V. De patriarch Dan

Een slang aan den weg.

Gen. 49 : 17. a


Juda een leeuwenwelp; en vlak op hem volgt Dan, van wien Jacob stervend profeteert, „dat hij een slang aan den weg zal zijn, om derwijs het paard in de verzenen te bijten, dat zijn ruiter achterovervalle.”

Niet als een slang in het gemeen, maar als een soort kleine stofslang, die zich geheel inwoelt en inkronkelt in het stof en in het zand dat op den weg ligt, en nu, als het paard over den weg komt rennen, met ongelooflijke snelheid den slanken nek opbuigt, den kop opwipt, zijn tong in de pees van het paard invlijmt, en zijn gif in het dier overstort.

Dan is niet uit Lea, maar, onder Rachels hoede, uit Rachels vertrouwde slavin, uit Bilha geboren. Hij en Naftali. |24| Niet als Levi voor den dienst geheiligd, en niet als Juda tot den troon geroepen. Van nederiger staat en dies ook van nederiger stand in IsraŽl. En toch heeft ťn Dan ťn Naftali een eere van God ontvangen, want in Naftali was het volk dat in duisternis zat en een groot licht zou zien, (Jesaia 8 : 23 en 10 : 1), en van Dan sprak de patriarch het uit: Ook Dan zal richten (Gen. 49 : 16).

En Dan heeft gericht. D.w.z. ook Dan heeft evenals Juda en zoo menige andere hoofdstam, de macht bezeten, om richtend onder de stammen IsraŽls op te treden.

„Richteren” is een Bijbelboek, dat van een tweesnijdend richten gewaagt. Van een richten naar Gods recht van ’s volks schuld en afdoling, maar ook van een tweede richten, dat er eigenlijk meÍ ťťn is, het richten naar Gods recht van IsraŽls vijanden. Eigenlijk ťťn, want als het volk weer voor Gods recht buigt, doet God IsraŽls vijanden buigen voor IsraŽls opgeheven banier. Gerechtigheid verhoogt een volk. Inwendig door de oprichting van het heilig recht des Heeren. Maar ook tijdelijk uitwendig, doordien God den vijand op het kinnebak slaat.

„Ook Dan richtte.”

Dat is dus, dat ook Dan IsraŽl eens terugriep naar de |25| Wet des Heeren, en door den Heere vermand wierd, om het vertreden van IsraŽl aan den vijand betaald te zetten.

*

En nu uit Dan was Simson, en die ťťne naam spreekt voor duizend. Want wie is er, die schrikkelijker dan hij de Filistijnen met en op het kinnebakken sloeg en Gods gericht aan IsraŽls vijand heeft voltrokken?

Dan’s naam kwam niet van zijn moeder. Bilha had er niets in te zeggen. Bilha kwam slechts voor Rachel op. Van Rachel was zij, en voor Rachel was haar kind.

Hier dus geen samenhang tusschen wat omgingin Rachels hart, die den naam gaf, en Dan, die geboren wierd. Niet als bij Juda en Simeon een naam vol karakterzin, maar een naam van uitwendige roeping. Dan zal dit kindeke heeten, omdat God Rachels recht tegenover Lea gewroken heeft. Dan beduidt dat de Heere richtend optreedt. En nu, dat was het met Jefta, met Gideon, met Simson.

In hen en door hen richtte de Heere.

*

En toch hing de wijze waarop Dan richten zou, weer |26| wel terdege met Dan’s inborst sa‚m, en sa‚m met het karakter of gemis aan karakter, dat hij niet van Rachel, maar van Bilha had.

De slavinnezoon heeft niet het hooge karakter en niet de fierheid van den leeuw 1). Zijns is meer de kruipende aard. Hoor maar: Naftali is schoon in woorden, zingt Deborah, en Dan, zijn broeder, is een slang aan den weg.

Op zichzelf is dit niet als een zondige trek bedoeld.

Veeleer hebt ge u hierbij Jezus woord te herinneren van „oprecht als de duive en als de slang voorzichtig”, wat van de tegenstelling tusschen den moedigen leeuw en de in het stof verscholen slang weinig verscheelt.

Slang zijn wil hier op zich zelf niets zeggen, dan laag, machteloos zijn, maar die kleinheid, nederheid en geringheid vergoed door slim beleid.

Zoo ongetwijfeld was Bilha, en door dien slimmen aard tot haar hoogen rang onder haar medeslavinnen opgeklommen. Zoo ook was Dan’s inborst. En eveneens zou [zoo] eens Simson wezen. |27|

Wel de sterke man, die zelfs van een leeuw den bek openscheurt, maar die, alleen tegen alle Filistijnen gerekend, als niets is, en nu met slim overleg en fijn uitgerekend beleid, de Filistijnen keer op keer in den strik lokt en in dien strik vangt.

*

Maar ook hier ligt de zonde aan de deur. De voorzichtigheid der slangen is prijslijk, is u ter navolginggesteld, mits gevoegd bij de oprechtheid der duive. En wee u, zoo het bij u de slang alleen wordt. Want dan gaat die slang schuifelen en adderen in uw hart uitbroeden, en hare boosheid, op het duivelsche af, stikt dan uw leven.

Het is of Jacob dat stervend gevoeld heeft. Of waartoe anders na die schetsing van Dan’s karakter, plotseling die uitroep: „Op uw heil wacht ik, o Heere!”, die bij alle andere stammen ontbreekt?

Was het niet alsof Jacob profetisch gevoelde: Hier vooral ligt gevaar! o God, als ook die booze kracht zich ontwikkelen gaat, wie zal dan IsraŽl redden? En dat hij daarom bad: „Op uw heil wacht ik, o, Heere!”

Want weet dit. Wordt Juda bij ontaarding Jood, en dies |28| trouweloos, aan Dan wacht erger. In Dan vaart de Duivel in, en Dan zal verraad plegen.

Neen, we zeggen niet, dat Judas, die Jezus verried, uit Dan’s lendenen sproot. Eer schijnt hij van Karioth en van een JudeŽr te zijn geboren.

Maar geestelijk was hij stellig uit den patriarch wiens signatuur heette: „Een slang aan den weg, die het paard in de verzenen bijt, tot de ruiter achterover valle!”

In Dan kiemde het schrikkelijkst geestelijk kwaad.

Een kwaad dat nůg schuifelt en omsluipt ook in de Kerke des Heeren.

En daarom laat ons bidden, bidden voor hen, zooals de stervende patriarch bad: „Heere, we wachten ook tegen de Dan’s in ons midden op uw heil!”




1. Wel wordt Dan in Deut. 33 : 22 een jonge leeuw genoemd, maar alleen met het oog op zijn sprong.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 5 (6 maart 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001