XII. De patriarch Benjamin

De beminde des Heeren.

Deut. 33 : 12. a


Ben-Űni”, kind der smarte, was de naam dien Rachel stervende aan haar nog nauwlijks geboren kind gaf. Maar Jacob weerde dit sombere merkteeken van den jongste der patriarchen af, en riep: „Neen, niet Ben-Űni, maar Ben-jamin zal mijn kind heeten. Niet kind der smarte, maar kind van zeldzaam geluk!

En dit roepen van Jacob was profetisch. Want Mozes reeds kon het nader uitspinnen en getuigen: „Benjamin is de beminde des Heeren. Hij zal zeker bij hem wonen. De Heere zal den ganschen dag hem overdekken, en Hij zal wonen tusschen zijne schouderen.”

Uit Juda de Christus, en daarom toen Juda voortrad: „Juda, gij zijt het. U zullen uwe broeders loven.” Maar |68| aan Benjamin wierd de glorie van de Godsstad gegeven, en daarom Benjamin de Beminde des Heeren.

Immers niet in Juda, maar in Benjamin lag Moriahs berg, ene bij Moriah het Sion Gods, en daaronder het heerlijke Jeruzalem, als omstuwd met Gods bergen.

Hieraan lag het dan ook, dat Benjamin naar Juda trok, en Juda aan Benjamin kleefde. En toen tien van de twaalf stammen van het huis Davids afvielen, bleef Benjamin, en Benjamin alleen, aan het prinselijk Messiashuis getrouw.

*

En toch al ging Jacobs profetie op die wijze in vervulling, en al wierd Benjamin „gelukskind” boven zijn broederen, toch school ook in Rachels stervende klachtevan Ben-Űni dieper zin dan Jacob giste.

Rachel is in IsraŽl „de klagende moeder.” De moeder die eerst, als Hanna, haar klachte uitstort, omdat haar ziel om kinderen roept en die kinderen haar onthouden worden. Dan is ze weer „de klagende moeder”, die in haar barensweeŽn stervende, tot God schreeuwt, omdat haar kind haar moederzorge derven moet. En eindelijk wordt ze voor IsraŽls besef en voor de profetie nogmaals „de klagende moeder”, |69| die vergaat van weedom des harten, als Benjamin wordt uitgemoord, als de BabyloniŽrs IsraŽl voortsleept, en als de Edomiet de kinderen IsraŽls vertreedt; die omwaren en met vertederende zielsmart weenen blijft over al IsraŽls berooving van zonen; tot eindelijk IsraŽls groote Zoon, de Christus, geboren wordt, en ook naar hem de moordende hand wordt uitgestoken, en in den kindermoord van Bethlehem nog eens deze Rachelssmarte wordt opgewekt.

Juda is uit Lea, Benjamin uit Rachel, en in dat tweetal zonen zijn Jacobs anders zoo naijverige vrouwen verzoend met elkaar. Eerst misgunt de een het kind aan de ander, maar eindelijk is het Rachels smarte die door het lijden van Lea’s kroost wordt gaande gemaakt.

*

Doch ook in zichzelf heeft Benjamin op ontzettende wijze den diepen zin van Rachels Ben-Űni, „kind der smarte,” ervaren.

Ge vergist u, zoo ge u Benjamin voorstelt, als een lief, aanminnig kind, waar alle argheid van geweerd bleef.

Hoor maar, Jacob zal het u stervend anders zeggen, als hij uitroept: „Benjamin is als een verscheurende wolf, die ’s morgens roof eet, en ’s avonds nog buit deelt.” |70|

Er zat in Benjamin felle hartstocht; iets van het wilde dier, in menschelijke vormen.

En dit onheilig drijven, niet gekeerd, eer lang gekoesterd, sloeg eindelijk in dien schrikkelijken gruwel van verdierlijking uit, waarvan het Boek der Richteren ons het afgrijselijke verhaal biedt.

En toen wierd Benjamin dan ook, als een wild dier, of gelijk Jacob hem noemde, als een verscheurende wolf, door de jagers gejaagd. Uit alle gouwen van Palestina kwamen de stammen op, om tegen het verdierlijkte Benjamin jacht te maken.

En toen Benjamin zich in zijn woestheid handhaven wilde, toen is het vertreden en door de broederen uitgemoord, en niet dan een scheut aan een dorren wortel was van Ben-jamin, neen van Ben-Űni, overgebleven.

Het was I-cabŰd geworden. Benjamins eere was weg!

*

En zie, toen juist, toen het dieper dan een der andere stammen uit den beker der zonde gedronken had, en harder dan eenig ander stuk van IsraŽls erfdeel door de roede des Heeren in den dood was geworpen, toen heeft God de Heere er lust aan |71| gehad, om juist in Benjamin zich te verlustigen, op Benjamins erve zich zijn woonstede te kiezen, en Benjamin te zegenen met een glorie, zooals, na Juda, nooit eenige andere stam ontving.

De nederwerping in den Dood heeft in Benjamin een onberouwelijke keuze naar Jehovah gewerkt. En toen straks Jozefs huis in Dan en Bethel altaren voor „de zonde van Jerobeam, den zoon van Nebat,” oprichtte, en met al Lea’s overige kinderen zich tegen het huis Davids verhardde, kleefde Benjamins ziel in Juda den Middelaar Gods en der menschen achterna.

In Benjamin blonk het geloof uit.

Het ging met Benjamin eerst in den dood, en toen door den dood tot het leven. En toen wierd het met het zaligste gebenedijd, t.w. met de heilige Tegenwoordigheid des Heeren.

„God zelf had dezen berg begeerd, ter woning, om, aldaar geŽerd, zijn heerlijkheid te toonen!”

Blinkende verscheen daar Jehovah in zijn schoonheid op Sion.

En toen is op Benjamins erve het offer gebracht; en heeft de wierook er gegeurd; en dreunde het geluid der trommelen en cymbalen er bij den lofpsalm. |72|

Tot eindelijk Hij Jeruzalems poorte intoog, die uit louter barmhartigheid zich tot Ben-Űni vernederd, d.i. als Man van smarte zich gegeven heeft.

En Hij leed en Hij stierf. Maar ook uit een der bergspelonken van Benjamin is Hij als de verrezen Heiland uitgegaan.

En toen is ook in Hem de Ben-Űni tot een Ben-jamin geworden. Tot den Zoon der eere. Gezeten als Hij is aan de rechterhand 1) der kracht Gods, en dŠŠrin al zijn glorie vindend.




1. Ben-jamin beteekent letterlijk: Zoon die aan de rechterhand is.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 12 (24 april 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001