Eenvormigheid, de vloek van het moderne leven

door Dr. A. Kuijper

(Lezing, gehouden in het Odéon te Amsterdam, 22 April 1869.)

tweede druk,
Amsterdam, H. de Hoogh & Co. 1870



M.H.! Ik meen in het soort te blijven van deze voorlezingen, die ons hier samenbrengen, zoo ik dezen avond uw aandacht vraag voor een Christelijk-historische beschouwing van de valsche eenvormigheid onzer eeuw: een verschijnsel dáárom zoo belangwekkend, wijl juist in die eenvormigheid, in dat streven onzer eeuw naar uniformiteit, een zeer bedenkelijke karaktertrek, ja, ik durf zeggen, de vloek van het moderne leven ligt. Ik zal dus, om ook u voor die overtuiging te winnen, moeten aanvangen met de ietwat afgetrokken vraag, wàt ik onder valsche eenvormigheid versta. Uit de ervaring, uit de feiten des levens, moet dan worden aangetoond, dat zij werkelijk onzen tijd beheerscht. En heb ik u dan rekenschap gegeven, waarom ik haar een vloek dorst noemen, dan wil ik ten slotte nog de praktische vraag bespreken, wat de gedragslijn is die ons Christenen door dat verschijnsel bij den strijd in kerk en staat geboden wordt.

Valsche eenvormigheid,

ziedaar dus de gang, dien ik liefst door uw gedachten nemen zag. |4|


I. [Valsche eenvormigheid, wát ze is]

Vooreerst dan de meer afgetrokken vraag, wat ik met die valsche eenvormigheid bedoel? En dan bid ik u, M.H., mij daarbij deze ééne stelling als bewezen te gunnen, dat eenheid het einddoel is van de wegen Gods. Immers het leven ruischt en tintelt om ons heen in eindelooze schakeering van altijd nieuwe vormen en gestalten, en onderling door eigen aard verscheiden zijn de onafzienbare menigte van verschijnselen, die we zien afvloeien met den levensstroom. Een bajert schijnt het vaak om ons heen, een dooreenwoeling en bonte mengeling, waarin ons oog de eenheid vruchteloos zoekt. Maar nu . . . . dat de weg Gods naar eenheid uit die verscheidenheid, naar orde uit dien chaös voert, en dat door Zijn wil zich in harmonie eens elke wanklank oplost, dát immers is de diepe zin der gansche Openbaring, zoo dikwijls ze ons van een rijkseenheid, van een rijk van onzen Koning, van een koninkrijk der hemelen, van een alles omvattend rijk der heerlijkheid spreekt. Op die eenheid als einddoel loopen alle gangen der Openbaring uit: aan het stichten van die rijkseenheid arbeidt de christelijke geest sints achttien eeuwen door het sloopen van elken muur der afscheiding, en bereikt zal dat goddelijke ideaal eerst dán wezen, als voor aard en hemel de Christusbede uit zijn stervensnacht zal vervuld zijn: „Opdat ze allen één zijn mogen, Vader! Ik in U en zij in Mij, opdat ze allen mogen zijn tot één!”

Ge vergt dus voor dát beweren geen betoog, dat de eenheid, het eenig ideaal waarin ons denken rusten kan, het einddoel is van den weg onzes Gods. Maar, wat ons nu al aanstonds in onzen eigenlijken gedachtenkring binnenleidt, en waarop ik u dus verzoek, zeer scherp te willen letten: dátzelfde ideaal heeft ook het zondig streven der wereld door roof voor zich genomen, naar eenheid streeft ook zij. Gij begrijpt wat ik met dat zondig streven der wereld bedoel. Erkent |5| ge met mij het feit der zonde, niet maar als ontwikkelingsphase in, maar als ontaarding van het gezonde leven. Heeft door de zonde niet maar het leven van het individu, maar het leven der geheele menschheid een abnormale richting gekregen. Dan zijn er ook niet maar geïsoleerde zondige feiten, maar dan is er een macht der zonde, die het zondig leven in al zijn uitingen beheerscht. Vertoont alle zonde een gemeenschappelijken karaktertrek, draagt ze het stempel van gelijken oorsprong, is er welgeordende samenhang in haar uitingen, regelmatige ontwikkeling in haar verloop, is er i.é.w. een geschiedenis der zonde. Weeft het geslacht der zondaren alle eeuwen door aan éénzelfde kleed, waarvan niemand onzer de schering heeft opgespannen. Bouwen wij hier, en zij, die aan andere einden der aarde zondigen, daarverre, met ons aan éénzelfden onheiligen tempel, maar naar een bestek, dat wij zelven niet kennen, naar een plan dat het onze niet is. Immers dan moet ge óf dat hoogst gewichtig verschijnsel geheel onverklaard laten, óf u gevangen geven in wat de Schrift u van Satan leerde: dat er een denkende geest, een persoonlijk wezen is, wiens eenheid van plan en gedachte in dat leven der zonde openbaar wordt, en wiens machtig, onheilspellend streven, geheel de menschheid door haar doen der zonde dient.

Dat streven der zondemacht op aarde is mij dus geen oratorische phrase, maar nuchtere werkelijkheid, en van haar nu beweer ik, dat zij zich diezelfde eenheid ten ideaal heeft gekozen, die we als laatste gedachte steeds vinden in de openbaring der Schrift. Immers, zoo doet de zonde altijd: ze slaat het beeld Gods als stempel op haar valsche munt, en misbruikt de haar van God gegeven kracht, om het doen Gods na te bootsen. Zelve machteloos, zonder scheppende gedachte, leeft de zonde alleen door plagiaat van de gedachten Gods. En daarom weet ze, van God de volkeren vervreemdend, hun toch geen ander droombeeld voor te spiegelen, dan het vergezicht, hun door Gods profeten geopend. Zoo kiest ze zich een |6| geroofde Godsgedachte als doelwit voor haar streven, en een rijk naar het koningrijk onzes Heeren, een rijkseenheid naar de eenheid door onzen God gewild, — ziedaar het aan God ontstolen denkbeeld, dat heel haar levensuiting beheerscht.

Geheel de geschiedenis immers getuigt het u en is daar, om mijn beweren te staven. Of is niet, zoo vraag ik, reeds in het puin van Babel’s torenbouw dat streven naar eenheid, die zucht om eenerlei volk en eenerlei sprake te zijn, zoo majestueus gefnuikt? Wat is de geschiedenis der Oostersche oudheid anders dan het rusteloos en zoo bloedig pogen, om de in Sinear’s vlakte verbroken eenheid te herstellen door het zwaard? Hebben de machtige Pharaönen of Lydiëns vorsten, heeft Nebucadnezer of heeft Cyrus dan ooit een andere staatkunde gevolgd, dan die het vestigen dier eenheid, het stichten van een wereldrijk beoogde? En als straks het zwaartepunt der geschiedenis zich uit Azië naar Europa verplaatst, immers dan gaat diezelfde eenheidspolitiek van uit Azië naar ons werelddeel mede, en treedt in den Griekschen Alexander of de Caesar’s der Romeinen niet minder veerkrachtig, niet minder zelfbewust op. Niet anders is het in de middeneeuwen, waar het ééne Roomsche Rijk van Duitschland’s Keizer met al Europa’s vorsten als vasallen om zijn troon, de leidende gedachte is, die geheel haar geschiedenis beheerscht. In Madrid en Weenen beide wijdt straks de eerzucht der Habsburgers ook de nieuwe geschiedenis in met een streven naar het zelfde doel. Frankrijk’s groote koning neemt, als weer een eeuw is voorbijgegaan, nog eenmaal het plan op, dat den Habsburger mislukt was. Bezeten door dezelfde manier, zoch ook Napoleon zijn wereldrijk te voltooien. Ja, ook thans weer is immers diezelfde geest van Caesarisme machtig geworden, nu de man „von Blut und Eisen” zijn reuzenplan gelukken zag, en Frankrijk’s keizer het open uit dorst spreken: „dat alleen machtige staten zich nog handhaven kunnen, en dat de tijd der kleinere volkeren is geweest.”

Onmiskenbaar dus is de gelijkheid tusschen het streven Gods |7| en dat der wereld. Eén rijk dat alle rijken, een eenheid die alle deelen omvat, is door Gods Woord zoowel, als door het streven der zonde geëischt. Er is gelijkheid, ja, maar . . . als bij het valsche muntstuk, slechts in schijn. Want terwijl naar Gods weg die levende eenheid door inwendige krach juist uit de verscheidenheid der volkeren en geslachten groeien moet, zoekt de zonde veeleer door roekeloos nivelleeren en wegschaving van alle verscheidenheid een valsche, bedriegelijke eenheid des doods. De eenheid Gods ligt in het bestek der grondvesten, de eenheid der wereld is slechts van buiten op de muren geschilderd. ’s Heeren eenheid is als de organische kracht die de vezelen van den eikenstam samenklemt, de eenheid der wereld als het ijle rag, dat het dunne weefsel samenrijgt. Organisch één of aggregaat, natuurlijk gegroeid of kunstmatig gevormd, geworden of gemaakt, natuur of kunst i.é.w., zietdaar het diepgaand verschil, waardoor de valsche eenheid der wereld gescheiden ligt van de levenseenheid Gods.

Met recht sprak ik dus van een zucht naar valsche eenheid die den gang der wereldgeschiedenis beheerscht. Maar wat nu hoogst opmerkelijk is, sints het laatst der vorige eeuw is er in dat streven een zeer merkbare wijziging gekomen, en het is Frankrijk’s omwenteling, het geboortejaar van het moderne leven, waarop ik u als het aanvangspunt van die nieuwe richting wijs. Niet alsof het streven naar rijkseenheid door de revolutie zou zijn opgegeven. Integendeel op geen ander doel loopen al haar gangen uit. Maar zie hier het verschil. Terwijl men vroeger die rijkseenheid der volkeren uitwendig, door het zwaard, zocht op te leggen, zoekt door haar gisting die valsche eenheid zich thans in het hart der volkeren zelf te nestelen. De bloot staatkundige eenheid van vroeger werd door de catastrophe van 1789 in een maatschappelijke eenheid gemetamorphoseerd. Lees slechts wat u de geschiedenis van Nébucadnezar of Alexander, van Cyrus of van Caesar, van den grooten of den vijfden Karel meldt, en immers bij elk dier |8| heerschers is rijksstichting het onmiddellijk beöogde doel. Het zwaard dwingt die eenheid. Het geweld kluistert volken saâm, wien wederzijdsche afkeer als met het levensbloed was ingegoten. De eenheid door hen beoogd, werd alleen door hun machtige heerschershand saamgeklemd, en eerst daarna, eerst als de rijkseenheid gesticht was, begon het ijdel pogen om die bonte volkerengroep ook tot volkseenheid te versmelten. Maar wat leerde de ervaring? immers dat die eenheid weer sprong, dat die volkerenmassa weer telkens uiteenspatte, omdat de eenheid, de gelijksoortigheid, van het maatschappelijk leven ontbrak. Door druk veerkrachtig geworden, waakte het onverzwakte volksleven weer telkens krachtig op, om die valsche eenheid te vernietigen, en juist het nationaal verschil der volkeren, hun verscheidenheid van karakter en onuitroeibare volksaard, heeft weer telkens die rijkseenheid doen springen, zoodra nauwelijks haar stichting was gelukt.

Had dus het lijnrecht afgaan op het doel niets dan teleurstelling berokkend, men koos daarom sints Frankrijk’s omwenteling een andere gedragslijn, en wil zich nu een langeren weg getroosten, maar die te zekerder, die onfeilbaar naar het groote doel geleidt. Lag in de nationale verscheidenheid van het maatschappelijk leven der volkeren de wel buigzame maar onbreekbare kracht, waarop de rijkseenheid weer telkens sprong, wegnemen van die maatschappelijke schakeering der volkeren is dan het doel door Frankrijk’s revolutie beoogd. „Vrijheid, gelijkheid, broederschap” is daarom het levensbeginsel dat ze in de grondwet der volkeren zoekt te schrijven. Want natuurlijk, zijn eenmaal de volkeren van hun eigen aard beroofd, en elkanderen gelijkvormig geworden, dan zal voor de rijkseenheid het pleit zelf gewonnen zijn. En daarom door eenvormigheid tot eenheid, door uniformiteit tot unificatie, door centraliseering naar het Caesarisme, dus luidt de leus, die thans het wachtwoord dier valsche eenheid is geworden. En in ernst, gelukt dat streven, dan wordt op de puinhoop van wat land |9| en volk, van wat geslacht en natie eigendommelijk had, welhaast het overwinningsfeest der valsche eenheid gevierd.

Hierop komt dus mijn bewering neder: dat het streven der wereldmacht naar valsche eenheid, in den grond hetzelfde is gebleven, maar sints 1789 in een anderen vorm is opgetreden dan weleer, en dat de valsche eenheid, die vroeger de volkeren met het zwaard werd opgelegd, nu de maatschappelijke vastigheid der natiën van binnen uit zoekt te verderven en stelselmatig ondermijnt. Het roepen van verbroedering en menschenmin dient daarbij slechts als leus, en geen verbroedering maar valsche eenvormigheid is het doel waarheen ze met dien schoonen schijn ons drijft. Ligt de eenheid der natuur juist in de harmonie der verscheidenheden, zij wil haar valsche eenheid dwingen door elke verscheidenheid weg te schaven. Ligt juist in veelvormigheid het onloochenbaar kenmerk van een frisch en krachtig leven, door een jagen naar eenvormigheid zoekt onze eeuw haar vloek te verwezenlijken. Al zichtbaarder wordt haar streven om alle schakeering van kleuren in het kleurloos donker van het graf te doen ondergaan. Al luider gaat haar roepen uit, dat in onze moderne maatschappij, alles, hoe gescheiden ook van aard, naar de eenheid van het model versneden, naar een eenmaal gekozen figuur geknipt, in een eenmaal vastgestelden vorm moet versmolten en vergoten worden. Als die struikroover der oudheid is ze, van wien de mythe meldt, dat hij elk reiziger, dien hij opving, uitspande op een ijzeren bed, en wie te lang bleek, zooveel inkortte, wie te kort was, zoolang uitrekte, tot elk hunner juist en pasklaar aan de afmetingen van het ijzeren bed voldeed. Blind voor den levensrijkdom der schakeeringen, dooft ze door haar zucht naar het conventioneele elk frisch natuurleven uit. Zonder waardeering van de karaktertrekken op het gelaat der menschheid, slijpt en schuurt ze met haar ruwe hand alle van God gegraveerde lijnen op de etsplaat van het leven weg. Door wegveiling van al het onevene en polijsting van de natuurlijke erts, streeft ze naar die spiegelgladde effenheid, |10| waarin geen schijn zelfs van eigen aard is terug te vinden. Ja, staande voor den boom des levens, woedt ze zóólang met bijl en snoeimes aan het groene hout, tot geen spruit of twijg meer uit kan botten aan den kaalgeschoren stam.


II. [Valsche eenvormigheid, dát ze bestaat]

Gij vraagt bewijs voor die stelling, M.H., en nu we weten wát die valsche eenvormigheid is, heb ik dus uit de feiten u aan te toonen, dat zij werkelijk het leven onzer eeuw beheerscht: te doen zien, dat al meer de verscheidenheid des levens om ons wegvalt, en de natuurlijke schakeeringen in eenvormigheid ondergaan.

Gij laast misschien wat de nieuwe Redacteur der Javabode onlangs over onze nieuwgebouwde straten jammerde. Laat mij met de uitwerking van die klacht dan beginnen mogen. En wát is het, zoo vraag ik dan, dat in den bouwtrant van oud-Holland’s steden den vreemdeling zoo bekoort en boeit? Wat anders dan die eindelooze verscheidenheid van breedte en van nauwte, die losheid van bochten en kronkelingen, van spitse en van stompe hoeken, die, zelfs onze sierlijkste grachten eigen, het u zegt, dat ze niet gemaakt, maar geworden zijn. Het is of er een geheimzinnige geschiedenis uit elke bocht en elke versmalling tot u spreekt. Ge ziet het wel, geen huisjesmelker heeft uit woekerzucht die reeks van huizen daar neêrgeworpen, maar woning voor woning is als vervulling van een eigen wensch, als prijs van stille spaarzaamheid, naar eigen plan, daar uit den grond verrezen. Niet symmetrisch naar het waterpas zijn die gekuifde, getrapte, gedriehoekte, geluifelde gevels, maar er leeft in elken gevel het denken van een mensch, de grilligheid van het ietwat overmoedig geworden menschenhart. Van een stad vol architecten spreekt u die bontgeschakeerde huizengroep, en juist in die wemelende |11| verscheidenheid speurt ge dat krachtige volksleven, zooals het alleen in het hart van Holland’s vrije burgers in vorige eeuwen heeft geklopt. — Maar nu, vergelijk daarmeê Amerika’s moderne steden, of wilt ge zoover niet gaan, een der moderne wijken, die men bij onze steden heeft aangebouwd. Denkt u te Berlijn, zoo ge het kent, en o! onberispelijk is de rechtheid dier lijnen, die van Unter-den-Linden naar de Leipziger strasse zuidwaarts loopen, om op volkomen evenredige afstanden door andere lijnen van even onkreukbare rechtheid doorsneden te worden, — schier volkomen gelijk is de vale kleur van het pleister waarmee in onze moderne „quartiers" huis aan huis bestreken is, — geen enkele gevel stoort er de juiste symmetrie der gevellijnen, waarop deur en venster, kroonlijst en dakraam is aangebracht, — maar juist door die rechte straten en rechte hoeken en waterpasse gevels en eenvormige huizen, heeft al die moderne uitwas onzer steden iets dat u doodelijk afmat en verveelt. Gij moet er de straten nummeren en bij haar cijfer tellen, om niet te verdwalen in zoo karakterloos, zoo wezenloos een huizengroep. Of liever nog, daar zijn geen huizen, maar blokken van woningen, die u eer aan gestichten van weldadigheid, of kazernen voor de troepen, dan aan woningen van vrije burgers denken doen. Och! het is in Berlijn en Wiesbaden zoowel als te Parijs de moderne Haussman’s geest, die zelfs de gewijde aarde van Montmartre niet spaart, om maar met ongebroken straal den cirkelloop zijner boulevards te kunnen doortrekken. En wat men te Parijs uitvindt, aapt men te Brussel na, en over Brussel komt die geest dan ook in Holland’s steden spoken, en al de poëzie onzer steden verdwijnt, en al de grillige gevels vallen, en onder grauwe pleister dekt de truffel al te witte ruitjens om den rooden bouwsteen weg, en welhaast is ook uit Holland’s steden alle verscheidenheid weggenomen en het pleit der eenvormigheid op het stuk van bouwtrant beslist.

Met het verschil van leeftijd gaat het even zoo. Weleer |12| in den jonge van jaren een jongelingshart, voor hem een jongelingsdracht, om hem een jongelingswereld: hij driftig maar niet afgemeten, onbesuisd en vol bezieling. En bij den grijsaard juist de keerzij, maar toch ook weer voor hem natuurlijk: natuurlijk zijn ernst, natuurlijk zijn zekere lach, natuurlijk zijn bedachtzame gang. Kortom, de jongeling bleef jongeling, de grijsaard wou niet dan grijsaard zijn. Maar nú . . . . o! hoe zijn deze dingen anders geworden, en hoe zichtbaar het streven van onze jongelingen om den bejaarden man, van onze grijsaards om den „jeune garçon” te spelen. Gij kent misschien die geestige spotprent wel van Punch. Een guichele boedelkramer in snuisterijen met een knaap van veertien jaren voor zijn uitstal. Met de lorgnet diep in het oog geknepen, vraagt de jonge knaap om speelgoed te zien. „For you or for your sister?” vraagt verkoop-graag, maar de deftige jongeheer krijgt een kleur van bloosheid en bijt hem toe: „No but for the old man to play with!” Dat was meesterlijk van Punch M.H., wat overdreven, maar dat mag in satire, en in ernst, wat hij geeselde was geen hersenschim, maar een jammerlijke werkelijkheid. Onze kinderen zijn geen kinderen meer. Geen feënboekjens en geen sprookjens meer, maar handleidingen voor natuur- en wiskunde zijn hun leesstof. Ze hebben hun courant en hun cigaren, ze spelen voor commissarisje op hun bal, voor diakentje in hun kinderkerk, ze zien er soms zoo potsierlijk gekleed uit als edel-achtbaren in miniatuur. Wat later en hun kleur verbleekt, hun haar valt uit, weg is alle bezieling, gebluscht alle geestdrift, en stoicijnsche afgemetenheid met het epicureïsme der losbandigheid vermengd, rooft allen jongelingsgloed aan hun hart. En de grijsheid, — is het niet zoo als Punch zegt — is ze niet veeltijds kindsch geworden, heeft ze niet haar speelgoed, steekt ze zich niet in veelkleurig gewaad, verwt ze zich niet het zilverwit der haren weg, zoekt ze niet door zoutelooze boert en gemaakte onbesuisdheid een „seconde jeunesse” te |13| spelen? En hebben we dan geen recht, om als we die afgeleefde knapen en die kwansuis jonge grijsaards zien, te klagen, dat het ouderwetsch verschil van leeftijd al meer wegvalt, en ook hier de eenvormigheid het wint?

Niet in die mate, maar even onmiskenbaar, werkt het streven, om de beide geslachten, om man en vrouw, uit hun eigenaardig verschil in een onzijdig geslachtsmengsel over te leiden. Ook in ons Vaderland zijn de profetessen reeds opgestaan, die als gold het een „anti-slaverny-league”, aandringen op vrijverklaring der vrouw, en eischen dat ook haar de vrijheidsmuts op de lokken wiegele. Reeds heeft in het modern America eene vrouw het leergestoelte aan een der hoogescholen beklommen. De doctorstitel prijkt in Engeland reeds naast meer dan éénen vrouwennaam. In Duitschland zoowel als in België zwiert de vrouwenrok reeds om de leuninglooze kruk van het kantoor. De „bluestockings” van vroeger dagen waren weetnieten bij de vrouwelijke „polyhistor’s”, die onze normaalscholen thans bij menigte afleveren. En toch is dat nog slechts een eerste woeling van dat streven. Volkomen gelijkstelling van man en vrouw is de eisch die op dit oogenblik reeds in ’t Lagerhuis van Groot-Brittanje is te berde gebracht? De oude fabel der Amazonen wordt al meer een profetie, die met onstuimigen drang haar vervulling tegensnelt. En daarom iets heroïeks, iets manhaftigs, iets fiers moet uit de houding onzer jonge schoonen spreken, willen ze niet als huissloofjes afgekeurd, of als zedige besjens aan den muur worden geschilderd. Schuchterheid en schroomvalligheid, zooals ze weleer het maagdelijn sierden, voegen niet meer voor de forsche vrouwentype onzer eeuw.

En nu de man . . . Ulrici zegt in zijn psychologie: „das männische Weib ist nur möglich, wo der weibische Mann bereits wirklich ist”, en immers zoo is het ook in onze dagen. Bezoek onze societeiten, dwarl rond in onze salons, of liever nog wandel eens op uw gemak langs onze hoofdstraten, en neem |14| zoo ge kunt een Durgerdammer visscher meê, om de mannelijke gestalte in onbesnoeide afmeting recht levendig voor den geest te hebben, en zegt mij, of dan niet menig zoogenaamd manlijk wezen, dat ge daar flaneeren ziet, u van verweeking, van verwijving, van vervrouwelijking bij ons mannen spreekt? Of wel, als ge een onzer moderne amazonen-te-voet, met fieren blik en losse houding, zoo ferm daarheen zaagt stappen op heur gehakte rijglaarzen, met in den arm een mannekijn, schuivelen op verlakte bottine’s en meer dan half geëclipseerd achter het zwierig gewaad zijner cavalière, — zeg, speelde ook u dan niet wel eens het vermoeden door het hoofd, dat een vrouw in mannengewaad door een als vrouw verkleeden man onder den arm was genomen? Waarlijk, M.H., zoo een dichter in geen andere wereld, dan die der werkelijkheid bij zijn zangen leefde, het schitterend fragment van „Hij en Zij” zou in het scheppings-epos van onzen Ten Kate nooit zijn ingevlochten, en onze gevierde dichter kan er zeker van zijn, dat hij heel wat verbeten woede heeft opgewekt, door in onze eeuw voor vrouwenooren zóó van de vrouw te durven zingen.

Op het stuk van kleeding hetzelfde verschijnsel. Zie maar eens, hoe als Minerva’s jongelingschap zijn maskeraden viert, van vlek en stad, met schuit en boot, per as of langs de rails duizenden bij duizenden naar onze academie-steden vloeien, om zich aan het bont gemengel dier kleuren en vormen te vergasten. Vergelijk dan dien rijken kleederendos van weleer met het stijf eenvormig gewaad van wie zich als toeschouwers daar verdringen, en immers het lijdt geen tegenspraak, dat in doodsche eenvormigheid ook hier de tinteling van het leven is gedood. Wat rijke vormenweelde in die dagen, toen elk verschil van rang en stand rond en openhartig ook in het gewaad naar buiten trad! Wat weelderige verscheidenheid van snede en costuum, van stoffen en kleuren, toen elk, van wat streek, gewest, of oord, van wat gild of groep, van wat officie of emplooi hij zijn mocht, aan zijn gewaad herkenbaar |15| bleef, en elk den drang gevoelde om in vorm en sier van kleederdracht, in stoffen en in kleuren te toonen wie hij was! O! ik weet met u, dat er vaak iets overladens en wansmakigs, iets pronkerigs in dien opschik sloop, maar toch, mij dunkt er lag iets openhartigs in dat dragen van zijn eigen kleuren, en het menschenleven in die dagen zag er zoo recht gezellig door uit. — En thans, . . . . helaas, niets dan een vergeeld herfstgewaad schijnt van die rijke vormenpracht overgebleven, als we het sluike mannengewaad onzer dagen vergelijken met de weelde van toen. Immers geen grillige vorm die niet besnoeid, geen kleurenmengeling die niet verbleekt, geen sieraad dat niet afgerukt, geen verwijding die niet geslonken, geen kraag die niet weggekrompen, geen boot die niet weggestreken is. Al wat maar man heet, van wat beroep of waardigheid, van wat rang of stand ook, en eenzelfde eenvormig sluiksch gewaad zit hem gewrongen om de leden. De gaping voor het fonkelwit van bies of boord gelaten, moge zich beurtelings versmallen of verbreeden, de rand waarin het hoofddeksel uitloopt nu vlak dan meer gebogen wezen, — maar niettemin één blijft voor allen het model, één de zinlooze gedachte, die zich in den wansmaak van ons mannengewaad uitspreekt, om, neen niet door eigen gedachte, maar alleen door fantasie nog soms verbroken te worden. — En ja, bij het vrouwengewaad schijnt het beter, omdat het eer door te groote wispelturigheid dan door doodsche gelijkmatigheid zondigt, maar toch ook daarin verloochent zich de moordende eenvormigheid onzer eeuw niet, al openbaart ze zich op andere wijze. Want duizelend ja is de afwisseling der modevormen, maar die mode is voor allen gelijk. Een modisteluim in Frankrijk’s hoofdstad, een wenk uit Parijs, en niet lang meer of al wat vrouw geboren is in Europa, is met een zelfde gewaad getooid, met een zelfde kapsel gepruikt, met een zelfde laars geschoeid, met een zelfde modekleur beschilderd. Zoo wisselt wuft en beginselloos jaar aan jaar of liever nog met |16| elk seizoen, de steeds grilliger mode haar scheppingen af, en zonder verschil van landstreek of klimaat, van leest of tint, van maatschappelijke gesteldheid of geldelijke krachten, meent al wat vrouw heet het bekoorlijkste te zijn, met slaafsch haar wenken te volgen. Alleen het zijden of katoenfluweel, wat dikker of wat dunner zijde, de echte of de valsche kant, onderscheidt het gewaad der hoogere en der lagere standen. De kleederdracht onzer dienstmaagden streeft die heurer vrouwen straks op zijde, en zoo ge onze boerinnetjes op marktdag bespiedt, merkt ge wel dat onze Aglaia of Gracieuse zelfs bij de melktop niet versmaad wordt. Ach! in verafgelegen gewesten alleen handhaaft zich nog met moeite en zieltogend het eigenaardig costuum van onzen frieschen boerenstand. Het leger is het eenig deel van ons volk, dat juist door zijn uniform de algemeene uniformiteit nog breekt, en als om voor altijd van terugkeer naar vroegere weelde af te schrikken, geeft ons stadsleven ons geen ander buiten-model meer te aanschouwen, dan het potsierlijk gewaad waarin menig weeshuis zijn kroos en menig oudjesgesticht zijn besjes steekt.

De polsslag van het volksleven klopt in zijn taal. — Geen wonder dus dat ook op het taalgebied dezelfde booze démon woedt. Zeker, gemakkelijk gaat het hier niet, want een tal zit zeer diep met haar wortels in het hart des volks geklemd, maar toch, beproefd zijn de halsbrekende toeren van die onzinnige eenvormigheidszucht ook hier. Immers, al kan het geheele taalgebouw met geen dommekracht uit zijn voegen worden gedrongen, men kan toch het verwenglans van bint en deurpost wegbranden, en het arduinen stoepplaveisel splijten doen. En dat is het wat wel ter deeg geschiedt, om, kon het maar, door een internationale taal, uit alle talen saâmgebrouwen, Europa’s volkstalen te doen vervagen. Veel zelfs schijnt dat streven te begunstigen. Vroeger leefde de taal schier uitsluitend in den mond des volks, en moest elk die schrijven wou, de volkstaal dus in den mond des volks beluisteren. Maar thans heeft men geen tijd meer om telkens |17| dat levend woordenboek na te slaan. Wie zou dat ook vergen kunnen van dat krielend heir van woordenlijmers, die dag aan dag met vellen vol geschrijfs de persen zweeten doen. Och! met hun pover woordenschatje moeten ze toe, en komen ze daar niet meê uit, dan borgen ze zonder de minste wroeging aan hun taalgeweten een noodhulp uit de trits van vreemde talen, die ze hebben aangeleerd. En ziet, dan komen ze met hun ontiege handen en mishandelen onze taal en verfronselen heur prachtig gewaad en bezoedelen de blankheid van haar aangezicht, met hun onhollandsche vormen. Niet alsof Holland’s taal, preutsch en nuffig, weren zou, al wat uit vreemde maagschap sproot. Och, als ge over vreemde dingen spreekt, moet ge ze wel bij hun vreemden naam noemen, of er is niemand die u verstaat. Wie zou ook zoo ongastvrij en onheusch willen zijn, om wat uit vreemde handen komt, zonder kus of keur den toegang tot onze erve te versperren. Neen, maar wat we wel van den vreemdeling eischen kunnen, het is, dat hij, ’s lands wijs ’s lands eer, zich naar onze wetten gedrage. En nu, dat juist wordt gemist. Van Zuid en Oost en West overstroomen ze ons, en zoeken zich ongevraagd als huisvrienden bij ons in te dringen, en eens de deur binnen, dan vergeten ze alle vormen van kieschheid, en spelen duchtig den baas, om met hun vreemde fratsen geheel het huishouden onzer taal in verwarring te brengen. En waarlijk dat wandalisme heeft het in de vernieling onzer taalpracht reeds vér gebracht. Lees ze maar, die advertentiën onzer lagere handelswereld, dat mengelmoes van een eigen taaltje, doorspekt en doorregen met een stel van dubbel-gekruiste basterdwoorden, die bij hen alleen „voorradig” zijn. Om bij gebrek aan advertentiën zich de loef niet te laten afsteken, koelen de kleine courantiertjes hun spijt, door dat soort nieuw-modisch taalgeknoei op zekeren afstand in hun „leading-article’s” na te volgen. Dan komen de heele en halve vertalers van weinig gezochte romans. In menig stichtelijk geschrijf wordt bij voorbaat een proefje van dat |18| ontzinde Hollandsch tot ver naar onze achterbuurten gezonden. En zelfs menig geleerd werk, ja niet zelden de stukken van staatswege uitgegeven, leveren maar al te zeer het droevig bewijs, hoe die taalverdervende invloed zich in al wijder en hooger kringen bespeuren laat. En ja, de gesproken taal is taaier, wijl ze leeft, . . . maar toch wie het geradbraakt taaltje onzer „Heeren Reizigers,” het wanhopend poespas onzer winkelbedienden, en het koddig allegaartje onzer bonne’s ooit beluisterd heeft, behoeft het van niemand meer te hooren, hoe wondervér dat barbaarsche taalgehutsel het in de verbastering van ons Hollandsch reeds heeft gebracht. En zoo als het ten onzent gaat, zoo gaat het buiten onze grenzen evenzeer. Jaar op jaar wordt Frankrijk’s taalschat overladen met een reeks van vreemde woorden, die eenvoudig uit grieksche wortels worden saamgelijmd. Onze goede Duitschers „exstinguiren” met hun eindeloos „-iren” al meer den germaanschen gloed hunner gespierde moedertaal. In het land van overzee dringt fransche invloed almeer het anglo-saxisch bestanddeel van Engeland’s taal terug. Zoo naderen langzaam, maar toch merkbaar, vooral in de kringen van het reizend publiek, de talen der volkeren meer tot één. Het scherpe of vloeiende, het gladde of volle waarmeê naar eigen karakter en eigen volksaard elke taal moet uitgesproken, wordt al meer in een toonloos gelispel opgelost. En wat weten we dan vooruit, dat bij deze uiting van het leven onzinnig streven nooit gelukken zal, omdat een taal nooit straffeloos met zich spelen laat, onmiskenbaar is het streven naar eenvormigheid toch ook hier.

Ziet, zoo moet alles gelijkgemaakt en vereffend worden en elke verscheidenheid weggeslepen. Wegvallen het verschil van bouwtrant. Wegvallen het verschil van leeftijd. Wegvallen het verschil van kunne. Wegvallen het verschil van kleeding. Wegvallen het verschil der volkstalen. Ja, wát moet niet wegvallen, zoo dat streven veld wint? want de acte van beschuldiging tegen de eenvormigheid is daarmeê nog nauwelijks |19| geopend. Of zien we niet evenzoo elk verschil van regeringsvorm allengs verdwijnen, om geheel het land te overspinnen met een web eenvormige mazen, waarvan alle dragen bewogen worden door een alle macht in zich opslorpend centralistisch monster? Voegt niet juist in zulk een modelstaat die nieuwerwetsche schoolinrichting, waarbij op geen verschil van belijdenis of inborst, van aanleg of karakter gelet wordt, maar in een vullen der hersenen geheel de opvoeding zich verliest; een vulsel dat aan allen op dezelfde wijze, zooveel mogelijk in gelijke mate wordt toegediend? Ja, worden niet de menschen zelv’ allengs eenvormig door middelmatigheid? Of wie merkt het niet op, hoe de grootsche figuren, de degelijke karakters onzer vaderen in al kleiner afmetingen optreden, en hoe men bij gebrek aan groote mannen onder de levenden, standbeeld bij standbeeld opricht voor de reuzen van het voorgeslacht? Niet meer de persoonlijke wilskracht van den man, maar de sprakelooze stembus moet thans het lot van staat en kerk beslissen. Men is niet van zich zelf meer, maar van zijn fractie, gedoemd haar gang te volgen, haar taal te spreken en zich te plooien in haar vormen. Zoo verdwijnt al meer elk verschil. Een ijzeren stoomwerktuig neemt de rijke schakeering weg, die weleer aan elk bedrijf iets aantrekkelijks, aan elken tak van nijverheid iets bekoorlijks gaf. Macht van kapitaal, in steeds ontzettender opeenhooping, zuigt het levensbloed van onzen kleinhandel weg. Een enkel reusachtig magazijn slokt de beklanting op, die eertijds tal van winkels bloeien deed. De gegoede burgerstand ziet dan ook bij den dag zijne reien dunnen door de maatschappelijke beweging, die al meer alle rangen en standen zoekt te verevenen, om ten slotte niets dan de schreiende tegenstelling van gebrek en weelde over te laten. Onder de leus van verbroedering moet zelfs het gewijd gebied gemeen gemaakt, om alle verschil van godsdienstvorm op te lossen in een Christendom boven geloofsverdeeldheid, en allen gelijkelijk te troosten, met den voor allen even troosteloozen |20| godsdienst, dat men naar deugd maar streven, en dan wachten moet wat komt! Zoo moet alles eenvormig, alles vlak en gelijkvloersch, alles gelijksoortig en eentoonig worden. Niet meer de warme melk van de eigen moederborst voor elken zuigeling, maar een lauw gewarmd melkmengsel voor allen saâm bereid. Niet meer de moederschoot voor elk kind, maar de gemeenschappelijke bewaarschool voor allen saâm ten speelplaats zijn. Niet meer elke man bij eigen vrouw en kroost, maar allen saâm om de speeltafel onzer societeiten of in de gelachzaal der herberg de avondure slijten. Niet meer persoonlijke moed doet janmaat met de enterbijl in het want van den vijand springen, maar een rammen en horten en botsen tegen een van logge ijzeren zeegevaarten, waarin menschen verscholen zitten, is wat men thans nog een zeegevecht noemt. Niet meer onversaagdheid van geest en ridderlijke moed, maar deugdelijkheid van het schietgeweer en draagkracht van het wapen, is wat thans op het slagveld beslist. Och! zoo ziet ge bij alles den mensch, de persoonlijkheid, al meer verdwijnen. Het zijn ten laatste werktuigen, geen mensch meer, die ge daar bewegen ziet, om met hun raderen in elkander te grijpen: werktuigen allen op dezelfde wijs ineengezet, naar eenzelfde kunstregel werkend, en die allen gelijkelijk bewogen worden, door de alles dwingende, alles reglementeerende, alles nivelleerende macht der maatschappij.

En nu, voelt ge niet, om nog hierop ten slotte u te wijzen, hoe zúlk een streven den dood brengt aan het nationaal gevoel en alle vaderlandsliefde moet ondermijnen. Immers, waartoe nog gehecht aan den geboortegrond, „lorsque, om met Paulin, den volleerden communist te spreken, „lorsque tous les peuples semblent avoir été jetés dans le même moûle, lorsque toutes les différences de pays à pays, usages, coûtumes, traditions, disparaissent de plus en plus, broyées sous les roues des locomotives.” Als binnen onze erve en de erve onzer |21| naburen ieder al meer een machtige trek van gelijkheid met zijn naaste begint te vertoonen, waartoe zal er dan van een eigen volk, van een eigen landaard, van een eigen vaderland nog sprake zijn? Neen, als het ijzeren spoor niet slechts volk en volk vereenigt, maar de volkeren noopt om hun eigen volksaard af te leggen; als de metalen draad zich niet tot levendige wisseling van eigene, maar tot eentonige uitruiling van eenvormige gedachten leenen moet, wég vloeit dan de volkszin. Nog van het vaderland te spreken is dan niets dan een overblijfsel van vroegere bekrompenheid. Nog gloed voor volk en vaderland in de aderen te voelen gloeien, niets dan zelfbedrog en opwinding. Niet burgers van ons vaderland, maar wereldburgers moeten we dan allen zoeken te worden, zoo we volleerde kinderen onzer eeuw willen zijn. Niet genoeg is het dan dat de slagboomen der volkeren vallen en de scheidsmuren der natiën worden gesloopt, - neen ook de grenzen der volkeren moeten dan uitgewischt. Ja, één, ondeelbaar één, moet het dan alles worden, zoo het kon, zelfs door geen stroombed of geen bergrug, door geen meerkom of geen zeestraat meer gescheiden, en zóólang elk verschil van leeftijd en geslacht, van rang en stand, van aanleg en karakter, van taal en volksaard worden weggeschaafd en uitgevijld, tot het op den ganschen aardbodem al meer éénerlei volk en éénerlei sprake worde: één groote wereldstad, waarin noord noch zuid, waarin oost noch west meer zal gekend worden, en dáárom alle leven zoo gelijk zal zijn, omdat het een eenparige gelijkheid vertoonen zal met de eenvormige trekken van den dood.


III. [Valsche eenvormigheid, wáárom ze mij een vloek dunkt]

Wat dunkt u, behoeft het nog betoog, M.H., hoezeer zúlk een streven naar valsche eenvormigheid, hoezeer dat nivelleeringsbeginsel van het moderne leven, hoezeer dat roepen om |22| éénerlei volk en éénerlei sprake te zijn, indruischt tegen de ordeningen Gods? Gij weet het immers: „Zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken!” is het Godswoord vol heilige energie, dat de Schrift tegen dat streven overstelt. Dat elk leven zich vermenigvuldige „naar zijnen aard,” naar het hem gegeven eigenaardig karakter, is de groote scheppingswet die voor meer dan het zaadzaaiende kruid geldt. En dat elk die ten leven komt, daarboven eens een witten keursteen, en op dien keursteen een nieuwen naam ontvangen zal, „dien niemand kent dan hij zelf,” wat is het anders dan het krachtigst protest tegen alle gelijkvormigheid, waartoe men de geesten dwingen wil? of wel, wraakt ge te dezer plaatse, een uitsluitend beroep op de Schrift, welaan! zie dan om u in het rijk der natuur, en zèg mij, wáár vertoont de schepping, die Gods handmerk draagt, u die eenvormige gelijkheid des doods, waartoe men thans het leven poogt te doemen? Heft uwe oogen omhoog en ziet op naar den starrenhemel, en immers geen eenvormige lichtstreep ontmoet uw blik, maar een golvende, tintelende lichtzee van myriaden van bollen, die de Heer dáárom allen „bij name roept,” wijl ze een eigen naam, een eigen aard en wezen hebben, in snelheid van lichtgloed allen verschillen en elk flonkeren op hun eigen baan. Eenvormigheid in Gods schepping! maar immers juist de meest eindelooze verscheidenheid, de onuitputtelijkste rijkdom van schakeeringen treft en boeit u in elk rijk der natuur, in den altijd wisselenden vorm van den sneeuwvlok zoowel, als in de nooit gelijke gedaante van bloem en blad. Waar is leven in Gods gansche schepping, dat u niet juist in de veelheid zijner kleuren en afmetingen, in het grillige zijner altijd wisselende gestalten, dat echte, zich nooit verloochenende kenmerk van het leven vertoont? En zou het dan anders zijn in het rijk der geesten? Maar immers, óf een ondoordringbare gordijn bleef nog die geestenwereld aan uw oog onttrekken, óf ook gij leerdet, hoe daar zeven Geesten |23| zijn voor Gods troon, die weer verschillen van den Seraf, dat er Cherubs zijn die boven den Archangel, en dat deze weer boven de Engelen is gesteld. Ja ook in de wereld van de kinderen der menschen hebt gij het niet anders kunnen vinden. Want daar was het dezelfde eindelooze verscheidenheid, die om u golfde en wemelde: ook daar dezelfde rijke God, die uit den rijkdom Zijner heerlijkheid, gaven en krachten, aanleg en talenten uitdeelde, aan elk naar Zijn goddelijken wil.

Niet alsof daarom in het kunstig borduursel dier eindelooze schakeeringen van tinten en van kleuren geen eenheid van gedachte zou liggen, en het „gij zijt allen broeders” voor ons zijn kracht zou verloren hebben. Neen, zóó machtig zelfs is dat dringen naar eenheid in de openbaring Gods, dat elke valsche eenheidstheorie op staatkundig gebied haar banier steeds aan den standaard van het Christendom wiegelen deed, en zelfs het phalanstère-lied der communisten, ja, de revolutie-leus van „gelijkheid, vrijheid, broederschap” met schijn van recht aan het Schriftwoord werd ontleend. Maar wat men voorbijzag is dít: dat de eenheid van ons geslacht alleen aan het begin en het einde van den weg, alleen in haar oorsprong en bestemming mag gezocht worden, en nooit in de ontwikkelingsphasen, die ze op dien weg doorloopt. Ziet, uit éénen bloede is geheel de menschheid voortgekomen, maar van haar oorsprong af is ze bestemd, om uitgezonden te worden langs verschillende wegen. Poogt de menschheid zich om Babel’s toren voor altijd tot één volk te vereenigen, de Heer verstoort dat streven, en verstrooit de volkeren naar al de einden des aardrijks. Het stichten van een wereldrijk, hoe dikwijls ook daarna weer beproefd, wordt even dikwijls verijdeld, en in natiën en volkeren, in stammen en geslachten, in kringen van verwanten en enkele gezinnen ingedeeld, vervolgt ze haren eeuwenlangen weg. Maar toch, gelijk ze één van oorsprong was, blijft ze ook bij al die verscheidenheid en uiteenspatting, haar ideale eenheid voor de toekomst |24| behouden in den beloofden Messias, het Hoofd der menschheid, dat komt. Maar die eenheid ze is dan ook niet naar de gelijkheid van het model, maar naar de eenheid des lichaams, waarin elk lid zijn eigen plaats behoudt. Niet naar de gelijkheid van den waterdrop in den stroom of van het kiezel in den zandhoop, maar als ranken elk voor zich in den éénen wijnstok ingeplant, moeten de leden der menschheid in Christus haar eenheid zoeken. Bij de eenheid van het Koninkrijk Gods gaat de verscheidenheid niet te loor, maar wordt er juist te scherper door geteekend. Immers op den grooten Pinksterdag spreekt de Heilige Geest niet in eenvormige sprake, maar een iegelijk hoorde in zijn eigen taal dien Geest de werken Gods verkondigen. Al is de muur der afscheiding door den Christus gesloopt, die der onderscheiding is door Hem niet opgeheven, en voor den troon des Lams zal eenmaal, niet door een eenvormige menschenmassa, maar door een menschheid, in volkeren en geslachten, in natiën en tongen verscheiden, Hem die overwon, het lied der eere worden toegezongen.

Ziet, daarom schroom ik niet, die valsche eenvormigheid den vloek van het moderne leven te noemen, omdat ze de ordeningen Gods op zijde dringt, die niet slechts in de Schrift, maar in geheel de schepping geopenbaard zijn. Wat is een vloek, in den zin waarin we thans dat woord bezigen? Een vloek, immers gij gevoelt het met mij, is elke neiging, die door noodlottigen drang, vaak zonder zelf dit te willen, ons voortstuwt op een weg die tot levensvernietiging leidt. En dát juist zie ik hier geschieden. O! er ligt in dat denkbeeld van eenvormigheid een zoo stille bekoring, in schijn een kiem van orde, een profetie des vredes die de volkeren verleidt. Eenmaal uitgesproken en als levensbeginsel aanvaard, is ze onweerstaanbaar in haar drang, een krachtig zuurdeeg dat gistend bruist door alle aderen des levens en niet rust, eer al wat zich beweegt en leeft, naar haar noodlottigen maatstaf vervormd is. En toch ze bluscht den levensgloed, ze |25| verlamt de levenskracht, en moet eindigen met den wortel des levens zelf te kwetsen, wijl juist in veelvormige verscheidenheid de fijnste vezel, het diepste beginsel van alle natuurlijk leven ligt.

De mensch maakt zich een ijzeren hek van glad-gegoten spijlen, aan elkanderen volkomen gelijk. Dát is zijn eenheid! — Maar wilt ge de eenheid Gods aanschouwen, ga dan uit in het wilde woud, en zie die stammen zich slingeren en kronkelen, die takken zich krommen en buigen, die tinten zich mengelen, eindeloos, altijd weer geschakeerd, en ziet het, hoe juist in dat grillig spel van kleuren en van lijnen de schoonste eenheid spreekt. Maar wat wil onze eeuw thans doen? Naar het model van het ijzeren hek, scheert ze dat dartel struikgewas glad tot een heg, en snoeit ze die wilde stammen tot de kroon toe op, om door gekunstelde eenvormigheid gedwongen eenheid in die mengeling te scheppen. Ze verwart eentoonigheid met harmonie, en meent dat het vol accoord des levens reeds gevonden is, zoo elk speeltuig maar gelijk gestemd, op elk snarentuig maar dezelfde toon aangeslagen, en slechts geen wanklank wordt gehoord. Zonder gevoel voor de hoogere harmonie der kleuren, die uit de gebroken lichtstraal zich oplossen en weer samensmelten in heur zachtste tinten, wil zij alle kleurenpracht in het kleurloos vaal doen verbleeken. Zonder oog voor het symmetrisch schoon, dat juist uit de buiging en schakeering der kunstlijnen geboren wordt, wil ze alles versnijden en verbuigen naar de rechte lijn, als het eenig ideaal dat haar boeit. De middelmaat is haar het waterpas, waartoe ze den een kunstmatig opheft, waaronder ze anderen met geweld inbuigt, en die ons de middelmatigheid van het moderne leven verklaart. Ja, ligt in den bloei der kunsten de juiste maatstaf van de levenskracht der eeuwen. Is de kunst juist uit bezieling voor het schoon der ware eenheid, uit drang naar voller leven geboren. Immers ook hierin spreekt zich dan de vloek der eenvormigheid uit, dat ons |26| modern leven schier aan alle kunstgave gespeend, aan kunstbezieling arm, van grootsche scheppingen der kunst geheel verstoken is. En meene niemand uwer dat dit gemis bijkomstig zou zijn. Veeleer uit het streven naar eenvormigheid vloeit het noodzakelijk voort. Wint dat streven veld, een weeropbloeien der kunsten is dan nimmer te wachten, en ook ons rest dan niet anders, dan met een der apostelen der moderne wereld uit te roepen: „L’art est mort, bien mort: nos efforts pour le ressusciter n’aboutiront jamais qu’a galvaniser un cadavre. La vraie poésie de notre siècle, ce doit être de n’en avoir aucune.”


IV. [Valsche eenvormigheid, wáártoe ze ons noopt]

Heb ik u dan gewonnen voor de overtuiging M.H.! dat het moderne leven naar eenvormigheid streeft, en dat die eenvormigheid een vloek is te achten, nu dan ten slotte nog de practische vraag, welke gedragslijn ons door dit verschijnsel bij den strijd in Staat en Kerk geboden wordt.

Laat mij met het laatste, met de Kerk, beginnen mogen, en veroorloof mij dan, hoe gewaagd het ook schijne, al aanstonds deze gedachte uit te spreken, dat juist door de kerk, meer dan door iets anders, die heerschappij der eenvormigheid is voorbereid. Natuurlijk, het vraagstuk der eenheid in de verscheidenheid trad voor de kerk van Christus veel vroeger en scherper op dan voor het maatschappelijk leven. Én omdat bij den wedergeborene het eigenaardig karakter veel scherper geteekend wordt, de persoonlijke verscheidenheid meer uitkomt, én wijl in Christus, haar Hoofd, de eenheid der kerk veel sterker gevoeld werd. Van het begin haars wegs stond zij dus voor dat zoo moeilijk vraagstuk, hoe uit de rijke verscheidenheid der krachtige, door den Heiligen Geest gevormde, persoonlijkheden, de eenheid allengs groeien kon, die ze principiëel in Christus reeds bezat. Het is die |27| vraag, die haar gansche geschiedenis beheerscht, en die ook den strijd van onze dagen verklaart.

Maar nu, het behoeft dan ook nauwlijks aanwijzing, hoe de roomsche phase der kerk niets dan een smoring van dit groote vraagstuk is, in het graf der eenvormigheid. Sints de vijfde eeuw heeft de kerk eenvoudig op geestelijk terrein gedaan, wat Nebucadnezar in zijn dagen deed op staatkundig gebied: met miskenning van alle nationale verscheidenheid door dwang den volken een uitwendige eenheid opgelegd. Niet een eenheid die uit het leven groeien zou, maar een eenheid, vooraf in bestek gebracht, en waar het leven zich naar plooien moest, was haar noodlottige keuze. Elke vrije levensuiting werd daarom met het zwaard of door den houtmijt tot zijgen gebracht, en als sectaris afgesneden of als ketter uitgestooten, wie zich niet buigen wilde onder het opgelegde juk. Ja, de eenheid des grafs, waarin Loyola elken geest „perinde ac cadaver” zocht te bedelven, was van dat zelfde streven niets dan de schrilste uiting. En waardoor die eenheid verworven werd? Immers niet anders dan door dezelfde onzalige eenvormigheid, die thans ook het moderne maatschappelijk leven vergiftigt. Eenvormig moest haar geloof, eenvormig haar bestuur, eenvormig haar eeredienst zijn, één taal haar woord aan alle oorden der wereld spreken, en één de plooi en vorm zijn, die ze allerwege aan het leven gaf. Van daar de natuurlijke verstandhouding van de leiders der kerk met de heroën der rijkseenheid, want hoe ook vaak op elkander gebeten, in het beginsel van hun streven waren beiden één.

De hervorming brak die valsche eenheid langs tweeërlei weg. In haar deed het nationaal germaansch karakter zijn recht op het stuk van godsdienst gelden, — en de persoonlijke kracht van het weergeboren hart zocht de kluisters te verbreken die haar boeiden. Er is in de reformatie dus én een nationaal en een individuëel verzet, waardoor de eenvormigheid der christelijke kerk werd gelocaliseerd. Let wel, ik |28| zei dat de eenheid verbroken werd, maar de eenvormigheid werd slechts getemperd. Of wat hebben de kerken der Hervorming anders gedaan, dan op anderen wijs de eenvormigheid van Rome in eigen boezem hersteld. De nationale tegenstand heeft doorgewerkt, en voor de eenvormige kerk van alle natiën, is in veelheid van vormen de nationale kerk in plaats gekomen, maar het individuëel verzet, het recht der persoonlijkheid, en daarmeê de vrijheid van het leven, ze is ook in onze Hervormde kerken gesmoord. Ook bij ons bleef het, zoo ge elke natie op zich zelve neemt, eenvormigheid in belijdenis, eenvormigheid van geestelijke type, eenvormigheid in eeredienst en bestuur. Ook bij ons Hervormden werd het maar al te spoedig, de stroom des levens dichtgevroren door de ijskoude lucht van formalistische eenvormigheid. Ook hier werd het nogmaals, als weleer bij Rome, niet een eenheid uit het leven gegroeid, maar een eenheid die het leven dwingen wilde. Zeg het mij, is het dan zoo onbegrijpelijk, dat die proeve moest mislukken? Of was het niet een al te stout bestaan, de grondfout der eenvormigheid van Rome over te nemen, zonder de krachtige hierarchie, waardoor bij Rome die eenvormigheid werd gesteund? De geesten vrij te verklaren, gelijk de Hervorming deed, en hun toch den ban van alle geestesleven in het juk der eenvormigheid op te leggen, moest het niet op schreiende teleurstelling uitloopen? Is het niet natuurlijk dat de golving van den stroom gedurig die ijskorst zocht te breken: dat eerst een deel der kerk moest worden uitgeworpen, zoolang men het organisme nog samenhield, en dat straks een heir van ontevredenen samenschool en een ongezonde gisting in het leven riep, toen der kerk de macht tot handhaving van haar eenvormigheid ontzonk. Och het vrije leven heeft zich aan die eenvormigheid niet gestoord en is toch zijns weegs gegaan, en als we nu in onze kerk de bontste mengeling bespeuren van de verst uiteenloopende meeningen, wat ligt in dat feit dan anders vóór ons, dan het logisch |29| gevolg van dien monsterachtigen bond tusschen vrijheid en valsche eenvormigheid, waarmeê men het bij ons heeft gewaagd.

En wat dan nú te doen? Leervrijheid huldigen en de kerk tot een spreekzaal maken als dit Odéon is, waar beurtelings vóór en tégen het heilige zal gepleit worden? Maar immers dat is de kerk vernietigen! Leervrijheid in den staat, in de maatschappij, ik versta het, maar wie van leervrijheid in een kerk spreekt, weerspreekt zich zelf en heft het wezen der kerk op. Wat dan? zullen we dan de dagen van voorheen terugbegeeren en confessionalististen in den slechtsten zin des woords, de mannen van ons geslacht in een vorm klemmen, die uit hen niet is gegroeid? Maar dat is het onmogelijke willen! Want het verleden keert niet weer: alle repristineeren is onzinnig: vooraf reeds geoordeeld elk pogen tot reactie, wijl het de rechten van het heden miskent. Dan wordt men confessionalist, ijveraar voor den vorm der confessie, maar zonder den moed dier confessie te bezitten, en brengt ons niet verder, maar voert ons naar de mislukte eenvormigheid terug. Maar zoo we élk denkbeeld van kerk dan eenvoudig prijsgaven, en de belijdeniskerk lieten vallen, om onbegrensd en onbepaald niets dan een belijdende gemeente te bezitten? Ook daarvoor, ik weet het, zijn achtbare stemmen opgegaan. Maar ik vraag: hoe wil men dat? een gemeente zonder sacrament? Immers neen! En zoo niet, vereischt dat Sacrament dan geen organisatie en zichtbaar verband, en hoe ge ook dat organisme neemt, dan hebt ge den kerkvorm immers terug. Een leven zonder vorm, het zou de eenvormigheid zeker wegnemen, maar wordt door vormeloosheid niet alle uitkomen van het leven belet?

Neen M.H. zal de eenvormigheid op kerkelijk gebied, niet slechts door het nationaal verzet als in de dagen der Hervorming gelocaliseerd, maar door de volle kracht van het persoonlijk geestesleven geheel gebroken worden, dan weet ik geen andere oplossing, dan dat men zonder de minste nevengedachte, vrij en onverholen, de vrije veelvormigheid aanvaarde. |30| Een kerk gelijk de onze thans is, valt weg, en is in erger staat dan van ontbinding; zij rot bij levenden lijve weg. Welnu, wie kerkherstel wil, zoeke dan geen kerkvorm te herstellen, die zich zelven geoordeeld heeft. Alle nieuwe kerkformatie, ze zuivere vóór alle dingen den vloek der eenvormigheid, die de moeder der leugen is, volkomen uit. Men dwinge niets, en zoeke niet te vereenigen, wat niet één in het leven is. Zijn daar van goeden wille die ééns zins en geestes zijn, laat zij zich aaneensluiten, en moedig het geloof huns harten belijden, maar dan ook geen sterker eenheid uitspreken, dan hun werkelijk gemeenschappelijk is. Laat zoo met volkomen autonomie zich groepen en kringen vereenigen, die weten wat ze willen, weten wat ze belijden, en voor wie een eenheid in het leven bestaat, en niet een eenheid in naam. Zijn er zulke kringen, hier en ginds, die een gemeenschappelijken levenstrek vertoonen, dat ze zich die eenheid bewust worden en voor het oog der wereld toonen, maar alleen die karaktertrek en geen andere band verbinde hen saâm. Niet om daarmeê het congregationalisme te huldigen. Wie dien kerkvorm huldigt, miskent het levensverband der geesten en heft de gemeente, als uit Christus geworden, op. Neen, maar wijl alleen door vrije keurverwantschap de ware verbindingen der geesten zich openbaren kunnen, de geërfde krankheid van vroegeren misslag alleen door dat heroiek medicijn kan worden uitgedreven, en alleen langs dien weg een gemeenteleven ontluiken kan, dat nóch het recht der vrijheid rooft, nóch zich vermaakt in valsche eenheid. Men heeft mij, om een pleidooi onder het nog vigeerend recht, wel eens verdacht van clericalistische neiging. Behoefte is het mij daarom te getuigen, hoe ik, met al de kracht die in mij is, elk clericalisme verfoei. Eenvormig is alle clericalisme, eenvormig alle confessionalisme, en dáár, alleen waar het vrije gemeenteleven op kan treden, komt elk leven tot zijn vorm. Een confoederatief systeem, zietdaar dan, wat met den aard van ons volk meest overeenkomstig, mij de eenige |31| uitweg schijnt, om vrijheid en eenheid te verbinden, zonder dat de waarheid schade lijdt, en zúlk een toekomst voor te bereiden, waarbij de vorm niet kunstig gemaakt wordt, maar door de kracht des geestes uit eigen leven groeit.

Slechts uitspreken kan ik die gedachte M.H., die uit te werken is mij thans niet vergund, want ook de strijd op staatkundig gebied moet nog vluchtig besproken. Ook daar, we zagen het straks reeds, woedt de eenvormigheid van het moderne leven. Eenvormig moet de grondwet zijn, voor al Europa’s staten: eenvormig de bestuursvorm in elk gewest en elke stad: eenvormig het model waar naar Javaan en Hollander moet versneden: eenvormig de leest waarop het onderwijs voor allen moet geschoeid: eenvormigheid is i.e.w. het shibbôleth, dat bij elk der brandende vraagstukken van onzen tijd terugkeert. Welnu daar juist tegen keert zich in beginsel, wie van christelijk-historische richting is: want juist door vrije ontwikkeling van het historisch gewordene leven streeft ze naar die eenheid, die in Christus ligt. Verre van de smetstof der reactie op ons volksleven te willen inenten, beoogt ze met haar verzet tegen den bestaanden toestand, niets dan handhaving van den eigen levensvorm onzes volks tegen de doodende eenvormigheid onzer eeuw. „Vrijheid en Ontwikkeling” heeft ze lief, „Vooruitgang en Beschaving” zijn haar woorden haars harten, als ze zich ten strijde aangordt tegen de geweldenarijen der valsche eenvormigheid, die in vrijwillige slavernij de vrijheid begraaft en door afsnijding van den levenswortel allen ontwikkelingsgroei onmogelijk maakt. En daarom zwak, waar ze repristineerend, den vorm van vroeger dagen voor de eenvormigheid van den modernen staat in plaats zou willen stellen, is ze onweerstaanbaar, onverwinlijk, waar ze het recht van het leven op een eigen vorm tegen valsche uniformiteit bepleit. Aan haar dus het recht, maar aan haar ook de plicht, om het nationale, wat nog in onze grondwet leeft, én tegen Anglomanie én tegen elk pogen te verdedigen om een eenvormige |32| model-constitutie aan Nederland op te dringen. Aan haar de plicht, om niet een willekeurige, maar historische, aan de wetten des levens gehoudene, autonomie voor personen, steden en gewesten, tegen het alles vereenvormend centralisme te handhaven. Aan haar de roeping om zich met kracht te verzetten tegen het modelleeren onzer wingewesten, naar wat hier het leven eischt, zoo daar zijn die ook bij Javaan en Madurees de experimenten der revolutie willen wagen. Voor Javaan en Europeaan, voor elk een eigen levenswijs, een eigen regeringsvorm! dus moet haar leuze zijn. Maar evenmin mag ze zich krampachtig blijven vastklemmen aan het vigeerend stelsel van cultuur, zoo het blijkt, dat de kracht van het leven dien vorm geheel doorbroken heeft. Neen, zich buigende voor Sinaï’s gebod, en onkreukbaar in rechtvaardigheid, moet ze niet den goudschat van daar opeischen, maar veeleer het Evangelie aan Insulinde’s volkeren brengen, niet om ze „nederduitsche”, maar om ze javaansche christenen te maken, in wier huislijk en maatschappelijk leven naar eigen aard en vorm het geestesleven stroomt. Niet minder volhardend moet haar strijd zijn tegen de eenvormige leest, waarop de staat elk onderwijs schoeit: niet om den gemengden vorm van het onderwijs te bestrijden, voor wie dien gemengden vorm wenscht, maar der gemengde school de suprematie, de alleenheerschappij te betwisten, en nevens haar gelijkelijk, onbekrompen recht te eischen voor elke levensuiting, die een eigen vorm van onderwijs begeert. Ja, recht voor allen te eischen, elke levensuiting tot haar recht te brengen, moet haar onverpoosd, haar rusteloos streven zijn. Maakt een kieswet als we thans bezitten, de openbaring der minderheid onmogelijk, een andere verkiezingswijs, niet naar toevallige locale districten, maar naar de districten der geesten ingedeeld, mag dan in haar programma niet ontbreken. Maar bovenal, is „een eigen vorm voor het eigen leven!” de energieke eisch waarmee ze tegen de eenvormigheid van den modernen staat te velde trekt, ze |33| schuwe vóór alles dan elke fusie met wie anderes geestes zijn, elke samensmelting, met wien of naar welke zijde ook, blijve steeds zich zelve en drage fier en vrij haar eigen kleur.

Keert zoo bij elk staatkundig vraagstuk steeds datzelfde pleit der eenvormigheid terug, die eenvormigheid ze blijft ook dan nog de kanker, dien we moeten uitsnijden, als we ten slotte op het vraagstuk van den ganschen staat, op de vraag naar onze onafhankelijkheid komen. De eenvormigheid van het Caesarisme is onze buitenlandsche, de eenvormigheid van het Cosmopolitisme onze binnenlandsche vijand, die te zamen in noodlottigen bond ons volksbestaan bedreigen. Neen, niet door Napoleon, niet door von Bismarck, maar alleen door die eenvormigheid van het moderne leven is de „question hollandaise” gesteld. Zij is het, die de physieke, onpersoonlijke macht van het geweld „durch Blut und Eisen” tot zoo ontzettende afmetingen opvoert, dat het elk volksbestaan dreigt te verpletteren. En zij, die eenvormigheid, is het niet minder, die in eigen boezem de spierkracht van ons volksleven zoo verslappen doet, dat het soms schijnt, of we ongevraagd den vijand de bewijsstukken in handen zoeken te spelen, dat Holland zich zelf overleefd heeft, en den buitenlander bij zijn vraag „is such a one fit to govern?” het antwoord van Macduff op de lippen wil leggen:

„Fit to govern!
No, not to live, o miserable nation!”

Bestrijding dier eenvormigheid is dus strijden vóór het vaderland. Haar ondermijnen, den grondslag hecht plaveien waarop elk volksleven rust. En nu, daartoe kunnen we immers allen medewerken M.H., elk in zijn huisgezin, elk onzer in zijn eigen hart. Want neen, niet uit de lucht daalt de volksgeest neder, maar uit den geest van het huisgezin klimt hij op; en de geest van elk huisgezin waardoor anders wordt hij gevormd dan door het hart van wie samenwonen onder |34| een zelfde dak? Zonder een Hollandsch hart geen Hollandsch huisgezin, en zonder dat geen Hollandsch vaderland, wie is er die die waarheid weêrspreekt? Wilt ge dus een volk blijven, zal ze vervuld worden de profetie, dat oud-Holland „weer groeien en weer bloeien!” zal, ja brandt u de gloed in de aderen, om een antwoord „à la Hollandaise” te geven, als ooit weer die „question hollandaise” mocht gesteld worden, laat „een eigen vorm voor het eigen leven!” dan de leus zijn, die vóór elk ander devies in uw banier geschreven staat. Houd het Hollandsch karakter dan in eere, drijf de volkszonden uit, maar blijf de volkszeden beminnen. Ja, Hollanders in echten zin, blijft dat M.H.! Doet uit uw midden weg die laffe zucht, om wat uit den vreemde tot u komt, bovenmatig te prijzen, en laat niet meer het merk van vreemden, maar van vaderlandschen oorsprong, voorkeur in uw schatting bezitten. Handhaaf oud-Holland’s roem in het aanleeren van vreemde talen, maar laat er geen taal zijn, die ge liever spreekt, beter schrijft vooral, dan die schoone, rijke moedertaal, waarin Holland’s volk alleen uit kan spreken, wat een Hollandsch hart gevoelt. Voed uwen geest niet enkel met wat in het buitenland gedacht is en gezongen, maar drinkt ook uit uw eigen dichters den stroom van Holland’s leven in. Maak u niet door ouderwetschheid belachelijk, maar heb evenzeer te goeden smaak, te kuisch gevoel, gij dochters van Nederland! om u ooit te vertoonen in een uitheemsch gewaad, dat in Frankrijk’s hoofdstad is uitgedacht door vrouwen, die de eer der vrouw niet meer verstaan. Zijn er onder u, die veel naar vreemde landen reizen, zij het dan niet om daar uw volksaard u te schamen, maar om als Hollanders uit te trekken, als Hollanders u te vertoonen, en met een hart dat voor ons Holland klopt, weer de grenzen van het lieve vaderland te begroeten. Zij de roemruchtige geschiedenis van het voorgeslacht u niet een monument van het verleden zijn, maar de stroomkaart van dat nationale leven, dat ge zelf in de aderen |35| kloppen voelt. Ja Hollander! laat ons dat maar zijn in elken kring en elke levensuiting, — en al beheerscht dan onze vlag de zeeën niet meer, dan zullen we toch dien rechtmatigen invloed herwinnen, waardoor we het erfpand, óns volk toebetrouwd, tot een zegen voor heel de menschheid worden doen. Ja, laat in de met bloed doorweekte erve onzer vaderen oud-Holland’s volk maar uit zijn graf weer opstaan, en o! dan mag een ander Spanje ons volksbestaan willen uitroeien, een ander legerbent onze zonen ten doode wijden, een andere dwingeland de knie op Hollands borst willen zetten, — maar dan zal ook de Maccabeënmoed der vaderen in ons herleven, en nog eens ons volk het zoo misbruikt Oranjedevies tot wachtwoord kiezen, en een krachtig „nous maintiendrons” hooren doen, waar men ons tot verdwijnen dwingen wil.

O! gave God, dat zoo de wil van ons volk was, maar dan een wil in Zijn wil gesteund. Immers geldt reeds voor elk volk de diepe waarheid, dat het zich zelf uit de rei der natiën schrapt, door zijn vroomheid in te boeten, hoeveel te meer dan niet voor het volksbestaan van Nederland, dat aan een godsdienstige beweging zijn oorsprong dankt. Het „Mijn volk is uw volk,” maar dan ook „Mijn God is uw God,” zijn woorden, die niet slechts op de lippen der Moäbitische, maar nog steeds in het hart van elk onzer elkaar verzellen moeten. Zonder godsdienst geen vaderlandsliefde, waar de godsdienst het krachtigst werkt, ook de liefde voor land en volk het sterkst ontwikkeld, dus leert het ons de geschiedenis immers op elke bladzijde. Vormt de degelijkheid der karakters den volksaard, en is het de godsdienst, die in het menschenhart eerst de echte persoonlijkheid uitbeitelt, niet in een valsche geestdrift, maar in een vromen zin, mag dan alleen de kracht gezocht worden, die onzen volkszin kweeken, stevigen en adelen kan. En daarom, wilt ge een volk blijven, o! volk van Nederland! zij dan godsvrucht uw eerst wapen in den strijd voor onafhankelijkheid, en daarna eerst |36| geschut en zijdgeweer. Hebt ge uw vaderland lief, gevoelt dan uw roeping om steeds vromer, steeds godsdienstiger te worden, en geloof het, dat hoe meer kinderen Gods de erve onzer vaderen telt, te hooger de muur rijst, die haar vrijheid zal beschermen. Ja, wilt ge niet versterven, ook al werd ge niet vernietigd, zal niet oud-Holland’s eere door uw onmanlijkheid uitsterven, maar het roemruchtig voorgeslacht uit uw lendenen zaad zien, o! zoekt dan uw hulp waar de vaderen die gezocht hebben, en buigt als vrije mannen voor niemand het hoofd, maar buigt zelf uw knieën en leert ze uw kinderen buigen voor der vaderen God.

Alleen godsdienst is de levenspool die tegen den dood der eenvormigheid overstaat, en daarom oud-Holland’s Stedemaagd, laat dat het beeld zijn, dat ge bij het verlaten van deze plaatse met u neemt.

Gij kent haar van onze oude munt. Omtuind ziet ge haar afgebeeld, . . . want als de grensmuur valt en ons Holland wordt ingelijfd, kan Oud-Holland niet meer bestaan. Met de speer in de hand, . . . want gewapend trekken onze zonen ten strijde, om, moet het, niet als lafaards vermoord, maar als helden verwonnen te worden. Maar dan ook steunende op de Schrift, steunende op den Bijbel, . . . want geen ranke gestalte, geen hooggetuinde wal, geen stalen werpspies redt haar, zoo ze uit die Schrift geen levenskracht, uit die Schrift geen stervensmoed kan putten. Maar dan ook mét die Schrift, ja, dan wuift ze hoog en fier de muts der vrijheid in het rond, omdat ze dan uit die Schrift geleerd heeft, dat leven kan wie sterven wil, en waar God met ons is, ons geen dwingeland zal doen bukken.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000