VIII. De patriarch Aser

Zijn brood zal vet zijn!

Gen. 49 : 20. a


Aser is ůůk van Zilpa. Haar tweede zoon, dien zij Lea baarde en die voor Lea gerekend wierd. En evenals God, zijn broeder, draagt ook Aser een wereldschen karaktertrek.

Wereldsch is de karaktertrek eigenlijk bij al de zonen der twee dienstmaagden. Bij Bilha’s tweetal geslepenheid in Dan en het vleiend woord in Naftali. En evenzoo bij Zilpa’s zonen in Gad de rustige spierkracht en in Aser de welstand, het welvaren, het ruime levensdeel; of gelijk Lea het bij haar baren kernachtig uitriep: „Aser is geluk!

Aser is hetzelfde woord als waarmeÍ de eerste psalm en psalm twee en dertig begint; want „welgelukzalig” heet in het oorspronkelijk ůůk Aser. En toen het „Zalig zijn ze die hongeren en dorsten!” langs de heuveltoppen van Naftali |42| weerklonk, ging ook van Jezus’ lippen telkenmale die zelfde klank uit van Aser!

Maar bij Aser den patriarch had dit „Aser” nog niet den geheiligden, nog niet den diepen, nog niet den geestelijken zin. Bij hem is het nog enkel uitwendige voorspoed, burgerlijke welgesteldheid. Asers snoeren waren in lieflijke plaatsen gevallen. Een schoone erfenisse was hem toebedeeld. Want Asers stam lag aan de afhelling van den Libanon, gekoesterd door de zon, en toch door de koelte der zee gedurig verfrischt. En dit nu maakte Asers erfland tot een klein paradijs in Palestina.

Nog op zijn sterfbed riep daarom Jacob van Aser uit: „Asers brood zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.” En dit ťťne zeggen van „koninklijke lekkernijen” teekent heel het karakter van dezen stam. Zooals wij, Nederlanders, een Westland hebben, dat als Hollands moestuin, de eelste druiven en het kostelijkst ooft en de fijnste peulvrucht en de sappigste moeskruiden levert, en met al dit schoone gews de tafel der grooten en der rijken, der vorsten en der prinsen voorziet, zoo ook had oudtijds IsraŽl zijn Aser.

Ja, niet enkel de omliggende stammen, maar ook het |43| machtige Tyrus en Sidon ruilden Asers lekkernijen voor goud in. En door dat goud kwam welgesteldheid, kwam overvloed, vloeide weelde in Asers leven in. En welvoldaan had Aser in zijn prachtig erfland geen zorgen voor den komenden dag en geens dings gebrek.

Of gelijk Jacob het beeldspreukig uitsprak: Aser at zijn brood niet droog. Neen, Asers brood zou vet zijn; en zoo komt ook bij Mozes weer die zelfde karaktertrek van welvaart en weelde uit, want zegt Mozes: „Aser doopt zijn voet in olie.” En waar het brood vet is, huwt men lichtelijk en wordt het kroost talrijk, zoodat Mozes in Deut. 33 : 24 zong: „Aser zal gezegend zijn met zonen; hij zij zijnen broederen aangenaam.”

*

Zoo was dan Asers deel niet het meest benijdenswaardige. Voor het vleesch o, zoo begeerlijk, maar voor het geestelijk welzijn bitter gevaarlijk. Voor Aser was de verzoeking om af te vallen het grootst.

„Eer gaat een kemel,” zegt de Heere, „door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk der hemelen”; en Aser was rijk en zag al de verzoeking van den rijkdom op, en om, en voor zich gelegd. |44|

Aser lag het verst onder alle stammen van Jeruzalem en zijnen heiligen tempel af. Wat verleiding niet voor de weelderigen en gemakzuchtigen, om in tijden, toen nog alle reis in het za‚l of te voet ging, van Sion te vervreemden.

Aser lag vlak bij en was omzoomd door het bloeidende PheniciŽ, dat met zijn machtige koopsteden Tyrus en Sidon heel de Middellandsche zee en de wateren tot aan Spanje beheerschte. Als het zijn bergen afdaalde stond het midden in der Heidenen land, met al zijn wereldsche aantrekkelijkheid en bekooring voor der zinnen lust.

Aser dreef zelf handel, en voer in schepen de zee over, en wel mede uit Dan, maar toch ook uit Aser waren de rijke Joden, die ge later in alle havensteden in het Westen vindt.

Zoo trok alle band de Aserieten naar de wereld die niet uit God is, en de band naar Jehova trok zoo zwak.

En daarom trok Aser zich dan ook de nooden van Gods volk niet aan, en toen Barak voor IsraŽls behoud worstelde en Deborah haar heldenlied zong, klaagde ze over Aser met name, dat „Aser in zijn zeehavens was gaan schuilen en zich verscholen had in zijn bergspleten.” (Richt. 5 : 17).

En dat kon niet anders. Want weelde verwijft en een te |45| ruim deel vermagert de ziel. Men heeft dan zoo veel te verliezen, dat men altoos in vreeze zit. En ook men laat voor geld alles door anderen voor zich doen, en ontwent daardoor aan het zelf doen, aan het uitsteken van hand en arm, en zoo ontspant zich de veerkracht, en de wilskracht, de kracht zelfs om te kķnnen willen, verslapt.

*

En zoo komt het dan ook dat dit „Aser”, dit „zalig” in Jezus’ zaligspreking, vlak tegen Aser overstaat. Aser doopt zijn voet in olie, maar de Heere spreekt „de armen” zalig. Aser levert koninklijke lekkernijen, maar de Heere spreekt ze zalig „die treuren”. Aser eet brood dat vet is, maar de Heere spreekt zalig, die hongeren en dorst lijden.

En toch, Aser was daarom in IsraŽl niet misplaatst en niet bij vergissing onder de stammen van IsraŽl gerekend.

Want bedenk wel, dat, ja, zalig de armen heeten en zalig die treuren en zalig die hongeren, maar dat noch die armoÍ, noch die droefenisse, noch die honger bestemd is om eeuwig te blijven, en ook het heilig ideaal spreekt van een „vette tafel vol mergsen zoeten wijn” die eens bereid zal worden.

Armoede en honger en de diep ontwelde traan zijn |46| voorbijgaande, duren kort, maar wat het werkelijke en het eeuwige zal zijn, dat is storelooze vreugde en overstelpende weelde, een zich baden in onuitputtelijk genot.

En daarom heet het bij IsraŽl altoos, dat het een land krijgt „vol melk en honig”, een „hof des Heeren”, een weelderige gaarde van den Heere hunnen God. Altoos ook de uitwendige glorie gehecht aan het worstelen der ziel.

Heiligheid en verloochening en kruisdragen, maar ook eens de heerlijkheid en die heerlijkheid voor altoos.

En dit nu, dat aan de heerlijkheid slechts voor een korte poos het lijden en de berooving kleeft, maar dat er eeuwiglijk het heerlijke meÍ is verbonden, dŠt moest Aser onder IsraŽls stammen vertoonen. Aser is de profetie: dat de glorie komt!

De Rothschilds en wat millioenenvorsten er onder de Joden van naam meer zijn, drukken datzelfde uit; want het belieft de Heere nu eenmaal nog altoos aan Joden den machtigsten schat van goud en goed op aarde te geven.

En toch staat het Kruis van Golgotha daar tegenover, ons manende, dat we die uitwendige gelukzaligheid niet te vroeg grijpen; eer ze nu varen laten, en er afstand van doen om Jezus’ wil; en dat wie alzoo de weelde der wereld |47| verloochent eens de weelde des hemels volop smaken zal.

Ga heen, verkoop al wat ge hebt, en kom dan en volg mij. Ook die rijke jongeling was Aser.

En vraagt ge, of Aser dan niet verkommen en in zijn weelde ondergegaan is, o, laat het Woord u dan getuigen hoe de Heere met koninklijke genade toch ook uit de rijken in Aser de zijnen koos en toebracht.

Want immers bij de verzegelden in het boek des Lams zegt de engel ons, dat er 10.000 ook van Aser waren.

En als het Kindeke Jezus in den tempel wierd gedragen en Simeon het Kindeke in zijn armen droeg, was er in dien tempel ook een Anna, de profetesse, die stokoud als ze was, bij den aanblik van dat Kindeke in heilige verrukking lofzong en van den Heere der heerlijkheid profeteerde.

En nu, ook Anna die profetesse was uit Aser.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 8 (27 maart 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001