III. De patriarch Levi

Het is te veel voor u!

Num. 16 : 7. a


Jacobs derde zoon bij Lea droeg een kostelijken naam. Want Levi beduidt liefde. Levi is „aanhankelijkheid.” Is sympathie. Is verzoening. Is saambrenging van wat uiteen viel en saamvoeging van wat gescheiden lag.

Profetisch zag die naam op Levi’s heerlijke roeping om het Verbond der Genade te bedienen. Want een „Verbond”, dŠt is het juist wat Levi’s naam uitdrukt. Een „doen naderen” van IsraŽl tot zijn God, omdat die God gansch IsraŽl in zijn verbond had opgenomen.

Lea doorzag die profetie niet. Ze was als Kajafas, toen hij profeteerde „hoe goed het was dat ťťn mensch voor het volk stierf”, zonder dat hij er zelf iets van merkte. En zoo ook profeteerde Lea van Levi, naar zijn goddelijken dienst der |12| Verzoening, terwijl zij eigenlijk toch alleen aan haar gekibbel met haren man dacht.

Jacob was door Rachel van haar afgetrokken. Maar nu zou Jacob om zoo schoon een kindekijn zich weder bij Lea voegen, en daarom noemde ze zijn naam Levi: de weder saamgevoegde, „omdat,” zei zij, „mijn man zich nu weder voegen zal bij mij.”

Hierin nu lag symboliek.

Ook IsraŽl had een Man, en die man van IsraŽl was de Heere, en ook hier was de liefdeband verbroken, nu niet doordien de Man, maar wel doordien de vrouwe was afgeweken. IsraŽl had de liefde verzondigd, had den vrede verbroken met zijn God.

En nu moest ook hier die onvrede weg, de zoen weer gezocht, de verwijdering weggenomen worden.

En die dŠt doen moest was juist Levi’s stam, de stam der priesterlijke bediening, opdat IsraŽl weder tot zijn God zou naderen en de Heere zijn volk weer zou bezoeken, en door den man der „Sa‚mvoeging” (want dat beduidt Levi) de Bruid des Heeren weer zou worden samengevoegd met haar hemelschen Bruidegom.

Levi was de Vredestichter, de Liefdewekker, een engel, |13| zooals het bij Maleacbi heet (2 : 7), van den Heere der heirscharen in IsraŽl.

*

Maar zulk een goddelijke weelde is voor een zondig mensch meest te veel. Zooals een vorst, op wien bij Godes gratie souvereiniteit is gelegd, zoo vaak zijn macht voor zich misbruikt, in steÍ van zijn volk te dienen, zoo ook verging het Levi.

Het was zoo onbeschrijflijk rijk, drager der arke te zijn, de wacht des Heeren te betrekken, de strijden des Heeren te strijden, te hooren: „Het volk zal de wetenschap van uw lippen zoeken;” „Uit uw mond gaat de wet uit;” „Gij zijt een engel des Heeren.”

o, Tusschen God en het volk te staan, wat mensch in zonde geboren draagt die heilige weelde, dat hij er niet in zondigt?

En zoo nu kwam het diep verfoeilijke Clericalisme op! De zonde der aanmatiging op grond van verleende genade. Gaven die God de Heere schonk om ze aan zijn volk te bedienen, en die misbruikt wierden om eigen hoogheid te kittelen. |14|

Ruben is de loome, Simeon de heftige, maar Levi loopt het doodelijke gevaar van Gods heilige Verzoening te gebruiken tot streeling voor het eigen ik.

En daarom heet het tot Ruben: „Wat zit ge in de stallingen!” en tot Simeon: „Wat zijt gij heftig!” maar tot Levi: „Het is te veel voor u, gij kinderen van Levi!”

Och, de sterke beenen om zŁlk eene weelde in den dienst des Heeren te dragen, had Levi niet. En daarom is het einde van het Oude Verbond, dat Maleachi met name tot Levi moet roepen: „Gij hebt velen doen struikelen, gij zijt afgeweken, gij hebt het verbond verdorven, daarom maak Ik u onwaard en voor al het volk verachtelijk.”

*

Droeve historie van den stam, die na Juda het meest begenadigd was. Te veel ontvangen! Te rijk begiftigd! Te kostelijk begenadigd! En daardoor topzwaar geworden, gestruikeld en gevallen. En dat enkel door geestelijke aanmatiging. Door de aanmatiging van den Clericalistischen zuurdeesem.

Want die zonde, die ziekte der rijkbegiftigden stierf niet uit toen Levi stierf. Neen, neen. Die zonde sloop in elken |15| kring van Priesters en Dienaars en Leeraars en Getuigen des Heeren. Rome heugt er van. En in Luthers kerk is het schriklijk geworden. En, helaas, ook in onze Gereformeerde kerken wierd het weer de oude Levi’s-zonde op en top.

Ambassudeurs des Heeren bij zijn volk moesten de Dienaren des Woords zijn. Een engel van den Heere der heirscharen, als zij tot het volk spreken. En dies ook, als een engel, er alleen maar op bedacht om hun boodschap over te brengen, en de ondoorgrondelijke barmhartigheden van hun God te verkondigen. En zie, ook hier weer die aanmatiging, dat zelf opeten van den honig, dat nemen van de gave voor zich als instrument voor eigen hoogheid. Niet zij om het volk, maar het volk om hen. Geen bezieling om tot God te doen naderen, en daarom ook geen zielsdrang om zelf tot den Heere te gaan. Alles ťťn Clericalistisch zich verderven, in het doen drentelen van het volk om het middelpunt van hun priesterlijke hoogheid.

*

o, Boos zijn die toestanden!

Dan heet het: „Engelen des Heeren,” en al hun zorg is om kerkgoederen en gebouwen en woningen en traktementen. |16| Dan heet het: „En die doet naderen,” en als het op strijd en worsteling komt, voegt zulk een Dienaar des Woords zich dan bij Edom en Moab, om te woelen tegen Gods volk in, en af te stooten en uit te werpen wat men slechts kan.

En wonderlijk, dan zegt het volk: „Dat zijn nu onze Levieten,”en het volk voelt niet, dat het eigen schuld in die zonde heeft; want dat het vroeger zelf door wierook die zonen Levi’s bedwelmd heeft, en niet voor hen heeft gebeden, en ze niet heeft gedragen voor den troon.

Erger nog.

Onder dat volk voelen de besten niet, hoe de schrikkelijke zuurdeesem van het Clericalisme ook onder de bevestigde Christenen zit, die immers ook gaven ontvingen. Gaven, die ze in de gemeenschap der heiligen aan ’s Heeren volk moesten bedienen. Tot aan de lammerkens toe. En die toch, ook uit hķn gave zichzelven, helaas, een kroontje vlochten. Zij die gezochten! Die op de lippen levenden! Die heilig geroemden!

Helaas, Levi’s zonde, waarmeÍ hij den liefdedienst verzondigde, verderft zooveel!




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 3 (20 februari 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001