IX. De patriarch Issaschar

Om loon.

Gen. 30 : 16. a


Na de vier zonen der twee dienstmaagden komen nog vier zonen van Jacobs eigen vrouwen. Van Rachel Jozef en Benjamin. Van Lea Issaschar en Zebulon. En het eerst ligt van deze vier Issaschar aan de beurt.

Lea was kindergek; ze was bovendien in hooge mate naijverig; en onder dit alles door speelde een trekken des geloofs, om onder de moeders van Messias geteld te worden. En door dien drievoudigen drang gedreven en geprikkeld kende ze geen rust; ontzag ze geen offer; was geen inspanning haar te groot. Ze wilde slaven en sloven, als Jacob ze maar weer tot zich nam, en als ze van Jacob maar weer een eigen kind mocht ontvangen. o, Dan wierd alle |49| teleurstelling en alle last willig gedragen, want dan ware dat kind dat ze ontvangen zou haar loon.

En omdat Lea nu al die jaren om dat kinderloon gezwoegd had, daarom riep ze, toen eindelijk dat kindeke kwam: „Noem hem Issaschar, d.i. om loon ontvangen, want dit jongske loont mij mijn smart.”

Kennelijk was Lea de dagen van haar dracht dan ook aldoor met dat denkbeeld „als mijn loon maar komt” bezig geweest. Uit ’s moeders hart en zin was die trek naar loon ook op het kind dat ze droeg overgegaan. En zůů kwam het dan uit, dat Issaschar niet alleen „Loontrekker” heet, maar ook als „de werker om loon” onder IsraŽls stammen geteekend staat.

Wien het loon lokt, ziete tegen het dienen in arbied en moeite niet op. Als het loon maar komt! Dat loon verzoet hem alles. En zoo wordt men een slover, of wat men gemeenzaam noemt een „werkezel”. Waarom Jacob op zijn sterfbed dan van Issaschar zong: „Issaschar is een sterk gebeende ezel, neerliggende tusschen twee pakken” (Gen. 49 : 14).

*

Zulk een op loon uitzijnd zielsbestaan brengt het gevaar |50| met zich, om desnoods voor geld ook den beteren levensschat uit te ruilen, en in dien strik viel ook Issaschar.

Want toen het er op aankwam, om zijn erve kloekmoedig tegen den invaller te verdedigen, rekende Issaschar uit, dat tribuut betalen nog goedkooper uitkwam dan zijn stam gestadig in oorlog te wikkelen, en om profijt, uit utiliteit, bracht hij het offer van zijn vrijheid.

De verlokking er toe was groot. Door zijn erve liep de groote handelsweg die uit het hart van AziŽ over Damascus door de vlakte vna IsraŽl naar de Middellandsche Zee trekt. En zoo kwam het, dat de invallers het vooral op Issaschar voorzien hadden, maar ook dat het hun iets waard was, om, door vergelijk, met Issaschar op goeden voet te blijven.

En zoo paste Issaschars aard bij zijn belang, om een stelsel van zijn lafheid en winzucht te maken.

Jacob had het hem profetisch reeds aangezegd: „Toen Issaschar de rust zag die hij bedingen kon, dat ze goed was, en het land dat het lustig was en er wel bij voer, zoo boog hij zijn schouder om te dragen en ging dienen onder tribuut” (Gen. 49 : 15).

Wie om loon dient rekent, en wordt door dat rekenen |51| licht een uitrekenaar. Dat geeft dan soms een wonder scherpen blik; fijne voelhorens; een schrander instinct. En daar stond Issaschar dan ook onder heel IsraŽl om bekend. Lees het maar wat de Chroniekschrijver van Issaschar zegt: „Ze waren mannen, die zonen van Issaschar, ervaren in het verstand der tijden, om te weten wat IsraŽl doen moest”.

Ze waagden nooit iets. Zoodra het schip lek wierd, gingen ze er als oude ratten, naar men zegt, af, en op ijs waar geen balken onder lagen, zag men hen niet. En zoo lieten ze anderen altoos de spitse afbijten. En zij kwamen er bij, als het onder den wind doorging.

Zoo dienden ze den geweldenaar, zoolang tegen hem op te staan gevaar meÍbracht, en stonden ze op, als de opgaande zon over den anderen kant ging. Eerst dienden ze systematisch onder tribuut. Toen stonden ze met Barak op en wierpen Jabin uit, en toen Isboseth gevallen was, waren zij onder de eersten uit de Noordelijke stammen, om naar David over te loopen. Zij roken toen, om zoo te zeggen, dat wie tegen David ging, er aan moest, en dat er met David te verdienen viel.

o, Ze waren zoo uitgerekend, die Issascharieten.

De Schrift zegt er over: „Al hunne broeders pasten op hun woord.” |52|

BaŽsa, de zoon van Pua, de zoon van Dodo, was ook uit Issaschar, en toen hij zag dat Jerobeams troon, toen Nadab dien beklom, niet houdbaar was, trok hij op en sloeg Nadab, en zette de kroon op zijn eigen hoofd en toog in het paleis te Thirsa.

Natuurlijk, er zaten in zulk een stam wel administratieve krachten.

Thola, de richter uit Issaschar, heeft drie en twintig jaren achtereen te Samir over heel IsraŽl geheerscht.

*

Een schreiend contrast biedt u op Issaschars erve een tweetal bergtoppen. Thabor de ťťn, en de berghoogte waar JizreŽl op lag de ander.

In dat JizreŽl huisde Achab de zondaar en hield Izebel huis, en in die bosschen op de bergglooiing vierden de zondaren en zondaressen hun gruwelijken en afschuwelijken, godsdienstig ingekleeden, Vleeschesdienst. Daar lag de akker van Naboth. Izebels bloed is daar door de honden gelekt. Al het laagste, waartoe de mensch zich verlagen kan, is op dat JizreŽl, op die verrukkelijk schoone berghoogte, geschied.

En daartegenover lag Thabor. Lang niet zoo schoon. |53| Stiller en meer verlaten. Maar daar op dien stillen bergtop zijn een Mozes en Elia met den Zoon des menschen gezien en hebben toen gesproken van den uitgang, dien Hij volbrengen moest te Jeruzalem.

Dat ging ook „om loon”. Want de Vader had gezegd (zie Ps. 2): „Eisch van Mij en Ik zal de einden der aarde geven tot uw bezitting”.

Izebel op den JizreŽl is het om Naboths akker te doen, en als het om geld niet gaat, moordt ze hem en vergiet zijn bloed.

Den Verheerlijkte van den Thabor is het om de einden der aarde te doen, en Hij vergiet zijn eigen bloed als een rantsoen voor de zijnen.

Maar dan komt ook het loon. Want zoo zegt de Heilige Apostel: „Daarom heeft God Hem uitermate zeer verhoogd!”

*

„Loon” op zichzelf is dus niet zondig. Om loon gaat het in het Werkverbond.

Ook onder het Genadeverbondgaat het al om het loon van Hem, die het al voor ons gedragen heeft. En zelfs aan zijn gekochte kinderen deelt de Ontfermer nog een loon uit, |54| een schat, dien ze in de hemelen opleggen, alleen niet naar verdienste, maar uit genade.

Te wanen dat ge met en om loon, nu ge zondaar wierdt, er komt, dŠt is de zonde; dŠŠruit spruit het gevaar voor den loontrekker; dŠt is het waardoor ook Issaschar verging.

Maar ook in die zondige gestalte bleeft desniettemin Issaschar onder IsraŽls stammen de verpersoonlijking en de belichaming dezer heerlijke gedachte, dat God uit den hemel ziet al de moeite en den arbeid en dat er een loon groot in de hemelen zal zijn, voor wie de kunst verstond om in het onzichtbare te werken; en dat eens in den dag der glorie het roepen uit den hooge zal izjn: „Ziet, Ik kom, en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden naar zijn werk!” (Openb. 22 : 12).




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 9 (3 april 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001