IV. De patriarch Juda

Juda, gij zijt het!

Gen. 49 : 8. a


Levi is de Priesterstam, maar de Koninklijke stam is Juda. Juda is onder de patriarchen van adel. Niet naar den adel, die menschen beschikking toekent of menschelijke heldendaad wint. Neen, de adel van Juda’s stam is hem van God gegeven. Een adel vloeiend uit het Raadsbesluit, gevest in den door God aan Juda ingeplanten toeleg, en in de heilige Historie hem gegund.

Om den Immanul gaat alle ding, en dies moest de stam, waar de Spruite uit op zou spruiten, de stam der eere in Isral zijn. Stervend zag Jacob dit reeds, toen de Geest hem aangreep en hij, bij Geesteslicht, den Messias in zijne kinderen zocht, en hij Ruben en Simeon en Levi voorbijging, |18| maar, aan Juda toegekomen, met heilige verrukking uitriep: „Juda, gij zijt het!

Juda, alle overige stam heeft ook wel beteekenis, maar toch alleen met u als middelpunt en punt van uitgang. Gij alleen kunt desnoods tieren zonder de anderen, maar de anderen zijn niets buiten u.

Uit u de Silo, en daarom ruischt u in de aderen het bloed van den eeuwigen Koning.

Juda is een leeuwenwelp.

De Leeuw uit Juda’s stam overwint.

*

Wat was deze aan Juda ingeprente aanleg, die hem door innerlijke zielenadel deze koninklijke eere dragen deed? Dt zegt u Juda’s naam, want Juda is Godlover. „Ditmaal,” zoo sprak Lea, na haar baren, „zal ik God loven, en daarom noemde, ze zijn naam Juda” (Gen. 29 : 35.) Heel de Christus is in dit ne, dat hij, de Immanuel, God looft, gelijk alle zonde in dit ne is, dat de zondaar den mensch de eere geeft. En daarom die keurstam te zijn, die den Christus in zich droeg, en als stam het merkteeken te dragen van Godlover, viel geheel sam en was n. |19|

Van moeder op kind ging deze zielsgedachte der zwangere en der barende Lea over. Zij loofde God om dezen zoon, en die zoon was het, van wiens stam de Psalmist zong: „God is bekend in Juda” (76 : 2), en „uit de wateren van Juda is voortgekomen” (Jesaia 48 : 1) al wie zweert bij den God van Isral.

Roeping en aanleg, dracht en vrucht vertoonen dies ook bij Juda een zelfde stempel, — hier het diepste stempel, dat kan worden ingedrukt, het stempel van naar niets te vragen en niets te bedoelen, dan te zijn voor den Heere onzen God.

*

En daarom nu nog rust Juda’s adel op alle ziel en alle kerk, die dit ne aandurft dat ze God looft, en den Christus uit zich vertoont, en met den moed van een leeuwenwelp voor God en voor Christus durft strijden.

Het Soli deo gloria is door ieder, die niet van Juda is, aan Juda’s banier ontstolen, en ontzinken aan haar hoogen adel ziet ge elke kerk, die zich gereformeerd noemen durft, en het toch voor de eere Gods niet waagt.

God loven, onvoorwaardelijk, boven allen en over alles! |20| God loven, Juda zijn; en dat te zijn in de Belijdenis van het Woord als het Woord van onzen God; in de eeuwige Bestiering als van Hem geheel uitgaande; in de Verzoening als door Hem geheel teweeggebracht; God loven, Juda zijn, in uw oordeel over elke bekeering, in uw waardeering van alle mensch, in uwe bediening van alle ambt en roeping; — dt en dt is gereformeerd te wezen en nooit iets anders is met dien naam van „gereformeerd” te zijn, door onze vaderen bedoeld.

Als ge weer Efraim wierdt, van Efraim weer Juda worden, dat is alle kerkreformatie en alle reformatie van uw huis en hart.

De lof van het Eeuwige Wezen. Hij de Silo, en wij er alleen zijnde, om voor Hem Juda, dat is de Godlover te wezen, daarin ligt „Juda’s glorie” en van Juda’s kracht het geheim.

*

Zoo staat Juda hoog, zeer hoog, omdat niemand dieper dan Juda zichzelf wegwerpt.

Maar, helaas, ook in Juda woelt zonde, ook Juda kan omslaan, en als Juda omslaat, wordt hij erger dan Ruben, |21| die bij de stallen blijft nerzitten, en erger dan Simeon, die opvliegt, en erger dan Levi, die een hooge hand opheft. Als er bederf komt in het beste, ontaardt het beste in het slechtste, en zoo gaat het Juda ook, want Juda, zoo hij omslaat, wordt Jood. Jood, niet in den zin, waarin er 60,000 Joden op onze erve met ons als medeburgers leven, neen, maar Jood in de Kerk van Christus, Jood in het Christelijk ambt.

Deze Jood wordt Juda door trouweloosheid. „Juda handelt trouwelooslijk”, roept Maleachi (2 : 11), en eveneens spreekt Jeremia van „de trouwelooze, hare zuster Juda” (3 : 7), en juist hierover loopt met Juda ’s Heeren twist (Hosea 12 : 3).

Want dan gaat het zoo toe, dat Juda nog wel altoos „Godlover” blijft, maar, (en dit is het schriklijke), aan dat Godloven zijn eigen ziel bezondigt, doordien hij dat Godloven als een ambacht uitoefent, waarme hij uit is op eigen gewin.

Op gewin van geld of van eer of van invloed, dat doet er niet toe, maar altoos een „schacheren” met het heiligste dat op aarde bestaat, een slim en sluw spelen met het „God loven”, niet meer om God, maar om zichzelf te zoeken.

En komt het daaraan toe, dan gebeurt onherroepelijk van tween n. |22|

Dan blijkt f dat zulkeen een Jood was, en zijn Juda-adel slechts voorwendde, en dan wordt de afloop der wateren bij dezen zeer snel.

Of ook het blijkt, dat er echt Juda-hout uit den echten Juda-stam geschoten was, en de Jood er zich slechts als een woekerplant omslingerde. Een ontzettend gevaar, dat ge bijna bij elk kind van God bespeurt.

Maar geen nood: als het zoo staat, blijft er hope.

Want dan geldt het woord: „Er waren in Juda nog goede dingen” (2 Chron. 12 : 12) en „hoewel hunlieder hand vol van schuld is, Juda zal niet in weduwschap gelaten worden” (Jerem. 51 : 5).

Want weduwschap voor de ziel, dt is het, als Juda de Godlover door den Jood die in hem opwoelde, wiered afgesneden van de gemeenschap met zijnen God.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 4 (27 februari 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001