Bij de beantwoording mijner laatste vraag zal toeleg op beknoptheid nog geen waarborg tegen verbreeding van omtrek zijn. In wat richting mijn voorliefde voor het Kerkelijk vraagstuk mij dreef, kan ik u niet met eenige nauwkeurigheid te verstaan geven, zoo men mij het rolleke papiers te veel besnoeit. Mijn agenda toch bevat een zevental punten, ten betooge hoe de kerk die ik zoek, Gereformeerd en Democratisch, Vrij en Zelfstandig, en zoo in Leerdienst als Eeredienst en Liefdedienst volledig georganiseerd zou moeten zijn.


Aan den naam „Gereformeerd” hecht ik, en om niets geef ik dien prijs.

Lief is mij de Gereformeerde titel allereerst als protest tegen het ongezonde partijwezen in onze kerkelijke wereld. De eenheid is verbroken. Slechts personen vindt men, die om hun naam en devies fracties en facties groepeeren, wier bloei en ondergang met de opkomst en emeriteering dezer sterke geesten gelijken tred houdt. De onverschillige er buiten gelaten, behoort ieder die te onzent meedoet, tot een school, een partij, een richting, een fractie of côterie, wier namen meest een barbaarschen klank bij weinig doorzichtigheid doen hooren, en die schier uitsluitend te onderscheiden zijn naar de persoonlijkheid die het middenpunt vormt in den aangewezen kring. Zoo had Van der Palm zijn school, Heringa zijn côterie, Egeling zijn volgelingen, en deelt men nog heden ten dage |64| predikanten en gemeenteleden in allerlei vakken en groepen in, u al naar men gelieft bestempelend met den naam van Groninger, Evangelisch, volgelingen der Leidsche school, oud-Modernen, jong-Modernen, de Empiristen, de Ethischen, de Kritischen, de Irenischen, de Confessioneelen, de Vrienden der waarheid, de Kohlbruggianen, de Liefdianen, de Irvingianen, de Darbisten, de Baptisten en wat groepen men meer op de „catalogus profitentium”4) van ons kleine land pleegt te registreeren. Deze eindelooze verbrokkeling nu, die met gezonde ontwikkeling niets gemeen heeft, regelt zich ten onzent niet naar beginselen maar naar personen. Groningen dat is Hofstede de Groot, Leiden dat is Scholten, de Ethischen dat is de la Saussaye, Empiristen dat is Opzoomer, de Kritischen dat is Doedes, de Confessioneelen dat is Felix, de Irenischen dat is Cramer, om van andere formatiën die zelf den naam van haren leider aanduiden, niet te gewagen. Schier elk man van beteekenis die ten onzent opstaat, zoekt voor het nieuwe dat hij brengt een eigenaardig étiket en verzamelt om de nieuwe banier die hij opheft een breeder of enger kring, die, van de kerk geheel los, bijna uitsluitend door het diorama van zijn geest de groote problemen des levens beziet. Dit verbreekt de eenheid der kerk op jammerlijke wijs. Niet de Christus als het heerlijk hoofd en de alleen machthebbende Souverein vormt zoodoende voor zijn gemeente het alles aantrekkend en saamhoudend vereenigingspunt, maar men is van Cephas, of van Paulus, of van Apollos, al naar gelang van de Hoogeschool waar men studeerde, of den predikant waar men ter catechisatie ging. Voor dit hinderlijk euvel heeft elk van zijn standpunt een open oog en beurtelings kunt ge elk dezer fractiën tegen den schadelijken partijinvloed hooren getuigen, maar om op hun beurt even fanatiek en kleingeestig alle geestelijk leven te doen ondergaan in verheerlijking hunner eigen denkbeelden. Ons land schijnt te klein om aan |65| die ongeestelijke tirannie der enkele individuen te ontkomen. Bijna altijd bespeurt ge, dat mannen van beteekenis in ons goede Holland even met elkaar in aanraking zijn geweest, soms een oogenblik van hart tot hart geleefd hebben, maar spoedig daarna, door misverstand, ambtsnijd en nawerking van het eigen ik, allengs van elkaar vervreemd, voor elkaar verkoeld en ten laatste tegen elkaar in het harnas zijn geraakt. Zoo kleingeestige, zondige naijver en onderlinge geringschatting, als waarmee ónze beste mannen zich jegens elkander plegen te bezondigen, is in Engeland, in Frankrijk, in Duitschland geheel onbekend, en vreemdelingen, die ons bezoeken en van naderbij met ons bekend worden, gaan zelden van ons, zonder hun smart te betuigen over dit onheilig, betreurenswaard verschijnsel. Zonderling! Men heeft in de eerste helft dezer eeuw met klimmenden ijver stroo en stoppelen aangedragen om onverbiddelijk ten vure te doemen, wat van de oude indeeling der geesten nog heugenis gaf. „Algemeen” Christelijk, „algemeen” Protestantsch wilde men wezen, en met prijsgeving van het bestaande, riep aller heimwee om de ééne kerk der toekomst, die voor allen ruimte biedend, allen zou omvatten. Als ongehoorzame kinderen wilde men nu reeds op aarde realiseeren, wat God voor zijnen hemel heeft bewaard, en zocht dies tegen wil en dank de ordinantiën, die nu eenmaal het geestelijk leven regelen, te veranderen naar eigen willekeur. Maar zie, hoe bitter men te schande wierd! De veelvormigheid van den geest, spottend met die valsche eenheidsdroomen, kwam ongevraagd de zoete rust, waarin men zich gedompeld had, verstoren, en in stede van de historische indeeling der kerken, die men uit de hoogte had afgekeurd, kreeg men de ephemeridische, altijd weer verbrokkelende, bloot willekeurige indeeling naar de enkele personen, die elk aan hun speeltuig wel een zang voor de Kerk der Toekomst ontlokten, maar in afwachting de kerk van het Heden ongemerkt vervingen door hun eigen, om hen zich groepeerende school. |66|

Daartegen nu ken ik maar één redmiddel: Noem u naar niemand, boeleer met niet één enkele fractie, en steek zelf zonder de minste pretentie de oude, wettige, nog nooit afgeschafte historische kokarde op, met haar sterksprekende, veelzeggende kleuren! Wees wat gij zijt, zijt naar Afkomst, Doop en Belijdenis. Wees Gereformeerd, breng het oude wapenschild uwer geestelijke familie weer in eere. Getroost het u in de kerk geen ander stempel te dragen, dan die kerk zelve van rechtswege afdrukt op ieders lastbrief. Laat af van iets bijzonders, iets op uzelf, iets in onderscheiding van uw kerk te willen zijn, — en ge zult wel geen school vormen, die zich naar u noemt, voor den uitwas van uw geest zal wel de geesteswil van uw kerk in stede komen, uw individualiteit zal wel terugtreden voor de macht der historie, ge zult soms luisteren moeten naar de gemeente en haar niet altijd tot luisteren naar úw stem kunnen nopen, maar ge zult de onberekenbare winste, het alles vergoedend voordeel genieten van uw arbeid een vast bestand in den bouw der historie te zien verkrijgen, en bij uw wegvallen geen doodsklok over een eigen school te luiden hebben, maar rustig, als waart ge er nooit geweest, den Gereformeerden Genius laten doorwerken, zoo na uw verscheiden als voorheen!

Voor mijn besef ligt bovendien in dien naam „Gereformeerd” een ongemeene kracht. Het is of met dien enkelen naam geheel de rijke, prachtige erfenis mijner vaderen weer ons ten goede wordt overgeboekt. Denk dat verleden weg en we maken met ons klein hoopske tegenover den tijdgeest een tamelijk povere figuur. Maar hef de eeuw, waarin we staan en leven, uit haar afzondering op en laat ze in aller eeuwen loop er ééne worden, en met een schitterende ervaring, met een zeldzame geestesmacht van geloof en wetenschap, als met de keur van Gods genade en trouwe overgoten, treedt diezelfde eerst zoo geminachte Gereformeerde Kerk in haar historisch licht.

Die liefde voor het verleden is geen ziekelijke reactiezucht. Het verleden moet gewaardeerd. Slechts zelfbedrog |67| doet ons aannemen, dat elk geslacht van nieuws aan begint. Geslacht aan geslacht is door één alle geslachten verbindende levensdraad vereend, en wat de Heer aan een enkel geslacht, aan een bepaalde eeuw toebetrouwt, wordt niet haar in bijzonder gebruik, ten verbruike en ter verteering afgestaan, maar moet door haar worden opgelegd in die schatkamer des geestelijken levens, die aan alle eeuwen toebehoort.

Alleen onverantwoordelijke gedachteloosheid kan dan ook tot den voorslag komen, om de geestelijke buit, de rijke geesteserfenis, die door den arbeid van een drietal eeuwen verworven is, als onbruikbaar geworden antiquiteit weg te sluiten in het Mausoleum, dat, besliste de meerderheid, stellig het „Laus Stultitiae” van Erasmus ten opschrift kreeg. Een geestelijk leven zonder historischen oorsprong, is een stek zonder wortel. Hoe kon het dan anders, of toen de Christelijke opwaking dien oorsprong miskende, moest haar die onvastheid en onzekerheid kenmerken, dat zwevende en wankelende, waardoor alle blijvend krachtsbetoon haar werd afgesneden. Met een Godgeleerdheid, die al wat ge wilt, Duitsch, Zwitsersch, Amerikaansch en Engelsch, maar in geen enkel opzicht „Nationaal” en ter dege Nederlandsch is; met een prediking die rondtast naar vormen en gedachten, als ware voor den nood der ziel en haar uitredding nog nooit het goede woord, en dies de zuivere gedachte, door den echt Hollandschen geest gevonden; met een volkslitteratuur, die, nog door en door methodistisch, verdrinkt in haar wilkeurige algemeenheid; met een Godsdienstonderwijs, waarvoor het „tot capita tot sensus” nog te zwakke kenschetsing van dolend beproeven is; kortom, met een Christelijke levensbeweging, die onder alle kleuren zich door het vaal, onder alle cijfers door de geheimzinnige X, onder alle personen zich het meest door de ongrijpbare „men” voelt aangetrokken; die, wortelloos, wijl zonder diepte in het verleden, krachteloos, wijl zonder geërfd levensfonds, ijl en onbegrensd, overal beweert te zijn en nergens te vinden is, ontbreekt elke afdoende |68| waarborg, dat niet al uw moeite om niet zal zijn besteed, en dreigt het gevaar dat wat vóór den Christus scheen te ijveren van lieverleê en ongemerkt, overvloeit in wat tegen den Christus zich kant.

Te meer dring ik op weêrerkenning van den „Gereformeerden” titel, wijl tegen versteening en repristinatie geen beter wachter denkbaar is. Wij noemen ons niet als de Doopsgezinden naar Menno, niet als de Martinisten naar Luther, maar zijn onder alle kerken der Hervorming de eenige, die, afziende van elken bijzonderen naamstitel, zich nooit anders dan „de Gereformeerde Christelijke” heeft genoemd. Hiermede is het beginsel van voortdurende zuivering en ontwikkeling als van onzen kerkstaat onafscheidelijk erkend. „Gereformeerd”, d.i. door God zelven gereinigd van vlek en rimpel, „Ecclesia a Deo reformata!” Men heeft het recht niet dezen schoonen naam als historisch petrefact nemen, noch ook ze met de onmogelijke vertaling van „Hervormde Kerk” gelijk schatten. Hervormde kerken zijn alle kerken der Hervorming, en toen men in 1816 den historischen titel van „Gereformeerde Kerk” prijs gaf, heeft men, zij het ook onbewust, door invoering van de zegswijs: „Nederlandsche Hervormde Kerk”, feitelijk het eigenaardig Gereformeerde in het algemeen Protestantsch karakter van de Hervorming doen ondergaan. Hiertegen nu komen wij op. De Hervorming der 16e eeuw was een geestesbeweging die reeds ten einde liep. Wat thans nog uit die eeuw wil leven, kan galvaniseeren, maar nooit een ruischen doen hooren van den Geest. Keer ik mij daarentegen naar het beginsel zelf, waarvan ook deze gisting uitging, naar het „Van God gereformeerd zijn”, dan heb ik een titel, die èn het leven der practijk, èn het geestesleven van den enkele, èn de voortdurende werking van de Koning der Gemeente op zijn kerk bedoelt. Juist tegen de ziekelijke uitwassen, die beide aan de kant der bekrompenheid en aan de zij der vrijgevigheid, door alle kinderen Gods om het zeerst betreurd worden, is geen beter tegengif dan in dezen zinrijken naam. Wat er uitnemend in de Ethische, wat er waars in de Kritische, |69| wat er fundamenteels in de Confessioneele richting schuilt, kan al te gader als natuurlijke vrucht aan den Gereformeerden stengel geplukt worden. Maar dan getrooste men zich ook de moeite, om den diep zedelijken ernst, den helderen gedachtenkring, het uitnemend passend geheel van onze „Gereformeerde” wereldbeschouwing weer in de schatkameren zelf van onze vaderlandsche godgeleerdheid te bewonderen. Alleen Scholten is op het goede spoor geweest. Hij zocht de legitimeering van zijn streven in de koene gedachten onzer geestelijke vaderen. Ongetwijfeld tastte hij bij zijn zoeken mis. Hij wilde de „Gereformeerde Theologie” gebruiken, niet haar dienen, en beliep daardoor de straf, van in onheilig, zij het ook onopzettelijk, woordenspel te vervallen. Maar ziet men hiervan af, om uitsluitend op de methode te letten, dan veroorloof ik mij in anderen vorm nogmaals een gedachte te herhalen, die, naar mij ter oore kwam, zeker uit misverstand, aan minwaardige kritiek is onderworpen, t.w. dat ook de Utrechtsche godgeleerde faculteit zich nog te weinig op de historische lijn plaatst, om als draagster eener eigenaardig Nederlandsche, aan haar historie gebondene, echt Gereformeerde Theologie te worden begroet. Men kan met mij onze Utrechtsche hoogleeraren de warmste hoogachting toedragen, allen eerbied koesteren voor hun uitnemende gaven, en hartelijk den zegen waardeeren die van Utrecht voor onze kerk uitgaat, zonder daarom nog afstand te doen van zijn recht op kritiek. Kritiek, mits ze welwillend sprak, is door mannen van karakter steeds gewaardeerd als onmisbaar escorte; nooit uit de hoogte veracht.

Het belang dat op het spel staat rechtvaardigt mijn vrijmoedigheid tot deze opmerking volkomen. Immers, aan den Gereformeerden naam hangt de invloed van onze kerk op ons volk. Ons volk is nog, zelfs nu nog, Gereformeerd tot in zijn Moderne, Groninger, Luthersche en Roomsche kringen. Wat Luther nooit kon, dat hebben Zwingli en Calvijn vermocht: zóó machtig den Christelijken geest in het leven te doen gisten, dat het tot in zijn |70| wijdsten kring door dien geest doortrokken werd. Niet Luther, maar zij hebben ongedwongen een eigen nationaliteit, een eigen staatsleven, een eigen levenstrant doen voortkomen uit den machtigen stoot dien ze de volken gaven. Zoo is ten onzent niet slechts de kerk, maar ook de natie als natie gereformeerd. De Lutherschen in Nederland ontleenden aan den Gereformeerden kerkstaat geheel hun kerkelijke organisatie. De Doopsgezinden legden hun tegenzin tegen het ambt af en traden in óns voetspoor. De Roomschen kweekten veel meer dan in niet-Gereformeerde landen den teederen zin, die aan de genade ook bij het eigen werk den voorrang laat, en zoo men nauwkeurig de ontwikkeling der geesten tot in onze liberalistische en moderne kringen nagaat, zal men op politiek en kerkelijk gebied beide, nog steeds de onmiskenbare sporen vinden van den scherp geteekenden geestesstempel, dien de Gereformeerde kerk zoo onuitwischbaar en daarom diep in het hart der natie gedrukt heeft. Vergenoegt ge u met Christelijken invloed te oefenen in engeren king, houd dan vast aan het exotisch onbestemde, aan het uitheemsch en algemeene Christendom, dat jarenlang den toon gaf. Maar meent ge met mij, dat we verder moeten, dat althans de poging nog dient gewaagd, om tot ons volk als volk te gaan, dan is er ook geen keus, dan is alle aarzeling slechts krachtsverspilling, en rest u niets anders dan het eenig spoor in te slaan, dat naar het hart onzer natie leidt, door weldoordachte weêr-opvatting van de historische lijn!

Dit bewerend, druk ik slechts de voetstappen van den grooten Wormser, den uitnemenden volksleider en auteur, die reeds in 1849 zelfs voor de Philanthropie, voor Buiten- en Binnenlandsche zending beiden, terugkeer eischte tot de Gereformeerde type. 5) Ook voor het Schoolwezen kan, naar zijn ware opmerking, het standpunt der Evangelische Alliantie en van de Protestantsche Vereeniging slechts voorloopigen dienst doen. Men moet nu tóch denkbeelden geven, toch een schets van het Christelijk heiligdom |71| ontwerpen. Wie op een Christelijke school onderwijst volgt toch een richting. Het eenig verschil is slechts, dat men nu bij de keuze van het godsdienstig leerboek zich behelpen moet met het eigendunkelijk inzicht van den zichzelf opwerpenden auteur, terwijl men anders af kon gaan op het geheiligd oordeel eener gansche kerk, dat men nu onder den éénen naam van Christelijke school een elkaar vaak uitsluitende veelsoortigheid van geesten bedekt, terwijl aansluiting aan het Gereformeerd beginsel eenheid zou waarborgen; dat men nu op elke school zooveel perioden van onderwijs kent, als er onderwijzers elkaar opvolgen, terwijl men onder de leiding van een vast beginsel de continuïteit van het onderwijs, ook bij wisseling van personeel, bewaren zou; en, wat nog meer zegt, dat men nu tegen de neiging van onzen volksgeest ingaat, terwijl men bij aanvaarding van den Gereformeerden naam het spoor gebaand zou vinden, dat met den aard van onzen volksgeest strookt.

Reeds uit dit pleidooi zal u duidelijk zijn, dat men mij ten onrechte het denkbeeld toedicht, om voor zekere club, die dan zich om mijn persoon heet te vormen, op den „Gereformeerden” naam beslag te leggen. Niets ligt metterdaad verder van mijn bedoeling. Ik zou toch ook al zeer onnoozel moeten zijn, zoo ik ook maar voor een oogenblik in ernst meenen kon, dat de kleine kring, waarin ik mij beweeg, met afsnijding van alle overige elementen, het Christelijk leven onzer natie droeg. Gelukkig ligt mijn gezichtspunt ietwes hooger en draagt mijn blik wat verder, en zou ik deswege veilig aan de leidingen Gods de weerlegging kunnen overlaten van zoo ongerijmd vermoeden.

Dat ik er toch van rep, is wijl de tegenstelling van Gereformeerd en Irenisch, die ik mij soms veroorloofde, in veler oog bedenking wekt. Men meent, dat de tegenstelling onzuiver is, en van tweën één óf Gereformeerd en Ongereformeerd, óf Irenisch en Polemisch moest luiden. Oordeel zelf, lieve Broeder, wat van zulk beweren aanzij!

De Gereformeerde naam heeft in verband met de Kerk |72| tweeërlei zin, al naar gelang men de Gereformeerde leer, of de Gereformeerde practijk bedoelt. Die kerkelijke practijk heeft voor alles de vraag te beslissen: Hoe gedraagt ge u jegens hen die uw heilig geloof verwerpen en bestrijden? Op die vraag nu geeft de Gereformeerde Kerk van alle eeuwen en uit alle oorden waar ze gesticht werd en bij monde van alle helden des woords die haar als tolken dienden, een steeds gelijkluidend, altijd eenstemmig, zich allerwege gelijkblijvend, beslist en zeker geluid: Met den verwerper van Gods Woord, ook niet één oogenblik vrede! Zie ik dus dat zich met voorbedachten rade een meening vormt, die tot geen prijs van vredebreuk anders dan in den vorm van onschuldige protesten voor zich begeert, noch in anderen gedoogen wil, dan ben ik immers in mijn goed recht, zoo ik dit streven als in strijd met de Gereformeerde practijk afkeur en plichtshalve tegensta. Toch mag ik de adepten dezer school daarom nog niet Ongereformeerd noemen. Ongereformeerd is hij die én in leer én in practijk het Gereformeerde beginsel prijs geeft. Deze benaming zou dus te veel zeggen, onwaar en zelfs lasterlijk kunnen zijn. Ik stel niet slechts de mogelijkheid, maar weet bij ondervinding, dat er predikanten zijn in de leer streng Gereformeerd, maar in de kerkelijke practijk zich aan den eisch van het beginsel onttrekkend. Ik mocht dus niet van „<Ongereformeerd” spreken. Niemands gevoelen ten opzichte van de leer mocht in de keuze der benaming verdacht gemaakt. Vandaar mijn opnemen van den naam „Irenisch”. Deze titel bedoelt de zoodanigen die in de kerkelijke practijk vrede houden, ook waar dit naar Gereformeerde gedragslijn ongeoorloofd is. Met de „Ethische” richting heeft deze benaming niets uitstaande. Beide termen hebben niets met elkaar gemeen. Men kan Irenisch en toch een felle tegenstander van de Ethische richting zijn. Of ook men kan van Ethischen huize zijn en toch vooropgaan onder de aangespers van het zwaard. Irenisch beteekent kortweg: „vredelievend” ook daar, waar die vredelievendheid ongeoorloofd is. Op de juistheid der voor de |73| dissentieerende Broeders gekozen benaming valt dus weinig af te dingen. Een andere vraag is echter, of ik recht had de daartegen overstaanden als „Gereformeerden” te qualificeeren? Men mist in die keuze van naam de lijnrechte tegenstelling en acht aanmatiging aan zoo voordeelige beschikking ten behoeve van eigen partij niet vreemd. Gaarne wil ik overtuigd worden, maar zoover ik zien kan, lieve vriend, is de juistheid der gekozen titulatuur metterdaad onbetwistbaar en haar beteekenis zoo doorzichtig als glas. Of zeg zelf, als iemand nu toch Gereformeerd èn in de Kerkelijke leer, en in de Kerkelijke practijk wil wezen, is hij dan Gereformeerd of niet? En zoo hij het is, waartoe dan, bid ik u, dan de naam verzwegen, die gaaf en volledig uitdrukt wat ge aan hem hebt. Waartoe dan een naam in de pen gehouden, die als historisch manifest èn het recht tot verweer èn de wijze van plichtsbetrachting kenmerkt. Waartoe dan een zoo schoone leus prijs geven, die alle persoonlijke eerzucht afsnijdt, voor allen een banier van vereeniging kan worden en het terrein aanwijst waarop de Kerk en wat tot haar provincie behoort, niet door mij gezet wordt, maar krachtens recht van afkomst en naar Gods ordinantie staat.

Of hoe? Men zou tegenover de „Irenischen” zichzelf alleen als „Polemisch” mogen karakteriseeren! Dus tegenover de Modernen noemt gij uzelven de „Antieken”! Tegenover de Liberalen noemt gij uw geestverwanten de „Illiberalen”! Tegenover de Conservatieven laat gij uzelven als de „Sloopers” aandienen? Maar genoeg, reeds stemt ge mij toe, dat een argument beter hout behoort te snijden om tegen mijn keuze van kracht te zijn. En wierp men mij tegen, dat ik dan toch nooit een naam mag opeischen, die aan allen zonder onderscheid behoort, dan weêrlegge men, eer ik hiervoor zwichte, mijn opmerking, dat in tijden van vreemde overheersching (en daarin leven we kerkelijk) wel ter dege de partij van actie zich steeds met den volksnaam heeft betiteld. De „Poolsche partij” in Polen is niet het geheele |74| volk, maar bestaat uit hen, die Polen herstellen willen, in onderscheiding van een ander deel des volks, dat alle daad van verzet afkeurt, zich lijdelijk houdt en berust.




Mijn tweede eisch raakt het „Democratisch karakter”, dat de kerk m.i. behoort aan te nemen, niet alleen hier te lande, maar allerwege. Dusver, het mag immers ook uit uw ervaring gezegd, was dit anders. Kerkbestuur en predikanten leunden meest op de notabele familiën die belangstelling in het kerkelijk leven toonden, en zoo de kleine burgerij als de lagere volksklasse drong men, als onmondig en onbekwaam tot meêspreken, terug. Ook het Réveil heeft aan de Christelijke beweging van de eerste helft dezer eeuw, die aristocratische natuur gegeven. Immers vooral onder de oud-adellijke geslachten, en de patricische familiën onzer groote steden won het zijn eerste bekeerlingen. Kon het dan bevreemden dat geboorte, naam en geldbezit, de zedelijke beteekenis van deze verovering verhoogden, en sprak het niet van zelf, dat de reeks van christelijk-philanthropische stichtingen, die sedert als middel tot propaganda in het leven werden geroepen, meest aan deze mannen en vrouwen van hooge geboorte en hooge positie werden toebetrouwd. Met edele toewijding hebben deze christelijke familiën zich het lot van ons Christenvolk aangetrokken; door invloed en soms koninklijke mildheid een eigen terrein voor christelijk leven naast de hun vijandige kerk gesticht, en allerwege dat natuurlijk en gewijd patronaat uitgeoefend, dat hun van rechtswege toekwam, door de tijdsomstandigheden geëischt werd, en hun door niemand werd betwist. Sinds echter keerde de toestand. De eerst onderdrukte partij kwam aan het Bewind. De bescherming werd overbodig. Zulk een wijziging nu is altijd pijnlijk. Na het sluiten van den vrede klaagt men over de autoriteit van een legerhoofd, dat werd aangebeden in de ure des gevaars. Toch is aan dit pijnlijke geen ontkomen. Het ligt nu eenmaal in de natuur der zaken, dat de groote schare in |75| dagen van druk en benauwing, willig zich onderwerpt om heul en steun te vinden, en dat ze toch, meê door die hulp, vrij geworden, aanstonds wenscht te toonen, dat plicht van dankbaarheid nooit tot zelfwegcijfering nopen kan. Zoo zag men het ook ten onzent, na de uitvoering die in 1867 aan artikel 23 werd gegeven. Onverhoeds en plotseling werd de orthodoxie hierdoor in het groote deel onzer kerk heerschende partij. Die orthodoxie bestond uit drie scherp geteekende groepen. De aristocratische côterie, die, klein maar machtig, schier geheel door het Reveil gevormd was. De malcontenten, die, groot in aantal, maar zwak in talent, meest de traditiën der oude kerk buiten haar voorhoven hadden voortgezet. En eindelijk een ietwes conservatistisch gekleurde groep, die al door ter kerke gekomen was en goedschiks kwaadschiks haar lief en leed had gedeeld. De laatste stond daarin tegenover de beide eersten, dat Aristocraten en Democraten beide de kerk gemeden hadden, terwijl de Conservatistische phalanx juist in kerkelijken zin kracht had gezocht. Was nu coöptatie beginsel van kerkbestuur gebleven, dan zou de bestaande verhouding in niets gewijzigd zijn, en nu in het Kerkbestuur zouden deze verschillende fractien op gelijken afstand en in een zelfde rangorde zijn opgetreden, als waarin ze dusver tegen het Kerkbestuur hadden geägeerd. De patriciërs met de Conservatieven zouden de teugels in handen hebben gehouden, en de schare zou door hen zijn geleid. Maar nu de coöptatie viel, en artikel 23 aan de numerieke meerderheid het overwicht gaf, was het van meet af duidelijk, dat men de rollen allengs verwisselen zou, en dat de kleinere patricische en evenzoo de niet te talrijke conservatieve fractie bij den tel het onderspit moesten delven tegenover de machtige democratische fractie. Slechts hierover kon onzekerheid bestaan, of de patricische familiën, helder den nieuwen toestand doorziende, bij tijds de lagere burgerij tot vertrouwen zouden uitlokken, òf wel, door gebrek aan inzicht, eerst het onmogelijke beproeven zouden, om straks teleurgesteld vijanden in hun beste |76| vrienden te zien. U behoef ik het niet te zeggen: al te gelukkig was de uitslag niet. Helder inzicht, profetische blik in de dingen die komende waren, ontbrak, en men meende inderdaad, dat de volgzaamheid der groote massa zoo stellig verzekerd was, dat schier alle posten en ambten en betrekkingen aan de kleine côterie van Patriciërs en Conservatieven werden toebedeeld. De groote menigte des volks deed schier uitsluitend bij de stembus dienst. Schier alle verkiezingen in 1867, 1868, 1869 en 1870, zoo hier als in andere steden, bevestigen deze opmerking. Men zette het oude patronaat eenvoudig voort en dacht er niet aan, dat hierin miskenning school van den wezenlijken toestand.

Al spoedig echter werd men in deze zoete rust gestoord. Bij volgende stemmingen bleek het maar al te wel, dat het Patriciaat te zeer in minderheid was, om lang ongevraagd als voogd te worden geduld. Men werd zich zijne kracht bewust, klaagde over miskenning, mompelde van achteruitzetting en waagde het ten leste zich te verzetten. Het „mot d’ordre” van hooger hand werd een enkel maal niet opgevolgd, en deze enkele stemming — denk aan het gebeurde te Rotterdam — gaf der weerstrevende fractie zulk een verpletterend overwicht, dat geen bukken voortaan meer kon worden gevergd. Dit werkte van de stembus op den kerkeraad, van den kerkeraad op commissien en colleges, en het pijnlijk oogenblik moest komen, dat de volksrichting ter bevestiging van eigen invloed vernieuwing van mandaat weigerde aan hen, die door de kleine côterie op het kussen waren gebracht. Dit moest tot spanning, tot oppositie, tot verbittering leiden en in korte jaren de wederzijdsche verhouding zoo geheel veranderen, dat men zich weer verstandhouding met den algemeenen vijand liet aanleunen en naast het Modernisme menig oud Conservatief strijder zag optreden, die vroeger altijd knorrig de wenkbrauwen fronsde tegen die „nu ook alles wegnemende” Modernen.

Mijn oordeel over dezen stand van zaken is, dat de patricische coterie in 1867, de democratische sinds 1870 een ernstige feil heeft begaan. Ten onrechte heeft men in 1867 |77| het democratisch karakter der nieuwe beweging miskend, en niet zonder kwetsing der geloofsgemeenschap destijds een toenadering tot het ongeestelijk Conservatisme betoond, die aan de strengere broeders uit de kleinere burgerij werd onthouden. Mij dunkt, dit oordeel zult ook gij niet te hard vinden. Althans, dat er iets aan is van mijn beweren, zult gij niet ontkennen! Maar ook de bovendrijvende fractie tastte hierin mis, dat ze niet scherp genoeg tusschen de ingedrongen Conservatieven en de broeders uit den Réveil onderscheidde. Dat men de oud-kerkelijk-conservatieven in den steek liet, was zoover ik zien kan, naar eisch van geestelijke keur gehandeld. Op hen is nooit staat te maken. De dwaasheid des Kruises staat altijd in den weg. Maar waar men tegen had moeten waken, is tegen eene verwarring van deze kerkelijke mannen met de hooge geslachten uit den Réveil. Er zijn familiën in elk onzer groote steden, wier naam door banden van trouw, van toewijding en liefde te eng aan de zaak des Heeren verbonden is, om ooit, zonder schuld voor Hem die ze ons gaf, hun dienstbetoon, hun patronaat en leiding vaarwel te zeggen. Al keerden de tijden, men mag daarom niet vergeten, wat deze mannen en vrouwen in dagen van veel pijnlijker worsteling van hun rust en naam en goed hebben opgeofferd, om den Koning der gemeente te dienen. Dankbaarheid heeft voor den Christen een nooit verjarende beteekenis, en al moet dan toegestemd, dat deze mannen veelal zelf zich met de Conservatieven vermengden, toch blijft de ernstige plicht om op het scherpst te onderscheiden, wáár gebed voor Jezus Kerk een deel van de levenstaak was, en wáár een leven in die Kerk den geest eer heeft verstompt.

Toch verandert deze dubbele feil aan den bestaanden toestand niets. De loop der historie regelt zich, niet naar valsche inzichten, maar naar de reële sterkteverhouding, die in het leven bestaat, en dan behoeft men waarlijk geen profeet te zijn, om te erkennen, dat de toekomst in onze Kerk is voor de Democratie.

Ik aanvaard die, niet als een noodzakelijk kwaad, maar |78| als door God gewild en met den aard van het Christendom in overeenstemming.

In onze oude wereld dringt het leven der volken en natiën rusteloos, en daarom onweerstaanbaar, naar de grenslijn waarachter de Democratie begint. Tegenstand baat niet. Men kan de Democratie in haar vaart wel ophouden maar niet stuiten, en de eenige keus die blijft is slechts, of men haar als verbitterde vijandin wil afwachten, of haar als van God gezonden bode zal erkennen en den weg bereiden. Zoo is het in ons Staatsbestuur en in de leiding onzer stedelijke belangen. Zoo is het op het stuk van nijverheid en landbouw. Zoo is het op het gebied van kunst en wetenschap. Zoo is het bij vloot en leger, in de raadzaal en voor de balie. Het volk in zijn massale beteekenis komt tot al grooter beteekenis. Het wint in kennis, het wordt zich zijner kracht bewust. Het heeft den moed en de eerzucht om naar meerder macht te dingen. De logica zelf der feiten stuwt het voort en voort, en noch patricische afkomst, noch fijner beschaving, noch een schat van millioenen is tegen die innerlijke drijfkracht opgewassen. Het moge nog jaren, het moge decenniën duren, maar dit staat vast, zoo Europa een toekomst heeft, dan wacht het die van de Democratie.

Van zulk een algemeene beweging kan ook de Kerk zich niet vrijhouden. In dien vaart der geesten wordt ze zelve meêgesleurd. Ook zij moet, tenzij de abdiceere, de nieuwe frontbeweging medemaken. Alleen in de Democratie ligt ook voor háár profetie van krachtsvernieuwing en bloei. Reeds voor 1867 hebben de scherpstzienden dit uitgesproken. Na 1867 kan er over dezen keer in den loop der Kerk geen verschil meer bestaan. Met Artikel 23 is onze Kerk den Staat in democratische neiging zelfs vooruitgeschreden. Niet maar de mogelijkheid van democratische ontwikkeling, neen de democratie met vlag en wimpel, is door de crisis van voor zes jaren onherroepelijk ingehaald!

Reeds daarom acht ik dus aanvaarding plicht, wijl geheel onze overwinning op de Synodale partij aan de |79| Democratie is dank te wijten. Maar een zedelijke grond geeft m.i. aan dien plicht nog hooger wijding. Ik aarzel niet om uit te spreken: Het Christendom is democratisch naar aard en wezen, en slechts miskenning van zijn heilig karakter heeft tot besnoeiing der democratische invloeden geleid. Bijna geheel Jezus omgeving is uit de kleine burgerij. Hij zelf is door banden van maagschap aan den democratischen stand verbonden. Zoo weinig verwacht hij het van de rijken, dat hij eer een kemel door het oog eener naald ziet gaan, dan een rijke in het koninkrijk der hemelen. De mannen van hoogeren stand, met wien hij in aanraking komt, zijn meestal schuchter en vreesachtig. Zijn Apostelen zijn allen mannen van democratischen oorsprong en democratisch karakter, en waar zijn Gemeente voor het eerst in beeld zal gebracht worden, zijn het voor Jezus de kreupelen, kranken, blinden en armen, en voor zijn Apostel de onaanzienlijke, de onedele, de geringe en nietsbeduidende lieden, die haar kern vormen en haar kracht. Schier alle degelijke beweging in Jezus kerk is uit diezelfde kringen voortgekomen. Waldenzen en Albigenzen waren, evenals de martelaars der hervorming, meest uit de groote massa geboortig. De stichting onzer republiek is wel door de Edelen beproefd, maar door het volk gelukt. Ook nu zou zonder het steunpunt in de volksmassa de Christelijke kerk voor ons verloren zijn. Gods Woord drukt op dien toestand het zegel. De lagere volksrangen zijn der Gemeente veel meer dan de hoogere als tente aangewezen, waarin ze verwijlen zal. Wat ook van kerkinrichting in de Schrift te berde komt, rijmt onveranderlijk met dezen democratischen grondtoon. Verlating van dit spoor is als een der eerste oorzaken van versterving en verval der Gemeente te beschouwen, en naar mijn vaste overtuiging zal Gods Woord eerst dan weêr ten volle gehuldigd zijn, zoo men de door God gehuwde denkbeelden van Kerk en Democratie niet langer scheidt.

Aanvaarding van deze daadzaak is mij meer dan een ijdele term! Immers de enkele mannen van hooge geboorte en hoogen |80| stand hebben ook voor de Gemeente hun van God verordende roeping. Zij kunnen niet buiten de Gemeente, noch de Gemeente buiten hen. Er is wederkeerige onmisbaarheid. Ziet men dit nu in, dan zal het geloof des harten een macht blijken die de somtijds ruwe krachten der democratie beteugelen en wijden kan, mits men haar niet zoeke te onderdrukken. Vooral in onze volksmassa leeft nog de sterke eerbied voor wat in hoogheid gesteld is, om (tenzij tegenstand tot verzet prikkele) voor miskenning van het aanzienlijke, het talentvolle en hooge in de gemeente beducht te zijn. Zoo kan de kleine aristocratie onzer Gemeenten, na winning van het vertrouwen der schare, der volksmassa tot steun en leiding strekken, en zal de democratie zich, althans in Jezus kerk, van die ziekelijke ontaarding weten vrij te houden die met haar ontzinden waan kracht voor het lichaam zoekt in verlamming van zijn edelste deelen.




En toch zou ik haar niet durven aanvaarden, zoo ik geen goede hoop op de eindelijke Vrijmaking der Kerk had. Noch het Gereformeerd noch het Democratisch karakter mag voor de gemeente geëischt worden, zoo niet tegelijkertijd haar recht op Vrijheid volledig wordt erkend.

Geen geestesdwang! Dwang des geestes is van al wat dwang genaamd wordt het meest den mensch onteerend, den mensch het meest vernederend, den mensch het meest onwaard! Dwang noch van den sterken arm, noch van het geld, noch van de sluwheid der strikken, noch van het misbruik der te machtige persoonlijkheid, mag naar den koninklijken adel des geestes den vrijen geest ooit aangelegd. Zelfs niet negatief noch indirect mag dwang te hulp geroepen. Een stelsel van geestelijke onderdrukking als onze Synodale Organisatie ten tooneele bracht is al even onwaardig als Rome’s feitelijke dwang. Vrijheid onderstelt niet slechts, dat men mij de boeien afneme, |81| maar dat mij ook den weg opensta om mijne vrijheid te gebruiken. Geen overheersching dus van geest over geest. Noch van den opziener over de Gemeente, noch van de Gemeente over haar leden. Alleen vrije banden zijn in de Gemeente van Christus betamelijk. Alleen in de vrije gemeenschap ligt haar kracht.

Eisch ik dus dat de kerk Gereformeerd zij, dan bedoel ik dit niet zóó, alsof aan allen, ook aan den onwillige, een Gereformeerde kerkstaat moest worden opgedrongen. Integendeel aan niemand mag ze m.i. gegund worden dan die haar zelf begeert. Ik begeer ze; edoch mijn eigen ideaal teekenend, spreek ik slechts mijn persoonlijk verlangen uit, om met hen, die ééns geestes met mij blijken, te mogen leven in een degelijk Gereformeerde Kerk, „Reformanda quia Reformata”! Eigen levenskeus, niet dwarsbooming van anderen, ligt in het heimwee van mijn hart.

Van het Democratisch karakter geldt hetzelfde. Meenen onze aanzienlijken in den lande dat ik miszie; willen zij de poging wagen om den Aristocratischen toon in de Gemeente blijvend te doen heerschen, mij is dit wederom volkomen wel, mits men ook mij slechts vrijlate, welbewust die richting te volgen, die ik in de teekenen des tijds zie aangewezen en aan lieden van mijn stempel een Gemeente gunne, die haar gebouw kan optrekken in zuiver democratische lijn: dit woord natuurlijk in socialen zin verstaan, en als zoodanig de aristocratie der vrome geesten niet uitsluitend, maar juist eischend.

Tegen de vervulling dezer wenschen is het bestaande kerkgenootschap, het staatscreatuur van 1816, voorshands nog een ernstig beletsel. Men is op dit oogenblik niet vrij en kan het niet worden. De kerkorde belet u Gereformeerd te zijn en Gereformeerd te leven, en doet de strooming van den democratischen geest in het enghartigst clericalisme verzanden. Te verhelpen is dit euvel niet, tenzij men breke met de valsche eenheid en het onheilig fantoom der Volkskerk van de erve der Gemeente verdrijve. Handhaaf de eenheid en in wat manier ge ook reorganiseert, |82| steeds zal er een winnende meerderheid en een met wrok en bitterheid bukkende minderheid zijn. Bij vasthouding aan valsche bekoring, door het massale der Volkskerk uitgeoefend, komen we tot de waarachtige vrijheid nooit.

En waarom ze niet prijs gegeven? Meent ge dat er in een volkskerk zegen schuilt? Maar, lieve Broeder, althans te Amsterdam roepen de feiten toch dunkt me te sterk. Daar hebt ge dan nu uw volkskerk met 137000 zielen! Eilieve, schreit het niet tot God, zoo gewetenloos en ontfermingsloos als die onheilige Volkskerk èn Predikanten èn Opzieners èn Gemeenteleden maakt? Over welk deel uit die schare gaat de Kerkelijke werkzaamheid? Over de helft? Over een derde? Ge durft het immers nauwlijks beâmen. Geen zesde deel komt in onze bedehuizen. Geen tiende deel komt op onzen Catechisatien, langer dan een enkel jaar — en . . . de groote menigte wordt door de Kerk eenvoudig aan haar eigen geesteloosheid overgelaten. Zeg niet, dat toch de volkskerk u den toegang tot de gezinnen en de komende geslachten geeft. Beter nog dan ik weet gij, waarde vriend! hoe deze kerkelijke band vaak eer beletsel dan opening des harten biedt, en hoe de veelvuldige werkzaamheid in onze groote stad om de volksmassa te bereiken, niet van de Volkskerk is uitgegaan, maar in weerwil van haar hooghartige tegenwerking tot stand kwam. Die Volkskerk zou u toegang tot huis en hart geven! Ach, waartoe toch die lichtbeelden op den wand, die voor den nuchteren blik alle waarde inboeten. Ge leeft nù toch uitsluitend in die kringen, waartoe niet kerkelijk verband, maar sympathie u den toegang ontsluit, en van de groote menigte uwer stadgenooten blijft ge met uw Volkskerk even verre vervreemd, als ge het zonder haar zijn zoudt. En stel al, dat de vrije Kerk hierin geen verbetering bracht, dan heeft ze ten minste dit voordeel, dat ze door geen onwaren schijn de conscientie in slaap zou wiegen. Nu ligt, voor zooveel de Kerk aangaat, schier geheel onze stad onverzorgd en onbewaakt, en bij honderden sterven de zielen weg, die nooit iets van hun Kerk |83| ontvingen en zelfs ten grave gingen, zonder dat zij het wist, en terwijl men zich troost met de gedachte, dat ze nog tot de Volkskerk behoorden, leeft men kalm en tevreden voort en laat zich door die hooggeloofde Volkskerk de ooren zoo haast hermetisch dichtstoppen, dat men het schreien der zielen om Christelijke liefde en Christelijke ontferming zelfs in zijn eigen stad niet meer hoort. Denk u die volkskerk weg, en terstond zou men den drang gevoelen om het ontkerstend deel van de bevolking onzer groote stad door krachtigen zendingsarbeid te bewerken of het mocht gewonnen worden voor den Heer. Maar nu, mèt uw Volkskerk, heeft men kerkelijke zondagscholen die kwijnen, zes christelijke scholen van kerkswege voor een gemeente met meer dan honderddertigduizend zielen, en voorts . . . laat men anderen arbeiden. Immers, ze behooren dan toch tot de volkskerk; bij rondgang en huisbezoek ontmoet men de leden toch licht een enkel maal in een tiental jaren, en voorts bij aanneming, bij Doop, bij een avondmaalsgang met Paschen! . . . o, zoo wiegt men zichzelf en anderen in slaap, verliest bij het fantastisch licht van deze geheimzinnige grootheden den werkelijken jammer uit het oog, en meent in goeden ernst, dat er voor heilige bezorgdheid nog geen oorzaak kan zijn! Zie toch, de volkskerk verspreidt haar zegen, de volkskerk waakt!

Lieve vriend, ik heb moeite mij te bedwingen, zoo dikwijls ik een pleitbezorger ontmoet van deze naar mijne innige overtuiging zoo door en door onware voorstelling. Voor een woordenstrijd is mij de zaak te ernstig. Voor een duel op de pen is het belang mij te heilig. Eerst Rome heeft van de Christelijke Gemeente een Volkskerk gemaakt. Onze Gereformeerde kerk is oorspronkelijk het tegendeel van een volkskerk geweest en eerst door Staatsche ontaarding geworden, wat de onhistorische lofredenaar thans in haar roemt. Een volkskerk is tegen de analogie des geloofs, en weerspreekt de groote tegenstelling tusschen Christus en de wereld, die van Genesis drie tot Openbaring negentien de hoofdgedachte der Schrift vormt. De |84| volkskerk heeft dan ook nimmer gebloeid. Wat er grootsch uit de gemeente geboren werd, kwam haars ondanks, te spijt van haar loome traagheid, tot stand. Waar ze als in Engeland en Schotland door krachtige concurrentie uit haar tragen aard werd opgeprikkeld en slechts volkskerk voor een deel kon zijn, was de bloei van het Christendom nog het zichtbaarst. En daarom vraag ik niet slechts dat men haar afbreke, maar spreek ik mijn onwrikbare overtuiging uit, dat haar dagen geteld zijn, dat haar oordeel gekomen is, en dat voorliefde noch het edelst zelfbedrog in staat zullen blijken om haar val te verhoeden.

Machtiger dan onze wenschen is de strooming der geesten. Blijkt nu dat deze al meer den weg der verbizondering, der differenceering, der individualiseering opgaat, dan eischt de denkwet ook een toekomst, waarin óf alle kerkgemeenschap ophoudt, óf elke geesteskring een kerk vinde naar de behoefte van het hart. Welke van deze twee ook kome, de volkskerk valt weg, en niet zoozeer van onze geloovige schare, minder nog van den ijver onzer enthousiasten, allerminst van eigen arbeid, maar uitsluitend van de ontwikkeling onzer toestanden wacht ik de splitsing in vrije kerken, die alleen oplossing geeft aan het probleem.

Spreke daar nu tegen, wien het woord op de lippen brandt; gespe daartegen het woord aan, wien God met macht bekleed heeft; woele, dreige, vereenige men zich ja, laat al wat talent is en groot heet in onze kerk zich met den warmsten gloed, met de edelste geestdrift ter handhaving van „status quo” opmaken, — toch zal het niet baten, toch zal men zwichten, toch ten letste buigen en bukken moeten, eenvoudig wijl het in geens menschen hand gegeven is een geestesbeweging te keeren, die zich zoo machtig, zoo alles meesleepend van alle zijden openbaart.

De massaliteit lost zich eenerzijds almeer in haar atomen op, om ter anderer zijde zich tot al machtiger massa op een te stuwen. Die dubbele beweging is onloochenbaar. Denk aan Italië, denk aan Duitschland, denk aan het Panslavisme, alle hun overweldigende massaliteit almeer doende steunen op individueele |85| ontwikkeling. Dien dubbele drang volgend, moeten dus of de volkskerken zich in kleine vrije kerken splitsen, of zich op één stuwen tot één alles omvattende massaliteit. Amerika of Rome! Een derde is er voor onze toekomst niet! En dan behoeft, wie de Gereformeerde volksaard kent, toch waarlijk niet over de toekomst te twijfelen.

L’église de la multitude” was het devies van Monod, zeker nooit gekozen ter aanduiding van een volkskerk, wijl de Église Réformé dit in Frankrijk nooit was; maar kon het als manifest voor dit verouderd standpunt gelden, ik zou er dan aanstonds mijn „La multitude des Églises” tegenoverstellen. Tusschen haar en Romes „L’église de la totalité” staat de keus.




De vrijheid der Kerk moet in zelfstandigheid haar steun vinden. Een kerk, door wat klinkend manifest ook vrijverklaard, blijft in staat van afhankelijkheid, zoolang ze een macht buiten haar te danken heeft voor het brood dat ze eet. Zelfstandigheid is dus zeer bepaald als een leven uit eigen middelen bedoeld.

Ge weet, vooral op dit punt weerspreekt men mij, ik stel er daarom prijs op vooral dit punt iets breeder toe te lichten. Men is gewoon elke eisch tot intrekking van staatssubsidie als ten afschrikkend voorbeeld met een verwijzing naar onze Afgescheiden broeders te beantwoorden. Vergelijking met de Afscheiding zij ook mij daarom ten uitgangspunt.

De statistiek onzer Christelijk Gereformeerde kerk is u zeker niet vreemd. Toch kan herhaling der bekende cijfers voor de juistheid der vergelijking dienst doen. Ik wil daarom de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Amsterdam eenerzijds, met de Christelijk Gereformeerde kerk anderzijds naast elkaar stellen, om over beider activiteit te doen oordeelen.

De Amsterdamsche gemeente telde volgens de laatste kerkelijke opgave ruim 137.000 zielen, nu reeds tot bijna |86| 140.000 geklommen. De gansche kerk der Afscheiding saam loopt even over de 100.000, en staat dus, wat getalssterkte betreft, bijna in reden van 2 : 3 tot deze ééne gemeente.

In 1834 beschikte die Amsterdamsche gemeente over ruim ƒ 60.000 ’s jaars uit staatssubsidie, en over een rente voor kerk, armen en gestichten, die telken jare met ƒ 140.000 zeker niet te laag geraamd is. Tot 1873 bedraagt dit een totaal van zeven millioen zesmaal honderdduizend gulden, dat, voor den gang der zaken besteed, niet door de thans levende generatie betaald is. Tegenover deze bijna acht millioen ontving de Christelijk Gereformeerde Kerk geen penning!

De Nederduitsche Hervormde gemeente gebruikte voor haar eeredienst tien kerkgebouwen en vier bijlokalen. De Christelijk Gereformeerde Kerk bezit bijna tweehonderd kerken of kerkjes die allen door de tegenwoordige generatie uit den grond opgebouwd zijn.

De Nederduitsche Hervormde gemeente laat zich bedienen door zeven en twintig predikanten. De Christelijk Gereformeerde kerk telt bijna 220 dienstdoende leeraren.

De Amsterdamsche Gemeente heeft niets dan een kleine Catecheten-school, aan eigen woning door twee predikanten bediend, met een klein aantal leerlingen, en nauwelijks de kosten van ƒ 1000 beloopend. Daartegenover heeft de Afgescheiden Kerk een Theologische school, met flink collegegebouw, vier docenten en een hulpdocent te plaatsen, bezocht door bijna 80 studenten een jaarlijksche uitgave vorderend van minstens ƒ 50.000.

De groote gemeente der Hervormden deed voor het Christelijk Middelbaar Onderwijs dusver niets. De Afgescheidenen schreven reeds tot ƒ 70.000 in voor den bouw van een Gymnasium.

Voor het Lager Onderwijs bezit de Amsterdamsche Gemeente der Hervormde kerk zes verre van uitnemende scholen, die met moeite uit een oud fonds en particuliere bijdragen onderhouden worden. De Christelijk Gereformeerden beschikken nu reeds over 48 Gemeentescholen met |87| een bevolking van bij de 7000 kinderen.

Is de vergelijking bemoedigend? Naar de reden van 2 op 3 moest de Amsterdamsche gemeente reeds beschikken over ruim drie honderd predikanten, twee honderd vijftig kerkelijke gebouwen, een catechetenschool met 120 leerlingen, een Hoogere Burgerschool van goede afmeting en een aantal van 72 Gemeentescholen voor Lager Onderwijs. Wat schade leed ze dan niet door haar alle energie doodende subsidie en massaliteit?

Vergeet daarbij niet dat de Amsterdamsche Gemeente schatrijk is en menig lid telt, dat op de geldbeurs dwars en dubbel tegen de gansche Kerk der Afscheiding opweegt, — en dat die Christelijk Gereformeerden meest bestaan uit lieden van kleine middelen, eer laag dan hoog geplaatst in maatschappelijken stand. Naar rato van finantiëele krachten kan Amsterdam minstens het dubbele doen van wat de Christelijk Gereformeerden deden!

Vraag nu eens wat deze honderdduizend zielen sinds hun optreden op het kerkaltaar, in ruimen zin genomen, offerden en ik ben overtuigd dat het cijfer u zelf verbazen zal. Ze bouwden een 180 kerken en lokalen, een kleine vijftig scholen van Lager Onderwijs en voorts een Theologische school. Voeg daarbij de Weeshuizen en Bewaarscholen en vooral de breede reeks pastoriewoningen en ge stemt mij toe, dat voor deze ± 300 gebouwen, gerekend tegen een koop- of bouwprijs van ƒ 3500, een waarde van een millioen niet te hoog geraamd is.

Rekent men de interessen van dit kapitaal op ƒ 50.000 en het onderhoud der lokalen op ƒ 10.000, dan komt men tot een budget van uitgaven dat (het gymnasium er bij gerekend) ruim ƒ 500.000 beloopt, of ƒ 5 per hoofd. Ongeveer in dezer voege kan dit budget gesplitst:


Interest van bouwkapitaal ƒ 50.000,00
Onderhoud van localen ƒ 10.000,00
Tractementen van predikanten ƒ 150.000,00
Theologische school ƒ 50.000,00
Lagere scholen ƒ 80.000,00
Middelbaar onderwijs ƒ 20.000,00
Tractementen van kosters, voorzangers, organisten enz. ƒ 15.000,00
Vuur en Licht ƒ 2.000,00
Armenverzorging ƒ 90.000,00
Weezenverpleging ƒ 15.000,00
Emeritering van Predikanten ƒ 5.000,00
Zending en andere stichtingen ƒ 10.000,00
Kerkbestuur ƒ 5.000,00
ƒ 502.000,00

Toch biedt dit voor een stad als Amsterdam nog geen juiste maatstaf van vergelijking. Immers, hoezeer ook de Christelijke Gereformeerde Gemeente hier ter stede naar verhouding minder welvarend is dan de Hervormde, staat ze toch in maatschappelijke positie boven de meeste dorpsgemeenten. Even 3000 zielen tellend, bezit ze thans reeds vier kerkgebouwen, welhaast vier predikanten, twee scholen en een weeshuis. Haar Budget van uitgaven bedraagt ongeveer ƒ 9 per hoofd, bij een totaal van minstens ƒ 26,300, aldus te splitsen:


Interest van bouwkapitaal ƒ 5.000,00
Onderhoud der gebouwen ƒ 1.000,00
Tractementen ƒ 7.500,00
Kosters enz. ƒ 800,00
Vuur en Licht ƒ 300,00
Scholen ƒ 3.700,00
Weeshuis ƒ 5.000,00
Armen enz. ƒ 4.000,00
ƒ 27.300,00

Brengen we deze cijfers nu over op de Hervormde Gemeente, dan zijn ze met 45 te vermenigvuldigen, wijl de Gemeenten naar het zielental tot elkander staan als 3000 tot 139.000. Het Budget van Uitgaven zou dus naar |89| gelijke reden tot dat der Christelijk Gereformeerden staan, als: Een millioen twee maal honderd vijftien tot zevenentwintigduizend. Waarbij nogmaals herinnerd zij, dat in rekening brenging van het verschillend finantiëel vermogen het cijfer voor de Hervormde Gemeente minst genomen nog met een derde verhoogen zou. Hiervan afziende, voegen we echter bij het verkregen cijfer wel ter deeg de interesten der haar toebehoorende kapitalen, die ook bij weglating van de Staatssubsidie, het montant tot ongeveer Een millioen vier maal honderd duizend gulden klimmen doen.

Onderstel dit nu eens, neem aan, dat de offervaardigheid, de kracht van het Kerkelijk leven bij de Hervormden meê door deze betere kerkinrichting den ijver der Christelijk Gereformeerden hier ter stede kwam te evenaren, zie dan eens, wat we konden doen!

Men kon dan de ééne massale gemeente in honderd Kerspelen of Gemeenten splitsen, wier organisatie men geheel vrij zou moeten laten, om de energie der kleinere kringen ongehinderd te laten werken. Des noods zou men er vrede meê moeten nemen, dat het gemeenschappelijk verband slechts een foederatief ware, en ook dat nog slechts voor zooverre als elk Kerspel uit vrijen aandacht tot aansluiting besloot.

Ongeveer in dezer voege zou dan het Budget van den Kerkstaat dézer toekomst zijn in te deelen:


Tractementen voor 100 predikanten, ad ƒ 3500 voor elk Kerspel ƒ 350.000,00
Rente voor bouwkapitaal, ad twintig millioen ƒ 100.000,00
Armverzorging ƒ 500.000,00
Godsdienstonderwijs en Zending ƒ 100.000,00
Hooger onderwijs (Catecheten- en Normaalschool) ƒ 30.000,00
Middelbaar Onderwijs ƒ 50.000,00
Lager Onderwijs ƒ 100.000,00
Onderhoud en bediening der gebouwen ƒ 60.000,00
Philanthropische inrichtingen ƒ 80.000,00
Kerkbestuur, Vergaderingen, enz. ƒ 20.000,00
Onberekenbare ƒ 10.000,00
ƒ 1.400.000,00

Zeg zelf, zou er bij zulk een staat van zaken niet beter plichtsbetrachting en dienen van den Heer in zijn Koninkrijk zijn?

Of wilt ge ten bewijze dat ik niet in de lucht scherm, nog een aan ervaring ontleend bewijs, denk dan aan de vrije kerk in Schotland. Schotland is, vergeleken bij het grooter deel van ons land, stellig armer, en toch wat heeft het beginsel van autonomie ook in dat land niet wonderen gewrocht! Zie toch, buiten en behalve de plaatselijke uitgaven voor de circa 800 afzonderlijke Gemeenten, heeft die betrekkelijk kleine kerk met haar 800.000 zielen, in ronde cijfers voor het dienstjaar 1871 de volgende geldsommen saamgebracht.


Voor het fonds ter verhooging van tractementen ƒ 847.372,00
Voor Emeritipredikanten ƒ 40.000,00
Voor Predikantsweduwen en weezen ƒ 170.000,00
Voor de Highland-mission ƒ 70.000,00
Voor de zending in de Coloniën ƒ 240.000,00
Voor het bouwen van kerken in de zendingsstations ƒ 230.000,00
Voor binnenlandsche zending ƒ 200.000,00
Voor de zending onder de Joden ƒ 60.000,00
Voor bouw van nieuwe kerken ƒ 40.000,00
Voor Predisruption-ministers ƒ 30.000,00
Voor buitenlandsche zending ƒ 120.000,00
Voor Kerkbestuur ƒ 10.000,00
Voor Hooger Onderwijs ƒ 100.000,00
Voor 589 Christelijke scholen van lager onderwijs ƒ 1.200.000,00
ƒ 3.357.372,00

|91| Licht waren deze voorbeelden te vermeerderen. De „Annual Reports” van de Kerken der Dissenters toonen, dat elke gemeente in den regel ƒ 8 à ƒ 10 per hoofd aan haar kerkelijk leven ten offer brengt.

Deze feiten spreken toch. Denk eens, de vrije Schotsche Kerk, die geheel op eigen middelen teert, heeft alleen voor den tak van buitenlandsche zending van 1843-1871 een som saamgebracht van £ 336.956.12.2½, zegge ruim Vier millioen Nederlandsch. En toch is haar geheele kerk slechts vijfmaal zoo groot als onze ééne Amsterdamsche gemeente!

Wat wil men tegen zulke cijfers? Tegen cijfers, die allerwege waarheid blijken, waar het beginsel der vrije kerk aanvaard werd, in Schotland zoowel als in Amerika, in Frankrijk en Zwitserland! en zeg nu niet, dat ònze natie daar niet rijp voor is, want ik wees u ook op onze Christelijk Gereformeerden!

Toch voorzie ik een tegenwerping, die bespreking eischt, niet wijl ik ze bestrijden wil, maar wijl ik ze u grif gewonnen geef. Bij al deze kerken is sprake van een corps hartelijk belangstellenden. Onder de 140.000 leden onzer Gemeente daarentegen schuilen wellicht een twee derde, die voor de kerk of kerksgelijke alle belangstelling en offervaardigheid missen.

Wat volgt hieruit? Natuurlijk dat het Budget van veertien ton, het hondertal predikanten enz. tot een derde slinken zou; doch, en hier wilt ge wel zeer scherp op letten, met het Budget van bijna vijf toen, met de 35 predikanten enz. zou hier dan ook slechts een gemeente te bedienen zijn van circa 50.000 zielen. De overigen zouden voor het oogenblik eenvoudig buiten de Kerk staan. Zoo zou dan déze toestand geboren worden, dat gelijk in Glasgow en elders bij wegvalling van de Kerk der massaliteit voor een degelijk georganiseerde gemeentengroep van 50.000 zielen, een schare van 100.000 ons als arbeidsveld voor „Innere Mission” buiten kerkelijk verband zou zijn aangewezen. |92|

Edoch, slechts voor het eerste oogenblik. Zóó toch zijn de traditiën van het gewijd leven der vaderen bij ons volk nog niet weggestorven, of verre het grooter deel dezer onverschilligen zou dàn juist, door de verbreking van het schijn-kerkverband, tot besef van gemis, van een ledig in hun leven komen, en bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van een huwelijk, na ernstige ziekte, of in dagen van rouw, zou al spoedig een neiging wakker worden, die weer kerkverband zoeken deed. Neen, zoo verwoest is onze gemeente nog niet, of acht van de tien ouders zouden nog wel een Doop voor hun kinderen begeeren. Moest dit nu gekocht door buigen voor dwang, dan zou mijn vertrouwen nog zwichten kunnen. Maar is eenmaal de vrije kerkformatie aanvaard, staat voor ieder het terrein open, om een kerk van zijn gading te stichten, dan durf ik profeteeren, dat eer een drietal jaren verliepen, stellig de grootere helft van deze 100.000 zielen zich kerkelijk zouden geïnstalleerd hebben. Ook langs dien weg zou dan juist blijken hoe de volkskerk door haar onwaren schijn en de valsche gerustheid die zij voedt, de godsdienstige aandrift van ons volk verstikt, en die eenige kracht verlamd had, waardoor groote dingen tot stand komen: de kracht van zelfwerkzaamheid op een overzienbaar terrein.

Immers, waarin schuilt het geheim dat alle vrije kerken bloeien, terwijl er geen volkskerk is, of ze tobt, kwijnt en neigt ten ondergang? Zou het niet daarin liggen, dat wij menschen geen liefde hebben, dan voor wat in zekeren zin ons eigen kind, vrucht van eigen arbeid, tot op zekere hoogte onze eigen schepping is? Wat zou men zich ook hechten aan een gemeente als de onze, zoo massaal dat een menschenleven ook voor den man van de beste memorie te kort zou zijn, om van elk medelid ook maar een vluchtigen indruk van zijn gelaat te verkrijgen? Wat zich hechten aan een Gemeente, wier organisatie geheel buiten ons omgaat en slechts door de mannen van het vak bij benadering gekend wordt? Stel daartegenover nu een Kerspelgemeente van 13 à 1400 zielen, die men wekelijks op dezelfde plaats terugziet, allen door eenzelfde leeraar gedoopt, allen in eenzelfde lokaal onderwezen, op eenzelfde school onderricht, ter aanneming bij eenzelfden kleinen Kerkeraad verschenen! Denk u elk lid daar telken Zondage op zijn eigen zitplaats, waaraan hij went, waar hij week in week uit dezelfde bekende gezichten om zich ziet! Hij meê aan dat alles offerende, er iets voor gevoelend als zijn kerk net en sierlijk gestoffeerd is, zoodat ze van buiten een goed oog geeft en van binnen met andere kan wedijveren; in alle gebeurtenis van zijn huislijk leven de liefde der Gemeente ervarend; de weezen der kleine gemeente als zijn eigen pleegkinderen beschouwend; de minder armen der kudde als ingedeeld naar het getal der meergegoeden en elk „hun huis” hebbend, waar ze gekend zijn en nooit zonder goede hoop kunnen aankloppen! Oordeel zelf, lieve broeder, zou niet zoo eerst die gemeentelijke band, dat kerkelijk leven geboren worden, dat nu wel voor aanbeeld dient, om er met den mokerhamer van klacht en nog eens klacht op de kloppen, maar dat door de Volkskerk, in den zin waarin die alleen denkbaar is, naar het gebied der „pia vota”, der volstrekte onmogelijkheden, gebannen blijft. Zelfwerkzaamheid kweekt kracht, de afzienbaarheid van het terrein geeft den stillen adem van het huislijke, zelf betalen prikkelt de belangstelling, en concurrentie met anderen is ook voor den ongeestelijke drijfveer, om te ontkomen aan den vloek der inertie. Is het nu wel buiten twijfel, dat juist de karaktertrek van ons goede Hollandsche volk in dit kleine, in dit huislijke, in dit autonomische, in dit liefhebben van wat men betaalt, in deze prikkelbaarheid voor mededinging zijn schaduwzijde, maar óók zijn kracht heeft, wat, bid ik u, zou dan aan de schepping van dit frissche, vrije, veerkrachtige leven ook op onzen bodem in den weg staan?

Van predikanten hoorde ik wel eens, dat ze beducht waren voor finantieele achteruitgang en voor onvoegzame afhankelijkheid van de gemeenteleden. Haast zou ik |94| zeggen, hoe komt men er aan? Is de kleine Christelijke Gereformeerde Gemeente, die door haar diaspora ten dezen opzichte haar schaduwzijde moest hebben, dan maatstaf? Geloof me, zelf predikant en onbemiddeld, ken ik te goed den nood der tijden ook voor onze positie, dan dat ik vermindering van vast inkomen en geldelijke afhankelijkheid van individuën niet ten hoogste schadelijk voor de Gemeente zou achten. Niet minder, juist meer zou ik mijn geachte ambtsbroeders gunnen, en ik ben er zeker van dat ze, trokken ze slechts den Rubicon over, ook voor het eigen gezin den ommekeer van zaken zegenen zouden. Waar zou ook die afhankelijkheid vandaan moeten komen? Bij de vrije kerken in Engeland sluit de predikant, eer hij een beroep aanneemt, een contract met de Trustee's der kerk: dat zij hem persoonlijk garant zijn om telken vierendeel jaars hem de bedongen gelden uit te betalen. Ik voor mij zou zelfs meenen dat notarieel opmaken van deze acte voor Kerspel en prediker beiden eisch was. Reeds nu immers ziet men, dat schaarschheid van predikanten van zelf tot verhooging van tractementen leidt, en hoe dan niet veel meer, zoo voor Amsterdam alleen het getal voorgangers van zeven en twintig tot honderd steeg. Werkelijk een predikant, die tegen de vrije kerk spreekt, is tegen zich zelf en tegen zijn ambtelijke genieting. En, ook al ware de eerste tijd van overgang moeielijk, dan is er immers nog niemand onder mijn ambtgenooten, die, ter ontkoming aan deze overgangsperiode, zou willen tegenhouden, wat zulk een onberekenbare zegen voor ons volk en de Gemeente zou zijn en krachtiger dan ooit de zaak van Gods Koninkrijk als met reuzenschreden zou doen vooruitgaan.

De rechtsquestie der Geestelijke goederen en der Staatssubsidiën bespreek ik thans niet. Kon men den Staat bewegen om de gekapitaliseerde dertig millioen uit te keeren, ik zou met u voor aanvaarding van dit kapitaal stemmen, mits deeling ons vergund ware en de bouw van onze nieuwe kerken aanstonds uit dit gereede geld begonnen werd. |95| Intusschen blijf ik ook afgezien daarvan de questie der Staatssubsidie bijzaak achten. Wat men daaraan verloor zou toch in mindering van onze belasting komen en diensvolgens beschikbaar worden voor vrije liefdegift. Onze Afgescheiden broeders hebben wel beide tegelijkertijd gedaan, én in de belasting bijgedragen voor ons kerk én hun eigen kerk onderhouden.

Nog slechts een kort woord over den „hoofdelijken omslag” en ik stap van dit uiterst gewichtige chapiter af. Bij vasthouding van de Volkskerk is „hoofdelijke omslag” slechts voor een tijd te keeren, niet op den duur tegen te houden. Dan moet de kerkelijke belasting komen. Doch, zie wel toe, voert ge hoofdelijken omslag bij een Gemeente als de onze in, dan brengt ge alle onverschilligen en die op en top kinderen der wereld zijn met een verbitterd hart op de been, en kunt ge er staat op maken dat stemmenmeerderheid uw gemeente binnen korte jaren, ik zeg niet in moderne, maar in onheilige handen overspeelt, om mannen op het kussen te brengen, die als eenig mandaat den last ontvangen: om door afsnijding van alle levensuiting de uitgaven der gemeente te besnoeien, ten einde den hoofdelijken omslag tot het kleinste minimum terug te brengen. En een „ministerie van bezuiniging”, in zoo ongeestelijken zin, zou dat gewenscht zijn? Komt men daarentegen tot het systeem der vrije kerken, dan leert de ervaring, dat „omslag” bijna nooit geëischt wordt, en bleek ze noodig, in de kleine afmetingen der kerspelen een natuurlijk correctief vindt tegen zijn ongeestelijke strekking.




Nog een driedubbelen eisch voegde ik aan het viertal, dat ik dusver ontwikkelde toe: Er moet zijn goedgeordende Leerdienst, Eeredienst en Liefdedienst. Gun mij voor elk dezer nog een oogenblik.

Er moet Leerdienst in een Kerk zijn. Ze treedt op, om een leven, dat de wereld niet heeft, maar dat uit den Verrezen Heiland vloeit, aan die wereld te brengen en te |96| kweeken in de gemeente. Met dat leven is de leer allerminst identisch, maar toch beiden hooren bijeen. De mensch is een redelijk wezen. Het machtigst instrument om op menschen te werken is het woord. Dat woord nu is uiting van een gedachte. Die gedachte moet aan een welgeordende wereld- en levensbeschouwing ontleend zijn, en die beschouwing wederom niet vrucht zijn van eigen vinding, maar de afspiegeling in onze rede van dat waarachtige leven dat in Christus is. Nu eischt men natuurlijk te veel, zoo men vergt, dat elk gemeentelid dit geheel van gedachten in zich opneme. Dit kan niet. Niet ieder is die mate des Geestes deelachtig. Er zijn in elks leven tijdperken van ontwikkeling en overgang. Eerst als resultaat van eigen zielservaring is deze gedachtenkring innerlijk waar. Van onderteekening eener geloofsbelijdenis door de gemeenteleden is in onze Gereformeerde Kerk dan ook nooit sprake geweest. Ze heeft er niet aan gedacht. Anders intusschen staat de vraag, zoo er sprake is van hen die anderen leiden en namens de Kerk zullen spreken, die op school of in catechisatie de kinderen der Gemeente onderwijzen, en vooral van hen, die als predikers van het Woord in den dienst der Gemeente zullen optreden. Men kan noch mag in zedelijken zin het woord voeren, zoo men geen woord heeft, en zonder een gedachte is het woord een ijdele vorm. Spreekt het nu van zelf, dat een gedachte slechts een dwaalster is, tenzij ze een levend element vorme in een goedgeordende levensbeschouwing, dan zie ik niet, dat van den eisch mag afgezien, dat de Voorgangers der Gemeente de levensbeschouwing niet van de wereld, maar van den Christus brengen. Het verschil tusschen beiden heeft elke Kerk voor zich te bepalen. Is ze zich des echter bewust geworden, dan geeft ge wel toe, dat ze een voorganger kiest en haar penningen ter zijner bezoldiging offert, niet om wat haar waarheid is te bestrijden, maar om juist in en buiten de Gemeente die door haar erkende waarheid te bepleiten en ingang te doen vinden. |97|

Dit nu is zonder Belijdenis onmogelijk en ondenkbaar. Van het „Quatenus” hebben we, dunkt me, genoeg ellende beleefd, en waartoe Leervrijheid anders leidt dan tot vernietiging der Kerk zullen de Modernen ons nog altijd duidelijk maken. Een Kerk zonder Belijdenis is een ridder zonder blazoen, een vloot zonder wimpel, een karakterlooze vereeniging, die niet weet of niet zeggen durft wat ze wil.

Een Belijdenis wensch ik dus en die Belijdenis scherp geformuleerd, althans in die Kerspelgemeente, waarbij ik mij zou aansluiten. Maar hoe? Een Belijdenis, die haarfijn alles omschreef en codificeerde? Lieve vriend, dat is de dood, dat is het werpen van een twistappel in de Gemeente, dat is letterzifterij kweeken en aftrekken van den heiligen dienst onzes Gods. Neen, een Belijdenis bevatte niets, dan datgene, waarvan men voor God betuigen kan, dat het afdoet ter zaligheid. Toch niet, om, is die Belijdenis eenmaal uitgesproken, ze voortaan onveranderd als wet te doen blijven. Wet des geloofs en des levens is mij alleen Gods Woord. Dàt blijft, al het andere wisselt. Er is in elke Belijdenis te onderscheiden tusschen de zaak die men belijdt en den vorm, waarin dat beledene wordt uitgedrukt. Onveranderlijk blijve alleen het eerste, al het overige wissele naarmate God de Gemeente het inzicht, de gedachte en het Woord geeft. Slechts beginne men nooit van meet af, maar belijde zijn geloof steeds op de historische lijn, d.i. in aansluiting aan de Belijdenis der Vaderen, maar die zoo mogelijk beter uitgedrukt, Schriftmatiger bepleit, scherper tegen de ketterij ook onzer dagen gehandhaafd, en zóó uitgesproken, dat ze ons eigen geslacht een woord op de lippen legge, dat naar onze behoefte ons het scherpgewette zwaard reikt, om in den geestelijken tegenstand waaraan wij ten prooi zijn, met vaste hope en blijmoedig geloof pal te staan voor onzen Heer. Dát en dát alleen is Gereformeerd, „reformata reformanda.” Ach, men kent den vrijen zin onzer Dordsche Kerkvaderen nog zoo weinig. Van repristinatie walgden ze. Hun blik doorzag |98| de toekomst en als mannen des vrijen geestes hebben zij juist, die miskende en verguisde mannen, voortdurende reformatie ook op het stuk der Belijdenis gewild.

Stem ik dus volkomen de onderscheiding tusschen de Substantie en den Vorm der Belijdenis, zelfs tusschen een Quia en Quatenus toe, hierin verschil ik van vele broeders, dat ik óók dien vorm niet aan de gissing, aan den willekeur, aan den inval van den enkele wil overlaten, maar evenals de Substantie van de Kerk vraag, mits die vorm slechts niet versteene, maar de beweging van het gemeenteleven volge op den voet; en dat ik evenzoo de onderscheiding van het quia en quatenus niet aan elks goeddunken prijsgeef, maar ter beslissing opdraag aan de macht, die over allen en dus ook over den prediker staat: aan de Gemeente, sprekend in haar wettig, geestelijk, door het gebed geheiligd orgaan.

Nu weet ik zeer wel, dat dit in een Volkskerk al weder ondenkbaar is. Een vaste belijdenis is in een Volkskerk eenvoudig gewetensdwang en blijft daarom een doode letter. Maar aanvaardt men de vrije kerk, vormt men voor elke schakering der geesten een eigen levenskring, dan vervalt ook dit bezwaar volkomen. Geen prediker leent zich dan ter bediening van een gemeente, die niet zijn gemeente naar den geest is, en juist de wedijver met anderen zal elke gemeente dwingen steeds dat frissche bezielende woord in haar Belijdenis te brengen, dat het Christelijk woord is voor den tijd.


Leerdienst dus, maar niet alleen. Er zij ook, er zij meer dan thans „Eeredienst”, ter aanbidding. Naast het Woord plaatsten onze vaderen steeds als tweede genademiddel het Sacrament, waarom, als van den Heer gegeven middenpunt, de Eeredienst der Gemeente zich te ontwikkelen heeft. Dusver bleef de samenkomst onzer Gemeente veel te eenzijdig dienst der Leer. Dit kweekt een veelzijdig kwaad. Het voedt clericalisme en beperkt meer dan mag het actieve aandeel door de |99| Gemeente zelve aan haar godsdienstoefeningen genomen. Het kweekt onkerkelijken zin, zoo dikwijls een prediker de Gemeente bedient, wiens geestelijke gave op een ander terrein dan dat der profetie ligt. Het maakt den prediker in stede van den Heer der Gemeente het vereenigingspunt der saamgekomen schare. Het noopt hen, wien het niet gegeven is, twee soms driemaal telken weke een goeddoordachte rede ten gehoore te brengen, in eindelooze herhaling of valsch vernuftspel of aaneenrijging van gemeenplaatsen ontkoming van het onontwijkbare te zoeken. Het maakt voor kinderen en minder ontwikkelden het kerkgaan tot een verdrietelijke pijniging, een werktuigelijk aanhooren en onbevredigd dienst doen door wezenloos stil te zitten. Kortom, dat preêken, als het een en al der Gemeente-verzamelingen, altijd preêken en niets dan preêken kan door God niet gewild zijn, wijl Hij ons de mannen en talenten onthield om het altijd stichtend, schoon, waar en zegenend te doen. Het doet geheel de gemeente op de krukken van een redenaar loopen, en ondermijnt, knakt en sloopt zoovele uitnemende gaven als God in onze leeraars gelegd heeft, maar die door het altijd bekommerd zijn over de preek die nu weerkomt, de frissche atmosfeer, de ruimte in den tijd en de vrije sympathie der geesten niet vinden om zich tot nut der Gemeente te ontplooien.

Uitdienhoofde wensch ik inkrimping van het preêkenhouden en betere ontwikkeling van den Eeredienst. De vorm, dien men daartoe kiezen wil, is mij onverschillig. Het behoeft nauwelijks herinnerd, dat Sacrament, Gebed, Kerkgezang en verdere Liturgie de daartoe aangewezen bestanddeelen zijn. Mogelijk zou men goeddoen daarbij ook de Postillen hun plaats in het kerkelijk leven terug te geven. Zulk een verzameling van korte voordrachten, uit de pen der meest gezalfden onder de geestelijke coryphaen der kerk gevloeid, heeft een zeldzame bekoring, draagt een uitnemende historischen tint, en werkt door de kalmte der voordracht stillend en vertroostend op het hart. Regeling hiervan zij echter aan |100| elke gemeente naar eigen gelieven verbleven. Slechts om het beginsel is het mij te doen. Om een beginsel dat in Israels tempeldienst gegeven, allerwege in de Schrift zijn bevestiging vindt, door de Christelijke kerk aller eeuwen met nauwgezetheid bewaard is en ook door onze Gereformeerde kruisgemeenten, zoo te Londen als in het Vaderland, blijkens de acten die ons nog ten dienste staan, wel ter dege is bedoeld. Laat er leerdiensten zijn! Uitnemend! Diensten, die een goede twee uur van den Zondag nemen en ter opleiding van de Gemeente dienen door grondige, weldoordachte bespreking van de diepten des Woords, de nooden des levens en den gang van het Godsrijk. Maar hieraan maar men niet elke samenkomst der Gemeente dienstbaar. Laat er ook korte, eenvoudige, liturgische diensten zijn, waar elk lid der Gemeente deel aan kan nemen, tot zelfs het kind der zondagsschool. Diensten waarin Gods Woord gelezen, waarin gedankt en gebeden, waarin gezongen en gejubeld wordt en een korte vermaning het geheel besluit. Bovenal open naast deze beiden, niet maar om de drie maanden, maar telkens en gedurig een Sacramenteelen dienst voor de geloovigen, opdat de Heer bij brood en wijn tot zijn Gemeente kome, om zijn lichaam tot spijs en zijn bloed tot drank te geven, haar ter levensvernieuwing, haar ter verbondsbezegeling, haar ter sterking van het geloof.


Doch ook hiermee is de dienst der Gemeente nog niet voleindigd. Belijde ze in den Leerdienst haar Geloof, jubele ze in den Eeredienst van haar Hope, nog zou het edelste haar ontbreken, zoo de Liefdedienst niet beiden verzelde.

De Liefdedienst beginne van het Huis Gods en splitse zich voor de Gemeente zelve in haar twee natuurlijke takken: de zorge voor de nooden der Ziel en de zorgen voor de nooden des Lichaams.

Er zij voor het geestelijk leven der Gemeente een altijd bezige hand der leidende, ondersteunende, opbeurende liefde. Den ongeloovige of twijfelende te verketteren en af te |101| stooten is dan eerst uw recht, zoo gij als Kerk de liefde der moeder aan hem ten koste hebt gelegd. De Kerk mag haar leden, vooral de jongeren en zwakkeren onder hen, niet, gelijk nu, aan zich zelf overlaten. Er moet niet maar in het algemeen, maar ook persoonlijk, ook op den man af, gewaarschuwd, geraden, gebeden, en met al de kracht der ontfermende liefde gezocht. Verkeerdheden in persoonlijk, in openbaar en huiselijk leven moeten als ernstige krankheden door de scherpte der conscientie afgesneden of door het medicijn des Woords gebeterd. De worstelende ziel moet in de geboorteweeën der bekeering niet aan eigen smart en vertwijfeling ten prooi gelaten, maar met het medelijden van Gods kinderen bijgestaan en gesteund. De bekommerde van harte, die zich opsluit in zijn zelfwegwerping, moet aan de hand des sterkeren uitgevoerd naar de blijdschap der volkomen verlossing. Er moet raad zijn voor de jonge moeder bij de opvoeding van haar kroost. Er moet een opzoeken zijn van het afgedrevene en een troosten van de verlatene. Wie niet bidden kan, moet men leeren bidden. Ja, zoo geheel moet in waarheid het Christelijk leven Gemeenteleven, profetie van de Gemeenschap der heiligen zijn, dat de een des anderen lasten draagt, en elks zieleleven door teedere zachte banden aan het leven der gansche Gemeente verbonden zij.

Bij dien geestelijken Liefdedienst voege zich de zorg voor de nooden des Lichaams. Het Christendom rekent ook met het uitwendige leven. Het belijdt een Christus, die zijn wondermacht ook op dit terrein openbaarde, die lichamelijk uit het graf verrees en dus een wederopstanding en verheerlijking des lichaams waarborgt. Van daar de Dienst der tafelen, die nog steeds, zij het ook tot onkenbaar wordens toe, overblijfsel is van dezen trek des Christelijken levens. Armverzorging dus, goede degelijke, met wijs beleid geordende Armverzorging, die verre van het Pauperisme, gelijk in onze Volkskerk, te voeden, den onmachtige staande houdt, maar ook den ingezonkene opbeurt en verheft. Zorge voor weduwen en weezen en |102| ouden van dagen, maar ook voor vreemdelingen, „passanten”, gelijk onze kerk die eertijds noemde, en waarom men zich thans niet meer bekreunt. Dan verzorging van kranken, van gevangenen, kleeding van den schamele. Zorge voor den blinde en doove en stomme en kreupele. Kortom, leniging van alle nood en lijden. In den „Christus Remunerator” mag een Kerk niet hopen, die niet zelve de voetstappen van den „Christus Salvator” heeft gedrukt.

Hierbij moet zich de Liefdedienst voor de Wereld aansluiten, zoo door inwendige als uitwendige zending. Niet maar genoeg, dat er een Gemeente van Christus in een stad zij. Die Gemeente gaat te niet en verkwijnt zoo ze „la passion des âmes”, de hartstocht der zielen, verliest. Een Volkskerk weet daar niet van. Ze is eer verlegen met haar massaliteit, dan dat ze naar uitbreiding streven zou. Maar kies de vrije kerspelgemeente, en het werven voor den Christus zal levenstaak van elken kring worden. Veel meer en beter dan thans particulieren dit doen, zal men uitgaan in „de heggen en stegen” om te nooden tot de Bruiloft. Zondagscholen zullen heur gezegenden arbeid voortzetten, maar de Bethëls en Asyls zullen allerwege naast deze verrijzen. Door bijbel- en tractaatverspreiding, door bezoek en meetings, door hulpbetoon en alzijdige bemoeiing, zal men allen alles worden, om elk deel van den akker te beploegen. Daarbij voege men de Uitwendige zending, die in de Volkskerk kwijnend, wijl ze aan enkelen overgelaten een vast steunpunt mist en aan wisseling van personen en tijden onderhevig is, in de Vrije Kerk haar vruchtbaren bodem vindt. En zeg nu niet, dat ik idealen teeken. Hadden we saâm den vrijen tijd en konden we een goed deel der wereld rondreizen, ik zou U in het werkelijke leven, in de feiten, in bestaande gemeenten het onwraakbaar bewijs leveren, dat ik geen fantasie dichtte, maar slechts copij gaf van een heerlijke werkelijkheid.

En ben ik nu openhartig genoeg geweest, is het mij gelukt u mijn denkbeelden, wel in potloodstrepen, maar dan toch duidelijk genoeg te schetsen, vergun mij dan, |103| zeer gewaardeerde broeder, de vraag voor uw conscientie te leggen, of ge niet begrijpt dat men, met het heimwee naar zulk een Gemeenteleven in het hart, geen oogenblik stil kán zitten bij zulk een jammerlijken toestand als waarin we verkeeren? Of ge niet begrijpt, dat ik, dorstend naar zulk een toekomst, vijandig moet staan tegenover een kerkstaat die naar mijn innigste overtuiging de komst van ’s Heeren koninkrijk tegenhoudt, oorzaak is dat de naam des Heeren gelasterd wordt, den zegen van Christus geest bant uit ons volksleven, en de gemeente die naar Jezus zich noemt tot een aanfluiting in stede van een stad op den berg doet zijn? Of ge niet begrijpt, dat ik den vrede begeerend, die in de Gemeenschap der heiligen ligt, mij ten doode erger over een gemeenteleven waarin fractie bij fractie hort en stoot tegen een, en waarin twist en nijd regeert en de bitterste verwijdering elke levensuiting op den voet volgt? Ja, of ge niet begrijpt, dat ik met zúlk een ideaal in het hart en toch in zúlk een Kerk, als de onze wierd geboren, opgevoed, dienend, elk vergelijk met het bestaande verraad moet achten, en nu eenmaal zijnde zooals ik ben, niet anders doen kan dan ik doe?

In de Modernen alleen schuilt het kwaad niet. Denk u dat het gelukte alle predikantsplaatsen met geloovige leeraars te bezetten, en de logica van ons beginsel in geheel onze tegenwoordige organisatie te doen werken, wel nu, dan hadt ge de Utrechtsche toestanden! Utrecht ken ik. Ik heb er zelf twee gelukkige levensjaren doorgebracht. Ge behoeft mij dus niet te verdenken dat ik kwaad zal spreken van mijn oude gemeente. Maar als men mij Utrecht als kerkelijk ideaal wil voorhouden, dan antwoord ik: aan mijn hooggeschatte voormalige ambtsgenooten ligt het niet, aan de ouderlingen ligt het niet, het ligt niet aan diakenen noch kerkvoogden, veelmin aan den uitnemenden kring geloovigen die de kern der gemeente vormen, maar met dat al een stad op den berg, een licht op den kandelaar is Utrecht niet. Uitsluitend aan de organisatie, uitsluitend aan de Volkskerk wijt ik dit. Op het wrakgeslagen schip in |104| het midden der baren staat de beste bemanning machteloos, brengt zelfs een Barend aan het roer geen heil!

Hiervan ben ik zoo vast overtuigd, dat zelfs de herovering der Classicale en Synodale zetels mij weinig begeerlijk dunkt, wijl hiermee voor onze gansche kerk geen meerder heil zou gewonnen zijn, dan Utrecht en de Veluwe thans reeds plaatselijk bezitten. Er heerscht in onze ganschen kerkelijken toestand een vitium originis. „Het kwaad zit in den wortel.” En de uitkomst zal het toonen, dat alle moeite om niet besteed, dat alle strijd om niet zal gestreden zijn, zoo men niet allereerst de fundamenten van onzen kerkbouw aan Gods Woord en de lessen der ervaring toetst.

Ge zult mij dan ook wel niet vragen, waarom ik niet eenvoudig de Kerk verlaat en een kring van gelijkgezinden om mij verzamel ter verwezenlijking van mijn ideaal. Dat zou zeer gemakkelijk zijn, maar onzedelijk. Diep in de ziel overtuigd van den zegen, die te verwerven is, mag ik dien niet alleen voor mij zelf, maar moet ik dien ook voor anderen begeeren. Daarbij komt, dat bij een zoo kleine natie als de onze de Vrije Kerk nooit kàn bloeien, zoolang de massale Volkskerk op haar drupt. Eerst dan zou ik mij tot zulk een stap verantwoord, maar dan ook gehouden rekenen, zoo ik na elken weg tot kerkherstel beproefd te hebben, de verklaring der gemeente, door welke levensuiting der Kerk dan ook, ontving, dat zij met voorbedachten rade volharden wil in wat m.i. verhindering is van het Koninkrijk Gods.

Neen, waarlijk ik wil niemand mijzelven noch mijn denkbeelden opdringen. Eerlijk zij mijnerzijds de vrijheid des geestes, die ik voor mijzelven verlang, ook aan anderen gegund. Slechts dit hoop, dit bid ik af van mijnen God, dat het mij na hoe langen en bangen strijd dan ook, nog eens gegeven worde, na wegvalling der ruïne, die we thans nog Kerk noemen, ’t zij dan hier of elders, het heilig ambt, dat al mijn liefde heeft, in een kleine gemeente te bedienen, die mij troost en door mij getroost |105| wil worden, en metterdaad en waarheid mij een Gemeente kan zijn van Christus mijnen Heer.

Naar zulk een stil en heilig leven dorstend, kan ik niets ontzien, mag ik niets sparen, kan er van wijken of toegeven, tenzij ik met bewustheid zondigen wilde, mijnerzijds geen sprake zijn. De prijs is te schoon, om zelfs voor de liefste sympathie van menschen van den wedloop af te zien, waarin hij geboden wordt. Verdacht te worden is hard, de pijl van den laster in het vleesch te voelen doet zeer, van lieve broeders vervreemd te raken is nog pijnlijker, wijl het door het bloed der ziel gaat, maar dit alles moet ik het zwijgen opleggen, waar plichtsbesef onweerstaanbaar dringt. Alles is te herwinnen, maar nooit een ideaal dat men moedwillig prijs gaf!

Ook voor mij geldt de regel: „Amicus Plato, magis amica Veritas.” 6)




En nu nog een korte toepassing op de Amsterdamsche toestanden. Ze komen me allerdroevigst voor en de tijdelijke zegepraal mijner eigen geestverwanten verblindt me allerminst voor den kwaden demon, die op alle verdiepingen van het huis der Gemeente rondspookt. Er zijn in ons midden drie groepen van verschillende kracht. De echte Modernen vormen ook onder de gemeenteleden, een kleine minderheid, en zelfs de 2000 stemmen, door hen bij een der laatste verkiezingen uitgebracht, kwamen grootendeels van een liberalistische nasleep, die alleen door het negatief beginsel van vijandschap tegen de Orthodoxie gedreven zich aan de leiders van het Modernisme aansloot. Hun meening alsof de duizenden stemgerechtigden die dusver zich onthielden bij zuivere rekening hún partij ten goede moesten komen, is óf een illusie óf een raming zonder zedelijke basis. Meent men werkelijk, dat de breede schare der onverschilligen modern is, dan toont men den geest der |106| ongodisterij niet te kennen, die op stuk van zaken nog eerbied kan hebben voor een volbloed Gomariaan, maar, op vermoede van onoprechtheid afgaande, den modernen dweeper veracht. Of wel, rekende men met dit feit en durft men toch die troepen bij het leger ten papier inlijven, dan wraakt ge immers met mij de onzedelijke gedachte om „de Turco’s en Zouaven der geestelijke wereld” als keurcorps onder de wapenen te brengen ter dekking van een weinig eervollen aftocht. Toch neemt dit niet weg, dat er iets hards ligt in hun algeheele uitsluiting van het Kerkbestuur. Wel geef ik toe, dat men op staatkundig terrein ons nog erger tekort doet, zonder dat de Modernen den moed hebben, dit onrecht te noemen. Maar ons mag dit geen maatstaf zijn. Op de basis der algemeene verkiezing geschiedt thans, dank zij de ellendige kieswet onzer Kerk, der minderheid geen recht. — Tegenover de Modernen staan de Irenischen en Gereformeerden, edoch op zoo eerbiedigen afstand, dat ze met de Modernen ongeveer een driehoek vormen, waarvan het u maar nooit helder wordt of de kortste zijde nu tusschen a en b, dan wel tusschen b en c ligt. De Irenische partij vindt haar getalsterkte bij de Conservatieven doch heeft haar talent bij mannen van het Reveil. Ze is zwak in het cijfer, maar invloedrijk door de uitnemende persoonlijkheden, die haar dienen, door den maatschappelijken stand, waaronder ze haar aanhang telt, en door de heugenis der treffelijke diensten die ze in vroegere perioden van den strijd aan ons Christenvolk bewees. Haar Achilleshiel heeft ze in het ongeestelijk Conservatisme dat haar naloopt en in de bedenkelijke neiging om ter handhaving van eigen positie steeds een trein onder stoom te houden, die ijlings de Moderne hulptroepen op haar linie kan brengen. — Resten de Gereformeerden, die in getalstrekte de machtigsten, gedrukt worden door socialen stand en gebrek aan invloedrijke mannen van kunde en talent. Ze hadden zich onder het jammerlijk „ancien régime” onzer Liberalen zoo geheel uit den kerkelijken stroom in hun conventikels teruggetrokken, |107| dat men bij de onverwachte mobielmaking zich de eerste handgrepen nog weer herinneren moest. Wel is dit slechts een tijdelijk kwaad, maar dat toch onder de factoren van den toestand meetelt, en reeds lang zou deze partij dan ook terug zijn geslagen zoo ze niet de logica van het beginsel in haar voordeel had. Zij alleen voelt zich onder onze kerkelijke partijen thuis op eigen erf en vindt in de historie de vaste lijn aangewezen, die ze slechts te volgen heeft om te komen waar ze zijn moet.

Van aarzeling in de keuze tusschen deze drie kon voor mij geen sprake zijn. Ik behoorde tot de laatste. De Modernen laat ik zonder bespreking terzijde, en de Irenischen staan zoowel voor het Revivalistisch als voor het Conservatief gedeelte hunner partij te onverschillig tegenover het vraagstuk der Kerk als zoodanig, dan dat ik, ook bij de warmste sympathie voor hun geloofsijver en ongeveinsde achting voor hun personen, bij dezen strijd met hen in het gelid kan staan. De Vrije Kerk is de dochter van Calvijn. Op de Gereformeerde erve ligt haar hoeksteen reeds uitgehouwen. Ik had niet te kiezen. De Gereformeerde partij was mij, ik haar, ook bij open oog voor veel kranks en droevigs, van harte sympathetisch.

Wat ik nu in haar gelederen deze twee jaar te Amsterdam deed, komt kortweg hierop neer: dat ik eenerzijds met haar steun het beginsel des Christelijken geloofs tegenover het Modernisme tot macht heb zoeken te brengen in ons Weeshuis, onze Stichtingen en verdere Colleges; en ten andere de positie van den Kerkeraad in diervoege zocht te versterken, dat ze, dwong de Synode haar tot een daad van ontrouw tegen den Christus, niet bij den eersten stoot uit het zadel zou zijn gelicht.

Over de eerste gedragslijn kan ik zwijgen. Ik mocht ter bereiking van het daarmee beoogde doel schier altijd aan uw zijde staan. Te dien opzichte waren we het, zoover mijn geheugen reikt, steeds eens.

Het andere, de versterking onzer positie, vereischte m.i. een dubbelen maatregel. De Kerkelijke goederen moesten uitsluitend |108| langs den rechterlijken weg aantastbaar worden gemaakt, d.i. gevrijwaard tegen overrompeling; en evenzoo moest in den boezem des Kerkeraads waarborg gezocht, dat geen toevallig wegblijven van enkele leden, geen haastige discussie of onverwacht incident al de vrucht van jaren arbeid deed verloren gaan.

Deze voorziening achtte ik plicht. Onze Kerkelijke goederen staan volgens de thans vigeerende regeling tegenover elken aanval van het Synodaal Bestuur weerloos. Dit mag niet, zoodra men weet dat er een aanval van de zijde der Synode te duchten is. En dit is het geval. De Synode heeft bij open manifest haar toeleg doen kennen om alle Beheer onder haar centraliseerende macht te brengen. Reken hierbij dat de Heer Steenberg, die in de Synodale kringen de ziel van dit plan is, tevens als voorzitter van onze Kerkvoogdij fungeert, en ge zult mij toestemmen, dat slechts argeloosheid of opzet onder zoo dreigende omstandigheden werkeloosheid wettigen konden.

Even noodzakelijk kwam mij intusschen ook de tweede maatregel voor: Voorafgaand overleg over de ernstige besluiten waartoe de Kerkeraad allengs zou kunnen komen.

Deed het geval zich voor dat de Synode ons dwingen wilde te doen wat tegen Gods Woord en ons geweten is, dan zou de Kerkeraad niet kúnnen toegeven, al wilde hij.

Zulk een spanning zou vooral bij zoo massale Gemeente als de onze is, een oogenblikkelijke paniek kunnen geven, die voor de rust der Gemeente bedenkelijk werd. Men diende dus vooraf te berekenen wat de kosten zijn zouden, en kon dit, ook naar de bedoeling van Jezus gelijkenis, toch moeielijk in het burchtslot van den vijandelijken koning doen. Steenberg nu zat nog in den Kerkeraad en is blijkens zijn eigen schrifturen en bekentenis ten deze welbewuste tegenstander.

Er moest dus omgezien naar gelegenheid tot voorafgaand beraad.

Men was hier te Amsterdam aan gewoon.

Predikanten beraden zich in het Ministerie over de |109| houding, die ze bij voorkomende, hun belangen rakende zaken, in den kerkeraad zullen aannemen.

Ouderlingen beraden zich in het Presbyterie, over wat hun onder de Kerkeraadsacten weer bijzonder ter harte gaat.

Diakenen beraden zich in de Diaconale vergadering over de kerkeraadsvoorstellen, rakende de Diakonie.

Voorheen berieden zich de Kerkelijke afdeelingen over de nominatiën voor kerkeraadsleden.

In Eensgezindheid hielden de Irenischen eertijds beraad, én over ernstige voorstelling, ter Kerkeraadsvergadering ingediend, én over de benoeming voor Colleges.

Kortom, zonder voorafgaand beraad geschiedde en geschiedt nog in de Amsterdamsche gemeente schier niets.

Uit goede oorzaak.

In een vergadering van 135 personen, die geroepen zijn om in enkele uren een agenda van soms twintig punten af te doen, zonder voorafgaande mededeeling van het te behandelen onderwerp en zonder ronddeeling van bescheiden, is dergelijke behandeling eenvoudig volstrekt onmogelijk, tenzij men over het gewichtigste zich vooraf hebbe verstaan.

Met vroeden zin laat men daarom aan alle groote permanente vergaderingen sectieberaadslaging voorafgaan. Of ook, zijn beginselen in het spel, dan plegen van oudsher in alle land de geestverwanten saam te komen om de gedragslijn te regelen, die men volgen zal. Zoo deden en doen het nog de Tories en Whigs in Engeland. Zoo doen het de kamerclubs in Parijs, zoo de fractiën van den Rijksdag te Berlijn, zoo doen het soms zelfs de kleine partijen in onze kleine Tweede Kamer. En merkt men op, dat dit politieke vergaderingen zijn, dan verwijs ik naar de Synode te Dordt, naar de groote Engelsche Synode van Westminster in Cromwell’s dagen, of wil men, naar de Synode, die onlangs te Parijs samenkwam, ten betooge dat kerkelijk of politiek voor de techniek eener vergadering geen verschil maakt! Zie, zelfs voor de Classicale vergaderingen is het in de laatste jaren ook ten onzent gewoonte |110| geworden, dat geestverwanten vooraf beraad hielden en concentreerden. Ook de Amsterdam vond ik dit zoo. De uitstekende leider deze samenkomst was Dr. Cramer.

Met de historie, met de practische wijsheid van alle raadzalen, met het voorbeeld van Amsterdam’s verleden, op mijn zijde, blijf ik daarom beweren, dat het openen van gelegenheid tot beraad onafwijsbare plicht was, en dat, hoe onwillekeurig ook, iets min edels in het spel moet geweest zijn, toen mannen van vroede kennis en op het gebied der historie geen vreemdeling, zulk een rauwen kreet tegen het zoeken van deze gelegenheid konden uiten.

Slechts twee bedenkingen hadden een schijn van recht. Over beide daarom een ernstig woord.

Gij waart leider der vroegere vergadering in Eensgezindheid. U vroeg ik daarom, een avond dat ge als Assessor aan de Moderamentafel van onzen Kerkeraad dienst deedt, of het niet goed zou zijn, ter bespreking van een gewichtige kwestie, die leden van den Kerkeraad saam te roepen op wier sympathie men rekenen kon. Gij vondt beter eerst de zaak met alle leden der bestaande vergadering te bespreken. Ik stemde dit toe. We konden daarmede alvast beginnen.

Gij riept ons saam. Allen waren geciteerd. Ook die nu tegen mij staan. Ze bleven echter weg. Sommigen verklaarden later dit met opzet te hebben gedaan. Dit stond aan hen. U noch mij is dit te wijten.

De uitslag van onze samenkomst was dat door alle leden die tot het einde toe bleven een verklaring geteekend werd.

Welke verklaring?

Gij kent ze, waarde broeder, want uw eigen naam staat er onder.

De ondergeteekenden vereenigen zich om, onder geheimhouding, saam te beraadslagen, over maatregelen te nemen ter handhaving van onze positie bij eventueele botsing met de hoogere Kerkbesturen, zoo deze mocht voortvloeien uit een last van hooger hand tot den |111| Kerkeraad komende, om als lidmaten in te schrijven dezulken, die de grondwaarheden des Christendoms loochenen; een last, waaraan zij verklaren om der conscientie wil geen gevolg te kunnen geven.”

Ontleed, bid ik u, die duidelijke verklaring. Wat houdt ze in?

Een bepaling dat men zich „vereenigde”. Dit kon niet op Eensgezindheid slaan. De leden van een bestaan College zijn vereenigd, en zouden om zich weer te kunnen vereenigen, eerst uiteen moeten gaan.

Wie vereenigden zich?

De leden van Eensgezindheid? Neen. Uitsluitend „de ondergeteekenden”!

Waartoe vereenigde men zich?

Om te „beraadslagen”. Dit eischt een samenkomst en citeering voor deze samenkomst.

Om hoe te beraadslagen? Zóó dat ook niet-onderteekenaars toegang hadden? Neen, om „onder geheimhouding”. De samenkomst der onderteekenaars zou dus een beslotene, voor hen alleen toegankelijk zijn.

Wat hebben we dus?

De onderteekenaars vereenigden zich om een beslotene vergadering te houden, voor hen alleen toegankelijk, om over een bepaald punt te beraadslagen!

Naar eisch der denkwet trek ik hieruit het besluit, dat in strijd met de onderteekening zou gehandeld zijn, zoo men deze discussie gehouden had op de gewone vergadering van Eensgezindheid, waar ook niet-onderteekenaars tegenwoordig waren. Dat men deze in Eensgezindheid niet uit kon sluiten, behoeft geen betoog.

Hier voeg ik bij, dat aan alle leden van Eensgezindheid de onderteekening van deze verklaring vrijstond, maar niet aan hen alleen.

Onze broeder Kuhler was geen lid van Eensgezindheid. Toch werd besloten, zonder protest noch van u, noch van iemand, ook dezen broeder ter onderteekening uit te noodigen. Hij teekende. Ook hij moest dus meê beraadslagen. |112| In Eensgezindheid mocht hij niet komen. Blijkt dan ook hieruit niet, dat geen tweede vergadering in Eensgezindheid, maar een afzonderlijke bedoeld was.

Gaarne verneem ik wat tegen deze streng logische redeneering is in te brengen. In afwachting houd ik mij aan het gewone redebesluit.

Toch hadt gij, waarde vriend, een andere opvatting. Dit eerbiedig ik niet slechts, maar erken zelfs, dat, van achteren gezien, een paraphraseering der onderteekeningsformule eisch van voorzichtigheid ware geweest.

Van achteren! Nu mij bleek, dat zelfs uw scherpzichtigheid een oogenblik kón twijfelen.

Maar wat, bid ik u, verandert dit aan de feiten. Gij en elk man van heldere gedachte moet toestemmen, dat de verklaring geen andere uitlegging toelaat. De benoemde Commissie moest dus handelen gelijk zij deed, en niemand voor wie het „Oordeelt niet” als wet geldt heeft het recht anderen, die goed interpreteerden, van opzet te verdenken, wijl de juiste interpretatie hem zelf niet terstond helder was.

Laat dit kleingeestig geschil dus geen twistappel worden. Met al den ernst die in mij is, geef ik u de verzekering, dat de ontbinding van Eensgezindheid in mijn gedachte zelfs niet was opgekomen, eer door een ook u zeer nauw bevrienden broeder — geen lid van Beraad — in de Schotsche Kerk gezegd was: „Laat ons Eensgezindheid dan maar ontbinden!”

Van ernstiger allooi is de andere bedenking.

In de Statuten van Beraad is een artikel, zeggend: dat men zich verbindt om in den Kerkeraad voor de in te dienen voorstellen te stemmen, tenzij men vooraf van het tegendeel blijken doe.

Dàt vooral is de steen des aanstoots.

Zie toch, daarmeê is naar het oordeel van zekere zachtzinnige lieden, die nooit kwaad van den broeder denken, bedoeld, dat een lid van Beraad, in den Kerkeraad door de discussie van onrecht overtuigd, tegen beter weten in, |113| met verkrachting van zijn conscientie toch wit zou moeten noemen, wat zwart was!

Is het niet gruwelijk? Bestond er niet oorzaak om bij kerkelijken of burgerlijken rechter hulpe te zoeken tegen zulk een bent van onzedelijke samenzweerders! En dat mannen die samenkomen onder gebed! Is het geen Farizaeisme? En dat mannen die dienaren der Kerk zijn! Is het niet de stuitendste ongerechtigheid? Zie, de Jezuïeten zijn onuitstaanbaar. Men bande ze reeds uit Duitschland! Maar wat te doen tegen zulk een huichelachtig en diep onzedelijk Protestantsch Macchiavellisme?

Lieve broeder, zoo deze dingen waar zijn, doe dan mijn naam weg uit het boek der broederschap, ontzeg mij dan uw achting en eisch dat zoo onzedelijke daad openlijk gevonnisd worde.

Maar is uw antwoord: „Neen, zoo erg bedoelden we het niet!” wees dan voorzichtig. Zedelijke argumenten, die het karakter raken, zijn als vuur. Ge brandmerkt er anderen mede of zengt u zelf de vingeren.

Er is van deze dingen Niets of Alles aan. Ik ben ten dezen verantwoordelijk; die verantwoordelijkheid neem ik op me, en een iegelijk mijner broederen (wat de Modernen gelieven te schimpen deert mij niet) die ten deze kwaad tegen mij vermoedt en nochtans mij geworden laat en mij de hand reikt, klaag ik daarom aan van verzwakt zedelijk gevoel. In vraagstukken als het onderhavige zijn geen verzachtende omstandigheden. Zulk een toeleg, als men onderstellen dorst, is te verachtelijk en schandelijk, om, ter wille van mijn persoon, ook maar de minste consideratie te gedoogen.

Mijn verantwoording gaf ik reeds in de Standaard. Ik kom er niet op terug. De smaad, die men mij dorst aandoen, heeft me daartoe te diep gekrenkt. Gelukkig kan ik er bijvoegen: het heeft mij niet verbitterd.

Dit ééne slechts.

Ondervraag eens een der nieuwe kerkeraadsleden, die tot Beraad toetraden, en ge zult het uit hun mond |114| kunnen hooren, met wat toespraak ze werden geinstalleerd. Het hoorden kunnen, hoe hun in het midden der volle vergadering gezegd is, dat men ons verdacht had van de vrije persoonlijkheid, het onschendbaar recht der conscientie te willen binden, en dat hun daarom, wat anders volstrekt overbodig ware, met klem en nadruk moest verklaard: te weten, dat Beraad zelf geen achting voor den man zou kunnen hebben, die door wat beweegredenen ook van ongelijk overtuigd, niet overal en ten allen tijde sprak en stemde naar plicht van eer en geweten.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Gun mij een wedervraag.

Nog onlangs had in drie onzer kerkgebouwen de plechtige bevestiging plaats van de nieuwe leden, die tot onze Gemeente toetraden. Ze hebben toen met buiging van het hoofd voor God en menschen ja en amen gezegd op deze vraag: Zijt gij des zins en willens bij deze belijdenis door Gods genade te volharden?

Ergerlijke gewetensdwang, niet waar! Verbeeld u, ze worden later door gesprek of lectuur van beter overtuigd, dan moeten die ongelukkigen toch maar volharden bij een belijdenis, die in hun oog onwaar wierd! Is het niet het toppunt van onzedelijke tyrannie!

Maar . . . , zegt ge, . . . dat heeft niemand bedoeld!

Ik weet het zelf wel, lieve broeder! Het was ook maar een vergelijking!

. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

En nu verg ik van uw geduld geen oogenblik meer en blijf met hartelijken groet


uwen liefhebbenden broeder,

Q.N.


Amsterdam, 25 April 1873.




4. „Lijst der Belijders.”

5. J.A. Wormser, De onkerkelijke richting. Met een voorbericht van Mr. G. Groen van Prinsterer, 1864, p. 36 enz.

6. „Zelfs mijn beste vriend moet ik verlaten, waar heilige waarheid wenkt.”







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000