II. De patriarch Simeon

Want hij is heftig!

Gen. 49 : 7. a


Ruben is loom, is traag. Ruben ontwijkt graag de moeilijkheden. Hij houdt er zich liever buiten. En zoo blijft hij zitten tusschen de stallingen, en hoort naar de blatingen der kudde, terwijl zijn broederen in doodsangst voor hun leven worstelen.

Maar zoo is Simeon niet.

Eer omgekeerd is Simeon de heftige, de verbolgene, de overspannene en verschrikte in den strijd.

Ruben weifelt, Ruben aarzelt, Ruben is zonder moed. Besluiteloos, willoos. Maar Simeon wordt door hartstocht gedreven. Hem kookt het bloed in de aderen. En wel verre van stil te zitten, vliegt hij op in drift, en wil, in woede opgestaan, al zijn broederen vooruit. |7|

In hem woelt de hoogst gevaarlijke zonde van het Fanatisme.

Dat lag in zijn dracht reeds.

Lea was, toen ze Simeon droeg, geprikkeld door nijd in haar nieren. Jaloerschheid was in haar gevaren. En ze had Rachel niet kunnen zetten, en niet kunnen uitstaan, niet omdat ze Jacob voor zonde wilde vrijwaren, maar omdat ze zichzelve gekrenkt voelde, en omdat haar ik gekrenkt was; omdat zij het onderspit dolf. En dit wekte wraakzucht in haar hartstochtelijk hart.

Toen ontving en baarde ze Simeon. en haar uitroep is: „Simeon zal mij troosten, want ik word gehaat, en is er hope voor mijn dorst naar voldoening. De Heere heeft gehoord!” (Gen. 29 : 33).

Hartstocht dus in Lea, deels goede, deels zondige hartstocht; wonderbare vereeniging van geloof en geprikkelde hoovaardij. En dat alles gedekt door het roepen: De Heere heeft gehoord!

En die gedachte in haar dracht droeg ze dan ook op Simeon over.

Simeon ontving er zijn stempel door.

Want Simeon is de man onder het volk, die diep voelt |8| dat Gods volk gehaat is, en nu daartegen in wil; en nu geloof met heftigen toorn mengt; en zoo opvlamt in het onheilig vuur van een wild fanatisme.

Straks als Dina in Sichem is gaan drentelen, en het loon van haar zonde vond, dan trekt Simeon het zwaard, en zijn lust en zijn toeleg is uitmoorden.

En als Jacob, de oude patriarch, sterven gaat, dan heet het nog van zijn stervende lippen: „o, Simeon, laat af!” En dan vloekt IsraŽl „Simeons toorn, want hij is heftig, en zijn verbolgenheid, want ze is hard.” En dan noemt hij zijn eigen kind „een werktuig van geweld, en een man van boozen raadslag, van een raadslag, waarin zijn stervende ziel niet wil komen” (Gen. 49 : 4).

In Simeon is de fanatieke overmoed door vader Jacob verfoeid.

En dat komt nu niet uit den wortel van Gods volk, maar enkel uit de wereld, die nog onder dit volk omsluipt.

Altoos een vallen in uitersten.

Hier een Ruben, die niet uit zijn kooien en stallen is te halen, en nooit met de onderzoekingen zijns harten aan een einde komt; en tegenover hem een Simeon die opstuift eer hij zijn ziele kan reinigen, en die waant dat de kracht in |9| het heftige ligt, de macht in het groote, in het vurige, in het niets sparende woord.

En ook die Simeon stierf niet, toen Simeon begraven wierd.

Want ook die Simeon is een type. Die is er altoos onder Gods volk geweest.

o, Die Simeons, ze zijn er met hun heftig fanatisme nog. Blind doorgaan, op niets letten, en om niets zich bekreunen. Gespeend aan alle teedere gewaarwordingen Nauwlijks man van deernis der ziele of gebed.

Ze gelooven, o, gewisselijk. Er gloorde een vuur in hun ziele op.

Een vlam is gezien geworden. Maar helaas, die vlam vertoonde al spoedig den rossen walm van den wilden hartstocht.

Gods volk is gehaat, en daarom zullen zij het op die haters wreken.

Zoo kennen ze den wederstand, en die prikkelt zeenlaat ze geen rust.

En nu wordt het Šl toorn, Šl heftigheid, Šl verbolgenheid, en in hun verborgen raad ťťn broeden op wilde gedachten.

o, Dat men toch omzie, ook in onze dagen.

Ge hoordet wel van de Beeldstormers. |10|

Ook die waren voor een groot deel uit de Simeons te hoop geloopen.

En die Simeons, ge ziet ze weer om u opleven.

En nu, Jozef bond Simeon. En dat was recht. De Simeonsnatuur moet onder Gods volk ingebonden (Gen. 42 : 24).

Hun jaloerschheid zou te ver gaan. Hun wederhaat te onheilig branden. Hun heftigheid zou Gods Kerke verteren.

Alleen maar, vergeet nooit, dat tegenover Ruben . . . die Simeon gelijk heeft. Tegenover de Erasmussen zal elk liefliebber van Gods Kerke zelfs de Beeldstormers eeren.

En dat, dat kostelijk element moet in Simeon geŽerd.

Simeon is ůůk een kind van Jacob.

Simeon moet ůůk zijn erfdeel in Kanašn hebben.

Juda mag niet zeggen: Simeon moet achterblijven.

Lees het maar in den aanvang van Richteren (1 : 3). Juda was het, die juist tot Simeon zijnen broeder zeide. „Trek met mij op en laat ons tegen de Kanašnieten krijgen.”

Niet door Simeon af te stooten, maar door Simeon in zijn tintelende bezieling te waardeeren, wordt zijn onheilig fanatisme in heiliger gloed gelouterd.




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 2 (13 februari 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001