensfrischheid op haar drempel liet. Ge kondt het niet in ernst opnemen, wat ze u toesprak. Het was te gekunsteld voor taal van het hart, te gedachteloos om u het hoofd te voeden. Eerst ging men er nog, maar ten laatste was het er niet meer uit te houden, en de Génestet heeft het wel goed gezegd: „Geef mij natuur en waarheid weer,” was de kortste verzuchting, die onder de lange gebeden vaak het vurigst werd geslaakt. 18) |25|

Zoo werkten vier factoren saâm, om op het leven onzer eeuw een zeer realistisch stempel te drukken. In het realisme moet dus haar kracht gezocht, maar schuilt haar zwakheid tevens. Haar zwakheid zeg ik, want dit voelt elk, die ook een leven des geestes leeft: het realisme bedreigt ons met een zeer ernstig gevaar. Immers, van zijn tente tot aan den heilloozen afgrond van het materialisme is de afstand ligt gemeten, en reeds zijn we daarheen op weg. Ge weet zelven, hoe op staatkundig gebied de physieke macht al meer veld wint over het recht. Op een congres van juristen te Luik is het reeds uitgesproken, dat er geen andere rechtsgrond is, dan het recht van den sterkste. De droom van het communisme, dien al meerderen meêdroomen — denk aan het koortsachtig Parijs! — doelt op niets dan geweld. Reeds is alle denken een uitzweeten van de hersenen, alle gevoel een ontlasting van fijnere klieren genoemd, en zóó diep behoeft men in het jongere leven van onze moderne maatschappij nog niet te zijn doorgedrongen, om nu reeds van verre de diepte te zien splijten, die in het bodemloos materialisme voor alle geestesleven gaapt. 19)

Welnu, reactie daartegen poogde het Modernisme te zijn. Het dankte zijn geboorte aan het hoogst ernstig streven, om het geloof aan de ideale wereld tegen de ruwheid van het materialisme te verdedigen. Natuurlijk, naar afdolingen, naar uitspattingen vraag ik ook hier niet, ik neem het Modernisme slechts als algemeen verschijnsel, en dan beweer ik, dat het verzoenend poogde op te treden tusschen de dingen die boven zijn en het realisme, dat onze eeuw kenmerkt, om, ware het mogelijk, háár realisme deelend, den glans van het ideëele leven weer te doen schitteren op haar steeds doffer gelaat. 20)

O! hoe heerlijk had dat pogen gekroond kunnen worden, zoo men zich, al was het slechts aan Baader’s hand, naar het realisme der Schrift had laten leiden, de levensspreuk weer gegrepen had, „dass Leiblichkeit das Ende der Wege Gottes ist,” en onze matte |26| wereld weer verfrischt en verkwikt ware met dat goddelijk realisme, dat in de Vleeschwording des Woords ligt uitgesproken, juist in het Wonder zijn levensader trillen doet, en zijn luister zoo volheerlijk ontplooit in het lichamelijk verrijzen van den Christus uit het graf! 21) Maar helaas, van meet af brak men dát realisme juist weg, en geraakte daardoor zijns ondanks op het meest valsche standpunt. In stede toch van fier en moedig, gelijk het bij ernstig pogen voegt, onze schuldige eeuw in het aangezicht te striemen, om zich een zedelijk overwicht te verzekeren over haar zondig streven, boog het Modernisme veeleer de knie voor haar hoogheid en zocht in vergelijk heil. Het was of het Modernisme tot onze eeuw sprak: „Voorzeker, uw realisme is onberispelijk. Alleen, machtige Gebiedster! geef als loon voor die kniebuiging dan ook mijn idealen in uw rijksgebied een troon.” 22)

En zoo toog dan het Modernisme aan zijn reuzentaak! Daar boven waren de onzienlijke dingen. Daarheen zou het opleiden. En onze eeuw zou volgen, maar met het onmogelijk beding, dat ze den voet geen oogenblik behoefde op te lichten van dezen zichtbaren bodem en men den grond voor het heilige haar in dit onheilig leven wees. En dien eisch heeft het Modernisme aanvaard. Door eigen geestelijke verblinding in de engte gedreven, bukte het voor zijn harde gebiedster, en gaf haar afschuwelijk ultimatum toe. Het gaf toe, dat men niet te veel voor den hemel, maar allereerst voor deze aarde moest leven. Toe, dat de studie der natuur leidsvrouw zijn moest ook bij de studie van het Koninkrijk des Geestes. Het gaf toe, dat bij strijd tusschen deze en die andere wereld, deze nooit wijken mocht, en er dus geen wonder kon zijn. Het gaf toe, dat nog van supranaturalisme te spreken een blaam in zich besloot voor dézen stand der dingen, die geen echte zoon van onze eeuw dulden mocht. Ja, het gaf eindelijk toe, dat, zou er Godskennis zijn, ze uit den mensch, gelijk hij is, verklaard moest worden, en, zou er nog een Christendom gelden, dit zijn |27| absoluten titel van „eenig ware godsdienst” af moest leggen, om voortaan gelijkvloers te wonen met die andere godsdiensten, die het dusver als afgoderij had geschuwd. 23)

En ja, eerst scheen werkelijk het onmogelijke te gelukken. Inderdaad spon het Modernisme een levens- en wereldbeschouwing, zoo kunstig, zoo ragfijn en zoo wonderbaar, dat werkelijk al het heilige gered en het ideaal behouden scheen, zonder schending van het harde ultimatum, dat haar was afgeperst door het realisme onzer eeuw. Maar toch, meer dan schijn was het niet, en alras bleek het, dat met de prachtigste becijfering zelfs de bodem van onze geestelijke schatkist niet ter helfte kon worden gedekt. 24) Ge weet, M.H., men is van moderne zijde vooral tuk op den eerenaam van Protestant, en zou der menigte zoo gaarne diets maken, dat Modernisme en Protestantisme eenszelfden stams loten zijn, slechts door vroeger en later gescheiden, naar elks tijd van uitbotting viel. Intusschen niets is minder waar. Het Modernisme kiest tot uitgangspunt het menschelijk gezag in geloofszaken, waartegen het Protestantisme juist zijn machtig protest verhief. Tegenvoeter eer dan vrucht van het Protestantisme te achten, mag het zich reeds daarom nooit met de eere der Hervorming tooien, wijl het nooit iets van den zielsangst, van de verscheurdheid des harten, van de benauwdheid des geestes heeft gekend, waaruit een Luther geroepen heeft tot zijn God. De Hervorming zocht de Verlossing van het beklemde hart, het Modernisme slechts de Oplossing van een kunstig probleem. 25) Daarom kent het ook maar ééne werkelijkheid, die der zichtbare dingen, en ziet die andersoortige, die veel hoogere, die veel vastere werkelijkheid voorbij, die ons zelfs in het feit der zonde nog spreken blijft van het „onbewegelijk” Koninkrijk Gods. c Weet ge waar zijn feil school? Het sprak alsof we nog in Eden waren, van een natuurlijken band, die wat zichtbaar en onzienlijk is vereenigt, en begreep niet, dat zoo we nog in Eden woonden, er nooit een feit der Verlossing, nooit een Christendom zou zijn geweest. 26) |28|

Gij kent, nietwaar? de illusie der Alchymisten, ge weet, wat de goudmengers der middeneeuwen wilden? Uit het onedele erts zochten zij zich het eêl metaal te bereiden, wijl ze nog niet wisten, wat sinds de scheikunde leerde, dat naar vaste wet een vaste grens het edele en onedele scheidt. Ziet in dien waan der Alchymisten dan het beeld der zelfbegoocheling, waaraan zich het Modernisme overgaf. Ook zij wischten een grenslijn uit, die, in het leven zelf geteekend, nooit straffeloos geschonden wordt: hier de grenslijn die het gewijd en ongewijd gebied van een scheidt. Ook zij poogden de edele natuur van het heilige, door menging en versmelting, uit den onedelen aard van het zondige te bereiden, en niet anders dan de Alchymist zijn Hermes Tresmegistos, dankten ook zij hun goeden genius reeds, toen nog geen enkele korrel van het echte goud gewonnen was, en slechts de goudgeele weerschijn in hun bedrieglijk maaksel blonk.




III.

Biot en Matthieu, twee fransche natuurkundigen, die voor de beroemde Meridiaanmeting naar Duinkerken waren afgevaardigd, hebben zich aan de tooverachtige kusten van het Kanaal weken lang met het onderzoek der Morgana-verschijnselen beziggehouden. Ze deden dit onder meer zóó, dat ze mannen met signaalstangen uitzonden in de richting waar zich het lichtbeeld vertoonde, en bevonden dan steeds, dat de uitgezondene voor hun blik in de Morgana verdween, zonder zelf iets van haar omtrek te bespeuren. Zoo bleek het dus feitelijk, dat de Morgana slechts schijnbeelden toovert, en werd bevestigd wat Angelucci reeds voor jaren had geschreven: „Eerst zag ik schitterende luchtkasteelen, maar dit alles verdween plotseling, zoodra slechts het minste windzuchtje het zeevlak bewoog”. 27) Zal dus het Modernisme ons werkelijk als een Morgana voor oogen staan, dan is het niet genoeg, dat we beider schoonheid |29| bewonderen, en beider noodzakelijkheid inzagen, maar moet ook hierin de gelijkheid van Modernisme en Morgana blijken, dat de realiteit ontzegd moet worden aan de gestalten die het ons toont.

„Ook het Modernisme ontbloot van werkelijkheid!” Mij dunkt, reeds het snel verloop, dat het in zoo korte jaren nam, schijnt dat oordeel te wettigen. Of wie zag het Modernisme in zijn vaart door al de bochten van zijn stroombed heenschieten, dat hem het woord uit Bürger’s Lenore niet voor den geest kwam: „Hurrah! die Todten reiten schnell, graut Liebchen auch für Todten?” Immers ook Bürger’s Lenore bedoelt met »die Todten” slechts het valsch ideale, dat bij zijn innerlijken tweestrijd door de rauwe werkelijkheid wordt verteerd. „Hurrah! die Todten reiten schnell!” is dus de toon van het ijzingwekkend maatgezang, waarmee het ijle en onwezenlijke zich alle eeuwen door naar zijn oplossing voortbeweegt. 28) Die vlugheid der schaduwen tegenover de traagheid van wat wezenlijk bestand heeft, is onder de volkeren zelfs spreekwoordelijk geworden. »Daarhenen vliegend als een schaduw”, werd aan alle oorden der aarde der broosheid van ons leven ten symbool. Juist de trage, de schier niet schrijdende voortgang daarentegen is het vast, zich nooit verloochenend kenmerk van dat eeuwig-Goddelijke, dat wezenlijk bestand heeft, en blijft. Of heeft Schiller niet naar waarheid van al wat goddelijk is gezongen: „Der zu dem Bau der Ewigkeiten zwar Sandkorn nur für Sandkorn reicht, und von der grossen Schuld der Zeiten Minuten, Tage, Jahren streicht”? 29) Maar nu, wat, zoo vraag ik, heeft men bij het Modernisme van dat „Sandkorn für Sandkorn” ooit gezien? Den bouwmeester van Crystall-Palace, ja een Erwin von Steinbach verre achter zich latend, hebben onze modernen als in een oogwenk tijds een heerlijken tempel opgetrokken, waartoe nog wel de grondstof eerst bereid moest en die, elk terrein des levens met zijn gewelven dekkend, ruimte voor alle volkeren bieden zou. Zie, vijftien jaren, langer is het nog niet, dat het zijn anoniem karakter varen liet, en toch hoort men nu |30| reeds van alle zijden — niet, dat de kroonlijst welhaast op den gevel zal rusten — maar dat het afgebouwd en sinds verouderd heiligdom reeds weer verbouwing en vernieuwing eischt. Vijftien jaren nog slechts, wat zegt het voor geestesontwikkeling! en toch reeds hun vierden mijlpaal zijn ze voorbij en reeds hun vierde phase ingetreden. Scholten is reeds onherroepelijk geantikeerd. 30) Opzoomer heeft met zijn werk over godsdienst als „godgeleerde onder de leeken” naar vrijen wil geabdiceerd. 31) De Busken Huet-phase zag het scherm al voor jaren vallen. Thans wordt het Modernisme reeds weer kerkelijk-conservatief. 32) Ik zou toch zeggen: dát is niet de groei van den eik, maar doet eer aan den wilden wingert denken. Zóó snel gaat de vaart des levens niet, zoolang men op den werkelijken levensbodem blijft.

Evenmin maakt het een indruk van innerlijk bestand, zoo we nu reeds in de eerste jaren, hen die eens het vaandel droegen, zelven die banier verlaten zien. Bij de bakermat eener diepe levensovertuiging, die zedelijke kracht bezit, is zulk een renegaatschap ondenkbaar. Judas droeg niet de banier maar de beurs. De afval der Christenheid kwam eerst op bij de latere vervolging. Eerst toen de Hervormingsgeest wegstierf, bekwam Loyola’s propaganda vrij spel. Maar nu. Juist het omgekeerde zagen we hier. Nauw was het kindeke gespeend, of reeds vertoonden zich die veege teekenen. Nog geen tiental levensjaren heeft het Modernisme gekend, of mannen van enthusiasme, mannen van zeldzaam talent en die zoo boeiend en wegslepend zijn woord tot ons volk gesproken hadden, verliezen zelf het geloof aan wat ze anderen predikten en leggen het ambtsgewaad af. Een Busken Huet vlucht, een Pierson breekt met zijne gemeente, de banierdrager van het Modernisme in onze hofstad komt terug ja, maar om door dit nieuwe volteface het reeds zoo rampspoedig Modernisme slechts te dieper te grieven. En nu noemde ik nog slechts een drietal namen! Hoe breed zou niet de rouwlijst worden, zoo ge alle mindere goden meêteldet, die het jeugdig Modernisme nu reeds heeft beweend. 33)

Ook met het succes moeten we rekenen. Want ook het |31| succes beslist, mits gemeten, niet naar den maatstaf van goedkoop applaus, maar met den graadmeter van de warmte die het Modernisme wekte en de kracht die het geoefend heeft. Zeer zeker, aan toejuiching heeft het ons Modernisme niet ontbroken, ten minste zoolang het afbrak en den zinlijken spotter, hoe ten onrechte ook, in zichzelf deed denken: „Ziet ge wel, gij vromen, heb ik ’t u niet gezegd. Onzin uw femelarij. Thans zeggen het uw eigen leeraars!” Nog heugt u Zaalberg’s klacht wel, hem in een vlaag van te groote oprechtheid ontvallen: „Och! ze bleven, zoolang het een pleit voor hun negatiën scheen, maar stoven uiteen, zoodra ik op mijn wijs ze weer tot ernst wou roepen!” En toch, daarop juist komt het bij de beoordeeling van hun succes aan. Wat toch was hun doel? Wat hun pretentie? Was het, om aan menschen die reeds ernstig waren, een vorm voor hun ernst te geven? Immers neen, maar om, een dam tegen het materialisme opwerpend, die zinlijke, die moedwillige, die altijd schertsende menigte weer te winnen voor het ideaal. En nu, hebben ze dat doel, zoo vraag ik, ook maar van verre bereikt? Natuurlijk. Gij hebt úw ervaring, ik de mijne, maar mij althans bleek het niet. Integendeel. Bij mannen van geheiligde geestkracht in hun midden, vond ik schier altijd de nawerking van een opvoeding in beslist orthodoxen geest. De geleerden van andere vakken, die hen naspraken, lieten het bij dat naspreken meest. De gemeenteleden, die ze in geestdrift ontvonkten, hadden voor het grooter deel reeds, vóór ze hun banier omklemden, in ernstiger kringen verkeerd. De opgang van hun prediking daalt nu reeds. Bij de kerkelijke stemming bleek het wel te over, hoe weinig het Modernisme, nog zelfs in het eerste vuur van den partijstrijd, vermag. En als ge in de kringen onzer schouwburggangers en sociëteitbezoekers en straatslijpers u mengt, zult ge geen ander verschil bij vroeger bespeuren, dan dat men nog even wars van ernst als weleer is, maar thans ook uit het Modernisme zich een wapen smeedt, om met te geruster conscientie den ernst des levens te bannen. Versta mij wel. Ik zeg niet dat de modernen |32| dit verschoonen, veelmin dat ze dit beoogden. Ik begrijp zelfs dat het hun grieven moet. Ik wees er alleen op als maatstaf voor de realiteit van hun kracht. 34)

Al even weinig pleit voor zijn innerlijk bestand de armoe aan vormingsvermogen, die het Modernisme verried. Een geestesbeweging, die innerlijke realiteit bezit, moet zijn frissche groeikracht juist doen blijken, in den vorm dien ze zich schept. Wel zal dien vorm nog lang dat ruwe en onafgewerkte ontsieren, dat elken eersteling eigen is, maar toch, dit kunt ge niet weerspreken: eer aan kwistigheid dan aan armoe van scheppend vermogen wordt het leven des geestes in zijn eerste blijde dagen gekend. Maar ook hiervan zag men bij het Modernisme niets. Veeleer doet zich in zijn optreden het zonderling verschijnsel voor, dat zich reeds teekenen van verdorring en versterving vertoonen, eer nog zelfs de knop voor een vorm zich heeft gezet. Want, let wel, het Modernisme wil den strijd voeren niet slechts met wetenschappelijke wapenen, maar óók een practische richting voor den godsdienst in het leven zijn. Een levensvorm, waarin het op kon treden, zou dus voor het Modernisme geen weelde zijn! En toch, wat zagen we dusver? Immers, dat het de oude kleederen dragen bleef, hoe moeilijk die ook plooiden om de leden, en wel de oude kerk bleef afkeuren, maar zelf nog niets beters vond. Het bleef voorshands den nieuwen wijn nog maar in oude zakken dragen, en toen men, dank zij Artikel 23, dan toch merkte, dat met uitsluitend beschaafden het kerkhouden min goed gaat, en ook het eerst zoo geminachte plebs zijn beteekenis herkreeg, och! toen huwde het Modernisme zijn eigen spot, en beleed voor aller oog zijn armoe aan geniale schepping, door van ons af te zien, hoe wij ons vischnet breiden, en het na te breien juist als wij. Wat had men zich vroeger het hart niet opgehaald aan die „Tractaatjens,” wat werkten die „Zondagsscholen” niet op de lachspieren, wat had men die „Jongelingsvereenigingen” niet tot mikpunt van zijn scherts gekozen! Wat schat van geestigheden had men die „Vroomheidsfabrieken” niet ten beste gegeven! En toch, |33| zie, de nood komt aan den man, en thans strooien de Modernen zelven met tractaatjens, tot hun hoogleeraarsvrouwen incluis zetten Zondagsscholen op, en — mirabile dictu! — Jongelingsvereenigingen verrijzen onder modern patronaat! Ze meenden een oogenblik reeds ónze uitvaart te vieren. Thans zien we ze zich zelven hullen, in wat ze ons doodskleed hadden gewaand. 35)

Welnu, M.H., dat snel verloop, die vroege vlucht, die kleene kracht en die beleden armoe aan scheppend vermogen, geven op zich zelf reeds een kleinen dunk van de realiteit, waarover het Modernisme kan beschikken. We willen thans eene schrede verder gaan, en de gegevens zelf onderzoeken, waaruit ze hun slotsom opmaken. Oordeel gij zelf dan, of het werkelijke gegevens, keur zelf dan of het reëele cijfers zijn. Ze rekenen met godsdienst en met zedelijkheid, met godgeleerdheid en kerk. Staan we bij elk dier vier dan een korte wijl stil.

Eerst dan hun godsdienstig, — of neen, om in hun taal te spreken, moest ik zeggen, hun „religieus” standpunt. Tel het gezet gebruik van dat barbarisme niet te licht M.H. Ook dit doet bij de keur der realiteit iets af. Wat in ons leeft en ons diep uit de ziel komt, weet van geen wisselkleed en vloeit ons slechts in de heilige toonen onzer moedertaal van de lippen. Voor elk naar zijn eigen landaard is de eigen taal een plant die leeft, der vreemden spraak een kunstbloem die slechts schittert. En daarom het uitheemsche woord is nooit meer dan een afgemeten kunstterm, waarmeê men datgeen te noemen pleegt wat, aan ons wezen vreemd, slechts als voorwerp van ons denken voor ons geestesoog speelt. En zoo ook is het feitelijk hier. Vraag ik iemand naar zijn „godsdienstig geloof,” dan ga ik op den man af en breek door de schermen heen, waarachter een valsch begrepen fatsoenlijkheid zijn innerlijk leven verbergt. Spreek ik daarentegen van „religieus,” zeker, dan behoef ik niemand te kwetsen, maar raak ook niemands hart. Ook hier zeg ik: Niet de modernen bedoelen dit, maar de eeuw, waaraan ze hun ziel verkochten, dwingt ze ook hierin tot den schijn. 36) |34|

Ik blijf daarom bij het inheemsche woord, en breng dan tegen hun godsdienstig standpunt dit driedubbel bezwaar in, dat hun God een abstractie is, aan hun gebed de bede ontbreekt, en het Godsbestuur, zoo ze consequent zijn, door hen zelf moet worden geloochend.

Vooreerst dan: hun God is een abstractie en mist het werkelijk bestaan.

Ik zeg dit met ernst M.H. Ik weet het, de modernen zijn zich dies onbewust, want ze vereeren, ze aanbidden, ze beminnen, ze bezingen een iets dat ze niet zelden »God” noemen. Door persoonsverbeelding leenen ze aan dat iets wezenheid en persoonlijk bestaan. Ze schrijven aan dat voorwerp hunner aanbidding een kracht toe op hun zedelijk leven. Het hoogste en reinste wat ze zich denken kunnen, is in die Godsidé voor hen saamgevat. Zich zelven voelen ze in dien zelfgedachten „God” geheel opgaan, en wat er aan verzuchting hun hart ontglipt, wijden ze Hem. Ja, zoozeer is die Godsidé hun het een en al in hun zielsbeschouwing, dat ze van Hem, als aller goeden inbegrip, aller goede dingen zegepraal, in verder of in dichter toekomst, beiden met een vaste hoop. Maar volgt hier nu uit, dat aan de Godsidé die ze zich schiepen, werkelijk een levend God beantwoordt? 37) M.H. de herinnering aan een trek uit het Dichterleven werpt hierop een eigen licht. Bovenal het dichterhart heeft behoefte aan reine, ideale liefde. Van daar doet zich bij de meeste dichters het zonderling contrast voor, dat ze de heerlijkste hymnen op hun Beatrice of Laura, hun Molly of Adelaide zongen, en toch niet zelden zoo onhoudbaar huwden, dat echtscheiding in de dichterwereld ver van ongewoon is, en één hunner zelfs niet schroomde na den dood zijner vrouw te zingen:

„Wie aus Nacht und Moderduft
Fühl ich froh mich auferstanden,
Zu des Frühlings Licht und Luft.” 38)

Van waar dit contrast? Doorbladert ge de zangen van Europa’s |35| groote dichters uit hun eerste periode, dan vindt ge dat ze niet slechts met de ideale ontplooiing eener zielverterende liefde dwepen, maar tevens uit de idé tot de werkelijkheid besluiten en dies de Liefde zelve aanbidden in de persoonsverbeelding eener reine maagd vol vormenpracht en gratie. Toch tast elk nuchtere van geest, die, vreemd aan hun scheppingen en aan hun illusiën gespeend bleef, dat zulk een gedachtebeeld niets is dan het reflex van hun eigen zielsbeweging, en alle werkelijkheid mist. Ze spreken dit soms zelf, huns ondanks, uit, gelijk Matthison in het keurig slotcouplet van zijn Adelaide:

„Einst, o wunder, o wunder, entblüht auf meinem Grabe
Eine blume der asche meines Herzens.
Deutlich schimmert, deutlich schimmert
Auf jedem purpurblätchen,
Auf jedem purpurblätchen
Adelaide, Adelaide”. 39)

Niet anders verging het Schiller. Hij schiep zijn Laura, en als ge Schiller van zijn Laura hoort zingen, dan gevoelt ge, dat geen zweem zelfs in hem op kan komen van twijfel aan haar werkelijk bestaan. Zij is daar, hij ziet ze, zijn leven is haar toegewijd, voor haar klopt hem het hart; zij is, zoo hij waant, in alle ding de eerste, in zijn zielswereld de hoogste werkelijkheid, en toch . . . . spel is, wat hem schijnt te wezen, der eigen zinnen vrucht, wat zijn zinnen zoo machtig betoovert, die Laura is slechts, zoolang ze door Schiller gedacht wordt, buiten hem bestaat Laura niet! — Maar eindelijk huwt Schiller. Zijn vrouw is Laura niet, want zij leeft en moet dus den eisch der existentie vervullen. En toch, nu erkent diezelfde Schiller in zijn intieme brieven, dat hij nu eerst de werkelijke, de harmonische liefde gevonden heeft, en thans, voor overspannen hartstocht, heilige vrede tot hem is ingekeerd. Hem zien we dus nog uit het romaneske in de werkelijkheid terugkeeren, maar Dante en Bürger en Byron konden dit niet meer, en moesten |36| òf eenzaam hun dagen slijten òf ontbonden voor den rechter den pas gesloten echt. 40) — Zij dat u dan het beeld van der Modernen Godsidé. Ze hebben behoefte aan aanbidding en scheppen in dien drang zich een beeld van eeuwig-schoone Liefde, maar dat de kracht der existentie, dat is hier de „heiligheid” . . . mist. Zij mogen dat beeld dan met geleende klank God, of naar eigen trant het Alwezen, of, naar nieuwste inventie, den eeuwigen Kosmos noemen, de naam zegt hier niets, zij meenen toch een God te hebben. Wat ze beminnen is wel niets dan het reflex van hun eigen zielsbeeld, maar toch, ze dwepen, ze aanbidden. Ze kunnen het u niet toegeven, dat die Godsidé niet werkelijk zou zijn. Om schijn van wezen te onderscheiden is de geestestoestand der illusie onmachtig, en dan eerst zou zich hun oog hiervoor ontsluiten kunnen, zoo de Levende God zich zelf hun openbaarde en voor Zijn verheven majesteit hun schijnbeeld verdween. 41)

En vraagt ge, hoe we bij onze Godsaanbidding dit beslissen kunnen, wat hier keur voor schijnwezen biedt? Op ander terrein en in moediger eeuw zou de Palatijnsche Catecheet, wie dat vroeg kortweg hebben terecht gezet met zijn snijdend conscientiewoord: „een anderen God te versieren, d.i. te verzinnen, dan die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, is afgoderij”. 42) Maar ik weet, men buigt thans eer voor Shakespere. Ook mij is hij groot, de dichter die niet sterven kan, zoolang er menschenharten kloppen, wijl de eisch van dat hart, voller dan het zelf dien kent, in zijne scheppingen uitkomt. Welnu, ge kent zijn Hamlet. Ook daarin wordt de strijd tusschen schijn en werkelijkheid gestreden. Op het glacis van Elsencur’s veste verschijnt te middernacht een geestesgestalte. Het schijnt de pas gestorven koning te zijn; maar men twijfelt. Horatio, Hamlet, allen weigeren eerst geloof. En wat is nu de proef, die allen onmiddellijk, die allen van zelf voor den geest komt? Hoor, daar verschijnt de Geest, en Bernardo roept „See, it stalks away,” en wat zegt nu Horatio: „Stay, Ghost! speak, speak, I charge thee, speak!” |37| En als ten laatste Hamlet mede het spooksel ontwaart, wat geeft hem dan weer moed, wat doet hem dan weêr hopen, dat de verschijning geen werkelijkheid is? Zie, eerst roept hij: „O! answer me! let me not burst in ignorance, but speak,” — en eerst nu er geen stem komt, roept hij moedig uit: „It will not speak, then I will follow it.” Alleen die toets geldt ook hier. „Spreek, o mijn God! zoo gij er zijt!” is de diepe klacht, die uit het menschenhart naar den hooge opklimt, en dán eerst komt er vrede, zoo de beklemmende stilte om ons heen wordt afgebroken, en het levend Woord ons toeroept, van een God, die tot zijn menschenkinderen door de profeten en door den Zoon gesproken heeft. 43)

Ziet het aan het gebed of niet juist in die hoogste levensuiting de onwerkelijkheid van der modernen Godsidé wordt gestaafd. Dusver bad men aan alle plaatse der aarde, bad men door alle eeuw, bad men bij alle volk, in het stil en kinderlijk geloof, dat het biddend hart door luisterende ooren daarboven ontmoet werd, en het meest juist in gebedsverhooring de waarheid van den Eeuwige werd getoond. Ga nog binnen in geloovige kringen, en ge wordt door die gebedsverhooring verkwikt, ja, ge kunt geen geloovige ontmoeten, wiens ziel niet juist in verhooring zijner bede het mysterie des geloofs heeft bekend. Maar zie, tegen alle eeuw en alle volk in, komt thans het Modernisme u zeggen, dat niemand dusver ooit het echt gebed begrepen heeft, want dat bidden niet is een vragen om gehoord te worden, maar slechts een uitstorting der ziel. Ik weet wel, soms zeggen ze u dit zoo, dat de grenslijn zwevend wordt en hún gebed schier onmerkbaar in het úwe vervloeit. Maar als dit dreigde heb ik hun deze of soortgelijke vraag gesteld: Zoo hier een moeder woont, wier zoon, naar overzee getogen, ginds zedelijk schier verloren ging, of dan, zoo zij hier op de kniën valt en God om redding voor haar kind smeekt, die moederlijke bede, die hier naar den Hooge opklimt, uit dien Hooge een zege daar ginder kan brengen, aan haar kind dat eenzaam doolt. |38| „Natuurlijk neen!” was het antwoord, . . . . en daarmeê de breuk tusschen het modern gebed en het godsdienstig bewustzijn voor mijn hart beslist. Maar dan zeg ik ook: Gebruik het woord van bidden niet langer. Wat gij bidden noemt, is een dwepende zielsverheffing, een uitgieting des harten, een tweegesprek met de eigen ziel, een in heilige stilheid aan uzelf ontdekt worden, . . . . en nu, dat alles is goed, dat alles is onmisbaar, dat alles willen ook wij met u doen, maar als dit alles ten einde is, vangt voor ons het gebed eerst aan. 44)

Eindelijk, hun Godsbestuur moet, willen ze consequent zijn, door henzelven worden geloochend. Ook uit de natuur, ook uit de geschiedenis immers, zeggen ze, de kennis te putten van een Eeuwige Liefde, terwijl een vloek, op beiden rustend, hun slechts ingebeelde waanzin schijnt. Dit nu weerspreekt zichzelf. Want voorzeker, er ruischt in de natuur een sprake van Liefde, maar er klimt ook uit haar diepten een stemme des toorns, die in nog machtiger toon van wreedheid, doodsangst en vernieling spreekt. Niet slechts de hen met haar kiekens, ook de vlieg in het spinneweb vertolkt u haar ontzettend geheimnis. Zóó in de natuur, en niet anders in de geschiedenis. Ook daar, soms gerechtigheid, maar even vaak de arme verdrukt, geplaagd wie het goede deed, wie God vereeren dorst, om zijn vroomheid geworpen in het stof. Kruis van Golgotha! . . . . reeds uw enkele klank is genoeg, om ons die wet te bezegelen, die zich nimmer verloochent. In ernst, men moet aan de vlinder-oppervlakkigheid van een Zschokke lijden, om met zóóveel smart en zóóveel gruwend onrecht en zóóveel tranen voor oogen, ook van die natuur, ook van die geschiedenis te belijden: ze leert mij de eeuwige Liefde mijns Gods. — Wil het Modernisme doordenken, dan kan het die feiten niet blijven miskennen, en moet het dus ten leste van beiden één doen, óf de liefde in God óf het Godsbestuur in de geschiedenis prijsgeven. Blijft het, den vloek ontkennend, volhouden, dat in die natuur zich zijn God openbaart, dan moet het de eeuwige Liefde in zijn God zien verbleeken. |39| Of wel, doet het dit niet, blijft het zich vastklemmen aan zijn Godsidé der eeuwige Liefde, dan glijdt het noodwendig, onverbiddelijk naar de ontzettende erkentenis: van een Godsbestuur zie ik niets. Wat zeg ik? Daartoe is het reeds gekomen, en mijn vriend Dr. Hooykaas, één hunner uitnemendste woordvoerders, heeft het reeds den volke verkondigd, dat we niets in ’s menschen uiterlijk lotgeval van een Godsbestuur zien. 45)

We komen tot het zedelijk gebied, en ook daar willen we onderzoeken, of althans de mensch, dien ons het Modernisme teekent, de zonde die het bestrijdt en het zedelijk ideaal, dat het nastreeft, de proef der werkelijkheid doorstaat.

We vragen eerst naar den mensch, want hij is het zedelijk wezen. Maar blijft hij dat voor het Modernisme evenzeer? Gij zaagt wellicht de gelithographiëerde titelplaat, waarmeê Darwin’s „Descent of man” bij ons Hollandsch publiek is ingeleid: de mensch wandelend in hetzelfde woud, waarin zijn vlugger viervoetige voorvaderen zich giegelend slingeren om het hout. Men heeft daarom gelachen, maar voor dien jok is het te ernstig. Immers, daaruit spreekt niets minder dan de loochening van een eigen schepping, en daarin volgt ook het Modernisme de nieuwere zoölogen na. »Geen wonder, dus ook geen partiëele schepping in de reeds bestaande wereld”, zegt men. Maar dan ook van tweeën één: dan houdt de mensch op óf zedelijk, óf één, dus een wezen te zijn. Immers, leidt men ook zijn zedelijke natuur af uit de diernatuur, die lager staat, dan is de scheiding tusschen beider aard opgeheven, en valt het absoluut en dus eigen karakter van het zedelijk leven weg. Of wel, doet men dit niet. Beweert men, dat door nieuwe uitstrooming dat zedelijk leven den edelsten viervoeter, in de ure zijner menschwording, is toegevloeid, vooreerst zou ik zeggen, dan heeft men het wonder zijns ondanks terug, houdt dus op modern te zijn, en verkrijgt met dat al nog nooit een wezen, maar slechts een schijnwezen, een verschijning, die gelijk de oude Doceten van Jezus bazelden, gedeeld en ingezet is, en dus de eenheid van |40| wortel, het onmisbaar kenmerk van alle wezen, mist. Als Geulinx occasionalist, of materialist met Moleschot, er blijft in der modernen sfeer geen andere keuze. Het zedelijk leven sublimaat van physische krachten, óf van elken mensch beleden, wat het onzinnigst Docetisme van Jezus droomen dorst, is de tweesprong, waar uw weg op uitloopt en in beide richtingen u henenleidt naar de vernietiging van den mensch. 46)

Werkelijke zonde kent het Modernisme evenmin. Wat wij dusver onzedelijk noemden, heeft het vindingrijk in een „nog niet” zedelijk omgezet en daarmee geheel het begrip van zonde vernietigd. Het geheim ontging u niet, hoe men betoogen kan, dat zwart wit is, gescheiden door slechts betrekkelijk verschil. Ge hebt daartoe tusschen die beiden slechts de eindelooze schakeeringen van grauw, grijs, parel, loodkleur, vaal en zooveel meer te denken, die van beenzwart naar hagelwit overleiden, en nu de vraag te stellen, in welk grijs de grenslijn ligt, die wit en zwart scheidt. Ge begint bij het zwart, en schrijdt steeds één nuance verder, tot ge, ze allen doorloopend, ten leste het schelste wit bereikt hebt, zonder dat de zwakste tint, die grens kon zijn, nog werd ontdekt. Welnu, langs geen anderen weg is het Modernisme tot de onzedelijke stelling gekomen, dat de zonde steeds was misverstaan. Ook hier toch heeft men de vaste grenslijn, die licht en duisternis vanéénscheidt, prijsgegeven, en moest zoo wel tot het onzalig beweren komen, dat, gelijk Opzoomer het uitsprak, zonde en heiligheid, wel voor ons, maar niet voor God werkelijk gescheiden en dus slechts relatief zijn in verschil. Vraagt ge, of ze dan het schuldbesef niet kennen? O! gewisselijk. Gelijk een kunstschilder gejaagd wordt door het schoone beeld, dat in zijn phantasie zich vormde, en hem geen rust gunt, eer het gespiegeld werd op het doek, zoo kennen ook zij een innerlijke onrust, een nooit sluimerend zelfverwijt, het rusteloos gejaagd worden door het zedelijk ideaal. En ik stem toe, wel hooren laat zich dit, zoolang men in beschaafder kringen vertoeft, waar de hartstocht fijner vormen koos, of zich, van de markt des |41| levens ver, in zijn schrijfcel opsluit. Maar ga eens in het werkelijke leven. Zie daar het woeden van die alles vernielende macht der zonde, die schraapzucht, die brasserij, dien nijd, dien wellust. Denk aan de schimmen van Pantin, Traupmann’s bijl een moeder met haar lievelingen moordend! Denk aan de hyena’s op het slagveld, gewonden worgend, lijken schendend in duivelsche hebzucht. Denk u de tijgerinnen van Belleville, of het moordtooneel van Place Vendôme, . . . en zeg mij dan, of de moderne met zijn uitroep: „Nog niet heilig, onmisbare phase in zedelijke ontwikkeling!” u niet het bloed in het aangezicht doet vliegen, en u toont, dat hij geen realiteit der zonde meer kent. 47)

Die realiteit bezit hun zedelijk ideaal evenmin, wijl het niet de volheid zelf is, maar slechts den eisch dat die volheid kome. Ze klimmen er toe op. Ze jagen het na. Ze streven uit alle macht om hun doelwit steeds nader te komen, maar zelf belijdend, dat het eeuwig tasten blijven moet, wijl. zoo wanen ze, een bereikt ideaal ophield ideaal te zijn. Dit nu juist ontken ik. Mijn ideaal is dat, wat mij in hooger en in heiliger zin, volzalig en gelukkig maakt, mij geheel vervult en doordringt. Maar dan moet het ook zelf niet een ledige eisch zijn, maar die volheid van schat, waaruit men, met Joannes, genade vóór genade ontvangt. d Dan klimt gij niet tot uw ideaal op, maar daalt het in u neder. Dan is het niet de eisch van het goede en ware, maar de eeuwige goedheid, de eeuwige waarheid, de eeuwige schoonheid zelve, die zeegnend haar vleugelen over u uitspreidt, en voor het hartstochtelijk en gespannen jagen u reine harmonie, onpeilbaar diepen vrede en eeuwige kalmte schenkt. 48) Merkt het aan de wereld der tonen, die het verst van ons denken ligt, en daarom de meeste kracht heeft tot bewijs. Hoor het een Mozart zelf getuigen, hoe de toonaccoorden, die hij weergeeft, gereed liggen eer hij komt, hém slechts als geleider bezigen, en met een volheid, die hij zelf niet ter helfte peilt, door zijn eigen hart het leven ingaan. Merk het in Beethoven’s Busslied, waaruit het volle Evangelie der Verzoening, — de |42| diepste verbrijzeling plotseling afgewisseld met den reinsten, den heiligsten jubel — u uit de muzikale schepping op het heerlijkst tegentrilt, zonder dat de groote componist zich dies zelf bewust wierd, getuige Gellerts lied, dat hij met tonen wil verzellen.49) Zoo nu is het op elk gebied des levens. Niet wij zoeken het ideaal, maar het ideaal zoekt ons, grijpt ons, vermeestert ons, drenkt alle diepten van ons wezen met zijn persende volheid, en maakt onzen ledigen vorm al meer aan zijn wezen gelijk. Niet „wordt volmaakt!” maar „weest volmaakt!” niet „wordt heilig!” maar „zijt heilig!” is daarom de roepstem van het eeuwig ideaal voor hem, die het goddelijk „volbracht” op Golgotha heeft beluisterd. Bethlehems kribbe en achter Golgotha de geopende grafspelonk, dus heeten de heilige werkelijkheden, waarin dat ideaal alleen gekend wordt. Eerst als ik weet en belijd van een Woord dat vleesch is geworden, slaat het verzuchten in genieten om. Dan eerst kunt ge, o dorstende naar het ideaal! met Faust in Goethe’s dichting jubelen:

„Hier fass ich Fuss, hier sind es Wirklichkeiten,
Von hier aus darf den Geist mit Geistern streiten,
Das Doppelreich hier fangt es an.” 50)

En zullen we dan nu nog een vluchtigen blik slaan op hun godgeleerdheid, om te zien, of daar meer realiteit wordt gevonden, vragen we dan naar hun historischen zin, hun critischen toetssteen, en dogmatischen grond.

Aan historie doen zij veel, hun onverdroten ijver in dit vak van wetenschap verdient allen prijs. Maar . . . . werken ze met historischen zin? Ge hebt wel eens die beelden der gewijde geschiedenis van Roomschen oorsprong gezien, waarop Jozef een priestertabberd draagt en de apostelen met myters zijn getooid. Welnu, zulk een anachronisme heeft ook onze eeuw gewaagd, toen men ons Jezus van Nazareth voorstelde in het gewaad van een modern Theoloog. Thans erkent men hier zelf het onhoudbare van, maar, ge weet, er is op Roomsch gebied nog een andere methode, de methode van Abt Brouwers, en die koos men ook hier. |43| Of liever, men moest ze kiezen, want elke levensbeschouwing, die uit de gedachte gesponnen en niet aan de werkelijkheid ontleend is, moet op de feiten stooten, tot ze vervormd zijn naar haar eisch. Zoo bij onze Roomsche landgenooten. Deze twee: hún levensbeschouwing en ónze volksgeschiedenis, kunnen niet te gelijk waar zijn, en niet uit opzet, maar gedrongen door hun zienswijze, gieten ze, om die levensbeschouwing vast te houden, de volkshistorie in nieuwen vorm over. Niet slechts het geziene voorwerp, maar ook het ziende oog, bepaalt het beeld op uw netvlies, en zoo ziet ook Rome onze volkshistorie feitelijk, gelijk ze ons die maalt. Evenmin brandmerk ik dus de goede trouw van der modernen geschiedvorsching, slechts maakt het valsch gezichtspunt, dat ze kozen, hun een juister zien onmogelijk. Immers. Afdruk op godsdienstig terrein van wat de Revolutie voor het staatsleven wierd, wil ook dat Modernisme het al modelleeren naar den eisch van zijn idé. Die idé, niet aan de werkelijkheid ontleend, maar uit onware vermenging van heilig en onheilig geboren, moet dus wel in botsing geraken met het heden, gelijk het zich in hart en conscientie doet gelden, en met het verleden, gelijk het spreekt in de historie. Van tweeën één moet ook bij hen dus wijken: het Modernisme voor de feiten, of die feiten voor het modern idé. Wil ik nu dat eerste niet, is het leven van mijn geest daarvoor met dat Modernisme te innig saâmgegroeid, en geloof ik dus, dat vóór alles dat modern beginsel heilig is, — natuurlijk, dan kán het ook niet gelden, wat de geschiedenis, dan kán het niet waar zijn, wat ons de Schrift van Jezus zegt, en moet wel geheel het verleden zoolang gewijzigd, nieuw getint en omgezet, tot ook de geschiedneis, haars ondanks, mijn Modernisme staaft. Maar dan gevoelt ge ook, kan van historischen zin geen sprake zijn, dan is de gevoelszenuw voor dien zin gedood door mijn apriorisme, en leert mij zulk een onderzoek wel wat het Modernisme der negentiende eeuw in het schild voert, maar niet wat vóór achttien eeuwen is geschied. 51)

Hun critiek was daartoe onmachtig, wijl ze, wanend |44| objectief te zijn, allen samenhang met het leven verbrak. Zal ik de echtheid van het goud keuren, dan moet eerst de steen, dien ik bezigen zal, zelf onderzocht zijn, of hij werkelijk toetssteen is. Slechts dan drukt het eêl metaal zijn goudstreep af, zoo de steen, dien het aanraakt, bij zijn geaardheid past. Tusschen het voorwerp dat ge kiest en den toetssteen, dien ge bezigt, moet dus vooruit reeds, moet reeds van nature verwantschap bestaan, of de keuring mislukt. Dit echter ontkent het Modernisme. Het noemt dit bevooroordeeld zijn en vooruit reeds partij kiezen, en wil dat ge over het schoon der kleurenwereld oordeelen zult, al ontbreekt elke verwantschap tusschen die tinten en uw oog. Zoo dus ook hier. Aan onze waarneming vertoont zich een Christenwereld met een eigen geest en eigen taal en eigen leven. Nu zou een gezonde critiek zeggen: Daar kunt ge niet over oordeelen, tenzij ge die sympathie des geestes met haar hebt, die u in haar leven doet indringen. Maar neen, zegt het Modernisme, het subject moet hier niets, het object alles zijn, en met een wilde critiek, die alles controleeren wil, maar alleen zelf geen contrôle duldt, wordt geheel uw Christendom vernietigd. Zoo, en zoo alleen kon het dan ook gebeuren, dat een uitnemend Hoogleeraar nog in 1858 met een bezieling die wegsleepte, met een gloed die vermeesterde, u betoogen kwam, dat, mits ge er enkele verzen uitsneedt, het Evangelie van Joannes u zijn echtheid daghelder in het oog deed springen, — zoo historisch waren de personen, zoo innig de samenhang, zoo droeg alles het merk van natuurlijkheid en echtheid aan het voorhoofd, — en dat toch diezelfde hoogleeraar reeds in 1861 een geschrift uitgaf, waarin ge lezen moest, hoe nu alles op eens anders was geworden, en diezelfde personen en diezelfde woorden en diezelfde trekken, die eerst zoo onomstootelijk de echtheid bewezen, nu daarentegen de onechtheid zoo doorzichtig maakten, dat er geen eigenhandig woord van Joannes in dit gansche Evangelie stond. Natuurlijk. Bekentenis van beter inzicht wraak ik niet. Elk man van overtuiging zal die eeren. Maar wat doorbroken moet, is de heilige nimbus, waarin een kritiek |45| zich voor aller oog durft hullen, die aan het wezen der dingen vreemd blijft, en, aller onderwerping opeischend, slechts naar de gril van het apriori met het „corpus vile” speelt. 52)

Met hun dogmatiek is het evenzoo. Hun dogmatiek, zeg ik. Ook de modernen toch, hoe ze ook tegen dogma’s woeden, zijn zelven de hardnekkigste dogmatisten. Immers, een dogma is een stelling, die ge op straffe van ongelijk door anderen wilt aanvaard zien. „Wij belijden,” zegt de Kerk, „en wie anders belijdt, ga van ons uit.” En evenzoo: „wij belijden,” zegt het Modernisme, „en wie het anders zegt, verbeurt zijn recht op den eeretitel van beschaafd en ontwikkeld mensch.” Of zegt mij, wat anders dan onbewezen praemissen, en dus op hun standpunt goedkoope dogma’s zijn het, als het Modernisme bij al zijn prediking uitgaat van deze belijdenis, die ik slechts in enkele trekken dus omschrijf: „Ik, moderne, geloof in een God, die Vader alles menschen is, en in Jezus, niet den Christus, maar Rabbi van Nazareth. Ik geloof in den mensch, die van nature goed, slechts naar volmaking streven moet. Ik geloof dat zonde slechts betrekkelijk, vergeving van zonde dus slechts van menschelijke vinding is. Ik geloof een hope des beteren levens en zonder oordeel aller zielen zaligheid.” Natuurlijk, die dogma’s te belijden staat hun vrij, maar ook ons, daarin hun gemis aan realiteit te wraken. Ziet toch, het kenmerk van een dogma is juist, dat het, van de wisseling der meeningen onafhankelijk, die onwrikbare grondlijnen aanwijst, waarlangs de heilige waarheid zich alle eeuwen door beweegt. Hún dogma’s daarentegen zijn slechts een afdruk van de thans heerschende begrippen, van de markt des ondoordachten levens in Jezus’ kerk overgebracht en door modern gezag geheiligd. Ziet dan ook maar, hoe vaak ze nu reeds in die weinige jaren hun dogma’s omgoten, en zegt mij, of ge aan de realiteit van een dogma kunt gelooven, dat leunt op wat het zelf moest steunen, en zich zijn eigen karakter schaamt. 53)

Eindelijk hun Kerk mist elke eigenschap, die het wezen der |46| Kerk bepaalt. Hun „nous maintiendrons,” dat van de Maasoevers opsteeg, is wel pretentie, maar geen bewijs, en beslist dus niets. Zal het recht op die spreuk hun worden toegewezen, dan moet derhalve eerst kritiek gaan over het betoog waarmeê ze die pretentie bepleiten. Te Utrecht ondernam een treffelijk man dit zóó. Hij zei: „De Kerk van Jezus is een vereeniging van allen die voor het ideaal leven; wij modernen zijn van die; dús is de Kerk ook onzer.” Waarom niet: „De Fransche natie is eene vereeniging van menschen die voor de idé strijden; gij strijdt voor de idé; dus zijt gij Franschman”? Reeds het a b c van de leer der sluitredenen stelt dit betoog dus buiten gevecht. Maar luister dan naar dit pleidooi: „De Hervormers stonden tegen Rome op met den eisch van „vrij onderzoek.” Dat onderzoek, door hen ter nauwernood begonnen, laat staan voltooid, is dus kenmerk der hervorming, haar gistend beginsel, haar glorie en haar roem. Lang verloor dit beginsel ten onzent zijn kracht en lei de Kerk zich neer bij de nog ondoorzochte erfenis, die uit Rome tot ons kwam. Wij nu, als echte zonen der Hervorming, vatten het gestaakte onderzoek weer op. Krachtens recht van beginsel moet ons dus niet slechts ledenrecht, maar zelfs vooraanzitting in uw Kerk worden gegund!” Ook dit is een sluitreden minder doorzichtig, maar aan hetzelfde euvel mank. „Vrij onderzoek” in beide termen, maar beidemaal in anderen zin. Zeer vrij onderzoekt het kind zijn speelgoed door het stuk te breken, maar ook vrij onderzoekt de koopman in parelen zijn schat, om het valsche van het echte te scheiden. Als dat kind deed het Modernisme, aan dien koopman was de Hervorming gelijk. Familietrek tusschen beiden bleek dusver niet. Of wilt ge weten, hoe een Luther en Calvijn over dat verzoekend onderzoeken dachten, lees dan, hoe ze een Carlstadt en Servet, hoe ze de „Schwärmer” en Unitariërs tuchtigden en voorts . . . gis zelf met wat vaderlijke teederheid ze het „been van mijn been” bij een Strauss en Renan zouden hebben gevoeld! — Maar de Remonstranten en vroeger nog Erasmianen, toonden ze niet onweersprekelijk, dat |47| naast den stroom der rechtzinnigheid steeds een heterodoxe strooming door ons kerkelijk leven gevloeid heeft? Wie ontkent het? mits ge er bijvoegt: door de Kerk steeds afgekeurd, als met haar aard onvereenbaar en aan haar levenswortel vreemd. — Maar wat is dan de Kerk? vraagt men. Zijn ook wij dan niet in die Kerk geboren, en met ons die duizenden, wier tegenzin tegen het Modernisme slechts hun afkeer van uw rechtzinnigheid evenaart? Zij ze dan al vroeger anderer meening geweest, wat bindt ons het voorgeslacht? De Kerk is de thans levende generatie. Zij make van haar Kerk wat ze wil! . . . Dus ook al keerde ze die in haar tegendeel om? Een Teetotaller-vereeniging, die naar verloop van tijd een distilleer-zaak drijven gaat? Ongetwijfeld het thans levend geslacht kàn dit doen. Maar dit is de vraag niet. De vraag is, of ze dat doen kan, en tevens Kerk van Christus blijven? Natuurlijk. Dit beslist niet de wil eener generatie, maar de vaste wet van logisch denken, een wet, die eischt dat ge eerst de kenmerken van de Kerk als zoodanig opsporen, en voorts beslissen zult, of dàt kenmerk met uw eischen strookt. Alleen de historie kan u dat kenmerk toonen. Uwe of onze beschouwing geldt hier niets. En leert nu de historie, dat een der onloochenbaarste kenmerken der Kerk is, juist dátgeen te bannen, wat u het eenig ware dunkt, oordeel zelf dan, of uw geestesrichting met het wezen der Kerk kan bestaan. — Toch heeft die Kerk mij aangenomen, mij tot haar dienaar gewijd! Wat baat dit u? Ook een Kerk kan in zedelijken zin niet doen, wat strijdt tegen haar levensaard. Deed ze dit nogtans, dan deed ze dit ten onrechte, en kan ze niet tot zelfbewustheid ontwaken, zonder aanstonds weer den prikkel van haar roeping te gevoelen, het onrecht weer recht te maken, en te niet te doen, wat, werkte het door, haar tot schuld van zelfmoord worden zou. — Zeg zelf, wat is voor het Modernisme „Kerk”? Iets moet ze toch zijn, wat iets anders niet is. Ze moet dus haar grens hebben, die bepaalt waar ze aanvangt, waar ze eindigt, wat al, wat niet tot haar behooren zal. Die grens, die beperking, mag niet naar |48| wilkeur genomen, maar moet voortvloeien uit haar wezen. Ze mag dus niet blijven wat ze thans is: een toevallig saamgehouden bond, voor wier ledenrecht slechts het verleden of de traagheid van beweging beslist. Ze mag noch vervloeien in de maatschappij, noch met het „Nut” eenzelfde wit beoogen. Ze mag niet slechts zijn wat ook onder Buddha’s of Confucius’ volgers denkbaar is, maar moet een eigen aard hebben, die haar van dit alles onderscheidt. Hoe zal nu het Modernisme dit pleit beslechten? Zal het zeggen: Een zedelijk-godsdienstige Vereeniging . . . . en dan het Nut? Een vereeniging voor Godsvereering . . . en dan ons Israël? Een vereeniging voor wie Jezus als ideaal huldigen . . . wees op uw hoede! Dat belijden reeds niet allen! Bovendien, dat deed menig Israëliet, reeds een enkele Brahmin zelfs ook! Wat dan? O! reeds schaamt het Modernisme zich de holheid zijner eigen phrasen, wordt zich zijn armoê bewust en roept met ons om een „Confessie”. Om een „Confessie!” . . . Natuurlijk, daartoe moest het komen. Maar met dien terugkeer tot het eens verworpene is dan ook de onmacht van het Modernisme, althans om ons een Kerk te geven, naar den eisch van recht beteekend. Immers, dit voelt ieder: de idé van „een Kerk met Confessie” kan nooit product van het Modernisme zijn, wijl ze vloekt met zijn beginsel, en wierd dus niet aan eigen voorraadschuur, maar aan de welgevulde schatkamer der orthodoxe idéën ontleend. 54)




Zóó vonden we het dan M.H. Waar we ook het peillood uitwierpen, steeds zonk de bodem der realiteit voor ons weg. Geen realiteit Gods, geen werkelijk gebed, geen werkelijk Godsbestuur, de realiteit van ’s menschen leven bedreigd, onwerkelijk de zonde, geen werkelijk ideaal, geen echte historie, geen ware critiek, geen proefhoudend dogma, en een werkelijke kerk evenmin. Van dit alles vonden we wel de namen, wel de schaduwen, maar den wortel der wezenheid niet. En toch, ik herhaal, wat ik in den aanvang zei: weggewenscht had ik daarom het Modernisme niet. Ik blijf mij mijn beweren: In een kerk, gelijk de onze eenmaal was |49| geplaatst in een eeuw, als waarin wij het levenslicht zagen, moest het Modernisme niet slechts komen, maar heeft het ons ook ten zegen gestrekt. De beginselen waren weggefutseld, en ziet het Modernisme heeft die door zijn stoute negaties weer te voorschijn geroepen uit het graf. We hadden onze ontwikkeling gestaakt, en het Modernisme heeft door zijn niets-sparenden uitval ons weer tot geestesarbeid gedwongen. Er was geen samenhang tusschen de kerk en onze eeuw, en het Modernisme heeft ons genoopt dien te zoeken. Juist wijl het zich aan den eisch der werkelijkheid niet stoorde, heeft het in een oogwenk des tijds alle geestesgangen kunnen doorloopen, en ons een tal van zijgangen en zijpaden getoond, die door ons nog nooit betreden waren, en die de kerk nog niet vervuld had met haar Christelijken geest. Kortom, als ik u zeg, dat we zonder de Modernen nog altijd zuchten zouden onder den loodzwaren arm van het alles-doodend Conservatisme, dan zult ge begrijpen, in welken zin ik het openlijk durf uitspraken: Juist het Modernisme heeft de orthodoxie in Jezus kerk én feitelijk én zedelijk gered!

Maar . . . gered . . . zooals alleen afsnijding tot den tronk soms den kankerenden boom weer doet uitspruiten; gered, zooals de kranke soms gered wordt door gif in zijn aderen te druppelen, of wilt ge, zooals een verpletterende inval van den vijand alleen nog soms den levensernst van een volk kan verhoogen; een redding dus, waarvan ik ten volle begrijp, dat ze u den schrik om het hart doet slaan. Gij noemt het Modernisme een zegen — zou men ons kunnen toeroepen — maar wat, zoo die bijl te diep ging, dat gif te veel werd, die inval in vernietiging oversloeg, en de wateren van het Modernisme geheel ons oud geloof overstroomden? Zie, hoe machtig werd het niet reeds, over wat schat van intelligentie heeft het niet te beschikken, wat onmetelijken invloed oefent het niet! Bovenal let er op, hoe geheel de richting der geesten vóór het Modernisme partij kiest en ons geloof weerspreekt!

Ik ontken die feiten niet. Maar toch, als die bloei van het |50| Modernisme u den moed dreigt te rooven, vloeit er uit de bron der geschiedenis troost.

Gij herinnert u den naam van Doctor Dioscorides nog, dien pseudoniem, waaronder een uitstekend hoogleeraar nu vijf jaren terug, een visioen over de toekomst schreef. e Mij dunkt, het heugt u nog wel van die wandeling in Londinia, met zijn glazen hemel, zijn aleutischen tijd en mechanische verwarming, zijn reistaal en energeiatheken. 55) — Welnu, dat was meer dan een droom. Er lag waarheid in dat beeld der verdichting, wijl naar de wet van het verleden ons de toekomst geteekend was. Ook wij gaan dus veilig, zoo we met de kennisse van het verleden voor den geest, onzen blik op de toekomst richten, en dan zeg ik uit vaste overtuiging: Gemeente van Christus! vrees van het Modernisme niets!

Ziet, niet nu voor het eerst is zulk een alles-ontbindende haeresie in Jezus’ kerk uitgebroken. Immers, gaat ge terug in de eerste eeuwen der Christenheid, dan vindt ge ook daar een ketterij door Arius in ’t leven geroepen, die niet minder dan het Modernisme geheel het Christelijk gebouw op zijn grondvesten schudden deed, en wier lotgevallen ge niet kunt doorbladeren, of ge wordt uws ondanks door de gelijkheid van trekken met het Modernisme verrast. Niets slechts daarin toch zijn beiden gelijk, dat op Arius’ voetspoor ook het Modernisme de godheid van den Christus loochent, maar ook de dieper liggende drijfveer van beider streven valt saam. En opdat niemand wane, dat ik meêgesleept door mijn onderwerp, gelijkheid zoeke waar die niet is, beroep ik mij op een apostel van het Modernisme zelf, op Ferdinand Christiaan Baur, die het wezen van het Arianisme in deze beide trekken teekent: vooreerst, zijn gemis aan realiteit voor het godsdienstig leven, en ten andere: zijn weigering om het Christendom te huldigen, als de absolute openbaring Gods. 56)

Maar er is meer nog, dat een parallel tusschen beide haeresiën wettigt. Laat mij u van het Arianisme verhalen, en oordeel zelf of ge in zijn beeltenis niet het Modernisme herkent. Het |51| Arianisme vond, naar Dr. Réville’s eigen getuigenis, het meest steun bij de beschaafde standen en werd door de schoolgeleerden bewierookt. In de kerk kon het geen wortel schieten en werd door steun van den Staat niet dan met moeite in haar sfeer gehandhaafd. Te Alexandrië keerde zich het volk geheel van hen af en werden hun godshuizen al leeger. In sommige deelen van het land was alles Ariaansch, in andere provinciën geen spoor van Arianisme te ontdekken. Ze hielden meetings en lezingen, en zochten door populaire geschriften vooral de volksmassa te bewerken. Arius zelf bezong zijn richting in „Thaleia,” een populair gedicht. Als een Baur der Arianen, schreef Philostorg een geschiedwerk, ten betooge, dat zijn meening die der oudste kerk was geweest. Gelijk nu, waren ook destijds de partijen in tallooze schakeeringen gedeeld, en was het Conservatisme de wielschuif, die het rad der kerkelijke beweging in zijn wentelen stuiten wou. En dat ook destijds de strijd niet zonder heftigheid werd gestreden, toont de geschiedenis dier dagen u helaas! zelfs met een bloedig spoor. Kortom, zoo sterk is de gelijkheid, dat men schier zou kunnen zeggen: Schrijf in de geschiedenis van Arius’ haeresie, mits genomen in haar groote trekken, slechts andere namen en anderen jaartallen, en de gang van het Modernisme is verhaald.

Welnu, gij ducht de macht van het Modernisme, maar ik zeg u: dat Arianisme was destijds nog anders machtig, dan het Modernisme thans! Heeft men ten onzent nog slechts de vraag geopperd, of het niet beter ware de orthodoxen te weren, in Arius’ dagen heeft men bij het woord ook de daad gevoegd, en zoozeer was het Arianisme een oogenblik meester van den toestand, dat het de hoofden der orthodoxe beweging in ballingschap zond, haar belijdenis veroordeelde en haar belijders verdreef! Zoo hoog was ze in macht, zoo hoog in eere geklommen. En toch . . . wat is er van al die grootheid, wat van al die stoute verwachting geworden? . . . Als een nachtelijk gesternte is het verbleekt voor het morgenrood, en oude oorkonden moet |52| ge thans opslaan, om nog te weten, dat er een Arianisme is geweest.

Versta mij wel. Ik zeg daarmeê niet, dat het Modernisme reeds morgen, ook niet dat het nog deze eeuw verdwijnen zal. Maar vergeet ook niet, het Modernisme telt nog slechts vijftien jaren, en vier eeuwen moesten verloopen, eer het Arianisme geheel verdween. En daarom, laat ons niet haasten! De krankheid kan niet wegsterven, eer haar kracht is verteerd.

En toch, ik ontveins het niet, toch is het de bede van mijn hart: O mocht een zoo langdurig krankbed thans der gemeente van Christus worden bespaard! Die bede komt mij uit het hart, M.H., want ik heb de Gemeente lief en zelf heb ik eenmaal dien droom van het Modernisme meegedroomd, met anderen laster het beweren geheeten, dat niet werkelijk was hetgeen ik zag. En toen eerst heb ik de tooverhand van Morgana ontdekt en is haar prachtige schepping voor mij in het ijle weggezonken, toen een zachte koelte uit hooger dreven den horizont mijns levens trillen deed en in de glorie van mijn Heer en Koning mij de ware werkelijkheid verscheen.

O! er is een giftige slang, die in ons aller hart zoekt binnen te sluipen, en vond ze toegang, al het hartebloed ons druppel bij druppel uit de aderen wegzuigt . . . De „Twijfelzucht” noemt het menschenkind dien vampyr met nog veel te edelen naam. Ik heb zijn slachtoffers gezien, ze gezien, die ontzenuwden van ziel, die krachteloozen van hart, die willoos op de baren meegleden, slechts de blos der opwinding kenden en zoo innerlijk wegstierven, dat slechts gehuicheld leven voor een oogenblik u hun geestelijken dood verbergen kon.

Welnu, dat monster heeft zich ook onze eeuw om den arm gekronkeld en is haar geslopen in de borst. O, zie het maar aan dat bleek gelaat, lees het maar in die matheid van oog, of die giftige slang haar niet reeds in de hartaders heeft geraakt!

En gij, gij wilt ze redden van den dood, Apostelen van de nieuwe richting! O! uw hart misken ik niet, maar wát, zoo vraag |53| ik, zal uw luchtspiegeling haar anders brengen, dan opflikkering voor een oogenblik, om haar, te dieper uitgeput, straks geheel te doen verzinken. Of zegt mij: Geloof wilt hij haar brengen! God lof! dat ge dit nog weil! maar waar, bid ik u, breidt zich de bodem uit, waarop dit hooggeroemd geloof zal steunen? En op die vraag antwoordt ge immers „in den mensch,” want „Ik geloof in den mensch,” is u de onmisbare ouverture voor geheel uw oratorium, „Ik geloof in den mensch,” u het slotrefrein van elken zang. Maar nu, daarin juist oordeelt ge u zelven, want óf uw geloof is slechts schijn, óf, wilt ge gelooven in waarheid, dan moet gij aan het voorwerp uws geloofs hangen, niet omgekeerd, dit rusten op u. 57)

O! ik weet het, „Werkelijkheid, werkelijkheid!” weerklinkt het, bij dit zeggen, in zoo menig hart, . . . „wie zal ons zeggen wat Werkelijkheid is!” . . . en juist daarin ligt het ontzettend gevaar. Want geeft ge eenmaal aan de twijfelzucht voet, dan moet ze u wel als haar prooi meesleuren, tot ten leste zelfs de zinlijke waarneming onzeker wordt voor uw besef. Onwaar is het wat nog onlangs Jouffroy beweerde, „que l’homme croit par instinct et doute par raison,” alsof het scepticisme door onze wilskracht tot ons verstand kon beperkt worden. Neen, zooals Royer Collard het zoo krachtig in de Fransche Academie getuigde: „On ne divise pas l’homme, et dès que le scepticisme pénêtre dans l’entendement, il envahit l’homme tout entier,” dringt van zijn denken in zijn geweten, van zijn geweten in zijn persoonlijk bewustzijn, en maakt elken band der vastheid in hem los. Glijdt men eenmaal op die helling, dan is er geen standhouden meer, en al weifelend en vragend, al twijfelend en aarzelend, kan men ten leste zelfs zoover komen, dat men, met de Eleaten van ouds en met Berkeley uit jonger dagen, ten slotte geheel de zichtbare wereld opheft en in waanzin spreekt: Dit huis zie ik wel, maar daaruit volgt niet, dat dat huis er is! Ja, zoo diep kan men in die draaikolk worden meegesleurd, dat men ten laatste als een van zinnen beroofde zichzelf |54| een schim in eigen oogen wordt en, krampachtig de vingeren aan de slapen klemmend, in zielsangst uitroept: Ben ik of ben ik niet? Welnu, dáárheen, daarheen drijft ge zelf, en voert ge die met u scheep gaan, op den adem van uw ongrijpbaar idealisme, voort. En ge zegt wel, „heerlijk koelt die frissche adem mij de matte slapen, zijn spelen in de golven is zoo verleidelijk schoon!” Maar met dat al, we zijn menschen, menschen van vleesch en bloed, en daarom, ook in wat zichtbaar, ook in wat tastbaar is, moet, nu Eden teloor ging, het ideaal ons zijn werkelijkheid toonen, of het vervluchtigt in zijn dansende nevelen zelfs de bewustheid van ons hart. 58)

M.H.! zelfs voor een dichter als Goethe, die nooit den onvervalschten geur van het Christendom heeft ingedronken, werd soms de drang naar die „Openbaring in het vleesch” te machtig. Gij weet hoe hij, in zijn Torquato Tasso, den gelauwerden zanger uit Italië’s kunsteeuw ten tooneele voert, als door liefde verteerd voor Leonore van Este, de doorluchtige dochter zijns vorsten, die hij op Belriguardo ontmoet. Zacht en waardig wijst de princes hem terug, alsof zijn dichterhart slechts ydele idealen najoeg. En wat antwoordt Tasso haar? „Nein, was auch in meinem Liede wiederklingt, Ich bin nur Einer, Einer alles schuldig!” Het zijn geen holle idealen die hij najaagt.

„Es schwebt kein geistig unbestimmtes Bild
Vor meiner Stirne, das der Seele
Bald sich überglänzend nahte, bald entzöge.”

En wat is hiervoor zijn bewijs? Hoor het in zijn eigen klanken:

Mit meinen Augen hab ich es gesehen,
Das Urbild jeder Tugend, jeder Schöne.”

„Een openbaring van zijn ideaal in het vleesch,” vraagt dus ook Tasso, om aan zijn werkelijkheid te gelooven. Hij vindt |55| ze in Leonore. Dàt is waanzin. Dat is afgoderij. Maar toch, ook Goethe’s schepping toont ons, dat dàn de schaduwen eerst wijken, als men uit de volle borst getuigen kan: „Mit meinen Augen hab’ ich es gesehen, Ich weiss es, sie sind ewig, denn sie sind.” 59)

Toch, Goethe phantaseerde slechts. Maar zie hier een ander dichter, met oneindig rijker geest dan Goethe begiftigd, en hoor hem, hoor Joannes, zoon van Zebedeus, niet uit spel, maar in den heiligsten ernst, u met de klaarste nuchterheid getuigen:

»Hetgeen wij gezien hebben met onze oogen,
Hetgeen wij aanschouwd hebben
En onze handen getast hebben van het Woord des levens,
Daarin, en daarin alleen ligt onze kracht.” f

Van het Woord des levens zong Joannes, van een Woord Gods, dat „in den beginne was” g en eeuwig is.

Dát, en dat alleen is het ideaal, want alleen daarin zien we schitteren wat eeuwig waar en goed is en eeuwig in zijn schoon.

Niet waar? zóó jubelt het niet slechts van onze lippen, ook gij Modernen! zingt het ons na.

Dusver gaan we dan saâm, maar hierin scheiden we, om elkaar nimmermeer te ontmoeten, dat gij wel het ideaal, maar ook slechts het ideaal hebt, waar de Kerk van Christus een ideaal belijdt, dat werkelijkheid van eeuwig was en getoond is in het vleesch.

Of wilt ge, hierin gaapt de onpeilbare diepte, die u een andere dan de kerk van Christus doet zijn, dat gij wel het Woord hebt, maar het slechts schitterend doet in boeiende Morgana’s, terwijl de gemeente van Christus ingaat in een werkelijk heiligdom, in welks drempel God Drievuldig met diamanten griffie dit kalme woord der Eeuwige Liefde dreef: h

Het Woord is vleesch geworden en heeft onder de kinderen der menschen gewoond!” 60) |57|




AANTEEKENINGEN



De aard en beperkte tijdruimte eener lezing bracht meê, dat de geledingen van het betoog vaak meer dan de doorzichtigheid gedoogt, opeen gedrongen raakten. Ter voorkoming van misverstand, allicht ook ter verduidelijking, mogen daarom de hier volgende aanteekeningen dienst doen.


1) James Prior, Life of the right Honorable Edmund Burke, London H.G. Bohn. 1854, pag. 327-30. Zijn eigen woorden waren: „I know the value of my line of conduct; I have indeed made a great sacrifice; I have done my duty, though I have lost a friend. There is something in the detested French revolution, that envenoms everything it touches.” Ib. p. 329.

De volledige titel van zijn vlugschrift was: Mr. Burke’s Reflections on the revolution in France and on the proceedings in certain societies in London, relative to that event. In a letter intended to have been sent to a gentleman in Paris. 1790. Het verscheen in November van dit jaar en maakte zulk een opgang, dat Richard Burke reeds den 8sten November aan Edmund schrijven kon: „Seven thousand copies have been sold in six days.” Reeds het eerste jaar werden in Engeland 19.000 en in Frankrijk 13.000 exemplaren geplaatst. In zijn eerste vlucht werd het in Engeland tot een totaal cijfer van ruim 30.000 exemplaren verkocht. Het werd door den ongelukkigen Lodewijk XVI in het fransch vertaald. Niet genoeg kan ik de aandacht op dit profetisch geschrift vestigen, dat ook uit een litterarisch oogpunt het burgerrecht der klassieken in Engeland verwierf. Dr. de la Saussaye, die in zijn jongste brochure „het Protestantisme, een politiek beginsel,” de drijfkracht van het revolutiebeginsel zoekt te verzwakken, zal door de lezing van dit modelgeschrift, uitgegeven in 1790, dus vóór den gruwel der Septembermoorden, zich overtuigen kunnen, dat reeds destijds de volle strekking van dit beginsel werd beseft. Voor den eersten frisschen indruk door de Revolutie op den denkenden, ver zienden geest gemaakt, blijft dit vlugschrift standaardwerk. Het is voor de kennis der Antirevolutionaire richting onmisbaar. Prof. Opzoomer’s oratie, die Burke in een liberaal omgiet, hoop ik afzonderlijk te bestrijden. In schets ligt mijn betoog reeds gereed. |58|

2) Revolution in France. Cf. „The Works of Edm. Burke. Lond. Thomas Mc. Lean. 1823.” Tom. V, p. 174. Burke spreekt over „the Constitution of his country.” Hiervoor schreven we „the truth of religion.” Overgezet zijnde luidt de passage aldus: „Dit is de jammer onzer eeuw, dat elk beginsel eer bestreden dan beleden wordt, alsof onze heilige godsdienst bestemd ware om speelbal voor den denkenden geest, en niet bron van genieting voor het hart te zijn.”

3) De etymologie van Fata is even zeker als die van Morgana duister. Fata heeft met fatum, noodlot, niets gemeen, maar is deelwoord van fari, spreken. Hiervan is in het fransch fée afgeleid, naar dezelfde wet, die amata in aimée deed overgaan. Morgana is in het Italiaansch bekend in de dubbele beteekenis van „Jargon” en „Cloche.” (Zie Dict. Ital. frances, van Veneroni, in voce). Toch schijnt ons „Morgana” hiermeê niet verwant. Kraft und Müller in het Real-Schül-Lexicon wijzen op de Morgétes, een volk dat, door de Oenotiers verdreven, naar Sicilië overstak en „Morgantium” stichtte. Andere etymologieën zijn nog onwaarschijnlijker. Het meest voldoet nog de onlangs voorgeslagen afleiding van „mor” en „cana,” beide Keltische woordvormen, waarvan het ééne „zeer” en het andere „schitterend” beteekent. Morgana, de „zeer schitterende”, zou dan een verdichte gestalte in de geestenwereld der keltische volkeren zijn geweest. Als zoodanig komt zij voor in een der Arthurromans, den bekenden roman van Lancelot. Voegt men hierbij den invloed door de Noormansche litteratuur in de omtreek van Reggio uitgeoefend, tijdens Zuid-Italië door hen overheerscht werd, dan zal men toestemmen, dat èn de etymologische beteekenis èn de historische combinatie, zeer voor deze afleiding pleiten.

4) De Sâber in de woestijn eischt, zal hij zich vertoonen, dat de lagere luchtlagen koeler, de Morgana juist omgekeerd, dat de lagere luchtlagen warmer zijn, althans zoo men in de hypothese van Biot berust, die onder alle natuurkundigen zich het meest met de Morgana-verschijnselen bezighield. De dichters, die, zooals nog onlangs mijn vriend en broeder Huet, zich door den poëtischen naam verleiden laten, om de „spiegeling” als beeld van valsche belofte van lessching voor den dorstige met dezen naam te bestempelen, hebben er schuld aan, dat ik de echte Morgana zoo uitvoerig teekenen moest, om misverstand te voorkomen. En de Sâber, èn de Morgana zijn beide uitnemende beelden voor de ijlheid van het ongeloof, maar men verwarre ze niet. Wilt ge het ongeloof in zijn ongenoegzaamheid teekenen, om een dorst te stillen, waarvoor het lessching schijnt te belooven, en die het door zijn schijn nog verhit, neem dan den Sâber. Reeds de Koran zei er van: „Des ongeloovigen werken zijn gelijk aan den Sâber in de vlakte, de dorstende houdt ze voor water, totdat hij bij nader onderzoek, ziet, dat het ijdelheid is.” Daarentegen, wilt ge het ongeloof in zijn onwezenlijkheid, niet voor het hart, maar voor den denkenden geest teekenen, gelijk thans |59| op mijn weg lag, kies dan de Morgana. Het misverstand hierover, zoo ongelooflijk groot, moest weggenomen, om de strekking van mijn betoog te doen verstaan. Met de Morgana zelve houd ik mij niet verder op. Dit ligt buiten mijn bereik. Slechts verwijs ik, ter waarmerking van de gebruikte gegevens, naar Facillus, de rebus Siculis, Dec. 1 Lit. 2., Athanasius Kirchnerus, de arte magna lucis, p. II, c. 1, die de rapporten aan den Paus in het Italiaansch heeft afgedrukt. Ze waren van Ignatius Angelucci. Voorts Minasi, Dissertazione sopra un fenomeno volgarmente detto Fata Morgana A sua Eminenza il Signor Cardinale di Zelado 1773; Pilati, Voyages en différents pays de l’Europe, 1777, p. 220; Brydone, Reise durch Sicilien, 1781, s. 220; Brandes in Gilbert’s Annalen der Physik, XVII, 198; Buchan, in Nicholson’s Journal. XIV. p. 340; zie in voce Strahlenbrechung het Physikalische Wörterbuch van Gehler, door Brandes, Gmelin, Horner, Littrow, Munche en Pfaff in 1825-45 uitgegeven. Meer onder elks bereik is Uilkens, de Volmaaktheden van den Schepper, II, 446 v.v. of Dr. Böhner, Kosmos, naar het Hoogduitsch door A. Winkler Prins, Amsterdam 1868, I. p. 226 v.v.

5) Deze meêdeling rust op feiten. Ik zou de dorpen, den prediker en de leeken kunnen noemen, die ik op het oog had. Maar ook zonder dit, zal èn de herinnering van menig modern predikant, èn de droeve ervaring van menig gereformeerde, mijn voorstelling getuigenis geven.

6) Het spijt mij voor de tallooze opstellers, maar ik ben geen vriend van vrageboekjens. Ze zijn m.i. de directe loochening van een Kerk als Kerk. Ze zijn mede oorzaak, dat de Kerk zich heeft opgelost in een tal van kleine kringen, die zich niet om Christus, maar om den predikant, gevormd hebben. Dit kan niet anders. De Kerk heeft een Catechismus, een vrij wat zinrijker en schooner woord dan „Vrageboekje.” De „Echo” waarvan dit woord is afgeleid, wijst op het testimonium Spiritus Sancti in zijn samenhang met het genadeverbond. Zet men dien Catechismus op zij, dan is de Kerk als zoodanig in beginsel vernietigd. Dan treedt de individueele opinie der predikanten voor het getuigenis van den H. Geest in de gemeente in stede, en baant men voor het alle ziel ontzenuwend intellectualisme den weg. Velen zien dit nog niet, gelijk zoo menige kerkelijke kwestie hun nog niet in haar verre strekking klaar werd. Maar geen nood. We zijn reeds veel gevorderd. De tijd komt, dat ook de vrageboekjes begraven worden en het geroep om een Catechismus weer levensvraag zal zijn. Het ergst zijn natuurlijk die collectieve vrageboekjens, als van de Leidsche Predikanten. Die vooral schaffe men af. Daarin heeft men volstrekt niets. Noch de kracht van het individualisme, noch de kracht van het gemeentelijk element. Zulk een boekske misleidt ongelooflijk, doodt alle veerkracht des geestes, en mist, althans nu we den tijd der amalgameering voorbijzijn, elke reden van bestaan. |60|

7) Schleiermacher in zijn Der Christliche Glaube nach der Grundsätzen der Ev. Kirche. Dritte Ausg. 1835. Tom. 1. pag. 122-24. „Wenn nun allerdings diese beide Fälle selten gehörig unterschieden worden sind und man daher manchen sehr übereilterweise für ketterisch erklärt hat, so fehlt es doch auch an dem eigentlich haeretischen nicht . . . Unläugbar erscheint hiernach die Bestimmung, was haeretisch sei, und also aus dem Lehrgebäude ausgeschlossen bleiben solle.” Men weet dat het woord „ketterij” uit de scholen der philosophen en juristen, te Athene en Rome, in het hellenistisch spraakgebruik, en daaruit in de Christelijke litteratuur overging. De bedoelde woorden van Thomas Aquinas uit zijn Summa Theologiae, p. II. 9. 11, art. 3 zijn: „non solum ab Ecclesia per excommunicationem separari, sed etiam per mortem a mundo excludi.” Onze gereformeerden wonnen het in verdraagzaamheid zeer verre van de Remonstranten. Toen de Remonstranten meester waren, weigerden zij den Gereformeerden zelfs een kerkgebouw. Toen de Gereformeerden weer in rustigen staat kwamen, werd de remonstrantsche prediking geduld. Het begrip van ketterij te loochenen is in den diepsten grond loochening van de H. Schrift als instrument van een bijzondere Openbaring Gods. Geen ketterij, maar dan ook geen Gemeente van Christus met eigen geest. Geen ketterij, maar dan ook de teruggang van de belijdenis: „De waarheid is mij geopenbaard,” tot de Pilatusklacht: „Wat is waarheid?” of den Sisyphus-arbeid, die nog altijd de waarheid zoekt. Het is dus volkomen juist, dat de moderne van geen ketterij wil hooren, maar den Christus naar de Schrift te belijden én het begrip van „ketterij” zijn bestaansrecht te misgunnen, is eenvoudig halfheid en gebrek aan doorzicht.

8) De ketterij is niet een wetenschappelijk verschil van inzicht, maar een nemen door roof, van wat den Christus in der waarheid alleen toekomt: Kerkstichting. De ketterij is buiten de kerk machteloos. Ze nestelt zich daarom binnen haar gewelven, zoekt in haar te heerschen, en bouwt, door de kerk uitgeworpen, terstond naast haar deur een copie van het bestaande. Het beroep op de wetenschap is slechts voorgewend. ze ontspringt veel dieper en strekt veel verder dan het gebied der wetenschap ligt. Haar wortel ligt in het hart. Haar doel is: de macht over de conscientiën den Christus te ontwringen en te nemen voor zich. Daarom moet ze, hoe zoetekens ze ook eerst haar liedeke zingt, in fanatische koortsontwikkeling, eindigen met de laatste consequentie te trekken, en leugen te doemen, wat der kerk de waarheid is, onzedelijk te keuren, wat der kerk voorwaarde is voor heiligheid. Zoo ver schijnt nu reeds het Modernisme gekomen. De heer van Gorkum heeft, blijkens resumé der dagbladen, in een publieke meeting, reeds de stelling verdedigd: dat de kerkleer van ’s menschen volstrekte verdorvenheid verderfelijk en onzedelijk is. In deze uiting |61| komt het moderne fanatisme tot zijn laatste, anti-christelijke phase. Uitstekend is dit verloop der haeresie geteekend door Jäger in voce „haeresie” in Herzog’s Real-Encyclopaedie.

9) Dat de ketterij alleen door geestelijken strijd verwinbaar zou zijn, bedoel ik niet in den vaak gangbaren zin van „niet door kracht of geweld, maar door ’s Heeren geest.” Die tegenstelling acht ik onwaar, met de Schrift in strijd, en leidende tot een zondig spiritualisme. Ook op het spiritueele gebied toch geldt de onderscheiding van creatuurlijk en creatoorlijk. Het creatuurlijk spiritueele kan niet buiten den vorm bestaan. Alleen het spiritueele in den Schepper is louter geest. Het dualistisch drijven, het alleen van geestelijken arbeid, in tegenstelling met den eisch van rechts- en levensvorm, heil wachten, is dus een pogen „om als God te zijn,” geest te worden, zoo als alleen de Spiritus Creator geest is. Vooral op kerkelijk terrein is dit uiterst verkeerd, wijl de vormen hier zelf een zedelijk karakter dragen, en er dus plichtverzuim in dit eenzijdig accentueeren van den geest ligt; en ten andere, wijl verwaarloozing van daad en vorm eenvoudig tot opheffing van de Kerk leiden, die niet meer embryonisch schuilt, maar óf niet is, óf leeft in haar, voor de wereld erkenbaren, vorm.

10) De eisch, dat het Christendom een absoluut karakter worde toegekend, raakt zijn middenpunt, den persoon van Christus. Hiermeê is dus in ’t minst niet gezegd, dat aan andere godsdiensten geen betrekkelijk recht als paedagogiek tot den Christus zou toekomen. Dit recht huldig ik met onze gereformeerde vaderen én in de godsdiensten der volken die aan het Christendom, èn in de aspiratiën en conscientiewerkingen, die bij den enkele aan zijn wedergeboorte voorafgaan. Maar absoluut blijft niettemin het Christendom, wijl de Christus absoluut de volkomene openbaring van het hoogste en het eeuwige is, en dit wel, niet als de hoogste op de sporten der ladder van ontwikkeling, maar als absoluut van die allen onafhankelijk. Dit nu loochent elke ketterij op haar wijze. Nu eens door aan de menschelijke wijsbegeerte, vroomheid of cultuurontwikkeling, dán door aan de inspraak des geestes, of eindelijk door aan het tastbare (sacrament of zelfkastijding) een kracht toe te kennen, die den Christus uit het middenpunt dringt. In het standpunt tegenover de verzoening ingenomen wordt dit openbaar. De verzoening is levensverzoening, een herstelling van den verbroken levensband, en moet dus uit den oorsprong des levens zelf vloeien, d.i. uit God. Dit belijdt de kerk in de leer der uitverkiezing, van de volharding der heiligen en de plaatsbekleeding in lijden, dood en vloek. De ketterij daarentegen neemt in plaats van het leven zelf, de levensuitingen van gezindheid, betuiging, wil en gevoel. Eerst plaatst ze die naast den Christus, maar wijl ze het leven zelf niet in de verzoening opneemt, moet ze wel van het leven als reeds bestaande uitgaan, en kan ze geen vrede hebben met uitverkiezing, rechtvaardiging door geloof alleen en volharding der heiligen. Ze moet die |62| ontwijken door eerst naar het geloof de werken, straks de werken in plaats van het geloof te stellen, tot eindelijk alle verzoening haar onwezenlijk is geworden, in een poëtische phrase opgaat, en aan den, zijn eeuwigen dood niet meer bewusten, mensch in Christus slechts het geniale voorbeeld, als eigen levenseisch slechts deugdbetrachting blijft.

11) Over de 4e en 16e eeuw geen verschil. Alleen over de 9e kan men aarzelen. Dit is natuurlijk. Zwakker in beweegkracht dan de 4e en de 16e eeuw, is ze ook minder sterk begrensd, zoodat men juister van de 8-10 eeuw zou moeten spreken. Ik koos de 9e, wijl Karels krooning, Pseudoisidorus, de vaststelling van het Filioque te Aken (809) en Paschasius Radbertus, allen saam in deze eeuw vallen. Het onmiskenbaar feit, dat de groote ketterijen juist in de beste eeuwen uitbraken, pleit in niets te heuren gunste. De heftige beweging van den stroom der geesten, onmisbaar om het goede element tot energie te brengen, stuwt ook het onreine uit zijn bezinking op. Van daar de schelste openbaring van het kwaad, vlak naast het edelst krachtbetoon der waarheid.

12) Er moet op den luister van onze eeuw niets afgedongen. Ze is groot. Elke verklaring der verschijnselen, die dit feit óf miskennen, óf ignoreeren moet, weerlegt zich zelve. We gaan dus niet tegen onze eeuw in. Integendeel. Hoe hooger men ze plaatst, des te vaster staat de waarheid van mijn betoog. De roem en glorie onzer eeuw is voor dat betoog geen vijand, maar bondgenoot. — Dat het licht onzer eeuw nog niet in het centrum schoot, zal door beide partijen erkend worden. Zij die uit de Schrift leven, zullen, met waardeering van de krachtige opwekking des geloofs, ook op wetenschappelijk gebied, blijven klagen, dat onze eeuw zich zelve verlaagt door buiten den Christus te rekenen. En evenzoo, de modernen, voor zoo ver ze dit feitelijk zijn, zullen toestemmen, dat het streven onzer eeuw, hoe uitnemend ook, nog steeds zijn hoogere wijding beidt. Juist hún doel immers is, haar deze hoogere wijding te geven. — M.i. kan dat zenith eener eeuw slechts in de Belijdenis der Kerk van Christus liggen. Christus is aller eeuwen middenpunt, zijn Kerk de as, waarom elke eeuw zich wentelt. Is nu de acte van Belijdenis de hoogste daad der geheiligde bewustheid, waartoe die kerk komen kan, dan volgt hieruit, dat alle kunst en wetenschap, alle beschaving en verlichting, òf in den dood gaat, òf heur stralen ten leste in die Belijdenis moet doen samenvallen.

13) Het paganistisch karakter van het Modernisme ziet elk die er buiten staat. De modernen erkennen dit niet. Daarom wijs ik er op, dat hun studie der godsdienstwetenschappen deze ontkenning tot een protestatio actui contraria maakt. Wat bedoelt die studie? Aan te toonen, dat het verschil tusschen paganisme en Israëlitisme slechts gradueel is, en dusdoende alle godsdienst saam te zetten tot het één en ondeelbaar voetstuk, waarop het Christendom zal geplaatst worden. Israël wordt dus van zijn antithese ontdaan, |63| in den Paganistischen stroom opgelost, en hieruit het Christendom verklaard. Op dat standpunt nu acht ik het gebrek aan consequentie, zoo men het verwijt van Paganisme van zich werpt. Dit is niet willen, wat men toch wil. Of zou in dien tegenstand een roersel des harten openbaar worden, dat ook in hun intieme leven zich tegen het uitwisschen der scheidslijn van gewijd en ongewijd verzet?

14) Dit voordeel moet eerlang het Modernisme ontgaan. De logika der beginselen is onverbiddelijk. Nu waant men nog den Christus en zijn verschijning onder de menschelijke gegevens te kunnen opnemen, en heeft daarmeê, dank zij de taaiheid der traditie en de diepe graveering van het Christelijk type in ons practisch leven, een uitnemende winst boven het Heidendom vooruit. Toch blijft dit niet. Reeds kromp die winst in. En natuurlijk. Want dat resultaat kon niet onverklaard naast den ouden schat blijven liggen, maar moet er genetisch uit ontwikkeld en in organischen samenhang meêgezet. Dit proces begon reeds, en had reeds ten gevolge, dat men dit specifiek Christelijke almeer wegsmolt, en eerst daar kan dit proces afloopen, waar dit specifieke volkomen is uitgescheiden en men slechts zooveel van het Christendom overhoudt, als met het Paganisme genetisch samenhangt, d.i. niets.

15) Als humorist had Gellert tot zijn uitspraak volle recht. De philosophie moet met den geesel der satyre over hare onvruchtbaarheid gestriemd worden, zoo lang ze den scheidsbrief niet terugneemt, dien ze in haar hovaardij den Christus gaf. Maar onrecht deed onze eeuw, toen ze Gellert’s hekelrijm in absoluten zin opvatte, der speculatieve werkzaamheid van ’s menschen geest alle waarde ontzei, en tot de laagste trap van geestestoestand terugzonk, door zich een afgod te boetseeren uit het grove empirisme. Dit is zelfverlaging van den mensch, afsnijding van zijn hoogere levenswereld; het moedwillig schenden van zijn natuur, om, kon het, zich in een natuur van lagere wezensorde te metamorphoseeren.

16) Op dit verband is dusver te weinig gelet. De revolutie baart het socialisme langs twee wegen. Vooreerst door de logische ontwikkeling der idé. Maar ook ten tweede, en hierop vooral wijs ik, door het realisme in de hand te werken. In elk volksleven zijn twee factoren: de materieele en ideale volksbelangen. Nu begon de Revolutie met hoog den standaard van het ideale volksleven te houden. Al het materieele moest daaraan dienstbaar gemaakt. Toen echter al haar arbeid doelloos bleek en in verheveling opging, maakte ze van hoogere volksstudie wars, en werd ze oorzaak, dat alleen het materieele volksbelang nog waarde scheen te bezitten, gelijk dit thans in het sociale vraagstuk het hoogste woord voert. Voor verdere beschouwing van de Revolutie verwijs ik naar de Heraut, 1871, No. 31, Dr. d.l. S’s. jongste vlugschrift, III, en Eenvormigheid, 2e uitgave p. 8, 9.

17) De illusie is groot. Het besef is algemeen, dat we koningen over de |64| natuur zijn geworden. Het is of Gen. 1 : 28 terugkomt. Toch vergist men zich. Gen. 1 : 28 is koninklijke heerschappij, waarbij de mensch door den koninklijken geest de natuur als zijne dienaresse gebiedt. De heerschappij onzer eeuw een dienend heerschen, waarbij de natuur den mensch aan haar knieën brengt en tot slavendienst verlaagt. De uitkomst bevestigt dit. Hij heerscht, die in ’s menschen geest de eerste plaats weet in te nemen, dien geest bezig houdt, boeit, en door die aanraking op zich zelf richt en zijn eigen kleur meêdeelt. Dit nu doet thans onmiskenbaar de natuur.

18) Onze kerk is in haar deftig-supranaturalistische phase door farizeïsme besmet geweest. Het farizeïsme schuilt niet alleen onder de orthodoxen, maar onder de orthophoben evenzeer. Dat het realisme hierdoor in de hand is gewerkt, bedoel ik zóó: De Kerk is voedsteresse van het ideële leven; sluipt haar dus het farizeïsme in het hart, dan wekt ze voor dit ideëele walging, en doet in Sadduceïsme overslaan, d.i. kweekt het grove realisme.

19) Het materialisme is ook nu weer wetenschappelijk geslagen. Ik weet het. Maar wat baat dit u? Het materialisme staat of valt niet met een wetenschappelijk betoog. Wel begint het met wetenschappelijken strijd, maar op dit terrein teruggeslagen, ontkent het eenvoudig krachtens zijn beginsel het recht der wetenschap zelf en grijpt naar geweld. Weinig kom ik bij mijn lezen in Maart vermoeden, dat het feitelijk bewijs voor mijn stelling te Parijs zoo op til was.

20) Alleen uit reactie tegen de materialistische strekking onzer eeuw is het Modernisme te verklaren. Het strijdt niet tegen onzen geestelijken schat, maar wil dien juist verdedigen. Zedelijke levensernst gaf den drang tot zijn optreden. Vandaar dat Modernisme en Tijdgeest verre van gelijk zijn. Integendeel. Beiden staan tegen elkander over. Het Modernisme klaagt onze eeuw van gebrek aan godsdienst aan en wil haar een godsdienst geven. Vandaar zijn indrukwekkend optreden. Toch bereidt dit het Modernisme slechts een dieper val. Immers, daar het elk middel tot verweer mist, moet het door den Tijdgeest ten leste in den onzaligen hoek worden gedrongen, waarin het zelf zijn pretentie om den Tijdgeest vroom te maken als een hallucinatie prijsgeeft. Of wel, en dit is het ontzettende, ten leste, in het spoor van Comte of Proudhon zwenken, d.w.z. een godsdienst tegen God, antichristelijk fanatisme worden, en de twee stellingen van Poulin tot uitgangspunt kiezen: 1º. „La base de la science sociale, c’est la religion”, en 2º. „La propagation de la verité religieuse est au prix de l’acceptation de l’idée de la non-existence de Dieu.” Poulin, Religion et Socialisme. Paris 1867 p. 13, 15.

21) Franz von Baader, wiens persoon en werk vooral door Ds. Gunning en Dr. d.l. Saussaye ten onzent wierd ingeleid, vindt daarin zijn hoofdbeteekenis, dat hij de realiteit van het geestelijke tegenover het spiritualistische vervluchtigen van den geest in zijn afgetrokken gedachtenvorm |65| handhaaft, en ten andere, het dualisme, tweelingbroeder van het spiritualisme, in beginsel opheft. Hij is een reusachtige persoonlijkheid, uit wiens geest een eigen denkstroom gevloeid is, die nu reeds elk gebied van wetenschap met zijn bevruchtende wateren besproeit. Zijn school is geen theologische, maar een wereldschool. Zijn beginsel is kosmologisch meer dan theologisch. Al misken ik de gevaarlijke zij niet, die zijn optreden heeft, in de richting van Rome, toch houd ik vol, dat tegenover de ijlheid van het modernisme, zich geen beter tegenwicht denken laat. Reeds Hoffmann, Die Weltalter. Lichtstrahlen aus F. von Baaders Werke, Erlangen 1868, geeft die signatuur van zijn persoonlijkheid vrij juist terug. Maar ook afgescheiden hiervan meen ik recht te hebben tot deze drievoudige stelling: 1º. De H. Schrift plaatst zich boven den strijd tusschen stof en geest, door den oorsprong van beider uiteengaan, eerst aan te wijzen, dan in Jezus’ opstanding op te heffen. 2º. De Kerk heeft dit realisme der Schrift in de vorige eeuw al meer geïgnoreerd, en zich ten laatste spiritualistsich er tegengekant. 3º. Het dus verbroken evenwicht heeft men gepoogd te herstellen, door het realisme der wereld te huwen, met opoffering van de eischen des geestes. Van hier loochening van het wonder. 4º. Die eischen van den geest, bij dien drang naar evenwicht gevoegd, postuleeren terugkeer naar het realisme der Schrift.

22) Het optreden van het Modernisme was zedelijk machteloos. Het zag niet in, dat intellectueele dwaling wel als verontschuldiging wordt voorgewend, maar nooit oorzaak van zedelijke achterlijkheid is. Toegestemd dus zijn stelling, dat de vorm van het godsdienstig en zedelijk leven intellectueel onhoudbaar was, dan was het nog zijn plicht geweest, eerst het zedelijk gebrek te tuchtigen, daarna dien intellectueelen vorm te wijzigen. Door omgekeerd te handelen. Door eerst toe te geven: „Gij hebt recht, dat die intellectueele vorm verouderd is”, heeft het de conscientie gesust, niet gewekt, en zijn recht verbeurd om met zedelijke meerderheid op te treden. In den eersten mistred ligt de verklaring van zijn machteloosheid tegenover den Tijdgeest. Of liever, het was geen mistred, maar gevolg van het meer intellectualistisch dan ethisch streven, dat aan het Modernisme geboorte gaf.

23) De strijd tegen het wonder kan alleen uit dit oogpunt begrepen worden. Men heeft de menschheid gefascineerd met de tooverformule: „Voor natuurlijke en geestelijke wetenschappen geldt één methode, de empirische, één wet, die der causaliteit”. Deze stelling is onhoudbaar, wijl ze, òf stof en geest in hun tegenwoordige apparitie, als harmonisch denkt, òf identificeert, d.w.z. den geest opheft. Hiertegen echter getuigt zoowel de empirie des levens als het getuigenis der conscientiën. Stof en geest hebben een eigen levenssfeer en elke conclusie van de ééne tot de andere is derhalve een salto mortale. Eerst waar dit erkend wordt, kan de bloei der natuurwetenschappen als |66| een gave Gods gehuldigd, en toch elke bezorgdheid voor de ongeschondenheid der waarheid gebannen worden. Het Modernisme daarentegen mistte tot die onderscheiding de zedelijke kracht, wijl de geestelijke levensverschijnselen in de conscientiekreet haar te zwak schenen, om daarmeê alleen zich tegenover den Tijdgeest te stellen. Het aanvaardde dies de hypothese van de harmonische verhouding tusschen stof en geest, baseerde daarop de identiteit van beider levenswet, en moest zoodoende wel tot negatie van het wonder en opzettelijke terugzetting van het „Jenseits” komen. Alleen in verzwakking der conscientie heeft dus de loochening van het wonder zijn grond. Dr. Pierson in zijn jongste Gids-artikel erkent dit volmondig. Dat echter de door hem gekozen uitweg tot een even groot gevaar zou leiden, hoop ik elders aan te toonen. i

24) „Rijk in het boek, maar arm in kas” is van het Modernisme in engeren zin gezegd, niet van het moderne leven in zijn algemeene verschijning. Het moderne leven is ook in het boek arm, het wil arm zijn, het werpt den geestelijken rijkdom, op zijn tocht naar het materialisme, als ballast over boord. Maar niet alzoo het Modernisme. Dit toch is die bepaalde richting op godsdienstig gebied, die, van de principieele loochening eener bijzondere openbaring uitgaande, niettemin de pretentie heeft, het echt en oorspronkelijk Christendom eerst in beeld en dan in het hart onzer eeuw te brengen. De geestelijke inventaris van het Modernisme is dus schitterend, en juist daarom zijn zedelijke machteloosheid geen bewuste en gewilde soberheid, maar pijnlijk bankroet.

25) De Protestantenbond is de mislukte poging, om tastbaren vorm aan het beweren te geven, dat de modernen de echte zonen der Hervorming zijn. Dit beweren is een vergrijp aan de historie, dat kundige mannen zelfs tot bewuste schending der geschiedenis verleidt. Ergerlijk geschiedde dit vooral in Nº. 9 van de Moderne Traktaatjens, een feit, dat mij te bedenkelijker voorkwam, daar dit blaadje voor onkundigen geschreven was. In Nº. 2 van de Antimoderne Traktaatjens, die bij Swaan te Arnhem het licht zien, heb ik daarom naar de vatbaarheid des volks deze volksmisleiding bestreden. j In het verder verloop dezer lezing wordt dit beweren nader getoetst, waar de onwerkelijkheid van de moderne Kerkidé ter sprake komt.

26) De beginselen, waarvan de moderne prediking uitgaat, zijn innerlijk volkomen waar, zoo ge u Adam en Eva vóór den zondeval als toehoorders denkt. Vandaar de illusie, waarin ze menige gemeente meesleepten en de schijn van het Christelijk-idéale, die hun lang ten goede kwam. Het gevaar van hun prediking ligt veel minder in de opzettelijke bestrijding van den zondeval, dan juist in die den mensch streelende veronderstelling.

27) Cf. Uilkens, Volm. v.d. Schepper, II. p. 456.

28) Het beslissende moment in Bürger’s Lenore is de parade. Nu zij bij de teruggekeerde troepen haar Wilhelm niet vindt, vlucht ze uit de |67| werkelijkheid, waar haar geliefde niet is, om met hem in de onwerkelijkheid te leven, d.w.z. ze wordt waanzinnig, en houdt nu de tooverwereld van haar verbeelding, waar Wilhelm het middenpunt blijft, voor werkelijk. Bürger teekent dit in de Doodsgestalte van den ridder, die haar schaakt. Met hem op zijn ros gezeten, is de arme Lenore weer gelukkig, tot de duizeling van het ijle en onwezenlijke haar bang maakt, en nu de verklaring van dit onwezenlijke in den ontzettenden uitroep komt: „Hurrah, die Todten reiten schnell,” waarmee Wilhelm zich zelf als niet meer bestaande, als onwezenlijk, uit de realiteit der dingen wegneemt.

29) Aan het slot van zijn prachtig lied: „Die Ideale” in de Cotta’sche editie 1 Band p. 207. Wat Schiller van de „Schuld der Zeiten” zegt, en waarmeê ik mij niet vereenig, blijft hier buiten kritiek.

30) Hiermeê zij niets te kort gedaan aan de warme hoogachting, die ik mijn leermeester en vriend toedraag. Men moet zijn leerling zelf geweest zijn, om te waardeeren wat een persoonlijkheid als de zijne ter electriseering van zijn discipelen werkt. Toch mag deze piëteit niet tot miskenning der waarheid of verkeerde beschouwing der feiten verlokken. Scholten is door het Modernisme uit de hem eigen levenssfeer gedrongen. Het Modernisme biedt aan een geest, als die van Scholten is, geen terrein ter ontplooiing van de hem eigenaardige kracht. Op eigen terrein facile princeps, ziet hij thans juist die krachten van zijn geest tot werkeloosheid gedoemd, waarin het geheim van zijn meesterschap lag.

31) Juist de locus over den godsdienst moest voor Opzoomer tot criterium worden. Zoo lang hij deze gevaarlijke klip meed, kon men dus nog meenen, dat hij ze, des gevorderd, gelukkig omzeilen kon. Toen echter de eer van zijn school geen langer uitstel gedoogde, heeft niets zoo zeer als het échec van zijn werk over den godsdienst, den invloed van zijn school gebroken. Ongetwijfeld heeft Opzoomer in dit werk zich zelf overtroffen. Maar krachtsbetoon was hier krachtsverspilling, niet uit gebrek aan talent, niet door gemis aan ernstige bedoeling, maar wijl het standpunt zelf onhoudbaar was, waarop zijn beginsel hem had geplaatst.

32) Even als elke revolutionaire richting deinst ook het Modernisme in sommige zijner woordvoerders voor zijn eigen consequenties terug. Het Nieuw Kerkelijk Weekblad schijnt almeer orgaan dezer Kerkelijke modernen te worden. Wat het onlangs over de noodzakelijkheid eener confessie schreef, was reeds een eerste, maar stoute schrede op een weg, die naar een willekeurig haltmakend en daarom heerschzuchtig modern conservatisme leidt. Het clericalisme, dat in de kwestie over de aanneming zoo menig modern advies ontsiert, is van eenzelfde allooi. Men zit in de klem tusschen den drang zijner eigen consequentiën en den eisch door de Kerk als Kerk gesteld.

33) De uittreding der modernen moet met de meeste kieschheid besproken worden, wijl hierbij teedere belangen in het spel zijn en de beoordeeling van |68| motieven vaak buiten ons bereik ligt. Slechts als feit constateer ik daarom, dat velen hunner talentvolste, en daardoor meer onafhankelijke, mannen werkelijk uittraden; dat het terughouden van vele anderen slechts mogelijk wierd door de conservatieve zwenking, die de leiders aan geheel de moderne beweging gaven; en niet minder, dat bij de ontmoeting van menig moderne, die nog predikant bleef, de indruk moeilijk te weren is, dat een maatschappelijk samenleven, waarin hij buiten de kerk terrein voor zijn strijd en arbeid kon vinden, hem wel zoo lief zou zijn.

34) Er heerscht misverstand in de schatting van der modernen getalsterkte. Vaak toch stelt men zich de kerk voor in twee groepen gesplitst: orthodoxen en orthodoxophoben, en vult dan de laatste groep op de staten van het modernisme in. Dit is onwaar. Het verwerpen van het oud geloof, afkeer van de vreeze Gods, een dienen der wereld, is op zich zelf geen modern radicaal. Integendeel. Beslissend voor het Modernisme is slechts de positieve zij van zijn streven: een gezuiverd Christendom te brengen aan de kinderen onzer eeuw. Alleen zij die deze gave zelf beweren ontvangen te hebben en anderen bieden willen, zijn modern. De overigen zijn onverschilligen, kleurloozen, dooven aan het godsdienstig oor, die op kerkelijk terrein eenvoudig niets zijn. Dit verklaart den uitslag van Art. 23. Hierbij bleek het, dat het grooter deel der gemeenten op godsdienstig gebied niets wil, en dat van het overblijvend deel verre de meerderheid de orthodoxie steunt, en slechts een kleine fractie het Modernisme. De niet-opkomenden zijn geen thuisgebleven modernen, maar gemeenteleden op non-activiteit.

35) Er ligt in deze verschijnselen iets comisch. Niet zoo zeer in het ploegen met ons kalf, als wel in den prijs die nu, en den smaad die vroeger, deze scheppingen van den réveil trof. Waren ze vroeger althans van heur formeele zij gewaardeerd, met protest tegen den inhoud, de keer in houding ware te eerbiedigen. Maar nu men jaren lang deze stichtingen (èn formeel èn materieel genomen) op het vinnigst gehekeld heeft, ligt in deze zonderlinge volteface òf een erkenning van vroeger ongelijk, òf een testimonium paupertatis, waaraan men zich in de vaart der partijdrift waagt. Zelfs is het de vraag, of het den toets van kiesche eerlijkheid kan doorstaan, het Modernisme den volke onder een étiket te bieden, dat, juist door vroegere bestrijding van moderne zij, als orthodox quand même geijkt was. Dat dit tot misverstand leiden moet, kan weten, ook wie het niet bedoelt.

36) De tegenwerping dat ook onze vaderen van „Christelicke religie” spraken geldt hiertegen niet. Wie de taalgeschiedenis en maatschappelijke verhoudingen van die dagen kent, tast in de verklaring van dit verschijnsel niet licht mis. k Hier daarentegen hebben we te doen met een opzettelijk barbarisme, als zoodanig met voorbedachten rade gekozen ter vermijding van het deugdelijk Hollandsch woord, wijl men voor de nieuwe waar den invloed van het oude woord duchtte. De revolutionaire beweging, die zich met den roem |69| eener nieuwe schepping vleit, wil dit ook uitdrukken in haar woordenkens. Hiermeê hangt saam dat de moderne in zijn kringen steeds een heimelijken tegenzin tegen ronde, open bespreking van de eischen der eeuwigheid vindt, die hem tot den uitersten grens der voorzichtigheid drijft, en wil hij niet alles bederven, tot verbloeming zelfs in zijn taal noopt.

37) Opmerkelijk is in dit opzicht de verklaring van Mr. van Houten in de Gids van Augustus 1871, Blz. 340: „De God der natuurwetenschap, die in zijne werkzaamheid aan vaste onveranderlijke wetten gebonden is, heeft alle wezenlijke kwaliteiten van den alouden levenden God verloren en heeft geene zijner aantrekkelijke eigenschappen.” Wijl de modernen nooit aan het subjectieve bij hun rekenschap ontkomen kunnen, en deze subjectiviteit in den gevallen mensch nooit onmiddellijke zekerheid geeft, blijft, na verwerping van de bijzondere openbaring, elke poging om de transcendentie Gods te redden vruchteloos, terwijl de immanentie op zich zelve nooit tot die scherpe onderscheiding leiden kan, die de erkenning van een eigen leven in God tot resultaat heeft.

38) Deze woorden zijn uit zijn „Das hohe Lied von der Einzige,” en slaan terug op zijne eerste huwelijk met de dochter van Leonhart te Niedeck. Dat werkelijk dit huwelijk bedoeld is, blijkt uit de woorden die onmiddellijk voorafgaan: „Wie aus hoffnungslosen Banden.”

39) Matthison’s gedicht draagt den naam van Adelaïde ten titel. Het zijn natuurlijk de woorden „der Asche meines Herzens” die aantoonen, dat het Adelaïde-beeld product van eigen zielsleven is.

40) Men lette op de uitdrukking in zijn Phantasie an Laura: Und was ist’s, dass wenn mich Laura küsset — körper will in körper über –„stürzen,” om elken twijfel weg te nemen, of ze voor Schiller wel werkelijk bestond. Sterk is ook, wat aan het slot van zijn „Entzückung, an Laura.” staat: „Deine Blicke . . . . wenn sie Liebe lächeln, Träume werden um mich her zu Wesen.” Ze is niet slechts, maar ze geeft ook wezenheid. Vergelijk hiermeê wat hij in 1790, na zijn huwelijk met Fräulein von Lengfeld schreef: „Was für ein schönes Leben führ ich jetzt! Mein Dasein ist in eine harmonische Gleichheit gerückt, nicht leidenschaftlich gespannt, aber ruhig und hell gehen mir diese Tage dahin! Jetzt da ich am erreichten Ziel stehe, erstaune ich selbst, wie Alles doch über meine Erwartungen gegangen ist.”

41) Het spreekt van zelf, dit te erkennen, is ophouden modern te zijn. De stelligste betuigingen van het tegendeel baten hier niets, daar ik die zelf in mijn voorstelling van het Modernisme onderstel. Het moet hier dus bij een wederzijdsche uiteenzetting van meeningen blijven. De Christelijke kerk belijdt dat er slechts één werkelijk levende God is, de Drieëenige. Waar deze nog niet gekend wordt, kan er onvolkomen Godskennis, maar toch kennis van den waarachtigen God zijn. Meent men daarentegen, gelijk onze modernen, |70| met bewustheid God Drieëenig te moeten loochenen, en waagt men het van zijn eigen Godsidé te spreken, als daarboven staande, dan kan er van onvolkomen, voorbereidende kennis geen sprake meer zijn, maar moet de Christelijke kerk de realiteit loochenen van een Alwezen, dat, naar men voorwendt, boven den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus uit zou gaan.

42) Heidelbergsche Catechismus, vr. 95.

43) De Orakels en de Mantiek der oudheid zijn niet minder dan Shakespere’s voorstelling bewijs voor deze behoefte van het menschenhart. Van daar de hooge beteekenis van het Godswoord in de Schrift, van de eigenlijke woordopenbaring in tegenstelling met de openbaring in feiten, waarop Küper in zijn „Das Prophetenthum des Alten Bundes” p. 44 vgg. met nadruk wijst. Elke verklaring van de prophetische inspiratie, die ter laatster instantie, deze reëele woordopenbaring miskent of onkenbaar maakt, vergrijpt zich, hoe geloovig in den vorm ook, aan de rust en den troost, die God de Heere daarom den kinderen der menschen in zijn openbaring gaf, wijl Hij zelf de behoefte aan zulk een openbaring den mensch had ingeschapen.

44) Het gebed behoort tot de mystiek des geestelijken levens. Blijkt nu, dat dit gebed, zoo dikwijls het, van invloeden van redeneering vrij, zijn eigen natuur toont, steeds en onveranderlijk een smeeken is, dan moet dit feit erkend, en is het eisch der theologische wetenschap, niet dit feit naar eenige theorie te wijzigen, maar aan dit feit de echtheid dier theorie te toetsen. Verklaring van dit mystieke feit is in gewonen zin nooit te geven, daar alle mystiek uit haar aard zich aan verklaring onttrekt. Poogt men daarentegen den samenhang van dit feit met de overige uitingen des geestelijken levens te doorzien, dan kan dit doel uitsluitend langs Christologischen weg bereikt worden, door de erkenning van het Godmenschelijk leven als een levenssfeer, waarin de antithese tusschen God en mensch is opgeheven.

45) Ge zegt een God te hebben. Wie is Hij? Bij die vraag wijst de loochenaar van een Bijzondere Openbaring uitsluitend op natuur, geschiedenis en inwendig leven. Hiermeê heb ik vrede, mits men nu ook doe, wat men zegt, en zijn God zich voorstelle, gelijk zijn werking in die drie levenssfeeren zich toont. Raadpleeg ik de natuur, dan kom ik tot de erkenning van Liefde en Wreedheid, dus tot het geloof der Indianen aan een Behoudenden en Vernielenden God. Maar dit doet men niet. Wilkeurig neemt men slechts een deel der natuur, die feiten waarin liefde spreekt, en zegt nu: Zie hoe goed God is! Evenzoo de geschiedenis. Als bron van Godskennis neemt men niet de geschiedenis, maar een deel uit haar feiten, die van wijsheid en rechtvaardigheid getuigen, en zegt nu: Zie hoe wijs en rechtvaardig is de Heer! Dit nu gaat niet aan. Dit is wilkeur en oppervlakkigheid. De Godsidé van Liefde, en het veld van natuur en geschiedenis, gelijk het daar voor ons ligt, zijn twee. Weigert men nu met de Christelijke Kerk |71| dezen strijd uit de nawerking van den vloek te verklaren, dan staat men vóór dit dilemma: òf die God òf natuur en geschiedenis als bron van Godskennis moet worden prijsgegeven. Het eerste doet de atheïst, het laatste doet Dr. Hooykaas. Door wat schokken ook, we komen toch verder. De oogen gaan open, en niet lang meer, of we zijn van de spierlooze vlinder- en bloementheologie, van den tempel met de bloemen tot tapeet en den hemel als gewelf, voor goed verlost.

46) Het zedelijk leven moet óf een eigen leven zijn, òf het is illusie. Loochent men nu de schepping van den mensch in volstrekten zin, dan wordt het zedelijk leven tot een hoogere potenz van het dierlijk leven verlaagd, ontdaan van zijn integriteit, en dus feitelijk geloochend. Behelpt men zich daarentegen met de uitvlucht, dat de mensch, hoewel uit het dier voortgekomen, dit eigen zedelijk leven als nieuwe factor door aanraking van Gods Geest zal hebben ontvangen, dan is de scheppingsdaad, na de schepping des heelals, in het reeds bestaande, en dus het wonder, toch op onzen weg. Men wint dan voor den eisch van zijn denken niets, en staat bovendien voor het niet minder groote bezwaar, dat de eenheid van ’s menschen wezen te loor gaat, zijn organische samenhang wordt prijsgegeven, en we niet een mensch, maar een compositie van dier en geest verkrijgen, die nooit tot het begrip van wezen kan worden geconstrueerd. Het eerste, de loochening van den eigen aard van het zedelijk leven, moet natuurlijk tot het strengste materialisme leiden. De hypothese van Compositie daarentegen kan niet rusten, eer ze bij de hallucinaties van Geulinx is aangekomen, een hollandsch wijsgeer uit de 17e eeuw (hij was professor te Leiden en stierf in 1669), die geest en lichaam volstrekt vaneen scheidde, en de schijnbare inwerking van den geest op het lichaam door het beeld van twee uurwerken verklaarde, die, niets met elkaar gemeen hebbende, zich toch volkomen gelijk bewegen.

47) Aan het vraagstuk der zonde eet het Modernisme zich den dood. Zijn beroep op de hypothese van Calvijn en sommige gereformeerde theologen, mist hier elke kracht van bewijs. Ook van de zonde toch geldt, wat ik van het gebed zei, ze is een mysterie, dat als levensfeit erkend moet worden. Eerst na de erkenning van dit feit, verkrijgt de Theologische wetenschap recht tot verklaring, niet van het feit (dit kan ze nooit, wijl het een mysterie is), maar van zijn samenhang met de overige gegevens des geestelijken levens. Zóó handelden onze gereformeerde Theologen. Al mislukte dus hun poging tot verklaring, het feit zelf bleef daarmeê onaangetast en boette in niets zijn ontzettende werkelijkheid in. Het Modernisme daarentegen tast het feit der zonde zelf aan, denatureert het, vernietigt zijn mysterie, en wil het niet anders dan door het verkleinglas van zijn ontwikkelingstheorie bezien. Natuurlijk. Tegen deze operatie baat geen betoog, maar vast ligt in de conscientie de harde klip der werkelijkheid, waartegen dit |72| schoon getuigde scheepke der moderne zonde-theorie onverbiddelijk stuk slaat.

48) De „progressus ad infinitum” is een heidensche, geen christelijke idé. Ze sluit het denkbeeld van zaligheid, d.i., naar de schoone etymologie van ons hollandsch woord, de voltooiing van het geluk, uit l. Ze miskent den heiligen adel van het ideaal, wijl het dorst naar het ideaal onderstelt, buiten zijn levenssfeer. Ze ziet niet minder het eenvoudig gegeven der wetenschap voorbij, dat een eeuwig loopen naar een oneindig ver gelegen doel, u van dit doel steeds even ver verwijderd houdt. Hiertegenover staat de Christelijke idé van het ideaal, als een realiteit, waarnaar de dorst eerst komt, als men er in gezet is, en dat, wijl aan den dorst de eeuwige vervulling voorafgaat, geen koortsachtig jagen, maar slechts kalme eindelooze verzadiging geeft. Christus spreekt dit aldus uit m: Ik ben niet slechts de waarheid en het leven, maar ook de weg.

49) De heidensche idé der verzoening is een allengs gelouterd worden. De Christelijke een plotseling gezaligd zijn, dat door een daad Gods in de diepte van onzen dood wordt geworpen. Dit nu ligt in Beethovens muziekale compositie ontegenzeggelijk uitgesproken. Eerst is het een neêrdalen naar de diepte in dof en plechtig toongeluid, tot het is of de afgrond zich opent, om, dieper dan de ziel dit kan, de smart der ziel te beweenen, en dan gaat het plotseling met een „attaca subito” in de hoogste, fijnste toonen over, die als een stroom van heilige klanken over elkander u tegenrollen, het hallel der verlossing nagalmend, dat ze u brengen uit den Hooge. Gellert’s Busslied, waarop Beethoven deze compositie maakte, bedoelt iets geheel anders. Beethoven heeft dus onbewust uit de toonenwereld de Christelijke idé der verzoening genomen, die hij daar niet zocht, maar vond, en zonder het zelf te weten in zijn schepping verheerlijkte. Men vindt het in de „Ausgewählte Lieder von L. v. Beethoven” ed. Breikopf u. Härtel, p. 18.

50) Het e;sesqe ou=n u`mei/j te,leioi, Matth. V : 48, laat geen andere verklaring toe. De varianten, bij 1 Petr. 1 : 16 talrijk, ontbreken hier geheel. Gi,nesqe is de imperatief van het wordende proces; de vorm van het futurum daarentegen is de imperatief die den geëischten toestand, die nog niet intrad, als op eenmaal voldongen, voor oogen stelt. Winer, Gramm. des Neut. Sprachid. p. 282, is in de verklaring van dezen Imp. fut. hoogst onvolledig. De geciteerde woorden zijn uit den Faust aan het slot der eerste acte. Letterlijk staat er „Das Doppelreich, das grosse, sich bereiten!” . . .

51) Opmerkelijk is de dubbele phase, die de historiographie van het Modernisme hierbij doorliep. De historie moest hun aprioristische idé getuigenis geven. Dit stond vast. Zoolang nu de authenticiteit der bronnen hun nog te |73| machtig was, werd dit doel bereikt door exegetische kunstbewerking. Toen men daarentegen hierdoor in te veel gekunstelds verward raakte, en men aan nog grooter ongebondenheid behoefte had, werd de authenticiteit zelve prijs gegeven. En wat erkende men toen zelf? Dat bijna op alle punten de exegese der kerk boven de exegese van eigen vinding de voorkeur verdiende. Als mislukte constructie werd nu de geheele exegetische operatie der eerste periode te niet gedaan, en daarna de oude, op nieuw gewaarmerkte, exegese juist als wapen tegen de authenticiteit gebezigd. Natuurlijk. Aan opzet is hierbij niet te denken, maar juist deze absentie van opzet is voor mijn beweren bewijs.

52) Het behoeft nauwelijks aanwijzing, dat hiermeê het Evangelie van Joannes van den Hoogleeraar Scholten is bedoeld. Ik wijs op dit feit. Vooreerst wijl de Hoogleeraar Scholten zelf in zijn voorrede getuigt, dat de overgang, door hem in deze jaren van de Platonische tot de meer Aristotelische wereldbeschouwing gemaakt, hoofdoorzaak van zijn afwijkend resultaat is. Hiermeê is het apriori als leidstar zijner kritiek door hemzelf erkend. Maar ook, wijl de lezing van dit geschrift, gevoegd bij de herinnering aan de enthousiaste voordracht op zijn collegiën, zulk een diepen indruk op mij maakte, dat het van die ure af voor mij gedaan was met de autoriteit der moderne critiek.

53) De publieke opinie, heeft voor het Modernisme de plaats ingenomen, die door de Kerk aan het getuigenis des H. Geestes in de gemeente wordt toegekend. De „Gesamtgeist” der denkende menschheid heeft thans de attributen verkregen, die de Kerk alleen aan Gods Geest schonk. Het karakter van het Dogma is dienovereenkomstig gewijzigd. Als axioma geldt thans, niet wat de H. Geest, maar wat de „Gemeingeist” der publieke opinie goedkeurt. Verwerping van dit dogma sluit niet meer buiten de „gemeenschap der heiligen,” maar buiten de aristocratie der verlichte menschheid. Het dogma, vroeger in zijn kern eeuwig als de Geest die het gestempeld had, is thans een kind des dags geworden, als de publieke opinie die het draagt.

54) Slechts vluchtig is hiermeê de reeks pleidooien doorloopen, die voor het „nous maintiendrons” plegen gehouden te worden. Men ziet, ze lijden allen aan het euvel van paralogisme. Men spreekt van Kerk, zonder dat het begrip van Kerk eerst historisch en empirisch is geconstateerd.

55) Anno 2065 door Dr. Dioscorides, Utr. 1865.

56) F.Chr. Baur, Die Chr. Kirche vom Anfang des 4ten bis zum Ende des sechsten Jhts. 1859. S. 97. „Der arianische Streit hat eine sehr tiefe Bedeutung, er grief in das innerste wesen des Christenthums ein, und man beurtheilt ihm nur sehr einseitig und äusserlich, wenn man meint, es habe sich in ihm nur um eine Lehre von der Gottheit des Sohnes gehandelt. Der Begriff, welchen beide Theile über die Gottheit des Sohnes aufstellten, war nur der in dieser Form gefasste Ausdruck ihrer Ansicht von dem Wesen und Charakter des Christenthums überhaupt. |74| Die Hauptfrage war, ob das Christenthum die höchste absolute Offenbarung Gottes ist. Von diesem Gesichtspunkt fasste Athanasius das wesentliche Moment des Streits auf, wenn er alle Einwendungen, mit welchen er die arianische Lehre bestritt, zuletzt immer wieder in dem Hauptargument zusammenfasste, dass der ganze Inhalt des Christenthums, alle Realität der Erlösung, völlig nichtig und bedeutungslos wäre.” Evenzoo p. 99: „Ist (nach Arius, da es für ihn keine reale Gemeinschaft Gottes und des Menschen gibt), alles, was sich auf das Wesen Gottes bezieht, etwas rein Theoretisches, so ist das das Verhälltniss des Menschen zu Gott vermittelnde Band nur der vom Wesen unterschiedene Wille.” En p. 100: „Die Aufgabe ist daher, sich klar zu machen, wie die ganze Ansicht von Christenthum eine wesentliche andere ist, je nachdem man über die Person Christi entweder athanasianisch oder arianisch denkt, dass, wenn man den Sohn auch nur so weit unter den Vater herabsetzt, als diess nach der semiarianischen Vorstellung geschah, die unvermeidliche Folge hievon nur eine solche Degradirung und Rationalisirung des Christenthums sein kann, durch welche es mehr und mehr in die Reihe der gewöhnlichen menschlichen Erscheinungen gesetzt wird.” Niet onduidelijk wijst Dr. Réville, in zijn jongste geschrift over de Godheid des Heeren, op denzelfden familietrek, die bij voortgaande ontwikkeling van het modernisme al klaarder aan het licht zal treden. Mijn vergelijking met het Arianisme bedoelt dus allerminst een in den wilde gegrepen parallel, maar een opzettelijke vergelijking van twee verschijnselen, die slechts voor den oppervlakkige hun genetischen samenhang verbergen.

57) Naar het bekende woord van Opzoomer: „De reformatie heeft ons het geloof in God, de revolutie het geloof in den mensch teruggegeven.” Het is een uitdrukking, onjuist in haar eerste en hoogst bedenkelijk in haar tweede lid. De Reformatie heeft niet slechts het geloof in God, maar evenzeer het geloof in den mensch teruggewonnen, mits in Christus de ware menschentype worde erkend. „Geloof in den mensch” daarentegen, gelijk de revolutie dit bedoelt, is geloof in den mensch, gelijk hij thans is, een geloof, dat zich daarom juist tegen God moet keeren en in zijn woeste bacchanaliën alle winst der Reformatie verspeelt.

58) Jouffroy verdedigde de geciteerde stelling in zijn „Essai sur le scepticisme,” dat in 1830 het licht zag; gekant tegen alle practisch scepticisme, poogt hij alleen het theoretisch scepticisme te verheerlijken. De woorden van Royer Collard zijn uit de openingsrede voor zijn lessen in 1813, cf. Fragments de M. Royer Collard in Oeuvres de Reid, traduite par M. Jouffroy, t.v.p. II. 426, zie M. Guizot, Méditation sur l’état actuel de la religion Chrétienne, 1866, II. p. 338. Royer Collard’s gronddenkbeeld: „On ne divise pas l’homme,” drukt geheel uit, wat ik, een paar bladzijden vroeger, over de compositie van den mensch schreef. Is het nu een feit dat de loochening van het wonder in de partiëele schepping tot onderstelling dezer |75| compositie, en dus tot een „diviser” van den mensch leidt, dan komt ook langs dezen weg het onmiskenbaar verband aan het licht, dat tusschen loochening van het wonder en twijfelzucht bestaat. Hiermeê is het minst niet ontkend, dat er „eerlijke twijfelaars” kunnen zijn, maar wat men met dit banaal pleidooi zou gewonnen hebben, valt moeilijk in te zien. Dat de weg tot kennis door den doolhof der twijfelzucht zou moeten gaan, ontken ik volstrekt. Is daarentegen in een gegeven tijdperk de vastheid der heerschende begrippen zoo los, dat vrees voor twijfel allen moed tot onderzoek zou rooven, dan is de schuld van het individu zeker veel geringer, maar de verantwoordelijkheid van den kranken tijdgeest des te grooter. Het recht van de Twijfelzucht hangt uitsluitend aan de vraag: Wie twijfelt, uw denken of gij zelf? Kan nu op die vraag slechts de onnadenkende het eerste antwoord geven, dan is hiermede beslist, dat Twijfelzucht niet een intellectueele, maar een zedelijke kracht is, die, voleindigd zijnde, in waanzin moet uitloopen. Het Nihilisme van M. van der Hoeven, zoo min als het gespannen Idealisme van Dr. Pierson, zijn normaal gezond. Toch blijkt uit beider slotsom, dat deze abnormale uitingen voortvloeien uit een kranke geestesgesteldheid, die minder in hen persoonlijk, dan in de geestenwereld onzer dagen is te zoeken. Zie over M. v.d. Hoeven, de diepgevoelde en keurige Biographie van Prof. Quack, bij van Kampen te Amsterdam in 1869 verschenen, en over Dr. Pierson’s idealisme zijn artikel Een keerpunt in de wijsgeerige ontwikkeling, Gids, Juni 1871. Ook de hypothese van Dr. Hooykaas in zijn De geschiedenis en het Godsbestuur, valt onder hetzelfde gezichtspunt.

59) Zie Goethe’s Torquato Tasso, zweiter Aufzug, erster Auftritt. Goethe’s gedachtenloop is volkomen helder. Lenore ontkent de werkelijkheid van de heldengestalten die Tasso geteekend heeft. Tasso zal haar nu bewijzen, dat deze beelden wel ter dege waar en werkelijk zijn en ontwijfelbaare realiteit bezitten. Hoe nu doet hij dit? Door aan te toonen 1º. dat ze van buiten tot hem gekomen zijn. 2º. dat zelfbedrog ondenkbaar is, wijl hij ze geïncarneerd gezien heeft in Lenore zelve. Van twee zijden is het gevaar van subjectivisme voor zijn scheppingen dus afgesneden, èn door heur oorsprong buiten hem, èn door het zienlijk waarneembare. Ik zou haast durven vermoeden, dat Goethe de woorden uit Joannes’ zendbrief voor den geest heeft gehad, zoo sterk is de gelijkheid van uitdrukking en conceptie beide.

60) De persoon van Christus is ook hier toetssteen. De diepere geesten onder de modernen zullen u gaaf toestemmen, dat de eeuwige gedachten van „menschwording Gods, verzoening en opstanding”, die de Kerk met den naam van den Christus verbindt, niet alleen schoone, maar onmisbare en waarachtige idé’s zijn. Het kleingeestig en ploertig belachelijk maken van deze idé der idéën zullen ze met u afkeuren, en althans overlaten aan die wandelende oppervlakkigheden van min edele natuur, die zelfs niet gissen, dat de smet, die |76| ze in het heilige aanwijzen, niet van dat heilige kwam, maar van hun eigen ongewasschen hand. In idealen zin genomen, zijn zij dus bereid, der kerkleer hun bijval te schenken. Slechts dit ontkennen ze, dat die ware en prachtige idé realiteit zou geweest zijn in Jezus van Nazareth. Ook hier dus het „diviser" van den mensch. Aan zulk een Christus heeft wel hun denken, maar niet hun volle wezen behoefte. Ze abstraheeren in hun eigen wezen hun denkmacht van de realiteit van hun aanzijn, en laten voorts de schaduwlijnen van die scheiding, uit de eigen ziel, op het beeld van den Christus vallen. Zóó wordt de volheerlijke persoonlijkheid van Jezus Christus voor hun zielsoog gedeeld.




a. Noot verplaatst van pagina 17 naar hier. Het gaat hier om een kennelijke zetfout.

b. Oorspronkelijke plaats van noot 6.

c. Vgl. Hebreeën 12:28.

d. Vgl. Johannes 1:16.

e. Vgl. Dr. Dioscorides, Anno 2065: een blik in de toekomst, Utrecht (Greven) 1865. Dr. Dioscorides was pseudoniem van Pieter Harting (1813-1885), bioloog en natuurkundige.

f. Vgl. 1 Johannes 1:1.

g. Vgl. Johannes 1:1.

h. Vgl. Johannes 1:14.

i. Vgl. Zie A. Kuyper, ’Een Perel in verkeerde Schelp (Dr. Pierson’s jongste Gidsartikel)’, De Vereeniging: Christelijke Stemmen, Amsterdam, 26 (1871), 146-184 (September); ook als overdruk zelfstandig uitgegeven (Amsterdam, Höveker & Zoon, 1871).

j. De publicatie wordt als boven vermeld bij Rullmann KB III,469.

k. Vgl. de slotnoot bij het hoofdstuk ‘Het Calvinisme en de Religie’ in Kuyper’s Het Calvinisme: „Dat in deze Lezing van Religie, niet van Godsdienst gesproken werd, geschiedde opzettelijk. „Godsdienst” is het dienen van God in culte en practijk. „Religie” is het woord, dat onze vaderen bezigden, om de bewuste verhouding tusschen God en het menschelijk creatuur uit te drukken.” (pag. 68).

l. [Noot Kuyper] „Zalig” beteekende oorspronkelijk „vol”.

m. Vgl. Johannes 14:6.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000