II.

Zeer Waarde Vriend en Broeder,


Tot mijn vreugd kan ik mijn gelofte gestand doen en U nog even vóór het Meinummer van de „Vereeniging” het licht ziet, het vervolg zenden op mijn Confidentie van 29 Maart.

Ik kom onverwijld ter zake.

Zooals gij weet heeft het Kerkelijk vraagstuk mijn hart. Acht het daarom niet vreemd dat ik er ook ditmaal van reppe. Immers, uw eigen artikel, dat mij aan het schrijven bracht, beweegt zich op het glibberig, door velen gemeden terrein, dat door dit vraagstuk begrensd wordt. Orienteering op dit terrein, om tot juistere beoordeeling ook van het door U geschrevene te geraken, zag ik daarom liefst als de leidende gedachte beschouwd, die, ook bij gewaagde uitweiding, toch den samenhang tusschen úw artikel en mijn repliek bewaart.

Voor een drieledig betoog vraag ik welwillende lezing.

Eerst wil ik U zeggen, vanwaar mijn liefde voor het Kerkelijk vraagstuk komt? Dan, waarom ik die liefde gewettigd acht? En ten besluite, in wat richting die liefde mij drijft?




Vooral bij de beantwoording der eerste vraag zal uw broederlijke zin mij een ietwes intieme herinnering wel niet |35| euvel duiden. Het kan toch niet anders, of de neiging van onzen geest is ontstaan door persoonlijke levenservaring, door wat elk in eigen hart en leven ondervonden heeft, en hoe zou ik U dan den oorsprong van mijn voorliefde voor het Kerkelijk vraagstuk verklaren kunnen, zoo ik gehouden was niets te berde te brengen, dan wat velen met mij gemeen is.

In mijn jongelingsjaren wekte de Kerk eer mijn afkeer dan mijn genegenheid. Door kerkelijke opvoeding van nabij met het Kerkelijk leven bekend, gevoelde ik mij, vooral door den vorm waarin zich dit te Leiden voordeed, eer afgestooten dan aangetrokken. Het was te Leiden, onder het toenmalig liberaal régime, een allerjammerlijkste toestand, en de leugen, de onwaarachtigheid, de ongeestelijke sleur die aan het hartebloed van geheel ons Kerkgenootschap teert, deed zich vooral in de oude Academiestad op een deerniswaardige wijze voor. met name de destijds gevoerde haspelarijen over het Huiszittenhuis en de Gemeente-commissie toonden zonneklaar, dat noch ter eenre noch ter anderer zijde ook maar van verre een hooger beginsel, een edeler geestelijk belang in het spel was. De kerk was er geen kerk. De geest heerschte er niet, en mijn hart kon geen sympathie gevoelen nóch voor een kerk, die zoo grovelijk haar eigen eer met voeten trad, nóch voor een godsdienst, die door zulk een kerk werd vertegenwoordigd. Het kwam daarvandaan, dat ik het afleggen mijner belijdenis tot den uitersten termijn voor het proponentsexamen uitstelde, en evenmin zal het u bevreemden, dat ik, in de Academiewereld opgenomen, zonder verweer of wapen stond tegen de machten der negatie die mij, eer ik het zelf vermoedde, mijn overgeleverd geloof ontstalen. Het had geen diepte van wortel geschoten in mijn onbekeerd, zichzelfzoekend gemoed, en moest dus wel verdorren toen het aan de verzengende hitte van den twijfelgeest werd blootgesteld. Ik zal niet zeggen, dat ik ooit tot positivisme of ongodisterij verviel, maar van den ouden schat behield ik niets!

Ge bespeurt hieruit dat mijn latere toebrenging tot den |36| Christus niet door zachten overgang uit kinderlijke vroomheid naar het zalig verlossingsgevoel ging, maar een geheele omzetting van mijn persoonlijkheid eischte naar hart, verstand en wil. Dit maakt het begrijpelijk, dat de bijzondere levensomstandigheden, die hiertoe saâmwerkten, een bijzonder diepen indruk op mij maakten en tegelijk met mijn bekeering, de richting bepaalden, die mijn geestesleven op het nieuwe levensterrein nemen moest. Aandachtig zelfonderzoek, gepaard aan de herinnering uit diep bewogen dagen, gunt mij dan ook niet den minsten twijfel, of de gebondenheid van mijn hart aan het Kerkelijk vraagstuk, moet uit de eigenaardige indrukken van die fel bewogen periode mijns levens worden verklaard.

Dat ik mij, om het teedere van het onderwerp, tot een drietal herinneringen bepaal, zult ge zelfs in zoo intieme confidentie wel niet als blijk van min volledig vertrouwen hinderlijk achten voor uw vriendenhart. Niet alles is oorbaar. Er moet een schuchterheid vooral in het heilige blijven, en slechts die feiten ga ik daarom mededeelen, die naar den voorhof kunnen uitgedragen, zonder het voorhangsel weg te nemen, waarachter de verborgen omgang van mijn hart met zijnen God zich terugtrekt.

Mijn eerste herinnering knoopt zich vast aan den man, wiens naam nogmaals met eere en erkentelijkheid te vermelden, mij een genot voor het hart is, aan mijn trouwen raadsman en bezielende leermeester, den Hoogleeraar de Vries. Hij was het die in de laatste dagen van ’58 q mij bij zich riep en mijn aandacht vestigde op een prijsvraag, die door de Groningsche Theologische faculteit was uitgeschreven. Ze handelde over het „Kerkelijk vraagstuk!” . . . . Over het „Kerkelijk vraagstuk,” gelijk dit in de dagen der Hervorming door Calvijn en à Lasco was opgelost! Ze trok mij aan, en ik toog aan den arbeid. Calvijn’s werken waren door de goede hulp van den amanuensis der Leische bibliotheek spoedig op mijn kamer, maar ... hoe te komen aan wat à Lasco schreef? De groote Academische bibliotheek bood niets noemenswaard. De Haagsche, Utrechtsche en Groninger |37| bibliotheken waren al even arm. Zelfs de catalogussen van de Parijsche, Petersburgsche en Londensche bibliotheken noemden à Lasco’s naam slechts in enkele nummers, en hoe ik zocht en waar ik tastte, in niet ééne der grootere bibliotheken van Europa bleek een ook maar eenigszins voldoende verzameling van à Lasco’s geschriften te bestaan. De lijst zijner bekende werken, nu tot 24 geklommen, bevatte toch destijds reeds een 16 nummers, en in de rijkste, best voorziene, om haar volledigheid meest beroemde boekerijen van Europa’s hoofdsteden was nergens een rijker collectie aan te wijzen, dan van hoogstens een drie- of viertal geschriften. Ge begrijpt, de uitwerking die deze bevinding van zaken op mij had. Toen ook een der Theologische professoren mij verzekerde, dat à Lasco’s werken niet te vinden waren, en eenig nadenken mij overreedde dat de Groninger bibliotheek, die nog het best op dit punt gestoffeerd bleek, uitteraard voor mij gesloten moest blijven, zag ik met beslistheid van het dingen naar den prijs af en ging den Hoogleeraar de Vries dit mededeelen.

Deze echter had met mijn besluit geen vrede. Hij zag niet in waarom de poging niet gewaagd kon, daar toch mijn mededingers over geen beter hulpmiddelen beschikten. Bovendien, het stond nog zoo hopeloos niet. Er waren nog wel private boekerijen in ons goede Holland, die licht een arenlezing konden nadragen. Ik moest alvast maar eens beginnen, met zijn vader, destijds nog predikant te Haarlem, te bezoeken. Die had veel van Kerkhistorie. En ook al bezat hij van à Lasco niets, licht bracht zijn aanwijzing mij op het spoor. De drang was te welgemeend, om weerstaan te worden, en ik ging naar Haarlem. Daar vond ik den eerbiedwaardigen grijsaard, die sinds ten grave werd gedragen, met de volkomenste humaniteit en de hartelijkste deelneming in mijn plannen, volgaarne tot helpen bereid, . . . maar . . . dit mocht hij niet verhelen, voorzoover hij zich herinnerde, was er in zijn boekerij van het door mij gezochte niets. Wel een boekje van Menno Simons aan à Lasco. Maar van à Lasco zelf, neen, |38| daarvan herinnerde hij zich niet wat dan ook te bezitten. Toch wilde hij het nazien en noodigde mij uit een week later hem een nader bezoek te brengen. Deze uitkomst stelde mij niet te leer. Ik had het niet anders gedacht, en meer om in den Haarlemmerhout nog eens een schoonen middag te genieten dan in de hoop op goede vondsten stapte ik acht dagen later weer in het spoor, om den uitslag van het onderzoek te vernemen.

Maar hoe u nu mijne gewaarwording te doen gevoelen, toen ik, bij den grijzen prediker toegelaten en op het vriendelijkst ontvangen, hem als de eenvoudigste zaak ter wereld mij hoorde zeggen: Dát heb ik gevonden! en hem daarbij wijzen zag naar een vrij rijke verzameling duodecimo’s, die op een tafel onder het penant gereed lagen. In trouwe, ik geloofde mijne oogen nauwelijks. Of hoe? In alle boekerijen van ons land gesnuffeld te hebben. De boekenlijsten van Europa’s grootste boekerijen te hebben nagegaan. Nergens, nergens in wat hoek ook — en wat ik toen zoo vond is nóg zoo — een ook maar eenigermate beduidende verzameling van Lasciana te kunnen ontdekken. In alle Florilegia, in alle handboeken voor zeldzame geschriften, in alle litterarische compendiën, weer en nog eens te lezen, dat men de titels van à Lasco’s werken eenvoudig naschreef, zonder ze ooit gezien te hebben, dat zijne werken tot de uiterste zeldzaamheden behooren, dat stellig de meesten voor goed verloren zijn en dat op twee of drie na niemand in de laatste tweehonderd jaren ze in handen heeft gehad! En dan daar, als door een wonder Gods, op eens een collectie Lasciana voor mij te zien, rijker dan eenige boekerij in gansch Europa ze bezat of nog bezit. Dien schat, voor mij het „to be or not to be” bij mijne prijsvraag, te vinden bij een man, naar wien ik verwezen was door een trouwen vriend, die er niets van af wist, dat die schat er schuilde; ja, bij een man die een week geleden zich den naam van à Lasco slechts vluchtig herinnerde en zelf niet wist te zeggen, of er van dien Poolschen hervormer iets school onder zijn preciosa . . . . In ernst, |39| men moet zelf, in eigen levensstrijd, door zulk een verrassing overvallen zijn, om te weten wat het is een wonder Gods te ontmoeten op zijn levensweg.

Nú zeg ik dit met nog oneindig dieper gevoel van dankbre aanbidding, maar toch ook toen greep het mij aan, zóó machtig aan, dat ik voor het eerst het lang gestaakte dankgebed vernieuwde, en het mijzelven niet kon verhelen: dat het dan toch geen oudevrouwen sprookje was, om van een „vinger Gods!” te spreken. Of oordeel zelf! Gij hebt ter doelbereiking een instrument van noode. Slechts op één plaats ter wereld schuilt het. Maar niemand, zelfs niet de eigenaar, weet, dat het er is, dat hij het heeft, dat het bestaat, — en God brengt u, als tegen uw wil, ter plaatse waar het ontdekt moet worden. Straks is het in uw hand! Zoo dit geen voorzienig bestel mag heeten, wat is het dan? En nu weet ik wel, zulk een gewaarwording is nog geen bekeering, maar het is toch een ontmoeten van den levenden, werkenden, bestierenden God op uw levenspad, r en de indruk door die haast ongelooflijke ervaring op mijn hart gemaakt was dan ook zoo diep en blijvend, dat ik, teruggaande in mijne herinnering om de zoekende liefde van mijn God te herdenken, nog altijd, langs wat weg ook, op dat wondere bestel met de Lasciana terugkom. Behoeft het nog betoog, dat mijn arbeid aan mijn prijsvraag hierdoor een zoo geheiligd en gewijd karakter ontving, als dusver aan mijn studie vreemd bleef? Behoef ik u nog wel te zeggen, dat toen de prijs gewonnen was, zelfs mijn eigengerechtig hart een deel der eere en der dankzegging aan een andere macht dan die van mijn eigen geest wijdde? En begrijpt ge dan niet, hoe een jaar onder zúlke indrukken uitsluitend aan bestudeering van het „Kerkelijk Vraagstuk” besteed, voor goed een plooi aan mijn geest moest geven, die bleef, ook toen de Groninger prijsvraag lang vergeten was.

Mijn tweede herinnering spreekt van een Engelschen roman, die voor mij, ik zeg niet in waarde, maar in beteekenis voor mijn leven, naast mijn bijbel staat. Ge kent ze wel. Ze is van de hand van Miss Yonge. Niet haar |40| „Trial”, niet haar „Daisy Chain”, niet haar „Hearts disease”, maar het stemmig tafereel, deels in Hollywellhouse, deels in Recoara spelend, dat ze schetste onder den titel: „The Heir of Redclyffe.” Dat meesterstuk is voor mij middel geweest tot breking van mijn zelfgenoegzaam, weerstrevend hart! Hoe? Gun mij, een enkele trek uit het boeiend verhaal voor uw geheugen te verlevendigen, en ge zult mij verstaan. De prachtige greep van dit verdicht verhaal schuilt in het eerst samenbrengen van twee geheel uiteenloopende, elkander kwetsende karakters, die in alle verwikkeling van een uiterst belangwekkend familieleven, met elkaêr in botsing komen, elkaêr afstooten en onderling met hardnekkigheid worstelen, om toch ten slotte verzoend te worden door den nederlaag van den sterke en den volkomen triomf van den zwakkere in schijn.

Philipp de Morville is de persoon, waarin ons het eerste, Sir Guy de schijnbaar weinig aantrekkelijke figuur, waaronder het laatste karakter is geteekend. Philipp is man van de wereld, vlug van geest en rad ter tonge, zich met gemakkelijkheid in elken kring bewegend, maar opgaande in overmoedig zelfvertrouwen, zijn God in zijn hand vindend, voor geen zachtere indrukken ontvankelijk, meenend, dat voor zijn wilskracht niets onmogelijk is, en er lust aan hebbende zijn overmoed aan anderen te doen gevoelen. En Guy . . . zoo geheel anders van inborst, teêr en gevoelig van gestel, is zacht van aard, aan moed en veerkracht niet overrijk, een jongeling, die liever anderen handelen laat, dan zelf op den voorgrond te treden, maar sterk door zijn geloof, door een kracht die hem uit hooger oorsprong toevloeit, met een golvend leven in het hart, misschien te veel in zichzelf gekeerd, en toch wee rnaar anderen uitgaande met al de teederheid van een prikkelbaar, sympathetisch gemoed. Die twee karakters komen met elkaêr in aanraking. Philipp wil de eerste zijn, Guy schikt zich in het spelen van den rol des minderen, maar zelfs dit zwichten is den hooghartigen Philipp niet genoeg. Hij prikkelt Guy tot verzet, om hem telkens in nieuwen strijd ten onder te brengen, en in het oog |41| der wereld is er metterdaad geen flinker, fikscher, degelijker jonkman in Hollywell’s omstreken dan Philipp de Morville, en maakt de arme, geplaagde, teruggezette, licht opvliegende, Guy en vrij povere figuur. Dien indruk deelde ik. Philipp’s karakter trok mij aan, boeide mij, sleepte mij meê. Om den armen Guy dorst ik glimlachen. Philipp was mijn held. Philipp bewonderde ik. Een figuur als de zijne was groot in mijn oog, te schitterender naarmate Guy’s sukkelachtige persoonlijkheid in donkerder schaduwen terugtrad. Maar wat gebeurt? De ontknooping van het verhaal verplaatst het tooneel naar Italië, waar Guy, op weg naar Venetië, verneemt, dat een Engelschen Lord, Morville genaamd, een ongeval is overkomen, en dat hij ziek ligt te Recoara. In geheel andere verhouding komen hierdoor de twee hoofdpersonen van het drama nogmaals met elkaêr in contact. Voor Philipp ontbreekt hier de wereld, waarin hij schitteren kan, voor Guy is in de krankenkamer juist de wereld geopend, waarin zijn zielsgrootheid zich ontsluiten zal, en vooral toen na Philipp’s herstelling, Guy zelf door „una febbre molto grave,” gelijk de Italiaansche arts het verontrustend noemde, aangetast, zijn einde naderen zag, werden ongemerkt en als vanzelf de rollen zoo in het oogloopend omgekeerd, dat de eerst zoo groote Philipp in al zijn nietswaardigheid en innerlijke leegte uitkwam, terwijl in Guy een waarachtige grootheid en innerlijke geestkracht blonk, die mij aangreep en verteederde, eer ik het zelf gewaar werd. Eerst bleef dit een louter aesthetische aandoening, maar toen nu de schrijfster, met keurig talent, ten leste Philipp zelf in eigen oogen afbrak, hem stap voor stap zelf tot inzicht van eigen kleinheid en Guy’s zedelijke meerderheid deed komen, allengs een gevoel van ontevredenheid met eigen geaardheid wakker riep, en zelfverwijt over vroeger aangedanen hoon, berouw over ongeoorloofden overmoed, op zijn lippen leî, om ten slotte den hooghartigen Philipp voor den zwakken Guy op de kniën te brengen, — o! toen was het, of in den afgebroken Philipp mijn eigen hart verbrijzeld werd, alsof elk woord |42| van zelfveroordeeling, dat hij sprak, mij een oordeel over eigen streven en karakter door de ziel sneed, en ik benijdde den gelukkigen boeteling, toen ik daar las: „Zijn belijdenis van schuld bracht hem verkwikking. Hij had oprecht berouw, voorzoover hij zijn zonden inzag. En nu hij er toe gekomen was om te spreken, vond hij in Guy geen verwijt en geen veroordeeling, maar een warm vriend, met een nobel, edel hart, dat bang was hem door het zachtste woord te krenken!

Zoo las ik voort, tot aan Guy’s sterfdag. De Anglikaansche geestelijke van de badplaats was met de leden der familie saâmgekomen, om den zwakken lijder het sacrament des Avondmaals toe te dienen, . . . maar Philipp dorst niet binnenkomen, . . . . voor hém was dat niet! „Ik kan niet, ik kom niet, ik ben het niet waard,” riep hij Amabel toe, die hem nog en nogmaals drong. En toen de vrome edelvrouw en hierop toefluisterde: „Een gebroken en verbrijzeld hart zult Gij, o God, niet verachten!” volgde er: „Dit was een balsemdrop voor zijn ziel, een balsemdrop, die zijn smarte stilde! en Philipp stond op en ging en knielde naast Amabel aan Guy’s sterfbed neder.” Toen — ik was alleen — voelde ik het tooneel mij te machtig worden; ik las dat Philipp weende, en lieve broeder! het eigen oog werd mij vochtig; ik las dat Philipp knielde, en eer ik het wist, lag ik zelf voor mijn stoel en waren mijne handen gevouwen. O, wat in dat oogenblik in mijn ziel doorleefd is, heb ik ten volle eerst later begrepen, maar toch, van die ure, na dat oogenblik, heb ik verfoeid wat ik eertijds bewonderde, gezocht wat ik vroeger minachten dorst! Genoeg, ge begrijpt, mijn vriend, hoe onvergetelijk de indruk van zulk een aangrijping is, hoe, wat de ziel in zulk een strijd doorworstelt, tot dat eeuwige behoort, dat nog na lange dagen als pas gebeurd altijd frisch en krachtig voor den geest treedt. En vraag ge me, hoe dit nu samenhangt met het Kerkelijk vraagstuk, ik zou haast zeggen, lees „The Heir of Redclyffe” |43| en ge zult mij verstaan. Ik las nog verder dien avond, las hoe heilig kalm de gelukkige Guy stierf, las hoe hij naar Recoara’s kerkhof werd uitgedragen en vond toen deze zinsneê: „Het woord des vredes ruischte over de graven in de welluidende klanken der Engelsche Liturgie, en zoo werd zijn stoffelijk overschot ter ruste gelegd, onder het loover van een prachtige kastanje, „rendered a home by those words of his Motherchurch — the mother who had guided each of his steps in his orphaned life2). Daar stond ik voor. Zúlk een kerk zag ik nooit en kende ik niet. O, zulk een kerk te bezitten, „een Moeder, die van der jeugd af onze schreden leidt!” het werd mijn heimwee, het werd de dorst mijns levens. Dát had mij ontbroken. Dát moest middel ter redding zijn, en . . . mijn ideaal voor het kerkelijk leven was mij in dat vluchtig woord geopenbaard. s En toen ik, nog eens het heerlijk boekske doorbladerend, naar die zorg der Kerke omzag, en bespeurde, hoe Guy juist bewerkt was, door wat ons schier geheel afhandig is geworden, door de hooge beteekenis van het Sacrament, door de indrukwekkende Liturgie en het gezalfde „Prayerbook”, dat hij stervend nog aan Philipp vermaakte, toen was voor altijd die voorliefde voor den vasten vorm, die hooge prijsstelling op het Sacrament, die waardeering der Liturgie in mij geworteld, die mij nog altijd dorsten doet met al de dorst mijner ziele naar een geheiligden Kerkstaat, waarin mijn hart en dat der mijnen, van alle twistgewoel verre, de stille verkwikking des vredes in het vaste en eeuwige eener belissende leiding genieten kan.

Ik kom tot mijn derde herinnering, niet meer uit mijn Academietijd, maar uit de jaren mijner bediening. Een gemeente werd mij toebetrouwd, waar ik kwam, minder om van het mijne te geven, dan met de stille bede, dat mijn ledig hart door het gemeenteleven verkwikt en |44| gevoed mocht worden. Lange dagen echter werd die hoop teleurgesteld. In de kringen waarin ik mij bewoog, heerschte, de goeden niet te na gesproken, een streng conservatisme, orthodox getint, maar zonder den echten gloed, gespeend aan geestelijke veerkracht. Er sprak geen stem uit de diepte, geen stem uit de verte der historie in de openbaring van het gemeenteleven. Men had vrede met den gang, zooals die ging. Men wilde van mij ontvangen, men gaf mij liever niets. Ik hoorde wel, dat er een klein aantal malcontenten onder de kudde school, maar het gerucht sprak van deze betweters eer kwaad dan goed. Dat waren een stukwat kitteloorige, hoogmoedige zonderlingen, „die het elken dominé lastig maakten”, en bovendien meerendeels van zoo onbeduidende maatschappelijke positie, dat men het best deed zich niet aan hen te storen en evenals vorige predikant voor hen uit den weg te gaan. Intusschen daartoe kon ik niet besluiten, en met een bevend hart, zooals een jong predikant zulke vuurtjes tegengaat, klopte ik, op den gang van mijn huisbezoek, ook bij die „fijne” dweepende lieden aan. Ik werd er verre van innemend ontvangen. Men had wel van de buitenwacht gehoord, dat mijn orthodoxie nog in de geboorte stak, en minder den mensch, dan den waardigheidsbekleeder van een hun niet genegen kerk in mij ziende, zette men zich tegen mij in verweer. Toch stieten deze eenvoudige, zij het ook ietwat geprikkelde zielen, mij niet af. Hier, dat voelde ik, zat ten minste de sleur niet. Hier sprak een overtuiging. Hier had men nog wat rijker voorraad voor het gesprek dan over „mooi weêr”, en over „dat die ziek was” en „die zijn knecht was weggezonden”. — Hier was belangstelling in een geestelijke orde van zaken. Bovendien, er was kennis. Ik kon mij met mijn povere bijbelkennis, die ik aan de Academie opdeed, niet met deze eenvoudige lieden meten. En niet alleen bijbelkennis was er, maar ook kennis van een goedgeordende wereldbeschouwing, zij ’t ook naar oud-gereformeerden trant. Het was mij soms, of ik op de collegebanken mijn talentvollen |45| leermeester Scholten over de „leer der Hervormde Kerk” hoorde leeraren, edoch met omgekeerde sympathie. En, wat voor mij althans de meeste aantrekkelijkheid had, hier sprak een hart, dat een geschiedenis, dat een levenservaring, dat eigen gewaarwordingen en aandoeningen niet slechts had, maar ze ook kende. Dit maakte dat ik terugkwam. Dat terugkomen wekte genegenheid. Zoo geraakte ik in gesprek. De woordenstrijd nam allengs een einde. Wel deed ik mijn best, om mijn eer als predikant op te houden, maar toch ondanks mijzelven voelde ik bij die ontmoetingen meer neiging tot luisteren dan tot spreken, en onwillekeurig merkte ik, dat na zulk een samenspreking, het prediken op den Zondag beter vlotte. Toch hinderde het mij, dat men zoo stijf op zijn stuk stond. Zooveel inschikkelijkheid, als ik betoonde, had, meende ik, op eenige toegevendheid aanspraak. Maar neen, van toegevendheid nooit een zweem. Ik merkte zoo, het was die lieden niet om mijn toegenegenheid, maar om den triomf van hun zaak te doen. Ze wisten van geen schikken of plooien, en al meer kwam ik voor de pijnlijke keus te staan, van of mij scherp tegen hen te zetten, of onverbiddelijk mee te gaan tot „de volle souvereine genade”, zooals zij het uitdrukten, in beginsel erkend was, zonder dat een plaatsje hoe klein ook overbleef voor de veiligheidskleppen, waarin ik heil zocht. Welnu, lieve broeder, ik heb mij niet tegen hen gesteld, en ik dank nog mijnen God dat ik die keuze deed. Hun taaie volharding is mij de zegen voor mijn hart, het opgaan van de morgenster voor mijn leven geworden. Ik was wel gegrepen, maar had het Woord der verzoening nog niet gevonden. Dát hebben zij mij gebracht, met hun gebrekkige taal gebracht in dien absoluten vorm, waarin mijne ziel alleen rust kan vinden: in de aanbidding en verheerlijking van een God, die alle dingen werkt, beide het willen en werken, naar zijn welbehagen! t

Toch, dit gevoelt ge, gaven zij me niet genoeg. Het denken onzer eeuw is een ander dan het denken van Gomarus, en hun gedachtenwereld was nog letterlijk uit de dagen kort na |46| de Hervorming gestereotypeerd. Hoe mij te helpen! Orthodoxe boeken had ik niet, zag ik nooit, waren mij onbekend. Te Leiden was dit destijds zoo onder de theologische studenten. De rechtzinnige belijdenis was in zoo potsierlijken carricatuurvorm aan ons voorgesteld, dat het voor een student „van kleijne middelen,” weelde en verkwisting zou geweest zijn, voor zoo mislukte geschriften zijn geld ten beste te geven. Wel had ik met Calvijn, wel had ik met à Lasco kennis gemaakt, maar hen lezend kwam het nooit in mij op te denken, dat dit nu waarheid was. Mijn hart stond er nog tegen. Ik las en bestudeerde ze voor een historisch vraagstuk, over een formeele kwestie, en scheurde hun kerkelijk inzicht eenvoudig van hun levenswortel af. Mijn proeve van beantwoording der prijsvraag was dan ook een doorgaande bestrijding van het Calvinisme en eer een toenadering tot het Groninger standpunt, dat door zijn teederen zin destijds een aantrekkelijke zijde had voor mijn wel innerlijk omgezetten, maar nog niet met het licht des Woords bestraalden geest. Nu echter kon ik niet meer buiten boeken, nu uit de eenvoudige stulp mij een lichtstraal in het oog der ziel was gevallen, moest kennis gezocht. Gunning trok mij het eerst aan; van hem had ik in de Leidsche kringen, door de familie van den Berch van Heemstede wel gehoord. Hij bracht me tot Dr. de la Sausaye’s geschriften, dien ik te Leiden wel tweemalen ontmoet had, maar zonder in geestelijke aanraking met hem te komen. Beider geschriften boeiden me in hooge mate, ze waren mij een schakel in mijn ontwikkeling, die ik nooit genoeg kan waarderen, en toch, al zocht ik het mij diets te maken, ze bevredigden mij niet. Onze vriend en broeder Bronsveld bracht mij, zonder zelf het te weten, tot inzicht hiervan. Hem op een ringvergadering ontmoetend, vroeg ik hem, wat hij meest las, en toen ik op zijn wedervraag, wat ik bestudeerde, de la Saussaye en Gunning noemde, zei hij comisch droogjes, zooals hij alleen dat kan: „Zoo! . . . . genoeg heb ik er niet aan!” Eigenlijk moest ik bekennen, zoo gaat het mij ook. Bezielend, boeiend, wegslepend, maar te relatief, |47| te onvast in de definitie, te vloeiend en stroomend, te gistend en zwevend, om vastheid te geven aan den geest. Gunning vooral gaf mijn geest wel inhoud, trok mijn ziel wel uit haar windselen los, maar het kader voor mijn gedachten had ik toch meer van mijn eenvoudige malcontenten. Zou wellicht buitenslands de praecisiteit van gedachtenvorm schuilen, die ik ten onzent miste? Wie weet? Het kon beproef, en ik ontbood Martensen, Nitsch, Lange, Vinet enz. en verslond ze met zeldzaam genot, maar toch ook hier vond ik die hutte in den rotssteen nog niet, die op de rots gefondeerd en uit de rots des denkens gehouwen, elken storm belacht en tart. Eerst Calvijn zelf ontdekte mij (meê aan de hand van Kohlbrugge’s forschgespierde, diepgedachte levenswoorden) die vaste onbedriegelijke lijnen, wier spoor slechts behoefde geteekend te worden, om tot volledig vertrouwen uit te lokken. Wel bleek mij terstond, dat we exegetisch, psychologisch en historisch verder moesten dan hij kwam, maar toch, hier vond ik fundamenten, die, den twijfel bannend, in strenglogischen stijl het geloofsgebouw vergunden op te trekken, met het verrassend gevolg, dat de strengste ethiek in zijn practicale binnenkameren heerschte. En wat bleek nu? Immers, dat die in hun hoek verscholen arbeiders, het mij in hun plat-Betuwsch gezegd hadden, juist zóó als Calvijn het mij in zijn keurig Latijn te lezen gaf. Calvijn zat, hoe misvormd ook nog, in die eenvoudige landlieden, die zijn naam nauwelijks van hooren zeggen hadden, en Calvijn had zóó geleeraard, dat men hem, nog eeuwen na zijn dood, in een vreemd land, in een vergeten dorpske, in een met pannen bevloerd vertrek, met een gewoon arbeidersbrein begreep. Voor dat raadsel was maar één oplossing . . . Calvijn had een kerk gesticht, en door dien vasten kerkvorm zegen en vrede in de ontvankelijke gemoederen weten te spreiden, onder alle natiën van Europa en over zee, in stad en vlek, tot bij den arme en den man die niets was. En . . . . juist op het stuk der Kerk waren de systemen van Gunning, de la Saussaye, Martensen en Lange het zwakst. Slechts |48| ter loops werd nu en dan dit thema door hen aangeroerd. In alles heerlijk, was, in dit opzicht, hun woord juist onbeslist, geen spoor zelfs wijzend, u latend in verlegenheid! Zoo leefden de oude herinneringen weêr op; krachtig werkten de indrukken van vroegere ervaring na; het schoot mij weer te binnen, wat Calvijn zoo prachtig in het vierde boek zijner „Institutie” over God als onze Vader en „van de kerk als onze Moeder” schreef; ik tuurde weer op die hartroerende woorden van Miss Yonge: „The Motherchurch, the mother who had guided each of his steps in his orphaned life,” en nu bleek mij in levende personen, in de feiten zelf, wat wondere, onuitsprekelijke, nauwlijks gelooflijke kracht een geestelijk georganiseerde kerk, die weet wat ze wil en haar woord den vorm voor haar levensgedachte doet zijn, zelfs te midden van een onttakeling als ons overkwam, nog ongemerkt en in het verscholen deed nawerken. Ik moest zwichten. Het gebrek aan vasten kerkvorm was mij mijns ondanks het „Carthago delenda” voor mijn persoonlijkheid geworden. En zoo om mij zelfs wil, als, wijl ik, naar eigen dorst andrer zielsbehoefte afmetend, ook hun zoo van heeler harte die hoogere kalme wijding des levens toebad, moest herstelling „van een Kerk, die ons ten Moeder kan zijn” mij doel worden des levens.

Ziedaar dan, lieve vriend en broeder! u een blik van vertrouwelijken aard in mijn verleden gegund, ter verklaring van de voorliefde, die het Kerkelijk vraagstuk bij mij heeft. Ik voel wel, dat menig ongeestelijke mensch de schouders over deze beuzelingen zal ophalen, maar Gij zult daarin wel allerminst een beletsel zien, om ook bij anderen prijs en verheerlijking te wekken voor Hem, die als de trouwe Herder van de teekenen zijner zoekende Ontferming niet afliet. Bovendien, nu men eenmaal goed heeft gevonden, mijn sympathie voor het stuk der Kerk uit zoo zondige en onheilige drijfveer te verklaren, zie ik niet in, dat verzwijging der waarheid die onware geruchten langer een schijn van recht behoeft te leenen. Ook dit |49| nog. Men zegt mij telkens: „In het geloof zijn wij het eens, al verschillen we op het punt der Kerk”, daarmeê het denkbeeld ingang gevend, dat mijn geloofsinzicht en mijn zienswijze in het kerkelijke los naast elkaêr staan, door geen innerlijk geestesverband saamhangen en naar willekeur saam te rijgen of van elkaêr te scheiden zijn. Daar nu komt mijn gansche ziel tegen op. Ik kan, ik mag dit niet toestemmen. Het stuk der Kerk is mij wel ter deeg een geloofskwestie, en mits de opening des harten ver genoeg ga, neem ik aan, bij menigeen reeds in de eerste geloofsaspiratien de afwijkingen aan te wijzen, die tot uiteenloopend inzicht in de „locus de Ecclesia” leidt. Hoe ik dit bedoel ga ik u zeggen, bij de beantwoording der tweede vraag: Waarom ik mijn voorliefde voor het Kerkelijk vraagstuk gewettigd acht.




Buiten Gezag, ge stemt me dit aanstonds toe, kan niemand. Ik voeg er bij: vooral niet op het gebied van den godsdienst. Alle bewering van het tegendeel gaat uit van zelfmisleiding of zondigt tegen beter weten. Er is niemand, die op godsdienstig terrein tot wat overtuiging ook gekomen zij, alleen door eigen inzicht. Zelfs van den moderne, den positivist, den volleerdsten scepticus houd ik dit staande. Immers met het prijsgeven van de verticale openbaringslijn hebben deze nieuwmodische apostelen nog geen stroowisch gewonnen, ter vernietiging van het gezag. Hun komt de openbaring, dan niet verticaal, door onmiddellijke ingeving van boven, maar toch langs de horizontale lijn door de drijving des geestes uit de diepte der historische oudheid of uit de noodwendige gisting der idé. Voor het geestelijk proces, dat wij in Israël eeren, stellen zij het geestesproces in de geschiedenis der menschheid. Er is, dit poneeren zij, een godsdienstig leven, en met ’s menschen ontwikkeling, ontwikkelde zich ook dit. Allengs werd het klaarder, rijker, zich beter van zijn inhoud bewust. Vergelijkende genealogie der verschillende godsdienstvormen is daarom hun |50| geliefkoosd thema, en, alzoo het lagere van het hoogere schiftend, geraken ze tot een normatieve idé over den godsdienst, waarnaar ze hun eigen overtuiging modelleeren. Zoo althans doen de mannen van historischen zin onder hen, hun degelijkste, betrouwbaarste, meest te achten tolken. Of ook ze maken den weg korter en bouwen hun stelsel vlugweg op uit de godsdienstige idé. Ze vragen dan slechts aan hun wereldbeschouwing, aan den gedachtenkring, waarin ze zich thuis gevoelen, aan het hoofddenkbeeld dat hun hart bezielt, hun wil staat, hun leven drijft, wélke plaats in dien kring aan den godsdienst kan worden toegewezen, en zijn zoodoende veel spoediger dan de eerste met het geheel hunner inzichten gereed. Bij deze speculatieve lieden, ’t zij dan intellectueel of meer ethisch getind, vindt ge meestal meer gloed, meer warmte, meer oorspronkelijkheid, maar aan overmate van degelijkheid lijden ze meest niet. In den hoog geloofden naam van Jezus plegen beide zich te vereenigen. De historischen onder hen, wijl men op den weg der geschiedenis nu eenmaal niet verder dan Jezus kan, — de speculatieven meer wijl deze heilige naam een tastbaren vorm biedt, die hun woord ingang doet vinden bij de schare. Maar ontbreekt nu in den bodem, waarop de overtuiging dezer mannen rust, de hoeksteen van het gezag? Of meent ge dan in ernst, dat er ook maar één enkele onder de uitnemendste hunner coryphaeën is, die alle document van alle volk der oudheid met eigen oog gezien, zelfstandig onderzocht, onafhankelijk van anderer voorgang en leiding getoetst of gewaardeerd heeft? Is de gedachte ook maar een oogenblik van het lachwekkende te scheiden, dat elk hunner tegelijk op het drievuldig gebied van geschiedenis, zielkunde en leer der denkwetten tot dat verfijnde inzicht, die volleerde alomvattende kennis, vooral tot die frissche, oorspronkelijke opvatting ware geraakt, dat op niet één enkel punt anderer inzicht en verklaring voor eigen resultaat had dienst gedaan? Zie toch, aan niet één der overige godsdiensten is dusver ook maar een duizendste deel ten koste gelegd van den reusachtigen arbeid die dusver aan den |51| godsdienst van Israël en onzen Bijbel besteed werd. Met alle overige godsdiensten is men in het onderzoek nog lang zoover niet voortgeschreden, als ten opzichte van Israëls godsdienst reeds de eerste kerkvaders waren. En als over dien kleinen bijbel dan nu zelfs nog geen twee zelfstandige onderzoekers op elk punt hetzelfde denken, wat waarde, bid ik u, wil men dan toekennen aan de onzinnige pretentie, dat er van zelfstandig inzicht in den grooten gang van het godsdienstig leven aller volkeren ook maar van verre sprake zou kunnen zijn? En wees men mij op de minder historisch, meer speculatief gevormden, dan van tweeën één, dan zult ge, òf door een beginsellooze koppeling van heterogeene denkbeelden geërgerd worden, òf vondt ge eenheid, dan is bij elk hunner de Hegel, de Schilling, de Strausz, de Renan aanwijsbaar, wiens denkresultaten ze slechts nadenken, voorzooveel het den minderen geest gegeven is, zwichtend voor gezag, zich aan den buit te goed te doen, die deze koninklijke helden op het gebied des geestes in rustelooze worsteling veroverden.

Niemand doet het dan ook buiten Gezag. Slechts hierin ligt het verschil, dat het aan sommigen gegund is, het gezag, waarvoor men buigen zal, zelf te kiezen, terwijl voor verreweg de groote meerderheid reeds door geboorte, opvoeding en levenskring het eenige gezag is aangewezen, dat hen beheerschen zal. Er valt aan dit onomstootelijk feit nu eenmaal niet te tornen. Al wat men doen kan is, de vrucht van het gezag te genieten en toch den stam te vloeken, waaraan die kostelijke vrucht werd geplukt. Dat nu wensch ik niet te doen. Wetende, dat men God zou moeten zijn, of ophouden als mensch te denken en te leven, om het gezag als dagelijksch brood te kunnen ontberen, kom ik er voor uit, dat ik van gezag leef, naar gezag dorst en niets vuriger afbidde, dan dat het weer in zedelijken, geheiligden, vasten vorm voor mij trede. Na de losmaking der oude banden, zonder dat nieuwe gelegd zijn, dwarrelt onze menschelijke geest op het dubbel gebied van zedelijke en geestelijke waarheid telkens |52| tastend en onzeker rond. Schier elken dag vindt zich de conscientie voor vraagstukken geplaatst, die het zelf niet kan oplossen. Bij elke inspanning van het denken komen gedachten in ons op, waarvan we aarzelend vragen: zijn ze waar? Door den nood gedrongen, beslissen we dan meestal zelf op goed geluk af, of raadplegen den broeder, dien we meest even verlegen vinden als we zelf zijn. Zoo komen we tot geen zekerheid. Er is geen vaste gang. Men is een eindweegs den weg opgeloopen, om stráks, als de zelfmisleiding bleek, weer ijlings terug te keeren. Men doet heden, zoo het heet met een vrije conscientie, wat men een jaar later zonde acht. Men leeraarde gisteren, wat heden als verkeerd inzicht bestreden dient. En het droef gevolg is, dat door de logica dezer noodlottige ontwikkeling, allengs zelfs de eerste begrippen van godsdienst en zedelijkheid, van wet en orde worden losgeschroefd, en zulk een volkomen Babylonische spraakverwarring veld wint, dat de twee niet meer te vinden zijn, die elkander op zedelijk en godsdienstig terrein in echten zin verstaan. Men leeft van eigen wilkeur of van het wilkeurig gezag van den man, die zich aan ons opdringt en over den eisch van het waarachtig gezag is niemand meer die zich bekreunt. Toch behoefde dit zoo niet te zijn. Jezus heeft ons in zijn barmhartige liefde niet troosteloos willen laten, en heeft daarom, na het verdwijnen van zijn persoonlijk gezag, een anderen Trooster toegezegd en den vorm bepaald, waarin diens gezag te vinden was, t.w. in de gemeente, niet als zwevend, nevelachtig begrip genomen, maar in haar geestelijk, naar zijnen wil geordend organisme. Aan die Gemeente heeft Hij zelf de sleutelen toebetrouwd, onder uitreiking van het onwraakbaar manifest: „dat wat zij binden zou op aarde, in den hemel gebonden zou zijn voor Hem.” Op dien grond, vraag ik, in naam mijns Heeren, herstelling van de door Hem gewilde, door Hem voor ons noodig gekeurde macht. Ik wensch het gezag van den Heiligen Geest, en eisch daarom herstelling van het wettig orgaan, waardoor, binnen de door de Schrift gestelde grenzen, mijn |53| leven bewaakt, mijn zonden gestraft, mijn afdwalingen ook op het terrein der waarheid kunnen verbeterd worden. Zeg zelf: is dit een zedelijk belang van het Kerkelijk vraagstuk of is het dit niet?

En nu ga ik verder. Opvoeding, gang van studie, levenspositie stelt mij dan nog in staat, tijd en krachten aan de bestudeering van godsdienstige vraagstukken te wijden. Maar hoe nu de arts, die des daags bij zijn kranke is en ’s avonds in zijn medische studiën verdiept zit? Hoe nu de hoogleeraar in de rechten, in de letteren, in de natuurkunde, wiens eigen vak al zijn beschikbaren tijd in beslag neemt? Hoe nu vooral, met die groote, breede klassen van gemeenteleden, die zelfs niet weten wat studeeren is, en in hun nijver maar druk beroep van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, hetzij dan op kantoor of hoeve, in fabriek of winkel bezig, den geest schier nooit onverdeeld aan geestelijke dingen wijden kunnen? Hoe, meer nog, met die duizenden bij duizenden (vergeet ook de huismoeder niet!) wier leven grootheid in het kleine moet vinden en die al blij zijn, zoo soms een enkel uur der gansche week gegund wordt om eens een boek in handen te nemen? Wat wil men toch bij dezulken van een zelfstandig kosmologisch onderzoek spreken? Wat bazelt men toch, dat deze schare, die zonder troost van den godsdienst niet kan, zich den troost zelf bereiden moet, die het gejaagde hart zal verkwikken? Immers slechts onvergeeflijke zelfmisleiding of opzettelijk bedrog kan de bepleiting van dit onwaar beweren op zich nemen. Neen, neen, liever broeder, dat weet ge zoo goed als ik, die duizenden en millioenen leven, voorzoover zij nog een overtuiging hebben, toch op gezag, slechts met dit verschil, dat ze bij wegvalling van het gezag, dat Jezus verordende, nu de slippen grijpen van den eerste den beste dien ze vinden, ’tzij dan in persoon of in geschrifte, en dat al naar het gevalt een geliefkoosd prediker of een invloedrijk patroon, een gevierd schrijver of een praatzieke buur aan deze zwakkere geesten de richting |54| geeft, die ze voortaan zullen volgen. Of, wat niet zelden reeds gebeurde en nog meer gebeuren zal, in zoo hopelooze spraakverwarring het spoor bijster geraakt, trekt men zich terug in enkele uiterst algemeene begrippen, wier toepassing men schuwt, en gaat van lieverlede de ongelukkige groep dier moedeloozen vermeerderen, die in botte onverschilligheid stilling zoeken voor de onrust van hun hart. Weet gij een beter geneesmiddel voor dit lijden der Christenheid? ei, verkwik mijn hart en zeg het mij, lieve vriend! Maar gun mij althans, tot betere aanwijzing komt, naar terugbrenging van dat natuurlijk gezag te streven, in welks wegvalling de naaste oorzaak onzer krankheden schuilt. O, ik wenschte dat men het mij van het hart kon nemen, maar pijnlijk blijft mij de schuld der geloovigen drukken, die voor den schreienden nood dezer onafzienbare schare immers verantwoordelijk zijn aan hun Heer!


Een tweede eisch, die m.i. de oplossing van het Kerkelijk vraagstuk tot een heiligen plicht maakt, en elk denkbeeld van dilettantisme op dit stuk moet bannen, is het verband tusschen Wezen en Vorm. Men is in onze dagen over de vormen heen, men hecht er niet aan, minacht ze en waant in geestelijke overmoedigheid ze veilig te kunnen missen. Kant en Rousseau hebben te dezen opzicht beiden schuld en oefenen nog meer dan men gist hun schadelijken invloed. Kant toch is naar J.G. Fichte’s eigen getuigenis, in zijn bekenden strijd van 1797-99, hem ten pionier geweest op den weg naar dat eenzijdig, het wereldprobleem niet oplossend maar kortweg afsnijdend, Idealisme, dat zijn tooverformule in de uitspraak vindt: „Es soll da das Nicht-Ich mit dem Ich auf keiner Art sich vereinigen lässt, überhaupt kein Nicht-Ich sein”, d.w.z. er is niets dan de denkende geest, en wat buiten ons is schijnt wel te bestaan, maar bestaat in werkelijkheid niet. Nu weet ik wel, dat zulk een systeem, juist door zijn eenzijdigheid, slechts voor weinigen genietbaar is, maar de stoot door zulk een denker aan het denken der |55| menschheid gegeven, werkt, zij het ook langzaam, tot in de verste schuilhoeken na. Slechts enkelen lazen hem, maar juist die enkelen waren op hun beurt mannen van naam, dus toongevend ook in alle vakken der godgeleerde studie, en zonder het zelf te bevroeden, dronk weer wie den arbeid dezer epigonen las, hun bedwelmend Idealisme met volle teugen in. Vandaar dat sinds zijn optreden de minachting voor den vorm is toegenomen, de zin voor het plastische en symbolische minder werd en eenzijdig spiritualisme bezit nam van de denkende geesten. Meest daardoor hield het Sacrament in de schatting der schare op te zijn wat het eertijds was, kweekte men een onweêrstaanbaren tegenzin tegen den vasten vorm van Dogmatiek, Catechismus en Belijdenis en verloor men dien fijneren smaak, die ter beoordeeling van het recht eener Liturgie geëischt wordt. De kerkvorm zelf moest ten slotte in dit algemeen bankroet van den vorm deelen, en meer dan men vermoedt, heeft deze plooi van het denken de methodistische, darbystische en losweg evangelizeerende richting bepaald, waarin men tijdens den Réveil het ontwaakte geloofsleven zag optreden. Van der Hoeven’s prachtige dichtregel:

„Neen reik mij het levensvocht niet toe in aarden vaten!
Sla het met geen wonderstaf mij uit der stelselen rots!”

was de in poëzie gebrachte stempel, die in alle kringen maatgevend werd.

De Fransche geest trad daarbij met den Duitschen in bondgenootschap. Door de school der Encyclopaedisten beheerscht, had Frankrijk over alle historie, en daarmee ook over den vorm, waarin het leven gegoten was, den staf gebroken. Het gronddenkbeeld der revolutie, dat de menschelijke geest uit zichzelf naar welgevallen een nieuw leven scheppen kan, viel met Fichte’s beweren, (dat het Ik het niet-Ik poneerde) voor veler bewustzijn volkomen saâm, en leidde daardoor de ontwikkeling van den Franschen geest in hetzelfde eenzijdig spoor. Vandaar dat ook het Fransche Réveil, vooral in Vinet, allen |56| historischen vorm terzij zette en het Spiritualisme onder de geloovige Christenheid een nieuwe vlucht deed nemen. Schellings en vooral Baader’s reactie tegen deze overstrooming der idealistische wateren werkte slechts op beperkt terrein, en zoo is het volkomen verklaarbaar, hoe onze Academiën door de heroën der wijsbegeerte, onze gegradueerden door de hoogescholen, onze volkletterkunde door de mannen van studie, en eindelijk ons volk zelf door zijn litteratuur en voorlezingen en predikatiën, — al te gader met dien eenzijdig spiritualistischen geest gedoopt werden, die ook bij den besten wil den vorm niet meer kán waardeeren, en liever dan het hemelvocht „in aarden vaten” te ontvangen, zich aan alle hemelvocht speent.

Hiertegen nu, mijn vriend en broeder, protesteert naar mijn innigste overtuiging geheel de Openbaring onzes Heeren. De menschwording van den Zone Gods, de vleeschwording van het Woord, toont, om met onze keurige belijdenis te spreken: „dat onse saligheyt mede hangt aen de waerheyt syns lichaems.” De strijd over de Opstanding onzes Heeren bewijst dit. Over de realiteit van een eeuwig leven bestaat geen verschil. „Indien de doden niet opgewekt worden, dan is ook Christus niet opgewekt en is van zijn verrijzenis geen sprake.” Maar hierin gaat men uitéén, dat de Moderne beweert aan zijn Spiritualisme genoeg te hebben, terwijl de Christenheid de Openbaring in tastbaren vorm belijdt en dies streng vasthoudt aan de verheerlijking van het lichaam. In de Schrift vindt ge van dat overspannen Idealisme dan ook geen spoor. De Heilige openbaart zich in den vorm van het woord, in den vorm van het symbool, in den vorm van teekenen, in den vorm van feiten, in den vorm van Theophaniën, in den vorm van Engelen en personen, en in de volheid der dagen heet het: „Wat wij gezien, gehoord, getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen we u!” Uit dien hoofde erlangt ook de openbaring van het nieuwe leven onder menschen aanstonds een vasten, welbegrensden vorm. Er ontstaat een Gemeente! En die Gemeente zijn |57| apostelen, zijn ambten, zijn ceremoniën, zijn usantiën, is een rechtspraak, ontstaat een belijdenis, en voortgaande ontwikkelt zich datzelfde leven in den vorm van een Kerk met haar Sacramenten, haar Ambten, haar Verordeningen, haar Liturgie, altijd naar den eisch, dat de menschwording van den Zone Gods haar levensbeginsel blijve. Dat men nu dien vorm wijzige, vernieuw, polijste, — mij volkomen wel. Slechts tegen één ding kom ik met al de kracht mijner ziel in verzet, t.w. tegen de geringschatting en zwevendmaking en eindelijke afschaffing van allen vorm, en daarom dring ik zooveel in mij is, naar oplossing van het Kerkelijk vraagstuk wijl dit in den grond geen andere vraag stelt dan deze: in welken vorm moet de Gemeente van Christus optreden om tegen krachtverspilling te waken en de volheid te openbaren van haar wezen.

Nog ééne bedenking moet daarbij weerlegd. Tegen den vasten vorm pleitend, vraagt men of het onbewuste leven dan geen recht van bestaan heeft. Zóó stellig, luidt mijn antwoord, dat ik geen echter gereformeerde verklaring ken dan van Ursinus in zijn schatboek, „dat het Onze Vader niet uitsluitend voor de bekeerden is, wijl er ook onder de nog niet bekeerden zulk een menigte wedergeboornen schuilt, die nog wel niet ontdekt maar toch reeds ten leven verwekt zijn.” Neen, voorwaar ik doe met de methodistische wegcijfering van het nieuwe leven vóór de bekeering, evenmin als met haar voorbijzien van de „gratia praeveniens en praeparans”3) meê. Maar wat, bid ik u, is hiermeê tegen den eisch van vastheid van den Kerkelijken vorm gezegd? Omdat het rechtsbewustzijn van het volk meest in het chiarobscuro schuilt, moet daarom de codificatie van ons recht achterwege blijven? Omdat bruid en bruidegom zich meestal ter helfte niet bewust zijn van de verplichting die ze huwend op zich nemen, moet daarom de eisch des heiligen huwelijks in romaneske droombeelden vervluchtigd? Dat men toch op Kerkelijk terrein niet voetstoots prijs |58| gave, of erger nog bestreed, wat op elk ander gebied zelfs aan geen twijfel onderworpen wordt! Juist het bestaan van het onbewuste leven bij de enkele individuën eischt dat de Kerk, als moeder der geloovigen, den bewusten vorm biede, die het nog embryonisch leven tot klare heldere bewustheid brengen kan. We zijn toch zedelijke wezens, en roept dan het leven niet om de gedachte waarin zich dat leven afspiegele, en roept de gedachte niet om het woord waarin ze haar volheid uitdrukke, en die beiden nu als gedachte en woord, niet van den enkelen geloovige, maar van de Gemeente in haar samenhang genomen, wat is het anders dan Belijdenis, Liturgie en Kerkorde!


In de derde plaats wettig ik mijn dringen naar oplossing van het Kerkelijk vraagstuk met verwijzing naar het ernstig gevaar, dat ons van het Individualisme dreigt. Godsvereering eischt samenstemming en samenleving in de dingen die Godes zijn, maar bij voortwoekering van dit Individualisme zal welhaast van beiden geen sprake meer zijn. Elk geloovige gaat al meer op zich zelf staan, knutselt zich zijn eigen denkbeeld, en heeft zijn eigen geestelijk stokpaardje dat hij berijdt. Evenzoo vormt aan de Academie elk hoogleeraar een eigen school, die een „ecclesiola in ecclesia” een kerkje in de kerk vormt, en de grootere gemeenten, voor de Universiteitsplaatsen niet onderdoende, zien een reeks van predikers in hun midden optreden, die elk hun eigen leer en eigen leervorm, elk hun eigen beginselen en methode, elk hun eigen inzichten en opvattingen brengen, de ééne gemeente splitsend in juist zooveel deelen als er predikantsplaatsen in haar midden zijn. Het kwaad, hieruit geboren, is openbaar. Zulk een misstand biedt aan het onheilig factiewezen den weligsten bodem, kweekt den onheiligsten naijver, ontneemt den prediker zijn ambtelijk karakter en doet een staat van zaken geboren worden, waarbij de Gemeente onvindbaar is, het clericalisme veld wint en elk spoor almeer wordt uitgewischt van die gemeenschap der heiligen, waarin de hartader van alle |59| christelijk leven kloppen moest. Toch mag daarom in binding der vrijheid geen redmiddel gezocht. Beware de Heer der Gemeente ons, lieve broeder, dat ooit geestesdwang ons het zoet der heilige vrijheid roofde! Vrijgeboren is nu eenmaal de Christen. Wat zijn vrijheid fnuikt, knakt de springveer van zijn geest. Maar waartoe ook die onzalige uitvlucht? Heeft niet het Christendom in eigen boezem het onmisbaar correctief? Treedt niet juist het Christendom, met het Kruis van Christus als symbool omhoog geheven, als banierdraagster op van de solidariteit des zedelijken en geestelijken levens? Is niet de Verzoening door het bloed des Eenige, is niet de belijdenis van zonde en schuld, is niet geheel het begrip des priesterlijken levens door elk eenzijdig individualisme bij den wortel afgesneden? Maar immers, er kan over dit feit geen tweeërlei gevoelen zijn. Ieder, die de Schrift kent, weet, hoe zij het juist is, die op de eenheid van ons geslacht, op de banden der gemeenschap van alle geloovigen, op de gemeenschap van schuld en genade, op de eenheid in Christus en zijn geestelijk lichaam, kortom, op wat we thans gewoon zijn „solidariteit des geestes” te noemen, klem en nadruk legt. Doch, hoe ontwijkt ge dan, dit eenmaal toegestemd, den eisch naar wederoptreding van de zichtbare kerk in vastbegrensde vormen. Wat toch zijn die kerkvormen anders, dan de uiting van het leven, van de gedachte, van het woord, dat niet den eenling in zijn eigenaardigheid, maar de gemeente in haar geestelijke eenheid en saamverbinding den boezem doorwoelt. Nu spreekt ieder, uit zich ieder, — alleen de Gemeente komt nooit aan het woord. Zij mist het orgaan om zich te uiten. Van solidaire levensopenbaring is geen sprake meer. Zelfs bij den Doop en bij het Heilige Avondmaal is het de individualiteit van den prediker, niet de gemeente van Christus, die in het gesproken woord haar karakter legt. Kan dit, mag dit zoo blijven? Mag de gemeente van Christus op zoo grievende wijze haar hoogheilige roeping verzaken, om den gemeenschapsband des geestelijken levens tot macht en heerschappij te brengen? En indien niet, is er dan nog een openbaring |60| uit den hemel noodig om deze eenvoudige gedachtenreeks voor aller overtuiging onweerlegbaar te maken: dat de eenheid der geloovigen zich in het Gemeenteleven, dat de Gemeente van Christus zich in een Kerk, dat die Kerk zich in haar gemeenschapsvormen uit, en dat opbouwing onzer Kerk, zij het ook in nieuwen stijl, mits naar vaste lijnen, eisch is van die hoogere aspiratie des geestes die ons tot waardeering van het solidaire leven tegen de uitspattingen van het individualisme roept.


Ter wille van ons Huislijk en Nationale leven kom ik tot dezelfde slotsom. Dát spreekt wel van zelf en behoeft althans voor u noch mij betoog, waarde vriend, dat de prachtigste kerkvorm, bij uitblijving van de genadewerking des Heiligen Geestes, tot niets nut is, geen maatschappij wederbaren kan en hoogstens vrucht kan dragen in onwaren, hinderlijken schijn. Maar werkt die genade des Heiligen Geestes dan magisch? Zijn we dan nog in de dagen vóór den Pinksterdag? Of leven we niet in den volheerlijken tijd, dat de Heilige Geest uitgestort is en op aarde woont en zijn kracht niet maar wil werken, maar werkt, zoodra het lichaam van Christus zich, getrouw aan de eischen des Evangelies, in zijn gemeentelijken vorm openbaart? Dit kan ik u althans stellig verzekeren, dat noch Calvijn, noch Luther, noch Zwingli, een oogenblik voor dit methodistisch begrip met onderwerping zouden geweken zijn, maar pleitend op de trouwe van Gods Woord en ’s Heeren belofte, de toevloeiing des Heiligen Geestes zouden geprofeteerd hebben, zoodra het beletsel slechts werd weggenomen, waardoor de ontvankelijkheid der bedding was afgesneden. Vooreerst vraag ik dus uitdieping der bedding in goed afgegraven vorm, niet om in die leege bedding het heil te zoeken, maar om mede daardoor naar ’s Heeren betrouwbaar Woord, de vernieuwde uitstorting des Geestes te verhaasten. Maar bovendien, lees nog eens wat onze talentvolle Cramer zeker ook met uw volkomen instemming aan het slot van zijn „Waarheen nu?” schreef, en ge tast immers de onomstootelijkheid van dat |61| beslissend, alles afdoend argument: Reorganisatie kan niet de plaats des Geestes innemen, maar een niet-passende organisatie kan de uiting en werking van den geschonken Geest belemmeren. Dit nu is ten volle waar. Prediking van den Christus aan alle creaturen op alle manieren, met en zonder deksel, is vooral in een tijd als de onze, volstrekt onmisbaar, heeft recht op elks toejuiching en heeft de belofte van een heerlijke vrucht. Maar toch, voor den invloed op huisgezin, op maatschappij en volk is dit niet genoeg. Vooral nu het leven buiten den Christus al machtiger georganiseerd, zoo indrukwekkend en verleidend in den Staat en in bijzondere vereenigingen optreedt, is er dubbel behoefte aan een tegenwicht van de zijde der Christelijke kerk. Te loochenen is het nu eenmaal niet, dat het leven der volkeren voor het grooter deel niet geleid wordt door de macht van eigen persoonlijk leven, maar door de wetten, gewoonten, instellingen en vormen, die feitelijk bestaan. Laat men het nu enkel aan den Staat over in dien vasten, indrukwekkenden vorm op te treden, dan behoort ge u ook te getroosten, dat ons huislijk en maatschappelijk leven zich almeer naar zijn instellingen regelen zal en zijn beeld afspiegele in eigen usantiën en bestaanswijs. Voelt ge daarentegen den onzedelijken, den geestdoodenden, den onheiligen invloed, die zich daardoor in het volksleven zal doen gelden, stem dan ook toe, dat er geen ander redmiddel is, dan ook de Kerk even imposant, in even vaste vormen, even veerkrachtig te doen optreden. Geeft zij even lapidair den Christelijken geest te aanschouwen, gelijk de sociale wetten den humanitairen geest uitdrukken, dan, maar ook dan alleen, moogt te goede hope voeden, dat bij de keuze tusschen beider invloed èn huisgezin èn volksleven aan de Christelijke type den voorkeur geven en daardoor het geheiligd kader bewaren zal, dat u tot welslagen bij den arbeid uwer prediking van noode is. Enkele zeer sterke geesten uitgezonderd, is de kolossale macht van den Staat te overweldigend, te verpletterend voor den geest, en is |62| de enkele burger, de engere levenskring te zwak, te onmachtig om geestelijken weerstand te bieden tegen zijn ontzenuwenden invloed. Maar daarin ligt dan ook juist de schoone, verhevene taak der Christelijke Kerk, dat zij door haar geestelijk organisme een borstwering behoort te zijn, waarachter speelruimte voor vrijheid des geestes blijft, ook ter wille van die kleinen in den lande, die voor geen strijd in het open veld zijn opgewassen; dat zij reeds in het kinderhart dien geestelijken band met den volheerlijken Godsstaat daarboven heeft te leggen, die zelfs den kleinsten der kleinen tegenover geheel een Staatsmacht onoverwinlijk maakt, en dat, waar de Staat naar zijn innerlijke geaardheid de geesten bukken doet onder den geest der dienstbaarheid, zij, met de liefde eener moeder, haar kinderen dien heiligen adem der persoonlijke vrijheid over de matte slapen kan doen gaan, dien ze van boven ontving, en die naar hooger henentrekt.

Maar genoeg, mij dunkt, ik heb u reeds overtuigd, mijn waarde broeder, dat er voor den heiligen krijg, dien ik voor de veste onzer Kerk, als Kerk, uitroep, nog wel degelijker en edeler motieven pleiten, dan zondige lust in onheilig gekibbel en min gewijde liefhebberij. Voeg nogmaals de vier drangredenen saam, die ik in korte trekken u schetste: 1º. de niet te loochenen behoefte aan een wettig, aan Jezus’ eigen volmacht ontleend, Gezag, 2º. de onafwijsbare noodzakelijkheid om tegen vervluchtiging van den geest te waken door herstelling van den vasten Vorm, 3º. de al meer erkende waarheid, dat meer nog dan het individualisme, het Solidair verband des geestelijken levens hoofdtrek is van de Christelijke openbaring, en eindelijk 4º. het schreiend heimwee van ons volksleven naar een tegenwicht tegen den onweerstaanbaren invloed van den zich almeer ontwijdenden Staat, — en ik durf mij vleien, dat ge althans het zedelijk en daarmee heilig karakter eerbiedigen zult van het pogen, waaraan ik mij waagde. Is het niet wel voor tegenspraak vatbaar, dat alleen de Kerk een wettig gezag kan uitoefenen, dat de Kerk de eenig tastbare vorm is, waarin zich de Gemeente |63| als geheel openbaart, dat alleen de Kerk recht heeft in naam van het Solidaire geestesverband te spreken, en dat alleen de Kerk tegen de geestesmacht van den Staat is opgewassen, dan behoeft het bij zoo volslagen afwezigheid van een Kerk, dien naam waard, den man van ernst zeker nooit te berouwen, dat teruggeving van die Kerk aan de Gemeente, aan zijn volk, aan de dolende zielen het scherpst geteekend ideaal zijns levens was!




2. „Waarvan al het vreemde was weggenomen door de woorden der Moederkerk, die al de schreden van den wees geleid had door zijn moeitevol leven.”

3. „De voorkomende en voorbereidende genade.”




q. Vgl. G. Puchinger, Abraham Kuyper. De jonge Kuyper (1837-1867), Franeker (Wever) 1987, 91: „Zouden wij Kuypers Confidentie mogen geloven, dan maakte zijn leermeester M. de Vries (1820-1892) hem reeds einde 1858 attent op een Groninger prijsvraag, maar wanneer wij in het oog houden dat deze eerst op 15 april 1859 officieel is uitgeschreven, dan vermoeden wij dat de doorgaans gejacht schrijvende Kuyper in zijn Confidentie een kleine onzorgvuldigheid begaan heeft in het opgeven van de tijdsaanduiding.”

r. Vgl. voor dit gehele gedeelte J. Stellingwerff, Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit, Kampen (Kok) 1987, 26v. en 320v. Stellingwerff laat zien waar volgens bibliotheekcatalogi uit die tijd wel degelijk boeken van Laski aanwezig waren, beroept zich op Kuyper’s eigen opgave in de uitgave van de werken van Laski, en besluit: „We moeten dus concluderen dat Kuyper wel is waar verrast was door het grote aantal werken van Laski, dat De Vries hem kon tonen, maar dat hij ze op één na al in andere bibliotheken had ontdekt. De Vries wist dat hij verschillende werken van Laski bezat, maar hij moest ze eerst nog opzoeken, zodat Kuyper de volgende dag terug moest komen om ze mee te mogen nemen.

De vinger Gods, die Kuyper volgens zijn Confidentie te Haarlem had ervaren, — ‘een ontmoeten van den levenden, werkenden, bestierenden God op uw levenspad’ —, berustte volgens mijn oordeel voor een groot deel op fantasie ten dienste van een interessant bekeringsverhaal.”

s. Vgl. J. Stellingwerff, Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit, 39: „Dat woord moederkerk werd een openbaring voor Kuyper. Hij had bij het woord kerk altijd aan zijn vader gedacht, en dan was er wel enige agressie in zijn hart. Nu hij in het spanningsveld tussen verdere studie en predikant worden stond, werd het woord ‘moederkerk’ een sleutelwoord. De idee van moederkerk werd in zijn gedachtenwereld de verbindingsschakel tussen het geheime beginsel en de publieke organisatie van de kerk.”

t. Vgl. Filippenzen 2 : 13.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000