Het Calvinisme oorsprong en waarborg onzer Constitutioneele Vrijheden

Een Nederlandsche gedachte

door Dr. A. Kuyper

Tweede Druk.
Amsterdam, B. van der Land. 1874



De stelling, naar den aard eener lezing, in dit opstel slechts vluchtig, door aanstippen meer dan door uitwerking der bewijsgronden, vooral der geschiedkundige gegevens, betoogd, hoop ik eerlang, breeder opgezet en vollediger toegelicht, aan de critiek onzer geschiedkenners en staatslieden te onderwerpen.

Slechts ter afwering van misverstand zij hier nog bijgevoegd, dat deze lezing reeds in November ’73 te Utrecht gehouden en dus allerminst een program is, opzettelijk met het oog op mijn benoeming tot lid der Tweede Kamer bewerkt.


Amsterdam, 20 Mei 1874.

K.




Bij tweede druk geef ik deze lezing onveranderd. Slechts een tiental zinstorende fouten, die in de eerste inslopen, zijn verbeterd.


Amsterdam, 20 Juni 1874.

K.






M.H. Nog algemeen heerscht de voorstelling, dat wij, Westersche volken, en onder deze ons volk vooraan, ons in het ruimst denkbaar genot van vrijheid verheugen en ook voor de toekomst over het ongestoord bezit dier vrijheid zonder zorge kunnen zijn. Ik deel die meening niet, en neig veeleer tot de vrees, dat er, ik zeg niet voor verlies, maar dan toch voor beperking van onze burgerlijke vrijheden metterdaad reden van beduchtheid is. Van vrijheid, niet van vrij spel voor alle willekeur spreek ik; een vrijheid bedoel ik, gelijk reeds Winthrop ze in 1650 voor een Amerikaansche volksvergadering omschreef: „niet die bedorvene, die den mensch verlaagt, vrijen teugel eischt voor elke gril, aan geen gezag zich stoort, geen orde duldt en met waarheid en gerechtigheid in onverzoenlijken strijd is; neen onzer zij die echte, burgerlijke en teffens zedelijke vrijheid, die niet verstoort maar saâmbindt, juist aan het gezag haar steunsel ontleent, en het recht biedt en waarborgt, om zonder vrees hart en hoofd en hand te wijden aan wat goed en schoon, aan wat edel en rechtvaardig is. Alleen zulk een vrijheid, riep Winthrop uit, is mij het heilig pand, dat tot elken prijs moet verdedigd worden en desgevorderd het offer waard is van ons lijf en bloed!” 1) |6| Op het ongestoord bezit dier deugdelijke vrijheid nu ben ik verre van gerust. Er is, wie zou het ontkennen, veel goeds tot stand gebracht. Men heeft de bevoorrechting der standen afgeschaft, menig instrument der tyrannie onbruikbaar gemaakt, er is gelijkheid voor de wet, het volk heeft beter dan weleer aandeel in de publieke zaak gekregen. Alleruitnemendst, maar is er daarom niets aan van de scherpe critiek door den liberaal de Tocqueville geleverd: »Die burgers, in schijn zoo tuk op hun vrijheid staan, jaar op jaar, schier ongemerkt, weêr en weêr een deel van hun persoonlijke zelfstandigheid af aan de adminstratieve macht, et ces mêmes hommes, qui ont renversé des trônes et foulé à leurs pieds les rois de la terre, se plient sans résistance aux caprices d’un simple commis.” 2) Of is het te loochenen, dat de centraliseerende Staat al meer uitgroeit tot een reusachtig gevaarte, waartegenover elk burger ten leste machteloos staat? Zijn niet alle zelfstandige instituten, die, met souvereiniteit in eigen kring bekleed, steunpunt tot verweer boden, voor de tooverleus van den éénen, ondeelbaren Staat bezweken? Eertijds was er autonomie voor gewesten en steden, autonomie voor gezinnen en standen, autonomie der rechtspleging, autonomie voor onze universiteiten, autonomie voor corporatiën en gilden. En thans? Immers de Staat heeft achtereenvolgens alle deze provinciën van zelfstandige rechten geannexeerd: de Staat, die onze gewesten reglementeert, onze steden de wet stelt, uw huisdeur binnentreedt, uw erf onteigent, meester is van ons recht, curatoren en hoogleeraren tot zijn dienaren maakt, geen enkele corporatie langer dan als eigen afhangelinge duldt, en, door de vinding der administratieve rechtspraak, partij en rechter tevens is, zoo vaak de burger tegen hem klaagt. Men heeft en terecht de geweldenarijen gevloekt van het „ancien régime,” maar vergeet niet, het deel van het volksleven, waarover de Staat destijds het net spande, stond tot het terrein ónzer administratie als één tot tien. Vraag het slechts aan Europa’s budgetten, toen van tonnen, nu van milliarden. Zich in iets niet te mengen, lijkt thans voor den Staat |7| wel tekortkoming en plichtsverzuim, en de beste minister wordt hij geacht, die, met Cherubsoogen alomtegenwoordig, u geen plek op het vaderlijk erf laat, waar de arm zijner gedienstige ambtenaren, de arm zijner wetten en besluiten u niet bereikt.

Ge hebt gelijk, weleer onderdrukten de corporatiën het individu en dies heeft men ze ter wille der individueele vrijheid onder den voet gehaald. Maar is de enkele persoon dan nú vrijer, weerloos en hulpeloos als hij zich geplaatst vindt tegenover de alle corporatiën in zich opslokkende Grootcorporatie van den Staat? Wat zal ons geworden, als de niets sparende, nauw begonnen centralisatiezucht haar loop zal voleind hebben? Waar uw macht tot verweer zijn, indien de apotheose van den Staat voortgaat elk verweer reeds vooruit als heiligschennis te brandmerken? Wat blijft er van uwe persoonlijke vrijheid, zoo ten leste het Caesarisme uit dien modernen Staat opwast en het modern Imperialisme, zijn „panes et circenses” in oeconomische regeling van materiëele welvaart omzettend, zich alles veroorlooft, wijl er niemand is die weêrstaat, wijl niemand weêrstaan kán? Ik weet wel, dát kwaad bleef dusver nog op onze Oostergrenzen bezworen, onze erve betrad het nog niet. Maar ook dát kan verkeeren, en wat dan? Meent ge dat dan ook nu nog de fiere burgergeest, op de aloude vrijheden tuk, uw schild en borstweer tevens zijn zal, den hoed der vrijheid schuddend op de welgewette speer? Vraag het aan Opzoomer, die zoo terecht nog onlangs klaagde, dat de onverschilligheid der burgers het weinig verder meer brengt dan tot een kouden glimlach, een „eventjes lachen,” het der moeite niet meer waard keurend, om zich de dingen aan te trekken, en door ajkhdiVa, gelijk de Grieken ’t noemden, d.i. door sybaritische geblaseerdheid, het warm worden voor een idée, een recht, een vrijheid verleerd. Die verstomping van het rechtsbesef, dat „laissez aller,” die politieke onaandoenlijkheid der burgerij tegenover een aan macht en omvang en invloed steeds wassend staatsbestuur, dát is dat „se plier aux caprices d’un simple commis,” waarover de Tocqueville zich ongerust maakt. Juist in die burgers zonder |8| fierheid bij een staatsmacht zonder grenzen schuilt voor de vrijheid gevaar.

Dát gevaar nu af te wenden is het doel ook der antirevolutionaire richting, en ik weet het, althans in zoover mag ze op uw aller instemming rekenen, ook al mocht het middel dat ze ter doelsbereiking koos den één onaanwendbaar, den ander bedenkelijk voorkomen, voor velen uitteraard volstrekt onaannemelijk zijn. Slechts één ding, bid ik u, oordeele niemand haar dan die ze kent, en gunt mij, wijl die kennis niet aller is, u haar streven ter redding onzer vrijheid in korte trekken te ontvouwen.




Een axioma ga daartoe voorop. Laat mij het dús omschrijven: De waarborg voor de levensvatbaarheid van een plant ligt in den wortel waaruit ze opschoot. Derhalve, zoo spreekt onze richting, moet, wie ons het bezit onzer vrijheid waarborgen wil, vooraf weten waar haar oorsprong ligt, zeggen kunnen van waar ze ons kwam. Daartoe nu is kennis der historie noodig en in zoover is het vraagstuk dat ik voorleg van zuiver wetenschappelijken aard.

Het terrein van onderzoek voor dat vraagstuk wordt bepaald door algemeen erkende feiten. Dat er, vergeleken bij Europa, noch in Azië noch in Afrika van vrijheid sprake is, vereischt geen betoog. In Europa zal niemand bij voorkeur de bakermat der vrijheid in Rusland of Turkije, in Spanje of Oostenrijk zoeken. Zelfs over Italië en de Noordsche rijken, over Duitschland en Frankrijk zal men nog aarzelen kunnen. Wie daarentegen Engeland, Holland, Zwitserland en Amerika als landen van staatkundige vrijheid roemt, is vooruit van aller instemming zeker. Met deze geographische aanwijzing valt de chronologische saâm. Immers, de Reformatie en vóór de Fransche revolutie is er schier uitsluitend in Engeland, Holland, Zwitserland en Amerika van staatkundige vrijheid sprake; en ná de revolutie van ’89 is de acclimatatie eener nog mildere vrijheid buiten de erve van dit viertal natiën dusver vruchteloos beproefd. Er |9| is dus oorzaak, om aan dit viertal volkeren een buitengewoon brevet van geschiktheid voor staatkundige vrijheid uittereiken. Buiten hún levensterrein vindt ge den oorsprong onzer vrijheid niet.


Vanwaar deze gunstige uitzondering?

Bancroft, de beroemde geschiedschrijver van Amerika antwoordt u: „het enthousiasme van mijn volk voor de vrijheid is geboren uit zijn geestdrift voor het Calvinisme.” 3)

De Tocqueville getuigt meê: „Amerika’s vrijheid ziet in den godsdienst den schutsengel van haar worsteling en zegepraal, de bakermat van haar eerste leven, de goddelijke bron van haar recht.” 4)

Auguste Laugel zegt in zijn pas verschenen werk „L’Angleterre politique et sociale”: „Frankrijks doctrinairen leiden de vrijheid uit een idé af. In Engeland daarentegen was de godsdienstige vrijheid moeder van alle staatkundige vrijheden. De H. Schrift heeft den Engelschman vrijgemaakt door hem te onderwerpen aan haar gezag.” 5)

Groen van Prinsterer, ook als geschiedkenner één onzer coryphaeën schreef nog onlangs: „In de Calvinistische Reformatie naar de H. Schrift ligt oorsprong en waarborg der zegeningen, waarvan 1789 de bedriegelijke belofte en de jammerlijke caricatuur gaf.” 6)

En ge weet, voorzooveel ons land betreft zijn Bakhuyzen van den Brink en R. Fruin het over den Calvinistischen oorsprong onzer vrijmaking van Spanje met Motley en Da Costa volkomen eens.

Alzoo, in het Calvinisme zou de oorsprong onzer vrijheid liggen. In zooverre reeds beveelt deze oplossing zich aan, dat juist in de vier genoemde landen de Hervorming een zeer scherp Calvinistisch stempel droeg en door Genève werd beheerscht. Dit geldt van Zwitserland en Engeland, van Holland en Amerika om strijd. |10|

Toch mag op dit vermoeden niet afgegaan. Immers het propter hoc kan ook hier van het post hoc onderscheiden blijken, en dan eerst zal er voor ons vermoeden bewijs zijn, zoo de gang van het Calvinisme door zijn drie stadiën: de Fransche godsdienstoorlogen, de Engelsche Revolutie en de stichting van Amerika’s statenbond, ons metterdaad de ontluiking toont dier staatkundige vrijheden op wier bezit we fier zijn. Gaan we tot dat onderzoek dan over.


Vooraf echter een dubbele opmerking.


De eerste is deze: Onze Calvinisten noemen zich thans veeltijds anti-revolutionairen? Hoe is deze term te verstaan? Heeft men recht deze richting met de Pruisische partij van Stahl of de Ultramontaansche wereldpartij te vereenzelvigen? In één opzicht zeer zeker. Als de vraag gesteld wordt: Of de Staat zonder den wortel des geloofs kan bloeien, is òns antwoord met het hunne volmaakt eensluidend. Tegenover de grondgedachte der Fransche revolutie: het schepsel te emancipeeren van den Schepper, zijn we één. Bedoelt men daarentegen, of uit dit gemeenschappelijk beginsel door allen eenzelfde staatsrecht wordt afgeleid, dan moet ik op boedelscheiding aandringen en handhaaf ik voor het Calvinistisch staatsrecht de zelfstandigheid die aan het Gereformeerde leven toekomt. Op den grondslag van háár belijdenis is door Rome een eigen staatkundig stelsel opgetrokken, dat naar den aard harer hierarchie overwegend monarchaal was. Dat stelsel wist ze in practijk te brengen. Alle staten der middeneeuwen waren naar de theorie der twee zwaarden ingericht. In Rome, die eere mag haar niet onthouden worden, lag voor het staatsrecht metterdaad de kiem eener scheppende gedachte. Niet alzoo in de Luthersche reformatie, die wel verbouwde maar niet nieuw bouwde. In Duitschland en de Noordsche rijken zette men ook na de Hervorming het |11| staatkundig leven der middeneeuwen eenvoudig voort, slechts met Caesaro-papisme in steê van Hierarchie, door verplaatsing van het geestelijk gezag uit de Roomsche Curie naar het vorstelijk kabinet. Het Calvinisme daarentegen heeft getoond, terdeeg de kracht te bezitten, die de Luthersche reformatie miste, en evenals Rome uit een eigen beginsel een eigen stelsel voor het staatsleven afgeleid, dat ge zelfs onder monarchalen vorm, onveranderlijk herkent aan zijn republikeinsch karakter. Calvijn heeft gedaan, wat Luther niet vermocht, hij heeft nationaliteiten gesticht. Onze Unie, het Engeland der „glorious Revolution,” het Schotland van het Covenant en Amerika in zijn Noorder Statenbond zijn stichtingen uit zijn geest. Men versta mij wel. Ik weet dat de Roomsche Kerk zich desgevorderd in elken staatsvorm schikken kan; ik weet dat ook vóór de reformatie de volksvrijheden in deze landen geëerd waren; ik weet dat door geleerde Jezuïten zelfs voor democratische denkbeelden geijverd is. Hier echter, waar sprake is, niet van abnormale uitingen, maar van het levensbeginsel zelf, mag ik de grondgedachte van Rome niet anders kenteekenen, dan als streng monarchaal. Waartegenover de stellige uitspraak van Calvijn staat: »Ik kom er voor uit, dat de republikeinsche regeeringsvorm, ’t zij dan zuiver aristocratisch, ’t zij uit aristocratische en democratische elementen gemengd, mij verre verkieslijk dunkt,” een overtuiging bij hem niet in eenig denkbeeld van ’s menschen voortreffelijkheid, maar integendeel in zijn diepe opvatting van de zonde wortelend. Want hij voegt er bij: „’s menschen zondige geaardheid is oorzaak, dat het veiliger en beter is, meerderen tegelijk aan het staatsroer te plaatsen, opdat de een den ander tegenhoude, waar zondige heerschzucht in dwingelandij ontaarden zou.” 7)

Dat dit de Constitutioneele monarchie niet uitsluit, spreekt vanzelf, en zie dan hier tevens wat ons in den grooten Stahl een gids doet erkennen en ons toch zeer beslist van hem scheidt. Stahl is buiten kijf de uitnemendste pleitbezorger der anti-revolutionaire |12| beginselen die in den jonsten tijd is opgestaan; geen die met beslister cordaatheid en fijner tact het bruikbare en verwerpelijke in het moderne staatsrecht heeft geschift; ook hij is aanhanger eener monarchie die constitutioneel is. Wie echter waande, dat Hollands anti-revolutionairen daarom Stahl slechts te copiëeren hadden, zou zich vergrijpen aan onze zelfstandigheid. Een constitutioneele Monarchie wil hij, en wij met hem. Maar terwijl hij ijvert voor een Monarchie die constitutioneel is, beoogen wij een Constitutie die monarchaal zal zijn. Stahl komt uit de Monarchie naar de Constitutie, wij uit onze Constitutie naar de Monarchie. Hij bleef Luthersch, wij zijn Gereformeerd, en hebben dies een ander staatsrecht. Hem zonder criterium ten gids voor onze toestanden te kiezen, ware dus ondoordacht en oppervlakkig. Stahl zelf erkent dit, als hij den karaktertrek van het Lutheranisme noemt: „für monarchische Loyalität das stärkste Fundament” en van het Calvinisme getuigt: »es neigt zum republicanischen und pflegt das Moment der gesetzlichen Ordnung überwiegend vor der Persönlichen Autorität und dem Bande zu ihr.” 8) We mógen dus niet naar Stahl beoordeeld worden. In kringen van hof en adel, maar uit den Réveil dan uit het Calvinisme geloovig, moge men, uit licht bevroedbre oorzaak, met Stahl’s eeuwige beginselen ook zijn ongereformeerde en onhollandsche vormen hebben overgenomen, Groen van Prinsterer was van meetaf te goed Nederlander en te zeer volksman, om ons Puriteinsch en Calvinistisch volk niet te eeren in zijn eigen geestesaard. Juist daaraan dankte hij zijn onverwinlijke kracht tegenover geestverwanten als Van Zuylen. En vraagt ge dan ook, aan wie ons Calvinistisch volk, bij strenge handhaving van het hemelsbreed verschil in beginsel, het liefst zijn sympathie gunt, dan is het niet aan de Ultramontaan, niet aan de Conservatieven, zelfs niet aan de doctrinaire liberalen, maar eer aan hen, die onze volksvrijheden nog milder wenschen. Het hart van ons volk, en ik meen het te kennen, was nooit bij de achterhoede, |13| maar steeds bij den vaandrig die vooruittoog in den strijd voor vrijheid, volksontwikkeling en recht.

Mijn andere, veel kortere opmerking voeg ik hier aanstonds aan toe. Om tegen misverstand gevrijwaard te zijn, moet ik er scherp den nadruk op leggen, dat mijn beweren niet is dat de Fransche revolutie, maar dat onze staatkundige vrijheid uit het Calvinistisch geloof geboren is. Immers, anders kon ik veilig, onbeducht voor tegenspraak, van elk betoog afzien. Dat toch onze huidendaagsche revolutie met het Calvinisme in familiebetrekking zou staan, werd maar al te luide van alle kant beweerd. De roomsche geschiedschrijvers noemen Calvijn zelfs met voorliefde den geestelijken vader van de Fransche revolutie. »De gevolgen, zegt Prof. Alzog, van Freiburgs Roomsche Universiteit, de gevolgen der Hervorming werden eerst recht duidelijk, toen ze van het godsdienstig terrein op dat der staatkunde oversloegen. De Fransche revolutie en de Reformatie zijn in den grond één.” 9) En dat men in het liberale kamp even deugdelijke met den factor der Reformatie rekent, blijkt genoegzaam uit Cousins bekende uitspraak: »Le seizième siècle est le commencement de la révolution philosophique; le dixhuitième la généralise et la répand.” 10) Stahl antwoordt hierop: „Nach ihrem innersten Wesen sind Puritanismus und Revolution sich nicht verwandt, sondern entgegengesetzt.” 11) Waarom? Beiden immers bedoelen de vrucht der vrijheid? Ongetwijfeld, edoch ze teelend op geheel verschillenden wortel. »Vrijheid uit de philosophische idée” is de leus der Encyclopaedisten, »Vrijheid uit het geloof” het tooverwoord der Hervorming. Dat nu de revolutie niet, de reformatie wel in het brengen van vrijheid slaagde is ons beweren. Let slechts op de feiten. In Spanje, Oostenrijk en Frankrijk roeide men de reformatie uit en kweekte men de revolutie, en wat bleef de politieke vrijheid er zwak! In Zwitserland en Holland waar ná de reformatie de revolutie werkte, is de innerlijke veerkracht der vrijheid eer gezonken dan verhoogd. Engeland daarentegen dat wél de reformatie, maar niet de revolutie van ’89 liet doorgisten, is nog steeds de leidsvrouw |14| van Europa’s volken in den strijd tegen geloofsvervolging en staatkundige dwingelandij.


En nu mijn historisch betoog, waarbij ik de ontwikkelingsstadiën van het Calvinisme liefst in omgekeerde orde neem. Ik begin met Amerika, kom dan op Engeland en leid u over de Fransche godsdienstoorlogen langs Beza naar Calvijn.


I.

Ik begin met Amerika, wijl iemand die de Amerikaansche vrijheden aandurft, zeker niet onder verdenking van reactie valt. Niet alsof Amerika’s toestand mij zonder vlek of rimpel dunkt. Integendeel, ook mijn bezwaren tegen den Yankeegeest in de havensteden en bij de geldvorsten zijn zeer ernstig. Slechts oordeele, wie oordeelen wil, niet onrechtvaardig en vergete niet dat Amerika nog zeer jong is, meer dan eenige natie bedorven elementen van andere volken in zich had op te nemen en door de uitgestrektheid van zijn grondgebied (bijna zoo groot als Rusland, Duitschland en Frankrijk saâm) zeer licht aan verbastering van zijn nationaal karakter bloot stond. Genoeg, hierover bestaat geen verschil, dat Amerika’s Unie geen enkele vrijheid derft waarvoor men in Europa strijdt. Er bestaat volstrekte vrijheid van geweten, vrijheid van bedrijf en handel, vrije deelneming der burgers aan de publieke zaak, een in alles verantwoordelijk bestuur, een klein leger, weinig drukkende belasting, er is vrijheid van vereeniging, vrijheid van drukpers, vrijheid van eeredienst, vrijheid der gedachte. De rechtspraak is er snel en goedkoop. Bevoorrechting van stand is er ongekend. Aller gelijkheid voor de wet is er zonder voorbehoud. Geen twijfel dus of de moderne vrijheden bloeien in Amerika zonder de minste beperking. Over te veel vrijheid moge soms een klacht vallen, over een tekort in |15| zijn vrijheid te klagen, ware in Amerika ongerijmd. Om nu te beslissen, of deze milde staatkundige vrijheid in de Fransche revolutie, dan wel in de Geneefsche reformatie haar oorsprong vindt, dient onderzocht, welke houding de Amerikaansche Unie in het laatst der vorige eeuw tegenover het Frankrijk der revolutie heeft aangenomen. Heeft het destijds Frankrijk zijn onverholen sympathie getoond en zich gehaast de nieuwe vondsten der Nationale Conventie over te nemen, dan is het pleit voor het Calvinisme verloren. Blijkt daarentegen, dat de Bondsregeering, door de kern der natie gesteund, zich, wetende wat zij deed, met afschuw van het Frankrijk der Mirabeau’s heeft afgekeerd, dan vervalt elk denkbeeld van affiliatie tusschen het vrije Amerika en het Frankrijk van ’89 vanzelf.

Voor die vraag nu staande ben ik bereid aan de gangbare voorstelling, die in de Amerikaansche en Fransche revolutiën tweelingloten van eenzelfden stam ziet, het uiterste toe te geven. Ik ontken niet, dat er formeel sterke overeenkomst bestond tusschen de eischen van het New-Yorksch gepeupel en het Parijsche proletariaat. Ik geef toe, dat de Amerikaansche pers een oogenblik even enthousiast met holle klanken en abstractiën en algemeenheden gedweept heeft als de Fransche Pamflettisten. Ik erken zelfs dat er metterdaad een oogenblik gevaar bestond dat het Jacobinisme der Montagne over zou slaan naar de clubs van Charleston en Baltimore. Een natrilling der Fransche revolutie heeft men in de pas gestichte Unie ongetwijfeld gevoeld. Maar wat bewijst dit? Alsof de door Frankrijk in den vrijheidsoorlog tegen Engeland geboden hulp vergeten kon zijn? Alsof Lafayette’s naam zijn magische werking reeds kon verloren hebben? Alsof het niet vanzelf sprak, dat men bij den eersten oogopslag het verschil tusschen de Calvinistische vrijheid en de Fransche phrase niet begreep?

Door dit toe te geven, wordt mijn bewijs niet verzwakt, maar juist versterkt. Immers, zoo ik kan aantoonen, dat Amerika, niettegenstaande zijn gehechtheid aan Frankrijk, in weerwil van |16| Engelands weigering om den gesloten vrede uit te voeren, en ondanks de verlokking die in den republikeinschen vorm der Fransche regeering lag, met beslistheid, onbewimpeld en na welbewusten strijd, Frankrijk in den steek liet, om Engelands vriendschap te zoeken, dan vervalt de afleiding van Amerika’s vrijheid uit Frankrijks revolutie terstond.

En toch dat deed de Bondsregeering en de kern der natie heeft Washington en Hamilton in die aan Frankrijk vijandige politiek tegenover den Franschgezinden volksmenner Jefferson, met zijn aanhang uit de Slavenstaten, veerkrachtig en doortastend gesteund. Dat de kern der Amerikaansche Staten in New-England, in de Noordelijke en niet in de Zuidelijke Staten lag, behoeft nauwelijks herinnering. De Zuidelijke Staten, met hun aristocratisch stempel en het slavenelement in hun huishouding, zijn nimmer, zelfs nu nog niet, door het echte volk der Unie geamalgameerd. Ze vormden van meetaf met de eigenlijke Unie een te scherpe tegenstelling, volgden een andere politiek, leefden uit een anderen geest. Dit staatkundig antagonisme nu brak juist het eerst uit, naar aanleiding van het vraagstuk dat ons bezighoudt, toen in ’93 het Zuiden onder Jefferson voor de Fransche bewindslieden partij koos, en de eigenlijke Unie onder Washington een politieken strijd op leven en dood ondernam, om Jefferson met zijne Fransche sympathieën te ontwapenen. De worsteling was fel en heftig. De apostelen der revolutie, Genet en Adet, kwamen uit Parijs naar Charleston om het twistvuur aan te blazen. Washington schrijft er over: „Ik heb, kort gezegd, zoover ik weet, nog nooit een crisis doorleefd, waarin alles dermate roekeloos op het spel werd gezet!” 12) Engeland en Frankrijk waren in oorlog. Engeland tegen, Frankrijk vóór de revolutie. In dat geding moest ook door de Unie beslist. Men doorzag dat het een strijd van beginselen gold. Wat was te verkiezen? Het Historisch gouvernement van Groot-Brittanje of de revolutionaire regeering van Parijs? Zóó stond het vraagstuk. En Hamilton antwoordde onverholen, naar Jeffersons eigen getuigenis, „that he |17| considered the Britisch Constitution, with all the corruption of its administration, as the most perfect model of Government.” 13) De bondsregeering zag in, schrijft de hoogleeraar Holst van Straatsburg in zijn pas verschenen studie, dat de holle abstracties van Parijs onbruikbaar waren. Hún politiek »ruhte auf den wirklichen Verhältnissen, nicht auf Abstractionen, und sie wussten dass mit Menschen, nicht wie mit todten Zahlen oder logischen Begriffen gerechnet werden dürfe.” 14) Door die overtuiging sterk tastte men door; Jay werd naar Londen afgevaardigd, om den vrede met Engeland te verzekeren; 15) men keerde der Parijsche Conventie den rug toe; handhaafde zijn standpunt, ook toen Frankrijk de diplomatiek betrekkingen afbrak en deinsde geen oogenblik, ook al dorst men uit Parijs schrijven: »Frankrijk in het verheven bezit harer glorie zou zich meenen te verlagen, zoo het zich nog inliet met een Unie, die Engeland naar de oogen ziet en kruipen wil voor haar vroegeren onderdrukker.” 16)

Of nu de natie deze politiek goedkeurde moest, gelijk steeds in Amerika, blijken bij de Presidentskeus. De verkiezing viel in 1796. Adams en Jefferson stonden tegen over elkander. Jefferson’s candidatuur beteekende de triomf van het Franschgezinde Zuiden, Adams naam gold voor goedkeuring der regeeringspolitiek, dus breuke met Frankrijk, en zie . . . Adams won, het vreemde element moest de vlag strijken, de kern der natie koos tegen de Fransche revolutie, en dat vooral New-England, het hart der gansche Unie, met beslistheid aan Washingtons zijde stond, blijkt overtuigend uit wat Dwight aan Wolcott schreef: „Een oorlog met Groot-Brittanje zal ons goede volk uit New-England nimmer gedoogen. Sooner would ninetynine out of a hundred of our inhabitants separate at once from the Union!” 17)

Vraagt ge of dan toch wellicht de Amerikaansche Constitutie van Maart ’89 niet uit de Rousseausche litteratuur gecopiëerd was, dan antwoordt Holst u: „Es wäre Thorheit zu sagen dass die Rousseauschen Schriften einen Einfluss auf die Entwickelung in Amerika ausgeübt haben,” en mij dunkt gij onderschrijft zelf |18| dat oordeel, als ge hoort, dat in de Commissie met opstelling dezer Constitutie belast, Franklin in een kritiek oogenblik opstond en den voorslag deed, dat men eerst den Alwijze nog eens om licht in den gebede zou vragen, wijl hij geen uitweg meer zag; als ge hoort dat in het Congres van ’97 de debatten over de slavenquaestie niet slechts met algemeen godsdienstige maar met Schriftuurlijke argumenten gevoerd werden; en over de Grondwet zelve der Unie in het meest gelezen tijdschrift van Amerika deze bekentenis vindt: „Zulk een staatsregeling was geen product enkel van doorzicht en beleid. Ze droeg veeleer een providentiëel merk aan het voorhoofd. Een reddende gave Gods was ze aan de bedreigde en benarde Unie!” 18)

Of aarzelt ge nog en oppert ge de bedenking of dan toch de vrijheidsoorlog tegen Engeland niet het voorspel van de slechting der Bastille, de vroeg gerijpte vrucht van den geestesarbeid der Encyclopaedisten was, dan kon ik wellicht volstaan met Burkes naam te noemen, den uitnemenden Anti-revolutionair, die niettemin met klem van taal Amerika’s opstand verdedigd heeft, maar wijs u, om Amerika zelf te doen spreken, liever op Greene’s beschrijving van der kolonisten gehechtheid aan het moederland. „Ze minden Engeland, zoo getuigt hij, met de liefde van een kind, dat tot scheiden uit het ouderlijk huis gedwongen, zoodra de eerste bitterheid slechts wijkt, eer met zelfbeschuldiging dan met wrok aan het ouderlijk huis terugdenkt. Een reis naar Engeland was hun ideaal. Er geweest te zijn gaf naam en eere. Ze waren trotsch op Engelands geschiedenis, op Engelands letterkunde, op Engelands coryphaeën. Een Engelschman was altijd welkom. Elks deur stond voor hem open. Geen kring die zich niet met geestdrift voor hem ontsloot!” Neen, Amerika’s opstand was zoomin als ónze opstand tegen Spanje, zoomin als Engelands „glorious revolution,” een onderstbovenkeering in den zin der Fransche omwenteling. Ook door Amerika’s opstand werd niets gesloopt, geen ancien régime door een nieuwe orde van zaken vervangen. Alles bleef bij het oude, slechts een Congres |19| trad aan de plaats van den Koninklijken Commissaris. Ook Amerika’s opstand was geen emancipatie van den Schepper, maar werd veeleer steunende op zijn hulp volbracht. „Doordrongen, schreef men in de New-Yorksche Grondwet, doordrongen van dankbaarheid jegens de ontfermingen Gods — arresteeren wij burgers van New-York déze Constitutie.” 19)

Slechts één uitweg zou nog open blijven. Men zou, gelijk Holst, kunnen beweren, dat in Amerika wel niets door de Fransche revolutie gewijzigd is, maar dat, erger nog, reeds bij de stichting der New-England koloniën de adder van de ongeloofstheorie onder het gras school. Daartegen echter getuigt èn het Christelijk karakter, dat Amerika’s volksstaat nog vertoont, èn de onwraakbare acte van de stichting zijner Staten.

Nu nog draagt het volk der Unie, meer dan eenige natie ter wereld, den scherp ingesneden Christelijken stempel. Dat feit is niet te loochenen. Met zeer kleine uitzondering is de bevolking der Vereenigde Staten niet enkel in zijn lagere en burgerklasse, maar ook in de rangen zijner geleerden en staatslieden, beslist geloovig, Christelijk in zeer bepaalden zin, wat men ten onzent noemt orthodox. En ze is dit, niettegenstaande het Christendom in Europa schier niets en in Amerika schatten kost. Voor een enkele kerkbank is er tot 1500 Dollars toe betaald. 20) Ja zoo machtig en overheerschend is de orthodoxie in het vrije Amerika, dat het grooter deel der landverhuizers, dat ongeloovig en onkerkelijk in zijn havensteden aanlandt, soms reeds na zeer kort verblijf, Amerika’s supranatureele levensbeschouwing overneemt. Juist omgekeerd dus als in Europa. Heeft het hier al den schijn als moest ten prijs van het geloof de volksvrijheid gekocht worden, dáár is het juist het Calvinisme, dat naar aller overtuiging den hechtsten waarborg voor het blijvend bezit dier vrijheden biedt. 21) Men vergist zich dan ook, zoo men de scheiding van kerk en staat in Amerika opvat naar den stelregel van Cavour. Ze is er veel scherper doorgevoerd dan in Europa, maar uitgaande van een ander beginsel; niet uit de zucht om van de kerk ontslagen |20| te zijn, maar integendeel uit het besef, dat de welstand der kerk en de bloei van he Christendom deze vrijheid en zelfstandige positie eischen. 22) Deze scheiding belet daarom niet, dat de vergaderingen van het Congres, dat staatkundige conferentiën en meetings met gebed geopend worden, dat de sabbathsruste in Amerika een volstrekte is, dat dank- en bededagen door het kabinet van Washington worden uitgeschreven en in goed rond Engelsch van den hoogen God in elk gewichtig staatsstuk met al dien eerbied en die devotie gesproken wordt, die het schepsel voor den Schepper betaamt. 23) Evenzeer vergist men zich, zoo men het „Common-school”-systeem van Amerika met ónze theorie van de neutrale school verwart. Lees het lijvig rapport, door Dr. Fraser aan het Engelsche Parlement uitgebracht en het dubbele feit zal voor u geconstateerd zijn: en dat de volksschool in Amerika de school met den Bijbel is, èn dat, sinds de Iersche bevolking tegen den Bijbel op school protesteert, de ondergang van het „Common-school”-systeem reeds geprofeteerd wordt. 24) „Een staatsschool zonder Bijbel” zou in Amerika eenvoudig ondenkbaar zijn. Daartoe is het Christendom er te invloedrijk. Hoor slechts: van het vrijste land ter wereld getuigt de man die het kende, „dat de huislijke zeden er veel strenger dan in Europa zijn et que le Christianisme y règne sans obstacle et de l’aveu de tous.”

In die drievoudige constellatie nu van onbeperkte staatkundige vrijheid, strengheid van zeden en geloovige belijdenis van het Christendom wijst de Unie regelrecht naar heur Puriteinsche oorsprong, naar den onbedwingbaren geest der Pelgrimvaders, naar het geestelijk kindschap van Calvijn. Immers, New-England heeft op geheel de Unie zijn stempel gedrukt en al New-Englands staten zijn gesticht door martelaars voor het Gereformeerd geloof. Robinsons volgelingen togen blijkens hun eigen bekentenis naar Rhode-Island, niet om een modelstaat te organiseeren, maar om een plek gronds te vinden, waar men God kon dienen naar de inspraak van zijn hart. 25) Ze waren geen verarmde gelukzoekers, maar |21| degelijk ontwikkelde lieden uit de beste klasse der Engelsche maatschappij. Ze waren geen ijlende dwepers, maar vroede mannen van practischen zin, door slechts één beginsel gedreven: „the glory of the most High”, door slechts één gedachte in geestdrift ontstoken: „religious liberty for all men.” Op de „Mayflower” schreven ze boven hun contract: „we who have undertaken to plant a colony for the glory of God and the advancement of Christian faith!” 26) En hun oudste geschiedschrijver meldt ons: „To enjoy religious liberty was the known end of their coming to this wilderness.” New-England is naar Adams’ diepgevoeld getuigenis niet een kolonie van handel, niet een kolonie van deportatie, niet een kolonie ter uitmergeling, maar „de kolonie van het vrije geweten!” 27) In die gewetensvrijheid school het geheim van hun kracht. Een Puritein is de geboren vijand van elk clericalisme. „Clericale overheersching, zegt Bancroft terecht, is van alle tyrannie het ondraaglijkst, want ze breekt de veerkracht, bluscht de geestdrift, knakt den moed. Het Puritanisme daarentegen is een levenwekkend beginsel, dat bedrijvigheid, veerkracht en kennis baart, en wat het stuk van moed betreft: een puritein en een lafaard zijn geboren tegenvoeters. Wie God vreest vreest het schepsel niet. „Mijn beste bidders zijn mijn dapperste troepen!” schreef Cromwell, en Cromwell was de grootste veldheer zijner eeuw!” 28)




II.

De stichters der Amerikaansche koloniën waren ballingen uit Groot-Brittanje; we volgen derhalve den ontwikkelingsgang van het Calvinisme op den voet, zoo we thans in de tweede plaats het oog vestigen op zijn geschiedkundig verloop in Engeland.

Het spreekt vanzelf dat het hier in anderen vorm op moest treden. Immers, kon het in Amerika onbelemmerd den aard van zijn beginsel ontplooien, niet alzoo op de Britsche eilanden, waar |22| het met een historisch verleden en bestaande toestanden te rekenen had. Het Calvinisme is geen starre, onbeweeglijke macht, die reeds bij Calvijns leven haar laatste consequentie ontdekt, haar volle afronding gevonden had. Integendeel, het is een beginsel dat eerst allengs zijn kracht openbaart, voor elke eeuw een eigen gedachte heeft, in elk land een eigen vorm weet aan te nemen, en juist in deze rustelooze gedaantewisseling zijn ontwikkelingsproces voortzet. Een bij uitstek gewichtig moment nu in dat proces vormt de geschiedenis der Engelsche onlusten in de 17de eeuw.

Eerst sinds kort is men tot het vellen van juister oordeel over deze geruchtmakende troebelen gekomen. Guizot vooral heeft door de uitgave der Mémoires 29) uit dit tijdperk hiertoe bijgedragen. Aan hem, aan Merle d’ Aubigné 30) en Macaulay, 31) maar vooral aan Weingarten 32) komt de eere toe, voor het eerst deze machtige geestesbeweging van het Indépendentisme in haar ernstig en belangwekkend karakter te hebben doorzien. Zoo spade waardeering verwondere u niet! De Independenten zelven werden overwonnen en vonden voor hun tegenpleidooi geen gehoor. Roomsche geschiedschrijver waren uiteraard tegen hen. De Presbyteriaansche kerken hebben hen, op verkeerd gerucht afgaande, steeds miskend en in Luthersche landen ontbrak het aan bouwstof en zin beide, om de geschiedenis van zoo anti-monarchale beweging te verstaan. Er was niemand die het voor hen opnam; hun eigen getuigenis gold niet; im Amerika dacht men meer aan het maken dan aan het schrijven der geschiedenis, en zoo is het gebeurd dat zich van vijands zij een zienswijze over de Independenten gevestigd heeft, die, door elken komenden geschiedschrijver zonder argwaan overgenomen, eerst door Weingarten ontleed en daarmeê vernietigd is.

Immers, gelijk thans blijkt, was bij de worsteling van het Independentisme niets minder dan dit tweeledig vraagstuk aan de orde: Vooreerst, wat ik reeds aanstipte, de formeele vraag: Zal het Calvinisme in petrefact ontaarden, of levensbeginsel voor de toekomstige ontwikkeling blijken, beî van kerk en staat? En |23| het andere, nog gewichtiger, den wortel aller vrijheden rakend: Zal de gewetensvrijheid, die het Calvinisme op zijn program schreef, tot haar recht komen, of worden verstikt? De beteekenis der Engelsche onlusten voor beide deze vraagstukken lichte de historie u toe.

Voor het eerste vraagstuk: Is het Calvinisme petrefact of levensbeginsel? wijs ik u aanstonds op Robinson, den fijnen denker en teeder geloovige, wiens Essays nog een litterarisch genot bieden, en die als geestelijke vader van het Independentisme den laffen renegaat Browne in geestkracht, zieleadel en scherpte van doorzicht verre overtreft. Robinson was uit Engeland gevlucht en woonde eerst te Amsterdam, later te Leiden, als erkend hoofd der Brownisten gemeente. Van hem nu bezitten we een merkwaardig woord, als afscheidsgroet tot de Pelgrimvaders die naar Amerika togen, gericht, en dat ons beter dan de breedste annalen in het hart der quaestie verplaatst. „Broeders, zoo sprak hij de scheidende pelgrims toe, of mij op aarde ooit de vreugd van u weêr te zien, zal gegund worden, weet God alleen, maar wat Hij ons ook gehenge, dit bind ik u op het hart, dat ge mij nooit verder als úw leidsman eert, dan ge mij een Leidsman ziet eeren in den Christus. Wil de Heer u door eenig ander instrument den weg door het leven wijzen, volgt dan hem. We zijn er nog niet. Er liggen nog schatten in de Schrift, wier kennis ons nog verborgen bleef. Al de jammer der Presbyteriaansche kerken ligt in haar zucht om de Reformatie reeds als voltooid te beschouwen en geen ontwikkeling te gedoogen van wat de arbeid der reformatoren begon. De Lutherschen blijven bij Luther, veel Calvinisten bij Calvijn staan. Dit mag niet. Zeer zeker zijn deze mannen in hun tijd brandende en schijnende lichten geweest, maar ze hebben toch niet alles in Gods waarheid doorzien, en ze zouden, konden ze uit hun graven opstaan, de eersten zijn om dankbaar meer licht op te vangen. Immers, het is even ongerijmd te meenen, dat reeds in den korten hervormingstijd alle dwaling zou zijn uitgebannen, als te wanen, dat de christelijke gnosis op |24| eenmaal haar taak zou hebben voleind.” 33) Zegt zelf, looft ge niet met mij den adel van zoo manlijk woord en verbaast het u niet, dat men zúlk een man en zijn geestverwanten met het bitterst sarcasme, met de felste verwoedheid onder schimp en smaad heeft vervolgd?

Hoe vooral is het te verklaren, dat de Presbyterianen in Engeland, die immers óók Calvinisten waren, aan dit wanbedrijf medeplichtig werden? Gij kent, althans bij name Bunyan’s nooit volprezen meesterwerk: welnu zijn prachtige allegorie is slechts een enkele uiting van het rijke, volle geestesleven, van de innige teederheid en vroomheid des gemoeds, van de stroomen der heiligste mystiek, die ons uit den kring dezer Independenten tegenruischen. Hoe dan het verschijnsel te verklaren, dat de Gereformeerde kerken, die met Bunyan nóg dwepen, zich aan de warmte dier mystiek nóg koesteren, schier uit onverzoenlijken haat tegen dit Independentisme hebben geleefd, en zelfs het „de mortuis nil nisi bene” te hunnen opzichte in zijn tegendeel hebben omgezet? Alleen de tegenstelling tusschen het petrefact en het levensbeginsel biedt ons hier oplossing. Repristinatie of ontwikkeling, was het pleit dat tusschen Presbyterianen en Independenten, moest worden beslecht.

Ge weet, de Hervorming onder Hendrik VIII bepaalde zich in Engeland tot een onbeteekenende gedaantewisseling van geestelijk gezag. Engelands Koning, niet langer de Vorst-Bisschop van Rome, zou met het geestelijk oppergezag over Engelands kerk zijn bekleed, maar die kerk bleef schier wat ze was. De vernedering van Jan Zonderland werd gewroken. Verder ging men niet. Eduard VI stierf jong. Onder Maria helde men weêr tot Rome, en eerst Elizabeth „the maiden Queen” goot in den ouden hiërarchischen en nationaal geworden kerkvorm de substantie der Gereformeerde, zeer stellig Calvinistische leer. Het bleef dus een hervorming van den troon afdalend, en juist daarom geen weerklank vindend in het hart des volks. Drie vierden van Engeland bleef Roomsch. Niet de 16de, maar de 17de eeuw is |25| dan ook het tijdperk der doortastende reformatie van het Engelsche volk. Verreweg het grooter deel der natie heeft zich eerst in die latere periode onder Schotsche en Hollandsche invloeden met hart en ziel der Reformatie toegekeerd. Hinc illae lachrymae! „Vandaar al de jammer, die over Engeland werd uitgegoten!” Die dubbele hervorming toch, die van den troon en uit het volk, die der 16de en 17de eeuw, moesten met elkaâr in botsing komen. Vooral in de steden en in het Noorden van Engeland stelde de hervormde natie zich tegen de Episcopale kerk te weer. Zij waren Calvinisten. Ook hun kerkvorm moest Calvinistisch zijn. In Genève, in Frankrijk, in Holland had zich die kerkvorm afgebakend. Zóó als de Hervormde kerk daar en in Schotland was, zóó moest ook hun kerk in Engeland worden! ziedaar het stelsel der Presbyterianen. Het Calvinisme een petrefact, aan den eens verkregen vorm gebonden, à laisser ou à prendre, om dien vorm verworpen of met dien vorm aanvaard.

Daartegen verzette zich Robinson, tegen dat stelsel slingerde Milton den gloed zijner welsprekendheid, der Independenten innerlijkst streven was tegen dat wanbegrip gekeerd. En terecht, ze streden daarbij met Calvijn zelf op hun zijde, die zich nadrukkelijk tegen dat binden aan den eens gevonden vorm had verklaard. Ze redd’en daarmeê de toekomst der Calvinistische hervorming. Ze spraken daarbij naar het hart van Engelands volk, dat zich met den regeeringsvorm der Fransche kerk niet verdroeg. En nu nog drukt de uitkomst het zegel op hun worsteling, want er is ja nog een „presbyterian Church” in Engeland, maar weggeslonken tot onbeduidende afmetingen, arm aan geestelijk machtsbetoon, verkwijnend en klein. Ze was niet Engelsch en kon in haar Franschen vorm op Engelands bodem niet bloeien! 34)

Dát nu doorzagen de Indépendenten. Aan verwerping van het Calvinisme dachten ze niet. In bezielde gehechtheid aan bet Centraaldogma der uitverkiezing lieten ze zelfs de Presbyterianen verre achter zich, maar ze wilden een eigen kerkvorm voor Engeland en tevens dat die vorm ontwikkeling van het Calvinisme |26| zou zijn. Hun eisch was: Scheiding van kerk en staat; autonomie der enkele gemeenten; vrije verbinding tot synode, geen dwang; stemming der gemeenteleden en openbaarheid der kerkelijke vergaderingen, 35) — schier hetzelfde stelsel dus dat thans allerwegen in Schotland en Amerika, in Frankrijk en Zwitserland, en voegen we er bij, ook in ons land veld wint. De Presbyterianen leden de nederlaag, na Miltons optreden verstoven ze als kaf voor den wind, en na een kunstmatig leven van bijna twee eeuwen, is hun levenskracht thans geheel uitgeput. Maar ze hebben zich gewroken. Toen de geschiedschrijver Hornius uit Leiden naar Londen kwam, hebben ze hem de onzinnigste berichten over de woeling der Independenten gegeven. Hornius nam deze voor goede munt aan en boekte ze in zijn „de Statu Ecclesiae Brittanicae hodierno.” 36) Uit dat werk putte Böhme, schreef Tzschirner na, copiëerde Stäudlin, zelfs Arnold en Schrökh meenden op zijn avontuurlijk verhaal te kunnen afgaan, en zoo is thans nog het spoor aanwijsbaar, waar langs de laster zijn weg heeft genomen, om een der rijkste ontwikkelingen van het Calvinisme te brandmerken. 37)

Gewichtiger nog was het tweede pleit, waarom in der Independenten krijg gestreden werd: Zal in het Calvinistisch program de vrijheid van geweten al dan niet een doode letter blijven? De inquisitie gedoogde niet de minste afwijking van Romes belijdenis. Daarbij vergeleken was Calvijns verklaring in zijn Institutie, »mits de hoofdwaarheden des Christendoms beleden worden,” 38) is afwijking te dulden, de eerste levensuiting van een heerlijk beginsel, maar dat, blijkens Servets gerechtelijken dood, nog in de windselen der oude moederkerk omklemd lag. In Duitschland was de quaestie van gewetensvrijheid door het „Cujus regio, ejus religio” 39) van de baan geschoven. Ook in Frankrijk trad het onzuiver op. Elders vond het slechts verguizing, en tot eer onzer vaderen mag gezegd, dat de Unie onzer zeven provinciën op het stuk der vrije consciëntie nog het best vooruitschreed. Robinson, uit Londen |27| gebannen, vond in Amsterdam een schuilplaats; de Joden, uit Portugal en Spanje verdreven, vonden in Hollands hoofdstad een kwartier; er was, zij het ook in besloten huiskerken, zelfs vrije eeredienst voor afwijkende secten. Maar toch, meer aan de practijk dan aan de theorie komt hiervan de eere toe. Ook onze Hollandsche plakkaten tegen Rome waren verre van malsch. De Staatskerk heerschte. Er mocht dulding van andersdenkenden zijn, maar tot zijn recht kwam het beginsel der gewetensvrijheid niet. Intusschen erger nog stond het in Engeland geschapen, waar de bloei der Episcopale kerk met de eere des lands vereenzelvigd werd, waar de poorten van den Tower zich beurtelings voor Roomschgezinden, beurtelings voor Presbyterianen openden en de volgelingen van Genève en Rome vaak saâm het schavot beklommen. Vooral door de volksreformatie in de 17de eeuw werd dit onhoudbaar. De duizenden onderdrukken kon men nog, maar toen die duizenden tot millioenen, straks tot de helft der bevolking aanwiesen, viel den kastijder vanzelf de geeselkoorde uit de hand.

Hiermeê was de quaestie der gewetensvrijheid een nieuwe phase ingetreden. Immers men stond thans vrij onverhoeds voor het practisch vraagstuk: Wat is eisch van uw beginsel, zoo niet slechts ballingen uw bescherming, of kleine secten dulding zoeken, maar de helft der natie uw Staatskerk verfoeit? Het antwoord der Presbyterianen hierop bracht niet verder, verwekte integendeel nog grievender verbittering en werd de geestelijke oorzaak van Koning Karels dood. Zij toch antwoordden: „Wel, schaf uw Episcopale kerk af, en laat ónze kerk Staatskerk worden, gelijk ze dit in Schotland, Holland en Genève is!” Ge gevoelt dit was slechts een verplaatsen der quaestie. Dan toch zou weêr het Episcopale deel der natie verongelijkt zijn, en van gewetensvrijheid bleef men even ver. Neen, niet de Presbyterianen, maar hun enthousiaste wederpartijders, de Independenten, hebben toen het antwoord dat redding bracht, gevonden. Hun leus was „scheiding van kerk en staat,” en daaruit voortvloeiend |28| „de volstrekte vrijheid om God te dienen naar de overtuiging van het hart.” Men heeft van het Barebone-parlement veel booze dingen gelasterd, maar wat dunkt u van deze verklaring in zijn acten opgenomen: »As for the truth and power of religion, it being a matter intrinsical between God and the soul, we conceive there is no power of coertion thereunto!” 40) Vrijheid van geweten „to all that profess Christ, without exception,” riepen toen reeds de Yorkshire boeren. 41) Milton zondert alleen de Roomschgezinden uit, ter wille van hun betrekking tot een buitenlandsch vorst. Godwin ging zelfs zoover van „a full liberty of conscience” te eischen „to all sects, even Turks, Jews and Papists.” 42) „Het is de wil en het gebod Gods, schreef the Compassionate Samaritan, dat na de komst van Christus op aarde volkomen vrijheid zoo van geweten als eeredienst aan alle ziel in alle natie gegund worde, aan Christenen en Joden, aan Turken en Heidenen beî.” 43) En wilt ge de gronden kennen, waarop deze eisch rustte, waant dan niet gelijk bij de Fransche revolutie of onze doctrinairen het denkbeeld te vinden dat de Staat met den godsdienst niets van doen heeft, verre van daar vindt ge veeleer in het belang van den godsdienst en de vrees van te zondigen de drijfveer aangewezen die hen tot huldiging der volstrekste vrijheid noopt. In 1649 is een vlugschrift verschenen onder den titel: The Liberty of Conscience asserted, van iemand die zich noemt „a wellwisher to the kingdom of God,” en waarin we lezen: „Wie op het stuk van godsdienst in strijd met zijn geweten handelt, begaat een vervloekte zonde. Wie derhalve een mensch tot deze daad door list of door geweld wil dwingen, is oorzaak dat hij zondigt.” „Vervolging om des geloofs wille,” zoo gaat hij voort, „is a spiritual murder, an assassination of the soul, it is a rage against God himself, the most horrible of sins.” 44) Wat bid ik u, heeft de Fransche revolutie dan anders gedaan dan de vrucht van den Calvinistischen stam aan haar vrijheidsboom gehangen, slechts met verkeering van de zedelijke motieven in verwerping van elk |29| geloof. Ik pleit daarom de Independenten niet vrij; in het gedrang der worsteling hebben ze vaak „Levellers” in hun rangen geduld en in pamfletten, uit hun hoek komend, niet zelden hun heerlijke idealen door vermenging met Levellers-theorieën ontsierd; in het heetste der benarring zijn de enthousiaste naturen onder hen tot een dwepend spiritualisme overgeslagen, dat voor den Staat gevaarlijk werd; ja, de linkerzij der uit hen voortgekomen Kwakers verviel in een radicalisme, dat, spottend met elken practischen eisch van geloof en leven, geheel de maatschappij en geheel het Christendom met onderstbovenkeering bedreigde; zelfs Cromwell’s denkbeeld om de „Saints” in een parlement saâm te roepen was een politieke feil van onvergeeflijk karakter. Staat hier echter tegenover, dat de veiligheid in heel Engeland nooit grooter was, dan onder hun bewind, dat Cromwell’s leger schier het eenig voorbeeld is in de geschiedenis van een soldateske, die niet vloekte maar bad, niet roofde maar gaf, aan geen vrouweneer zich vergreep, maar den verkrachter door de spitsroede joeg; dat nooit de zondige demon van plunderzucht of vleescheslust achter hun vrome trekken geloerd heeft, om de oprechtheid van hun overtuiging in verdenking te brengen, — in ernst, dan zie ik niet in, waarom we ter wille van de uitspattingen van hun enthousiaste partijgangers, hun manlijke worsteling voor het schoonst ideaal der vrijheid zouden minachten. Mij dunkt men kan iets toegeven aan een dappere heldengroep, die de diepste gedachte en de verste consequentie der gewetensvrijheid het eerst doorzag en beleed.

Dat hierdoor het Staatsrecht stond gewijzigd te worden sprak van zelf. De Theocratie bleef, maar trad op onder geheel anderen vorm. Er was niet langer sprake van een kerk in den staat, noch van een staat met die kerk verbonden. De gemeente van Christus was het uitgangspunt. Zij had zorg te dragen, dat beginselen van recht en waarheid in het hart der burgers drongen, en voor deze burgers in hun maatschappelijk leven lag de onmisbare maar ook vrije organisatie in den staat. De vrijheidsgedachte in den |30| boezem dier gemeente tot haar recht gekomen, moest dus ook burgerrecht zoeken op het staatsterrein. Uit de idée der gewetensvrijheid, in haar diepsten wortel gegrepen, sproot vanzelf de ontwikkeling der politieke vrijheid voort. Natuurlijk, van volkssouvereiniteit kon geen sprake wezen bij mannen, die als gemeentelid en burger beide, den Christus als hun Koning eerden. Maar zoekt ge overigens naar het eerst en best pleidooi, voor wat wilt ge, voor de vrijheid der drukpers, ge vindt het bij Milton, 45) voor de openbaarheid der vergaderingen, lees het bij Godwin, voor het heilig en toch burgerlijk huwelijk, zoek het in de acte van het Barebone-parlement. 46) Ge zoudt het schier niet gelooven en toch is het zoo: het eerste rapport over de staatszorg voor de wetenschap is uitgebracht door een Commissie in datzelfde Parlement benoemd. Zij voerden het eerst ons modern denkbeeld in van één schatkist voor alle inkomsten van den staat. De invoering van den burgerlijken stand dagteekent van hun optreden. De gang der rechtspraak werd door hen vereenvoudigd, bezuiniging van staatsuitgaven met ernst toegepast, en de verzachting der lijfstraffelijke rechtspleging het eerst door Independenten bepleit. 47)

Dat ze nochtans in Groot-Brittanje het onderspit dolven was onontwijkbaar. De staatslieden waarop Engeland bogen kon waren en bleven Episcopaalsch, en zelfs het heiligst enthousiasme kan niet met een enkelen slag den gewonen nijveren burger in een degelijk staatsman herscheppen. Hun denkbeelden waren voortreffelijk, maar voor het hervormen der Engelsche huishouding naar die goede inzichten ontbrak het hun aan vorming en kracht. Dit, niet hun excentriciteit, zegt Guizot terecht, bracht hen ten val. Eerst in Amerika, bij kleiner afmetingen, zou het beginsel zijn levenskracht toonen, waarvan de eerste ontkieming in de Mémoires van Mrss. Hutchinson u meêsleept en verrukt. 48) Als ballingen op Amerika’s kust geworpen, droegen ze naar de nieuwe wereld de geestelijke vrucht van hun worsteling en lijden met zich. Wat er grootsch en heerlijks door de |31| macht eener aan God onderworpen vrijheid in Amerika gewrocht is, werd uit hún geest geteeld.




Doch niet slechts aan Amerika kwam die vrucht ten goede. Ook Engeland, ook de Hervormde kerk, ja, al Europa’s volken danken een uitnemend kleinood aan de geesteskracht, door hen ontwikkeld.

Ge weet, eerst met de troonsbestijging van onzen Stadhouder Willem III kwam Engeland weêr tot politieke rust, en eerst met die „glorious revolution” opende zich voor Engeland het glorietijdperk van zijn invloed en macht. Met de Fransche revolutie heeft deze wisseling van stamhuis van verre niets gemeen, want ze sloeg haar hand niet aan het Engelsch volksorganisme, ze verbrak het raderwerk van den staat niet, ze was geen uitvloeisel van nieuwe abstracte theorieën, maar een daad, van practische noodzakelijkheid, waartoe juist de bestaande, de algemeen geldende, de historische theorie drong. De Stuarts wilden repristineeren en Engeland doen voortkruipen, alsof er geen geestesarbeid der natie in de Cromwellperiode ware geweest. Dit was een anachronisme, een vooraf geoordeeld pogen om den stroom in zijn bedding terug te leiden, het bedreigde Groot-Brittanje met een politieken dood. De natie was geploegd, er was een kostelijk zaad in haar breed geopende voren gestrooid, en de oogst van dien geestesarbeid, liet het volk zich niet rooven. Willem van Oranje, de fiere koning, de koene veldheer, de kloeke staatsman, mocht het rijpen van dien oogst aan zijn. edelen naam verbinden, en de „Toleration act,” de vrijmaking der Hervormde kerk in Schotland, de invoering van een jaarlijksch budget, de uitbreiding der parlementsrechten en het afschaffen der geheime rechtspraak, boden der Engelsche natie de geestesvrucht dier zelfde Independenten, wier utopie ze bespot, maar wier geest ze had ingedronken. 49) De valsche |32| theorie van het verkeerd begrepen „Droit divin” had uit; de „Whigpartij” kon ongehinderd het ideaal der Independenten in ons constitutioneel staatsrecht overleiden, en wilt ge weten, of het vrij geworden Groot-Brittanje, na een eeuw van klimmende grootheid, in de Fransche revolutie een product zijns geestes dan wel een giftige vracht van uitheemschen oorsprong heeft begroet, lees dan de pleitmemorie, waarin Burke, de held die tegen Hastings stond, Amerika verdedigde en voor elk vervolgde het opnam, Frankrijks omwenteling als het toppunt van menschelijken waanzin gebrandmerkt heeft 50), of liever nog, vraag het antwoord aan de millioenen schats die Engeland geofferd, aan de stroomen bloeds die het vergoten heeft, om het bezweken continent van de geweldenarij dier revolutie te verlossen.

Maar ook van de Hervormde kerk gewaagde ik als door de worsteling der Independenten gered. Ze dreigde te versteenen, de vrucht der Hervormers willende genieten, in steê van voort te arbeiden in hun geest. Hollands kerk gaf op Dordrechts synode haar laatste levensteeken, door den last tot voortdurende hervorming in haar postacta in te lasschen, maar die last bleef onvolvoerd. En ook Engeland, ja zelfs Schotlands kerk sliep in; in Zwitserland vleide ze zich neêr op de eens behaalde lauweren; in Frankrijk bezweek ze voor sluwe hoflist door den kling der dragonaden gesteund. En thans? zie de ontzagwekkende kerk in Amerika, is ze niet een geestesvrucht der Independenten? Zie, de machtige Dissentergroep in Engeland, die schier de helft der natie in haar bedehuizen verzamelt, is ze niet Wesley’s zegeteeken, en is Wesley niet een geesteskind der Robinsons en Godwins? Zie de vrije Schotsche kerk, door Chalmer’s geloofsmoed het juk van de schouders geworpen en in een bloeiend gemeenteleven het ideaal verwerkelijkend, waar de Puriteinsche geest naar uitging, met heimwee van het hart? Van de vrije kerken in Zwitserland, Frankrijk en ten onzent zwijg ik; ze zijn geringer en hebben dies min kracht van bewijs. Maar als men, ook in de Hervormde kerken dezer landen, thans in het |33| stemrecht der gemeenteleden roemt, scheiding van den staat vraagt, het synodale dwangjuk moede is en openbaarheid van vergadering eischt, wat doet men dan beter dan Robinson naar de letter copiëeren, wat is het Calvinisme der vrije kerken dan anders dan ’t geen in beginsel reeds de Independenten hebben gewild?

Eindelijk, heel Europa deelde in dien zegen, ook al moest die ons door de hand der gruwbaarste revolutie worden geboden; want sinds de Fransche revolutie won de politieke vrijheid in Europa veld, veel uitnemends is ons door haar geworden. Verwondert u niet, mij dit te hooren belijden. Immers, niet daarom zijn we antirevolutionair, wijl we de vrucht der revolutietijden verwerpen, maar wijl we achten, haar met het historieboek in de hand het vaderschap van dat uitnemende te kunnen betwisten. Ze bracht Europa bij veel kranks óók heil, maar dat heil was een gestolen vracht, die op den wortel van het Calvinisme, eerst op onze eigen erve, toen in Engeland, straks in Amerika, onder de koesterende geloofswarmte onzer martelaren was gerijpt. Het bewijs voor die stelling lever ik u na de pause, het nu slechts uitsprekend: dat niet uit de Septembermoorden, maar uit het bloedbad onzer Spanje tartende steden; niet uit de Guillotine, maar van den brandstapel der Backers en De Bressen; niet uit de boekencel der Encyclopaedisten, maar uit de bidcel der Independenten; of wilt ge, niet uit de furie der Sansculotten, maar uit de bizarheid der Pelgrimvaders, die schooner dageraad is opgegaan, die thans het vrije Europa beschijnt!|34|




III.

We gaan een eeuw terug M.H., van 1650 naar 1550, van de Calvinistische troebelen in Engeland naar den strijd der Hugenoten in Frankrijk. Het moet blijken of metterdaad Independenten en Hugenoten geestverwanten waren, maar ook waarin ze verschillen. Eerst zoo beider affiliatie vaststaat, loopt de ontwikkelingslijn van het Calvinisme door.

Voor beider geestverwantschap begin ik met u te wijzen op een weinig bekend en toch uiterst merkwaardig kolonisatieplan van de Coligny, zoo ge weet, van hoe gansch ander karakter ook, den Cromwell der Hugenoten, en zonder diens fouten, niet minder dan de Protector, der Calvinisten ziel en zwaard. Nog vier jaren voor de Hugenoten in 1559 de wapenen tegen het Hof opvatten, nadat het stille martelaarslijden reeds bijna veertig jaren had aangehouden, begonnen de natuurlijke leiders der Calvinisten te doorzien, dat het op den duur onhoudbaar werd zich dus weerloos te laten slachten. Immers de Hugenoten telden, blijkens een schrijven aan den Cardinaal Boromeus, reeds bijna de helft der Fransche bevolking, 51) wat evenzeer hún zucht tot gewapend verzet prikkelen, als den Koning tot gewelddadige uitroeiing der Hugenoten nopen moest. Juist hun wassend aantal maakte hun positie hachlijk. Dit bevroedde men in het Kabinet van Katharina de Medicis en het leidde haar tot de gruwelen van den Bartholomeüsnacht. Dit doorzag ook de Admiraal de Coligny en het deed hem peinzen over een plan van kolonisatie. »Zoo dan het Calvinisme in Frankrijk niet te dulden is, laat dan uw Hugenoten naar Amerika trekken. Zij er een Catholiek Frankrijk met Calvinistische koloniën. Dan is er een einde aan ónze vervolging en Frankrijk streeft ook als macht ter zee haast Spanje haar mededingster en Portugal op zijde!" Geheel verwerpelijk vond Hendrik II het denkbeeld niet en reeds in Augustus 1555 zeilde |35| Durand de Villegagnon, Maltheserridder en Viceadmiraal van Bretagne, met twee van ’s Konings oorlogsschepen ter coloniseering naar Brazilië uit. Hij landde in de baai van Janeiro, plantte er Frankrijks vlag, en noemde het eerste fort dat hij opwierp naar den held, wiens plan hij volvoerde, met den naam van „Coligny.” Ook nog het daarop volgend jaar werden drie schepen der Koninklijke marine voor het overbrengen van landverhuizers beschikbaar gesteld. Maar helaas, reeds toen heerschte aan het hof een min edele bedoeling. De last ging naar het fort Coligny om den Roomschen eeredienst in te voeren. De Hugenoten staakten verdere landverhuizing en die reeds in Brazilië waren, werden, door de Portugeezen overrompeld, op het jammerlijkst vermoord. 52)

Toch hield de Coligny aan en bewoog Koning Karel IX in 1562 voor hetzelfde doel drie oorlogschepen met Hugenootsche colonisten ditmaal naar Noord-Amerika te zenden. Het fort door dezen gebouwd, noemden ze naar ’s Konings naam, Carolina, waaraan op hun beurt de Staten van Noord- en Zuid-Carolina hun naam danken. Door halve maatregelen viel echter ook dit fort in ’s vijands handen. De Spaansche mariniers namen het en knoopten alle Hugenoten die ze vonden aan de boomen op, er laaghartig op een aangespijkerd bord bij schrijvend: „Gedood als ketters, niet als Franschen.” Een wreedheid, historisch te beruchter, wijl ze den Gascogner edelman Dominique de Gourgues de wraakzucht ingaf, om, naar Amerika overgetogen, zich bij de Indianen in te dringen en met hun hulp het nu Spaansch geworden fort te vermeesteren, waarna hij, even meêdoogenloos, de Spanjaarden ophing aan dezelfde boomen, waar hij de Hugenootsche lijken had gevonden, en op het bord de woorden uitsneed: „Gedood als moordenaars, niet als Spanjaarden!” 53) Doch deze historische bijzonderheid ter zij gelaten, wien springt dan niet de sterke overeenkomst in het oog, tusschen het kolonisatieplan van De Coligny dat mislukt en dat der Puriteinen dat geslaagd is? Beider oog zocht een nieuwe wereld, beider blik wendde zich naar Amerika, en zoo in Coligny’s als in Robinson’s |36| denkbeeld sprak zich het bewustzijn uit, dat het Calvinistisch geloof in een maatschappij, naar het Roomsche staatsrecht ingericht, niet kon bloeien, maar veeleer een scheppend beginsel in zich droeg, waarin een eigen staatsrecht, een nieuw staatkundig leven school.

Ook op het stuk der verdraagzaamheid zijn Independenten en Hugenoten, zij het ook op zekeren afstand, bondgenooten. Dat in den fel opgezweepten hartstocht van een worsteling zonder kwartier ook hunnerzijds gruwelen zijn bedreven, verbloem ik allerminst. Feiten blijven feiten en ik ken de verleiding der geschiedenisvervalsching niet, eenvoudig wijl het Calvinisme niet in personen, maar in beginselen zijn kracht zoekt. De vraag is: wat was ook in Frankrijk de wil, de toeleg van de leiders der Calvinisten? En dan wijs ik u op het gewichtig staatsstuk dat onder dagteekening van 16 December 1573, en dus ná de Bloedbruiloft, te midden van het afgrijzen door den gruwel van den Bartholomeüsnacht gewekt, van de hoofden der Hugenoten uitging. Het droeg ten titel „Règlement de Police et de Guerre,” en bevat niets minder dan de scherp omschreven grondwet, die den Hugenootschen staat in Frankrijk tot constitutie zou zijn. Welnu, in die staatsregeling zegt artikel 33 over de verhouding tot de Roomschgezinden, die in de Gereformeerde kwartieren verre de minderheid vormden: „Ongewapende Katholieken zullen op de zachtste wijze bejegend worden. Geen smaad mag hun worden aangedaan, noch door iemand geweld worden geoefend aan hun geweten, hun eer of eigendom. Men zal ze op voet van vriendschap en vrede als goede landslieden en lieve broeders laten verkeeren.” 54) En let wel, dat dorst men schrijven daags nadat Sancerre’s onbedwingbare bevelvoerder, Jonneau en de heldhaftige prediker de la Bourgade, te spijt van het plechtigst verdrag, op het wreedst door ’s Konings troepen waren vermoord. 55)

Het zedelijk karakter van hun optreden wijst even onmiddellijk op de austeriteit der Puriteinen. Ik wees u straks op Cromwell’s soldateske, waarbij men niet schond maar eerde, niet vloekte maar bad. Een schaduw hiervan lag op het leger der |37| Hugenoten, waaromtrent niet één hunner, maar hun bitterste vijand Varillas, in zijn „Histoire de Charles IX,” verhaalt: „In het leger der Hugenoten werd regelmatig gebeden. De straf volgde elk vergrijp op den voet. Lediggang noch lijkberooving kwamen voor, en boogde de maarschalk Brissac op zijn vermogen, om elke twist onder zijn soldaten te beslechten, de Calvinisten brachten het nog verder: er kwam geen gekrakeel bij hun troepen voor. Dagelijks zong men psalmen. Er werd nooit gespeeld. Hun voeding was sober en marketentsters die andere spijzen boden werden geweerd. Onzedelijkheid werd niet gevonden en de boeren werden voor hun requisitiën even geregeld betaald, als op de markt in vollen vrede.” 56) Natuurlijk de tegenstander keurde dit in soldaten ascetische dwaasheid, maar wie het Fransche leger van zijn zedelijke zijde kent, in zijn vroegste en zijn laatste veldtochten, zal toch met Varillas verbaasd staan over de kracht van een beginsel, dat uit Fransche infanteristen zúlk een leger wrocht. Dit althans zal niemand loochenen: de familietrek met het Puriteinsche leger is sprekend. De verwantschap van Independenten en Hugenoten komt ook in hun streng zedelijk karakter uit.

Datzelfde geldt ten laatste ook van hun staatkundige grondgedachte, zóó zelfs dat de grondlijn der Amerikaansche staatsregeling schier letterlijk in de Hugenootsche Constitutie van 1573 is terug te vinden. Wat toch zijn de beginselen van dat „Règlement de Police et de Guerre” waarop ik u reeds wees? Zie ze hier. De Hugenoten komen op de marktplaats van hun oord saâm en zweren voor zich en hun nakomelingen, de volgende wetten te zullen houden. Alsdan kiezen ze, door volksstemming, na afgelegden eed, uit hun midden een maire en een raad van honderd leden. De keuze heeft zonder bevoorrechting van stand plaats, zoo uit het volk als uit den adel. De honderd raadsleden deelen zich in twee Kamers, waarvan de ééne met den maire vijf en twintig, de andere vijf en zeventig leden telt. Zonder toestemming der eerste is geen besluit van den maire geldig. Voor gewichtige aangelegenheden b.v. invoering van nieuwe wetten, |38| belastingheffing, krijgsvoering, muntslag enz. wordt goedkeuring vereischt van den raad der vijf en zeventig. De maire treedt telken jare af en is niet herkiesbaar. De beide raden treden insgelijks elken eersten Januari af, maar kunnen herkozen worden. De verkiezing der eerste Kamer heeft daartoe plaats door de tweede, die der tweede door de eerste. Een jury wordt aan de rechtbank toegevoegd. Uit deze maires en eerste raden wordt een staatsraad-gouverneur en een kapitein-generaal benoemd. Ook deze benoeming moest van het volk uitgaan, maar om de ongelegenheid der tijden, berust ze voorloopig bij de raden. Hun macht is verre van onbeperkt en na afloop van den krijg, hier vooral lette men op, verliezen ze hun rang weder en keeren in het privaatleven terug. Juist dus hetzelfde wat in Engeland na Cromwell’s dood, wat in Amerika na den jongsten burgeroorlog gezien is. Ik zie dan ook metterdaad tusschen de grondgedachte van dit „Règlement” en de Amerikaansche Constitutie slechte één verschil. In het „Règlement” volgt voorzichtiger na de volkskeuze coöptatie, in Amerika duurt de volkskeuze voort. En nu moet voorzeker toegestemd, dat de Calvinisten in Frankrijk tot terugkeer onder het Koninklijk bestuur bereid waren — het staat met zoovele woorden in Artikel 4 van hun Constitutie: „In afwachting dat het God behage ’s Konings hart te vermurwen en de aloude vrijheden van Frankrijk te herstellen” — maar zooveel blijkt dan toch, dat van de denkbeelden door de Puriteinen in Amerika verwezenlijkt de grondlijn reeds een eeuw vroeger door Fransche Calvinisten getrokken was. 57)


En toch, ook bij zoo sterken trek van gelijkheid in hun kolonisatieplan, in hun huldigen van gewetensvrijheid, in hun zedelijk karakter en politieke grondgedachte, toch staan Independenten en Hugenoten niet op éénzelfde standpunt. Beiden vertegenwoordigen wel het Calvinisme, maar elk in een verschillende phase van zijn ontwikkeling. Bij Robinson is het Calvinisme verder dan bij de Coligny en La Noue. Dit blijkt reeds uit den fellen, bitteren |39| strijd, die tusschen de Independenten en Presbyterianen ontbrand is. Immers, de Presbyterianen in Engeland wilden juist wat de Hugenoten in Frankrijk beoogden, in de kerk zoowel in den staat.


Wat ze dan in de kerk wilden? Niet gelijk de Independenten een kring van vrije, autonomische gemeenten, maar een goed georganiseerd kerkgeheel, waarin het gezag bij de Synode berustte en de invloed der gemeenteleden op het kerkbestuur was uitgesloten. In 1559 is die saâmsmelting der vrije gemeenten in één kerkelijk geheel tot stand gekomen en de coöptatie der besturen eerst in onze eeuw afgeschaft. Drong het Calvinistisch beginsel hiertoe? Stellig niet. In Zwitserland was destijds van een Synodaal verband nog geen sprake. 58) Meer dan een consistorie heeft in Genève tijdens Calvyns leven nooit bestaan. Calvyns gemeente was volstrekt autonoom. Neen. de drijfveer tot zoo enge saâmsnoering lag op gansch ander terrein, had geen kerkelijke maar politieke oorzaak, school niet in geestelijk maar in militair belang. Let op het jaartal. In 1559, kort voor de samenzwering van Amboise, drong de overtuiging reeds door, dat het lijdelijk verzet zijn uiterste grens naderde en eerlang de beslissing zou komen aan het zwaard. Het voorspel van den burgerkrijg was reeds begonnen en men wist het: voor het voeren en volhouden van zulk een oorlog was organisatie, was eenheid van handeling en leiding onmisbaar en het denkbeeld om een „staat in den staat” te bouwen bestond destijds nog niet. Het „Règlement de Police et de Guerre” is van ’73. Dit noopte om in het streng aanhalen van het kerkverband een surrogaat te zoeken voor het politieke lichaam dat nog ontbrak. Als het ten oorlog gaat moet er geld zijn. Dat geld côtiseerden de kerkeraden van hun gemeenten. Er moesten troepen saâmgebracht, ammunitie en kanonnen gekocht, ruitervolk gehuurd, commando’s verdeeld worden, en daartoe strekte liet consistoriënnet, dat over Frankrijk word uitgespreid en waarvan de koorden, ter sterking van |40| veerkracht, saâm moesten loopen in zeer enkele handen. Zoo deed men ten onzent, zoo ging het in Frankrijk toe, en het was in beide landen derhalve staatkundige nevenbedoeling, militair belang, en allerminst eisch van het geloofsbeginsel, waardoor der Hervormde kerk een keurslijf werd omgesnoerd, in welks nauwe spanning het gemeenteleven meer dan twee eeuwen heeft gekwijnd.

Maar dit was niet al. Het Calvinistisch beginsel leidt bij consequente toepassing tot scheiding van kerk en staat, zoodra niet allen in den staat Calvinisten zijn. In Genève kon dit beginsel niet doordringen. Van schandelijk libertinisme, niet van verschil in belijdenis kwam onder Genève’s burgers de tweespalt, die Calvijn bezwoer. Roomschgezinden waren er niet meer . . . . Maar in Frankrijk wél. Hoe nu? Zou thans het Calvinisme de consequentie der scheiding reeds trekken en als vrije kerk de zelfstandigheid van het staatsbestuur eeren? Zoover kwam men nog niet. Eerst leefde men daartoe te zeer in de hoop, dat ook de andere helft der Fransche natie de Hervorming zou huldigen. Dan verviel natuurlijk het vraagstuk vanzelf en werd heel Frankrijk een Hervormde staat. En toen die hoop teleurstelling vond en in den éénen staat twee gelooven saâm zich handhaafden, ontdekte men toen voor het minst het eenig juiste spoor? Ook toen nog niet. Eerst zocht men toen een uitweg in het kolonisatieplan; dan zou Frankrijk Katholiek, zijn kolonie Hervormd geweest zijn. En toen ook dit afsprong, sloeg men tot het andere uiterste over, en „voor de twee gelooven twee staten,” „l’état dans l’état,” een Hugenootsch en een Roomsch gouvernement in den boezem derzelfde natie, werd toen het vooruit geoordeeld wachtwoord. De vereeniging van staat en kerk als instituten bleef hiermeê gehandhaafd. Kerk der natie, of kerk met een eigen natie in den staat wilden ook onze Hugenoten wezen. Dat juist vrijmaking der kerk voorwaarde is van duurzame levensontwikkeling, werd in Frankrijk nog niet doorzien. 59)

Het laatst verschil waarop ik u wijs, ligt in het aristocratisch |41| karakter der Fransche en het democratische der Engelsche beweging, eenvoudig daaruit voortvloeiend, dat de Fransche adel op de hand der Hugenoten was, terwijl de Engelsche adel zich tegen de Dissenters keerde. Althans tot aan den Bartholomeüsnacht behield die invloed het overwicht en wist zich vooral op de Synode te Orleans in 1562 met kracht en gestrengheid tegen de demagogische neiging van Morel en zijn, aanhang te handhaven. 60) Toen echter in den nacht van 24 Augustus en de daarop volgende dagen de Hervormde adel van Frankrijk letterlijk was uitgemoord, kon het niet uitblijven, dat het democratisch element aan invloed won en de sluizen openzette voor dat demagogisch fanatisme, waardoor de laatste periode van den Hugenotenkrijg is ontsierd. Dit lag in den aard der Fransche toestanden. In Holland en Engeland mocht het burgerelement zich zonder gevaar aan het hoofd kunnen stellen, in Frankrijk niet. Het meesterwerk van Perrens „La démocratie en France au moyen âge” leî ons nog dezer dagen weêr met te frissche kleuren het beeld der Jacquerie, der muiterijen van Étienne Marcel en Robert le Coq voor oogen, om niet aanstonds al den afstand te ontwaren, waarmeê de burgerontwikkeling hier te lande en in Engeland die der Fransche poorters vooruit was. 61) Reeds uit de boeiende dialoog „Le réveille matin des Français”, die als uiting dezer demagogische denkbeelden het licht zag, was het te profeteeren, dat het apostolaat der volkssouvereiniteit van het Fransche volk zou uitgaan. 62) Daar toch heet het: „Een volk kan zeer goed zonder overheid, niet de overheid zonder volk bestaan. Derhalve heeft het volk de overheid geschapen, en wel door een contrat social, wijl men de voordeelen van zulk een gevestigde orde inzag.” Letterlijk derhalve het gevoelen van Rousseau! Zoo lezen we verder, „het volk dat aan den Koning zijn gezag verleende, heeft zich zelf uitdrukkelijk het hoogste gezag, óók over den Koning, voorbehouden;” en dat, wordt de Koning een tyran „het overhoopsteken van dien dwingeland met het klassieke Rome en Griekenland als de schoonste daad te verheerlijken is.” 63) Zóó ver gaat |42| zelfs in dit geschrift de Jacobijnsche hartstocht, dat een man uit het volk wordt ingevoerd die uitroept: „Een vadermoorder, zoo staat er letterlijk, werd eertijds met een haan, een slang en een aap in een zak genaaid en verdronken. o, Hoe heerlijk zou het zijn, als deze oude straf eens aan dien vaderlandsmoorder, Koning Karel, kon voltrokken worden. Dan kon Katharina van Medicis er bij als de slang, Anjou als de haan en Graaf van Retz kon in den zak voor aap spelen, en Frankrijk zou, van vier deugnieten en booswichten verlost, weêr machtig worden als weleer!” 64)

Deze bloeddorstige denkbeelden waren niet uit het Calvinisme, maar werden er meê vermengd. Ze heerschten in Frankrijk eer het Calvinisme er zijn intocht deed. Reeds in 1408 had de Roomsche priester Johannes Parvus in zijn „Justificatio Ducis Burgundiae coram rege recitata” den tyrannenmoord verdedigd en geprezen, zeggende dat het op grond van natuurlijke, zedelijke en goddelijke wetten elk burger zonder het minste bevel der overheid vrijstond een tyran het leven te benemen, en dat dit des te verdienstelijker was, naarmate voor den tyran de kans schooner stond, om aan een berechting op het schavot te ontkomen.” 65) En wel heeft de Sorbonne in 1416 dit boek veroordeeld, maar even plechtig in 1418 dat oordeel herroepen. 66) Bovendien Johannes Parvus stond daarin niet alleen. Zelfs van Salisbury en Gerson, de „Doctor Christianissimus” verkondigden voor het gezag even bedenkelijke stellingen, 67) en de Spaansche Jezuiet Johan Mariana sprak in zijn „de Rege et Regis Institutione,” dat hij voor Koning Filips III als infant schreef, in gelijken geest. 68) Bij Boëtius, Commines, Montaigne en Thuanus vindt ge even beslist revolutionaire denkbeelden over volkssouvereiniteit, 69) en zoo weinig gold de eerbied voor het Koninklijk gezag, dat een Olivier Maillard in 1478 Koning Lodewijk XI, die hem met den waterdood dreigde, dorst antwoorden: „Heer Koning, het zal mij minder moeite kosten om op mijn knieën naar de Seine te kruipen, dan u, ook al spant ge uw beste loopers voor uw reiskales ooit ergeus anders te komen dan in de hel!” 70) Er zij historische billijkheid. Dat |43| zelfs Melanchthon en Beza het vermoorden van een tyran hebben goedgekeurd weet ik, maar als men reeds eer de Hervorming uitbrak, eer de vader van het Calvinisme nog geboren was, dezelfde uitspraken vindt, dan beschuldige men zoomin het Calvinisme als het Romanisme, maar zoeke de oorzaak dezer onzedelijke denkbeelden in een zondigen trek der Renaissance. Het is in haar school, dat het valsche heroisme der oude Grieken en Romeinen deze wrange vrucht heeft geteeld.


Neen, wil men, hoewel nog verre van zuiver, uit gelouterder bron het Gereformeerde staatsrecht kennen, dan sla men de standaardwerken op van Hottoman en Languet. Al geef ik toe, dat ook door Hottoman’s, Franco Gallia, 71) en door Languet’s, of wilt ge den pseudoniem, door Junius Brutus „Vindiciae contra tyrannos!” 72), diezelfde valsche ader van de Renaissance loopt, toch vindt ge bij den laatste vooral de grondlijnen doorgetrokken van het Calvinistisch systeem, waarin het echte constitutioneele staatsrecht wortelt. Bij dezen geleerden staatsman en fijnen diplomaat, wiens werk nog voor korte jaren door Richard Treitzschke vertaald werd, 73) vindt ge metterdaad een systeem. Alle souvereiniteit daalt hem af van God. Hij is voorstander van het „Droit divin.” Zoo echter dat hij de souvereiniteit der kroon, niet in ’s konings persoon, noch zelfs in het geïsoleerde koninklijk ambt, maar in de organische verbinding van dit ambt met de „magistratus inferiores” zoekt. Hij bedoelt daarmeê niet de door den koning aangestelde ambtenaren, maar de machthebbers, die onafhankelijk van ’s konings wil, in de rijksstaten en parlementen zitting hebben. Deze zijn „regni officiarii, non regis.” De ambtenaren hangen van den koning af, niet zij. Derhalve „illorum munus est regem curare, horum, ne quid detrimenti respublica capiat.” 74) Deze „magistratus inferiores” nu hebben zoowel een deel der staats-souvereiniteit van God ontvangen, als de koning. Zij staan met hem voor den Koning der koningen verantwoordelijk, |44| dat het gezag den volke ten zegen zij. Tekortschieting in plichtsbetrachting van ’s konings wege kan hen dus van hun eed niet ontheffen. Waakt de koning niet, dan hebben zij te waken, ook al was de verdrukker de koning zelf. — Ziedaar dus de eerste kiem van het constitutioneele staatsrecht, met den diepsten wortel niet in het volk, maar in God. Het is de leer van de „magistratus inferiores,” die, door Calvijn reeds gepredikt, ook in het Liber Magdeburgensis werd aangeprezen, 75) maar eerst door Languet, zij het ook nog met onzuivere bijmengselen, op gronden aan het Woord Gods, aan het Germaansche volksrecht en aan het natuurrecht ontleend, tot een wetenschappelijk staatsrechterlijk systeem van eerste orde is verheven. Het is aan dit systeem, dat de Engelsche revolutie haar grondgedachte dank weet en waarop het recht onzer vaderen in hun kloek verzet tegen Spanjes tyrannie heeft gesteund. Het is nog ditzelfde denkbeeld van souvereiniteit in eigen kring, waardoor de grenslijn getrokken wordt tusschen de volkssouveiniteit en ons constitutioneele staatsrecht. Ja, het is, zooals de Tocqueville maar al te scherp gezien heeft, juist het wegvallen dier „magistratus inferiores,” waardoor onze staatkundige vrijheid nogmaals ernstig wordt bedreigd. 76)




IV.

Maar hiermeê is dan ook de onzekerheid opgeheven, die den oorsprong onzer staatkundige vrijheden drukte. Weet elk, dat juist de Calvinistische volken, zoo hier als in Amerika, het eerst hun vrijheid veroverd, het langst hun vrijheid genoten hebben, en het best voor burgervrijheid zijn gerijpt; blijkt uit de geschiedenis, dat Amerika’s Statenbond waar nòg de plante der vrijheid het weligst tiert, niet aan Frankrijks revolutie, maar aan |45| Puriteinschen heldenmoed 79) zijn glorie dankt; is, naar het eenparig aller moderne geschiedschrijvers, de banier van Engelands grootheid door Willem van Oranje omhoog geheven, en de „glorious revolution” die hem op den troon bracht een geestesvrucht van den Independentenstrijd; ja, wijzen de stukken het uit, dat de parel van uitnemende waarde, die in het Constitutioneele staatsrecht voor volksvrijheid geboden is, niet uit den stroom der Fransche revolutie opgevischt, maar door de Rousseaus en Montesquieus aan de martelaarskroon der Hugenoten, aan het met bloed bedropen diadeem onzer Nassaus en Oranjes ontstolen is, — dat dan ook voor zoo onwraakbaar getuigenis der feiten het doctrinair vooroordeel zwichte en aan het Calvinisme niet langer zijn oorsprongsrecht op onze burgervrijheid worde betwist.

Daarop moet aangedrongen, althans zoo ook de laatste schakel van het bewijs kan geleverd worden, t.w. dat de ontwikkelingsgang dien we volgden, metterdaad in Calvijn zijn uitgangspunt vindt en uit het kenmerkende der Calvinistische belijdenis wordt verklaard.

Beza van Vezelay, Calvijns „fidus Achates,” vormt den overgang tusschen het Calvinisme te Genève en het Calvinisme der Hugenoten; over hem daarom vooraf een enkel woord. Vrijheid van eeredienst wil Beza nog niet: „haec quidem libertas ut quo quisque modo volet Deum colat, est hoc mere diabolicum dogma.” 80) Daarentegen is hij tot het verfoeien der gerechtelijke moorden reeds gekomen. „Videlicet in causa religionis neminem igni et ferro persequendum esse, id ego vel in primis concedo” 81), schrijft hij aan den Hongaarschen baron Thelegd. Slechts zie men toe, dat geen onzedelijke praktijk zich achter het gewetensmasker verberge. Ook hij is voorstander van onderdanigheid aan de machten. Brutus’ moord op Caesar gepleegd keurt hij af. 82) Maar niettemin is hij constitutioneel. „Ceterum legitimi magistratus potestas non est infinita” 83). Hij wenscht parlementen en stenden, volksoverheden, „magistratus |46| inferiores,” met souvereiniteit in eigen kring. Deze, niet de privaat personen hebben de tyrannieke overheid te weêrstaan. Onze opstand tegen Spanje heeft hij uitdrukkelijk toegejuicht. 84) Voor Condé wierf hij ruiterregimenten en presideerde te Genève het diplomatieke bureau dat Frankrijks Hugenoten in verbinding hield met de Hervormde vorsten in Duitschland.

Ontbreekt derhalve in Beza niet één der elementen, die we in den loop van het Calvinisme zich ontwikkelen zagen, nog scherper belijnd, zij het ook in nog dichter windselen, vinden we deze elementen bij Calvijn.

Ook bij hem begin ik met de gewetensvrijheid. Niet om mij in het breed verhaal van Servets procedure te verwikkelen. Wie deswege op den hervormer van Genève nog smaalt, bewijst eenvoudig eigen achterlijkheid in historische studie. De tijdgeest, niet Calvijn, was bij Servets brandstapel de schuldige, wat wel niet krasser blijken kan, dan uit Servets eigen getuigenis, als hij van de „incorrigibilis et malitia obstinata haeresis” zelf, met eigen hand neêrschrijft: „Hoc crimen est morte simpliciter dignum apud Deum et homines.” 85) Ons raakt niet, wat Calvijn zijn tijd nasprak en nadeed, maar wat hij in onderscheiding van den tijdgeest als nieuw beginsel invoerde. Dit nu was zijn stelling, dat wel op de hoofdpunten der Christelijke belijdenis geen ketterij mocht toegelaten, maar zij die in het mindere afweken moesten geduld, „quoniam nemo est qui non aliqua ignorantiae nubecula obvolutus est.” 86) Ziedaar een beginsel. De Hugenoten breidden dit uit tot het dulden der ongewapende Roomschen. Onze Hollandsche republiek gaat nog verder en duldt zelfs afwijkenden eeredienst, mits in besloten huizen. Nog verder ontwikkeld leidt het in Engeland tot de „Toleration act,” tot eindelijk in Amerika de laatste consequentie wordt getrokken, door vrijgeving van alle eeredienst en aller geweten.

In de tweede plaats de Souvereiniteit! Ook Calvijn eert het „Droit-divin.” Alle opperste overheid in monarchie of gemeenebest regeert „Dei gratia.” Doch dat goddelijk recht kleeft |47| aan hun kroon, niet aan hun persoon. Zij zijn gewone schepsels, in den regel nog dieper gezonken dan anderen. „De vorsten, zoo schrijft hij in zijn commentaar op Daniël, bogen er altijd op dat ze koningen en graven zijn bij de Gratie Gods, maar hoe velen hunner misbruiken dien titel niet tot despotie en dwinglandij. Want wat bedoelen ze anders met dat „bij de gratie Gods,” dan dat ze geen hoofd boven zich erkennen, en God den Heer liefst met voeten zouden trappen, in steê van waarlijk te gelooven dat hun macht aan Gods genade hangt. Och, het is in hun mond niets dan boerenbedrog als ze van de gratie Gods reppen.” 87) „Ze hooren,” dus gaat hij voort, „dat de souvereiniteit „sacrosancta” is, en wat doen ze nu, ze maken het tot een schild voor zich zelf, als gold dat hoogheilige van hun eigen persoon.” 88) „Aan ’s Konings hof zien we vaak de hoogste betrekkingen door domme schurken bekleeden en de koningen zelven zijn heden ten dage vaak zoo bruut en idioot, als de ezels onder de stomme dieren.” 89) „Bovendien bevelen ze iets, dat tegen de wet Gods ingaat, dan ontblooten ze zich zelf van hun souvereine macht voor ons, wijl zij tegen God opstaan; ja dan zijn ze niet meer waard gelijk Nebucadnezar onder de menschen geteld te worden.” 90) „Quare potius conspuere oportet in eorum capita,” men ze liever in het gezicht moet spuwen, dan ze te gehoorzamen, als zij zoo verwaten zijn, om tegen God in te gaan en zich zelven te plaatsen op zijn troon.” 91) Mij dunkt, dit scheelt nog wel iets van het Droit divin dat Lodewijk XIV ingang deed vinden! Dat het Calvijn, ook al veroordeelen we zijn hartstocht, tot kruipende slaafschheid bracht, blijkt althans niet.

De staatsvorm is Calvijn product der historie en als zoodanig te eerbiedigen. Is het een monarchie dan eere men den Koning. Is het een Democratie, dan eere men de Ephoren. Is het een Gemeenebest dan eere men de Proceres. 92) De souvereiniteit kan door God zoowel op een enkele, op velen of op allen worden gelegd. Het gezagsbeginsel raakt dit niet. Maar is Calvijn vrij, staat hem de keuze, dan is hij zeer stellig voor |48| de republiek. Hij las te veel in het zondenregister der Koningen, die alleen heerschten, om van de despotie geen afkeer te hebben. In een gezag aan velen toebetrouwd lag tot verlokking der heerschzucht minder gevaar. 93)

Wat te doen als de overheid de burgers onderdrukt? Mag dan de private persoon naar de wapenen grijpen? Nooit, zegt Calvijn. En zoo de overheid iets tegen Gods eer gebiedt? Ook dan niet. Dan weigere men gehoorzaamheid en lijde straf. 94) Maar vraagt ge Calvijn, of er dan geen middel tot verweer is, dan haast hij zich er bij te voegen: „De privatis semper loquor hominibus.” 95) „Want, zoo er bij eenig volk secondaire, uit het volk zelf voortkomende overheden bestaan, gelijk de Ephoren te Sparta, het volkstribunaat te Rome en nu de drie stenden van het Parlement, dan ben ik er zooverre vandaan hen tot lijdelijkheid aan te zetten, dat ik ze veeleer van eedbreuk beschuldig, zoo ze de volksvrijheden prijsgeven, wier verdediging ze bezworen hebben.” 96) Bij Calvijn zelf dus de oorsprong van het systeem der secondaire machten, van de leus waaronder de Condé’s tegen Karel, onze Staten tegen Filips, Engelands Parlement tegen de Stuarts, en Amerika’s koloniën tegen het moederland opstonden, bij Calvijn zelf het heerlijk beginsel waaruit het Constitutioneele staatsrecht is gekiemd. 97)

Eindelijk, waar ik niet minder nadruk op leg, Calvijn was tegen Noninterventie. Voor zijn volkenrecht was Europa geen aggregaat van op zich zelf staande staten, maar vormde één volkerenfamilie. Weshalve de vorst van een naburig land verplicht was tusschen beide te treden, zoo een vorst zich aan zijn volk vergreep. 98) Van dat beginsel uitgaande, heeft hij zelf; gelijk uit de brieven door Bonnet uitgegeven blijkt, de geldheffing bevorderd voor de soldij der Duitsche troepen die naar Frankrijk togen. 99) In dien zin ook zong onze Zwijger: „Een Prince van Orangien ben ik vrij” d.w.z. sta ik als souvereine vorst in Europa’s Statenbond, en viel dies met zijn troepen binnen onze grenzen. |49|

Van de Kerk, zeg ik hier slechts dit weinige. Ook bij de kerk was de vorm Calvijn geen hoofdzaak. Desnoods kon hij een Episcopaat dulden gelijk in Engeland. Maar zijn kerkvorm had onveranderlijk den wortel in de gemeenteleden zelven, zwevende tusschen den aristocratischen en democratischen tint. Zijn gemeente te Genève was autonoom. Een kerkgeheel, waarvan de gemeenten willooze „membra” zijn, heeft hij nooit gewild. Zijn Synodaal systeem steunde op Confederatie door vrijwillige toetreding en schuwde elken dwang. 100) En vraagt ge ten slotte naar zijn scheiding van kerk en staat, dan heeft hij zeer zeker te Genève beide op het innigst verbonden, maar mag evenmin ontkend dat hij feitelijk èn in Polen èn in Hongarije èn in Frankrijk vrije kerken gesticht heeft, 101) die met den staat in geen enkel verband stonden, en hiermeê den zaadkorrel aan den bodem toevertrouwd, waaruit straks, door de Puriteinsche worsteling, ook het denkbeeld van den vrijen staat vanzelf zou voortkomen.




Maar zoo dan metterdaad in Calvijns geschriften de eerste scheppende levensuiting voor ons ligt van dien machtigen geest, die uit Genève Frankrijk binnengebroken, straks ons het Spaansche juk afwerpend, in Engelands troebelen zijn manlijke kracht ontplooiend, meê door het stichten van Amerika’s Unie, de despotie gebannen, de heerschzucht beteugeld, de wilkeur beperkt en ons onze burgervrijheden geschonken heeft, is het dan ook aanwijsbaar, in welk Calvinistisch geloofsbeginsel de wortel dezer vrijheden schuilt? Immers het Calvinisme was allereerst geloofsreformatie, en kon derhalve geen staatkundige vrijheid scheppen, dan als sequeel van zijn belijdenis, door de kracht van zijn geloof.

En verwondere het u dan niet, M.H., zoo ik u ter beantwoording van die vraag, schijnbaar uiterst tegenstrijdig, op het |50| fundamenteele leerstuk der Calvinisten wijs: hun belijdenis van de volstrekte souvereiniteit Gods. Uit die belijdenis toch vloeit voort, dat alle gezag en macht op aarde niet inhaerent, maar opgelegd is, zoodat er van nature noch bij den vorst noch bij het volk van souvereiniteit sprake kan zijn. Souverein is alleen God almachtig zelf; alle schepselen, ze mogen dan in het vorstelijk paleis of in de bedelaarsstulp geboren zijn, acht Hij, bij zich zelven vergeleken, als niets. Gezag van het ééne schepsel over het andere ontstaat eerst, doordien God dit verleent, niet om het af te staan, maar om het te laten gebruiken tot zijn eer. Hij is dus vrijmachtig en geeft dat gezag aan wien Hij wil. Nu eens aan koningen en prinsen. Dan aan adelstand en patricische burgers. Maar soms ook evenzeer aan heel het volk zelf. Een democratie als in Amerika is hem een even bruikbaar instrument ter betooning zijner souvereine heerlijkheid als het Russisch absolutisme. De vraag is niet of het volk zelf dan wel een koning regeert, maar of, beiden, zoo ze regeeren, dit doen krachtens Hem.

Hiermeê is dus tweeërlei geoordeeld. Vooreerst de volkssouvereiniteit in den zin van Hugo de Groot en Mirabeau. Het denkbeeld, alsof elk mensch, eenvoudig door uit een vrouw geboren te worden aanspraak zou hebben op een deel van het politiek gezag en voorts de staat door saâmrijging van deze deeltjes ontstaan zou, beperkt Gods vrijmacht, plaatst in den mensch als mensch in steê van in Gods sterken arm de bron der souvereiniteit en moet op vernietiging van élk zedelijk gezag uitloopen. Maar evenzeer is daarmeê het „Droit divin” geoordeeld in den zin van de Stuartsvrienden, der Fransche legitimisten, en van het Pruisische Junkerthum. Wat Karel I nog op het schavot zijn biechtvader verklaarde : „le peuple ne doit point avoir de part dans le gouvernement; cela ne lui appartient pas. Un roi et ses sujets sont des personnes tout à fait différentes” 102) dàt is die oude booze stelling, die de vorsten tot een soort van hoogere wezens stempelt en met de belijdenis van Gods vrijmachtige souvereiniteit niet kan bestaan. |51| Dat Graaf de Chambord nog onlangs, niet slechts de aanvaarding der beginselen van ’89, maar ook elk verdrag met de Assemblée Nationale afsloeg, vloeide uit een even valsch begrip van het „Droit divin” der koningen voort. Ook voor een vorst kan noch mag er in anderen zin van een „Regnum Dei gratia” van een „Droit divin” sprake zijn, als waardoor elk onzer het gezag uitoefent waarmeê hij bekleed is en deswege, ook na eerbiediging van anderer rechten, nog verantwoordelijk blijft aan God.

Hieruit verklaart zich tevens, hoe belijdenis van dit „Droit divin” met verfoeiing van alle vorstenaanbidding en strenge gisping van kruiperij voor ’s konings troon gepaard gaat. Is God alleen Souverein, elk onzer, ook de koning, een van hem afhankelijk schepsel, dan is alle adoratie van den persoon der vorsten, elke poging om in een vorst een hooger wezenssoort te zien, een schuldige roof die gepleegd wordt aan de glorie van Zijn naam. De Calvinisten wilden dan ook dat de koning, in zoover hij lid der kerk was als gewoon gemeentelid zou bejegend worden, en toen een der vorsten van Condé het commando gaf om den slag bij Dreux te beginnen, ontzag de veldprediker zich niet, hem voor het front der troepen de vraag te doen: hoe hij den slag beginnen dorst zonder schuld beleden te hebben over de misdaad door hem aan een dochter van een zijner officieren gepleegd? En Condé, wel verre van hem met zijn rijzweep in het aangezicht te striemen, riep den beleedigden vader tot zich, klom van zijn paard af en deed boete.

Maar even onverbiddelijk als tegen vorsten-aanbidding keert zich dit beginsel van Gods souvereiniteit dan ook tegen de Staatsoppermacht die thans komende is. Of men aan een Vorst, aan een Parlement, of aan geheel een Staat wil geven, wat alleen Godes is, maakt het verschil niet uit. Zoowel als de Vorst is óók de Staat een creatuur, dat Hem zijn aanzijn dankt en dies nooit treden mag in de rechten, waarvan Hij met majesteit gesproken heeft: „Ik zal mijn eer aan geen andere geven.” De Calvinisten drukten dit uit door hun onveranderlijk |52| beweren, dat men voor een overheid, die eenig ding tegen God en zijn Woord eischt, niet slechts niet behoeft te wijken, maar haar niet gehoorzamen mag. 103) Creatuur-vergoding is voor den Calvinist de zwaarste zonde, en of nu op staatkundig terrein de Perzische despoot zich de Zonnegod noemde, of Divus Augustus het volk voor zijn beeld liet offeren, of wel de moderne opinie zich in apotheose van den Staat zelf verliest, het is al om het even. Medeplichtig aan dit verfoeilijk streven wordt een echt Calvinist nooit.

Maar er is meer. Is het Gods Souvereiniteit die het wereldbestuur draagt, dan volvoert Hij zijn plan zoowel in de heldenfeiten als door de zonden van vorsten en volken en moet ook met de gevolgen der laatsten, bij alle veroordeeling van het schuldige, gerekend. Zeer zeker is aan Koning Jan Zonderland de Magna Charta door zijne Baronnen afgeperst, op eene wijze, die hén schuldig stelt, maar dat door de Magna Charta Engelands Parlement een macht zou krijgen, waarvan het Engelsch spotwoord zegt: „it may do everything except making a man a woman,” is daarom niettemin een feit door Hem gewild en schiep een recht door Hem geheiligd. Nebukadnezar zondigt met Israël den krijg aan te doen, maar dat Israël naar Babel zal gaan, is niettemin Gods raad en draagt voor Israël vruchten, die het aanvaardt. Zóó nu ook de Fransche revolutie. Ze was gelijk Burke het niet te sterk uitdrukt: „the most horrible of sins,” maar dat het ancien regime zou vallen, was niettemin een oordeel Gods, dat over de vorsten ging, en de vruchten der revolutie worden met dankzegging, niet aan haar, maar aan den sonvereinen God, ook door ons Anti-revolutionairen aanvaard. Daarin juist zijn we van de Contra-revolutionairen onderscheiden, van de mannen, die het recht door de geschiedenis geschapen, niet erkennen willen en dies op gewelddadige vernietiging bedacht zijn, van wat krachtens de geschiedenis bestaat.

Doch dit slechts in het voorbijgaan. Voor een ernstiger gevolgtrekking uit de belijdenis van Gods souvereiniteit, vraag ik |53| uw aandacht, voor het Calvinistisch centraal-dogma, hun „cor Ecclesiae”, de leer der uitverkiezing. In elk tijdperk van veerkracht, heldenmoed en glorie hebben de Calvinistische natiën dit beleden en slechts in dagen van geestelijke verslapping deze diepste gedachte des zedelijken levens vergeten of ontkend. Uit Gods souvereiniteit leid ik haar af, want de Calvinist heeft nooit met dit leerstuk zelfverheffing bedoeld, maar alleen de belijdenis, dat alle eer óók van zedelijke grootheid en geloofsmoed toekomt aan zijn God. Dat Calvijn hieraan zijn kracht ontleende, behoeft geen herinnering. Van onze vaderen en de Hugenoten weet ge dit uit belijdenis en smeekschrift. Van de Puriteinsche troebelen schrijft Mrss. Hutchinson, op wier Mémoires ik reeds wees: „A cette époque cette importante doctrine de la prédestination commençait à être abandonnée par les prélats Anglicans, mais toutes les personnes sérieuses et saintes s’y attachaient avec ardeur.” 104) Bancroft getuigt van de stichters der Amerikaansche Unie: „In hun vast geloof aan den wonderlijken raad van den almachtigen God, die hen verkoren had, lag het geheim van hun kracht. Wijl ze stonden in de uitverkiezing was alle vrees hun gebannen en uitgebrand de slavenaard die voor geestelijke of wereldsche despooten buigt.” 105) En wilt ge nog een getuige, hoor dan den hoogleeraar Maurice in zijn schitterend werk: „Lectures on social Morality”: „De grondslag waarop we staan is onwankelbaar, for we stand upon the election, sprak Johan Calvin, en al het volk in Frankrijk, Holland, Schotland luisterde naar zijn stem. Dat woord was de spierkracht der Fransche godsdienst-oorlogen. Hollands vrijmaking van Spanje was de vrucht van die belijdenis. De vorming van Schotlands nationaliteit was gewrocht van dat geestesbeginsel. Ja nog werkt dit scherp beginsel zoo machtig door, dat de Social Morality, zoo ze met dit leerstuk niet rekent, het leven niet verstaat.” 106) En geen wonder. „A living God,” dus gaat hij voort, „higher than all dogma’s and systems was heard not by the schoolman but by the hardhanded seller and ploughman, bidding him to rise and fight with himself, with monarchs, with devils. Let the soldiers of Alva and |54| Philips yield to their treats. He, the Calvinist dared not. He must /56/ defy them. For they were fighting against the Lord, who had called them out of death to life.” 107) Juist daarin schuilt het geheim van de wondere kracht door deze belijdenis gewekt. Wie aan uitverkiezing gelooft, weet dat hij tot iets uitverkoren is en dies eene zedelijke roeping heeft, eene roeping, waarvoor, wijl ze goddelijk is, des noods het liefste offer moet gebracht worden; maar ook een roeping die hem gelukken zál, wijl God die souverein is er hem toe riep; en dies aarzelt hij niet en wikt en weegt niet, maar slaat de hand aan het werk en arbeidt door. Ja, let ook hierop, Een kerk, die de electie als „Cor ecclesiae” belijdt kán niet elericaal zijn, maar moet haar kracht in de electi d.i. in de gemeenteleden zoeken. Zoo vloeide uit deze belijdenis het democratisch kerkbeginsel voort, dat straks uit de kerk op het terrein van den staat overgedragen, de vrijheden van ons Hollandsch volk, de vrijheden van het Engeland der Whigs, en niet minder de vrijheden van Amerika in het leven riep. De uitverkiezing schept den fieren burgergeest en ondermijnt elk beginsel van geloofsvervolging. Door haar, zoo schreef Mrss. Hutchinson in 1660: „m’est démontrée cette grande vérité que Dien ne peut approuver les conversions arrachées par le secours des lois humaines. Ainsi que nos combats nos armes doivent être spirituels.” 108)

Niet anders is het met Calvijns diepe opvatting van de zonde, die uit de erkenning van Gods souvereiniteit onmiddellijk voortvloeit. Zoo straks vernamen we het reeds, hij is republikein, wijl hij weet dat ook de koningen zondaren zijn en nog lichter dan hun onderdanen, bij meer verlokking, voor de verleiding zwichten. Maar hij weet ook, dat diezelfde zonde in de volksklasse woelt en dat dies verzet en opstand, muiterij en troebelen geen einde zullen nemen, tenzij een rechtvaardige Constitutie het misbruik van gezag beteugelt, de grenzen afbakent en het volk eene natuurlijke bescherming tegen heerschzucht en moedwil biedt.

Dát is systeem. Daarin ligt consequentie. Heel anders dan |55| bij de Fransche Doctrinairen, die óók vrijheden eischen, maar daarbij uitgaan van de voortreffelijkheid der „Citoyens,” om straks, in die voortreffelijkheid teleurgesteld, door machtsoverschrijding en eedbreuk, door „coup d’état” en deportatie, het hen verrassend misbruik dier vrijheden te bezweren.

Eindelijk eene laatste gevolgtrekking. Uit de souvereiniteit Gods volgt het souverein gezag van Zijn Woord, en ongelooflijk is het, hoe vooral de studie van het Oude Testament de ontwikkeling onzer constitutioneele vrijheden bevorderd heeft. Alle schrijvers over Calvinistisch staatsrecht, ’t zij ze in Genève of Schotland, in onze Unie of Frankrijk, in Engeland of Amerika thuis behooren, hebben van de eerste tot de laatste steeds met een beroep op Israëls staatsrecht de volksvrijheden verdedigd. Niet dat ze het Mozaisch recht in hun tijd wilden herstellen. Van dien eisch zegt Calvijn: „Hoe gevaarlijk en gedrochtelijk deze leer is mogen anderen aantoonen, mihi falsam esse ac stolidam demonstrasse satis erit.” 109) Neen, maar er lag in het vrije optreden der profeten, in de rechten der Volksvergadering (der Kahâl), in de eigenaardige rechten der stammen en geslachtshoofden, maar bovenal in de wijze der eerste koningsverkiezing een beginsel van staatkundige vrijheid, dat met zijn frisschen adem alle despotiek gezag moest uitdrijven. Immers er stond van Saul geschreven, dat hij eerst ja door zalving en lotskeuze was aangewezen, maar ook dat na Jabes’ bevrijding al het volk naar Gilgal toog en „aldaar Saul tot koning maakte.” 110) En evenzoo van David, dat hij wel door Samuël gewijd, maar niettemin te Hebron door de oudsten van Juda gezalfd was 111) en ook de kroon van de eerst afvallige stammen niet dan door de aanbieding van de stamhoofden verkreeg. 112) Sprak het dan niet vanzelf, dat de Calvinistische staatslieden, die geen stap deden zonder de Schrift te raadplegen, schier in het licht der goddelijke goedkeuring het denkbeeld eener volksconstitutie leerden beschouwen, die wel het erfrecht van den troon niet vernietigde, maar toch de macht der kroon beperken moest. De geschiedenis der volksopinie |56| zoowel als de geschriften over staatsrecht bewijzen het dan ook dat het feit van Sauls en Davids kroning veel sterker dan de schoonste theorieën den loop onzer Constitutioneele denkbeelden bij het Christenvolk heeft verhaast.




Zoo heb ik u dan aangetoond, M. H. dat de plante der staatkundige vrijheid haar moederaarde vond bij de Calvinistische natiën, Zwitserland en Holland, Engeland en Amerika; aangetoond dat Amerika, het land der mildste vrijheid, een stichting is der Puriteinen; aangetoond dat de kracht van den Puriteinschen geest een vrucht van Engelands Calvinisme was en op haar beurt de worsteling der Independenten voortzetting van de levensgedachte, die eens Frankrijks Hugenoten had bezield; aangetoond hoe het in deze machtige geestesbewegingen éénzelfde kiem is, die zich steeds verder ontwikkelt, en dat de zaadkorrel, waaruit die kiem al hooger opschoot, te zoeken is in den reuzengeest van Calvijn. Zijn levensleus „God absoluut souverein” bezat de toovermacht die ons nóg verbaast, om het gezag zijn hechtsten steun te geven en tegelijk onbelemmerd de plante der vrijheid te doen wassen.

Of ik dan beweer, dat het tot aan Calvijn nacht bleef en eerst lichten ging met zijn verschijning? M.H. ik weet van zoo onhistorische gedachte niet. Zelfs het koenst genie blijft kind van zijn tijd en ook Calvijns majestueuse bouw werd gedragen door het verleden. Neen, dorst naar vrijheid en afkeer van dwinglandij, is niet eerst door den hervormer van Genève in het bloed van den Germaanschen stam gemengd! Reeds een Arminius in het Teutoburgerwoud, een Claudius Civilis op onze eigen erve wisten den slavenboei te verbreken. Vijand van dwinglandij is onze stam door alle eeuwen geweest en Roomsche zoowel als Hervormde Edelen hebben onze rechten en volksvrijheden tegen de Alva’s en de Vargassen verweerd. Zoo ook, de Christelijke Kerk telde bij Calvijns optreden reeds vijftien eeuwen, en dat |57| ook zij in haar echte geesteskinderen niet voor dwinglandij koos, heeft de volksheld van Tarsen zijn Corinthiërs, heeft Ambrosius in Milaan den Keizer Theodosius, heeft een Wyclef in zijn boeien, een Huss op zijn brandstapel, een Luther op den Wormser Rijksdag getoond. Voeg daarbij den invloed der Renaissance, die de helden van Marathon weer spreken, Griekenlands en oud-Rome’s glorie weêr schitteren deed, en ge hebt in die drie: het Germaansche, het Christelijke en het Renaissance element, de factoren u geboden die eer Genève’s naam nog genoemd werd, reeds van milder volksvrijheid profeteerden. Maar die factoren stieten elkander af, in steê van elkaâr onderling te steunen. In der Welfen en Gibellijnen krijg streed de Kerk met den Germaanschen geest en de spot der Humanisten raakte met het Obscurantisme, straks het Christendom met de Renaissance handgemeen, en het was beide malen bij den strijd dier groepen, als in Salomo’s rechthuis: beide partijen beweerden moeder van het kind der vrijheid te zijn, doch meêdoogenloozer dan voor Salomo’s vierschaar hieuw men het levende kind in twee. Dies hield het absolutisme stand. Zou het breken, dan moest de tintelende levenskracht der Germanen geleid, de Kerk gezuiverd, de Renaissance geheiligd, de drie robijnen in één zelfde snoer worden saâmgevat, en dát deed Calvijn. De kracht van het Germanisme, de vrijheid van den Christelijken geest en den adel der classiciteit versmolt hij in den gloed van zijn geest tot dat metaal van uitnemende waarde, waarop ook Hollands volk zijn stedemaagd sloeg, om Schrift en vrijheidshoed het randschrift drijvend: „hac nitimur, hanc tuemur!”

Doch helaas, uit die handen hebben de meeste van Europa’s volkeren de frissche wateren der vrijheid niet begeerd. Men bezwoer de Reformatie en dies ging Italië onder, zonk Spanje weg, groeven de Habsburgen in het hart huns volks, en begroette Frankrijk en droeg in haar grooten Koning een waar Oostersch despoot. Hierdoor kwam de gruwel der verdrukking, die, Parlement noch Cortes eerend, door adel en door hoveling het volk |58| vertrappen en elke vonk van vrijheid in het hart des volks blusschen liet. Die geest sloeg ook naar de Duitsche hoven over, waar men voor Fransch geld en Fransche maîtressen het Germaansche element veil bood en ’s lands kinderen, alsof het slaven gold, aan vreemde armeeën verkocht. Ja zelfs Zwitserlands kantonnale raden werden te kwader ure aangestoken en Hollands vrije staten in den vorm van patricisch nepotisme met denzelfden geest van hoogmoed en volksverachting onder Franschen invloed besmet.

Dat kon niet duren. Europa’s fiere geest moet over Azië heerschen, maar voor het Aziatisch despotisme der Perzische Satrapen is in het vrije Europa geen plaats. Er moest een breking, er moest gewelddadige verstoring komen en het was Gods oordeel over de heerschzucht der hoven en den slaafschen geest der volkeren, dat het instrument ter redding in den gruwel van Frankrijks revolutie kwam.

Men snakte naar lucht; om vrijheid riep men; en zie, ze lag in de Calvinistische landen in milden voorraad gereed. Die vrijheidsvormen kon men nabootsen. Maar wat niet gereed lag ’t was dat zedelijk element, het heldengeloof onzer vaderen, waardoor het Calvinisme groot wierd; wat ontbrak, het waren die „magistratus inferiores,” die den strijd om de vrijheid wettig konden aanbinden; wat men niet meer vond, het was dat deugdelijk volkerenrecht, dat hulpe van buiten beloofde tegen de tyrannie van adel en vorst.

Toen traden de Encyclopaedisten op, de geesteskinderen van Hugo de Groot, dien colossus van geleerdheid, maar ook dien onverzoenlijken vijand van den Calvinistischen naam. Of al onze Gronovius zijn aan de Schrift ontleend betoog ontzenuwde, 113) deed er niet toe, het systeem van De Groot was juist, om niet in het geloof, maar in ’s menschen „gezelligen aanleg” het uitgangspunt te vinden voor zijn revolutionaire idee. Daarin volgden hem de Deisten, straks de school der Encyclopaedie in Frankrijk, en zoo ontstond die doctrine, die dogmatiek van de „Droits de l’homme,” die de Calvinistische vrijheden, van heur natuurlijken |59| wortel afgescheurd, zocht te enten op den wilden stam van zelfgenoegzaamheid en menschelijk goeddunken. Boven den grond was de nabootsing van den bouw treffend. Slechts in het fundament school de tegenstelling. Bij het Calvinisme Gods souvereiniteit, de mensch in zijn zonde erkend, en eisch van strenge zedelijkheid; — en in de clubs der Parijsche Septemberhelden Gods Almacht door de leer van eigen souvereiniteit verdrongen, de mensch in zijn voortreffelijkheid gestreeld en de onheiligste hartstochten ontketend.

Die beweging zette welhaast Frankrijk, straks heel Europa in vlam. Wat stond viel. De mensch en zijn huis, staat en maatschappij werden omgekeerd. Het grauw brak los. En na den eersten wildzang der bandelooze wrake deed Robespierres schrikbewind, straks Napoleons ijzeren vuist de volkeren gevoelen, wat er zonder geloof en zonder secondaire magistraten van de vrijheid des souverein verklaarden volks wordt. Maar ten laatste richtte onder Pitts en Steins bezielende leiding Europa zich toch uit zooveel smaad en zulk een vernedering weêr op. In Europa zeî ik straks, is voor geen Aziatisch despotisme, maar minder nog voor Afrikaansche Tomboktu-bloeddorst plaats. Zoo werd de razernij der Septembriseurs bedwongen en ging van Leipzigs volkenslag de kreet der verlossing uit. Er was een oordeel der gerechtigheid over de vorsten en grooten der aarde, ook over ónze patriciërs en bewindsmannen gegaan; het bloed en de tranen der vertrapte natiën had in de Fransche revolutie haar „sera vindicta” gevonden; de eere der vrijheid was gered. Van het zondig beginsel dier revolutie en haar misdaden blijft natuurlijk aan haar bewerkers de schuld, God zal ze oordeelen, maar niettemin, door schuld en oordeel heen, had Europa een zegen ontvangen! Wat men uit de hand van het Calvinisme geweigerd had, werd uit de hand der Fransche vrijheidshelden met gretigheid aangegrepen, en hoe ook Rome, Restauratie en Romantiek reactie naar het oude zochten, Europa’s volken duldden het niet meer. Zoo na de revolutie van ’30, als na de revolutie van ’48, bleef ten deele de vrucht van het Calvinisme bewaard. |60|

Van het Calvinisme zeg ik met nadruk. Want wat de Fransche revolutie wrocht, waar ze aan eigen kracht was overgelaten, vraag dat aan het arme Frankrijk, dat na zich voor een valsche idee te hebben uitgeput, na veertien revolutiën doorworsteld en alle staatsvormen versleten te hebben, nog met een dov" moi pou' stwv op de lippen haar altijd wegvluchtende vrijheid zoekt. Wat de revolutie in eigen kracht vermocht, vraag het aan het jammerlijk geteisterde Spanje, dat van het zenith zijner glorie al lager afgedaald, schier geen meêdoogen meer wekken kan zonder dat de spot er zich in mengt. Of wilt ge nog een ander getuigenis, vergelijk dan Mexico en Peru, Chili en Uragay, alle revolutionaire republieken van het zuiverst model — één zelfs de Phrygische muts op den dolk gestoken voor wapenteeken — vergelijk ze met de Unie der Vereenigde Staten, en zeg mij of het diepgaand verschil niet spreekt?

Maar ook voor onze Westerstaten dreigt gevaar. Ge hebt het gehoord, de vrucht der Fransche revolutie misken ik niet. Ze heeft naar Gods raad, ook in haar zondige verschijning, de verspreiding der Calvinistische vrijheden gediend. Ik klaag daar niet over, maar kan er voor danken, Edoch slechts op één voorwaarde, t.w. dat ook op het giftig element gewezen worde, dat door haar, in Europa’s Statenorganisme is gebracht. Immers ze deed nog iets anders dan de Calvinistische vrijheden copiëeren, ze bracht ook een systeem, ook een catechismus, ook een doctrine, en het is dat systeem, dat, tegen God en zijn gerechtigheid ingaande de banden van orde en gezag losrijt, de vastigheden van het maatschappelijk leven weggraaft, de hartstochten vrij spel gunt, en aan het materieele lagere leven de heerschappij biedt over den geest.

Welnu, dát systeem, die dogmatiek, niet die vrijheden worden door ons Antirevolutionairen bestreden. We weten dat de „perspectives du paradis” op aarde niet komen kunnen, maar we willen evenmin, dat men zonder noodzaak ons terugdringe naar de „supplices de l’enfer.”

Meenende vernuftig te zijn schiep de dagbladpers er vaak |61| behagen in, ons Antirevolutionairen revolutionair in hooge mate te noemen, zoo dikwijls ons protest tegen reactie en repristinatie uitging. Die zoo spraken vergisten zich. Van revolutiën in den gewonen zin zijn we zoo weinig afkeerig, dat veeleer Griekenlands opstand tegen Perzië onze bewondering, Zwitserlands opstand tegen de Habsburgen onze sympathie, de opstand der vaderen tegen Spanje onze liefde, Engelands „glorious revolution” onze genegenheid en Amerika’s vrijmaking onze onbewimpelde goedkeuring wegdraagt.

Maar hier juist komen we tegen op, dat men déze revolutiën en de Fransche omwenteling op eenzelfde lijn plaatst!

Bluntschli is voor liberale ooren geen verdachte naam, en toch Bluntschli zelf erkent het in zijn „Geschichte des allgemeinen Staatsrecht”: „Die Englische Revolution wollte nicht wie später die Französische einen neuen Stat und ein neues Recht zur Welt bringen, sie hatte wesentlich nur die Tendenz, das alte Volksrecht zu vertheidigen und mit neuen Garantiën aus zu statten.” 114) /64/

Maar waarom u niet op Burke gewezen, op Burke die ten onzent in 1857 in een rectorale oratie door den hoogleeraar Opzoomer aan Utrechts academie als de vrijzinnige staatsman bij uitnemendheid, als betrouwbare gids voor ons staatkundig leven, is ingeleid. 115) Welnu ook Edmund Burke was antirevolutionair in merg en been. De Amerikaansche opstand is door hem verdedigd, wijl het geloof, „always a principle of energy showed itself in this good people the main cause of a free spirit, the most adverse to all implicit submission of mind and opinon.” 116) Als men Engelands „glorious revolution” met de Fransche vergelijken wil, antwoordt hij: „Our revolution and that of France are just the reverse of each other in almost every particular and in the whole spirit of the transaction.” 117) En vraagt ge hem, waarom hij dan toch antirevolutionair en dies fel en onverbiddelijk tegen de Fransche revolutie is, dan zegt hij: „wijl de Fransche revolutie een onderstbovenkeering der maatschappij en |62| haar systeem een antichristelijke doctrine is:” 118) „We are at war not with a people, but with a system and that system by ist essence is subversive of every government.” 119) Dat systeem zelf eindelijk schetst hij in dit forsche beeld: „Er zijn kinderen die met hun vader leven, maar zie hun vader staat hun niet meer aan. Hij moet vernieuwd worden, en ter volvoering van die verjongingskuur houwen ze na gemeen overleg hun ouden vader in stukken en werpen die stukken in den brouwketel, steeds hopend, dat door het vuur dat hun hartstocht aanblaast, het bereiden van den modelvader zal gelukken.” 120) Of wilt ge korter nog de tegenstelling, hoor ze dan in dit kernachtig woord „we are fighting for the rights of Englishmen, not of men.”

Als Burke nu, zoo willen ook Hollands Calvinisten zijn; vóór de vrijheid, maar tegen de onderstbovenkeering van elke orde der natuur. Voor de vrijheid en dus geen Calvinisten in den zin, alsof terugkeer tot oude toestanden ons redden kon. Ons Calvinisme leeft, en draagt in zich de kracht ter ontwikkeling: hoe zouden we dan een phase terug verlangen, die we reeds lang te boven zijn? Neen, we bedoelen geen herstel der Staatskerk, veeleer verfoeien we haar, wijl we weten, dat dit ons geloof schaadt. We verlangen niet, dat de kerk weêr meesteresse der school zal worden, wijl we weten, dat dit de veerkracht van het onderwijs breekt. We verlangen niet, dat vroegere bevoorrechting terugkeere, wijl we weten dat dit nijd baart en wrok. We verlangen niet dat de eenheid van den Staat weêr in zeven stukken gebroken worde, wijl we weten, dat niet in het provincialisme, maar in de nationaliteit de hope voor de toekomst ligt. Veeleer zou terzijzetting van onze grondwettige rechten in ons de felste tegenstanders, aanranding der Constitutioneele monarchie in ons de onverzettelijkste bestrijders vinden. Neen, wat we willen is gelijk recht voor allen, van wat conditie of religie ook. Onze gewetensvrijheid, de vrijheid der drukpers, de vrijheid van vereeniging en der gedachte zullen we handhaven met alle kracht. Wat we willen is vrijmaking der Kerk, door ze eerlijk en volstrekt van den Staat te |63| scheiden, ook in financieëlen zin; vrijmaking der school, door ze niet aan de Kerk, maar door ze onder regeling en toezicht van den Staat aan de ouders terug te geven, wijl de onpersoonlijke Staat o.i. niet schoolmeesteren kan. Wat we willen is toehaling van den band die ons volk aan Oranje verbindt, mits met handhaving van dat gemeenebestelijk volkskarakter waarvan Oranje zelf symbool en waarborg tevens is. We zijn voorstanders van decentralisatie, van een organische volksvertegenwoordiging en van een zedelijke koloniale politiek. We eischen dat aan de Hoogescholen meerder vrijheid, aan de rechtspraak meerder zelfstandigheid worde geschonken, desnoods door een jury in te voeren. En vraagt ge naar het vraagstuk van ons defensiewezen, dan zeg ik slechts zooveel: Het zijn juist Zwitserland, Engeland en Amerika, de bij uitstek Calvinistische landen, die het minst voor hun leger hebben besteed en wier onafhankelijkheid ook nu nog, naar aller dunk, het beste verzekerd is.

Wil men, om dit vrije program, om de vaan van het Christelijk liberalisme die we opsteken, ons met de radicalen der linkerzij vergelijken, we ontkennen daartoe ten deele het recht allerminst. Er ligt waarheid in een trek van het onlangs verschenen „Jozua Davids.” In het formeel program voor ons maatschappelijk leven staan Fourrier en St. Simon soms na aan den profeet van Nazareth. Deramey heeft het uitnemend begrepen: de H. Apostel Paulus is apostel óók der democratie. 121) Slechts vergete men dit ééne nooit dat op het blad van den echten wijnstok niets zoozeer als het blad van den wilden wingert, die nimmer vrucht draagt, gelijkt.

Dit nu geldt ook hier. Al zijn ook ónze eischen met die van het actiefst radicalisme vaak eensluidend, toch bloeien ze op geheel verschillenden wortel. „Duo cum faciunt idem, non est idem.” Wij verwachten alles, zij niets, van het geloof!

Van het geloof! Van dien eisch kunnen we geen afstand doen. Want we hebben de vrijheid lief, en weten krachtens een historie van straks drie eeuwen, dat alleen het geloof de |64| levenskracht bezit, om tot in verre geslachten ons en onzen kinderen die vrijheid te waarborgen.

Schijnt u dit vreemd, laat mij dan eindigen met u déze vraag voor te leggen:

We hebben onlangs het zilveren feest onzer Grondwet gevierd. Ze is ook geloofd, doch meer nog aan strenge critiek onderworpen; maar wat ook te berispen viel, hierin stemden allen saâm, dat, vergeleken bij onze oude staatsregeling der geunieerde provinciën, de Constitutie die we thans trouw zwoeren, een model van organisatie biedt. Maar als dan toch — en ziehier de vraag waarmeê ik besluit — onze vaderen met dien roestigen snaphaan, met die onhandige hakebus, met dat onbeholpen vuurroer, driemaal meer effect deden dan wij met onze keurige wapenen, moet er dan niet een oorzaak zijn, en moet naar die oorzaak niet worden gezocht?


En zoo heb ik dan mijn taak volbracht M.H. Ik breng u mijn dank voor de welwillendheid, waarmeê ge mij aanhoordet. Deed eenig woord soms een enkele uwer zeer, zij het mij om de vrijheid der gedachte vergeven. En, zal ik dan een loon van deze studie mogen wegdragen, laat het dan dit zijn: Dat althans het jonge Nederland den laster onzer veteranen niet naspreke en niemand meer zegge, dat wij, Nederlandsche Calvinisten, een partij van reactie zijn! |67|




AANTEEKENINGEN.




Blz. 5. nº. 1. Mathiew, Magnalia Christi Americana, II, p. 13. Cf. De Tocqueville, La Démocratie en Amérique, I, p. 66.

Blz. 6. nº. 2. De Tocqueville, III: p. 513. Zijn woorden zijn letterlijk: „Les citoyens tombent à chaque instant sous le contrôle de l’administration publique; ils sont entraînés insensiblement, et comme à leur insu, à lui sacrifier tous les jours quelques nouvelles parties de leur indépendance individuelle, et ces mêmes hommes qui de temps à temps renversent un trône et foulent aux pieds des rois, se plient de plus en plus, sans résistance, aux moindres volontés d’un commis.” Bij het inlasschen der citaten eischte zinbouw, numerus en beknoptheid soms saamtrekking en wijziging der oorspronkelijke constructie. Daarom hier en elders het letterlijk citaat in den noot.

Blz. 9. nº. 3. G. Bancroft, History of the United States from the discovery of the American Continent, 15e Ed., Boston 1853, I, 464. „The fanatic for Calvinism was a fanatic for liberty; for in the moral warfare for freedom, his creed was a part of his army, and his most faithful ally in the battle.”

Blz. 9. nº. 4. De Tocqueville, I. 69.

Blz. 9. nº. 5. Auguste Laugel, L’Angleterre politique et sociale. Paris, Hachette et Cie. 1873. p. 41.

Blz. 9. nº. 6. Groen van Prinsterer, Nederlandsche Gedachten, 2e Serie, deel IV, p. 203, d. 22 October 1873.

Blz. 11. nº. 7. Calvini Opera omnia, Ed. Amst. 1667, Tom. IX. p. 399b, of Inst. rel. Christ. Lib. IV. cap. XX. par. 8. |68|

Blz. 12. nº. 8. Stahl, die Lutherische Kirche und die Union, ed. 1859, p. 62. Cf. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, 2e ed. p. 138.

Blz. 13. nº. 9. Dr. Joh. Alzog, Handbuch der Universal Kirchengeschichte, 8e Ed., B. II, pag. 542.

Blz. 13. nº. 10. Cousin, Histoire de la philosophie du 18ème siècle, T. I. p. 61.

Blz. 13. nº. 11. Stahl, Die Parteien in Staat und Kirche, p. 53.

Blz. 16. nº. 12. Washington’s Writings XI p. 48. To sum the whole up in a few words, I have never, since I have been in the administration of the government seen a crisis, which in my judgment has been so pregnant with interesting events, nor one from which more is to be apprehended whether viewed on one side or the other. Cf. Holst, Verfassung und Democratie der Vereinigten Staaten von Amerika, Düsseldorf 1873. I. p. III.

Blz. 17. nº. 13. In een brief van Jefferson aan Van Buren, gedagteekend 29 Juni 1824 en te vinden in Van Buren, Political Parties p. 434, leest men: »For Hamilton frankly avowed that he considered the British constitution, with all the corruptions of its administrations, as the most perfect model of government, that had ever been devised by the will of man; professing however at the same time, that the spirit of this country was so fundamentally republican that it would be visionary to think of introducing monarchy here.” Aangehaald bij Holst, ib., I. p. 97. Bij het raadplegen van Holst houde men steeds in het oog, dat deze Duitsche geleerde zelf tot de revolutionaire politieken behoort. Zijn getuigenis wordt er door versterkt in kracht.

Blz. 17. nº. 14. Holst, ib. I. p. 96. Dat een republicain een revolutionair, en even daarom een anti-revolutionair monarchaal zou moeten zijn, is een begripsverwarring die reeds destijds de geesten misleidde. Holst ziet dit helder in en schrijft daarom van de antirevolutionairen: „Ihr Verbrechen war, dass sich nicht in der monarchalischen Idee die Wurzel aller politischen Uebel sahen.” Ibidem. Juist de Monarchie zou h.i. in Amerika tot revolutie geleid hebben. Monarchy is no path to liberty, offers no hope. It could not stand and would, if tried, lead to more agitation and revolution than any thing else. Fisher Ames Works I. p. 324. Vide Holst, l.c.

Blz. 17. nº. 15. Holst, I. p. 106. Cf. Washington’s Works X p. 403 v.v.

Blz. 17. nº. 16. Uit de Engelsche vertaling van Elliot, Diplomatic Code, II. 518, geciteerd bij Holst, I. p. 113. |69|

Blz. 17. nº. 17. Groot was Adam’s meerderheid niet. Dit had twee oorzaken. Vooreerst, dat Washington, de natuurlijke kandidaat, zich op het laatste oogenblik (zijn proclamatie is van 16 September) terugtrok. En ten andere, dat Hamilton, persoonlijk Adam’s weinig genegen, Pinckerey’s candidatuur voor het vice-presidentschap dreef en hierdoor de stemming verwarde. Hoezeer Jefferson’s aanhang onder de pressie van Frankrijk stond blijke uit Cabot’s schrijven aan Wolcott: „We must sooth France by making their favourite, Jefferson, President, or we must take a war with them.” Holst, I. p. 116. Het schrijven aan Wolcott van Dwight vindt men in Gibb’s Memoirs of Wolcott, I. p. 107, geciteerd bij Holst. I. p. 109.

Blz. 18. nº. 18. Holst. I. p. 26. De uitdrukking, terstond op de aangehaalde woorden volgend: »Aber derselbe Geist welcher die Rousseau’sche Philosophie geboren und sie von so ungeheuerer Bedeutung für Europa machte, war, lange vordem Jefferson sich in Paris bis zur Thorheit an ihr berauschte, auch in Amerika lebendig;” versta men niet mis. Er wordt gedoeld niet op de gebeurtenissen van ’89, maar op de revolutionaire agitatie van de Franschgezinde politieken na ’92. Holst’s oordeel over de verwantschap tusschen de Amerikaansche en Fransche politieke denkbeelden hangt met zijn liberalistische zienswijs saam. Franklin’s vraag, om in het gebed te gaan, wordt ons door Elliot bericht. (Cf. Holst. I. p. 45). Het bedoelde tijdschrift is The North American quarterly review, 1862, I. p. 160. Het slot der passage is nog sterker: It was His creators fiat over a weltering chäos: Let a nation be born in a day! Cf. Holst, I. p. 54.

Blz. 19. nº. 19. Cf. Greeve, Historical view of the American Revolution, p. 5. Dat de administratieve organisatie niet verstoord werd erkent ook Webster: »The revolution did not subvert government in all its forms. It did not subvert local laws and municipal administrations.” Vide Holst p. 22. De tekst der New-Yorksche Constitutie heeft ook de Tocqueville afgedrukt, I. 341.

Blz. 19. nº. 20. Cf. Jos. P. Thompson, Kirche und Staat in den Vereinigten Staaten von Amerika, Berlin 1873. p. 102.

Blz. 19. nº. 21. „En Amerique, c’est la religion qui mène aux lumières; c’est l’observance des lois divines qui conduit l’homme à la liberté” de Tocqueville. I. p. 65.

Blz. 20 nº. 22. „Libre et puissante dans sa sphère, satisfaite de la place qui lui est réservée, elle sait que son empire est d’autant |70| mieux établi qu’elle ne règne que par ses propres forces et domine sans appui sur les coeurs.” Ib. p. 69. Cf. Thompson, l.l. p. 83.

Blz. 20 nº. 23. „Daher wird die Sitte, die Sessionen des Congresses und des Staatslegislaturen mit Gebet zu eröffnen, für die Armee und Flotte Capläne anzustellen und von Staatswegen Thanksgiving days und Fasttage einzusetzen, von der öffentlichen Meinung volkommen gebilligt und man hält dies nicht für einen Uebergriff des Staates in die Domäne der Religionsfreiheit.” Thompson, l.l. p. III. Thompson is Doctor in de rechten en godgeleerdheid en komt uit New-York. Men raadplege vooral de uitnemende studie van Laboulaye in de Revue des deux mondes van October 1873.

Blz. 20. nº. 24. Report to the Commissioners appointed by her Majesty to inquire into the education given in schools in England not comprized with her Majesty’s recent Commission, and to the Commissioners appointed by her Majesty to inquire into the schools in Schotland on the common schoolsystem of the United States and of the Provinces of Upper and Lower Canada bij the Rev. James Fraser, M.A. London 1867. Cf. p. 160. „Everywhere provision is made for reading the Bible and almost everywhere provision is made for opening the work of the day with prayer.” Zoo luidt b.v. Chapt. VIII s. 5 in the Regulations van Boston: „The morning portion of the scriptures by the teacher of each school; the reading to be followed by the Lord’s prayer, repeated by the teacher alone.” Van de toekomst die dit schoolwezen wacht zegt Fraser p. 201: „To me gathering together and reflecting upon the phenomena which I observed, this future seems a little uncertain.” over wering van den Bijbel op sommige scholen in New-York ter wille der Ieren, Cf. ib. p. 183.

Blz. 20. nº. 25. Cf. De Tocqueville I. p. 50: „Persécutés par le gouvernement de la mère-patrie . . . les puritains cherchèrent une terre si barbare et si abandonnée du monde, qu’il fut encore permis d’y vivre à sa manière et d’y prier Dieu en liberté.”

Blz. 21. nº. 26. Bancroft, Hist. of the United States, I. p. 309. Cf. Thompson p. 44.

Blz. 21. nº. 27. Ib. I. p. 322 en 464.

Blz. 21. nº. 28. Ib. I. p. 462, 3: „He that prays best and preaches best will fight best.”

Blz. 22. nº. 29. Collection des mémoires relatifs à la Revolutions d’Angleterre, Paris et Rouen 1823, 26 volumes. Men denke vooral ook |71| aan zijn Histoire de la république d’Angleterre et de Cromwell. Paris 1854.

<Blz. 22. nº. 30. Merle d’Aubigné, Le protecteur ou la république d’Angleterre aux jours de Cromwell. Paris 1848. Cf. Ph. Chasles, Olivier Cromwell. Paris 1847.

Blz. 22. nº. 31. Macaulay, Critical and Historical Essays, Lond. 1862 vol. 1. p. 1-26, in zijn Essay over Milton.

Blz. 22. nº. 32. H. Weingarten, Die Revolutionskirchen Englands, Leipzig 1868.

Blz. 24. nº. 33. In zijn leerrede over 1 Sam. 23 : 3, 4, opgenomen in Vaughan, Religious parties. P. 66. Cf. Bancroft. I. 306. en 7.

Blz. 25. nº. 34. De presbyterianen bezitten niet meer dan 142 kerkgebouwen met 72,000 zitplaatsen, terwijl het aantal kerkgangers nauwlijks 50,000 zielen bedraagt. Cf. Herzog, Real Encyclopaedie der Theol. Wiss. in voce England.

Blz. 26. nº. 35. Weingarten, o.l. p. 24 v.v.

Blz. 26. nº. 36. Honori Reggi Kemnatensis, de statu ecclesiae Brittanicae hodierno. Dantzig 1647.

Blz. 26. nº. 37. Cf. Weingarten, o.l. p. 4, 5.

Blz. 26. nº. 38. Calvini, Op. IX. 273b § 12. Calvijns gevoelen wordt het best gekend uit deze woorden: „Scimus tres esse errorum gradus, et quibusdam fatemur dandam esse veniam; aliis modicam casticationem sufficere, ut tantum manifesta impietas capitali supplicio plectatur.” Tom. VIII. p. 516a.

Blz. 26. nº. 39. „Dat elk vorst te beslissen had, welke godsdienst in zijn land zou geduld worden.”

Blz. 28. nº. 40. Cf. Weingarten, p. 110 noot.

Blz. 28. nº. 41. Ibidem.

Blz. 28. nº. 42. Cf. Baillie, Lettres, II, 181, bij Weingarten, p. 111.

Blz. 28. nº. 43. In 1644 gedrukt en bij Neal in excerpt meêgedeeld. Cf. Weingarten, p. 111.

Blz. 28. nº. 44. Weingarten, p. 112.

Blz. 30. nº. 45. Areopagitica, a speech for the Liberty of unlicensed printing. The Prose works of John Milton. London 1871. II p. 48.

Blz. 30. nº. 46. Cf. Weingarten, p. 129.

Blz. 30. nº. 47. Cf. Weingarten, p. 127 v.v. Ranke, Englische Geschichte, 2e Aufl. 1872, IV. p. 82 v. v.

Blz. 30. nº. 48. Memoires de Mss Hutchinson in de bovengenoemde collectie van Mémoires, door Guizot uitgegeven. |72|

Blz. 31. nº. 49. Cf. Macaulay, Crit. and histor. Essays, I, 340.

Blz. 32. nº. 50. In zijn Reflections on the Revolution in France, en voorts in zijn Thoughts on French affairs, 1791; in zijn Remarks on the Policy of the allies with respect to France, 1792; in zijn a letter to a noble Lord; en vooral ook in zijn letters on a regicide Peace, 1796. Schier geheel de inhoud van het V, VII en VIII deel der Mc Lean’sche editie wordt door deze verpletterende pleitmemorie ingenomen.

Blz. 34. nº. 51. In een brief van den kardinaal de St. Croix, pauslijk nuntius te Parijs, gedateerd: La Rochelle 16 September 1565. Cf. G. von Polenz, Geschichte des Franzos. Calvinismus, I, p. 657.

Blz. 35. nº. 52. Cf. Soldan, Gesch. des Protestantismus in Frankreich, bis zum Tode Karl’s IX. Lpz. 1855. I, 246 en La Popelinière, Boek VI, fol. 117, sq.

Blz. 35. nº. 53. Von Polenz, o.l. I, p. 432 noot. Meêgedeeld in de Southern Litterary Gazette IV, p. 277, jaargang 1852 in een artikel: The Huguenot Refugees, by a Descendant.

Blz. 36. nº. 54. Cf. Von Polenz, o.l. II, p. 653, naar den tekst uit de Mémoires de l’Estat; II, p. 164 sq. De eerste woorden die ik citeerde, vormen het slot van het 32e artikel.

Blz. 36. nº. 55. Ibidem, p. 645. Cf. La France Protestante, in voce Jonneau.

Blz. 37. nº. 56. Varillas, Histoire de Charles IX, I p. 163.

Blz. 38. nº. 57. Von Polenz, II, p. 648-654.

Blz. 39. nº. 58. Cf. Lechler, Gesch. der Presbyterial und Synodal Verfassung, p. 50-54.

Blz. 40. nº. 59. Von Polenz, II, p. 668.

Blz. 41. nº. 60. Cf. Lechler, o.l. p. 78.

Blz. 41. nº. 61. F.T. Perrens, La Démocratie en France au Moyen age; Histoire des tendances démocratiques dans les populations urbaines au 14e et au 15e siècle. En deux volumes. Paris 1873.

Blz. 41. nº. 62. Gewoonlijk naar den latijnschen tekst geciteerd, die o.a. in 1574 te Edinburg uitkwam onder den titel: Dialogi ab Eusebio Philadelpho Cosmopolita in Gallorum et caeterarum nationum gratiam compositi, quorumprior ab ipso auctore recognitus et auctus; alter vero in lucem nun primum editus fuit. Cf. Von Polenz, o.l. III, 229 v.v.

Blz. 41. nº. 63. Cf. Von Polenz, o.l. III, 263.

Blz. 42. nº. 64. Ibidem p. 279.

Blz. 42. nº. 65. Geciteerd bij Gieseler, Kirchengeschichte, II, o.l. 231 v.v. |73|

Blz. 42. nº. 66. Jean le Fèvre, Histoire de Charles VI chap. 88. p. 129. Cf. Von Polenz, III p .130.

Blz. 42. nº. 67. Van Salisbury, Policraticus sive de nugis Curialium et vertigine Philosophorum libri octo. Cf. Von Polenz, III, 147. Voor Gerson cf. Von Polenz III 130.

Blz. 42. nº. 68. Mariana, de rege et regis institutione, Toleti 1598 I. c. 6, 7.

Blz. 42. nº. 69. Voor Boëtius zie men zijn De la Servitude volontaire ou le Contr’un; voor Commines zijn Mémoires; Montaigne en de Thou namen Boëtius vlugschrift in bescherming. Cf. Von Polenz, p. 136, 7 noot. Hun bedenkelijke leer, Ib. p. 138.

Blz. 42. nº. 70. Zeitschrift für die hist. Theologie von Niedner, 1856. 4e heft, het artikel „Der Prediger Olivier Maillard, ein Bild aus dem Ende des fünfzehnten Jahrhunderts,” van Schmidt. Cf. Von Polenz, p. 131.

Blz. 43. nº. 71. Francisci Hottomani Juris consulti Franco Gallia. Ex offic. Stoerii 1573. Cf. Von Polenz, III, 193. Ook op de koninklijke bibliotheek te ’s Gravenhage vindt men dit zeldzaam geschrift.

Blz. 43. nº. 72. Vindiciae contra Tyrannos sive de Principis in populum, populique in principem legitima potestate, Stephano Junio Bruto Celta auctore. Edinb. 1579. Op de Utrechtsche Bibliotheek Misc. Theol. Oct. 319. Cf. de juridische dissertatie van Mr. H.C.A. Thieme, in 1852 te Groningen verdedigd: Disputatio de opusculo „Vindiciae contra Tyrannos.”

Blz. 43. nº. 73. Rich. Treitzschke, Hubert Languet’s Vindiciae contra Tyrannos, nach der Ausgabe von 1580 bearbeitet, Lpz. 1846 J.A. Barth.

Blz. 43. nº. 74. Languet, Vindiciae c. tyrannos, ed. 1579. p. 88 sq.

Blz. 44. nº. 75. De jure magistratuum in subditos et officio subditorum erga magistratum. 1574.

Blz. 44. nº. 76. De Tocqueville, III, p. 497: „Tous ces mouvements se ressemblent en un point: tous ont ébranlé ou détruit les pouvoirs secondaires.”

Blz. 45. nº. 79. Een snedig inzender in de Gron. Cour. komt hiertegen op en herinnert met een citaat uit een Duitsch geschiedschrijver aan de oud-testamentische hardheden die oorspronkelijk in de New-England koloniën tegen andersdenkenden golden. Dat ook den schrijver dezes deze abnormale verschijnselen bekend zijn, zal hij wel willen gelooven. Hoe overigens de wetenschap dezer feiten met ons oordeel over het puritanisme te rijmen is, kan hij |74| bij Bancroft, de Tocqueville, Thompson, Laboulaye, ja bij elk degelijk schrijver over Amerikaansche historie en Amerikaansch staatsrecht vinden.

Blz. 45. nº. 80. Beza, Tract. Theol. Vol. III. ed. 1583. Vol. III. p. 193.

Blz. 45. nº. 81. Ibidem, p. 194.

Blz. 45. nº. 82. Ib. Vol. I, p. 54.

Blz. 45. nº. 83. Ib. p. 53.

Blz. 46. nº. 84. Ib. Vol. III, p. 130.

Blz. 46. nº. 85. M. Serveti, Christ. Rest. p. 656. Ep. 28.

Blz. 46. nº. 86. Inst. Rel. Chr. l. IV. c. 1. § 12.

Blz. 47. nº. 87. Calv. Comment. In Dan. IV : 29 (al. 25).

Blz. 47. nº. 88. Ibidem.

Blz. 47. nº. 89. Ib. in C. IV : 29 (al. 32).

Blz. 47. nº. 90. Ib. in C. VI : 22.

Blz. 47. nº. 91. Ibidem.

Blz. 47. nº. 92. Inst. Rel. Chr. IV. 20. 8.

Blz. 48. nº. 93. Ibidem.

Blz. 48. nº. 94. Ib. IV. 20 : 25, 29, 31.

Blz. 48. nº. 95. Ib. IV. 20 : 31.

Blz. 48. nº. 96. Ib. IV: 20 : 31 in fine.

Blz. 48. nº. 97. Ook het woord Constitutie is bij Calvijn geliefd. B.v. Inst. Chr. Rel. IV. 20 : 16: „Constitutiones quia circumstantias aliquas habent a quibus pro parte pendeant, modo in ejusdem aequitatis scopum omnes pariter intendant, diversas esse nihil obest.”

Blz. 48. nº. 98. Cf. Henry, Leben J. Calvins. IIIa 460, l. Bonnet, Lettres de Calvin, II. 182. I. 375.

Blz. 48. nº. 99. Bonnet, Lettres de Calvin, II. 474.

Blz. 49. nº. 100. Reeds Lechler heeft zeer juist aangewezen, dat het fransche Synodaal systeem in Calvijn’s theorie niet thuis behoort. Zie zijn Gesch. der Presb. u. Synodalverfassung. S. 39. Cf. Inst. Rel. Christ. IV. 9 : 1, 2, 3, 4.

Blz. 49. nº. 101. Cf. Calvini Opera. Tom. IX, p. 99, 104-107, 115, 130, 136, 160.

Blz. 50. nº. 102. Guizot, Coll. des Mémoires relatifs à la révol. d’Angleterre. Procès de Charles I. p. 102.

Blz. 52. nº. 103. „Adversum Ipsum si quid imperent nullo sit nec loco nec numero,” Cf. Calv. Inst. Rel. Christ. IV. XX : 32.

Blz. 53. nº. 104. Guizot, Coll. des Mém. Mém. de Mss. Hutchinson I. p. 136.

Blz. 53. nº. 105. De prachtige passage van Bancroft heb ik ter |75| bekorting in enkele trekken moeten saamvatten. Ze luidt in haar geheel: „Every individual who had experienced the raptures of devotion, every believer, who, in his moments of ecstasy, had felt the assurance of the favor of God, was in his own eyes a consecrated person. For him the wonderful counsels of the Almighty had chosen a Savior; for him the laws of nature had been suspended and controlled, the heavens had opened, earth had quaked, the sun had veiled his face, and Christ had died and had risen again; for him prophets and apostles had revealed to the world the oracles and the will of God. Viewing himself as an object of the divine favor, and in this connection disclaiming all merit, he prostated himself in the dust before heaven; looking out upon mankind, how could he but respect himself, whom God had chosen and redeemed? He cherished hope; he possessed faith; as he walked the earth, his heart was in the skies. Angels hovered round his path, charged to minister to his soul; spirits of darkness leagued together to tempt him from his allegiance. His burning piety could use no liturgy; his penitence could reveal his transgressions to no confessor. He knew no superior in sanctity. He could as little become the slave of a priestcraft as of a despot. He was himself a judge of the orthodoxy of the elders; and if he feared the invisible powers of the air, of darkness, and of hell, he feared nothing on earth. Puritanism constituted, not the Christian clergy, but the Christian people, the interpreter of the divine will. The voice of the majority was the voice of God; and the issue of Puritanism was therefore popular sovereignty.” Bancroft, Hist. of the United States I. p. 461, 2.

Blz. 53. nº. 106. T.D. Maurice, Lectures on social Morality, 2e ed. Lond. 1872. p. 310, 1.

Blz. 54. nº. 107. Ibid. p. 311, 2.

Blz. 54. nº. 108. Guizot, Coll. d. Mém.; Mém. de Mss. Hutchinson, I. p. 145.

Blz. 55. nº. 109. Inst. Rel. Christ. IV. 20 : 14.

Blz. 55. nº. 110. 1 Samuël XI : 15.

Blz. 55. nº. 111. 2 Samuël II : 4.

Blz. 55. nº. 112. 2 Samuël V : 3.

Blz. 58. nº. 113. Cf. Von Polenz, III. Beil. 3. p. 424.

Blz. 61. nº. 114. J.C. Bluntschli, Geschichte des Allgemeinen Staatsrecht und der Politik. 2e Aufl. 1867. s. 76.

Blz. 61. nº. 115. Mr. C.W. Opzoomer, De Staatkunde van Edmund |76| Burke. Utr. 1852. Protest tegen den roof van dezen staatsman aan onze richting werd ingeleverd door Mr. J. Capadose, Edmund Burke, overzigt van het leven en de schriften van een anti-revolutionair staatsman. Amst. 1857.

Blz. 61. nº. 116. Burke, Works, III. p. 52. Ed. Mc. Lean. Londen.

Blz. 61. nº. 117. Ib. V. p. 18, 19.

Blz. 62. nº. 118. Ib. V. p. 268.

Blz. 62. nº. 119. Ib. VIII. p. 24.

Blz. 62. nº. 120. Ib. V. p. 182.

Blz. 63. nº. 121. L’Abbé J.P. Deramey, L’apôtre St. Paul, étude de Démocratie religieuse, Paris 1873. p. IX. v.v.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000