VII. De patriarch Gad

Er is hoop.

Gen. 30 : 11. a


Na Bilha’s zonen komen de zonen van Zilpa, een vertrouwde slavin van Lea, die Lea uitverkoor en aan Jacob gaf, opdat ze voor Rachel niet zou wijken.

Zilpa’s zonen zijn Gad en Aser. Een tweetal namen van schier gelijken zin. Beide duiden ze: goed geluk, aan. Toch Aser meer den welstand dien men geniet, Gad meer den zonneschijn waarin men omwandelt en die onze toekomst bestraalt. Riep Zilpa van Aser: „Hij brengt geluk!”, van Gad jubelde ze: Met hem komt hope!

Gad is heel anders dan Naftali; vormt met Naftali een tegenstelling; mist wat Naftali bezat; en blinkt uit door wat Naftali miste.

Want Naftali was schoon door lieflijkheid, maar teeder; |36| en Gad daarentegen is de geweldige; de gespierde, die een ieder aan kan; de reuzenfiguur, en daarom prat en tuk op zijn sterken arm.

De Gadieten zijn van IsraŽls „strijdbaarste mannen” (1 Chron. 5 : 26). Koning David koos zich uit dezen stam „kloeke helden, krijgslieden ten oorlog” (1 Chron. 12 : 8). Toen IsraŽl uit de woestijn naar Kanašn optoog, ging de heldenstam Gad voorop. Toen Sihon en Og geslagen waren, vroeg de stam der Gadieten, om deze ontembare Amorieten verder ten onder te mogen brengen, en verkoos zijn erfdeel in Gilead, eer IsraŽl over de Jordaan trok. En toen bij Makkeda de koningen van het Zuiden onder Adoni-Zťdek en bij Merom de koningen van het Noorden onder Jabin moesten verslagen, waren de Gadieten weer voorop getogen.

Ze waren als een keurbende in IsraŽl zoolang het op strijden aankwam.

Dapper, sterk en kloek.

En daarom zong Jacob op zijn sterfbed van Gad: „De vijand zal op Gad aanvallen, maar Gad zal het zijn aanvaller betaald zetten” (Gen. 49 : 19); en riep Mozes, |37| die reeds bij Hesbon der Gadieten dapper vechten gezien had, in verrukking uit: „Gezegend is de Heere, die aan God ruimte heeft gemaakt. Nu woont God als een oude leeuw, en verscheurt arm en schedel.” Gad kreeg het eerst zijn erfdeel, omdat Gad „aan het hoofd der stammen optrok” (Deut. 33 : 20 en 21).

*

Gevoel van welstand, besef van kracht, bewustzijn van sterkte maakt opgewekt, maakt moedig, maakt dat u hope tegenlacht uit het verschiet. En daarom bij Gad geen zweem van slimheid als bij Dan, noch iets van het vleiende in Naftali. Gad gaat recht op zijn doel af. Hij vertrouwt niet op zijn lippen, maar op zijn sterken arm. Hij duikt niet diep en vliegt niet hoog, maar zet důůr uit haast te overmoedig zelfvertrouwen.

Gad is de belichaming van het optimisme. Van zwartgallige bedenking houdt hij niet. Wetende dat het goed zal gaan, leeft Gad uit een leven der zorgelooze hope.

En ook hierin spreekt een trek uit het menschelijk hart, die niet verwaarloosd mag; want het leven der Hope is een kracht. |38|

Terwijl de andere stammen achter de Jordaan veilig lagen en gedekt waren door de zee, stond Gad voortdurend bloot aan de invallen der vijanden van het Oosten en Zuiden. Zijn erve lag bloot, op zijn grenzen naar drie zijden. En toch, Gad vreesde niet, en Gad is niet uitgeroeid, maar in stand gebleven door zijn heldenmoed en bezieling der Hope.

Want goede Hope is levenstinctuur voor het hart.

Ze versnelt den loop van uw bloed; ze spalkt uw oog wijd open; ze verdrijft de angstvalligheid en de ingebeelde bezwaarnissen. Het zoo loopt ge met de Hope in het hart een weg van veertig dagen tot aan Horeb; en met den gloed der Hope in het hart verzilveren zich voor u de randen der donkerste wolken. En ge krijgt geluk, en het lukt u, en de Hope is als een toovermacht in uw hand.

*

Daarom is een overwinnend leger zoo onweerstaanbaar. Want bij zulk een leger is de vrees weg, en weg de angst, en weg de benepenheid der ziel. En nu is de kracht verdubbeld. En alles gaat en stormt voort in ťťn onweerstaanbare aandrift. En een aldus voortstormend leger overtreft zichzelf in kracht. |39|

Vandaar dat bij Johannes, den apostel der Liefde, een Paulus als apostel des Geloofs en een Petrus als apostel der Hope behoort, en zoo ook onder IsraŽls patriarchen naast Benjamin en Naftali de heldenstam van den altoos hopenden Gadiet.

o, Beschijne die Hope ook uw levenspad!

Vooral wanneer die Hope bij u, niet als bij den Gadiet uit eigen krachtsbesef en in uw sterken arm opwelt, maar wortel schoot in den sterken arm van dien Held Gods, die in uw plaats optoog en voor u den strijd des Heeren heeft gestreden, en het alzoo Hope niet uit uzelf maar Hope om den ImmanuŽl is. Hope in uw ziel uit het volbrachte werk Christi!

o, Dat de Kerk toch haar eigenzinnige beperking af wilde leggen. „Liefde moet uw Kerk bouwen”, roept de ťťn. „Neen, het Geloof moet het cement der Kerk zijn”, roept een ander. En beiden vergeten te spreken van het derde onmisbare: van de Hoop.

*

En toch, de Heilige Geest duldt die verandering en duldt die weglating niet. „Geloof, Hoop en Liefde” moet het zijn |40| en blijvne. Deze drie. En niet door de Hoop weg te laten deze twee.

Toen David voor Absalom vluchtte heeft hij in MahanaÔm, op de erve Gads en in het midden der Gadieten, de hope van zijn kroon en troon weergevonden. Het was op de erve vanGod, dat de Heere aan Jacob bij Bethel verscheen, en de hemelen zich openden en de ladder nederdaalde, waarlangs de engelen Gods neerwaarts en opwaarts klommen, om de hope in zijn hart te hergeven. Ja, meer nog, op de erve van God heeft Jacob bij PniŽl geworsteld, en hervond hij levensmoed in de Hope op zijn God.

Zoo is wat bij den Gadiet in ongeheiligd zelfvertrouwen rustte, bij het kind van God een in ImmanuŽl geheiligde Hope der ziel geworden.

En daarom, terwijl deze winderige hoop bij Gad overslaat in overmoed (Joz. 22 : 11) en ten leste vertreden wordt onder Nebucadnezars strijdwagens, rijst de star der Hope over het kind van God altoos hooger aan den hemel.

Tot eens ook die Hope ondergaat, maar om dan over te gaan in Aanschouwen!




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 7 (20 maart 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001