Calvinisme en Revisie

door Dr. A. Kuyper


(Eerst verschenen in The Presbyterian and Reformed Review, July 1891.)

Amsterdam, J.A. Wormser. 1891

a


VoorafInleidingIIIIIIIV

In eene der Gereformeerde Kerken van Amerika is het voorstel gedaan, om de Westminster Confessie te herzien b; en reeds zijn door Deputaten de voorstellen voor zulk een revisie ingediend c. Deze voorstellen wensch ik in de Heraut aan critiek te onderwerpen d. Maar ook het vraagstuk der revisie zelve eischte meer principiëele bespreking. Toen ik derhalve van Prof. Warfield de uitnoodiging ontving, om een artikel voor de Presbyterian and Reformed Review te schrijven, meende ik niet beter te kunnen doen, dan de verhouding tusschen het Calvinisme en de Revisie der Confessie te bespreken. Prof. Gerhardus Vos te Grand-Rapids bewees mij den dienst, om mijn artikel in het Engelsch over te zetten.

Daar nu dit onderwerp ook voor onze Kerken almeer van het uiterste gewicht zal blijken e, bied ik het hiermede ook in het Nederlandsch ter lezing aan ons Kerkelijk publiek.


K.

Amsterdam, 23 Augustus 1891.




Onze Gereformeerde broederen in Amerika kunnen zich niet levendig genoeg voorstellen, in hoe hooge mate hun poging, om tot een revisie van hun Kerkelijke symbolen te geraken, de belangstelling gewekt heeft van menig Calvinist in Nederland.

Drie motieven werkten daartoe saâm.

In de eerste plaats; de heugenis van het altoos gedenkwaardig feit, hoe de eerste Gereformeerde belijders, die in Amerika voet aan wal zetten, uit Nederland naar de nieuwe wereld overstaken; tengevolge waarvan de Calvinisten in Nederland op de Gereformeerden in Amerika nog steeds de warmste betrekking gevoelen, en God danken voor elk teeken van broederlijke sympathie, waarmeê Amerika, zoo keer op keer, deze niet uit te delgen gehechtheid sterkt. In de tweede plaats begroetten de Calvinisten in Nederland met hooge ingenomenheid de ontwikkeling, die aan het Kerkelijk leven in Amerika door het beginsel van de Vrije Kerk gegeven is, en spannen zich ook hunnerzijds in, om, in navolging van hunne broederen in Amerika, dit eenig ware beginsel ook in de oude wereld steeds meer te doen zegevieren. Waar dan in de derde plaats nog bij komt, dat de Calvinisten in Nederland, niet minder diep dan hun broederen in Amerika, beseffen, hoe de symbolen der 16e eeuw, de vrucht waren van eene eenigszins andere worsteling der geesten, en daarom ons, kinderen der 19e eeuw, niet meer even bezielend kunnen toespreken, als zij dit het geslacht onzer vaderen deden.

Nu er berichten van revisie tot hen overwaaien, gevoelen ze zich daarom met hun Amerikaansche broederen, als leden van de eene groote Gereformeerde wereldkerk één, en kunnen ze niet |6| nalaten over deze revisie, als ook henzelven rakende, met biddenden ernst na te denken.

De eenheid dier Gereformeerde wereldkerk toch ligt niet daarin, dat onze meeste kerken op Presbyteriaansche leest geschoeid zijn. Dit ware een puur uitwendig en geheel oppervlakkig oordeel f. Ook de Unitariërs richten hun kerkgenootschap vaak presbyteriaal in, zonder dat ze ook maar iets met onze Gereformeerde kerken uitstaande hebben; en omgekeerd zijn er in Duitschland en elders Gereformeerde Kerken, die door overmacht buiten staat zijn, om den Presbyteriaanschen kerkvorm tot zijn recht te doen komen. Hoe zou ook op zichzelf de vorm van bestuur ooit voor het wezen eener kerk beslissend kunnen zijn daar toch de roeping der kerk is, „om de deugden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Pet 2 : 9), en de kerkvorm slechts een der middelen is, waardoor ze dit doel poogt te bereiken. Niet die bataljons strijden op het slagveld in eenzelfde gelid, die tactisch van éénzelfde formatie zijn, maar saam trekken op al die corpsen, die, zij het ook zeer verschillend in formatie, eenzelfde vaandel boven hun bajonetten doen wapperen. En wat nu is voor de „heirscharen des levenden Gods”, en dus ook voor de Gereformeerde Kerken, dit vaandel anders dan hun gemeenschappelijke belijdenis? Immers, hoever de Fransche en Zwitsersche, de Nederlandsche en Schotsche, de Boheemsche en Westminstersche confessiën in bewoording en volgorde ook van elkander afwijken, toch is het één geest, één overtuigingsdrang, één heilige roeping, die zich in alle deze Belijdenissen uitspreekt. Het zijn takken van éénzelfden boom, beken uit éénzelfden bron gevloeid, en omdat ze saam één lichaam vormen, hadden onze vaderen de uitstekende gewoonte, ze in één corpus of syntagma confessionum uit te geven g. Dit bewoog dan ook destijds niet zelden de ééne kerk, om haar confessie ter onderteekening aan een andere kerk toe te zenden. En het was in dit historisch besef, dat men op de Synode te Dordrecht in 1618 de buitenlandsche Theologen met de Nederlandsche deputaten saam riep; en nog te Westminster het oordeel der |7| Buitenlandsche kerken inwon, om zich als één man, en als leden van éénzelfde lichaam, tegen de insluiping van het Arminianisme en het Episcopalisme uit te spreken.

De catholiciteit der kerk mocht niet aan Rome worden prijs gegeven. De Gereformeerde kerken mochten niet in enghartige landskerkjens ontaarden. Waar de Gereformeerde kerken ook optraden, in alle landen pretendeerden ze eene openbaring van het ééne zelfde Lichaam van Christus te zijn. Alleen hieraan ontleenden ze het recht, om in, den naam van Christus, als onzer aller Koning, Zijn Woord te brengen en Zijn Sacrament te bedienen. En door, waar ook of op wat wijs, deze hooge pretentie op te geven, zouden ze afgedaald zijn tot den rang van private vereenigingen, steunende niet op Goddelijk, maar uitsluitend op menschelijk recht.

Ook nu kan er deswege geen machtige beweging in eenig deel der Gereformeerde Kerken ontstaan, of deze trilt na in de overige kerken, en bij de uitkomsten, waartoe zulk een beweging elders leiden zal, zijn ze allen geïnteresseerd. De behoefte, waaruit deze beweging voortspruit, leeft ook bij ons; de drang, die er in werkt, prikkelt ook ten onzent de geesten; en de beginselen, waarnaar ze geleid moet worden, hebben ook voor ons geestelijk en dwingend gezag. Zoolang we saam leden van de eene Gereformeerde Catholieke wereldkerk blijven, zijn we in alles, wat de belijdenis onzer kerken raakt, lotgemeen. In geen kerk ter wereld kan aan de gemeenschappelijke Belijdenis de hand worden geslagen, of het Tua res agitur klinkt over geheel het Gereformeerde erf door de gelederen. En verbiedt nu al, zoo de politieke gelegenheid, als het verschil in taal, een officieele samenwerking van alle overige Gereformeerde Kerken met die in Amerika, om in deze levensquaestie één lijn te blijven trekken, toch legt het in Amerika ondernomen werk ook aan de Gereformeerden elders den plicht op, om hetgeen daar geschiedt, ook met het oog op hun eigen kerken onder de oogen te zien en zich rekenschap te geven van de eischen, waaraan de revisie der allen gemeenschappelijke Belijdenis ook ten hunnent zou gebonden zijn.

Een proeve van zulk een rekenschap zij het schrijver dezes |8| vergund in dit korte artikel te geven; waarbij de mogelijkheid wordt aangenomen, dat het wellicht den broederen in Amerika niet geheel onverschillig kon zijn, te weten aan welke bedingen onder de Gereformeerden in Nederland zulk een revisie zou gebonden wezen.

In de beantwoording van vier vragen kan deze rekenschap afgelegd.

Ze luiden:

I. Heeft in de Kerk van Christus een eigenaardige geestesrichting, die, gelijk het Calvinisme tot eigen Kerkformatie leidt, recht van bestaan?

II. Waarin bestaat de eigenaardige geestesrichting, die het Calvinisme in de Kerk van Christus vertegenwoordigt?

III. Langs wat weg kwam deze geestesrichting tot haar uitdrukking in de Symbolen der Kerken?

En IV. Aan welke voorwaarden is de revisie dezer Symbolen, bij voortgaande ontwikkeling dezer Calvinistische geestesrichting, gebonden?


I.

Eerste vraag: Heeft in de Kerk van Christus een eigenaardige geestesrichting, die, gelijk het Calvinisme tot eigen Kerkformatie leidt, recht van bestaan?

Het diepst gekoesterd ideaal van Gods Kinderen zou dan eerst bereikt zijn, zoo de Kerk van Christus, gelijk ze één en ondeelbaar in het mystieke Lichaam des Heeren bestaat, zich zoo ook uitwendig in volstrekte eenheid openbaarde. Eén belijdenis, één vorm van Kerkregeering, één Kerkelijke Liturgie, één Kerkelijk lied, één geestesrichting, en één taal zelfs, in alle Kerken Christi over de geheele aarde. Metterdaad zou zulk een toestand hemelsch zijn, en kan dan ook alleen in den hemel worden gerealiseerd.

Het actueele leven, gelijk we dit thans nog op deze aarde hebben te doorleven, sluit zulk een idealen toestand uit; en wie, gelijk Rome, desniettemin zulk een ideale schepping in onze realiteit wil intooveren, kan zulk een kerkelijk geheel wel |9| mechanisch ineenzetten, maar nooit organisch uit het leven doen voortkomen; en houdt juist daardoor de krachtiger ontwikkeling van den geest der volkeren op bedenkelijke wijze ten onder. Men behoeft dan ook slechts het Roomsche Zuid-Amerika bij de Vereenigde Staten, het Roomsche Spanje bij Engeland, het Roomsche Oostenrijk bij Pruissen te vergelijken, om de fatale uitwerking op de nationale veerkracht van zulk een opgelegde eenheid te beoordeelen. Wel mag daarom het ideaal nooit worden losgelaten, en moet de drang, die van dit ideaal uitgaat, ons steeds de eischen eener Christelijke ireniek doen eeren, maar in het Voorzienig bestel, dat de verwerkelijking van zulk een ideaal voor deze bedeeling volstrekt uitsluit, moet worden berust. Er is tweeërlei eenheid in de natuur; die op onze weiden, waar alle grasspriet één van kleur en vorm en hoogte is, — de eenheid der eenvormigheid; maar er is ook de eenheid van het bloembed, die, bij eindelooze schakeering in tint en blad en bloem en stengel, nochtans uit de harmonie van dit ongelijke een hooger schoon doet geboren worden, — de eenheid door het veelvormige. En al komt nu de eenheid op dat bloembed nog niet terstond uit, doordien de planten nog slechts half volgroeid en de bloemen nog niet ontloken zijn, toch staat voor den kenner die nog verborgen eenheid van het bloembed verre boven de gelijkmatigheid, waarop het grasveld in elk stadium van zijn ontwikkeling kan bogen. En van deze hoogere geaardheid nu is ook de afgebedene eenheid in de Kerk van Christus. Ook zij toch zal eens een eenheid door heilige harmonie in de veelvormigheid van het leven blijken; maar juist om bij voltooiden bloei die eenheid te doen schitteren, moet ze beginnen niet ongelijk, ongelijksoortig en ongelijkmatig in haar deelen, te zijn. Harmonie wordt alleen uit de tegenstelling geboren, en tegenstelling eischt verschil van aard. Want wel kan hier tegen aangevoerd, dat de Kerk van Christus, voor nu achttien eeuwen te Jeruzalem toch in ongedeelde eenheid haar loop begon; maar ook dien trek vindt ge in het beeld van het bloembed terug. Als toch het veelsoortig bloemzaad in de onderscheiden deelen van het bloemperk pas aan de aarde is |10| toevertrouwd, is, aanvankelijk ook op het bloemperk de eenheid eene nog ongestoorde. Maar nauwelijks ontkiemt de ééne zaadkorrel na de andere, of het verschil in snelheid van groei en bouw van stengel begint uit te komen. Juist zooals het bij de Kerk van Christus is gezien. In de eerste blijde dagen van haar optreden blonk ze in stoorelooze eenheid, maar nauwelijks is ze de wereld ingegaan of Petrus blijkt een ander man dan Paulus te wezen en Joännes komt anders dan Jacobus uit.

De eenheid van de Kerk ligt onwrikbaar vast in de eenheid van den Heiligen Geest, maar ze spreidt zich in den geest der menschen. En de feiten der historie toonen dan ook dat de kerk van Christus zich anders in de eene eeuw, dan in de andere vertoont; een ander karakter aanneemt in de Oostersche als in de Westersche landen; voor elk dier landen zelfs een onderscheiden type vertoont in de verschillende gewesten; en al naar gelang de levensopvattingen levensgewoonten der menschen verschillen, tot een andere uiting komt. Ze is den Griek een Griek, den Jood een Jood, den Scyth een Scyth. Ze wil allen alles zijn. Zelfs onder de personen van eenzelfde stad of dorp spreekt ze met het kind in kindertaal, met den man een mannenwoord en trilt haar stem op vrouwelijke wijze in het vrouwelijk oor. En al ziet nu ons oog in deze veelvormigheid de harmonie nog niet, toch is die harmonie er. Alleen ze blijft voorshands nog voorwerp van het geloof onzes harten. „Ik geloof een heilige, algemeene Christelijke Kerk.”

Aan het veelvormig kleed, waarin de Kerk van Christus optreedt, behoeft dus geen woord meer gespild; slechts blijft de vraag te beantwoorden, of deze verscheidenheid ook ruimte laat voor het optreden van onderscheidene geestesrichtingen. De barmhartigheid toch, waarmee de Kerk van Christus zich schikt en plooit en voegt naar allerlei leeftijd en stand, naar aller nood en behoefte, leidt er op zich zelf u nog niet toe, om den stroom van het kerkelijk leven in onderscheiden geestelijke beddingen te doen afvloeien. Veeleer moet deze plooibaarheid der ontferming zich in den dienst van elke plaatselijke Kerk openbaren; en een Dienaar des Woords, |11| die zich aan haar vreemd houdt, kent het mysterie der „dienende liefde” niet. En ook kan dit verschil in geestesrichting niet afgeleid uit het verschil in temperament en karakter, noch uit de onderscheiden stroomingen, die, onder de opeenvolging der eeuwen, in het menschelijk leven boven kwamen; want een principieele geestesrichting heeft dit eigenaardige, dat ze op personen van allerlei temperament en karakter vat heeft en in den geest van elke eeuw haar eigen schakeering afteekent.

Neen, een eigen geestesrichting bedoelt iets anders. Geestesrichtingen komen alleen uit de noodzakelijke dispositie van ons menschelijk bewustzijn voort. Ze gaan tot den wortel van dat menschelijk bewustzijn terug en beheerschen daardoor met noodzakelijkheid elke levensuiting, die bij ons uit dit bewustzijn opkomt. Onze greep is zoo beperkt en toch de aanleg van ons bewustzijn zoo al omvattend, dat altoos slechts een deel van de krachten, die in ons bewustzijn schuilen, tegelijk in actie kunnen komen; iets waarbij de ééne mensch den andere dan wel aanvult, maar zóó, dat juist daardoor een iegelijk in zijn gedachtenkring eenzijdig moet wezen. Zoo wordt ongemerkt en vanzelf de ontzaglijke taak, die het menschelijke, bewustzijn te vervullen heeft, onder menschen verdeeld. Niet elke vinger bespeelt alle snaren, maar de tien vingeren saam weten aan de snaren het accoord te ontlokken. Zoo is er verdeeling van arbeid, die ons voor verspilling van kracht aan wat boven onze macht gaat bewaart; en gelijk in het sociale leven de een ploegt en de ander spint en een derde de zee doorklieft, en eerst uit de saamwerking van dezen gedeelden arbeid het rijke, volle leven geboren wordt, zoo ook is het in de wereld der geesten. Dit nu gaat niet naar vrije keus, maar hangt af van neigingen in onzen aanleg, die vanzelf de richting van onzen geest bepalen. En overmits er nu in deze neigingen bij denzelfden mensch continuiteit ligt, en uit gelijke neiging bij onderscheiden personen een geestelijke verwantschap wordt geboren, zoo plant de liefde en praedispositie voor zulk een geostesrichting zich van volk tot volk en van eeuw tot eeuw voort, en treedt dientengevolge op als een geestesrichting in het |12| menschelijk leven. Zoo is er in het algemeene menschelijk leven een geestesrichting, die op het ideaal, en een andere, die meer op het reëele gericht is. Zoo is er een geestesrichting, die in de diepte der mystiek wegduikt, en een andere, die de klaarheid der oppervlakte mint. Er is een practische en er is een theoretische richting. En zoo ook een richting, die in het historische terugleeft, evenals een andere die profetisch gluurt in de toekomst.

Juist echter, omdat deze schakeering van ons geestesleven op het algemeene terrein der menschelijke natuur ligt, kan ze voor de kerk van Christus geen haar eigendommelijke geestesrichtingen in het leven roepen. Wel zullen ook deze schakeeringen evenals al wat menschelijk is, op haar inwerken en in den één een meer historischen zin, in een tweede een meer praetische actie en hebbelijkheid, en in den derde een meer profetische neiging ontwikkelen; maar ook dit brengt ons nog niet tot een splitsing in geestesrichtingen, die in het bijzonder aan de kerk van Christus eigen zijn, en haar noodzaken in onderscheidene formatiën op te treden.

Principieele geestesrichtingen in de kerk van Christus kunnen zich, omdat de kerk op religieus terrein staat, alleen uit het wezen en de geaardheid der religie ontwikkelen. Wat Petrus en Paulus elk in een eigen richting doet wandelen, is een onderscheiden blik op de Goddelijke wet; van Paulus verschilt Jacobus door den nadruk te leggen op een andere zijde van den band tusschen geloof en werken; Joännes en Mattheus loopen uiteen, doordien zij elk den Christus van uit een ander oogpunt bezien. Zoo was het in den aanvang, en zoo bleef het steeds in de kerk van Christus, en nooit had op haar erf de deeling van den éénen Nijlstroom in de zeven armen van zijn Delta anders plaats, dan naar religieuse motieven. Temperament en karakter, hemelstreek en nationaliteit, mocht hier zijdelings op inwerken; maar de drijfkracht, die tot het kiezen van een eigen bedding noodzaakte, school voor de Kerk van Christus, altoos in de zake der religie.

Zelfs dient dit nog nauwer bepaald. Immers niet aan de religie in algemeenen zin, maar alleen aan de Christelijke religie, als |13| zoodanig; kon het motief ontleend, voor wat de kerk van Christus tot een gesplitst optreden nopen zou. En wie zich de veelvormigheid,van kerkformatie in de Grieksche, Armenische, Roomsche, Luthersche, Gereformeerde, Baptistische en andere groepen voor den geest haalt, speurt dan ook terstond, hoe niet psychologische of philosophische variatie, maar alleen verschil van opvatting over de Christelijke religie deze groepen uiteenwierp.

Waar niet de Christelijke religie, maar de religie in algemeenen zin tot splitsing leidt, gaan Pantheisten, Atlieisten, Poiytheisten, Deisten en Theisten uit elkaâr; maar in de kerk van Christus, die met de Trinitarische belijdenis staat of valt, kan naar recht noch ooit van een Deistische noch van een Pantheistische geestesrichting sprake zijn. Tijdelijk en feitelijk kunnen die richtingen wel insluipen, maar ze blijven steeds exotisch van oorsprong, leiden nooit tot een eigen kerkformatie, dien naam waard, en zoodra de Geest des Heeren weer vaardig wordt over zijn profeten, ziet men deze richtingen van zelf uitsterven en werpen de Gideons het Baäl-altaar omver.

Recht van bestaan in de kerk van Christus hebben dus uitsluitend zulke geestesrichtingen, die, zonder het wezen der Christelijke religie als zoodanig aan te tasten, als gevolg van onze menschelijke beperktheid, de Christelijke religie van uit een bepaald oogpunt bezien; ze van uit dat oogpunt met ongemeene kracht schitteren doen; maar juist als gevolg van deze eenzijdige krachtsontwikkeling onmachtig blijken, om alle deelen van het geheel evenzeer tot hun recht te doen komen. Niet de ketterij dus, die altoos, het wezen zelf der Christelijke religie aantast, noch ook de paganistische, humanistische en philosophische richtingen, die haar vervalschen willen door secularizeering; maar uitsluitend dat stel geestesrichtingen, die als een veelkantig prisma de volle klaarheid van de lichtstraal der Christelijke religie in de pracht van haar tinten spreiden.

Zulk een Christelijk-religieuse geestesrichting, ontleent dus haar bestaansrecht niet aan iets dat uit den mensch of uit de wereld is, maar aan de Christelijke religie zelve. Omdat de Christelijke religie |14| te rijk, te veelzijdig en te alomvattend is, om haar Goddelijke volheid in één enkele bedding van het menschelijk leven te doen uitstroomen, kiest ze meerdere beddingen. Waaruit volgt, dat elk kind van God voor zichzelven wel staan moet en mag in de overtuiging, dat de bedding, waarin hij zich voortbeweegt, de relatief zuiverste is; maar zonder ooit de pretentie van het absolute in dien zin te maken, dat hij de overige zij-beddingen, als niet tot den stroom behoorende, zou afsnijdën. En voorts ligt het in den aard der zaak dat zulk een principieele geestesrichting tot een eigen realiseering van de Christelijke religie op, heel het terrein van ons menschelijk leven moet leiden, en alzoo niet alleen een eigen kerkformatie, een eigen vorm van eeredienst en een eigen theologie, maar ook een eigen usantie voor het staatkundig, maatschappelijk en huiselijk leven scheppen zal. Dit kan niet anders, overmits de bedding voor zulk een geestesrichting slechts in zulk een periode der historie wordt uitgegraven, waarin het religieus beginsel tot zijn volle spankracht geraakte, en, over elk ander motief triomfeerende, heel het menschelijk leven deed schudden op zijn grondvesten en het in al zijn vertakkingen beheerschte.

Nu staat het historisch vast, en het is niet wel voor tegenspraak vatbaar, dat het Calvinisme metterdaad aan deze gestelde kenmerken beantwoordt. Het Calvinisme is geen paganistisch insluipsel, maar principieel tegen de insluiping van alle paganisme, in Christus’ Kerk gekeerd. Het dankt zijn oorsprong niet aan een humanistisch pogen, om de kerk te secularizeeren, maar heeft de tegenstelling tusschen Christus en den Kosmos zoo scherp mogelijk doorgezet. Evenmin is het Calvinisme uit den Philosophischen hoek gekomen, want de verdorvenheid, ook der menschelijke rede, is hoeksteen van zijn bouw. Ook schuilt de kracht van het Calvinisme niet in een psychologische of nationale eigenm dommelijkheid. Het is niet uit psychologische variatie te verklaren, overmits mannen van allerlei temperament, karakter en sympathiën het aankleefden en voortplantten; noch ook bond het zich aan een bepaalde nationaliteit, maar wierd even dapper |15| beleden door de Hugenoten in Zuid-Frankrijk als door de Celten in de Schotsche Highlands. Met beide voeten staat het op den bodem der Christelijke religie, en ontleent uitsluitend aan een eigenaardige opvatting van die Christelijke religie zijn ontstaan. Het kwam op in een tijdperk der Historie, toen het wel of wee der Christelijke religie het lot van staten en volkeren beheerschte. Het was niet de waan van een dag, want nog even kloek en dapper als door de Geuzen, Hugenoten, Roundheads en Pilgrim-fathers wordt het nòg beleden in Europa en Amerika en door de „Boeren” in Transvaal. Het riep een eigen kerkformatie in het leven; het schiep een eigen vorm van eeredienst; het schitterde in een eigen theologie. En zóózeer drukte het tevens een eigen stempel op het politieke en sociale leven, dat het Nederland van Spanje heeft vrijgemaakt; aan de Schotten een nieuwen levensvorm gaf; en den grondslag legde voor het opbloeien van de Vereenigde Staten.

En wat het huiselijk en sociale leven betreft, behoeft men slechts korte weken in Roomsche, Grieksche of Luthersche landen om te dolen, om aanstonds te ontwaren, hoe men daar onder lieden van heel andere levensusantie verkeert. Het vrije leven van den vrijen burger, gelijk dit thans in Amerika bloeit en in de Constitutioneele Staten van Europa zich een baan effent, is vrucht, niet van de bloedige orgiën der Fransche revolutie, maar van den veerkrachtigen ernst, waarmeê het Calvinisme het leven gestaald heeft 1).

Onze eerst gestelde vraag kan alzoo niet anders, dan in bevestigenden zin beantwoord worden. Metterdaad vertegenwoordigt het Calvinisme een eigen geestesrichting in de kerk van Christus, die, tot eigen kerkformatie bekwaam, onbetwistbaar recht van bestaan heeft.


II.

Is dit zoo, dan dient thans in de tweede plaats onderzocht |16| waarin de eigenaardige geestesrichting, die het Calvinisme vertegenwoordigt, bestaat?

Hodge waant in zijn Systematic Theology een gelukkige greep te doen, door meest te zwijgen van het Calvinisme en bijna uitsluitend van het Augustinianisme te spreken. Ten onrechte. Hoe hoog toch Calvijn, en elk Calvinist met hem, Augustinus vereerde, toch is het niet aan Augustinus, maar eerst aan Calvijn gelukt, de geestesrichting, waarvoor Augustinus de levenslijn had uitgestippeld, tot een macht in het leven te verheffen. Augustinus had twee tegenstanders, niet slechts de Pelagianen, maar ook de Manichaeërs; en hoe dapper en afdoende hij ook tegen Pelagius de souvereiniteit des Heeren theologisch verdedigde, bij zijn worsteling met de Manichaeërs bleef hij heil zoeken in de macht der Roomsche Hierarchie. In zijn locus de Ecclesia brak hij af, wat hij in zijn locus de Gratia had opgebouwd. Het ontbrak Augustinus aan logische, doortastende consequentie. Gevolg waarvan was, dat het Semi-Pelagianisme, waarin de Roomsche Hierarchie stoelde, allengs ook zijn theologisch gebouw weer omverhaalde en bij monde van Thomas Aquinas, door scholastieke dialectiek, zijn geestelijken arbeid vernietigde. De historie toont dan ook, hoe Augnstinus noch den wil noch de veerkracht bezat, om voor de geestesrichting, als wier ongeëvenaarde tolk hij optrad, een eigen bedding in het leven van Kerk en Maatschappij uit te graven. Als Augustinus in 430, bij de belegering van Hippo door de Vandalen, sterft, blijven alle dingen gelijk ze zijn. Er heeft een tijdlang een andere wind op den stroom van Jezus’ Kerk geblazen, maar die stroom vervolgt zijn loop in dezelfde Hierarchische bedding.

Doch zoo was het bij Calvijn’s dood niet. Want al heeft Calvijn in den „locus de gratia” weinig anders gedaan dan Augustinus copiëeren, hierin stond hij verre boven Augustinus, dat hij de Souvereiniteit Gods ook op de Kerk, en uit de Kerk op het leven van Staten en Volkeren, deed doorwerken.

Niet dat hij een fonkelnieuwe geestesrichting uitdacht. Hoe zou dit kunnen? Daar toch immers elke geestesrichting, die in |17| Christus’ Kerk recht van bestaan zal hebben, door haar stengel organisch met den wortel moet verbonden zijn, en alzoo haar fijne vezelen, door heel de historie der Kerk, tot in haar oorsprong moet doen terugloopen. Maar, terwijl deze onderscheiden geestesrichtingen, aanvankelijk nog, als tot een bundel saamgestrengeld, in den gemeenschappelijken stam schuilen, komt er eindelijk een oogenblik dat ze als eigen takken zelfstandig aan dien stam uitspruiten, en dàt oogenblik was voor onze geestesrichting eerst gekomen met Calvijn.

Is nu straks door ons toegegeven, dat het Calvinisme niet het absolute in al zijn volheid representeert, toch was hiermeê geenszins bedoeld, dat het Calvinisme slechts als ééne der vele variatiën indifferent naast de andere zou optreden, als kon het ooit onverschillig zijn, of men zijn God en zijn Christus naar den Griekschen, den Baptistischen, den Lutherschen of wel naar den Calvinistischen regel beleed en diende. Bij alle variatiën die de roos in het plantenrijk vertoont, acht toch geen onzer dat de veldroos deswege met de stamroos één in waardij is. De prijzen der bloemisten zeggen het ons wel anders. En zoo spreekt het vanzelf, dat, wie zelf Calvinist is, in de door hem gevolgde en beleden geestesrichting dan ook de zuiverste en hoogste openbaring der Christelijke religie ziet, en, is hij theoloog, gereed staat, om van dit zijn oordeel rekenschap te geven. Ware dit niet zoo, dan zou hij, als eerlijk man en uit vreeze Gods, uit de Calvinistische kerkformatie moeten overtreden in die Luthersche, Baptistische of welke ook, die hem nader scheen te komen aan de eere van zijn God.

Al kan het dus niet anders, of ook de Lutheraan en Baptist beweert op zijn beurt, dat veeleer de geestesrichting waarin hij gaat, de zuiverste en hoogste is, toch mag dit een Calvinist geen oogenblik het spoor bijster maken. Eerloos is, wie den adel zijner geboorte vergeet, en al kunnen we ons een Calvinistisch renegaat denken, die uit overtuiging Lutheraan of Baptist wordt, een man van doorzicht en kennis, die, in de Calvinistische kerkformatie voortlevende, de geestdrift voor het Calvinisme in zijn hart heeft uitgebluscht, begrijpen we niet. |18|

Immers de kenmerkende voorkeur en de kenteekenende eigendommelijkheid van het Calvinisme ligt niet in eenig leerstuk, maar hierin, dat het in de Christelijke religie het wezen zelf der religie tot zijn hoogste recht laat komen. Men behoeft zich, om de eigenaardige geestesrichting van het Calvinisme te kennen, dan ook niet te verdiepen, in de breede studiën die Ullman, Schweizer, Herzog, Baur, Schneckenburger, Scholten, Gass en anderen aan het opspeuren van deze eigenaardigheid gewijd hebben. Aller slotsom toch komt, formeel en materieel, hierop neer, dat het Calvinisme in geheel zijn opvatting van de Christelijke Religie, ja, in zijn geheele levens- en wereldbeschouwing, aan God Almachtig de eerste plaats toekent.

Niet in den zin van Schleiermacher, die van een „schlechthinniges Abhänglichkeitsgefühl” sprak, want immers reeds door dezen vorm van uitdrukking is toch weer het subjectief gevoel op den voorgrond gekomen, en daarmee het Calvinistisch beginsel vernietigd. Religie, en met name de Christelijke Religie, als de absolute, mag, zoo jubelt en belijdt de Calvinist, tot geen heilsinstituut verlaagd, mag in geen deugdsmotief vervalscht, mag in geen kosmologie omgezet, maar moet, om haar eere te hebben, religie blijven. En overmits nu alle religie wortelt in de verhouding, waarin God de Heere, als Schopper, ons, zijn schepselen, tot zich geplaatst heeft, zoo klimt in de Christelijke religie hij het hoogste op, die op elk punt van den horizont God God laat blijven; dat wil zeggen, Hem in alles eert als den Almachtigen Schepper, die alle dingen geschapen heeft om Zijns Zelfs wil, en die, als God door niets dan door zichzelven gebonden, voor alle schepsel nu en eeuwiglijk het aanzijn, en de wet van dat aanzijn, heeft bepaald. Niet alleen het Deo gloria, maar het „Soli Deo gloria”, en voor zijn aanbiddelijke majesteit alle schepsel, en dus ook de mensch, hij zij dan vorst of bedelaar, een stofje aan de weegschaal, een druppelken aan den emmer, ja minder geacht als niets.

Dit wil nu niet zeggen, dat hiermeê de volle rijkdom der Christelijke religie is uitgeput. En als de Methodist de redding van den zondaar; de Baptist het mysterie der wedergeboorte; de |19| Lutheraan de rechtvaardiging door het geloof; de Hernhutter de wonden van Christus; de Griek de mystiek des Heiligen Geestes; of de Roomsche de catholiciteit der Kerk op den voorgrond schuift, dan komt het niet in ons op, de uitnemende belangrijkheid ook van elk dezer zes andere momenten voor de rechte waardeering, belijdenis en practijk der Christelijke religie te betwijfelen; evenmin als een dezer richtingen, in thesi althans, een Christelijke religie, waarin God niet God blijft, mogelijk zou achten.

Geen enkele Kerk of richting heeft dan ook ooit een dezer elementen geheel verwaarloosd. Veeleer werden ze, zoolang men niet op opzettelijken afval van het Christendom stuitte, steeds allen, zonder uitzondering geëerd, gelijk dan ook het Calvinisme niet één dezer elementen buiten waardeering liet. Het verschil tusschen deze Kerken of richtingen bestaat dus niet daarin, dat de eene uitliet, wat de andere opnam. In haar deelen verminkt is de religie door niet ééne Kerk. Maar wel liepen ze uit elkaar en zeer verre zelfs, in de organische rangschikking der deelen. In het perspectief stond bij de ééne op den voorgrond, wat bij de andere zijwaarts was teruggedrongen, of weggeschoven naar den achtergrond. En bij deze rangschikking nu tastten de overige richtingen minder zuiver.

Immers het overwicht onder de deelen van het lichaam was door haar nu eens aan den arm, dan aan den voet, aan het aderweefsel of aan de zenuwvlucht gegeven, waar toch, naar den eisch van het organisme, het hoofd over alle deelen des lichaams domineeren moet, zal de actie van heel het lichaam de rechte zijn. De zeven elementen, die we aanstipten, staan niet als spijlen van een hek naast elkander, maar staan in organische, levende betrekking tot elkander. Ge kunt in uw bewustzijn dus niet aan alle een gelijke plaats geven. Een der zeven moet in uw bewustzijn de eerste plaats innemen, zóó dat de overige zes slechts in afhankelijkheid van dat eerste kunnen begrepen worden.

Er moet ook aan dezen boom tusschen wortel, stam en takken onderscheiden, en dus moet ook datgene wat voor uw bewustzijn de wortelgedachte is al het overige, wijl het stam en tak zal zijn, |20| beheerschen. En gelijk nu in de politiek het recht; in de sociale studiën het welzijn; in de kunsten het schoone heerschend op den voorgrond treedt, zoo ook, zegt de Calvinist, mag en kan het niet anders, of in de religie moet de kennisse van God Almachtig het alles beheerschende element zijn, en naar dit theologisch element elk ander zich voegen. Niet God moet zich schikken naar wat in het schepsel is; maar al wat ge van het schepsel belijdt, moet zich schikken naar uw belijdenis van het Eeuwige Wezen. Daarom kan uw theologie niet tot haar hoogste, organische ontwikkeling opklimmen, tenzij de belijdenis van uw God daarin den toon aangeve. En daarom ook kan het niet anders of èn die opvatting van de Christelijke religie, èn die theologie, èn die belijdenis moet vergelijkenderwijs het zuiverst zijn en in betrekkelijken zin het hoogste staan, die deze vooropstelling van God als God zonder aarzeling aandurft, en den hoogen moed grijpt om heel onze existentie, voor nu en eeuwig, van uit dit oogpunt te bezien en van uit dit standpunt te verklaren.

Wie als zondaar niet naar zijn eigen redding, of die van zijn medezondaren vraagt, staat natuurlijk smadelijk laag beneden den Methodist, die in het dringen op bekeering elk ander achter zich laat, maar toch, wie de vraag stelt: Hoe kan ook mijne en anderer existentie weer een existentie tot eere van mijn God worden? — staat nog hooger. Zeer stellig steekt de Baptist, die diep van de noodzakelijkheid der wedergeboorte doordrongen is, en daarnaar al het andere afmeet, zeer verre uit boven den Arminiaan, die waant aan zinsverandering genoeg te hebben; maar toch is het een nóg hooger standpunt, zoo ik mij tot Hem, die genereert, verhef, en het aanbiddelijk werk Gods bewonder, waarvan die wedergeboorte slechts het resultaat is. Voel ik, met Luther, mij door het geloof gerechtvaardigd en steun ik op geen daad of werk van mijn eigen geest, dan is mijn standpunt geestelijk zuiverder dan dat der Roomsche kerk, maar toch klim ik nóg hooger op, zoo ik indring in den oorsprong dier eeuwige rechtvaardigmaking, wier sprinkader in Gods souverein decreet ligt. Kniel ik met den Hernhutter in aanbidding voor den Christus als mijn Heere en mijn God |21| neder om te verzinken in zijn wonden, dan geniet ik zeer zeker een weelde voor mijn hart, waar de koele berekenaar van Jezus’ zoenverdiensten vreemd aan blijft; maar toch is er nog oneindig rijker genieting zoo ik door Christus mij ingeleid weet in de zalige gemeenschap met mijn Vader in de hemelen. Aan de mystiek der Grieksche Kerk moet de eerepalm. toegekend boven het nuchtere Socianisme, dat zich in de Slavische landen tegen haar stelde; maar toch ontvangt die mystiek nóg hooger waardij, als ik door den Heiligen Geest, die in en voor mij bidt, doordring tot Hem die de meening des Geestes verstaat. En zoo ook kunt ge aan het streven naar Catholiciteit in de Roomsche Kerk lof geven boven de onaandoenlijkheid, waarmeê de Separatist de heiligste banden losrijt, en toch daarom in heiligen ijver toornen tegen een kerkelijk drijven, dat de Kerk tusschen uw ziel en haar God inschuift. En al moet nu erkend, dat het Calvinisme, door de schier bovenmenschelijke inspanning, waarmeê het alle ding uit God afgeleid, in zijn creatuurlijke betrekking tot God gehandhaafd, en naar zijn bestemming voor Gods eer gemeten heeft, niet tegelijk even gelukkig in de waardeering van alle deze overige elementen slagen kon, en daarom zich steeds met de vrucht van anderer geestesarbeid heeft te verrijken; toch blijft aan het Calvinisme de onvergankelijke eere, dat het principieel het hoogste standpunt innam, en dat niet gelijk het zelf dit verder afbakende, maar gelijk God zelf in Zijn Woord dit als het hoogste geopenbaard had, toen de Heilige Geest door den heiligen Apostel jubelde: „Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid Amen.”

Zoo vergist zich dus wie waant, dat de eigenaardigheid van het Calvinisme òf in de Praedestinatie, òf in de autoriteit der Heilige Schrift, òf in de Verbondsleer, òf in de erfschuld, òf in het wettisch ascetisme, óf in den presbyterialen kerkvorm moet worden gezocht. Dit alles zijn voor het Calvinisme noodzakelijke Consequentiën, maar niet het principieele uitgangspunt; stengels aan zijn rijken plantengroei, niet de wortel waarop ze uitschoten. Omdat het Calvinisme God God wilde laten, en zich dus geen |22| wil of werk des menschen ten goede kon denken, dan in een wil en werk Gods steunende, dáárom beleed het de Praedestinatie. Omdat het God God wilde laten en dus waar Hij sprak, zwijgen voor het schepsel betamelijk keurde, dáárom beleed het de autoriteit der Heilige Schrift. Omdat het God God wilde laten, en deswege den band van zijn Verbond absoluut liet gelden, dáárom beleed het de wondere werking der verbondsgenade. Omdat het God God wilde laten, en dus de zedelijke vraag naar onze schuld niet individueel mocht nemen, gelijk wij dit doen, maar organisch moest vatten, gelijk de menschheid voor God staat, dáárom, beleed het niet slechts een erfelijken zondesmet, maar ook als oorzaak van dien erfsmet een erfelijke schuld. En zoo ook, omdat het God God wilde laten, en dies aan zijn Wet heel het menschelijk leven onderwiep, dáárom, en daarom alleen, drong het Calvinisme op het scherpste Puritanisme.

Bij elke andere verklaring blijft het Calvinisme u als historisch verschijnsel een raadsel. Zegt ge toch, dat in „de Praedestinatie” het eigenaardig kenmerk van het Calvinisme ligt, dan zoudt ge in Calvinistische landen een lijdelijke bevolking moeten vinden, van alle goed werk aflatende, en in onaandoenlijke ruste afwachtende, of er al dan niet verkiezing werken ging. Ja, dan kon het niet anders, of een zoo beslist op den voorgrond stellen van het werk Gods, en een zoo volkomen ontzeggen van alle waardij aan het werk des menschen, zou uitgeloopen zijn op schandelijk Antinomianisme.

Vindt ge nu echter, hiermeê in strijd, overal waar het Calvinisme zegevierend intoog, in Genève en onder de Fransche Hugeuoten, in Schotland en in de Nederlanden die tegen Spanje worstelden, en zeker niet het minst in de opkomst van Amerika’s eerste Staten, een ontplooiing van werkzaamheid op elk terrein, die geheel de gedaante van bet volkswezen verandert, een zedelijk puriteinschen ernst, die tegen alle zonde toornt en niets door de vingers ziet, en een zorge voor armen en lijdenden, zooals na de schoone dagen van Jeruzalem nauwlijks gekend was, dan springt het toch in bet oog, òf dat ge hier een onverklaarbaar |23| dualisme moet aannemen, òf wel, dat ge met uw verklaring van het Calvinisme uit de Praedestinatie feil gingt.

Doch neen, er was geen dualisme. Immers het Calvinisme stelde niet de Praedestinatie op den voorgrond, om daaraan een vrijbrief voor een Antinomiaansch of lijdelijk leven te ontleenen; maar het stelde zich voor zijnen God, om uit zijn Woord het licht te laten vallen èn op wat het te belijden èn op het pad dat het te bewandelen had. Omdat het God God wilde doen blijven, daarom beleed het een oorsprong van alle genade, die eeniglijk in Gods ondoorgrondelijke barmhartigheid school; en schreef het tegelijk een regel des levens voor, waardoor ’s menschen wil in alle ding aan den wille Gods wierd onderworpen. Want wel hebben zich in Calvinistische landen ook lijdelijke kringen gevormd, en wel zijn er onder Calvinistische volkeren ook Antinomiaansche secten opgestaan, maar wel verre van deze lijdelijkheid te loven of dit Antinomianisme te vergoelijken, heeft de doortastende ernst van het echte Calvinisme, al deze eeuwen door, zich beide deze ziekelijke uitwassen als giftige adders van den arm geslingerd.

Om te resumeeren.

In het gebed vindt de Religie op aarde haar hoogste uiting. Welnu, het Calvinisme is in Christus’ kerk niet anders dan die geestesrichting, die, zooals ge u in het gebed voor uw God stelt, u zoo ook wil doen staan in uw belijdenis en in uw leven. Lutheriaan of Baptist, Methodist of Griek, aller gebed is goed Calvinistisch. Geen kind van God, van wat Kerkformatie ook, of in zijn gebed geeft hij Gode alleen de eere, dankt zijn Vader in de hemelen voor alle genade, die in hem werkt, en belijdt het, hoe alleen de eeuwige liefde van zijn God, hem tegen zijn eigen wil, uit de duisternis naar het licht heeft getrokken. Op de knieën voor zijn God belijdt elk toegebrachte, dat alle goed werk door den Heiligen Geest in hem gewrocht is, en dat hij, in schuld en zonde verzinkend, ook geen oogenblik bestaan kan zonder de verzoenende ontferming van Hem, die rijk in barmhartigheden is. Kortom, wie bidt, leidt niets uit eigen wil of eigen kracht af dan zijn zonde, die hem voor God veroordeelt, en weet van niets, |24| dat voor Zijn God bestaan kan, of het is uit en door de liefde Gods in hem gewerkt.

Maar terwijl nu alle overige geestesrichtingen in Christus’ kerk dit standpunt wel innemen onder het gebed, maar zoodra het gebed met het Amen besloten is, zich verliezen in daarmeê strijdende voorstellingen, houdt de Calvinist de waarheid van zijn gebed ook in zijn belijdenis, in zijn theologie en in zijn leven staande, en het Amen waarmeê hij zijn gebed besluit, trilt na in heel zijn bewustzijn en heel zijn existentie.


III.

De derde vraag luidde: Langs wat weg kwam deze geestesrichting tot uitdrukking in de Symbolen der Kerken?

En dan zij aanstonds opgemerkt, dat uiteraard elke geestesrichting voor de bereiking van haar symbolisch doelwit haar eigen weg kiest en bij de keuze van dien weg door haar eigen beginsel beheerscht wordt. Als de Roomsche kerk de belijdenisvan de Immacculata conceptio en van de infallibilitas der uitspraken door den Paus in leerzaken ex cathedrâ gedaan, tot leerstuk wil verheffen, roept de Paus een wereldconcilie saam, laat op dat concilie door de tolken der meerderheid, waarop hij rekenen kan deze leerstukken in gereedheid brengen, weet aan de leden der minderheid ontzag in te boezemen, en dwingt straks die minderheid, om van eigen oordeel af te zien en zich te onderwerpen, op poene van uitwerping uit hun bisdom. Voorts kiest de Paus voor de bijeenroeping van zulk een concilie het meest gelegen tijdstip, ditmaal het oogenblik toen de groote oorlog tusschen Duitschland en Frankrijk elk verzet van de Gallikaansche kerk afsneed, en het staatsgezag in Duitschland nog geen tijd voor tegenweer had. Als vorst von Bismarck drie jaren later zulk een tegenweer in den Culturkampf organiseert, is het der Roomsche kerk reeds gelukt in eigen boezem den tegenstand te fnuiken, en gevoelt ze zich machtig genoeg, om met behulp der Duitsche Centrumpartij, het trotsche woord van de Culturkampfer: Wir gehen nicht nach |25| Canossa, tot een leugen te maken. Een wijze van doen, die bij Rome rechtstreeks voortvloeit uit haar principieel voorop plaatsen van de gloria Ecclesiae. De kerk staat tusschen God en mensch in en beslist over beider wederzijdsche verhouding.

Geheel anders ging het in de Luthersche landen. Hier trad de Overheid op den voorgrond. Het beste belijdenisschrift der Luthersche Kerk, de Confessio Augustana dankt zijn oorsprong aan den Rijksdag, die in 1530 to Augsburg wierd gehouden. Het was een keurvorst, die door zijne Theologen te Thorgau voor dezen rijksdag een concept-confessie liet opstellen. Het is dit opstel der Thorgauer artikelen dat Melanchthon in den vorm der Augustana goot. Het waren de politieke afgevaardigden der Luthersche landen en steden, die dit concept als uitdrukking hunner gevoelens aan den Keizer overlegden. En het was de Keizer met den Rijksdag die de eerste 21 artikelen dezer confessie, na veel tegenstand, aan de Luthersche Kerk gewonnen gaf. En ook deze gang van zaken was natuurlijk. Immers van de politieke macht was de reformatie in het Luthersche Duitschland, zij het ook op Luthers initiatief, uitgegaan, en aan de politieke macht bleef de kerk in Luthersche landen caesaropapistisch gehuwd.

Maar zoo ging het in Calvinistische landen niet. Juist krachtens het Calvinistisch beginsel, moest bij deze geestesrichting de Confessie spontaan uit de worsteling der geloovigen zelf voortkomen; en aldus meer het karakter dragen van tot stand te zijn gekomen onder de drijving van den Heiligen Geest. Ook bij hun Confessie en in hun Theologie rekenen de Calvinisten van God uit, niet van den mensch. Het is God, die door het Koningschap van Christus, onder de leiding des Heiligen Geestes, de kerken feitelijk regeert. Het is diezelfde Heilige Geest, die in de kerkelijke vergaderingen praesideert, die in de vergaderingen der geloovigen de Heilige Schrift uitlegt, en die de studiën der Godgeleerden richt, verdiept en bezielt.

Natuurlijk niet, alsof dit werk van den Heiligen Geest in de kerk een absoluut karakter zou gedragen hebben. Veeleer brak de lichtstraal des geestes, zoodra ze slechts even door het prisma |26| van het kerkelijk leven straalde. Maar er lag dan toch dit in, dat voor een Calvinistische Synode, voor een Calvinistisch prediker, of voor een Calvinistisch theoloog, de bron van veerkracht school in het heilig besef, van op verborgene wijze door den Heiligen Geest bezield en geleid te worden.

Zoo is dan ook een der rijkste Calvinistische confessiën, de Helvetica posterior van 1566 niet door een gedelegeerde commissie opgesteld, noch op last der overheid vervaardigd, maar uit Bullinger’s testament opgenomen. Het was eene zielsuitgieting van den vromen Bullinger, die hij, om nog na zijn sterven van zijn geloof te getuigen, reeds jaren voor zijn dood, in de stilte, als voor Gods aangezicht, in schrift had gebracht en bij zijn testament weggelegd. Een der oudsten in tijdsorde, de Fransche confessie van 1559, is uit de martelaarskerk der Hugenoten voortgekomen op eene Synode, die te Parijs onder het dreigen en het moordgeroep der vervolging wierd gehouden. Ze is dan ook in haar schoonen vorm vreemd aan alle schoolsche termen. Veeleer is ze een zielskreet van een bedrukt volk tot zijn overheid, wier slagzwaaxd het op den nek voelt, om in den naam des Heeren van den eenvoud, den ernst en de onberispelijkheid zijns geloofs te getuigen. Hetzelfde geldt van de Nederlandsche geloofsbelijdenis, gevloeid uit de pen van den martelaar Guido de Brés (of de Braye), en die straks niet als theologisch opstel, maarals conscientiekreet door de kerken werd overgenomen en bij de Spaansche machten ingediend. Engelands eerste confessie, die van den godzaligen Koning Eduard VI, droeg mutatis mutandis een gelijksoortig karakter. De oorspronkelijke Schotsche confessie was geestesproduct van den man, die op de galeien in Frankrijk om zijn volstandige belijdenis van het Evangelie geplaagd en gepijnigd, de ziel van Schotlands reformatie was en bleef. En wel wijkt de Westminstersche confessie, die pas in 1648 werd opgesteld, ten deele van deze Calvinistische traditie af; maar hierbij zij opgemerkt: 1º dat ze minder het stellen vaneen nieuwe confessie, dan een resumtie van de martelaarsconfessiën ten behoeve van Engeland bedoelde; 2º dat de strijd, door het Lange |27| Parlement tegen Koning Karel I gestreden, slechts een voortzetting in gewijzigden vorm was van de worsteling, die Luther door door zijn pleit voor „Die Freiheit eines Christenmenschen” tegen de overheersching van de Hiërarchie en de absolute Monarchie had aangebonden; 3º dat ook de Assembly of Westminster bij haar arbeid het oordeel der zusterkerken in Nederland, Frankrijk, Zwitserland, de Paltz, Hessen Kassel, Hanau en Anhalt inwon; en 4º dat in verband hiermee, deze Westminster-Assembly uit een groep zoo uitnemende en godzalige mannen bestond, dat het niet te veel gezegd is zoo men beweert, dat in hen de rijpe vrucht der reformatie, zoo wat vrijheidzin en godzaligheid, als wat manlijke kracht en dege geleerdheid betreft, schitterend uitblonk.

Sporen we nu den principieelen regel op, krachtens welke op de Calvinistische belijdenissen dit eigenaardig stempel gedrukt wierd, dan dient op vierderlei gewezen.

Vooreerst hierop, dat de Calvinistische richting tot het formuleeren van haar confessie alleen komt onder den drang of na afloop van een machtige, heel het leven aangrijpende geestelijke beweging. Zoo was het in de oude Christelijke kerk geweest, die slechts onder de pressie der bange worsteling met de Anti-Trinitariërs, Montanisten, Gnostieken en Manichaërs, haar eerste symbool in schrift bracht. En evenzoo nu kwam het Calvinisme tot schriftelijke confessie in Frankrijk, Zwitserland en Nederland, straks in Schotland en Engeland. De stoot voor de geboorte van zulk een Confessie kwam niet uit den geest der menschheid, maar uit den Geest des Heeren. Ze was geen produkt van het verstandelijk, discursieve denken, maar van eene heel den persoon en zijn levenskring omvattende levensovertuiging, die hem in gevaar en moeite, in strijd en verwikkeling bracht, de zwaarste offers van hem vergde, en waar al wat vleesch was zich tegenaan kantte: maar die de Calvinist niet kon noch mocht loslaten, omdat God zelf ze hem in de ziel had ingedrukt. Bij den Calvinist schuilt altoos achter zijn confessie die verborgen drang des Geestes, waarvan Jeremia uitriep: „Ik bemoeide mij om het te verdragen |28| maar ik kon niet. Het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen.” Alvorens het voor den Calvinist tot confessie kon komen, moest eerst in Christus’ kerk dat moment der geestelijke •6:Z gekomen zijn, door den Psalmist zoo juist geteekend als hij uitroept: Nu is het tijd dat de Heere werke. En dan ja, als dat werken Gods openbaar was geworden, en ook het eigen hart had aangegrepen, zoodat men wist en besefte dat niet de man der school, en niet de wereldsche wijsbegeerte, en noch veel minder de stem van het vleesch, maar de Geest des Heeren Heeren aan het woord was gekomen, dan sprak men ook in Calvinistische landen voor rechters en overheden zijn bezielde, wijl in de ziel ingedrukte, belijdenis uit; niet in termen die nog eerst gezocht moesten worden, maar met woorden die van zelf als schelp om de perel gegroeid waren, en daarom zoo gezalfd klonken en gewijd.

In de tweede plaats voldeed voor het Calvinistisch besef de Heilige Geest aan dien drang tot belijden nooit anders dan door de ontsluiering van Gods Woord. Uit den Geest des Heeren de drang tot belijden, en uit het Woord des Heeren, ter voldoening aan dien drang, de inhoud. Vooral in de Westminstersche confessie is dit, met name op aandrang der Schotsche delegaten, streng doorgevoerd en helder uitgesproken; maar toch in alle Calvinistische Confessiën, zonder onderscheid spreekt dit verschijnsel te zeer en te sterk vanzelf, om nadere aanwijzing te behoeven. Opdat God God zou blijven moest het woord des Konings ook over hun geestelijk leven, en dus ook over hun belijdenis, heerschappij voeren. Ze willen niet anders dan nazeggen, wat God in Zijn Woord hun voorzegt. Hun belijdenis wil en kan niet anders zijn, dan op het Woord huns Gods een dankbare weerklank, en een zoo zuiver mogelijke echo.

Ten derde sluit het Calvinisme in zijn komen tot belijdenis elk individualisme en sectarisme volstandig.uit. Niemand vertrouwt zijn eigen stem, en dan eerst wagen ze het, om uit de volle borst hun overtuiging te doen klinken, zoo ze weten dat gelijke stem ook uit het hart hunner broederen in alle kerken en |29| landen spreekt. Eerst als ze speuren dat de ééne Geest van God, uit hetzelfde Woord van God, allerwegen een gelijke overtuiging gewerkt heeft in het hart van allen, die met hen zich in dezelfde strooming voortbewegen, gevoelen ze zich gerechtigd om, niet maar privatelijk maar in naam der kerk van Christus te belijden, en alzoo schriftelijk nu diezelfde belijdenis te formuleeren, die eerst op den brandstapel door het martelaarsbloed hunner broederen bezegeld is. Vandaar dat de Calvinisten in alle kerken en landen steeds uit eenzelfden toonaard in hun belijdenis spraken; dat ze over en weder elkanders belijdenissen onderschreven hebben; dat ze bij het opstellen en revideeren steeds elkanders adviezen inwonnen; en dat ze feitelijk in hun onderscheidene symbolen slechts een zelfde belijdenis hebben uitgesproken.

En ten vierde zij er op gewezen, dat de Calvinisten nooit tot het te boek stellen van hun belijdenis zijn overgegaan, dan nadat en in zoover de verlichting des Heiligen Geestes hun den zin van Gods Woord op de betwiste punten klaarlijk had doen onderscheiden. Van wat ge bij de enthousiasten van alle gading vindt, dat ze, op mystieke, onklare gegevens afgaande, al vast maar beginnen met hun bijzondere inzichten in schrift te brengen, speurt ge bij de Calvinisten niets. Veeleer staan, ze in het geloof, dat ook de Theologie een dienaresse Gods is, die bij zijn licht wandelt, en gaan deswege dan eerst tot spreken over, als deze Godgewijde Theologie tot genoegzame rijpheid van ontwikkeling is gekomen, om hun het spreken in klaren, helderen trant mogelijk te maken.

Een enkel voorbeeld moge dit laatste punt eenigszins breeder toelichten; waartoe we, om actueel te blijven h, liefst het vraagstuk omtrent de zaligheid der jongstervende kinderen nemen. Vraagt men of de Calvinistische confessiën zich omtrent dit teedere punt uit hebben gelaten, dan moet ten stelligste ja worden geantwoord; edoch, met zekere restrictie. De restrictie namelijk, dat onze Calvinigtische confessiën ook bij dit vraagpunt niet de streeling van het menschelijk gevoel, maar de eere Gods op den voorgrond stelden. Ook onze kleine wichtjes moeten zich naar de eere Gods |30| schikken; niet Gods eere naar de aandoeningen, door het vroeg sterven van onze lievelingen bij ons opgewekt. Deswege waagden zij zich ook op dit punt niet verder in hun belijdenis, dan de Heilige Schrift hun toeliet, en uit de Heilige Schrift bij het licht des Geestes gebleken was. Mits echter deze restrictie, die uit het Calvinistisch beginsel rechtstreeks voortvloeit, worde in acht genomen, hebben de Calvinistische kerken zich, zoo beslist mogelijk uitgesproken voor de stelling, dat wij onze jonge kinderen, die, voor ze tot hun verstand zijn gekomen, door God worden weggenomen, te beschouwen hebben als uitverkorenen en dies gezaligden. In 1619 toch hebben de Calvinistische Kerken te Dordrecht in Art. 17 van het eerste caput der Canones beleden: „Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, ’t welk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van ’t genadeverbond, in hetwelk zij met hunne, ouders begrepen zijn; zoo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God. in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt.” Deze belijdenis toch is in 1619 onderteekend niet slechts door alle kerken van Nederland, maar voorts evenzoo door de vijf Engelsche gedelegeerden; door de drie gedelegeerden uit de Paltz, door de vier gedelegeerden uit Hessen door de vijf gedelegeerden uit Zwitserland; door de twee leden uit Wetterau; en voorts door de gezondenen uit Genève en Bremen. Er kan dus geen verschil over bestaan, of de Calvinistische kerken belijden nog heden ten dage eenpariglijk, dat de „geloovigen”, die jonge kinderen door den dood verliezen, deze kinderen te beschouwen hebben als uitverkorenen, en dus gezaligd. Stelt men nu de grens voor het eenigszins ontplooide bewustzijn op het zevende jaar, en weet men uit de statistiek, dat op 1000 dooden gemeenlijk 35% sterfgevallen onder het eerste jaar voorkomen, 14% tusschen het eerste en vijfde jaar, en 2% onder het zevende jaar, dan blijkt hieruit, dat de Calvinistische belijdenis de zaligheid durft onderstellen van 51% op de totale bevolking der kerken. Van hardheid is hier alzoo geen sprake; eer van te hoogen moed in het grijpen naar veler zaligheid. |31| Iets wat te sterker spreekt, overmits uit het boven geciteerde artikel blijkt, hoe onze Calvinisten zich niet door sentimenteele gissingen of aprioristische deductiën uit de liefde Gods lieten leiden, maar zich beriepen op de Openbaring, ons in het Woord gegeven, en daarom ook bij deze kleine kinderkens niets afdeden van hun verlorenheid in Adam, noch van de uitverkiezing als den eenigen grond hunner zaligheid.

Deze hunne overtuiging omtrent de zaligheid der vroegstervende kinderkens is dan ook geen nieuwe lap, die pas te Dordrecht op het oude kleed is gehecht, maar een rechtstreeksche gevolgtrekking uit wat de Calvinisten steeds beleden, en wat ook thans nog beter zou gevoeld worden, zoo men op het stuk van den Heiligen Doop niet zooverre van de leer der Vaderen was afgeweken. Thans toch vat men den Heiligen Doop meestal op, als doopte men op hoop van latere wedergeboorte, terwijl onze Calvinisten steeds leerden, dat men doopen moet in de onderstelling, dat de wedergeboorte bij het kindeke voorafging en dus aanwezig is. Men had destijds nog een juist inzicht in het organisch karakter van het werk Gods, en leerde diensvolgens dat men wel te onderscheiden heeft tusschen de onderscheidene deelen van de plante des geloofs; dat er namelijk een zaad des geloofs is, waardoor het vermogen om te gelooven den zondaar wordt ingeplant, en dat dit is de principieele wedergeboorte, of de aanvang des nieuwen levens; datvoorts uit dit zaad des geloofs de stengel des geloofs door een tweede werk van Gods genade ontkiemt; dat verder dit geloof uitbot in de bekeering; en eindelijk in geloofsdaden vrucht draagt. Nu kan er natuurlijk bij een jong kind nog geen sprake zijn van een geloofsdaad, ook niet van uitbottend geloof, noch ook van de ontkieming des geloofs, maar wel van het zaad des geloofs, of het ingeplante geloofsvermogen. Wie nu dit ingeplante zaad des geloofs of geloofsvermogen ontving, is wedergeboren, en dus als hij sterft zalig, en heeft uit dien hoofde recht op het zegel des Verbonds en den Heiligen Doop. En het is op dien grond dat de Calvinisten leerden: 1º. dat wij de kinderen der geloovigen te beschouwen |32| hebben als begenadigden, in wie het principiëele werk der wedergeboorte reeds geschied is; 2º. dat ze diensvolgens als geheiligden in Christus den Doop moeten ontvangen; en 3º. dat ze, stervende voor ze tot bewustheid komen, niet wel anders mogen beschouwd worden dan als gezaligden.

Natuurlijk spraken de Calvinisten hiermeê niet uit, dat het zoo was. Zoo min ze zich toch ooit veroorloofden, als Kerk, over den innerlijken staat van een volwassen persoon te oordeelen, maar dit oordeel aan hun God overlieten, zoo min matigden ze zich ook ooit het recht aan, om absolutelijk over de al of niet aanwezigheid van geestelijk leven in een klein kind te beslissen. Slechts spraken ze uit, hoe God wilde dat wij deze kleine kinderkens beschouwen zouden; en deze uit Gods Woord genomene consideratie gebood immers, ook de kleine wichtjes der geloovigen voor uitverkorenen en gezaligden aan te zien en als zoodanig te behandelen.

Ze zwegen daarentegen in hun belijdenis èn over de jonge kinderen der Mohamedanen èn over die der Heidenen. Niet om te loochenen of te ontkennen, dat God zijn verborgen genadewerk ook in zulke kleinen werken kan, maar overmits Gods Woord hierover zweeg, oordeelden ze dat ook Christus’ Kerk hieromtrent niets zeggen kon of mocht. Een belijdenis toch strekt niet, om uit te spreken wat ge zelf vermoedt of gist, maar om te belijden wat ge op grond van Gods openbaring zekerlijk weet.

Reeds Calvijn sprak deze Calvinistische stelling van het genadewerk Gods in de pasgeboren kinderen onomwonden uit, toen hij in zijn Institutie tegen de Wederdoopers schreef: „Maar hoe, zoo zeggen ze, worden kinderen wedergeboren, die nog alle kennisse van goed of kwaad missen, waarop wij antwoorden, dat, dewijl wij nog geen genadewerk Gods in ze zien, daarom de aanwezigheid van dit genadewerk niet mag geloochend worden.” (lib IV C 16 § 17). Elders: „Wat belet dat God diezelfde (kinderen), die Hij straks met zijn volle licht bestralen zal, indien Hem dit zoo goeddunkt, nu reeds met een kleine vonk van zijn licht begifitigd heeft, vooral zoo Hij ze uit dit leven wegroept eer ze tot bewustheid |33| komen” (ib. § 20). En nog stelliger: „Bovendien kan deze geheele tegenwerping, dat toch de kinderen gedoopt worden met het oog op een fides et poenitentia, die eerst later uitkomt, zeer gemaklijk in dezer voege worden weerlegd, dat ofschoon deze fides et poenitentia nog geen vasten vorm in hen aannam, toch door een verborgen werking des Geestes het zaad van deze beide (utriusque semen) in hen zij ingelegd” (ib. § 21). En hierin stemmen zoo goed als alle echt-Calvinistische godgeleerden met Calvijn overeen. Zoo schrijft Maccovius in zijn Theol. quaest. loc. 42 C 20: „Hebben kleine kinderen geloof? Antw. Ze hebben geen daadwerkelijk geloof, maar wel het geloofsvermogen, gelijk ze toch wedergeboren zijn, zoo hebben ze ook het vermogen om te gelooven” 2). Voetius, in zijn Disputationes Theologicae, de regeneratione (Zie Bibl. Ref. IV p. 247 vv.) zegt, met het oog op alle gedoopte kinderen der geloovigen: „De meening van den schrijver keur ik goed, als hij zegt, dat er in de kleine kinderen, die verkoren en in het verbond gezet zijn, een aanvankelijke herbaring door den H. Geest plaats grijpt, waardoor het beginsel en het zaad van de daadwerkelijke bekeering hun wordt ingeplant. Bekend toch is de uitspraak der Gereformeerde Godgeleerden over de uitwerking van den Doop, dat ze strekt niet om de wedergeboorte te weeg te brengen, maar om de reeds aanwezige wedergeboorte te bezegelen” 3). (p. 254) Een regeneratio initialis in de pasgeboren kinderen, die hij dan breeder aldus omschrijft: „Het is geen actie, noch een hebbelijkheid in eigenlijken zin, die het vermogen te hulp komt, maar deels een betrekking, deels een hoedanigheid of geschiktheid in den geest en in den wil, waaruit als uit een zaad de daadwerkelijke stemmingen en hebbelijkheden door een |34| inwerking van den H. Geest te zijner tijd worden opgewekt4) (pag. 255). En Gomarus zegt evenzoo in zijn Opera Omnia vol. III, pag. 130: „De doop kan niet geweigerd aan hem aan wien de H. Geest toekomt. De H. Geest komt toe aan de kinderen der geloovigen. Derhalve mag ook het water van den Doop hun niet onthouden” 5). En om geen meerdere te noemen: Cloppenburg in zijn Exerc. Theol. Tom. I. pag. 1097 betuigt: „Wij stellen hiertegenover, dat de kleine kinderen der geloovigen door een verborgene en rechtstreeksche werking van de H. Geest Christus worden ingelijfd, totdat zij in dit leven of door wegneming uit dit leven, uit den kinderlijken leeftijd geraken, opdat ze òf in dit vleesch, òf van dit vleesch ontdaan, door geloof of door aanschouwen, die dingen beter zien die God hun geschonken heeft evenzoo als aan ons” 6). Zelfs Van der Marck in zijn Comp. Theol. c. 22 § 12 betuigde nog: „Intusschen belijden wij volgaarne, dat aan de kleine kinderen der geloovigen toekomt, krachtens de verdienste van Christus de genade des H. Geestes, welke wij een geloofszaad, een wortelgeloof, of min juist een hebbelijk gelooven hebben hooren noemen” 7). En J. van den Honert die op het laatst der vorige eeuw leefde, schreef nog in zijn de gratia particulari c. II § 44 p. 459. „God kan en wil door een ons onbekende en onnaspeurlijke werking in onze kleine kinderen, die Hij uitverkoor en aleer ze het Woord hooren uit dit leven wegroept naar |35| zijn hemelsche heerlijkheid, het geloof, waar zonder niemand zalig kan worden, te weeg brengen, niet zonder den Heiligen Geest, maar door zijn zeer krachtige werking” 8).

Het is alzoo een geheele onderstbovenkeering van de Calvinistische belijdenis, zoo men niet erkent en belijdt: 1e dat het zaad der wedergeboorte door God kan gewerkt worden in een pas geboren kind; 2e zoo men dit bij de kinderen der geloovigen niet onderstelt; 3e zoo men anders dan op grond dezer onderstelling hun den Doop toedient; en 4e zoo men bij de opvoeding ze niet als reeds in kiem wedergeborenen, beschouwt, en juist daarop den eisch tot bekeering baseert 9).

Alle Calvinistische confessiën toonen dit dan ook te bedoelen, waar ze van het Sacrament handelen. Immers al onze confessiën belijden, dat het Sacrament strekt om het geloof te sterken. En hoe wil dan de Doop, en met name de kinderdoop, als Sacrament gelden, tenzij men onderstelt, dat ook reeds in het te doopen kind het zaad des geloofs door God gelegd zij? Zoo men dit niet onderstelt, mag men een kind niet doopen; want immers zoo er geen geloofszaad in hen aanwezig is, kan de Doop bij hen niet tot sterking van het geloof strekken. Ook de Westminter Assembly sprak dit in haar Catech. Maior uit, toen ze in het antwoord op de vraag: Wat is een sacrament? — onder de werkingen van Sacrament wel ter dege het „Confirmare et augere fidem” opsomde.

Nu zal men hiertegen echter opmerken, dat onze Calvinistische Symbolen, en met name de Westminster Symbolen, zich toch al te sober over dit gewichtig punt uitlaten. En dit is ook zoo. Maar hiervoor bestond tweeërlei reden. Vooreerst toch is het notoir, hoe de Heilige Schrift zelve zich bijna uitsluitend bezig |36| houdt met den weg des heils voor volwassenen, en den geheel anderen weg des heils, dien God met de jonge kinderkens houdt, ter nauwernood aanroert. Hierom loochent de Heilige Schrift niet, dat er behalve den weg des heils voor volwassenen, nog een heel andere weg des heils voor deze kleinen is, (mits natuurlijk altoos aan de uitverkiezing, aan de verzoening in Christus en de wedergeboorte door den Heiligen Geest gebonden), en geeft de Heilige Schrift er klare aanduidingen voor; maar ze werkt die niet verder uit dan voor onzen troost noodig is. Immers de Heilige Schrift is er niet op ingericht om onze weetgierigheid te bevredigen, of ons te doen doordringen in geheimnissen, maar strekt alleen om hen, die de Heilige Schrift lezen of haar prediking hooren, en die dus op ouder leeftijd zijn, te zeggen wat zij te gelooven en te doen hebben. En daaraan nu houden zich ook onze Calvinistische Symbolen. Verder dan de H. Schrift gaan ze niet; en verder mochten ze niet gaan. Een tweede reden is, dat ze nooit in hun belijdenis opnamen wat theologisch nog nooit tot helderheid gekomen was. En overmits nu de samenhang tusschen den Doop en het voorafgaand werk Gods in de jonge kinderen wel theologisch ter sprake gebracht en gedeeltelijk toegelicht, maar nog niet tot heldere formuleering gekomen was, bleven ze op dit punt allicht al te sober. Eerst later toen het Methodisme ingang vond, d.w.z. die oppervlakkige geestesrichting die principieel het werk Gods in de jonggeboren kinderen loochende; geen onderscheid wist te maken tusschen het zaad des geloofs en het uitbottend geloof; diensvolgens aan den Kinderdoop het Sacramenteel karakter ontnam, om hem tot een menschelijke plechtigheid te verlagen; en alzoo bleek te wortelen in de voorstelling dat een nog niet bekeerde dus ook nog niet in het verborgene wedergeboren kon zijn; — is de Calvinistische theologie, door reactie hiertegen, op dit punt tot meerdere helderheid gekomen en staat thans haar uitspraak tamelijk wel vast.

Resumeerende mogen we dus tot deze conclusie komen, dat de Calvinistische Kerken, krachtens hun Calvinistisch beginsel, slechts dàn tot belijdenis kwamen, als de Geest des Heeren ze in de |37| machtige gebeurtenissen der Kerkhistone en in de persoonlijke bezieling harer leiders aandreef. Dat ze zich ten tweede bij haar belijdenis geen ander doel voor oogen stelden, dan om een echo op het Woord van hun God te geven. Dat ze ten derde eerst dan spraken, als er een stemme veler wateren tegelijk uit alle Gereformeerde Kerken opging. En ten vierde, dat ze ook dan nog in hun sober spreken zich bepaalden tot datgene wat bij het Licht des Geestes, door de studie der theologie, tot genoegzame helderheid en evidentie was gebracht.


IV.

Onze laatste vraag was: Aan welke voorwaarden is eene revisie dezer symbolen bij voortgaande ontwikkeling dezer Calvinistische geestesrichting gebonden?

Ook de beantwoording van deze vraag mag niet aan subiectieve wilkeur overgelaten, maar is voor Calvinistische Kerken afhankelijk van den eisch, dien het Calvinistische beginsel stelt, en zulks bij het licht der historie. Men wete namelijk, dat dit vraagstuk van de revisie der Confessie reeds in de 17e eeuw in verband met de Synode van Dordrecht (1618) contradictoir èn van Calvinistische èn van Arminiaansche zijde gesteld is. De bij dien strijd gewisselde stukken zijn nog voorhanden, en met alle gegevens ter toelichting door schrijver dezes onder ieders bereik gesteld in zijn werk getiteld: Revisie der Revisie-legende. Amsterdam, J.H. Kruyt, 1879, waarnaar het hem veroorloofd zij te verwijzen.

Nu is bij het toenmalig geding het recht der kerken om tot revisie van haar belijdenis over te gaan, noch van de eene noch van de andere zijde ooit in twijfel getrokken. Veeleer is beiderzijds toegegeven, èn dat de mogelijkheid van dwaling moest aangenomen, èn dat hetzij door eigen ontwikkeling, hetzij door stouter optreden van de vijanden der waarheid, breeder explicatie noodzakelijk kan worden.

Principieel daarentegen stonden Arminianen en Calvinisten tegenover elkander, zoodra men toekwam aan de vraag, op welke |38| wijze zulk een revisie moest tot stand komen; en deze principieele tegenstelling had haar oorsprong in de geheel onderscheiden beteekenis en waardij, die beiderzijds aan de vigeerende symbolen gehecht wierd.

De mannen van de Arminiaansche geestesrichting argumenteerden van den mensch uit; zagen diensvolgens in eene Confessie niets dan het gewrocht van menschelijke studie; oordeelden in verband hiermeê, dat het menschelijk inzicht volkomen vrij was, om c.q. het eens aangenomen opstel anders te formuleeren, of er een ander opstel voor in de plaats te schuiven; en stelden uit dien hoofde den eisch, dat de revideerende Synode, gedurende de revisie, van elken band aan de Belijdenis ontslagen zou zijn, en naar eigen goedvinden schrappen, veranderen en bijvoegen kon, wat haar op dat oogenblik goed dacht; altoos onder voorbehoud om, op een eerstvolgende of latere Synode het gedane werk nogmaals over te doen en op nieuw de reeds eenmaal gerevideerde belijdenis te revideeren.

Dit standpunt echter wierd van Calvinistische zijde bestreden als principieel Arminiaansch, een verloochening van het werk Gods en eene ontkenning van het Koningschap van Christus in Zijn Kerk.

Neen, zoo spraken de Calvinisten, de confessie is niet zonder meer van den mensch uitgegaan, en mag deswege niet als een gewoon produkt van menschelijke studie behandeld worden. God zelf heeft door de machtige daden van zijn Voorzienig Bestuur den stroom van het kerkelijk leven in sterker golving gebracht; te midden dier algemeene ontroering de geesten sterker dan ooit aangegrepen; juist door die aangrijping de waarheid der Christelijke religie een tijd lang geestelijk dieper doen beleven; en toen is, bij het licht van zijnen Heiligen Geest, uit die ontzaglijke schudding en die dieper geestelijke ervaring allengs een klare, heldere, besliste overtuiging in zijn kerken voortgekomen, die haar formuleering vond in onze Belijdenisschriften. In de symbolen zit alzoo een stuk van het leven der kerken. Ze zijn niet aan een enkel geslacht geschonken, maar aan de kerken van alle geslachten, die nog komen |39| zullen tot aan de wederkomst des Heeren. En het is deswege de roeping der kerken, niet om over deze waarheid te heerschen, maar om zich aan deze waarheid te onderwerpen, en het goud der van God gegeven belijdenis onverdonkerd te bewaren tot dien doorluchten dag, waarop de Koning Zijner Kerk zelf zijn Waarheid zal komen belijden in het oordeel.

Die belijdenis, zoo oordeelden de Calvinisten, lag dan ook niet in het Kerkelijk Archief als een verouderd en nu levenloos manuscript, waarover elke komende Synode naar goedvinden beschikken mocht, maar ze stond in die kerk als een levende getuige Christi, en dus als rechthebbende, overeind, tot tijd en wijle, op behoorlijke klacht, uit den Woorde Gods haar ongelijk op eenig punt zou gebleken zijn. De Belijdenis was in het genot van rechten, haar door God en de historie toegekend, en kon niet dan na een behoorlijk proces uit die wettig geldende rechten ontzet worden. Alleen Gods Woord stond boven haar. Alleen voor Gods Woord kon en moest ze de vlag strijken. En zoo moest dan h.i. de gang van zaken deze zijn: Op de Synode, waar de revisie ter sprake kwam, mocht niemand stem hebben dan die begon, met de Confessie, (mits altoos appellabel aan Gods Woord) te onderteekenen. Dan moest afgewacht, of hetzij uit den boezem der Synode, hetzij van buiten, eenige aanklacht tegen de Confessie op grond van Gods Woord wierd ingediend. Kwam zulk een aanklacht in, dan moest uit Gods Woord onderzocht, of hetgeen in de Belijdenis stond metterdaad onhoudbaar of ongenoegzaam was. En wierd dit, door de gezamenlijke Kerken, na te hulpe roeping ook van de Buitenlandsche Kerken, aldus bevonden, dan moest tot revisie overgegaan, opdat aan het Woord Gods, als het machtwoord van den Koning der Kerk, zijn majesteitsrecht ook over de Confessie onverkort en ongeschonden zou verblijven. Op die wijs is men dan ook op de Synode van Dordrecht, onder uitdrukkelijke adhaesie van alle buitenlandsche theologen, te werk gegaan. De Arminiaansche methode van revisie is beslist afgewezen. Men is op den grondslag der vigeerende Confessie saamgekomen, Men heeft de Arminianen hun |40| aanklacht tegen die Confessie laten indienen. Men heeft geëischt dat ze hun klachten uitsluitend met argumenten aan Gods Woord ontleend zouden waar maken. Deze hun argumenten heeft men gewogen en te licht bevonden. En ten slotte heeft men in de vijf Canones Dordracenae nogmaals den inhoud der Confessie op de betwiste punten breeder, met beroep op den Woorde Gods, uiteengezet, en de beweringen der tegenpartij met de duidelijkste uitspraken van datzelfde Woord weerlegd. Alzoo bleef men ook bij zijn revisie getrouw aan den eisch van het Calvinistisch beginsel, om den Goddelijken factor onverzwakt te eerbiedigen. Immers men eerde de Confessie als een door God aan zijn Kerk geschonken gave; men erkende het van Gods wege, in den loop der historie, aan die Confessie verleende recht; en men gedoogde geen andere revisie der Confessie, dan waartoe de klare uitspraak van Gods Woord dwong.

Dit wat de formeele zijde der Revisie betreft; waardoor alzoo elk recht der Kerken is uitgesloten, om, zonder nadere aanleiding, de Confessie als een lekgeworden schip ter kalefatering op de helling te brengen, en te laten verbouwen naar ander, zoo men meent, meer zeewaardig model. Wierd toch dit exorbitante recht aan de Kerken eenmaal toegekend, dan zou het formeel aan een Gereformeerde kerk vrij staan, eerst van Calvinistisch Luthersch, over tien jaar Baptistisch, nog later Episcopaalsch, en ten slotte Grieksch, of Roomsch te worden. Al naar gelang de Synode ware saamgesteld, zou men dan in de eene periode Trinitarisch, en in de volgende Unitarisch kunnen zijn. Zoo zou men met zijn tijd meeleven, of beter gezegd, met den stroom van den tijdgeest afdrijven, instede van als trouwe getuige den rotsgrond van Gods eeuwige waarheid tegenover de rustelooze wisseling der menschelijke meeningen te verheerlijken. Al spoedig zou elk verband met het voorgeslacht zijn afgesneden, en geen verband met andere Kerken zou meer overblijven. Formeel zou heel het wezen der Kerk op losse schroeven zijn gezet. En het einde zou zijn, dat wat zich een kerk noemde, feitelijk was opgegaan in een debatteerend en disputeerend gezelschap van regilieuze sophisten. |41|

Toch is ook door deze bedingen het rechte verloop eener kerkelijke revisie nog niet gewaarborgd en behoort deze teedere quaestie ook uit een ander oogpunt bezien.

Ongetwijfeld is de Reformatie niet de laatste „Drang en Sturmperiode” van Gods Kerk geweest; en ook thans doorleven Gods Kerken weer een periode van hoogst ernstige crisis, die zeer stellig tot machtiger geestesspanning, en daardoor tot dieper en rijper geloofsovertuiging leiden zal; iets waaruit vanzelf een verrijking ook voor onze kerkelijke Symbolen zal voortvloeien. De gaping die allengs ontstond tusschen onze subiectieve overtuiging en onze obiectieve belijdenis, zal vroeg of laat gedempt worden.

Maar is het daarvoor nu reeds de tijd?

En speelt een Calvinistische Kerk niet zeer hoog spel die daarvoor de ure thans reeds gekomen acht?

Het wil ons zoo voorkomen, en wij althans zouden het niet durven ondernemen, om nu reeds in onze Nederlandsche Kerken tot revisie over te gaan.

Ziehier de redenen, die o.i. voorhands tot een opschorting van alle revisie noodzaken.

Zal een Calvinistische kerk, op grond van rijker geestesontwikkeling, tot revisie van haar Symbolen overgaan, dan moet daarbij drieërlei voorwaarde vervuld worden: 1e deze geestesontwikkeling moet een ontwikkeling in haar lijn zijn, en dus niet een reactie tegen, naar een rijker ontplooiïng van het Calvinistisch beginsel; 2e deze rijker ontplooiïng moet zoo algemeen in de kerken zijn doorgedrongen, dat niet de eene helft der kerkeraden of classes haar meening aan de anderen oplegt, maar dat de kerken saam, in haar groot geheel, desaangaande eenzelfde eenparig getuigenis geven; 3e om tot formuleering van deze rijker ontplooing te kunnen overgaan, moet de Calvinistische theologie genoegzame vorderingen hebben gemaakt, om de kerken ten deze te kunnen dienen; en 4e om dit nieuwe stadium onzer symbolische ontwikkeling te kunnen intreden, moet ook in de overige buitenlandsche Gereformeerde Kerken gelijke overtuiging tot gelijke resultaten kunnen leiden. Vier logisch onafwijsbare voorwaarden, waarvan |42| het notoir is, dat aan niet één enkele dusver voldaan is of kan worden.

Niet aan de eerste. Immers zoo één ding vaststaat, dan wel dit, dat geheel de jongste ontwikkeling op godgeleerd terrein, gelijk die bij Schleiermacher haar oorsprong neemt, wel verre van het Calvinistisch beginsel verder te brengen, veeleer principieel er tegen indruischt. Zelfs mag betwijfeld of er eenige ontwikkeling van het algemeen Christelijk beginsel in valt waar te nemen. Veeleer toch ontvangt men den indruk, dat de poging, oudtijds door de Gnostieken en Neo-Platonici gewaagd, om de Goddelijke openbaring in een philosophische bedding over te leiden thans op talentvolle wijze in de school van Schleiermacher herhaald wierd. En wel ontkennen we den zegen van den Réveil niet, die op Christelijk terrein na de dagen van Napoleon volgde, en ongetwijfeld heeft deze van God verwekte Réveil op practisch gebied en voor de mysteriën des gemoedslevens wonderen verricht; maar in de denkwereld drong deze Réveil niet door, en op het terrein der gedachte en der wetenschappelijke ontwikkeling verbleef het woord bijna uitsluitend aan eene Philosophische, vaak naar het Pantheisme afhellende, richting. Dit had ten gevolge, dat de immanentie steeds meer ten koste der transcendentie wierd gedreven, en dus juist het Calvinistisch bedoelen steeds meer wierd uitgebannen. Er moet dientengevolge, bij de onmiskenbare ontwikkeling, die op geestelijk terrein ook in onze Kerken viel waar te nemen, scherp onderscheiden tusschen tweeërlei invloed: eenerzijds de geestelijke impuls die krachtiger levensopenbaring, op practisch en mystiek terrein teweegbracht; en anderzijds de insluiping van een philosophisph, anti-kerkelijk en aan het Calvinisme geheel vreemd, ja, tegenovergesteld, element op het terrein der wetenschap en der gedachte. En overmits nu niet hoofdzakelijk het practische, noch uitsluitend het mystieke, maar juist in de eerste plaats het gedachte-element bij een revisie der belijdenis aan de orde komt, loopt men ernstiger gevaar dan velen vermoeden, om, ook bij schijnbaar onschuldige wijzigingen, onverhoeds en tegen zijn bedoeling, voor eens en voor altijd van |43| de Calvinistische lijn af te buigen, en een bestanddeel in zijn belijdenis op te nemen, dat als vrucht der Philosophie tegen de van God geopenbaarde waarheid reageert. De rijpere ontwikkeling van het Calvinistisch beginsel gist en broeit wel, maar is op verre na nog niet gereed om reeds nu tot vaste resultaten te leiden.

Evenmin kan voldaan worden aan de tweede voorwaarde, t.w. dat in de Belijdenis slechts de ontwikkeling worde geformuleerd, die de gemeene overtuiging van het groot geheel der kerken is geworden. Toen de Synode van Parijs in 1559 haar confessie uitvaardigde, zei al wat Hugenoot in Frankrijk was hier van heeler harte ja en amen op. De confessie van Guido de Braye is niet bij meerderheid van stemmen, maar met geestelijk élan tegelijk door al onze kerken aangenomen. Ook te Dordt gingen de Canones met gemeen accoord door. En toen de vaderen van Westminster hun arbeid gereed hadden, gevoelden alle Calvinistische kerken van Engelsche herkomst, dat hiermee geen andere belijdenis was uitgesproken dan die leefde in aller hart. En zoo moet het ook zijn. Zoolang God de Heere met het werk zijns Geestes nog niet in de harten gereed is, is de kerk nog niet aan de revisie van haar belijdenis toe. Van een elkaar overstemmen, van een meerderheid en een minderheid mag hier geen sprake zijn. En zoolang derhalve de Synode, die ter revisie saamkomt, nog gedeeld zou staan, ligt reeds in dit feit zelf het voldingend bewijs, dat het oogenblik voor zoo gewichtig werk nog niet is aangebroken, en rijper ontwikkeling moet worden afgewacht.

Nog droever staat het intusschen met de derde voorwaarde, waaraan elke wettige revisie van een Calvinistische confessie gebonden is, t.w., dat de Calvinistische theologie zich vooraf krachtig genoeg ontwikkeld hebbe, om de formuleering der gedachte te leveren. Want wel heeft zich in Duitschland tegenover de Vermittelungstheologie een eigen Luthersche theologie ontwikkeld, deels door Villmars optreden, deels door den energieken arbeid der Oud-Lutheranen. Ook heeft de Roomsche theologie weer beduidende teekenen van leven gegeven. En zelfs hebben de Baptisten |44| een niet geringe activiteit ontplooid. Maar de Calvinistische theologie bleef nog sluimeren. Niet alsof het in de Calvinistische kerken aan kundige geleerden en vruchtbare schrijvers ontbroken zou hebben; het tegendeel is waar; maar hun arbeid was òf meer van practischen en stichtelijken aard, òf bewoog zich wel op meer principieel gebied, maar om zich, ’t zij met een cocta recoquere te vergenoegen, ’t zij de contrabande der Duitsche Vermittelungstheologie op Calvinistisch terrein binnen te loodsen. Hodge uitgenomen, is er zelfs van een poging om de Calvinistische theologie weer op te bouwen, ternauwernood sprake geweest, en zelfs Hodge heeft door zijn voorslag om „the facts of the Bible” als het principium Theologiae te aanvaarden, zijn eigen initiatief verzwakt. Wat Heppe en Ebrard, en ten deele Schweizer en Scholten, leverden, is te waardeeren als bijdrage tot onze historische kennis, mits men maar in het oog houde, dat deze historische gegevens door hen dienstbaar zijn gemaakt aan het enten van een philosophischen loot op den Calvinistischen stam. De theologie van de Fransche kerken volgde òf het individualisme van Vinet òf liet zich op sleeptouw nemen door de scholen van Schleiermacher en Ritschl. In Zwitserland is na Gaussen en Merle d’Aubigné niemand opgestaan die ook maar den toeleg verried, om den wortel der Calvinistische theologie met frissche wateren te besproeien. En in Duitschland is zelfs het Calvinistisch besef in de Gereformeerde kringen zoo goed als uitgesleten. Dit feit is niet onverklaarbaar. Door den verbazingwekkenden invloed, die, minder nog Kant, maar vooral Fichte, Schelling en Hegel, en later Lotze en Herbart, op het algemeene denken der godgeleerden hebben uitgeoefend, is Duitschland, gelijk op elk gebied, zoo ook op dat der Theologie, aan het hoofd der intellectueele beweging getreden. Vandaar dat ook in Duitschland door den invloed en onder de auspiciën dezer wijsgeeren een geheel nieuw theologisch leven gewekt is, dat allen theologischen arbeid in andere landen verre achter zich liet. Hierdoor leverde Duitschland voor elk onderdeel der Theologie veelszins uitnemende geschriften en bruikbare handboeken, die spoedig ook buitenaf |45| ingang vonden, en dat juist om hun niet-confessioneel karakter. Gevolg waarvan was, dat er thans bijna niet een enkel theoloog leeft, die niet voor een aanmerkelijk deel door deze Duitsche Vermittelungstheologie, in één harer vele schakeeringen, bewerkt is; er zijn denkwijze door vormen liet; en alzoo ongemerkt aan de theologische basis van zijn eigen kerk vervreemdde. Eerst nu men door droeve ervaring heeft leeren inzien, hoe deze cameleontische Duitsche theologie ons van Martensen naar Rothe, van Rothe naar Ritschl, en straks van Ritschl naar Lipslus en Biederman afvoert, heeft het kloeke voorbeeld der oud-Lutherschen weer enkele theologen op Calvinistisch terrein geprikkeld, om aan een eigen ontwikkeling van het hun toebetrouwde theologisch pand de hand te slaan. Een begin is er dus. Ook de Calvinistische theologie zal straks weer gereed zijn, om haar stem te doen hooren. Maar van een ontwikkeling dezer theologie, die, op de hoogte van haar tijd en zonder verloochening van haar beginsel, reeds een klaar en helder licht voor een nieuwe formuleering onzer confessiën zou kunnen ontsteken, kan nog geen sprake zijn. Gevolg van een revisie, bij volslagen ontstentenis van wat ter voorbereiding onmisbaar is, zou dus niet anders kunnen zijn, dan dat men ongemerkt en in weerwil van de uitnemendste bedoelingen, toch vreemde elementen in onze confessiën inlaschte; zich bij zijn formuleeringen op hoogst bedenkelijke wijze uitdrukte; en spoedig de noodzakelijkheid zou inzien, om het gedane werk ongedaan te maken.

Waar dan ten slotte nog bijkomt, dat op een voldoen aan de laatste of vierde voorwaarde t.w. de samenwerking met buitenlandsche kerken, niet de allergeringste kans bestaat. Te Dordrecht en te Westminster, waar beide malen een vergadering van uitnemend kundige, met hun formuleeringen gereede en echt-Calvinistische theologen saamkwam, heeft men toch de volstrekte onmogelijkheid gevoeld om ten finale voort te procedeeren, zonder dat het oordeel der buitenlandsche kerken gehoord was. Men mocht zich niet van de Gereformeerde Kerk van Christus, die over heel de aarde verspreid is, afscheiden, en omgekeerd zou |46| eerst de adhaesie van alle deze kerken het zegel op het ondernomen werk drukken. Aan zulk een maatregel is thans in de verte niet te denken, overmits bijna alle Gereformeerde Kerken met het schreiendst ongeloof in eigen boezem te kampen hebben, en in hun Synodale organisatiën meestal onbekwaam zijn, om over de formuleering van de Waarheid Gods, als orgaan van de stemme Christi, te worden gehoord. Althans op het Europeesche Continent is de toestand ten deze desolaat. Hoogstens zou men enkele theologen om hun advies kunnen vragen, mits deze vooraf verklaarden, met de belijdenis hunner eigen kerk nog van heeler harte in te stemmen; maar deze maatregel zou toch nooit subintreeren kunnen voor het advies der Gereformeerde kerken over heel de wereld.

Een revisie onzer Symbolen, onder zulke omstandigheden, tegen den eisch van het Calvinistisch beginsel en de manende stem der historie, toch doorgezet, zou dan ook slechts de voorloopster zijn van een straks nog verder gaande revisie. Hierdoor zou de indruk van het vaste der waarheid bij onze kerken een gevoeligen knak krijgen. En deze onvastheid zou er op uitloopen, dat de Confessie, wier roeping het juist is, het geloof te sterken, een hoogst schadelijk instrument zou worden, waardoor het geloof in de gemeente in toenemende mate schade leed.

Juist om dit gevaar af te wenden, volgden onze Vaderen steeds den vroeden regel, om, ook waar ze tot nadere formuleering van de waarheid genoopt wierden, te laten staan wat stond, en in een appendix een nadere verklaring van eenig betwist punt aan hun belijdenis toe te voegen. De Canones van Dordt zijn hiervan een schitterend voorbeeld, dat ook nu, zoo de nood aan den man komt, navolging verdient. Men zet dan geen nieuwe lap op het oude kleed, dat ons wierd overgeleverd. Alles blijft in zijn vasten stand staan, en de kerken spreken slechts uit, dat zij op enkele punten, die nader licht behoefden, tot zekere nadere formuleering gekomen zijn.

Maar ook zelfs tot zulk een maatregel zou schrijver dezes de Nederlandsche kerken. voor alsnog niet durven raden. Zelfs op het |47| stuk der Overheid zou dit o.i. nog ontijdig zijn; ook al begrijpen we ten volle dat de Calvinistische kerken in Amerika art. 3 Cap. 23 uit de Westminstersche Confessie geschrapt hebben. Wie de vrucht plukt eer ze aan den tak gerijpt is, wordt bijna altoos gestraft door te laat berouw. En dan eerst zal voor onze kerken de tijd voor een revisie van haar Symbolen gekomen wezen, als het eerst gelukt zal zijn, uit haar geestelijken dampkring de heterogene elementen te verwijderen; zich van haar eigen levensbeginsel weer èn thetisch èn historisch helder bewust te worden; en uit dit weer begrepen beginsel een Calvinistische theologie te ontwikkelen, die, haar levenssap alleen uit eigen wortel optrekkend, in staat zal blijken, om zich te rechtvaardigen voor het denkend bewustzijn van de kinderen onzer eeuw.

Het Calvinisme is een eigen geestesrichting, die in de kerk van Christus een eigen heilig pand heeft te bewaren, een eigen beginsel te doen schitteren, en een eigen roeping tot Gods eer te vervullen. Door het laten uitslijten van dit eigenaardige zou dus het Calvinisme een misdaad begaan, en zou de Kerke Christi geestelijk verarmd en verminkt worden, doordien een lid uit haar organisme wegviel. Wij, Calvinisten, zouden van een hooger naar een lager standpunt terugzinken. En een komend geslacht zou ons over ons graf de verwijtende vraag toeroepen, met welk recht we het van God ons toevertrouwde pand en de heilige erfenisse der vaderen hadden prijsgegeven.

Dit is de rekenschap, waarom schrijver dezes, hoorende van de revisie, die in Amerika is voorgeslagen, en inziende welke consequentiën hieruit voor de Nederlandsche Kerken zouden voortvloeien, zich voor Gods aangezicht in de conscientie gebonden zou achten, zulk een revisie ten onzent vooralsnog ten stelligste te ontraden.

Over Amerikaansche toestanden is hiermeê echter geen oordeel uitgesproken. Dit zou hem niet voegen, en geen welwillend lezer zal hem zulk een aanmatiging toedichten. Althans eenige persoonlijke kennismaking met de kerken in Amerika zou hieraan dienen vooraf te gaan, en bij al zijn schier dweepende sympathie |48| voor het in Amerika ontloken leven, ontbrak hem voor zulk een bezoek dusver de tijd.

Dat hij nochtans ook in een Amerikaansch tijdschrift van deze zijn zienswijze rekenschap gaf, vond zijn oorzaak dan ook uitsluitend in de wetenschap, dat ook bij deze quaestie zekere algemeene beginselen in het spel zijn, die, van tijdelijke gegevens en plaatselijke omstandigheden volstrekt onafhankelijk, het bedrijf der „issus de Calvin” in elke eeuw en onder alle hemelstreek moeten beheerschen.


Amsterdam, 1 Sept. 1890.




1. Een en ander is door schrijver breeder gestaafd in drie afzonderlijke geschriften: Het Calvinisme oorsprong en waarborg van onze constititioneele vrijheden, Amst 1875 2e uitg., Het Calvinisme en de kunst, Amst. 1888, en Eenvormigheid de vloek van het moderne leven. Amst. 1869.

2. „Anne infantes habent fidem?” Resp. „Habent, not actualem, sed habitualem, quemadmadum enim regeniti sunt, ita et fidem habitualem habent.”

3. „Placet opinio autoris, quod statuit, in infantibus electis et faederatis locum habere spiritus sancti regenerationem initialem, per quam principium et semen actualis conversionis suo tempore secuturae imprimitur . . . nota est enim. sententia (theologorum reformatorum) de efficacia Baptismi non in producenda regeneratione, sed in iam productâ obsignandâ.”

4. „Non est actio, nec habitus proprie sic dictus qui facilitat potentiam, sed partim relatio, partim qualitas ceu facultas spiritualis in mente et voluntate; ex quâ tanquam e semine quodam . . . actuales dispositiones et habitus per impressionem Spiritus sancti suo tempore suscitantur.”

5. „Ad quos Spiritus sanctus pertinet, illis aqua Baptismi denegari non potest. Ad fidelium infantes Spiritus sanctus pertinet. Ergo aqua Baptismi iis denegari non potest.”

6. „Opponimus, infantes fidelium arcana immediata operatione Spiritus sancti inseri Christo, donec vel in hac vita vel in mortis articulo infantilis aetas accipiat finem, ut vel hic in carne, vel exuti carne, per fidem vel per visionem agnoscant, quae ipsis gratificatus est Deus, ut et nobis.”

7. „Interim lubenter fatemur . . . infantibus fidelium . . . competere iuxta Christi meritum Spiritus gratiam, quam fidem seminalem, radicalem, habitualem etiam minus proprie, nonnulli appellant.”

8. „Potest enim vultque Deus fidem, sine qua nulla hominis salus est futura, in infantibus, quos elegit quosque ante auditum ab iis Evangelium ad coelestem gloriam evocat, ignota nobis atque inpervestigabili via operari, non sine Spiritu Sancto, sed per eius efficacissimam operationem.”

9. Dit is breeder door schrijver dezes aangetoond in zijne Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus, zie de artikelen over het Sacrament, den Doop en den Kinderdoop, in de Heraut van 1889 en 1890.




a.

b. Namelijk de Presbyterian Churches of the United States of America.

c. Vgl. ‘[Revisie der Westminster Confessie]’, De Heraut No. 714 (30 augustus 1891).

d. Vgl. ‘De revisie der Westminster Confessie’ I-II, De Heraut No. 715 en 716 (6 en 13 september 1891).

e.

f. Toespeling op „de Presbyterian Alliance, of Bond van Presbyterialen, waarbij allen zich konden aansluiten, wier kerk door kerkeraden geregeerd werd.” Vgl. ‘[De Haagsche Synode en de Common Creed]’, De Heraut No. 714 (30 augustus 1891).

g. Vgl. Corpvs et syntagma confessionvm fidei, qvae in diversis regnis et nationibus, ecclesiarum nomine fuerunt authentice editae: in celeberrimis conventibus exhibitae, publicaque auctoritate comprobatae. Qvibvs annectitvr in omnibus christianae religionis articulis catholicus consensus ex sententiis veterum, qui patres vocantur . . . Genevae, apud Petrum et Iacobum Chouet, 1612 [titelpagina Nijmegen]. Een nieuwe editie verscheen in 1654.

h. Dit was één van de punten waarop revisie werd voorgesteld. Vgl. ‘De revisie der Westminster Confessie’ I, De Heraut No. 715 (6 september 1891), onder 7º.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000