De Twaalf Patriarchen

Bijbelsche karakterstudiŽn

door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, J.A. Wormser. [1887]



I. De patriarch Ruben

Waarom bleeft gij zitten tusschen de stallingen?

Richt. 5 : 16. a


Toen Deborah haar lied zong, zong ze ook Ruben toe. Ruben, de ontrouwe stam. Ruben, die zijn broederen alleen had laten strijden.

Ruben, die het had aangezien, dat de broeders samen den harden strijd doorworstelden, maar die aan de vrijmaking van Gods volk zelf niet had meÍgedaan.

De Kerke Gods was ook in Deborahs dagen schrikkelijk ten onder gebracht. Zij zuchtte toen onder Jabin, den koning, en onder Sisera, den geweldigen vernieler.

En de Kerke Gods stond weerloos. Ze had geen lans en geen spies. En ook geen paard of geen ezel, om, als de kans keerde, te ontvluchten. Op de voeten moesten al de krijgsknechten des Heeren gaan. En dat, terwijl die |2| geweldige Jabin tegenover hen stond, en Sisera met duizend ijzeren wagens, en voor die wagens vreeselijke paarden, rennende als een vernielende kracht tegen hen in.

Maar God hielp, toen IsraŽl alles verdorven had. En toen stond er een vrouw op. Deborah was haar naam. En uit die vrouw sprak opeens een wondere kracht. En die kracht van die vrouw greep Barak aan. En Barak redeneerde niet, maar blies op de bazuin. En op het hooren van dat bazuingeschal kwamen toen Gods kinderen uit hun vlekken en dorpen en holen en stille hoeken sa‚m. En zoo stond men opeens met een hoop van Gods volk tegen de Jabins en de Sisera’s over. En de slag kwam. En God gaf het Barak om de Jabins te slaan, en niet aan Deborah, maar aan JaŽl, ook een vrouw, om Sisera den woesten kop te verpletteren.

Verlossing, vrijmaking, wonderbaar en heerlijk; en Jabin had niets meer te zeggen, en ’s Heeren volk leefde in heerlijken jubel op, en de Kerke vertoonde haar gelaat weer, en van Hebron tot aan Kades toe was er ťťn toon des lofs voor wat de Heere Heere gedaan had.

Maar . . . Ruben had niet meÍgedaan.

Ruben was wel niet naast Sisera op de ijzeren wagens |3| gaan staan om de Deborahs en Baraks, zoo het kon, te vermorzelen.

o, Neen, daartoe sprak het broederbloed te sterk. Een verrader was Ruben niet.

Maar weet ge wat Ruben wel deed? Ruben bleef van verre staan; Ruben zou dit eens aanzien; zou eens afwachten hoe het liep; en zou wel meÍdoen en er wel bijkomen, maar . . . dan moest eerst de slag geslagen en het gevaar voorbij zijn. En dŠn, ja, dŠn zou Ruben gewisselijk meÍdoen.

Och, Ruben had het te druk met zijn zaken, om zich veel met de vrijmaking van Gods Kerk in te laten. Ruben had vele stallingen. Daar kon hij niet van weg. Dan zou het vee zijn goede verzorging hebben gemist. o, Ruben had geen tijd om te luisteren naar het veldlied van Gods trouwe kinderen. „Ruben moest naar de blatingen zijner kudden hooren.”

En toen, lees het in Richteren 5 : 16 maar, toen liet daarom de zaak Ruben wel niet onverschillig. Alleen maar, Ruben was uit „de onderzoekingen zijns harten” nog niet. „Die van Ruben”, zoo staat er, „hadden vele onderzoekingen des harten.”

Vroom zelfs was Ruben dus. Ruben zal die onderzoekingen |4| zijns harten zelfs veel in het gebed en op de knieŽn voor den Heere hebben gebracht. o, Ruben onderzocht zooveel. Hij had zoo diepe worstelingen des harten.

Maar onderwijl liet Ruben zijn broederen alleen den strijd strijden, en onderwijl had Ruben in zijn stallingen vermaak.

Ontzettend zelfbedrog! Die vrome Ruben, die in zijn ziel de zaak om en omwoelt, en intusschen zijn vee liever dan Gods volk heeft.

En toch, zoo was het bij elken strijd van Gods Kerk.

Altoos waren er lieden, die ja, o, zoo gewisselijk komen zouden, als eerst maar de handpalmen van Zeba en Tsalmuna in uw hand zijn; en het gevaar voorbij en de hitte des daags is gedragen; en die inmiddels zichzelven nog voor vromer dan de anderen houden, die doorgaan.

Zoo zijn er ook nu weÍr duizenden in den lande en duizenden in deze groote stad, die dien strijd van ’s Heeren volk aanzien; die wel voelen dat zij de Jabins en Sisera’s niet mogen bijvallen, die wel weten, dat het om de zake des Heeren gaat, maar helaas, zij hebben allerlei onderzoekingen des harten, en daarom blijven ze zitten tusschen de stallingen, en vinden de blatingen der kudde zoo schoon! |5|

o, Ruben in onze dagen. Ruben ook in Nederland. Ruben ook in onze Amsterdamsche Kerk! Deborah vergat u niet, Deborah verachtte u niet, maar ook Deborah liet uwe conscientie niet met rust, en riep u toe: waarom, waarom, o, Ruben, uwe stallingen boven de kudde des Heeren verkozen?

En daarom roepen ook wij, en manen zoo ernstig en zoo dringend: o, Ruben, onze broeder, sta toch op!




a. Eerder gepubliceerd in Amsterdamsche Kerkbode 1 (1887) 1 (6 februari 1887).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001