X. De patriarch Zebulon

Den overvloed der zeeŽn zuigen.

Deut. 33 : 19. a


Zebulon staat vlak tegen Issaschar over. Want beduidt Issaschar dat het om loon ging, Zebulon zegt u, dat het al gaat uit genade.

Toen Lea Issaschar nog krijgen moest, had ze Ruben de bekende DudaÔm laten zoeken, en gaf die aan Rachel, en kreeg nu naar ze meende haren man om loon, als prijs, om wat ze verworven en gene afgestaan had.

Maar nu het aan Zebulon toekomt, heeft ze afgezien van alle kunstmiddelen, van elk loon en prijs, van elk pogen om te verwerven. En nu, nu Zebulon haar geboren wierd, beseft bekent ze zelve ook, dat het ditmaal uit vrije ongehouden genade was. Want aldus riep ze uit: „Nu |56| heeft God mij, ja mij, begenadigd met een goede genade, begiftigd met eene schoone gift!”

De tegenstelling is dus onloochenbaar.

Bij Issaschar roept ze: „God heeft mij mijn loon gegeven.” Bij Zebulon: „Wat ik ontving is vrije gifte mijns Gods.”

En nu eerst, nu ze door deze tegenstelling heenging, grijpt ze onbewust het heerlijke der genade.

Want zoolang Jacob haar zocht om loon, volgde er ook weer scheiding als de prijs uitbleef; maar nu, nu het naar louter goedheid ging, nu leeft ze ook in de hope, dat het bij haar wonen voor altoos zal wezen. En na den uitroep: „Uit genade gedacht”, volgt dies de andere: „Nu zal de bijwoning duurzaam wezen.”

En immers hierin juist ligt al het heerlijke voor wie komen mocht tot vrije genade.

Zoolang ge om loon en naar verdienste rekendet, had uw heil bij God uit, zoodra uw verwerven en verdienen ophield. Altoos vrees.

Maar nu ge tot vrije genade kwaamt, nu is er wetenschap eener eeuwige gemeenschap met den Eenige.

Want waar genade ons toetreedt, laat genade niet los.

*

|57| Zebulon, zoo zong Mozes, zou den overvloed der zeeŽn zuigen, en ook hier ligt die vrije genade symbolisch en beeldspreukig in.

De zeeŽn zijn voor den visscher, wat de akker voor den landman is, maar met dit verschil, dat de landman ploegt en zaait en egt en wiedt, en al zijn arbeid en al zijn moeite ten koste legt, terwijl de visscher niets doet.

Zijn akker wordt door God gezaaid en God de Heere ploegt en egt dien met zijn machtigen storm.

En al wat de visscher te doen heeft is dus, in de zeeŽn zijn gebreide netten neer te laten; en zoo God de Heere de visch dan in die netten zendt, haalt hij het goud uit de wateren om niet op.

De zee wordt niet gepacht. Er wordt niet voorbetaald. Hier geen prijs en geen loon, maar vrij wegnemen.

Of wilt ge, om met Mozes te zingen: De visscher is als een kind aan ’s moeders borst, en de zeeŽn liggen voor hem gereed dat hij er uitneme. En daarom Zebulon, dat aan zee lag, Zebulon zal den overvloed der zeeŽn zuigen.

Straks zijn het dan ook visschers uit wie Jezus zijn Apostelen kiest, om vrije genade voor de goddeloozen te gaan uitroepen. |58|

Als ze het net links leggen en niet vangen, en dan het rechts uitslaan en het niet ophalen kunnen van de volte, ligt daar een wonderbaar bewijs van geheel vrijmachtige genade in.

En de uitkomst toont nog, dat een visschersbevolking het best verstaat wat vrije genade is.

Eerst zuigen uit den overvloed der zeeŽn.

En dan zuigen uit den overvloed van den oceaan van Gods barmhartigheid.

*

Eindelijk vrije genade ontsteekt geestdrift, blaast moed in, en zoo staat er ook van Zebulon, dat Zebulon de kunst verstond, om „een slagordening te houden met een onwankelbaar hart;” en Deborah zong van datzelfde Zebulon, „dat het zijn ziel versmaad heeft tot in den dood.”

En ook dit gaat altoos door.

Wie niet leunt en steunt op de uitkomst van eigen doen, maar op ’s Heeren bestel en bestier, die kent geen gevaar en deinst nimmer.

Ook ons zeevolk was vanouds bekend om zijn onverschrokken moed en dapperheid.

Dat leert God de Heere aan de visschers en wie ter zee vaart, in zijn ontzettende stormen. |59|

Dat maakt den mensch klein en God zoo groot, en dan waagt men het op den Eenige.

En nu, die dappere stam van Zebulon, is toch ťťn der eersten voor de troepen van Nebucadnezar bezweken, omdat ze een der eersten aangevallen wierd.

Toen wierd het donker in Zebulons dalen, en zat het volk er in de duisternis.

Maar geen nood, zoo ge uit vrije genade leeft, kan ook uit die donkerheid het licht weer dagen.

Hoor maar, daar weerklinkt de profetie: „Het volk van Zebulon dat in de duistenis zit, zal een groot licht zien” (Jes. 8 : 23 en 9 : 1).

En dat licht is in Zebulon gezien.

Want in Zebulon lag Nazareth, waar onze Heiland de langste jaren zijns levens doorbracht.

En in Zebulon lag Kana, waar Hij het water in wijn veranderde.

En toen die heerlijke kracht in en van Nazareth openbaar werd, toen, zoo merkt de Evangelist ons op, is de profetie van het licht om te kunnen zien aan Zebulon vervuld. (Matth. 4 : 13 en 15).




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 10 (10 april 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001