XI. De patriarch Jozef

Een vruchtbare tak aan een fontein.

Gen. 49 : 22. a


Thans resten nog Rachels eigen zonen. Eerst Jozef en dan Benjamin. En hierbij trekt het terstond de aandacht, dat toch Rachel eigenlijk de vrouw van Jacobs keuze was; Lea niet; dat Lea hem veeleer tegen zijn zin wierd opgedrongen door den ijverzuchtigen Laban; en dat desniettemin Lea, en nietRachel, in haar kinderen, de van God gezegend is.

Toen Laban aan Jacob merken liet, dat hij genegen was, hem ťťne van zijne twee dochters te geven, zag Jacob dat Lea leepoogig was, maar Rachel een schoone jongedochter, of zooals er in Gen. 29 : 17 letterlijk staat: „Lea had teedere oogen, maar Rachel was schoon van gedaante en schoon van aangezicht.” Dit nu boeide Jacob. Op dat uitwendig |61| schoon ging hij af; te meer daar de ontmoeting aan den herdersput den eersten en daardoor machtigsten indruk op hem had gemaakt. En zoo kiest hij niet Lea, maar Rachel. Van een heiliger overweging geen spoor; van een meer geestelijke onderzoeking geen zweem. Op wat voor oogen is gaat Jacob af, en zeven jaar wil hij Laban dienen, om het bezit van dat schoone kind.

Laban evenwel had andere gedachen. Dat voorbijgaan van zijn oudste kind stuitte hem. Bovendien, als hij nu Lea gaf, zou Jacob nog wel zeven andere jaren om Rachel dienen; en anders trok hij voort. En zoo bedroog Laban Jacob en gaf Lea voor Rachel in plaats. En het is door dat bedrog van Laban heen, dat God de Heere bezig is in Jacob zijn raad over den Zoon zijner liefde te voleinden.

Lea, niet Rachel, zou in de heilige linie moeder des Heeren worden.

En hoe Jacob ook door vrouwenschoon verlokt wordt, en Lea verwerpt, om Rachel de zijne te kunnen noemen, toch zet de Heere zijn raad door, en niet Rachel, maar Lea wordt de moeder van Messias.

*

|62| Jacob koos Rachel, niet in geloof, maar om haar schoon; en dit merk wijkt niet van haar kinderen. God moet kiezen, en Jacob wilde zelf kiezen; en zie, nu gaat dit eigenmachtig kiezen van Jacob ook op de liefde voor zijn kinderen over.

DŠŠr staat Juda, en in hem is het zaad van Messias, maar Jacob mist het geestelijk orgaan, om het te bevroeden. En niet Juda, maar Jozef wordt zijn lieveling.

o, We weten wel, te PniŽl is Jacob in de vrijmacht van een verkiezend God omgezet, en op zijn sterfbed heeft hij het van Juda beleden: „Juda, gij zijt het, u zullen uwe broederen loven!” (als beleed hij: „Ik heb mij vergist; ik koos Jozef; maar niet Jozef, gij, Juda, zijt het!”) — maar tijdens zijn kracht bleef hij de eigenwillige kiezer, die RAchel in steÍ van Lea, en Jozef in plaats van Juda koos.

Jozef, en niet Benjamin, gelijk het volkszeggen van het „Benjaminnetje” wil, als hing Jacobs hart ’t meest aan den jongste. Neen, aan Jozef hing het, aan Jozef meer dan aan iemand. En dat hangen van zijn hart aan Jozef ging ook hier, als bij Lea, in het uitwendige uit, want hij sierde Jozef met sieraad en prikkelde daardoor zijn andere kinderen tot zonde. Hij sierde Jozef met den veelvervigen rok. |63|

En zooals Jacob zijn kind zette, zoo kwam het leven in Jozef ook uit. Hij bracht hun kwaad gerucht aan hun vader. Hij begon zich te gevoelen als boven hen verkorene. Hij wierd hun een doorn in het vleesch, in steÍ van een broeder die hen minde.

Zoo liep Jacobs eigenmachtig en uitwendig kiezen ten leste onder zijn kinderen op moord en doodslag uit.

Jacob had God voorbijgezien, en dat voorbijzien van God bracht een vloek in zijn hart en in zijn huis tot in lengte van dagen.

Een vloek, slechts daar gestuit, waar genade een oogenblik vrijmachtig tusschenbeide trad.

*

En zoo is het in de woestijn bij Dothan, zoo in Egypte onder den eersten FaraŲ.

De verworpen Juda, dien God verkoren had, redt daar den verkorene Jacobs. Juda voorkwam Jozefs dood. En nu gaat een star vol glans over Jozef op, en Jozef heerscht wonderlijk. Wonderlijk door genadegave der droomuitlegging. Wonderlijk door genadegave der kuischheid. Wonderlijk door genadegaven der regeerkunst. Wonderlijk door |64| liefde voor zijn vader en zijn broederen, en door zijn verlangen om in Kanašn begraven te worden.

Dat is ander sieraad dan Jacobs veelvervige rok. Maar nu is het de Heere ook die wonderen doet, en niet een schuldig mensch.

En toch, ook zoo wordt het met Jozef geen doorgaand werk. Hij symbool, Juda type, ziedaar al het verschil!

Type van den Middelaar is de man, uit wien naar het vleesch die Middelaar tevens voortkomt, symbool die andere man, die slechts een gelijkheid van trekken met hem gemeen heeft.

En zoo is Jozef symbool van den Messias. Als Messias door zijn broederen verkocht. Evenals deze door zijn broederen ter dood gewijd. Als Hij na zijn lijden verheerlijkt met koninklijke eere. Als Messias de uitdeeler van gaven aan de broederen die om zijn bloed riepen. o, Gansch heerlijke symboliek!

Maar meer dan symboliek ook niet; want Juda, niet Jozef is de verkorene; en straks tuimelt Jozefs stam weer. Jozef verworpen.

*

|65| Aandrift, dorst naar een talraak zaad lag in Jacob. God had dat in zijn grootvader Abraham ingebracht door de belofte: „Aanzie de starren des hemels, alzoo zal uw zaad zijn!” En die geloofsbelofte werkte door en beheerschte ongemerkt Jacob en Lea en Rachel, en straks heel IsraŽl. Nu nog. Veel kinderen is onder IsraŽl de afgebeden zegen.

En dat nu komt ook bij Juda en bij Jozef uit, maar bij beiden op eigen manier.

Juda krijgt straks een ontzaglijk zaad; want uit den Christus kiemt het nieuwe IsraŽl, en al de duizenden uit IsraŽls vleeschelijk zaad, wat doen ze anders dan verbleeken bij de honderden millioenen die aan Juda uit den Christus zijn toegebracht?

Maar in dezen was Abram Abraham, d.i. vader der groote menigte, naar de verkiezing Gods; geestelijk; uit den Zoon der liefde.

Daarentegen naar het vleesch was Abram Abraham ook reeds door Jozef geworden. Zooals Rachel reeds bij het noemen van Jozefs naam op die veelheid wees. In Jozefs naam ligt de gedachte der altoos nieuwe toevoeging. En op zijn sterfbed sprak Jacob nog: „Jozef is een vruchtbare tak aan een fontein”. Altoos die veelheid.

En zoo komt het dan ook uit.

Uit dien ťťnen Jozef splitsen zich twee en zelfs drie |66| stammen: EfraÔm, en half Manasse aan deze, en half Manasse aan gene zijde der Jordaan.

Een gansch groote menigte. Want EfraÔm was onder alle stammen het grootst en de twee helften van Manasse waren elk gelijk aan een anderen stam.

Hier is dus het groote aantal, het machtige cijfer: groot in wat voor oogen is.

Altoos die keuze van het schoone meisje, die zoo veruitwendigend en ongeestelijk nawerkt.

En dit gaat door.

Eerst in Jozef zelf, die een heidensche vrouw huwt. Straks in EfraÔm, dat Jeruzalem verwerpt, en te Dan en Bethel de zonde van Jerobeam, den zoon van Nebat, opricht.

Jozef, die in EfraÔms noodlottige keuze Davids huis verwerpt, en zoo van het geestelijke afglijdt naar wat voor oogen is.

Eerst een gouden kalf.

Straks de dienst van Bašl en AstharŰth.

De Achabs in elpenbeenen paleizen op den berg tegenover den Thabor.

Tot het eindelijk genoeg is, en de Heere Jozef verwerpt, en EfraÔm aan den vijand levert, en Hij zijn raad voortzet met Juda.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 11 (17 april 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001