VI. De patriarch Naftali

Naftali geeft schoone woorden!

Gen. 49 : 21. a


Bilha kreeg nůg een zoon. Diens naam was Naftali. En omdat beiden Bilha’s kinderen waren, hooren Dan en Naftali sa‚m.

Er ligt dan ook in beiden een machtige trek van gelijkheid. Want immers ook van Naftali geldt, wat we van Dan vonden. Ook Naftali onder de stammen klein; ook Naftali moedig om voor de zaken des Heeren te strijden; maar ook Naftali in dien strijd meer steunend op vlugheid en gladheid en gevatheid dan op heldenmoed en kracht.

Dat heeft Jacob op zijn sterfbed gevoeld, en daarom zong hij profetisch: „Dan zal strijden, maar zoo als een slang met het paard kampt, door het onverhoeds in de verzenen te steken.” En zoo ook: „Naftali zal voor den Heere |30| strijden, maar door vlug als een losgelaten hinde te zijn en glad te zijn met de tong.”

Van Naftali toch sprak hij: „Naftali geeft schoone woorden!

Om Naftali had Bilha geworsteld.

Blijkbaar had Lea, nadat Bilha met Dan haar eersteling had gebaard, nogmaals al haar kunst er op gezet, om Jacob uit Rachels tente naar de hare te lokken.

Bang, vreeslijk moet die worsteling tusschen de twee op elkaar naijverige vrouwen geweest zijn. Of eigenlijk van de drie. Van Rachel met Bilha sa‚m tegen Lea, de moeder der vier oudste zonen.

En in die bange worsteling was het op de behendigheid der hinde, en op de lokkende macht van het boeiende lieve woord aangekomen. En Bilha, en door haar Rachel, had in dien bitteren boozen vrouwenstrijd overwonnen. Jacob was in Rachels tente gebleven en Bilha ontving. En toen nu uit Bilha Jacobs zesde zoon geboren wierd, toen riep Rachel: „Deze zal Naftali, d.i. de afgeworstelde, heeten, want schrikkelijk heeft mijn ziel om hem met Lea geworsteld!”

En onder die worsteling ging er uit dien strijd, die met behendigheid en met de schoone taal der liefde was gevoerd, een karakterindruk op Naftali over. En dŠt zag Jacob, en |31| dies zong hij: „Naftali, mijn zoon, is als de hinde behendig en schoon ter tale als die vleit.”

*

Wonderbaar is Naftali van den Heere gezegend geweest, want in Naftali’s stam lag de westkust van Genesareths meer, en in Naftali lag KapernaŁm en wat vlekken en wat stedekens er meer aan dien oever door Immanuels voetstap zijn vereeuwigd.

Naftali, zingt Jacob stervend, geeft schoone woorden! En hoor, op Naftali’s erve verhief zich de bergglooiing, van wier helling de hemeltaal der Bergrede voor het eerst wierd beluisterd.

Er lag in Naftali’s stam dat ongezocht harmonische, dat de schoone beweging der hinde en het schoone woord der lippen teelt, zonder dat de kunst er in herkenbaar is.

Het ongekunsteld schoone, dat vanzelf verrukt en boeit door zijn bekoorlijkheid.

Naftali’s verweerkracht was daarom klein. Het lag ver van Jeruzalem, het lag als overgeleverd aan de heidenen. Met Zebulon zat vooral Naftaliֹs volk, zegt Jesaia (8 : 23), in duisternis. |32|

Maar ook, juist daarom is over Naftali het heerlijkst licht opgegaan. Want in Naftali zijn verre de meeste van Jezus’ wonderen geschied, en op Naftali’s bodem heeft die zilveren stem weerklonken, die op Jezus’ lippen woorden gaf zoo schoon en zoo zielverrukkend, als nooit menschenoor ze had beluisterd.

*

Die zin en die gave voor het schoone lag in Naftali’s aard, en dies mocht Naftali meÍ aan ’s Heeren tempel bouwen. Want toen Salomo toekwam aan de stukken die kunstschoon vergden, aan de koperen pilaren en koperen zee en de runderen, toen riep hij Hiram uit Tyrus, en Hiram, zoo verhaalt de Schrift ons, was uit Naftali’s stam (1 Kon. 7 : 14).

De macht van het boeiend woord vooral wierd in Naftali besef. En toen Barak, die Jabin en Sisera sloeg, tegen den geweldenaar op moest trekken, was het ook deze richter, die met de macht van het woord rekende. Want Barak was uit Naftali, en Barak zeide: Ik zal niet trekken, tenzij Deborah, de vrouw die schoone woorden geven kan, met mij ga.

Zoo boeit Naftali. |33|

Naftali ontving een schoone en sierlijke gave, waarom Mozes van Naftali zong: „o, Naftali, wees verzadigd van de gunsten en vol van de goedertierenheden des Heeren” (Deut. 23 : 23).

En er bloeide dan ook in Naftali edeler zin op. Want Deborah kon het van Naftali zingen: „Naftali is een volk dat zijne ziele versmaad heeft tot den dood!” (Richt. 5 : 18).

Toen het tegen Jabin en Sisera ging, ging tegen de vijanden des Heeren, toen had het zachte, schoone Naftali de vreeze overwonnen, en had om ’s Heeren wille zijn ziel uitgestort in den dood.

*

En toch ook Naftali bedreigde een gevaar.

Zin en kunstgave voor het schoone verleiden de ziel zoo licht, en zoo staat er dan ook van Naftali geschreven: „En Naftali verdreef de inwoners van Beth-Sťmes niet” (Richt. 1 : 33), zoo woonde „Naftali in het midden der Kanašnieten;” en „Beth-Sťmes werd hun cijnsbaar” (vers 34).

o, Bedenk het toch, de wereld is ook zoo schoon. En |34| wie op het schoone te zeer acht, windt zich ongemerkt zoo licht den strik van het schoone der wereld om de enkelen.

Hiram, die de koperen pilaren voor Gods tempel goot en boetseerde, was uit Naftali, maar zijne moeder had zich gehuwd aan een heiden uit het schoone, heidensche Tyrus.

Zoo maakt zin voor het schoone, o zoo licht wereldgelijkvormig. En dan geeft men ook als Christen, aan Naftali gelijk, wel schoone woorden, maar woorden die een verzaking zijn van het heilige Gods.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 6 (13 maart 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001