Abraham Kuyper (1837-1920)

Ex Ungue Leonem

ofte

Dr. Doedes’ Methode van Symbool-uitlegging op een enkel cardinaal punt getoetst

Amsterdam (J.H. Kruyt) 1882






Voorrede.

Mijn Utrechtsche ambtgenoot, de hoogleeraar Dr. Doedes heeft zich in twee lijvige deelen gewaagd aan een critiek op twee van onze Formulieren van eenigheid.

Deze critiek is toegejuicht; niet het minst door modernen; maar toch door groningers bovenal. Door diezelfde groningers, tegen wie Dr. Doedes, tot verheuging van de belijders des Heeren, eens zijn brieven over de Godheid van Christus slingerde, zoo welgemikt en kloek!

Ze heeft daarentegen bedroefd en geërgerd alle diegenen, die nog met hartelijke vreugde den weg, waarlangs onze vaderen ten hemel ingingen, ook voor zichzelven belijden den weg te zijn, waarop zij met hun kroost als pelgrims voortreizen.

Terstond na het uitkomen van het eerste deel dezer critiek, heb ik getracht haar in de Heraut van 22 en 29 Februari, 7 en 14 Maart 1881 (Nos. 115-118) te karakteriseeren, en de beginselen aangeduid, waardoor m.i. haar verkeerde richting bepaald werd.

Dit is mij euvel geduid, en men heeft mij toegevoegd: „Indien dan uw ambtgenoot zich naar uw inzien is komen te misgaan, weerleg hem dan door tegencritiek uit de H. Schrift.”

Ik deed dit niet, omdat zulks de weg niet was.

Ge kunt niet met iemand op de basis der Schrift disputeeren, tenzij ge het én over die basis der Schrift én over de methode, waarnaar uit die Schrift te argumenteeren valt, vooraf met hem eens zijt.

Dit nu was hier niet het geval.

De hoogleeraar Doedes koestert omtrent de Heilige Schrift |6| denkbeelden, die mij voorkomen haar gezag op te heffen; en, omgekeerd, oordeelt mijn Utrechtsche ambtgenoot, dat mijn belijdenis aangaande Gods heilig Woord geen steek houdt. Hoe zouden we dan saâm kunnen redetwisten op een grondslag, die beiderzijds anders gemeten wordt?

Van het verschil in methode behoeft uiteraard, waar reeds de gemeenschappelijke grondslag ontbreekt, hier niet breeder gerept.

Ik sloeg daarom een anderen weg in, en die van achteren blijkt, metterdaad tot het beoogde doel geleid te hebben.

Het gold namelijk de critiek op een kerkelijk symbool, een juist omschreven actestuk. Zulk een critiek nu, zoo kwamhet mij voor, kon alleen hij leveren, die begon met dat actestuk te verstaan. Aan critiek dient juiste exegese vooraf te gaan. Eerst behoort ge de bedoeling van een schrijver te doorgronden, en eerst daarna zijt ge bevoegd, om zijn bedoeling te beoordeelen.

Maar hieraan nu juist schortte het bij den hoogleeraar Doedes.

De „Belijdenis” is een historisch actestuk, en mag dus niet verklaard worden, dan in verband met het levensmillien, waaruit dit stuk genetisch voortkwam;, en in dat levensmilieu was Dr. Doedes blijkbaar niet genoegzaam thuis.

Er is voor het recht verstand der Confessie een historisch-dogmatische studie noodig, die Dr. Doedes, gelijk voor ieder kenner, reeds na vluchtige inzage van zijn critiek vaststond, niet gemaakt heeft.

Want wel heb ik door zijn laatste zeggen: dat gereformeerde dogmatici er zoo over denken, weet ik ook wel, — mij een oogenblik van de wijs laten brengen; maar, gelijk ik nu van achteren toch erkennen moet, ten onrechte.

Dat er gereformeerde dogmatici zijn, die zoo dachten, wist Dr. Doedes zeer zeker. Het blijkt uit zijn eigen critiek, waar hij Ursinus en Olevianus aanhaalt. Maar dat hij niet wist, hoe hij heel de Christelijke kerk tegen zich had, staat psychologisch voor mij vast.

Hij schrijft toch: „Hoe durft Dr. Kuyper zeggen, dat God drieëenig de Schepper is?” Dit nu zou hij niet hebben kunnen |7| schrijven, indien hij geweten had, wat van de zaak aan is. Immers, er steekt wél een gevaarlijk durven in, om te bestrijden wat alle zuivere godgeleerde denkers dusver beleden, maar er kan nooit een durven in kwaden zin in gezocht worden, dat men de opinie van alle goede theologen, uit eeuw na eeuw, beaamt.

Ik had kunnen zeggen: „Hoe durft Dr. Doedes de meening der gansche kerk weêrspreken?” Maar het had geen zin op Dr. Doedes’ lippen, om te klagen:. „Hoe durft Dr. Kuyper het met heel den phalanx van theologen eens zijn?” Zielkundig is dus bewezen, dat Dr. Doedes de stukken niet kende.

Over dit feit op zich zelf nu valle niemand hem hard. Dat zou alleen de onkundige zich veroorloven.

Immers, ieder theologisch hoogleeraar heeft vakken, waarvan hij veel en andere vakken waarvan hij schier niets weet. De polyhistors zijn uitgestorven. Geen hoogleeraar, of hij zal drie vakken voor één kunnen noemen, waarin hij, scherp onderzocht, zou bezwijken.

Daarin schuilt het verkeerde dus niet.

Maar wel hierin, dat men, die noodige studie nu eenmaal niet gemaakt hebbende, zich waagt aan een arbeid, waartoe zoodanige voorafgaande studie streng-wetenschappelijke eisch is.

Om nu deze fout, die schier alle wezenlijke waarde aan Dr. Doedes’ critiek ontneemt (hoeveel lof ook wij geneigd zijn, aan menige scherpzinnige opmerking te bieden, waardoor hij een ieder verrast heeft), om nu deze fout, zeg ik, op de voor hem minst stootende wijze te doen uitkomen, nam ik maanden geleden één enkel woordje uit het eerst Artikel der Confessie onder handen, en toonde aan, hoe professor Doedes het woordeke „eenvoudig” als attribuut, van het „goddelijk Wezen” beoordeeld heeft, zonder te rekenen met wat het beduidde.

Wat ik destijds schreef, vindt men hier achter in een Bijlage. Ik ging, bij het stellep er van, uit van de meening: „A bon entendeur mi-mot suffit!” Ook Dr. Doedes, zoo beeldde ik mij in, zou reeds na deze ééne opmerking zélf de wondbare plek van zijn boek hebben ingezien, en zich voortaan voorzichtiger uitlaten.

Maar hierin had ik mij verrekend. |8|

Integendeel, op een toon, dien ik verre van wetenschappelijk vind, kwam Dr. Doedes, geheel onnoodig, mij uit eigene beweging aanvallen ja, provoceeren, (zie de noot op pag. 13) in een geïmproviseerde klacht van Art. VII der Belijdenis.

Hiermeê was de teerling geworpen.

Nu toch mijn Utrechtsche ambtgenoot in ernst bleek te meenen, dat zijn Tritheïsme (of hoe men het noemen wil) ook door de Synode van Antwerpen en Dordt was beleden, nu mócht het tegenbewijs niet uitblijven.

Op het punt van de eere Gods voegt het den belijders der Confessie, zeer gevoelig te wezen.

De artikelenreeks, waarin ik dat tegenbewijs leverde, kwam voor in „de Heraut” van 29 December, 1, 8, 15, en 22 Januari (Nos. 209 tot 213).

Ze verschijnen thans in een dun boekske saâmgevat, met uitlating van een enkelen overgang, en eenigszins anders ingedeeld.

Het doel dezer aparte uitgave is: om ook in die kringen, waar men zich te wetenschappelijk acht, om „de Heraut” te lezen, een wetenschappelijk protest in te dienen tegen het ernstig gevaar, waarmede de belijdenis van den Drieëenigen God bedreigd wordt.

Dr. Doedes moet en zal, naar we vertrouwen, van de nu door hem aangekleefde dwaling terugkomen; maar hij kan en zal dit dán alleen, als zijn eigen vrienden en Utrechtsche ambtgenooten den moed hebben, openlijk in deze partij tegen hem te trekken; en dit wederom zullen zij niet künnen laten, na kennis te hebben genomen van dit pleidooi.

Geen qui tacet consentire videtur mag hierin tegen hen getuigen.

Dr. Doedes moet uit het gezelschap van Balthasar Bekker uitgehaald.

Dat gezelschap deed hem geen goed in het stuk der Schepping, en ook reeds geen goed in zijn critiek op de Eenvoudigheid Gods.

Immers wat ik in 2 April 1881 nog niet wist, is me nu van achteren gebleken, t.w. dat ook die averechtsche opmerking over de Eenvoudigheid Gods alzoo bij Bekker voorkomt. |9|

Deze schreef toch op blz. 135 van zijn bekenden commentaar op de XXXVII Artikelen: „Maar ’t woord Drievuldigheid strijdt regelrecht met die eenvoudigheid, die ’t goddelijk Wezen als in ’t 1e Artikel in de uiterste volmaektheid toegeschreven is.”

Bijna letterlijk het gevoelen van Dr. Doedes.

En mocht het nu soms eenig „onhistorisch mensch” gelieven, ons van Roomsche praktijken te betichten, op grond daarvan dat we ons pleidooi met „oude vaderen” voerden; en tegen ons pogen staande te houden, dat het met den geest van onze Confessie strijdt, om zich voor haar zin op paters. en oude auteuren te beroepen, dan verzoeken we zulkeen, naar de gulden spreuk der Wijsheid, „niet al te haastig een woord met zijn lippen voort te brengen.”

Immers, wie dat zeggen dorst, dien zullen we weêrstaan met niemand minder dan met Guido de Brès, den opsteller van onze Confessie, zelven.

Wat toch deed Guido de Brès?

Niets meer noch minder, dan een tamelijk dik boekske in de wereld zenden, dat van den aanbeginne tot den einde uit niets hoegenaamd anders dan uit een aaneenrijging van citaten uit paters en conciliën bestond.

Dit boekske heet Le Baston de la foye Chrèstienne, is gedrukt te Lyon in 1555, en voert, precies evenzoo als wij gedaan hebben, het bewijs uitsluitend niet breede aanhalingen uit kerkvaders en oude schrijvers 1). |10|

En wel voorzag ook Guido de Brès, dat men hem daarover hard zou vallen met de gewone en ook toen reeds bekende klacht: „Man lief, houd u toch aan de Schrift, en kom mij niet met die oude vaderen aanslepen!”, maar onvervaard sloeg Guido de Brès dat zeggen af, met wat ook ik mijn betwisters reeds zoo dikwijls tegenvoerde: Je say bien ce que plusieurs gens ont acoustumez de dire, quand on leur parle des anciens, (parlans sans iugement ne raison) disans que touchant des anciens, ilz n’en ont que faire, et qu’ilz estoyent hommes comme eux: Mais qu’ilz se contentent seulement de la parole de Dieu. Je ne leur voudroye du tout donner tort en cela, s’ilz ne reiectaient sy souvent Dieu et ses dons en pensant reiecter les hommes et leur doctrine: Partant nous devons bien garder aux hommes et quand ilz parlent d’eux mesmes et aussy quand Dieu parle par eux cet,” ’twelk overgezet zijnde beduidt: „Ik weet zeer wel, dat er heel wat lieden zijn, die zoodra ze de lucht van oude schrijvers krijgen (waar ze niets van verstaan of begrijpen), altoos maar roepen: „dat zij met die oude vaderen niets te doen hebben, want dat ze zelf even veel recht van spreken hebben als die vaderen eertijds, en daarom zich alleen maar houden aan het Woord.” En hierin zou ik hun dan ook volstrekt geen ongelijk geven, als zij niet zoo dikwijls met die „oude schrijveren,” God en zijn gaven verwierpen, zoodat ik er wel terdege op sta, dat men op dat werk der vaderen deugdelijk acht geve, om te weten wanneer ze uit zich zelf spreken en wanneer God door hen ons toespreekt.” En dat nu zullen we weten, zoo gaat hij voort, „indien hun leer overeenkomt met den norm van alle recht, dewelke is het Woord Gods, ons biedende de leer van Profeten en Apostelen.”

Onder dit woord van De Brès nu plaats ik van heeler harte mijn naam. |11|

Het is in echt gereformeerden geest; mij, tot titel en jota toe, uit het hart geschreven.

Gods Woord éénige „reigle de toute droicture”, maar ook in de oudvaderen „dons de Dien à son Eglise, qu’on ne reyecteroit pas.”

Mag ik ten slotte nog wel herinneren, dat dit boekske uit een eenvoudig weekblad is overgenomen; waardoor het formeel natuurlijk anders werd, dan het als wetenschappelijk werkje op zich zelf, zou geworden zijn.

Voor de verschillende citaten gebruikte ik de editiën, die ik zelf bezit. Tijd ontbrak mij, om te Leiden of Utrecht meer classieke uitgaven te gaan raadplegen, en de Bibliotheek der Amsterdamsche Gemeente-universiteit komt nog pas op.

Ten overvloede vermeld ik, wat mijn onderwerp zelf aangaat, hierbij nog het opmerkelijke feit, dat in de oudste vragen voor het proponentsexamen, gelijk die in 398 door de Synode van Carthago in zijn eersten canon, niet eerst opgesteld, maar gesanctioneerd zijn, o.a. ook een opzettelijke vraag voorkomt, om te onderzoeken, of ook iemand met de, nu door Dr. Doedes verdedigde, ketterij behept ware. Dit reglement op het proponentsexamen, gelijk we thans zouden zeggen, heette Statuta ecclesiae antiquae, en naar eisch dezer „Statuten” nu moest de examinandus zich o.a. verklaren over deze vraag: Of hij ook geloofde en beleed, dat de Zoon, te zamen met den Vader en den H. Geest, Heere en Schepper en Bestuurder van alle geschapen dingen was 2)?

Reeds eer Augustinus optrad, zag de kerk dus zeer klaar en helder het gevaarlijke van zulk beweren voor heel de theologische vorming zeer juist in.

Iemand die dacht als Dr. Doedes zou reeds destijds (let wel in 398) niet tot de Evangeliebediening zijn toegelaten. |12|

Veel kon men toentertijd nog door de vingers zien.

Maar zulk een cardinaal punt reeds niet.

Ex ungue leonem! zette ik op den titel, of men naar de geaardheid van deze ééne vergissing den doorgaanden aard van Dr. Doedes’ aanval op hetgeen onze kerken beleden en nog belijden mocht afmeten.

Immers heb ik ongelijk, dan zal Dr. Doedes waarlijk niet in gebreke blijven, zijne stelling te handhaven.

En omgekeerd, poogt hij dit, zonder doel te treffen, hij zal mij wederkeerig tot het geven van wederbescheid, zoo de Heere wil, op mijn post vinden. Het is altijd het veiligst den strijd op een enkel punt, dat afhandelbaar is, te concentreeren, maar over dat ééne punt mag het zwaard dan ook niet opgestoken, eer de strijd daarover mettterdaad beslecht is.


Amsterdam, 26 Januari 1882.

Kuyper. |13|





Is volgens de Belijdenis van de Gereformeerde Kerken dezer landen God Drieëenig of alleen God de Vader, Schepper van hemel en aarde?


Tot ons leedwezen worden we genoodzaakt, nogmaals tegen een beweren van den hoogleeraar Doedes in verzet te komen.

Hij heeft namelijk Art. VII der Geloofsbelijdenis van Guido de Brès sprekende ingevoerd, om er haar over te doen klagen, dat door ons (naar hij waant, in tegenspraak met haar bedoelen) gezegd was: De Schepper aller dingen is de Drieëenige God 3).

Hiertegenover stelt Dr. Doedes de bewering, dat volgens de Confessie de schepping aller dingen niet het werk is van den Drieëenigen God, maar alleen van God den Vader.

Dit hangt saâm met een vroeger beweren van den hoogleeraar, dat de Schrift van „God”, zonder meer sprekende, niet den Drieëenigen God bedoelt, maar alleen „God den Vader.” Een voorgeven, dat uiteraard óf in Tritheïsme verloopt, óf Sabellianistisch |14| den Zoon en den Heiligen Geest alleen als openbaringsvorm laat optreden, óf onverbiddelijk op zijn Ariaansch of Sociniaansch, de Godheid van den Zoon en den Heiligen Geest in „goddelijkheid” of omgehangen majesteit, d.i. de deitas in divinitas doet ondergaan.

Alleen dit hooge belang noopt ons dan ook dit punt eenigszins omstandig toe te lichten. En onze meer eenvoudige lezers zullen het zich wel getroosten willen, dat we ter verdediging van zoo heilige zaak, hen een oogenblik vermoeien met deels vreemde schrijvers in deels vreemde talen; zij het dan ook overgezet.


*

De staat des geschils tusschen den hoogleeraar en den ondergeteekende is derhalve deze: Of volgens de historische Belijdenis van de gereformeerde kerken dezer landen als Schepper van hemel en aarde de Drieëenige God (Vader, Zoon en Heilige Geest) dan wel alleen God de Vader zij te eeren.

De hoogleeraar Doedes beweert: Volgens die Belijdenis is de Schepper alleen God de Vader.

Ondergeteekende beweert daartegenover: Volgens bedoelde belijdenis is de Schepper de Drieëenige God (Vader, Zoon en Heilige Geest).

En de staat des geschils is alzoo niet: Of volgens de Heilige Schrift, en derhalve in volstrekten zin, de Schepper God Drieëenig of wel alleen God de Vader zij.

En dat, niet, alsof zulk een onderzoek niet veel belangrijker ware en ook volgens mijn overtuiging alleen concludent; maar wel overmits het geschil ditmaal door den hoogleeraar Doedes niet alzoo is gesteld, en het onlogisch zou zijn een symbolisch-uitlegkundige quaestie te verwarren met een quaestie van exegetisch-dogmatischen aard.

Wel heeft de hoogleeraar Doedes het geschil vroeger anders pogen te stellen in zijn critiek op onze Belijdenis. Maar daarop zijn we niet destijds ingegaan, en zullen we ook nú niet ingaan; en dat om de pertinente en concludente reden, dat met den hoogleeraar Doedes op het terrein van Gods Woord voor mij niet valt te disputeeren, zoolang deze hoogleeraar, 1º. aan de Heilige |15| Schriftuur als zoodanig hare goddelijke ingeving, in waarborgleverenden zin, betwist, en 2º. behept blijft met den dualistischen misslag der Wederdoopers, reeds door Guido de Brès zoo ernstig bestreden, alsof synthetische deductie uit de Heilige Schrift ongeoorloofd ware.

Doch hoe dit ook zij, dit punt is thans niet aan de orde. Thans heeft de hoogleeraar Doedes het geschil zelf op het terrein van de uitlegging onzer symbolen gesteld.

In zijn geval, zoo ik vreeze, een schromelijke onvoorzichtigheid; daar het voor weinigen een geheim is, hoe weinig sterk de hoogleeraar Doedes op dit historisch terrein staat.

Maar niettemin eene uitdaging zijnerzijds, waarop we den handschoen wel moesten opnemen, omdat ook dit geschil met de eere van den hoogen God samenhangt, en niets van hetgeen met Gods eere vermengd is, onbelangrijk mag heeten.

Het door ons te leveren betoog, zal trachten te bewijzen, dat Dr. Doedes Art. 12 en verwante van onze Nederlandsche Confessie niet juist kan geëxegetiseerd hebben. En dat wel, omdat de exegese of uitlegging door hem op dit punt van onze Confessie gegeven, rechtstreeks indruischt tegen de bekende en onbetwistbare opinie van de opstellers, uitvaardigers en commentatoren van onze Formulieren van eenigheid; vlak het tegendeel zegt van wat de Gereformeerde Kerken in haar beste en meest gevierde theologen geleerd hebben; geheel afwijkt van wat de kerkvaders, zoo der middeneeuwen, als uit de Westersche en Oostersche kerk ons onderwijzen; alsmede van hetgeen duidelijk en onomwonden in de belijdenis van alle Christelijke hoofdkerken beleden staat.


I. De Formulieren van eenigheid.

§ 1. Haar opstellers.


Tot onze Formulieren van eenigheid behoort, als in wortel van wording het oudste stuk, allereerst de Heidelbergsche Catechismus, die evenals onze Geloofsbelijdenis, afzonderlijk „van |16| God den Vader en onze Schepping” handelt en verklaart, dat „de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus . . . . alle ding uit niet geschapen heeft.”

De vraag is nu: Wat hebben de opstellers van den Catechismus hiermeê bedoeld? Hebben ze bedoeld wat wij beweren, dat de Schepping plaats had door dien God die drieëenig is, of alleen door God den Vader?

Dit kan geweten.

Opstellers toch van dien Catechismus Zijn Olevianus en Ursinus, en beide deze mannen hebben hun gevoelen ten deze in particuliere geschriften duidelijk uitgesproken.

Voor Caspar Olevianus verwijzen we daartoe: 1º. naar zijn Vaste grond, ed. Amst. 1778, Holl. vert., waar we lezen: „Ik geloof dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die door zijnen eeuwigen Zoon, met den Heiligen Geest, hemel en aarde en alles wat daarin is, geschapen heeft,” enz.; en 2º. naar zijn Genadeverbond ed. belg. Gron. 1739. p. 194: „dat de eeuwige Vader met den Zoon en den Heiligen Geest den hemel en de aarde en alle schepsels geschapen heeft”; en evenzoo p. 26 van den Zoon: „Hij schept en onderhoudt alles met den Vader”; en p. 37: „In Gen. 1 : 2 wordt den Heiligen Geest toegeëigent dat Hij met den Vader en den Zoon medegewerkt heeft in de Scheppinge van het Heelal.”

En voor den medeopsteller van den Heidelberger, Zacharias Ursinus, beroepen we ons op zijn Schatboek ed. Gro. 1736, 1. p. 237: „De gewijde bijbelbladen getuigen van de Scheppinge der wereld, dat ze geschapen is van God den Vader, door den Zoon en den Heiligen Geest;” p. 231: „In de woorden „van God den Vader” beteekent de naam Vader ten aanzien van de schepselen het geheele goddelijke Wezen”; p. 232: „Het woord God wordt hier zóó van den Vader gebezigd, dat het van den Zoon en den Heiligen Geest niet afgescheiden wordt”; en pag. 203: „De schepping wordt niet alleen den Vader, maar ook den Zoon en den Heiligen Geest toegeschreven”. En voorts onder op dezelfde pagina: „Alle drie de Personen scheppen dus, edoch ze behouden deze orde in het werken, dat de Vader schept van zich zelven, door middel van den Zoon, de Zoon van den Vader en de Heilige Geest van die beiden.” |17|

Alle twijfel ten opzichte van den Catechismus vervalt dus. „Van God den Vader en onze Schepping, van God den Zoon en onze Verlossing, en van God den Heiligen Geest en onze Heiligmaking” wil niet zeggen, dat alleen de Vader schept, alleen de Zoon verlost, en alleen de Heilige Geest heiligt; maar het beteekent dat de Drieëenige God schept, verlost en heiligt. Gelijk Ursinus op blz. 203 ze noemt: „Werken der Heilige Drieëenheid aan de drie personen gemeen”, maar met een „bijzondere orde en maniere” in derzelver uitvoering. Cf. Loci communes T. I. p. 548 van zijn Opera omnia.

Wat onze Belijdenis aangaat, zoo hebben we van Guido de Brès zeer zeker minder uitvoerige geschriften. Toch kan ook van hem bewezen, dat hij geheel aan onze zijde staat.

Want 1º. neemt hij in zijn Wortel, Oorspronck en Wederlegging der Wederdoopers met volkomen instemming deze woorden van Menno tegen à Lasco over, ed. 1589 p. 72 verso: „Ik belijdt oock dat de Almachtige eeuwige Vader, door dit eeuwighe ende Almachtige Woort, hetwelke de Zoon is, door de cracht zijns eeuwigen en Almachtigen Geestes, den hemel en de aarde geschapen heeft.” En 2º. het blijkt duidelijk uit de Belijdenis zelve. Immers in Art. IX lezen we: „In Gen. 1 : 26, 7 zegt God: Laat ons menschen.maken na onze beelde en na onze gelyckenisse enz.; so schiep dan God den mensche na zijn gelyckenisse. Item. Gen. 3 : 22: Siet, Adam is geworden als onzer een. Daaruit blijkt, dat er meer dan één persoon in de Godheyt is, als Hij seght: Laat ons den mensche maken, na onzen beelde, ende wijst daarna de eenigheyt aan, als hij seght: Godt schiep.”

Daar nu de hoogleeraar Dr. Doedes zelf wel zal toestemmen, dat de God „die den mensch schiep,” dezelfde God is „die hemel en aarde schiep,” en in Art. IX duidelijk staat, dat de God die den mensch schiep, meerdere Personen waren, zoo blijkt dan ook uit Guido de Brès’ eigen stuk, reeds bij oppervlakkige inzage, dat de „schepping van God den Vader”, nooit mag opgevat als ware ze niet de schepping van den Drieëenigen God.

Iets wat ook hieruit volgt.

De verlossing is volgens de Belijdenis niet alleen het werk |18| van den Zoon. Dat is dwaalleer. Ook de Vader en de Heilige Geest verlossen. En evenzoo de heiligmaking is volgens de Belijdenis niet alleen het werk van den Heiligen Geest, maar óók van den Vader en den Zoon.

Toch wordt er in onze Formulieren gesproken van „God den Vader en onze schepping” op één lijn met „van God den Zoon en onze verlossing.” Is dus het tweede niet exclusief bedoeld, dan mag, ook het eerste niet exclusief genomen worden. Maar moet én schepping én verlossing én heiligmaking verstaan als drie onderscheiden werken van den Drieëenigen God.


§ 2. Haar uitvaardigers.


Edoch, de hoogleeraar zou kunnen tegenwerpen: „Wat heb ik met Olevianus, Ursinus en die andere auteurste maken; niet zij, maar de Synoden van Antwerpen en Dordt gaven aan die Belijdenis vorm en gezag. Indien dus Junius, Gomarus, Walaeus, Polyander, Voetius, en wat theologen meer aan dien arbeid der uitvaardiging deel namen, het anders bedoelden, gaat nog altijd mijn opinie door!”

Billijk zouden we zulk een oordeel niet vinden; maar goed, neem het een oogenblik aan, en laat ons dan eens onderzoeken, wat er over deze quaestie gedacht en geoordeeld is, nu niet door de opstellers, maar door genoemde uitvaardigers van onze Confessie.

We beginnen met Junius, als den theoloog par excellence van het Antwerpsche Synode.

Ziehier dan wat Franciscus Junius schrijft. We geven twee citaten:

a. „De scheppende oorzaak van de schepping is Elohim, d.i. de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Want de Schepping is het werk des Drieëenigen Gods, ad extra, en deswege ondeelbaar en ononderscheidbaar, d.i. aan de drie personen gemeen” 4).

En b. „De grondoorzaak der Schepping is God, als het beginsel |19| aller dingen, dat naar buiten werkt, beweging voortbrengt, zelf model is en einddoel, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, in Wezen één en drie- in personen” 5).

Duidelijker nu kan het toch al niet. Dr. Doedes zelf zal moeten toestemmen, dat Junius, de eerste theoloog van naam, die de Belijdenis hielp vaststellen, de Belijdenis zou hebben moeten verwerpen, als hij er in gelezen had wat Dr. Doedes er in leest, en er niet in gelezen had, wat wij er in lazen.

Maar ook de theologen der Dordsche Synode willen we hooren.

Ga de allerkundigste dezer schaar van kundige mannen eershalve voorop! En wat zegt dan Gijsbertus Voetius?

Zie het in zijn Selectae Disp. Tom. I. p. 555. Waar het heet: „De werkende oorzaak der Schepping is God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” „Efficiens causa creationis est Deus pater, filius et spiritus sanctus.”

In gelijken zin zegt de hoogleeraar J. Polyander in Syn. pur. theol. p. 83, ed. Leiden 1881: „Hoc opus creationis Deo Patri, Filio et Spiritus Sancto communiter aseribimus cet” d.i.: Het werk der Schepping schrijven wij aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest gemeenschappelijk toe, omdat alle werken Gods ad extra ondeelbaar zijn, evenals in alle werken, zoo ook in het werk der Schepping de wijze en volgorde verschilt, want de Vader heeft de wereld geschapen uit zich, door den Zoon en den Heiligen Geest; de Zoon schiep uit den Vader door den |20| Heiligen Geest; en de Heilige Geest schiep uit den Vader en den Zoon 6).

De hoogleeraren Walaeus en Thysius hebben, gelijk men weet, dit gevoelen van Polyander onderteekend. Ook uit hiffi werken afzonderlijk te citeeren, zou dus overtollig zijn.

Maar wel mogen we er Dr. Jacob Trigland, na Voetius misschien den geleerdsten, althans den heldersten. der Dordsche vaderen bijvoegen, die in zijn Antapologia p. 598 schreef: „De almachtige en eeuwige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, is krachtens het feit, dat Hij ons geschapen heeft, onzer aller Heer.”

En om nu bovenal Franciscus Gomarus niet weg te laten, deze scherpzinnige godgeleerde zegt op blz. 34 van zijne Disputationes Theologicae: „Het scheppen is een werk Gods, dat, omdat het vrijwillig is, als uitgevloeid uit zijn geheel vrijmachtig decreet, niet aan één der drie personen toekomt, maar aan alle drie gemeen is, omdat het één en dezelfde God is” 7).


§ 3. Haar uitleggers.


En zien we nu ten slotte nog, hoe het in de derde plaats staat met de commentatoren ofte Uitleggers van de Belijdenis. En dan zal blijken, hoe ook dezen al eveneens het Art. XII in onzen geest, en niet in dien van Dr. Doedes, verklaren.

Ze zijn drie in aantal: Maresius, Rotterdam en Bekker: |21|

A. Rotterdam dan vraagt in zijn Zions Roem en Sterkte of verklaring van de 37 artikelen. Amst. 1755, Tom, I. p. 354: „Wie is dan de Schepper van hemel en aarde? Antw. God en wel de drieëenige God, want alle de werken Gods ad extra zijn aan de drie Personen gemeen.”

En Maresius schrijft in zijn Foederatum Belgium orthodoxum ed. 1652 p. 162: De personen van de Drieëenheid hebben tot het Scheppingswerk samengewerkt, niet door elk het hunne er aan toe te brengen, maar tegelijk en ongedeeld, terwijl innerlijk die orde stand hield, waarin zij zich in het eeuwige Wezen bevinden. Nec concurrerunt Personae Trinitatis ad Creationem, unoquoque conferente quod suum est, sed simul et indivisim, manente eo ordine intrinseco quem habent inter se.”

Dat we van Balthasar Bekker, den derden theoloog, die de Belijdenis toelichtte, voorshands zwijgen, zal ook in de oogen van Dr. Doedes, wel om goede redenen zijn. We komen aan het slot van onze artikelen, gelijk men zien zal, nog op dezen zonderling om „sonderlinge redenen” terug.

Van de eindelooze reeks van Catechismus-uitleggingen bepalen we ons tot een drietal.

Gellius de Bouma schreef in 1644, IX Sondagh, 26 Vraghe, pag. 56: Heeft Godt den Sone de werelt oock niet gheschapen? Antw. Ja: Joh. 1 : 10. De werelt is door hem gemaeckt; ende vers 3: Alle dinghen zijn door het selve gemaeckt, ende sonder het selve is gheen dinck ghemaeckt dat gemaeckt is. Siet Coloss. 1 vers 16, 17. Heb. 1 vers 2, 3. Vr.: Heeft Godt den Heilighen Gheest oock alles gheschapen? Antw. Ja, Psalm 33 : 6: Door het woort des Heeren zijn de Hemelen ghemaeckt ende door den Geest zijns monts alle haer heyr. Siet Genes. 1 : 2. Vr.: Sijnder dan drie Scheppers? Antw. Neen; maer dese drie zijn die eenige God Almachtighe Schepper des Hemels ende der Aerden.”

Groenewegen schreef in 1706 p. 161: „Hoe troostelijk is het dan dat geheim van de Heilige Drieëenheid in het werk der Schepping te verstaan en te weten dat ook onze Verlosser, mitsgaders de Geest, onze Schepper is.”

En Vermeer in 1749, I. p. 195: „Dat dit werk der Schepping |22| den Vader wordt toegekend, dit moet niet verstaan worden met uitsluiting van den Zoon en den Heiligen Geest, want de werken Gods naar buiten zijn de drie goddelijke personen gemeen.”

Zoo ziet dus, niet alleen elk theoloog, maar ook elk leek, dat 1º. de opstellers van onze Formulieren, 2º. de uitvaardigers, en 3º. de commentatoren van onze „eenigheidsteekenen” rechtstreeks Dr. Doedes’ opvatting weêrspreken, en de onze bevestigen.


II. De Gereformeerde Godgeleerden.

§ 1. Voor de uitvaardiging der formulieren.


In de tweede plaats hebben we nu aan te toonen, dat niet enkel de opstellers, uitvaardigers en uitleggers van onze Formulieren, maar insgelijks geheel het corps van godgeleerden, in wier Schriften wij het wetenschappelijk bewustzijn der Gereformeerde kerken vinden uitgesproken, endat zoo voor als na Dordt, er evenzoo over dachten.

En dan beginnen we met te wijzen op Theodorus Beza, die in zijne Opera omnia ed. Genevae, 1585 p. i. zich aldus uitlaat: „Sic tribus Personis, Patri, Filio, Spiritui Sancto, suas distinctas proprietates tribuimus, ut quod attinet ad creationem ceteraque omnia ad essentiam ipsam Dei pertinentia, nec Filium nec Spiritum Sanctum a patre separemus.” D.w.z. „Voor zoover we toch aan Vader, Zoon en Heiligen Geest onderscheidene eigenschappen toekennen, doen we dit altoos met dien verstande, dat we noch den Zoon noch den Heiligen Geest van den Vader scheiden, voor zooveel de Schepping en alle overige werken, die van het goddelijk wezen uitgaan.”

Dan kome Petrus Martyr, in zijn Loci communes Tom. I. |23| p. 749. Basileae 1580, als hij zegt: „Etsi enim opera Trinitatis quod ad interna attinet, sint singularia, qualia sunt generare, spirare, procedere (ista enim fiunt a vi divina quae tribus personis communis est) tamen ea quod ad externa attinet, sunt indivisa.” „Want ofschoon de werken van den Drieëenigen God, voor zoover ze in het eeuwige leven besloten zijn, onderscheidenlijk aan de bijzondere personen toekomen, zoo zijn ze daarentegen ongedeeld voor zoover ze naar buiten werken, en dat wel omdat ze tot stand komen door die goddelijke kracht, die aan alle drie de personen gemeen is.”

Na hem nemen we den ouden Wolfgang Musculus, in wiens Loci Communes ed. Basel 1571, we p. 11 lezen:

„Cum autem dicimus solum ipsum opificem Deum eximi, ne inter creata numeretur, non sic intelligendi sumus, quasi solam patris personam eximamus: filium vero et spiritum sanctum includamus et cum creaturis coniungamus: id quod Ariani fecerunt, qui verbum Dei factum a Deo dixerunt, et Macedoniani, qui Spiritum Sanctum inter creaturas Dei numerarunt. Nam opera sacrae Triadis sunt inseperabilia. Cum pater omnia creasse dicitur, nou debet excludi verbum, per quod: nec spiritus sanctus, cum quo condita sunt omnia.”

D.w.z. „Dit zeggen echter, dat alleen God als de Maker is uitgezonderd, dat Hij niet onder de schepselen gerekend worde, moet niet zóó verstaan, alsof alleen de persoon des Vaders zou uitgezonderd zijn. . . . Want de werken der Heilige Drieëenheid zijn onafscheidelijk, en als men zegt dat de Vader alle dingen geschapen heeft, mag noch het Woord waardoor noch de Geest waarmeê alle dingen geschapen zijn, worden uitgesloten.”

Na Musculus kome Henricus Bullinger, die kort en kernachtig als opschrift boven zijn verhandeling van de Schepping schreef, in zijn Compend. Christ. relig. ed. 1569 p. IV: „Deum unâ esse substantiâ, trinum personis, creatorum et gubernatorem coeli ac terrae.” D.w.z. „Dat God, één in Wezen en drievuldig in Personen, de Schepper en Regeerder is van hemel en aarde.”

Voorts Andreas Hyperius, de beste Encyclopaedist dier dagen, gaf in 1567 zijn Methodi Theologiae Libri VI uit, waarin hij Lib. 1. p. 221,2 schreef evenzoo: |24|

„Ad haec sunt opera Trinitatis inseparabilia: quamobrem ubi pater, ubi filius, ubi Spiritus Sanctus, tres in una essentia divina personae simul sunt ad negotium creationis cooperatae, quomodo intelligentur immensa sua virtute non potuisse universa ex nihilo condere. Passim autem Pater creator describitur. De filio Johan 1 ad Coloss. I ad Hebraeos 1 cet. alibi diserte legimus, quod per ipsum onmia creata sint, ante saecula. Spiritum Sanctum creatorem expressit Psal. 33. Verbo Domini coeli firmati sunt, inquit, et Spiritus oris ejus omnis exercitus eorum. Unde August. libro de Genesi ad literam cap. 6. „Spiritum sanctum sanctificatorem et vivificatorem creationis” appellare non dubitat. Videlicet ab opere creationis nulla excluditur persona, ut tanto justius omnis materia praejacens excludatur.”

Wat zeggen wil: „Bovendien zijn de werken der Drieëenheid niet te scheiden, zoodat waar de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie personen in het éene Goddelijke Wezen saâmwerken in het werk der Schepping, zelfs het scheppen uit niets niet boven hun macht gaat . . . . Zoodat van het werk der Schepping geen enkele der drie Personen wordt buitengesloten, opdat alle eeuwigheid der stof te krachtiger geweerd zou blijven.”

Dan de fijnste en scherpzinnigste dogmaticus onzer kerk uit dien tijd, Hieronymus Zanchius. Hij putte zich in zijn 5 boeken De Trinitate of de Tribus Elohim et de uno Jehovah, exegetisch uit in het staven van Lombardus’, eerst door Calvyn en Rivet verlaten opinie, dat „Elohim” in Gen. 1 : 1 het grondbewijs voor het mysterie der Drieëenheid zou liggen. Of die exegese juist was, blijve nu buiten geschil, ons is het alleen te doen om te weten, of ook Zanchius de Schepping uit God Drieëenig afleidt. En daarvoor nu verwijzen we naar zijn Opera Omnia, ed. 1603. Tom. III. de Operibus Dei. Pars. I. l. i. c. II. p. 12, waar het heet:

„Caeterum ego, ut ante dixi, tametsi nonnulli nobis adversentur, affirmare tamen non dubito, Mosem nomine Elohim in primo versu intellexisse, non solum Patrem, sed etiam Filium et Spiritum Sanctum: eoque voluisse docere Mundi creatorem fuisse Patrem sumul cum Filio et Spiritu Sancto.” |25|

D.i. „Al spreken velen mij tegen, toch twijfel ik voor mij zelven niet, of Mozes duidt met Elohim den Vader, den Zoon en den H. Geest aan, en geeft alzoo te kennen, dat de Schepper van hemel en aarde de Vader tegelijk met den Zoon en den H. Geest geweest is. Waar hij duidelijkheidshalve nog aan toevoegt: „dat deze drie in het scheppen slechts één Jehovah geweest zijn” 8). Ook nog op p. 18: „Zoo dat we onder den naam van Jehovah Elohim dien ontzachlijken en eeuwigen God verstaan, den Vader, den Zoon en den H. Geest” 9).

Denk almeer aan A. Diest, die in zijn Loci p. 49 schrijft: „Creatio a deo patre, filio et spiritu sancto facta est”. D.i.: „De schepping greep plaats door God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest,” en niet minder aan Joh. Henr. Alstedt, die op bl. 231 van zijn dogmatiek zich dus uitliet:

„Mundus a deo patre per filium et spiritum sanctum est conditus. Sed nomen creatoris est essentiae, non tres sunt creatores.”

D.i. „De wereld is door God den Vader geschapen, door den Zoon en den Heiligen Geest. Maar de Scheppersnaam raakt het wezen; dus zijn er geen drie Scheppers.”

Waar dan uit onze Leidsche Academie nog twee overbekende namen mogen bijkomen, de ééne van vóór, de andere van tijdens de uitvaardiging onzer Formulieren, t.w. Lucas Trelcatius en Andreas Rivet.

Lucas Trelcatius Junior schreef in zijn Opuscula Theologica, na zijn dood in 1614 te Leiden uitgegeven:

Personae in Creatione operantes tanquam Causae, prokatarktikÐ |26| Pater est, DjmiourgikÑ Filius; teleiotikÑ Spiritus Sanctus.”

D.i. „In het werk der Schepping is de voorbereidende oorzaak de Vader, de vormende oorzaak de Zoon en de ten doel leidende oorzaak de Heilige Geest.”

Terwijl Andreas Rivet, Walaeus’ tijdgenoot, zoo beroemd om zijn godzalig sterfbed, in zijn Opera omnia 1657 Rott. Tom. I. Exercit. in Gen. p. 5 schreef: Qui dicit Deus creavit idem dicit ac si distincte enunciaret: Pater creavit, Filius creavit, et Sp. Sanctus creavit.” D.w.z. „Als ik zeg: God schiep de wereld, dan is dat precies hetzelfde alsof ik onderscheidenlijk zeg: de Vader schiep, de Zoon schiep en de Heilige Geest schiep. Zoodat wij bevestigend antwoorden op de vraag, of Mozes in Gen. 1 : 1 de Drieëenheid bedoeldheeft. „Affirmative respondemus ad questionem, an his verbis Deus creavit, Trinitatem Moses insinuarit.”


§ 2. Na de uitvaardiging der formulieren.


Ga hierbij Johannes Cloppenburgh, de vooral door à Marck zoo hoog gewaardeerde theoloog, voorop. In zijn Opera omnia 1684. Tom. I. Disp. 3 p. 773, lezen we:

„Ex loco de Mysterio S.S. Trinitatis, praecognoscitur, Creationem quamvis fere tribuatur Patri, ut Personae primae, non nominatis personis aliis, esse tamen opus commune Patris, Filii, Spiritus Sancti ex quo demonstratur tè émooÀsion deitatis Filio et Spiritus S. cum Patre.”

D.i. „Ofschoon de Schepping in zekeren zin aan den Vader als de eerste persoon wordt toegekend, met verzwijging van de andere personen, zoo weten we nochtans uit het mysterie der Drieëenheid, dat de Schepping een gemeenschappelijk werk was van Vader, Zoon en Geest.”

Franciscus Ridderus, Sevenvoudige Oeffeningen, ed. 1671, vraagt Sondagh IX, Vrage 26 I blz. 218: „Is God alleen de Schepper van Hemel en Aerde, ende dat alleen Godt de Vader?” en antwoordt: „Scheppen is alleen Godts werck, dewijle het is een werck van Godts Almachtigheyt. Doch de Sone ende de Heylighe Geest, als sijnde deselvighe Godt met den Vader, hebben oock de wereldt gheschapen.” |27|

Johannes Hoornbeek, de man met kloeke gestalte en forschen kop, zegt evenzoo kortaf in zijn Miscellanea Sacra ed. 1689 L. II. p. 80: „Deus et solus Deus Trinus creavit ac creare potest.” „Alleen God en wel God Drieëenig schiep en kon scheppen.”

Franciscus Turretin in zijn Inst. theol. Elenchticae, ed. Gen. 1691. Tom. I. p. 479, zegt: „De Zoon met den Vader en den H. Geest is de eenige en algeheele oorzaak van de Schepping;” „unicam causam totalem creationis constituit.”

Benedictus Pictet, Hollandsche vertaling van zijn Christelijke Godgeleerdheyt, ed. 1738. Tom I. l. V. c. 3. p. 306, vraagt:

„Nadien wy in de voorgaande boeken gezegt hebben, dat ’er drie Perzoonen in de Drie-Eenheid zyn, zoo kan ’er gevraagt worden, of de Schepping het werk der drie perzoonen, of van één perzoon is?” — en antwoordt: „Indien wy met de Schrift, die ons rigtsnoer is, te raade gaan, zullen wy vinden, dat de drie Perzoonen, die een zelve bestaan hebben, in dit werk zyn te zamen gekomen. ’Tis waar, de Schepping word byzonderlyk den Vader toegeëigent, gelijk de Verlossing den Zobne, en de Heiligmaking den Heiligen Geest. Maar deeze zelve Schepping wordt nogtans den Zoon en den Heiligen Geest toegeschreven.”

Joannes à Marck, in zijn Merch der Chr. Godgeleerdheyt, ed. 1730, p. 201, verklaart bondig en stellig:

„Voorts is de scheppinge, als een Werk naar Buiten, en van Gots Weesenlijke Wijsheit en Macht afkoomende, gemeen aan de Drie Goddelijke Persoonen.”

Heinricus Heidegger, in zijn Mark und Kern d. Christl. Gottsgelehrtheyt, ed. 1734 p. 101, vraagt:

„Wer hat die Welt erschaffen”? — en antwoordt: „Der Drey-einige Gott. Gen. 1 : 1. Ps. 33 : 6. Ef. 4 : 8. Der ist der Schöpffer, der ein Herr ist Himmels und der Erden. Matth. 11 : 27. Im Anfang schuff Elohim in der mehreren Zahl und doch einer. Gen. 1 : 1.”

Petrus van Mastricht in zijn Beschouwende en practicale godgeleerdheid, ed. 1749. Tom I, p. 761 oordeelt: „God Drie-eenig derhalve heeft alles, wat van Hem verscheiden is, uit niet voortgebragt, en dat wel zeer goedt. ’t Welke wij wel allergereedste kennen en weten door het gelove. Hebr. Xl : 3.”

En veel breeder nog op blz. 759; Godt dan alleen zij de |28| Schepper, en de Heer van hemel en aarde, Matth. XI : 25, Hand. XVII : 24 en laat hij door de Schepping onderscheiden worden van alles, Ps. XCVI : 5, als waaruit verstaan en doorzien wordt zijne eeuwige, zoowel kracht als goddelijkheit, Rom. I : 20. Godt, zegge ik, Vader, Zoon en Heiligen Geest, die hiervandaan begrepen worden onderling te beraadslagen, Gen. I : 26. Laat ons menschen maken; en ook daarom Makers en Scheppers genoemt worden, Jes. LIV : 5, Job XXV : 10, Ps. CXLIX : 2, Pred. XII : 1; ja ook wordt de schepping deswegen aan de bijzondere Personen elk in het bijzonder toegeëigent, aan den Vader, Matth. XI : 25, Hand. IV : 24, 1 Kor. VIII : 6, Hebr. 1 : 2 ; aan den Zone, Joh. 1 : III, Efez. 1 : 3, Job XXVI : 12, Ps. CIV : 30 en XCV 5, vergeleken met Hebr. III : 7, 9. Zoodat niet volstrekt geheel en al buiten de zaak Basilius (de Spir. S. Lib. 8. cap. 16) den Vader noemt prokatarktikÑn, de eerste bewegende oorzaak van de Scheppinge, den Zoon djmioÁrgikÑn de bouwende of makende oorzaak; en de Heilige Geest teleiotikÑn de volmakende of voltrekkende oorzaak, om daarmede te kennen te geven, dat de drie personen niet alleen t’zamen gespannen hebben in en tot het werk der scheppinge; maar dat ook een iegelijk Persoon, naar zijne bijzondere wijze van bestaan, tot dat werk het zijne in ’t bijzonder toegebragt hebbe; dat de Vader, werkende van zich zelven, hetzelve, als ’t ware, begonnen hebbe; dat de Zoon, werkende van den Vader door den H. Geest, hetzelve achtervolgt hebbe; en dat de H. Geest, werkende van den Vader en van den Zoon, hetzelve als voltrokken hebbe.”

Daniel le Roy in zijn Theologia Historico-didactica ed. 1736. Tom. I. p. 480: Voor zoo verre het Christendom, uit de godlijke Openbaringen geleerd heeft, dat de Waarachtige God, een Drie-eenig God, en dit een werk Gods na buiten is, heeft zij hieruit niet ongevoegelijk geoordeelt, dat men dan ook deze scheppinge als een werk van de drie Personen des godlijken Wezens moest erkennen, volgens de nu meermaals bijgebragte zet-regel der godgeleerden, dat „al de werken Gods na buiten, den drie Perzoonen gemeen zijn.” Te meer dewijl ons uit die zelfde Openbaringen, duidelijk blijkt, dat se daar in onderscheidentlijk worden voorgestelt.” |29|

Robertus Aemilius, de bekende opper-regent van het Leidsche Hospitium voor theologen, vraagt in zijn Licht der Waerheyt, ed. 1750. Tom. II, p. 6: „Verstaet gij alleen God den Vader, met uitsluiting van den Zoon en den H. Geest?”; en antwoordt: „Geenszins.”

Snijdend schrijft Hermanus Witsius in zijn Expositio Symboli p. 126. Franeker 1689: „Ex demonstratis invicte colligitur Filii ac Spiritus Sancti eadem cum Patre Deitas. Licet enim Patri, propter rationes alibia nobis assignatas, in Symbolo Creatio attribuatur, naedem tamen Filio quoque et Spiritui Sancto Sacrae Litterae adscribunt. Utrumque eorum frequenter Deum dici constat. Si autem, quum Deus vocentur, coelum et terram non fecerint, illis ex Diis accenseri necesse est, qui perituri sunt e terra et regionibus sub coelo. Jeremia X, 11, quod blasphemum foret.”

Hetwelk overgezet zijnde beduidt: „Uit het betoogde blijkt onweêrlegbaar, dat de Zoon en de Heilige Geest te zamen met den Vader God zijn. Want al is het, dat om redenen vroeger aangeduid, in de apostolische geloofsbelijdenis de Schepping meer bijzonder aan den Vader wordt toegeschreven, zoo schrijft de Heilige Schrift die toch ook aan den Zoon en den Heiligen Geest toe. Het staat vast, beide dikwijls God genoemd worden. Stel nu, de Zoon en de Heilige Geest heetten wel God, maar hadden toch den hemel en de aarde niet geschapen, dan zouden ze behooren tot die goden, waarvan Jeremia zegt, dat ze van de aarde verdwijnen zullen. Wat godlasterlijk ware te zeggen.”

Helder als glas vraagt evenzoo Petrus Nahuys, Kort Begrip p. 66: „Is God de Vader alleen maar de Schepper met uitsluiting van den Zoon en den Heiligen Geest? Neen, de werken naar buiten zijn gemeen aan al de drie personen.”

Eene reeks te besluiten door onzen ouden, trouwen Wilhelmus à Brakel, die in zijn Logikê Latreia, ed. 1757. Tom. I. p. 217 zegt:

„Dewijl God één is, ende de drie Personen de ééne Godt zijn, soo is derselver wille ende kracht één, en alle werk Godts na buyten is den drie Personen gemeen, en is het werk van den Drie-eenigen Godt.” |30|

En er bij voegt:

„Dewijle de Scheppinge is een werk der Heilige Drie-eenigheyt, soo staet er Gen. 1 : 26 Laat Ons menschen maken”, in ’t veelvoudt; Pred. XIII : 1 „Gedenkt uwer Schepperen; Jes. LIV : 5, uwe Makers zijn uwe Mannen.”

Dit voor wat de Gereformeerde Theologen aangaat.

Thans willen we, na eerst de Hervormers te hebben gehoord, ook buiten den Gereformeerden kring treden.

Want wel doet het ons leed, dat we onze lezers zoolang vermoeien moeten, met wat eigenlijk in een tijdschrift thuis behoort. Maar zoolang we een tijdschrift missen, moet de Heraut wel dienst boven zijn rang doen.

Een in een hoogleeraar zoo volstrekt onbegrijpelijke en onverklaarbare miskenning van de eenvoudigste en stelligste gegevens der historische waarheid, als waaraan Dr. Doedes zich hier heeft schuldig gemaakt, mocht niet onweêrsproken blijven, en dient, wordt het weêrlegd, weêrsproken à fond!


III. De Hervormers.

En dan ga, wel niet naar tijdsorde, maar naar drang van dogmatische scherpzinnigheid, Calvijn voorop.

Calvijn nu schreef in zijn Instit. rel. Christ. l. I. c. XIII, § 24: „Ik weet wel, dat heel wat wijsneuzen er den draak meê steken, als ik uit de woorden van Gen. 1 : 26 het onderscheid der Goddelijke Personen afleid, omdat er staat: Laat ons menschen maken; maar elk vroom lezer ziet toch in, hoe onbetamelijk het zou zijn van Mozes, om God aldus sprekende in te voeren, indien er geen meerdere personen in de Godheid waren. Nu staat het vast, dat de Personen, die de Vader hier aanspreekt, ongeschapen personen waren. Derhalve moet men wel toestemmen, dat de Scheppingskracht gemeenschappelijk van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest uitging, of indien niet, dan zou God hier gesproken hebben tot personen buiten |31| zijn goddelijk Wezen” 10). Een klaar oordeel, in het summier op de Institutie aldus geresumeerd; „dat de Schepper niet alleen is de Vader, maar ook de Zoon en de Heilige Geest” 11).

En sterker nog in zijn Inst. rel. Christ. Ed. Brunsvigia, I. p. 64 (ed. 1536), aldus luidend: Quando igitur Deus filius, unus atque idem cum patre Deus est, habemus verum, esse Deum. creatorem coeli et terrae (Hebr. 1) . . . . . Quod autem hie peculiariter coeli ac terrae creator pater dicitur, in causa est ea quam ante diximus proprietatum distinctio, qua ad patrem agendi principium refertur, ut ipse quidem proprie agere dicatur, sed per verbum ac sapientiam suam, sed in virtute sua. Caeterum communem trium personarum actionem fuisse in creando mundo, planum facit vox illa patris (Gen. 1): faciamus hominem ad imaginem et similitudinem qua non cum angelis deliberat, non seipsum alliquitur, sed sapientiam suam et virtutum advocat. D.i. „Daar dus God de Zoon met den Vader één en dezelfde God is, gelooven wij dat Hij de waarachtige God is, Schepper van hemel en aarde (Hebr. 1) . . . . . . De reden echter, waarom hier de Vader in het bijzonder Schepper des hemels en der aarde genoemd wordt, ligt in de vroeger door ons behandelde onderscheiding der eigenschappen; waardoor het beginsel des handelens tot den Vader behoort, zoodat Hij zelf wel in eigenlijken zin gezegd wordt te handelen, maar door zijn woord en wijsheid, maar in zijne kracht. Dat het overigens bij het scheppen der wereld een gemeenschappelijk handelen der drie personen geweest is, wordt duidelijk gemaakt door dat woord des Vaders (Gen. 1): Laat ons den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis; waardoor Hij niet met de engelen in overleg treedt, niet zichzelven aanspreekt, maar zijne wijsheid en kracht er bijroept.” |32|

Iets waarmeê geheel klopt zijn scherpe bestraffing van Valentinus Gentilis in zijn Explicatio perfid. Val. Gentilis. Ed. Amst. Tom. VIII. p. 573 a., waar hij vraagt, hoe de goddelooze man het wel maken zal met de woorden van Jeremia c. 11. vs. 11, dat „de goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, van de aarde moeten verdwijnen.” Want, zoo gaat hij voort, „tenzij ge bepaaldelijk den Zoon Gods lasteren wilt, zult ge moeten toegeven, dat het de Zoon is,wiens godheid Jesaia juist uit de Schepping bewijst. Hoe nu zal de Schepper, die aan alle ding het aanzijn geeft, niet uit zich zelf zijn, maar aan een ander zijn bestaan ontleenen.” „Nisi enini palam maledicere velis Filio Dei, fateri necesse est, illum esse cuius Deitas saepius apud Jesaiam probatur ex mundi creatione. Quomodo autem Creator qui omnibus esse dat, non erit ex se ipso, sed essentiam aliunde quasi primo mutabitur.”

Van Zwingli hebben we, zij het ook kortere, even stellige verklaringen.

In zijn Opera Omnia Tom. IV. b. p. 3, ed. Schulthessiana, 1841, lezen we: „Primo igitur et credo et scio, unum ac solum esse Deum, eumque esse natura bonum, verum, potentem, sapientem, creatorem et curatorem rerum omnium visibilium atque invisibilium; esse patrem, filium et spiritum sanctum personas quidem tres, sed essentiam unam ac simplicem.” Hetwelk beduidt: „Voor alle dingen geloof en weet ik dan, dat er is één eenig God, en dat Hij van nature goed, machtig en wijs is, de Schepper en Verzorger van al ’t zienlijke en onzienlijke; en dat Hij is Vader, Zoon en Heilige Geest, wel drie in Personen, maar een en eenvoudig in Wezen.”

Terwijl voor Luther deze eigenhandig door hem onderteekende uitspraak en belijdenis volsta: „Pater, Filius et Spiritus Sanctus in una divisia essentia et natura tres distinctae personae, sunt unus Deus, qui crearit coelum et terram.” (Artic. Smalcald. Pars I. Art. 1.) D.i. „De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn in één goddelijke wezenheid en natuur en in drie personen onderscheiden, die God, die den hemel en de aarde geschapen heeft.” |33|


IV. De Luthersche Zusterkerk.

Volstrekt niet alleen de Gereformeerde maar ook de Luthersche kerk, zoo beweerden we, staat op dit stuk aan onze zij.

Voor de Luthersche zusterkerk nu als in dit punt met ons volstrekt homogeen, verwijzen we naar Melanchton, Baier, Quenstedt en Buddeus, maar vooraf, wat nog sterker spreekt, naar een stuk Luthersche Symboliek. En wel uit twee bronnen:

1º. Uit de Augsburgsche Confessie, waarvan Art. 1 luidt: „Ecclesiae magno apud nos docent consensu; quod sit una essentia divina, quae est et apellatur Deus, . . . . creator . . . . omnium rerum, et tamen tres sint personae.” D.i.: „Onze kerken leeren eenstemmig, dat er is één eenig goddelijk Wezen, dat God is en genaamd wordt, de Schepper van hemel en aarde, en dat er nochtans drie Personen zijn.”

En 2º. in de Smalcaldische Artikelen leest men in Art. 1. „Pater, Filius et Spiritus sanctus, in una divina essentia et natura, tres distinctae Personae, sunt unus Deus qui creavit coelum et terram.” D.i. „Vader, Zoon en Heilige Geest, drie onderscheiden personen, in één Wezen, zijn saâm die ééne God, die den hemel en de aarde geschapen heeft.”

Een sterk sprekend artikel, let wel, onderschreven door niemand minder dan door Luther (gelijk we reeds aangaven) door Jonas, Bugenhagen, Spalatinus, Melanchton, Osiander, Myconius, Cruciger, Amstorf, Urbanus Regius, Aepinus, en kortom door alle oude echte Luthersche godgeleerden.

Voorts zij voor Melanchton zelf nog verwezen naar zijn Commentaar op Joh. 1, 2. waar hij zegt:

Tenenda est regula pia et utilis, creaturas omnes a tota divinitate, ab aeterno Patre, Filio et Spiritu Sancto pariter conditas esse.”

D.i. „Men houde vast aan de goede en vrome belijdenis, dat alle schepselen door geheel het goddelijk Wezen, van eeuwigheid en gelijkelijk door Vader, Zoon en Heiligen Geest geschapen zijn.”

En naar zijn Loci praec. theolog. ed. 1555. p. 57: |34|

„Quod videlicet Deus aeternus pater Domini nostri Jesu Christi, una cum Filio coaeterno, et Spiritu Sancto, condiderit ex nihilo coelum et terram, angelos et homines, et omnia reliqua corpora. Sic de Filio dicitur, Joan. 1. Omnia per ipsum (sc. Filium) facta sunt et de Spiritu Sancto creante dicitur Psal. 22. Verbo Domini coeli firmati sunt, et spiritur oris ejus omnis virtus eorum.”

Hetwelk beduidt:

„De eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus heeft te zamen met zijn mede eeuwigen Zoon en den Heiligen Geest uit niet den hemel enz. geschapen, enz.”

Johann Wilhelm Baier schreef in zijn Compendium theolog. positivae, ed. 1739. p. 204:

„Quod ad causas creationis attinet, facile constat, Deum Triunum esse causam efficientem principalem.”

D.i. „Wat de oorzakelijkheid der schepping aangaat, zoo staat het vast, dat de Drieëenige God is de principale en uitwerkende oorzaak.”

Waar we nog bijvoegen Buddeus, in zijn Instit. theolog. ed. 1723, p. 354, die getuigt:

„Sicut autem Deus est pater, Filius et Spiritus Sanctus, ita non tantum Pater, sed Filius quoque ac Spiritus Sanctus, seu omnes trinitatis personae, mundum crearunt. Hinc et in scriptura sacra non tantum patri, Rom. XI, 36 et I. Cor. VIII, 6, sed et filio, Joan. I, 3. Ephes. III, 9, Colos. I, 16. Hebr. I, 2, atque Spiritui Sancto, Gen. I. 2. Psalm XXXIII, 6. Job. XXXIII, 4. tribuitur. Quod non ita capiendum, ac si pater filio aut Spiritu Sancto, tamquam instrumento usus sit, sed, quod filius ac Spiritus Sanctus, non minus quam pater, propria virtute, cum patre, mundum condiderit.”

D.w.z. „Gelijk nu God is „Vader, Zoon en H. Geest”, zoo heeft dan ook niet alleen de Vader, maar ook de Zoon en de H. Geest, of alle personen van de Triniteit saâm, de wereld geschapen. Cf. Rom. XI : 36 enz. Wat niet zoo moet verstaan alsof de Vader den Zoon of den H. Geest als instrument gebezigd hadde, maar in zulk een zin, dat de Zoon en de H. Geest, niet minder dan de Vader, uit eigen vermogen, de wereld geformeerd heeft.” |35|

Geheel hetzelfde wat reeds Quenstedt in dezer voege had uitgedrukt: „Creatio est actio dei unitrini externa”, of ook: „Causa creationis principalis efficiens est solus Deus trinus”. D.i. „De schepping is een uitgaande daad van den Drieëenigen God”, of ook: „De principale, bewerkende oorzaak van de Schepping is God Drieëenig”. Cf. Luthardt Komp. der Dogm. p. 91. En vooral Villmar Dogmatik 1874, I. p. 237,8.


V. Godgeleerden uit de Middeneeuwen.

Hoewel het strikt genomen, volstrekt niet behoefde, willen we ons toch de moeite geven, om ook uit de Theologie der oudere theologen en kerkvaders wier schriften aan de Theologie der hervormers voorafgingen, de onhoudbaarheid van prof. Doedes’ beweren op historisch terrein aan te toonen.

We kiezen daartoe den weg, waarlangs men ruggelings terugloopt. Niet van Augustinus naar Aquijn, maar van, Aquijn naar Augustinus.

Er moet toch niet kunnen gezegd worden, dat we hier met een scholastieke spitsvondigheid te doen hebben, eerst in den strijd der Scotussen en Thomassen opgekomen. Dat schermen met „scholastiek” en dat schimpen op „schoolsche godgeleerdheid” is in veler min geoefend oog nog een zoo duchtig wapen, dat het veiligst is, kortweg uw stelling buiten dit schot te brengen.

En dit nu zal in ons geval geschied zijn, indien we uit een reeks getuigen zien laten, dat de bewuste dogmatische afronding van dit leerstuk volstrekt niet eerst in den bloeitijd van het Scholasticisme valt, maar reeds lange eeuwen vooraf, in de bloeiperiode der Augustijnsche godgeleerdheid gereed was gekomen.

Luisteren we daartoe eerst naar de stem, die uit de middeneeuwen tot ons komt.

En staan we nu, met dat doel, het eerst de Summa Theologiae |36| van Thomas van Aquino op, dan vinden we daar in Part. I, Tom. I, Quaest. 45, Art. 6 ed. Neapoli 1762, al aanstonds de stellige, met die van Calvijn schier gelijkluidende verklaring:

„Et ideo creare convenit Deo secundum suum esse, quod est eius essentia, quae est communis tribus personis. Unde creare non est propriam alicui personae, sed commune toti Trinitati.”

D.w.z. „Scheppen is een daad, die aan God toekomt naar het Zijn, hetwelk is zijn Wezen, welk wezen toekomtaan de drie Personen. Reden waarom het scheppen niet de daad van een enkelen Persoon is, maar een daad gemeen aan de geheele Drieëenheid.”

Voorts op p. 431 de meening der Lullistae besprekend, die op het voetspoor van Raymundus Lullus leerden: in elk schepsel is een deeltje schepsel uit den Vader, en een deeltje schepsel uit den Zoon en een deeltje schepsel uit den Heiligen Geest, komt Thomas nogmaals op de quaestie terug en verklaart nogmaals met een beroep op het Concilium Lateranense onder Innocentius III: „Ecce quod concilium vult, opus creationis indivisum esse opus totius Trinitatis.” D.i. „Zoo ziet ge dus hoe juist de kerkelijke vergadering er nadruk op legt, dat het werk der Schepping een ongedeeld werk van de geheele Drieeenheid is.” — Iets wat hij, en terecht zoover trekt, dat hij zelfs van de stem op Thabor, de duive bij den Doop, en het vleesch der menschwording, met zooveel woorden zegt: „Ecce, quod tota Trinitas creat, etiam ipsa, de quibus minus videbatur, quae sunt vox illa, caro illa, columbus et linguae”. D.i. „Zoo ziet ge hoe altoos de geheele Drieëenheid de Schepper is, ook waar ge dit minder vermoeden zoudt, zooals bij die stem, dat vleesch, die duive, enz.” Thomas’ grond hiervoor is voorts dezelfde, dien we dusver bij alle theologen vonden. Cf. p. 431b: „Opera ad extra Trinitatis omnia indistincta esse, i. e. convenire toti Trinitati”. D.i. „dat de werken der Drieëenheid naar buiten, ad extra, altijd ononderscheiden zijn, d.w.z. gemeen zijn aan de geheele Drieëenheid.” Want, zoo voegt hij er bij, „uti sapienti cuique patet”, d.i. „zooals ieder wijs man terstond inziet, heeft de onderscheiding der Personen alleen betrekking op hun werking in het Wezen, niet op hun werking naarbuiten”. |37|

Van Thomas van Aquino, die in 1274 stierf, springen we met ruim een eeuw terug op Petrus Lombardus, die in 1164 ten grave ging. Deze „magister sententiarum” drong schier nog dieper in de quaestie door en zocht in zijn Sententiarum libri IV. ed. Venetiis 1563. Lib. I. dist. 3. F., zelfs de vraag te beantwoorden, welke sporen van de Drieëenheid er in den geschapen mensch vindbaar waren. Hij beriep zich daarbij op Augustinus, die in zijn De Trinitate l. 6. geschreven had: „Uit de geschapen dingen moet de Schepper, d.i. de Drieeenheid kenbaar zijn, zoodra wij de geschapene dingen verstaan. (Oportet ut Creatorem per ea quae facta sunt, intellecta, conspicientes, — Trinitatem intelligamus); en zegt dan zelf: In creaturis praelucet vestigium Trinitatis. In ille enim Trinitate summa origo est omnium rerum . . . . Per considerationem itaque creaturarum unius substantiae Trinitatem intelligimus scilicet imum Patrem, a quo sumus, et Filium per quera sumus et Spiritum Sanctum in quo, sumus.” D.w.z. „In de schepselen zelven schittert nog het spoor van de Drieeenheid. Want in die Drieëenheid is de oorsprong aller dingen, zoodat we door de beschouwing van het geschapene opklimmen tot de Drieëenheid, die eenswezens is, t.w. den Vader uit, den Zoon door, en den Heiligen Geest, in wien we zijn.”

Ter voorkoming van alle misverstand voegen we hier nog opzettelijk bij, dat alle werken ad extra zoo stellig ook door Lombardus aan de geheele Drieëenheid worden toegeschreven, dat hij, in overeenstemming met alle goede theologen, ook de Vleeschwording, hoewel ratione ordinis het werk des Zoons (gelijk de Schepping ratione ordinis het werk des Vaders is) niettemin voor een werk van de geheele Drieëenheid verklaart. Cf. lib. II. dist. 4 litt. A.

En van Petrus Lombardus eindelijk dalen we af op Bernhard van Clairvaux; die elf jaren vroeger (1153) stierf; en in wiens Opera Omnia, ed. Parisiis 1690. Tom. II. p. 244 we lezen:

„Porro si de natalibus ejus agitur; cum Trinitas Deus hominem crearet ad imaginem suam, quamdam in eo formavit Trinitatis sinulitudinem, in qua et imago Trinitatis creatricis reluceret; et per quam novus ille mundi incola, siinili naturaliter ad simile recurrente, principio suo, creatori suo |38| indissolubiliter inhaereret, si vellet; ne multiplici ereaturarum varietate illecta, abstracta, distracta, creata illa trinitas inferior a summa et creaticis Trinitatis unitate recederet.”

D.i. „Toen de Drieëenige God den mensch naar zijn beeld zou scheppen, schiep Hij in hem zekere gelijkheid met zijn Drieeenig wezen, iets waarin het beeld van den Schepper, d.i. den Drieëenigen God, uitblonk; tengevolge waarvan de nieuwe bewoner dezer aarde, door het trekken van gelijk naar gelijk vast en onlosmakelijk, zoo hij wilde, aan zijn Schepper kon kleven; en opdat deze geschapene drieëenheid, verlokt en verleid door het geschapene, niet af zou gaan van die Drieëenheid die Schepper was.”

Of, wierp men tegen dat deze woorden strikt genomen van zijn vriend Gulielmus Abbas zijn, luister dan naar wat Bernardus met zijn eigen pen schreef in zijn De diversis, sermo 45. Tom. I. p. 1180. A: „Beata illa et sempiterna Trinitas, Pater et Filius et Spiritus Sanctus creavit quandam Trinitatem ad imaginem suam, animam sc. rationalem quae in eo refert vestigium Trinitatis, quod ex memoria, ratione et voluntate constat.” D.i. „De zalige en eeuwige Drieëenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, heeft toen Hij den mensch schiep een beeld van zichzelf geschapen, t.w. een redelijke ziel, die in zooverre een beeld van de Drieëenheid is, als ze bestaat uit geheugen, rede en wil.”


VI. Kerkvaders uit het Westen.

Ook hier wijzen we op een drietal, Fulgentius, Augustinus en Ambrosius.

Het eerst Fulgentius Ruspensis, die in 533 stierf, en die in zijn Ad Donatum liber unus, c. 8 en 9 ed Venetiis 1696, p. 34, zich aldus uitliet:

„Aequalis est ergo Patri et Filio Spiritus Sanctus, quia Creator est onmium rerum, sicut Pater, et Filius. Aequalis est Patri, et Filio Spiritus Sanctus, qui replet mundum, immensus |39| sicut Pater; et Filius. Aequalis est Patri, et Filio Spiritus Sanctus quia omnium fidelium membra unum templum habet sicut Pater et Filius, Quis autem negare audeat, unam esse divinitatem Patris et Filii et Spiritus Sancti, cum corpora fidelium (quae membra sunt Christi) ipsa sint templum Spiritus Sancti? Trinitas est itaque unus solus creator omnium rerum Deus.”

D.w.z. „Met Vader en Zoon op één lijn staat dus de Heilige Geest, omdat ook hij de Schepper is van alle dingen . . . . . De Drieëenige God is derhalve de God die Schepper is van alle dingen.” En iets verder: „Het is dus één God, Vader, Zoon en Heilige Geest die door zijn almogende goedheid den mensch schiep.”

Dan kome Augustinus, die reeds in den aanvang der 5de eeuw zijn stempel op de theologie van het Westen drukte, en toch zich niet minder beslist op dit punt hooren liet. Hij schreef namelijk in zijn De verbis apostoli sermones. Sermo 30 c. ed. Plantin. Tom. X. p. 131: „Solus enim Creator, Creator Pater, Filius, Spiritus Sanctus, sed trina unitas et una trinitas, sola illa natura immutabilis, incommutabilis, nec defectui nec profectui obnoxia, perfecta, omnimodo immutabilis, sola illa natura.” D.w.z. „Volstrekte onwankelbaarheid, algeheele onveranderlijkheid en onwisselbaarheid, waar noch bij noch af kan, komt alleen toe aan God den Schepper , dat is aan dien Schepper die in Vader, Zoon en Heiligen Geest is.” Een uitspraak, waarmeê men desverkiezend de nog breedere uiteenzetting in zijn De veritate religionis c. 7 vergelijke.

En wane nu niemand dat de belijdenis van God Drieëenig als Schepper daarom iets speciaals van Augustinus zou geweest zijn, want Ambrosius, die reeds in 397 stierf en dus de vijfde eeuw niet meer haalde, had zich in zijn Tractatus ad symbolum Apostolicum, ed. Colon. 1616. Tom. II. p. 45, reeds geheel in denzelfden zin verklaard, toen hij deze merkwaardige plaats terneêrschreef:

„Quidquid autem de spiritu sancto diximus hoc similiter et de patre et filio communiter et indivise volumus intelligi: quia sancta et inseparabilis Trinitas numquam aliquid extra se singillatim operari noverit. Et quo haec magis perspicua sunt, |40| breviter intimabo. Incarnationem verbi Trinitas fecit et tamen non pertinet incarnatio nisi ad verbum. Vocem de coelo super filium post baptismum Trinitas fecit, et tamen non pertinet nisi ad patrem. Inquit enim: Tu es filius meus dilectus. Descensum itidem spiritus sancti supra filium in columbae specie Trinitas fecit et tamen non pertinet nisi ad spirituin sanctum corporali specie sicut columba in ipsum. Quam trium operationem in unitate manentem comprobat B. Apostolus, dicens: Divisiones gratiarum sunt, unus autem spiritus: et divisiones ministeriorum sunt, unus autem Dominus: et divisiones operationum sunt, unus autem Deus, qui operatur omnia in omnibus. Tria haec unam credentibus tribuunt gratiam, quia non ex alia atque alia substantia sunt sanctae inseparabilis Trinitatis personae nec alius operationis. Cum ergo singillatim pater et filius et spiritus sanctus aliquid operari dicuntur, omnia pariter tres personae operantur. Sapientiae enim mundum condidit, Spiritus animavit, et justo pater ordinavit judicio. Ipse Deus justitia sua creaturas in varias distribuit formas et gratia sua ordinante cuncta illius membra incomprehensibiliter disponit, continet et gubernat. Cujus providentiae gubernatio tam justa, tam provida, tam occulta est, ut quae putatur poena medicina sit patienti. Unus ergo Deus in sancta Trinitate consistens, singula haec operatur.”

Wat zeggen wil: „Wat we hier nu van den Heiligen Geest gezegd hebben, dat versta men als evenzoo bedoeld van den Vader en den Zoon, omdat de Heilige Drieëenheid nooit iets ad extra werken kan met onderscheiding van de personen. En opdat dit te duidelijker uitkome, zeg ik in het kort dit: De Drieëenheid heeft de Vleeschwording des Woords gewerkt en toch hoort de incarnatio meer bijzonder tot den Zoon. De hemelstem bij den Doop is door de Drieëenheid gewerkt, en toch hoort die onderscheidenlijk bij den Vader. En ook de nederdaling van de duive heeft de Drieëenheid gewerkt, al viel ze meer bepaaldelijk op den Heiligen Geest . . . . Deze drie brengen aan den geloovige één genade, omdat de drie Personen van de Drieëenheid één in wezen en één in werking zijn. Indien er dus onderscheidenlijk van den Vader, den Zoon of den Heiligen Geest gezegd wordt, dat ze dit of dat doen, zoo doen |41| ze het toch alle drie samen. De eeuwige Wijsheid heeft de wereld geschapen, de Geest heeft haar bezield, en de Vader heeft haar beschikt. Derhalve is het de ééne Drieëenige God, die al deze dingen werkt.”

Vooral deze breede uiteenzetting is opmerkelijk. Reeds bij Ambrosius toch vinden we alzoo reeds in 350 niet alleen de stellige verklaring, dat de Schepping evenals de Vleeschwording een daad van de geheele Drieëenheid is, maar ook reeds den grondslag dier belijdenis, in de verklaring, dat de werken Gods ad extra niet onder persoonlijke onderscheiding vallen.

Waar nog bij zij gevoegd, dat zelfs reeds Cyprianus, in zijn Adversus Noeti haeresin c. 14 aldus zich over het werk der Schepping uitliet: „De Vader beveelt, de Zoon volvoert en de Heilige Geest leert de wijsheid. Bij den Vader is het over alles, bij den Zoon door alles en bij den Heiligen Geest in alles. Want in deze drievuldigheid wordt de Vader verheerlijkt. Immers de Vader heeft gewild, de Zoon volvoert en de Heilige Geest toegelicht. Alzoo leeren het de Schriften.”


VII. Kerkvaders uit het Oosten.

Uit het voorafgaande bleek, hoe volstrekt niet pas de scholastieken, en zelfs niet eerst Augustinus (gelijk Hagenbach ten onrechte in zijn Dogmengesch. beweert, p. 301), maar zelfs reeds Cyprianus, de door ons beleden en tegenover prof. Doedes verdedigde waarheid formuleerde; iets wat ons noopt ten slotte nog de vraag onder de oogen tezien, of deze zelfde belijdenis wellicht reeds uit de oudere Oostersche kerk naar het Westen overkwam.

Dit vermoeden nu vinden we gereedelijk bevestigd.

Niet toch eerst (preudo-) Dionysius Areopagita (wiens dusgenaamd werk omstreeks 530 opkwam) schreef in zijn Hierarchia Ecclesiastica, ed. Antv. plant. 1633 I p. 233: „De eenige fontein van alle goeden en dus aller dingen oorzaak is de Drieëenheid, uit Wien door overvloeiing van goedheid in het zijn én |42| het welvaren der dingen voortkomt”; een getuigenis vooral om het „fontein aller goeden” in onze Geloofsbelijdenis niet van belang ontbloot.

Neen, reeds aanstonds bij Joannes Chrysostomus, vindt ge dezelfde gedachte, waar hij in zijn homilie over de heilige, eenswezende, levendmakende en ondeelbare Drieëenheid (Tom. III. p. 772. ed. 1616) zich aldus hooren liet: „Let toch, bidde ik u, op de getuigenissen omtrent de heilige en eenswezende Drieëenheid, en aanbid haar naar eere, opdat ge niet omkomt! God had immers gezegd: „Laat ons menschen maken.” Tot wien nu had God dit gezegd, en met wien hield Hij toen raad? Met de engelen? Maar de engelen zijn geen beelddragers Gods.” „Neen, Hij sprak aldus tot dien Zoon en dien Heiligen Geest, die met Hem de kunstenaars en werkers van alle ding zijn. Waarom de Heilige Schrift dan ook, doelende op het beeld van de Heilige Drieëenheid, aldus sprak: „En Hij schiep hem naar den beelde Gods.” Een gedachte, evenzoo voorkomende in zijn 5de rede voor de vijfde lijdensweek over „Judas den verrader”, waar het (p. 688) heet: „De Heilige Drieëenheid, die in den aanvang der dingen door haar werking den mensch schiep, is die zelfde Drieëenheid, die in het laatste der dagen den mensch hersteld heeft door het lijden Christi.”

En dat Chrysostomus met deze meening waarlijk in de Oostersche kerk niet alleen stond, zie dat maar b.v. in Cyrillus Hierosolymitanus, die in zijn Catechesis illuminatorum zegt (ed. Bechet, Parisiis p. 84) in cat. X: „Als de Heere zegt „laat ons menschen maken”, dan duidt dit aan dat Hij, die ons schiep, niet alleen God de Vader, is, maar dat we ook schepselen zijn van God den Zoon.”

Reeds Athanasius had in zijn tractaat over de menschwording van het Woord, tegen de Arianen, in c. 13 geschreven: „En als de H. Schrift met opzicht tot den Vader zegt: Heeft niet één God ons allen geschapen? zoo zegt ze evengoed van den Zoon, dat door Hem alle dingen geschapen zijn. En zoo heet het ook van den H. Geest: Neemt Gij hun adem weg, zoo sterven zij, maar zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden ze geschapen.” En waar hij in c. 10 handelt van den lof des |43| Heeren der heirscharen in Jesaja 6 door de engelen toegezongen, omdat de gansche aarde van zijn Scheppingsheerlijkheid vol is, verklaart hij nadrukkelijk: „Deze Heere der heirscharen is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Want er is maar één God in drie hypostasen of personen.” Wat hij in zijn Redenen tegen de Arianen, 4de rede, c. 1. nog nader aldus toelicht: „Alzoo moet men zeggen, dat er maar één beginsel in de Godheid is, en niet twee, waarom er in God dan ook een monarchia, dat is een eenheid van beginselwerking is.” En duidelijker nog in de 2de rede, cap. 21, waar het heet: „Maar indien hetgeen de Vader werkt, ook tegelijk door den Zoon gewerkt wordt, en alsdan, om en om, de dingen die de Zoon schept, dus óók schepselen van den Vader zijn, hoe kan de Zoon zelf dan een schepsel van den Vader zijn?”

Nog omstandiger en dogmatisch scherper omgehreven, vinden we dit onderwerp behandeld bij Basilius Magnus in zijn boek over den Heiligen Geest, opgedragen aan Amphilochius, bisschop van lconium, cap. 16, ed. Antv. 1579, p. 314: „Bij de schepping aller dingen treedt als grondoorzaak, op de Vader, als scheppende oorzaak de Zoon, en als voleindende oorzaak de Heilige Geest, zoodat de geschapen geesten er zijn door den wil des Vaders, door het werk des Zoons, en door de voleinding des Heiligen Geestes . . . . Want er is maar één aanvang der dingen die door den Zoon geschapen en door den Geest voleind zijn.” In zijn homilie over de dieren des velds, c. b. schreef hij in gelijken zin: „God zegt, laat ons menschen maken, zoo hoort ge dan, o Arianen, dat God hier spreekt tot Personen die deelnemen aan het Scheppingswerk, en dus ook tot Hem, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht.” En met den naam Drieëenheid er bij in het 4de boek tegen Eunomius c. 8: „De Vader schept de dingen niet met handen, maar door het werken van het Woord en door de bezieling van den Geest. Wanneer derhalve in den aanvang alle dingen door den Geest geschapen zijn en ze nu weer door den Geest herschapen worden, zoo is dit ééne werking van den Vader, door den Zoon, in den Geest, en de Drieëenheid blijft ongedeeld.” Geheel in gelijken zin als waarin Gregorius van Nazianze, in zijn oratio 38, p. 688 schreef: „Het door den Vader |44| uitgedachte Scheppingswerk is volvoerd door het Woord en voleind in den Heiligen Geest.” Gregorius Nyssaeüs over den Doop (T. III. p. 312, ed. Mor.): „Waarom worden we gedoopt in den naam des Vaders? Omdat Hij is het beginsel aller dingen (rcÑ). Waarom in den naam des Zoons? Omdat Hij is de Schepper (dÑm°ourgov) van alle dingen. En waarom in den naam van den Heiligen Geest? Omdat Hij is de Afwerker van alle dingen (teleiwtikèn).” En Theodoretus van Cyrus, ed. col. 1573. T. 1. p. 5. Quaest. in Genesis 19: „Als er staat: Toen sprak God, duidt dit op de eenheid van het goddelijk wezen, en als er volgt: en toen zeide Hij: laat ons menschen maken, wijst Hij op de veelheid der Hypostasen en Personen.”

Een getuigenreeks, die we sluiten met de opmerking, dat de kerkvaders naar de juiste opmerking van Klee (Dogmatiek II. p. p. 200) in den regel zelfs het Woord, meer nog dan den Vader noemen waar zij den Schepper willen aanduiden, waarbij hij o.a. verwijst naar Justinus, Tatianus, Origenes, Gregorius Thaumaturgus, Eusebius e.a.

Aan deze getuigenreeks zij voorts nog toegevoegd, dat de belijdenis van den Zoon als Schepper reeds in 325 op het Concilie van Niceae is vastgesteld: „Door wien alle dingen geschapen zijn, die in den hemel en die op de aarde zijn”; dat de belijdenis van den Heiligen Geest als Schepper, vificator, zwopoioÂn, op het Concilie te Constantinopel, in 381 werd uitgesproken; dat Damasus, omstreeks 365 het beginsel kerkelijk vaststelde: „dat de drie personen scheppend optraden”, „tres personas omnius rerum causas creatrices aequales esse” ; en dat het Consilium Lateranum bepaalde: „Wij gelooven vastelijk dat de ééne God, Vader, Zoon en H. Geest, de ééne heilige Drieëenheid, de Schepper is van alle dingen, zienlijk en onzienlijk;” gelijk ook het Concilie van Toleto onder Honorius uitsprak: „dat de geheele Triniteit had saâmgewerkt bij de schepping van den mensch.” „Tota cooporata sit Trinitas, ad formationem suscepti hominis.”

Ja, Wat we zelven niet vermoed hadden, zoo vroeg drong deze overtuiging reeds in het bewustzijn der denkende Christenen door, dat reeds in de 2de eeuw door Clemens Alexandrinus in zijn Stromata, Lib. V., p. 598, (ed. Parisiis, 1629) |45| werd geschreven: „Wat Plato zegt van het „al” dat vader en heer is van alle dingen en aller dingen oorzaak, in zijn eerste, in zijn tweede en in zijn derde levensorde, versta ik als doelende op de Heilige Drieëenheid. Want de Heilige Geest is de derde en de Zoon is de tweede, door Wien alle dingen geschapen zijn, op last des Vaders.”


*

Uit het bovenstaande blijkt, dat volgens de constante leer der Christelijke kerk: 1º. de Schepping steeds beschouwd is als een opus ad extra, d.i. „een werk naarbuiten;” 2º. dat alle opera ad extra, of „uitgaande werken Gods” steeds als Wezenswerken, of opera essentialia zijn beleden; 3º. dat alle „Wezenswerken”, overmits aan Vader, Zoon en Heiligen Geest slechts één Wezen gemeen is, als werken der Drieëenheid zijn erkend; en 4º. dat de onderscheidende toekenning in het Symbolum van de Schepping aan den Vader, van de Verlossing aan den Zoon en van de Heiligmaking aan den H. Geest, in het minst niet een afzonderlijk werk van één der Drie bedoelt, om dan beurtelings de overige twee uit te sluiten, maar alleen aanduidt, dat naar de innerlijke oeconomie van het Drieëenig Wezen, beurtelings de Vader in de Schepping, de Zoon in de Verlossing en de H. Geest in de Heiligmaking op den voorgrond treedt. Ratione ordinis, d.i. naar gelang van de wijze waarop het proces van elk dezer drie verloopt; of ook gelijk Comrie het zoo schoon uitdrukt in zijn paraphrase van den Westminsterschen Catechismus: „Daarom wordt de Schepping onderscheidenlijk den Vader toegeschreven, overmits voortbrengen, meest zijn manier van doen is.”

Er bleek tevens, dat deze belijdenis zóó onverbiddelijk streng wordt gehandhaafd, dat zelfs de Vleeschwording, hoewel de Zoon alleen het vleesch aannam, niettemin even onwrikbaar beleden wordt als gewrocht door Vader, Zoon en H. Geest. |46|


VIII. De Remonstranten.

Eere wien eere toekomt!

Zelfs de Remonstranten zijn niet in deze noodlottige dwaling van prof. Doedes vervallen. Vergelijk o.a. Cattenburch, Spicil. theol. Christ. II. 19 p. 216: „Uit het bovenstaande blijkt dat het werk der Schepping aan God, en wel aan God alleen, moet worden toegeschreven. Zie Job 9 : 8, Nehem. 9, 5 enz. Alle welke, hoewel bij den eersten oogopslag alleen op God den Vader doelende, toch volstrekt niet geacht mogen worden in het werk der schepping, den Zoon en den Heiligen Geest uit te sluiten. Wat wel en deugdelijk op te merken is tegenover de Arianen, Dulianen, Manichaeën enz.” Bijna woordelijk, gelijk men ziet, wat de gereformeerde professor Bernard de Moor uitsprak, die in zijn Commentaar op Van der Marck, Tom. III, p. 143, zich in gelijken zin verklaarde, toen bij schreef: „Hoewel de schepping aan de Drieëenheid gemeen is, zoo wordt ze toch vaak meer eigenlijk den Vader toegeschreven. Hier vandaan komt het dat de opstellers van het symbolum de schepping meer bepaald aan den Vader toeschreven, hoewel het niet in hun gedachte kwam, daarom den Zoon of den Heiligen Geest uit te sluiten. Niemand zal hen dan ook deswege berispen.” 12)


IX. Balthasar Bekker.

Neen, niet bij de Remonstranten, maar bij de Arianen en Socinianen moet ge rondzien, om de mannen te vinden, die, |47| omdat ze de Godheid van den Heere Jezus Christus loochenden het ten deze wel met den hoogleeraar Doedes eens moesten zijn.

Of wilt ge één ten minste uit onze eigen kerk, ja, dan is er toch waarlijk één, één meer bekend theoloog onder de commentatoren van ons symbolum, die, ja, waarlijk de opinie van prof. Doedes heeft durven verdedigen. En, die ééne commentator was; neen, niet Dr. Van Toorenenbergen noch ook Ds. Gispen, die beiden de oude waarheid op dit stuk in hun toelichting van de 37 Artikelen handhaafden. Neen, die ééne commentator was te Amsterdam reeds in 1698 overleden, en was niemand minder en niemand anders dan de beruchte Balthasar Bekker, de bekende rationalistische bondgenoot van hen, die het geloof aan Satans inwerking ondermijnden.

Welnu, deze Balthasar Bekker schreef ook een commentaar op onze 37 Artikelen, en daarbij nu toegekomen aan Art. 9, liet hij zich in dezer voege uit: „Dit mag ik niet voorbijgaan, dat men van die laatste Werkingen der drie Personen, die men noemt na buiten, dezen regel in de scholen hielt, dat die na buiten niet gescheiden noch verdeeld en zijn, maar den Personen alle drie gemeen. ’t Welk regelreght strijd tegen d’ uitgedrukte woorden der Belijdenisse, als gemeld: die niet alleenlik dese Werkinge in onsen aansien onderscheid; maar ook wel duidelijk vooraf geseid heeft, dat dit onderscheid der Werkingen ons doet bevinden in ons selve ’t onderscheid, dat tusschen die Personen is. Ja, dat dit wel voorneemelik daaruit te merken zij.

„De Catechismus voert deselfde taal; verdeelende in dat opsight d’ Artykelen van ons geloof in drie: van God den |48| Vader, en onse Scheppinge; van God den Soon en onse Verlossinge; van God den Heiligen Geest en onser Heiligmakinge. En in ’t verhandelen van ieder deel houd sy het selfde onderscheid, en spreekt van anders geen Persoon bij ieders Werk, dan dien dat eerst is toegepast; noch van geen ander Werk bij iegelijk Persoon, dan ’t gene hem geëigend is. So Catechismus als Belijdenis houd zich besonderlik hier aan de Schrift; die nooit van ’t onderscheid der drie Personen spreekt, als met besonder opsight op des menschen staat van saligheid, en Gods huishoudinge met hem; so als uit elk een der Getuigenissen blijkt, die tot bewijs zijn bij gebraght. Waar uit men sien magh, hoe seer de onderwijsinge die meest gebruikt, en so van mond tot mond gevolgd wordt, afwijkt van d’eenvoudigheid der Schriften, en d’ opreghtigheid van d’ openbare leere onser Kerken, begrepen in de Formulieren, die wij onderteekend hebben. Daar houden wij ons veiligst aan, en mijden so met eene d’ oneindige verwerringen en twistingen, die uit d’ afwijkinge hier nu aangemerkt, tot nadeel van der Kerken vrede zijn ontstaan.”

Zoo sprak Balthasar Bekker! En nu, wat dunkt u, lezer! is het niet alsof men professor Doedes hoort!

Welnu, óók deze commentator op onze Belijdenis beeldde zich niettemin in zeer gereformeerd, zelfs beter gereformeerd dan de gereformeerden zelven te zijn, want hij zegt in zijn voorrede (p. 6): „dat hij zich ten volle moge gequeten hebben van het bewijs syner vasthoudendheyt aan alle formulieren onzer leere;” en voegt er, onder beroep op de Schrift, in Art. 7 (p. 112) bij:

„Daar is een ander slagh van menschen, so veel te slaafscher als degene meesterliker zijn van aart. Zij kennen geen Schriftuur als door de kerk; ja sij en kennen (seg ik liever) geen Schriftuur als van de kerk; en door de kerk verstaan sij slechts de Leeraars, op sijn Paapsch. Derselver achtinge, hoe onbekend, en hun getal, hoe klein ook bij hun leven sij geweest, vergrooten sij seer na derselver dood.”

Wat baat het mij gereformeerd te heeten, en na de Schrift alleen sijn leven en geloof te righten; wanneer men ondertusschen geen uitlegginge der Schrift voor goed wil kennen, die |49| niet gemeen is, die van de menigte der menschen en der jaren niet bevestigd is; die niet van tijd tot tijd van hand tot hand also aan ons geleerd is? So iemant daar van af derf gaan, dat heet verdraaijen van de Schrift; alsof d’ uitleggingen der menschen Gods Woord selve waren. Wat is dat anders als de Paapsche Overleveringe te verwerpen, om andere daar voor aan te nemen? Wat helpt ’t dan, de Schrift ten regel des geloofs te stellen, indien ik menschen hooren moet, daar God self tot mij spreekt?”

Van woorde tot woorde alzoo de beschuldiging door Dr. Doedes nu tegen ons ingebracht; dezelfde handgrepen bij Balthasar Bekker, als waarvan prof. Doedes en zijn vrienden zich bedienen tegenover de gereformeerden van thans.

En zegge nu niemand, dat deze Balthasar Bekker, toen door ketterjacht geoordeeld, toch misschien zeer zuiver in de leer is geweest. Want indien de vrienden van prof. Doedes het over dien boeg wilden werpen, welnu, dan zou de Heraut zich op iemand beroepen, die onder prof. Doedes’ vrienden zeker niet de minst kundige is, op prof. Van Toorenenbergen namelijk, die in zijn Commentaar op onze Confessie, op blz. 91 erkende, dat de „kerk onzer vaderen destijds terecht het rationalisme van Balthasar Bekker had afgekeurd.”

Want immers, men weet, die kerkelijke af keuring, waarvan Dr. Van Toorenenbergen erkende, dat ze terecht plaats greep, was niets minder dan eene alleszinsche veroordeeling en ontzetting uit den dienst!


X. De Confessiën der Gereformeerde Kerken.

Met opzet hebben we van de Belijdenis zelve, zoo van onze als van andere gereformeerde kerken, dusver, omdat over háár juist het geschil liep, niet dan terloops gewag gemaakt.

Intusschen zal het goed zijn, eer we ook van onze getuigenreeks afscheid nemen, ook op die Belijdenisschriften zelven nog nader het oog te vestigen. |50|

En wat vinden we dan?

In de Confessie door Zwingli aan keizer Karel V opgezonden heet het reeds in den aanhef: „Vooreerst dan geloof en weet ik dat er is één eenig God, van nature goed, waar, machtig, rechtvaardig, de Schepper van alle zienlijke en onzienlijke dingen, zijnde Vader, Zoon en Heilige Geest, wel in personen onderscheiden, maar één in wezen en eenvoudig;” een volledige bekentenis, waar hij in de paraaf bijschreef: „Belijdenis over de eenheid en drieëenheid Gods.”

In de Confessie door Zwingli kort vóór zijn dood aan koning Christiaan opgezonden, heet het in Art. 21: „Nademaal wij God als bron en Schepper aller dingen bekennen, zoo is het onmogelijk, dat, als we van Vader, Zoon en Heiligen Geest als God spreken, deze of schepselen of onderscheiden zouden zijn, maar dat deze . . . . drie in personen allen saâm één God zijn.”

In de Fransche Confessie van 1559 heet het in Art. 7: „Wij gelooven dat God in drie saâmwerkende personen alle dingen geschapen heeft.”

In de eerste Schotsche Confessie Art. 1: „Wij belijden en erkennen één eenigen God, één in wezen en drie in personen, door wien alle dingen in hemel en aarde geschapen zijn.”

In de tweede Zwitsersche Confessie lezen we Art. 3: „Wij gelooven en belijden, dat God één is in wezen en natuur, de Schepper van alle dingen . . . . En dat deze zelfde God niettemin . . . ondeelbaarlijk in de personen van Vader, Zoon en Heiligen Geest onderscheiden is.”

In de Czengersche Confessie (tegen de Socinianen) belijdt men in Art. 1: „Met der daad en in waarheid belijden we overeenkomstig de Heilige Schriften, dat de waarachtige God een eenig God is, de Schepper aller dingen, . . . . . die zich geopenbaard heeft als Vader, Zoon en Heilige Geest.”

In de Engelsche Confessie van Eduard VI heet het in art. 1: „Er is één eenig waarachtig God . . . aller dingen Schepper, en in de eenheid van zijn goddelijke natuur zijn drie personen van gelijke wezenheid, macht en eeuwigheid, t.w. de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.”

In de Engelsche XXXIX Artikelen van 1562 luidt Art. 1: „Er is één eenig en waarachtig God . . . Schepper aller dingen; en |51| in de eenheid van deze goddelijke natuur zijn drie personen . . . t.w. de Vader, de Zoon en de Heilige Geest . . .”

En om niet meer te noemen, in de Boheemsche Confessie verklaart Art. 3: „Dat God één in goddelijke wezenheid, maar drie in personen is, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest . . . Voorte leeren wij, dat in dezen één en zelfden God de hoogste macht, wijsheid en goedheid rust, dat de werken die Hem alleen toekomen . . . drieërlei zijn, t.w. de schepping, de verlossing enz.”


XI. Onze eigen Confessie.

Geheel nu hiermeê in overeenstemming leert ook de Nederlandsche Confessie,

Ten eerste: in Art. 1: „dat er is één eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, ’t welk wij God noemen”, en dat dit goddelijk Wezen „de zeer overvloedige fontein aller goeden is”; hetwelk de Schepping insluit, want na de schepping aller dingen, heet het als slotsom: „God zag dat het goed was”; terwijl de uitdrukking „fontein aller goeden” samenhangt met de verklaring van de schepping e redundantia bonitatis ipsius, d. i. uit zijne overvloeiende goedheid;

Ten tweede: leert ze voorts, dat dienovereenkomstig dit „ééne goddelijke Wezen” o.a. ook uit zijn Scheppingswerk gekend wordt; (zie Art. 2.)

Ten derde: En en dat alsnu deze zelfde „eenige God”, die „de zeer overvloedige fontein is aller goeden” volgens Art. 1, en o.a. uit zijn werk „de Schepping” gekend wordt, volgens Art. 2, alsnu door ons te belijden is als onderscheiden „in drie personen, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest;” zie Art. 8.

En eerst, na dit nu alzoo in conformiteit met de belijdenis der Christelijke kerk van alle eeuwen op den voorgrond te hebben gesteld, geeft nu voorts, maar ook eerst daarna, onze Confessie; en dat insgelijks in overeenstemming met geheel de Christelijke kerk; alsnu aan, het oeconomisch onderscheid, dat er ratione ordinis in Schepping, Verlossing en Heiligmaking, |52| valt op te merken; waarvan men de citaten zie in prof. Doedes’ opstel.

Deze belijdenis van het oeconomisch onderscheid heft dus zoo weinig de vooraf in Artikel 1, 2 en 8 beleden waarheid (dat de eenige waarachtige God Schepper van hemel en aarde is, en dat deze God-Schepper is de Drieëenige) op, dat veeleer ook in het overige der belijdenis deze zelfde waarheid duidelijk uitkomt.

„Scheppen” is de groote „mogendheid” Gods. Welnu, onze Confessie belijdt dat Vader, Zoon en Heilige Geest „alle drie één zijn in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barmhartigheid” (Art. 8). Ware daarentegen de Vader Schepper en de Zoon of ook de H. Geest niet, dan zou de Vader in mogendheid grooter zijn.

Dezelfde God, die de aarde schiep, schiep ook den mensch, en de Confessie belijdt in Art. 9, dat er in dien God, die den mensch schiep, „meer dan één persoon is”, dit afleidende uit het majestueuse woord: „Laat ons menschen maken!”

„Mozes zegt, zoo heet het in Art. 10, dat God de wereld geschapen heeft en de heilige Johannes zegt, dat alle dingen geschapen zijn door het Woord, hetwelk hij God noemt; de apostel zegt, dat God de eeuwen door zijn Zoon gemaakt heeft; insgelijks dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft.”

God Almachtig is de Schepper van hemel en aarde. Welnu, Art. 10 belijdt dat ook de Zoon is „de Almachtige.”

En eindelijk: ”We gelooven, zegt Art. 12 (niet dat deze „eenige God” door zijn Woord, d.i. door zijnen Zoon; dit toch was foutief overgenomen uit de Fransche Confessie maar) dat de Vader door zijn Woord, d.i. door zijnen Zoon (en dus niet de Vader van den Zoon afgescheiden) den hemel, de aarde en alle dingen uit niet heeft geschapen.”


*

Over de daar aangestipte verandering in Art. 12 nog een enkel woord, omdat Dr. Doedes er een bolwerk voor zijn positie in zoekt.

In de Fransche Confessie stond in Art. 7: „Wij gelooven, dat |53| God in drie saâmwerkende personen, door zijn kracht, wijsheid en onbegrijpelijke goedheid alle dingen geschapen heeft”. Dit was volkomen juist uitgedrukt, omdat hier (in de Fransche Confessie) geen sprake was van de schepping door het Woord of door den Zoon.

Guido de Brès, dit overnemende in zijn Art. 12, wilde er echter, naar zijn gewijzigd bestek, de schepping door den Zoon in brengen. Om hierin te slagen, had hij moeten schrijven: „Wij gelooven, dat de Vader door zijn Zoon”; of ook: „Wij gelooven, dat God door zijn Woord” hemel en aarde geschapen heeft.

Hij schreef daarentegen: „Wij gelooven dat deze eenighe God door zijn Woord, d.i. door zijn Zoon”, en heeft aldus beide denkbeelden min zuiver gemaakt.

Dit bewoog de Synode van 1á66 de fout te herstellen. Ze veranderde daarom „God” in „Vader”, maar liet „door zijn Woord” staan. Een nog altoos onvolkomene correctie, door den hoogleeraar Dr. Van Toorenenbergen, terecht bedenkelijk genoemd.

Maar een nog onvolkomene correctie van een min juiste uitdrukking, waar Dr. Doedes in elk geval niets ter wereld meê wint. Want ook wij belijden immers van ganscher harte met heel de Christenheid, dat 1º. God Drieëenig de wereld schiep; en dat 2º. even deswege „de Vader de wereld schiep door zijn Zoon”; of 3º. dat „God de wereld schiep door zijn Woord”.

Ook al wilde men dus de quaestie uitsluitend met de Confessie in handen, d.i. met die Confessie losgerukt uit haar levensverband, uitmaken, dan nog zou de zaak uitwijsbaar zijn en valt er niets redelijkerwijze tegen de Confessie in te brengen.


XII. „Absurditeyten”.

Maar mag dit?

Gaat het aan, de Belijdenis onzer kerk derwijs los te maken van haar levensmilieu? |54|

Gaat het aan, op de manier van prof. Doedes, de Belijdenis onzer kerken voor te stellen als op zoo uiterst gewichtig punt in lijnrechte tegenspraak met de belijdenis van alle gereformeerde kerken buiten deze landen?

Gaat het aan, de Belijdenis onzer kerk aan te dienen als in rechtstreekschen strijd met de belijdenis der Christenkerk aller eeuwen?

Gaat het aan, de Belijdenis onzer kerk te willen uitleggen in zulk een zin, dat noch haar opstellers noch haar uitvaardigers, haar zouden hebben verstaan?

Maar wat is dit dan voor een belijden, als ik, als kerk, in mijn confessie dan (volgens prof. Doedes) schrijf: „God Drieëenig is niet de Schepper,” en overal elders in mijn schriften ijver voor de waarheid, dat de Drieëenige God wel de Schepper is?

Dat moge aan Byzantijnsche spitsvoudigheid en uitpluizende dialectiek gevallen, de levende kerk van Christus komt tegen zoo levenloos schematisme in heiligen toorne op.

Haar Belijdenis is uit haar leven. Uit het bewuste leven der Christelijke kerk van alle eeuwen. En men mag daarom geen Confessie onzer kerk uitleggen noch critiseeren, zonder op dat historisch levensverband wel terdege te hebben gelet.

Zonder dat is het geen exegese, dien naam waard!

En nu heeft mijn geachte ambtgenoot wel goed gevonden, wat mij om zijnentwil leed doet, neder te schrijven, dat ik mij door mijn verzet „bespottelijk” maak; een term in een wetenschappelijk debat den humanen beoefenaar der wetenschap immers onwaardig. Maar mag ik nu van mijn kant den hoogleeraar Doedes eens wijzen op de „absurditeyten ofte ongerymdheden”, gelijk onze ouden in hun disputen zeiden, waartoe zijn zonderlinge voorstelling leidt?

Hij schreef toch in zijn Critiek op onze Confessie, I. p. 121, deze woorden, waarvoor we zeer bijzonder de aandacht vragen: „Hoe is het toch mogelijk, dat iemand, die eenigermate thuis is in de Schriften des Ouden en des Nieuwen Verbonds, de schepping van alle dingen kan toeschrijven aan den Vader, den Zoon en den H. Geest (= de H. Drievuldigheid)”?

Dit staat er zoo letterlijk. |55|

Men kan het nalezen.

En immers, men mag gelooven dat de hoogleeraar Doedes instaat voor wat hij schrijft.

Welnu, wat volgt hier dan nu uit?

Voor het besef van den hoogleeraar Doedes is het niet te rijmen, dat, iemand, die nog zeggen durft: „God Drieëenig is de Schepper van hemel en aarde”, ook maar „eenigermate thuis zou zijn in de Schrift.”

Nu zagen we intusschen, hoe uit de aangevoerde getuigen bleek, dat de meening van mijn Utrechtschen ambtgenoot (als ware God Drieëenig niet de Schepper) gewraakt, en de onze gesteund wordt:

1. door de opstellers, de uitvaardigers en de uitleggers van onze Formulieren van eenigheid;

2. door de gereformeerde godgeleerden, zoo van vóór als ná de vaststelling onzer Formulieren;

3. door de Hervormers;

4. door de voornaamste scholastieke theologen;

5. door de voornaamste kerkvaders der Westersche kerk;

6. door de voornaamste kerkvaders der Oostersche kerk;

en 7. door de officieele uitspraken der oud-Christelijke, latere Roomsche, Luthersche en Gereformeerde kerken.

Terwijl omgekeerd de opinie van mijn ambtgenoot Doedes staande is gehouden:

1. door de Arianen;

2. door de Socinianen;

en 3. door Balthasar Bekker.

Wat derhalve tot déze ongerijmde conclusie voert: In de Schrift zelfs niet eenigermate thuis waren mannen als à Marck en Brakel, Rivetus en Walaeus, Voetius en Trigland, Junius en Trelcatius, Hyperius en Zanchius, Calvyn en Bullinger, Luther en Melanchton, Zwingli en Musculus, Thomas en Lombardus, Bernardus en Fulgentius, Augustinus en Ambrosius, Basilius en Chrysostomus, Athanasius en Clemens van Alexandrië!

Alle dezen waren in de Schrift zelfs niet eenigermate thuis; — en de mannen daarentegen die de Schrift goed en wel en deugdelijk begrepen hebben, dat waren . . . . . de Arianen, |56| de Socinianen, . . . . . Balthasar Bekker . . . . . en Dr. Doedes!

Reeds toen de Critiek, waarin deze vreemde uitspraak te lezen staat, uitkwam, wees ik op die onhoudbare zinsnede, maar meende toen, dat Dr. Doedes slechts uit onbekendheid met de feiten alzoo geschreven had. We dachten: indien Dr. Doedes geweten had, wat de opinie der Christelijke kerk door alle eeuwen was, hij hadde niet aldus kunnen schrijven. Een leemte dus in zijn kennis, daar dogmengeschiedenis zijn vak niet is, niet onverklaarbaar.

Maar nu de hoogleeraar Doedes in zijn jongste stuk verklaren komt: Dat wist ik wel!, en dus het schild der onbekendheid met de feiten wegwerpt, nu waag ik het, Dr. Doedes zelf te vragen, of het aangaat, of het bestaanbaar is met de piëteit die elk Christen-geleerde voegt voor de vrome helden der wetenschap, die de historie reeds lauwerde, ja, of het te rijmen valt met den eerbied, die ons betaamt voor de werking van den Heiligen Geest nu reeds achttien eeuwen, in de Vervullings-kerk des Zoons, om van een duidelijk uitgesproken stelling, die door schier alle coryphaeën der Christelijke kerk beleden en bepleit is, en nooit anders is bestreden dan door erkende ketters, te komen vragen, hoe het mogelijk is, dat men ook maar „eenigermate in de Schrift thuis is,” indien men zulk een meening koesteren durft.


*

Aan deze eerste ongerijmdheid knoopt zich een tweede vast.

Te Dordt is onze Confessie door de deputaten van binnen- en buitenlandsche gereformeerde kerken goedgekeurd.

Gelijk we nu zagen spreken de buitenlandsche kerken in haar Confessiën duidelijk uit: dat God Drieëenig Schepper is; en erkennen evenzeer de binnenlandsche theologen, dat de wereld geschapen is door den Drieëenigen God.

Toch laat Dr. Doedes, door deze kerken en mannen die „God Drieëenig voor Schepper verklaren,” een Confessie goedkeuren, die, altoos naar zijn zeggen, vlak het tegendeel leert.

Want immers Artikel 12 is te Dordt doorgegaan zelfs zonder bemerking. |57|


*

De derde ongerijmdheid, waartoe we komen is, dat gelijk we zagen de opstellers zelven van onze Formulieren, haar commentatoren, en voorts schier alle hoogleeraren en theologen onzer kerk, dus kort gezegd, allen die op haar erf met heldere bewustheid deze Formulieren onderteekend, en zich voorts zonder protest, over dit punt hebben uitgelaten, „God Drieëenig voor Schepper verklaren”, — en dat een kerk uit wier leven dit en geen ander godgeleerd bewustzijn rechtstreeks voortkwam, niettemin, zonder dat iemand er zich aan gestooten heeft, vlak het tegendeel (altijd volgens Dr. Doedes) zou beleden hebben in haar officiëele Confessie.


*

De vierde ongerijmdheid is, dat dan de kerken van Nederland, volgens prof. Doedes, in hun openbare formulieren op zulk een gewichtig punt de elders gangbare en allerwegen erkende belijdenis der waarheid, zouden hebben weêrsproken, zonder door de andere kerken hierover te zijn hard gevallen, en aldus Ariaansche en Sociniaansche gevoelens zouden hebben gedreven, zonder door de Zusterkerken te zijn berispt.

Daar nu intusschen noch de Luthersche noch één der overige gereformeerde kerken, hierop ooit aanmerking maakte, én ook onze Belijdenis, zonder de minste bedenking, in de Harmonie der Confessiën werd opgenomen, zoo volgt hieruit, dat niemand toentertijd iets van een afwijkende opinie in onze Confessie heeft ondekt.


*

En eindelijk de vijfde ongerijmdheid: Deze namelijk, dat onze gereformeerde kerken, die steeds beweerden, aan de hand der Hervormers, de oude leer der Christelijke kerken hersteld te hebben, volgens prof. Doedes, in lijnrechte tegenspraak zouden staan met wat alle Hervormers en alle groote Kerkvaders hebben geleerd. |58|


XIII. Resumtie.

Er blijft dus, hoe men het wende of keerde, wel niet anders over, dan de eenvoudige bekentenis, dat de anders zoo scherpzinnige Doedes, in wiens wakker brein absurditeiten niet duurzaam nestelen kunnen, zich ditmaal, ietwat onnadenkend, heeft vergist, en, zich eenmaal vergist hebbende, te kwader ure een poging heeft gewaagd, om zijn „erroneuse opinie” staande te houden.

De criticus heeft zich blijkbaar opgesloten in zijn studeerkamer en afgesloten van den historischen stroom der levende kerk van Christus en van haar rijke en heerlijke denkwereld.

Zoodoende is de Confessie hem een soort „dood actestuk” geworden, dat hij geheel op zichzelf, met zijn pennemes uit elkaâr gesneden, ontleed en uitgeplozen heeft, zonder te bedenken, dat de levende Confessie ter verklaring ook behoefte heeft aan physiologie.

Toen heeft gemis aan synthetischen zin den letterkundigen anatoom parten gespeeld, en vandaar het valsche licht, waarin hij, zonder te letten op Art. 1, 2, 8a en 9a der Confessie, enkele harer uitspraken over de oeconomische onderscheidingen heeft bezien.

En zoo is het geschied, dat een zoo kundig en scherpzinnig man als Dr. Doedes zich is komen te verloopen in een impasse, waar alleen hij weer uit komt, die den moed bezit om terug te keeren op zijn pad.

We zeggen dit met te meer vrijmoedigheid, omdat Dr. Doedes niet de stelling bestrijdt: „God heeft alles uit niet geschapen door zijnen Zoon”, maar toch, toegekomen aan deze openbaring der Schrift, ronduit erkent: „Naar het ons voorkomt moeten wij hier verklaren, dat dit punt ons begrip ten eenen male te boven gaat, in dezen zin, dat wij bij deze woorden niets kunnen denken, en de zaak daarom in het midden laten.”

Want immers, als ik als Christen-theoloog in de opinie verschil van heel de phalanx der Christen-theologen uit het tijdnerk van den bloei der kerk, en zelf met de Schrift in handen |59| niet verder kom dan tot een non liquet, dan gaat het toch niet aan, om allen voor wie dit non liquet wél wegviel, te betichten, dat ze zelfs niet „eenigermate” den zin der Schrift verstaan.


En hiermede sluit ik dit debat, na nog met een enkel woord rekenschap van mijn gevoelen te hebben gegeven, waarom de meening van Dr. Doedes m.i. de eere van den Drieëenigen God te na komt, en de Triniteit opheft.


XIV. De Drieëenheid aangetast.

God, den Heere, als Drieëellig God te belijden, eischt en onderstelt dat én de Vader én de Zoon én de Heilige Geest, niet maar goddelijk of god-achtig, maar God zijn; niet als drie naast elkaâr bestaande goden; noch ook als een zon, met twee manen als wachters; maar als drie personen in één goddelijk Wezen. De eenige, levende, waarachtige God, het volzalige, volheerlijke en aanbiddelijke Wezen, bestaande als Vader, Zoon en H. Geest.

Hier lette men wel op. Immers de Christelijke kerk aanbidt niet drie personen, „een Vader”, „een Zoon” en „een Heiligen Geest”, om nu voorts van achteren door optelling van deze drie tot de slotsom te komen: „en deze drie vormen saâm één God.”

Neen, maar omgekeerd, ze aanbidt één eenig God; ze aanbidt dien eenigen, waarachtigen God, als Schepper aller dingen, aller goeden fontein en aller krachten sprinkader; en nu van achteren en eerst daarna openbaart zich die God aan haar als Drieëenig.

Van tweeën één dus: Of Dr. Doedes stelt dat de eigenlijke, wezenlijke, waarachtige God is alleen de Vader, en niet de Drieëenheid, en dan heeft hij ook volkomen gelijk, dat niet de Drieëenheid, maar de Vader de wereld schiep. Of wel Dr. Doedes belijdt, met de Christelijke kerk dat de eenige, waarachtige, levende God is de Vader, de Zoon en de Heilige |60| Geest, — maar dan is uiteraard ook die aldus beleden God, als Schepper aller dingen te aanbidden.

Wat nu Dr. Doedes kiest, is tot ons leedwezen, niet twijfelachtig.

Hij sprak en spreekt onomwonden uit: De wezenlijke, levende, waarachtige God, de Schepper des hemels en der aarde, is niet de Drieëenheid, maar alleen de Vader.

Belijdt hij dan desniettemin dat ook de Zoon „God” heet en de Heilige Geest „God” heet, dan komen deze derhalve bij den Vader d.i. bij den waarachtigen God, Schepper des hemels en der aarde, bij.

Er bij, hetzij als even gelijke goden en dan heb ik weêr het oude Tritheïsme; of als niet eigenlijk God in wezenlijken zin zijnde (daar de Schepper van hemel en aarde en dus de eigenlijke God alleen de Vader is); — maar dan is er ook niet langer van God den Zoon en van God den Heiligen Geest sprake, en gaat hun deïteit onder in diviniteit. En wat men nu uit deze beide ook kieze, altoos is hiermeê de belijdenis van Gods Drieëenigheid vernietigd.

En overmits ik nu met heel mijn ziele overtuigd ben, dat elk afgaan van de zuivere belijdenis der Drieëenheid, een valschen blik op het goddelijk Wezen geeft, en elke vervalsching van de kennisse Gods haar verderfelijken invloed op heel de belijdenis der Waarheid moet uitoefenen, zoo heb ik mij gedrongen gevoeld, tegen deze onhoudbare stelling van Dr. Doedes protest aan te teekenen.

Ik deed het op de eenige wijze, waarop iemand van jonger jaren tegen een ouder ambtgenoot als Dr. Doedes mag opkomen, t.w. onder overlegging van de stukken die zijn ongelijk aantoonden; hierin niet karig mij betoonend, maar van milde hand.

En wanneer nu na afloop van dit debat, de hoogleeraar Doedes in zijn studeerkamer en ik in de mijne nederkniel, dan zal immers niet voor mij alleen vast staan, maar ons beiden gemeen zijn, deze blijmoedige erkentenis en belijdenis: „Ik gelove dat er een levend God is; en ik gelove, dat deze levende God mijn Schepper is!

En als we dan na dat saâm beleden te hebben, tot Gods heilig Woord gaan, om te vragen: Als hoedanig nu die |61| levende God, die mijn Schepper is, zich nader geopenbaard heeft? dan legt de Christelijke kerk aller eeuwen, ons de hoogheilige belijdenis op de lippen: „Die levende God, voor wien ge als uw Schepper nederknielt, is God de Drieëenige!”

Men ziet dus.

Men belijdt niet eerst den Drieëenige, om nu voorts te bepalen, dat die Drieëenige God de Schepper is.

Neen, omgekeerd, men belijdt eerst dat er een God leeft, en dat die God aller dingen Schepper is, om nu voorts, en eerst daarna, tot de nadere belijdenis te komen: „Deze God bestaat als Vader, Zoon en Heilige Geest!” en in aanbidding neder te vallen voor God Drieëenig!

Welnu, zoo beleed het ook onze Confessie.

Onze Confessie in overeenstemming met de Confessiën aller Christelijke kerken.

De Confessie aller Christelijke kerken in overeenstemming met de innigste geloofservaring.

De geloofservaring der Christenheid in overeenstemming met Gods heilig Woord.

En in die alsdus wel gefundeerde Belijdenis nu wenscht ’s Heeren volk in deze landen, en schrijver dezes met dit begenadigde volk, door Gods genade, te volharden. |62-63|




BIJLAGE. De Eenvoudigheid Gods.

Met opzicht tot den arbeid, door den hoogleeraar Doedes aan onze Formulieren te kosten gelegd, veroorloofden we ons een vorig maal ten slotte nog de ernstige bedenking, dat de hoogleeraar termen ging schrappen, wier historie hij toonde niet te kennen, en die hij dan ook blijkbaar niet verstond.

Leze wie daarover oordeelen wil maar eens wat Dr. Doedes b.v. over de „eenvoudigheid van het goddelijk Wezen” zegt.

Het luidt op pag. 8, 9 aldus:

„Mocht iemand echter besluiten, reeds bij Art. 1 aan de Heilige Drievuldigheid te denken, dan zal hij het woord „eenvoudig” daar bezwaarlijk kunnen behouden; want te spreken van „een eenig en eenvoudig” geestelijk wezen, en dan (met Art. 8) te bedoelen een eenigen God, in hetwelk zijn „drie personen, in der daad en in waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hunne onmededeelbare eigenschappen”, het kan niet in ernst gemeend zijn, daar de uitdrukking „eenvoudig” zonder twijfel dat drietal van personen ten stelligste buitensluit. Van God den Vader gezegd, heeft het echter in het minst geen bezwaar, ofschoon het dan ook wel overtollig mag heeten.”

Ook hier, gelijk men ziet, doet Dr. Doedes het voorkomen, alsof alleen zekere onnadenkendheid en slordigheid van uitdrukking de opstellers van de Confessie de dwaasheid had laten begaan om een goddelijk Wezen, dat men als Vader, Zoon en Heilige Geest en dus in drie personen belijdt, nochtans eenvoudig te noemen.

Nader betoog acht de hoogleeraar zelfs overbodig. |64|

Hij zegt het maar. Meer hoeft dan ook niet. Dat de Heilige Drievuldigheid niet eenvoudig kan wezen, spreekt, zoo waant hij, vanzelf.


Mogen we nu vragen, of iemand die de historie der belijdenis van dit atribuut der „goddelijke eenvoudigheid” ook maar even had ingezien, ooit zoo oppervlakkig zou hebben kunnen oordeelen?


Terwijl toch Dr. Doedes oordeelt dat de belijdenis van Gods eenvoudigheid eenvoudig ongerijmd is voor iemand die staat in de belijdenis van Gods Drievuldigheid; toont de geschiedenis van dit dogma op het allerduidelijkst en zonneklaar, dat deze beide elkaâr noch uitsluiten noch aangaan.

De belijdenis namelijk van de eenvoudigheid van het Eeuwige Wezen is herkomstig uit den strijd, dien de eerste Christengodgeleerden te voeren hadden tegen de overblijfsels van het veelgodendom. Immers de heidensche wijsgeeren, die zelf de afgoderij in haar lageren vorm hadden laten varen, verdedigden toch de voorstelling, dat de goddelijke krachten en eigenschappen van de eeuwige Oorzakelijkheid konden afgescheiden worden, en dat nu het veelgodendom niets anders bedoelde, dan naast en onder den Oorsprong aller dingen ook die goddelijke krachten en eigenschappen te personifieeren of als goden te vereeren. En tegen die voorstelling nu hebben de oudste Christen-godgeleerden toen met beslisten ernst de belijdenis gesteld, dat de goddelijke eigenschappen niet van het Eeuwige Wezen onderscheiden, maar er één mede waren; dat God niet saâmgesteld was uit een Wezen én eenige eigenschappen (substantia et accidentia); maar dat er in God, van geen saâmstelling hoegenaamd sprake viel; dat Hij was, niet saâmgesteld, maar eenvoudig; niet een compositum, maar simplex; of concreet genomen, dat Hij niet was een God en die God rechtvaardig, maar dat Hij was God en die God de rechtvaardigheid; zoodat God en de rechtvaardigheid één en hetzelfde waren.

Reeds ten tijde van Augustinus (gedoopt in 387) stond deze belijdenis van Gods eenvoudigheid dan ook muurvast. Hij zelf schrijft er over: „Hoewel het Eeuwige Wezen met velerlei namen als groot, goed, wijs, volzalig en waarachtig genoemd wordt, zoo is Hij toch eenvoudig. D.w.z. ofschoon Hij al deze namen draagt, zoo is er toch geen veelvuldigheid, want zijn grootheid is zijn wijsheid, en het is een en hetzelfde of ik zeg dat God groot of dat Hij wijs is, ja, zelfs al zeg ik slechts dat Hij is” (Lib. de Trin. l. VI c. 7.) „Bij God valt dus het zijn en het sterk zijn saâm; en ligt in het zijn zelf het |65| wijs-zijn, goed-zijn enz. reeds besloten” (Ib. c. 4). „Denk u het goddelijk Wezen in, zooveel doenlijk, als goed zonder een eigenschap te bezitten, groot zonder hoeveelheid te bezitten, . . en ge zult vinden dat al deze onderscheidingen eigenlijk wegvallen in het goddelijk Wezen, dat geen accidente eigenschappen hebben kán” (c. i.). Even klaar als Hilarius leerde (lib. VIII de Trin. c. 4): „God is niet saâmgesteld evenals een mensch, zoodat er een Wezen zou zijn dat de eigenschappen had en eigenschappen, die aan dat Wezen aanhingen, maar geheel zijn Wezen en bestaan is één God.” Wat Augustinus reeds in dezer voege had uitgesproken: „In God is het Wezen volstrekt niet iets anders dan hetgeen aan dat Wezen eigen is, alsof er eerst een Wezen zou zijn en voorts dingen aan dit Wezen eigen; maar alles is Wezen.” „In Dei substantia non est aliquid quod sit non substantia, quasi aliud sit ibi substantia, aliud quod accidit substantiae” (de Fide et Symbolo. c. 9).

Petrus Lombardus, dit spoor van Augustinus volgend, spreekt evenzeer zijnerzijds uit: „De eenvoudigheid van het goddelijk Wezen is zoo groot, dat er niets in God is, wat niet God zelf zij, zoodat de eigenschap van God en God één en hetzelfde is.” (Libre Sent. L. I Dist. VIII. litt. H.).

Hem volgde Thomas Aquinas: „Het is klaar, dat God op geenerlei wijze saâmgesteld, maar volstrekt eenvoudig is, want er is in God geen saâmvoeging van deelen; geen saâmvoeging van vormen en substantie; noch van natuur en wezensgrond; noch van zijn en wezen; noch onderscheiding van geslacht en eigendommelijkheid; noch ook van een wezen en de daarbij behoorende eigenschappen.” (L. 1. Summa Theol. que. III. art. 7).

En in die lijn nu sprak o.a. ook prof. Fransc. Junius, wiens bemoeiing met onze Confessie bekend is, toen hij in zijn Opera Omnia p. 1611 b. aldus schreef: „De allereerste eigenschap Gods, waarop te letten valt, is zijn eenvoudigheid, die God almachtig uitzondert van de categorie der substantiën . . . ; voor zoover deze uit een essentie en de daaraan klevende eigenschappen bestaat. Dit nu kan niet alzoo in God zijn, die niet saâmgesteld is uit een essentie en een bestaanswijze, overmits wezen en eigenschappen in God volstrekt saâmvallen.”

Evenzoo zegt Trelcatius Filius, ook een der eerste Leidsche professoren: „De eenvoudigheid in God is geheel ongedeeld en volstrekt, en duldt noch verscheidenheid noch samenstelling van deelen of bijkomstigheden, zoomin in zijn Wezen, als in de personen, of in de werken. Niet in zijn Wezen, want de essentie van God en het zijn van God is één. Niet in de personen, want het wezen is geheel en in dezelfde conditie |66| aanwezig in allen en blijft hetzelfde in elk van hen op zichzelf genomen; zoodat we oordeelen moeten dat de Vader in den Zoon is, en de Zoon in den Vader en de Heilige Geest in beiden. En evenmin eindelijk in de werken, omdat het wezen, de wil en de daad in God volkomen één zijn. (Inst. Theol. scol. Leiden 1614 p. 31).

In de Synopsis purioris theologiae, kort na de Dordtsche Synode door heel de Leidsche faculteit uitgegeven, heet het op blz. 70 van de editie van 1632: „De eenvoudigheid Gods is die hoedanigheid van het goddelijk Wezen, waardoor het alle denkbeeld van saâmstelling uitsluit, t.w. niet saâmgesteld uit de deelen van grondmaterie en bestaanswijs, van stof en vorm, van geslacht en eigendommelijkheid, van idée en realiteit, van zijn, wezen en bestaan; maar in elk opzicht volstrekt allereenvoudigst van aard.

Maresius, die onze Confessie commentariëerde, verstond het precies evenzoo, toen hij in zijn confess. exegesis p. 23 schreef: „Onafscheidelijk van de eenheid Gods is zijn eenvoudigheid, waardoor wordt uitgedrukt dat er in het goddelijk Wezen niets saâmgesteld is, naar het woord van Joann. Damascenus: tè qe²on ploÂn sti ka± sÀneton . . ., want daar alle samenstelling een oorzaak onderstelt, die deze saâmstelling tot stand bracht, zoo kan er geen samenstelling in God zijn, die geen oorzaak boven zich hebben kan. Hij kan niet saâmgesteld zijn noch uit een genus en differentia, noch uit zijn en wezen, noch uit vorm en stof, noch uit een wezen en zijn eigenschappen; want bij het volmaakte kan niets bijkomen en al wat in God is, is zelf God.

Prof. De Moor, die achttien quarto bladzijden alleen aan de bespreking van déze eigenschap Gods wijdt, laat zich in gelijken zin uit (Cf. Com. in à Marck, I. p. 604 v.v.), ook al valt bij dezen geleerden commentator zekere begripsverwarring niet te loochenen. Ook bij zegt toch: „Gods eenvoudigheid is de volstrekte identiteit van alle praedicaten die aan God worden toegekend, met God zelf (quorum cumque quae divinae Essentiae tribuuntur praedicatorum cum eâ ipsâ perfectissima quaedam identitas (p. 611).

Terwijl eindelijk, om ook een populairer boek aan te halen, Arnoldus Rotterdam, in 1750 pred. te Zuilen, in zijn Verklaring van de 37 Artikelen Amst. 1755 op blz. 11 zegt: „Wat is Gods eenvoudigheid? Antw. Die volmaaktheid Gods, waardoor alles wat in God is, God zelf is, zonder dat er in Hem is een dadelijke samenvoeging van deelen, eigenschappen en toevalligheden.”

Verschil van meening op dit punt is dus afgesneden. Het |67| staat vast, dat de Simplicitas Dei ofte eenvoudigheid Gods, in Art. 1 van onze Confessie, zeggen wil: We gelooven en belijden een God in wien geen samenstelling is, van een Wezen en iets dat aan dit Wezen eigen zou zijn, maar bij en in wien het Wezen en al wat van dit Wezen erkend en beleden wordt, volstrekt één zijn. Er is in God niets dan God.

Dr. Doedes, die zich laat ontglippen, dat deze belijdenis van den éénen waarachtigen God overtollig zou zijn, sprak dus blijkbaar ondoordacht. Of zou de volstrekte opheffing in God van allen strijd tusschen liefde en heiligheid b.v. in iemands oogen ooit een onverschillige, overtollige bijzaak kunnen zijn?

En erger nog, door den belijders van Gods Drievuldigheid tegemoet te voeren, dat ze niet de eenvoudigheid konden belijden van een God, dien ze als de H. Drievuldigheid aanbidden, verried hij een onbekendheid met de dogmengeschiedenis, die metterdaad verbaast.

Reeds Calvyn had den geleerden Doctor anders voor zoo grove vergissing kunnen bewaren, door wat hij zoo beslist in zijn Institutie, 1. c. 13 schreef: „Ne quis Triplicem Deum somniet aut putet Tribus Personis lacerari simplicem Dei Essentiam,” waarop dan het betoog volgt, dat de belijdenis de Drieëenheid alle compositie in het Goddelijk Wezen volstrekt buitensluit.

Ongetwijfeld indien men doet wat prof. Doedes en, op het voetspoor van den Remonstrant Episcopius (Inst. Theol. I. IV. Tom. I. p. 333 sq.), God den Vader als den eigenlijken waarachtigen God voorstelt, en nu aan dezen „God den Vader” het gezelschap van een Zoon van goddelijke waardigdigheid en van een H. Geest, die persoonlijk optreedt, toevoegt, en van de bijeenvoeging van deze Drie uitgaande, zich nu inbeeldt, dat deze onggerijmde voorstelling ook maar iets, iets hoegenaamd, met de belijdenis van het mysterie der H. Drieëenheid gemeen zou hebben, — dan voorzeker moet het vreemd klinken de Drieëenheid te hooren belijden van een God die eenvoudig is; bovenal indien die Drieëenheid nog, in den trant van ons Middeneeuwsch Hollandsch, als de H. Drievuldigheid wordt omschreven.

Maar wie, misleid door deze schijngelijkheid van klanken die niets met elkander uitstaande hebben, uit de Drieëenheid tegen de eenvoudigheid Gods wilde arg-nmenteeren, hem zij aan De Moors tegenspraak herinnerd, waar hij (Comm. op à Marck. I. p. 606) zegt: „Strijd tusschen deze volstrekte eenheid (die door Gods eenvoudiglieid geëischt wordt) en de Drieheid der personen bestaat er volstrekt niet. Want de Drieëenheid bedoelt niet dat er aan drie onderscheidenlijk bestaande Wezens |68| ééne goddelijke natuur gemeen zou zijn; . . . . maar stelt in deze drie personen één eenige, ondeelbare en enkelvoudige Wezenheid, die juist omdat ze oneindig is, mededeelbaar is aan meerderen” (trium personarum divinarum unica, individua et singularis. Essentia, quae, ut est infiniti, pluribus quoque est communicabilis). Of wil men, herinnert aan Quenstedts evengelijke bepaling: De Wezenheid in God bedoelt een Wezenheid die een in getal en volstrekt ongedeeld is, en is die ongedeeldheid aan de drie personen gemeen, alzoo dat deze Wezenheid niet voor een deel in den Zoon, voor een ander deel in den Heiligen Geest en voor een derde deel in den Vader zij, maar zóó dat dit goddelijke Wezen geheel en ongedeeld is in den Vader, even geheel en ongedeeld in den Zoon, en even geheel en ongedeeld in den Heiligen Geest.” En dan sta er toch de vraag bij, of een kerk van Christus die in zulk een zin de Drieëenheid belijdt, het verdiend heeft, dat de hoogleeraar Doedes het haar als een ongerijmdheid komt verwijten, dat ze nochtans vasthoudt aan de majestueuze Simplicitas Dei, ofte Eenvoudigheid Gods?

Immers, de Drieëenheid Gods rust juist op de belijdenis der Eenswezenheid en leert ons dat er niet zijn drie Waarachtigen maar één Waarachtige, niet drie Almachtigen, maar één Almachtige, enz.

Maar bovendien, reeds de tegenstelling die prof. Doedes zich uitdenkt, is op zichzelf onlogisch. Tegenover drievoudig toch kan wel tweevoudig staan of enkelvoudig, maar nooit eenvoudig. Drievoudig is een zeker iets driemaal genomen; tweevoudig datzelfde tweemaal genomen; maar neem ik het slechts eenmaal, dan noemt niemand dit het eenvoudig, maar kortweg het getal zelf.

Eenvoudig daarentegen vormt de tegenstelling met „saâmgesteld,” zonder er ook maar eenigszins op te letten, of de samenstellende deelen nu juist onderling wel gelijk zijn en dus veelvouden vormen.

Een saâmgesteld werktuig is niet een werktuig uit drie of meer gelijke deelen bestaande, maar bestaande uit meest zeer ongelijke deelen. Eenvoudig nu in dien zin staat tegenover gecompliceerd. Een eenvoudig vraagstuk of een gecompliceerde (niet: veelvoudige) quaestie; een eenvoudige manier van handelen of een gecompliceerde (niet: veelvoudige) manier van handelen.

En we kunnen noch mogen dus anders constateeren, dan dat Dr. Doedes zich aan de revisie van dezen term heeft gewaagd, zonder dien te verstaan; hem in strijd heeft gebracht met de Drieëenheid Gods, door aan de belijdenis der Drieëenheid het |69| door de kerk juist bestreden begrip van Tritheïsme onder te schuiven; overtollig heeft gekeurd, wat zeer wezenlijk tot de belijdenis van Gods Wezen behoort; en een tegenstelling heeft gemaakt, die logisch en taalkundig niet opgaat.

En nu komt het natuurlijk niet in ons op, om Dr. Doedes te verdenken, alsof hij niet nog wel zoo goed als wij, indien hij er zich de moeite toe gaf, deze stukken zou kunnen toelichten, noch ook om hem aan ons publiek voor te stellen als een minkundig theoloog.

Dergelijke laagheden laten we over aan hen die er lust in hebben.

Wij houden ons maar aan de zaken, en constateeren op grond van wat Dr. Doedes ons voorlei, dat hij ditmaal sprak zonder de zaak, waarover hij sprak, behoorlijk, op wetenschappelijke wijze, onderzocht te hebben.

Tot gelijke slotsom zou een doorgaande critiek op dit werk slag op slag moeten komen.

Maar waartoe meer?

De toekomst zal leeren, dat Dr. Doedes voortaan geëerd en geloofd zal worden, om de uitstekende studiën die hij wijdde aan de bibliographie onzer Formulieren; dat ingang zullen vinden enkele uitnemende correctiën van uitdrukking, die hij voorstelt; maar dat hij, om invloed op den inhoud der Confessie uit te kunnen oefenen, zelf te ver van haar heerlijke Belijdenis afging.


(Heraut van 3 April 1881 Nº. 171.)




1. Ik dank de kennismaking met dit boekske (dat overigens van weinig belang is) aan de zeer vriendelijke en bereidvaardige welwillendheid van Jhr. Trip van Zoudtlandt, predikant te Hattem, onder de deliciae van wiens keurige bibliotheek ook dit unicum (?) schittert. Daar het weinig bekend is sta hier een korte beschrijving van het exemplaar. Het is een duodecimo, bevattende het eigenlijke werk, groot 205 folia recta et versa, voorafgegaan van een Somme des choses contenues en ce livre groot 2 blz.: een Catalogue des Docteurs et Conciles, van 3 blz., en een Epistre à l’église de Dieu quiest en L. par Guido, van 24 blz.; en bovendien gevolgd van een Table pour trouver les princpiales choses contenues en se présent livre en forme de l’Alphabet, groot 28 blz. De titel luidt: Le/ Baston de/ la Foy Crestienne/ Livre très uitile a tous Chrestiens, pour/ s’armer contre les ennemys de/ l’Evangile: et pour aussi cog/ noistre l’ancienneté de no/ stre saincte foy, et de/ la vraye E./ glise./ Recuilly et amassé des livres des anciens/ docteurs de |10| l’Eglise et des Conciles et de/ plusieurs autres Docteurs, les noms/ desquels voyra en la page/ suivante./ Avec une Table, pour trouver/ tout ce que tu voudras, con/ tenu au livre./ Vestez toute l’armeure de Dieu, afin que/ puises resister contre les assauts du Diable. Ephe. 6./ A. Lyon./ Anno. 1555.

Op den kant van het exemplaar is aangeteekend in m.s. par Pierre Vizet.

Het exemplaar is op een boekenstal te Leuven gevonden en aan Ds. Jhr. T. v. Z. vereerd door den heer Ds. Louis Durant.

2. „Si credat . . . ut Filius Dominus . . . creator (sit) omnium quae sunt et auctor et Dominus et rector cum Patre et Spiritu Sancto, omnium creaturarum.” Cf. Collect. Concil. studio Labbei et Cossartii, Tom. II. p. 1199. Ed. Paris 1671. Ik gebruikte deze editie, niet die van Mansi, wijl de Bibliotheek der Vrije Universiteit slechts de uitgave van Labbeus bezit.

3. De woorden van Dr. Doedes luiden letterlijk: Verbeeld u nu eens wat Kuyper durft doen. Daar verklaart hij te belijden, dat de Drieëenige God de almachtige Schepper des hemels en der aarde is, — en dat in openbaren strijd met onze Geloofsbelijdenis en den Heidelbergschen Catechismus! Volgens ons is niet de Drieëenige God, maar God de Vader de Schepper van hemel en aarde . . . Wat geeft Kuyper nu recht, om zich zoo vierkant tegenover ons te plaatsen?

4. Franciscus Junius, Selecta Opusc. ed. 1882 pag. 149: „Causa igitur Creationis efficiens est Elohim, hoc est Pater, Filius & Spiritus Sanctus. Est |19| enim Creatio opus Trinitatis ad extra (ut loquuntur Scholastici) eoque indivisum & indistinctum, h.e. tribus personis commune, servato interim ordine ac modo in operando. Nam quem admodum personae ipsae ordine ac modo inter se sunt distinctae, sic etiam personarum opera licet non quoad effectionem, tamen quod efficiendi modo distinguuntur. Creat ergo pater à se per filium & Sp. Sanctum, filius à patre, Spiritus S. denique à patre & filio. Soli quidem patri in Scriptura haec Creatio saepius tribuitur: sed hoc fit, quia potentissime in ejus persona terminatur ut Redemptio in filio, & Sanctificatio in Spiritu Sancto.”

5. Franciscus Junius. Selecta Opusc. ed. 1882 pag. 149: „Causa Creationis Efficiens est Deus, ut Principium externum agens movens exemplar & finale rerum omnium, Pater, Filius & Spiritus Sanctus, essentia unus, personis trinus.”

6. „Hoc opus creationis Deo Patri, Filio et Spiritui in Sancto communiter ascribimus, quoniam omnia Dei opera, quae ad extra vocantur, sunt indivisa, tametsi, ut in ceteris, sic in opere creationis diversus operandi modus atque ordo sit observandus.” En in c. IX. „Nam Pater a se per Filium Spiritum Sanctum mundum creavit, Filius a patre per Spiritum, et hic a Patre et Filio, ut patet ex his sacrae scripturae locis. Gen 1. Job 33 : 4. Joh. 1, 2, 3. Cor. 8, 6. Col. 1. 15 etc.”

7. Francisci Gomari Opera Theologica omnia ed 1664. Disputatio XI pag. 34: „Quae Dei actio, quum sit voluntaria, Ap. 4 : 14 (utpote a liberrimo illius decreta orta, Eph. 1 : 11) non unius est personae propria, sed (quia una eademque est Deitas) tribus communis, Gen. 1 : 26. Psalm 33 : 6. Ac propterea, ut Patri Act. 4 : 24 sic Filio Joh. 1 : 3 & 10. Col. 1 : 46. Hebr. 1 : 2 & 10 et Spiritui Sancto Job 26 : 13 & Ps. 95 : 5 collato cum Hebr. 3 ; 7 & 9 servato tamen agendi ordine, attribuitur.”

8. Scio multis nasutis ludibrio esse, quod ex verbis Mosis personarum distinctionem elicimus, ubi Deum sic loquentem inducit (Gen. 1, 26). Faciamus hominem ad imaginem nostram. Vident tamen pii lectores, quam frigide atque inepte hoc velut colloquium induceret Moses, nisi subessent in uno Deo plures personae. Iam quos alloquitur Pater, certum est fuisse increatos: nihil vero increatum, excepto ipso Deo, et quidem uno. Nunc ergo nisi concedant Patris, Fiiii et Spiritus communem fuisse creandi potestatem, et commune iubendi imperium, sequetur Deum non intus secum ita loquutum esse, sed direxisse ad alios extraneos opifices sermonem.

9. Non solum Deum Patrem,” ed. Amstelodamensis. Summier in cursyve druk. Tweede alinea.

10. „Caeterum praeter haec, ego aio, nomine Elohim in hoc loco (Gen. 1 : 1). Mosem intellexisse Patrem, Filium et Spiritum Sanctum, et sensisse non solum Patrem, sed et Filium, et Spiritum Sanctum creasse Coelum et Terram: ac proinde omnes hos tres unum tantum esse Jehovam.”

11. „Nomine vero Jehovae Elohim, intelligimus immensum et aeternum Deum, Patrem, Filium et Spiritum Sanctum, ut in scripturis Novi Testamenti perspicue describitur ac definitur.”

12. Certe, licet Creatio sit Trinitati communis, negari tamen nequit, eandem saepius emphatice Patri tribui, sea Deo, quando Ãpostatikòv Deus Pater intelligitur, periphrastice ab hoc opere descriptus, ubi in contextu a Deo Filio distinguitur, verbi causa Actor 4. 24 coll. vers 27. Actor 17 : 24-26 coll. vers. 31. II Cor. 4 : 6. Cui accedit, quod sicut Pater est prima Trinitatis |47| Persona, ita Creatio est opus primum, quo Deus sese extra suam Essentiam manifestavit. Adque haec videntur ansam praebuisse Auctoribus Symboli Apostolici, quum in brevi Fidei Confessione cum Personis Opera Dei maxime insignia et cumprimis fide tenenda commemorare vellent, ita ut singulis Personis memoriae juvandae causa epus aliquod jungerent; et cum Redemtionis opus in impetratione sua katH xocÐn Filio procul dubio assignandurn esset; ut, inquam, Patrem nominatim ceu Creatorem Coeli et Terrae celebrarent, quo ipso tamen reliquas Personas minime exclusas voluerunt. Nec necesse est aut decet, ut hoe illorum institutum odiose traducamus.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004